|
De Werking der Zonde door g.j.p.
>
I. De Oorsprong der Zonde
II. Wezen en Werking der Zonde
III De Gevolgen der Zonde
We willen enige stukken ¹ over het wezen, de werking en de gevolgen der zonde schrijven. Veel, zeer veel is vanzelf reeds over deze dingen geschreven en hierbij is voortreffelijk werk. Waar dit niet zo voor allen toegankelijk is en toch
telkens over deze dingen gesproken wordt, meenden we er wel aan te doen, een en ander voor onze lezers in het kort uiteen te zetten, te meer, omdat we in « Uit de Schriften » nog weinig hierover gesproken hebben. We hopen later in staat te zijn tegenover de zonde Gods genade uiteen te zetten.
1948 |
G.J.P. |
I. De Oorsprong der Zonde Top
De Geestenwereld. De Schrift leert, dat de oorsprong der zonde bij het schepsel is te zoeken. Dit wordt van Satan èn van de zonen Gods èn van de mens geleerd. Het is nodig deze drierlei sfeer te onderscheiden.
Niet in de mensenwereld is de zonde het eerst ingekomen maar in de wereld die er voor deze was. Te beginnen bij Satan. We menen dat hij de overdekkende cherub van Ez. 28 is. Zie hiervoor ons werkje: « Het Anti-Goddelijke Trio ». Hij was de « verzegelaar der som », het eind en de kroon van de toenmalige wereld, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid, Hij was in Eden, Gods Hof. Dit is niet de Hof van Eden waarin Adam was, maar in het Eden ener voorwereld, waarin allerlei schoon edelgesteente was. Hij woonde op Gods heilige berg en wandelde temidden van vurige stenen, Ez. 28:l—14. En dan gaat vs 15 voort:
« Gij waart volkomen in uw wegen van den dag af dat gij geschapen zijt: totdat er ongerechtigheid in u gevonden is. » En in vs 16: « ...... Gij hebt gezondigd ».
Men ziet hieruit, dat de zonde hier aan Satan wordt toegeschreven.
Voor hen die hierin Satan niet zien, zijn er andere Schriftplaatsen, die er op wijzen, dat de zonde met en in hem begint.
Joh. 8:44 zegt volgens de St. Vert., dat hij in de waarheid niet is staande gebleven. Naar het Grieks is dit niet geheel juist overgezet: er staat: « dat hij in de waarheid niet staat ». Dit wil echter niet zeggen dat hij er nimmer in gestaan heeft, zoals zij leren die zeggen dat God Satan als zondaar geschapen heeft. De Schrift leert, dat hij zondigt « van beginne ». Joh. 8:44 Het « van den den beginne » der St. Vert. is niet vanaf het begin van zijn bestaan, maar vanaf 'n begin, vanaf zeker tijdstip in zijn leven (zie hiervoor « Het Anti-Goddelijke Trio »). Sinds die tijd staat hij niet meer in de waarheid. « Want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen, want hij is een leugenaar en de vader der leugen », Joh. 8:44. Hiermee wordt de auteur der zonde duidelijk aangewezen.
De zonde is opgekomen in het hart van wezens van wie wij slechts geringe kennis bezitten en onder verhoudingen, die ons zo goed als geheel onbekend zijn. Toch wordt duidelijk aangewezen, waarin ze bestaan heeft. Naar Jes. 14, waarin onder de Morgenster ook Satan is te verstaan, is het hoogmoed geweest. « Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen, en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden; ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden ». Vs. 13 ,14. Dit wordt bevestigd door 1 Tim. 3:6, waarin Paulus de nieuweling waarschuwt, niet opgeblazen te worden en in het oordeel des Duivels te vallen.
Satan's zonde is dus met hoogmoed begonnen. Hij heeft zich willen verheffen. Hij heeft ten hemel willen opklimmen en heeft zijn troon boven die der sterren Gods — de engelen — willen verhogen, ja zelfs aan God willen gelijk worden.
De Schrift openbaart nog meer van de hogere wezens. Jud. 6 en 7 spreekt van de engelen die hun beginsel niet bewaard, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, dat is, in hun heerlijkheidssfeer niet gebleven zijn en ander vlees zijn nagegaan. Dit zijn wel de engelen van 2 Petr. 2:4 die gezondigd hebben. Deze zijn in de « hel » de Tartarus geworpen. Dit zijn de zonen Gods van Gen. 6:1 die tot « de dochteren der mensen », letterlijk: « de dochters van Adam » zijn ingegaan en een ras van reuzen verwekt hebben. In 1 Petr. 3:19 lieten zij de geesten in de gevangenis. Tot hen heeft Christus nu Zijn opstandig gepredikt. Hier schijnt zinnelijkheid de zonde te zijn waardoor zij verleid zijn.
Verder geeft de Schrift nog een groep aan, n.l, de overheden en machten, de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, de geestelijke boosheden (niet in de lucht, zoals de St. Vert. zegt, maar) in de overhemelse gewesten. Ef. 6:12. Col. 1:16 spreekt over de schepping van tronen, heerschappijen, overheden en machten Een deel daarvan is gevallen, wat blijkt uit Ef. 6:12 en ook uit Col, 1:20, dat leert dat zij eenmaal verzoend zullen worden. Wat hun zonde is geweest, meldt de Schrift niet rechtstreeks. Uit Col. 1:20 vergeleken met vs 21 en Ef. 2:12 volgt het echter. Er is vijandschap tegen God in hen gekomen.
Zo vinden we als zonden in de geestelijke wereld: hoogmoed bij Satan, zinnelijkheid bij engelen, vijandschap bij Overheden en machten. Van alle drie draagt niet God, maar het schepsel de verantwoordelijkheid.
De Mensenwereld. Laat ons nu zien wat van de mens wordt meegedeeld.
Oorspronkelijk geschapen als levende ziel — men lette er op dat er niet staat dat hij een ziel kreeg, maar dat de mens ren levende ziel werd — is hij niet in die staat gebleven, maar daaruit uitgevallen. Waarschijnlijk niet lang na zijn schepping, heeft hij God verlaten, de Bron des Levens. Hiervan schrijft Paulus: « Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood...... ». Rom. 5:12. De afwijking van de rechte weg is in het begin zeer gering geweest, een gedachte slechts heeft het hem gedaan, maar heeft geleid tot een totale doelmissing.
Jakobus onthult de oorsprong der zonde; het is de begeerlijkheid. De zonde is daarvan de vrucht. « Maar een iegelijk wordt verzocht als hij; van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt; daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde en de zonde voleindigd zijnde, baart den dood ». Jak. 1:14, 15.
Hier worden duidelijk drie dingen aangegeven: le. het afgetrokken worden; 2e. het verlokt worden; 3e. dat zonde lief product der begeerlijkheid is en tot de dood voert. Wat Adam betreft geldt dan: hij werd afgetrokken van God, de bron des levens, hij werd verlokt eigen begeerte na te volgen en dit voert tot zonde, die uitloopt op de dood.
Over de gevolgen in 's mensen wezen spreken we nader. Het gaat hier over de oorsprong der zonde.
Meestal zoekt men Adam's zonde in het eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads. Dit is onjuist.
Eva is verleid en in overtreding geweest, 1 Tim. 2:13, 14 en Adam ongehoorzaam en eveneens in overtreding, Rom. 5:28 en 14, maar dit zijn beide gevolgen van de oorspronkrlijke zonde, Adams zonde ligt dieper, ligt vóór het eten van de boom, ligt vóór de verleidingvan Eva, ligt zelfs voor Eva's schepping. Want de Schrift zegt, dat door een mens zonde in de wereld is ingekomen. Een is in Rom. 5:12 niet het onbepaalde lidwoord een of 'n; er staat dus niet dat door 'n mens de zonde in de wereld is Ingekomen, maar: door één mens. En evenzo als de genade Gods is door één mens, Jezus Christus, wat er geen twee zijn, zo is ook de zonde door één mens en niet door twee. Men zegge niet dat Eva in Adam begrepen wordt. Het gaat in Rom. 5 zuiver over de tegenstelling van twee Adams, de eerste en de laatste. Hieruit volgt, dat Adam gezondigd had toen hij nog alleen was, toen Eva nog niet geschapen was.
Men zal zeggen: Daarvan lezen we toch niets in Genesis 2 en 3. Rechtstreeks niet. Zijdelings wel. In Gen. 1:27 is sprake van tweeërlei schepping. Eerst schiep Gods de mens, Hebr. Ha Adam. Dit is de ene mens die het mannelijke en vrouwelijke in zich had. Deze ene mens is geschapen naar het Beeld Gods. Dit is naar Christus, die het Beeld Gods is, 2 Cor. 4:4. Hij geleek lichamelijk op Christus' gestalte.
Men weet dat Christus de zich in mensenvorm openbarende Jahweh des O.T. is, Adam is eerst alleen geweest. Hij werd geplaatst in de Hof van Eden, Gen. 2:8. Daar moet de begeerlijkheid in hem opgekomen zijn, de begeerlijkheid naar een vrouwelijk wezen. Die begeerlijkheid heeft ontvangen, is door zijn wil versterkt, hij heeft zich naar zijn ik daarachter gesteld en ze niet door dat ik uitgedreven, zodat de ontvangenis uitbleef. Toen had de geestelijke bevruchting plaats en is de zonde gebaard: hij ging zoeken. Dit volgt uit Gen. 2:20. Maar hij vond geen hulpe...... Toen kwam de zonde in de wereld in en het gevolg was de dood. Om die te remmen en het menselijk geslacht mogelijk te maken, heeft God ingegrepen. Hij liet een diepe slaap over Adam komen — symbool des doods — schiep de ene gezondigd hebbende mens om in twee. « Man en vrouw schiep hij ze ». Gen. 1:27. Dit is de tweede, de secondaire schepping.
Over deze achtergrond werpt Genesis een sluier. Israël kon dit niet verstaan. Hun werd alleen het monogaam huwelijk geleerd, de secondaire schepping. Dit was voor hen nodig. Er waren dingen die verborgen moesten blijven, die ze niet dragen konden. Het mysterie waarom eerst één mens geschapen werd en daarna nog een schepping van man en vrouw nodig was, werd hun niet geopenbaard. Dit doet Paulus echter en is een der verborgenheden en openbaringen des Heren hem bekend gemaakt (2 Cor. 12).
« Eerst langzamerhand wordt bij het voortschrijdend licht der openbaring de diepte, der duisternis onthuld. Schijnbaar onschuldig begonnen, wordt de zonde in haar wezen en macht eerst in den loop der geschiedenis bekend. De afwijking van den rechten weg is bij den aanvang gering en nauwelijks merkbaar, maar voert, voortgezet, in een geheel verkeerde richting en leidt tot een gansch verkeerde uitkomst. Daaruit is ook te verklaren, dat de Schrift beide in Oud en Nieuw Testament, betrkkelijk zoo zelden naar het verhaal van den val terug ziet...... »
Bavinck, Geref. Dogm, Dl. III bl. 8.
Prof. Bavinck schrijft dit naar aanleiding van Gen. 3. Wij citeren het hier, daar het niet minder opgaat.
Ook bij de mens stelt de Schrift reeds in de genoemde teksten vast, dat de zonde uit hem is. Wie verder bewijs wil hebben, vindt dat in tal van andere Schriftplaatsen. We citeren slechts enkele.
« hetgeen uitgaat van den mens, dat ontreinigt den mens. Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hoovaardij, onverstand. Al deze dingen komen voort van binnen en ontreinigen den mensch. » Mk. 7:20-23.
« Daarom is het bedenken des vleses vijandschap tegen God ». Rom. 8:7.
« De menschen hebben de duisternis liever dan het licht », Joh. 3:18 en doen « den wil des vleses en der gedachten », Ef. 2:3. « Deze wil onderwerpt zich der wet Gods niet », Rom.:7. « Arglistig is het hart, meer dan eenig ding, ja dodelijk, wie zal het kennen », Jez. 17:8.
Zonde en ongerechtigheid komen volgens het Woord op uit de mens en het overige zedelijke schepsel.
De Rechtvaardiging Gods. Vonden we zo enerzijds dat de zonde uit het schepsel is en kunnen we naar Jakobus' woord alle zonde terugleiden tot begeerlijkheid, in hoofdlijn bij Satan naar grootsheid des levens, bij de engelen naar begeerlijkheid der ogen, bij de mens naar begeerlijkheid des vleses (1 Joh. 2:16), anderzijds rechtvaardigt de Schrift God en leert zij, dat in geen geval Hij de oorzaak der zonde is. Hij is waarheid en geen onrecht, rechtvaardig en recht, Deut. 32:4; Hij is verre van goddeloosheid en onrecht, Job 34:10; Ps. 92:16, Hij is drie maal heilig, Jes. 6:3; te rein van ogen om het kwade te zien, Hab. 1:13, een Fontein van leven, Ps. 3:10, een licht zonder duisternis, 1 Joh. 1:5; niemand verzoekende, Jak. 1:13; Hij verbiedt de zonde in Zijn wet, Ex. 20 en heeft geen lust aan goddeloosheid, Ps. 5:5; Hij heeft gerechtigheid lief en haat goddeloosheid, Ps. 45:8; Hij toornt tegen de laatste, Rom. 1:28, 2:8. De zonde, ongerechtigheid en goddeloosheid komt dus niet uit Hem voort. Noch is Hij de inblazer er van. Blijft bijgevolg alleen het schepsel over.
De Zonde Toch Uit God? Hoe moeten we de oorsprong der zonde dan verklaren? Hoe kan een goed geschapen wezen tot zonde komen? Hoe kan de begeerlijkheid ontstaan?
Veel is er in de eeuwen, bijzonder in die der Christelijke jaartelling, over de zonde en haar ontstaan gedacht en geschreven en velerlei mening is naar voren gekomen. Sommigen leiden de orsprong der zonde naar God terug en leren, dat Hij gewild heeft dat het schepsel zou zondigen. Ze schrijven Hem niet alleen de mogelijkheid tot zondigen van het schepsel toe, maar ook de inzet tot de dadelijkheid. Hij wilde dat de mens zou vallen om hem dan genadig te kunnen zijn. Dit komt hierop neer dat een vader zijn kind in het water werpt om eens aan te tonen welk een goed zwemmer en redder hij is. Voor hij het echter uit het water haalt, geeft hij het eerst een aframmeling (het oordeel over de zonde) omdat het (buiten zijn schuld) in het water is terechtgekomen. Dan redt hij het en zelfverheerlijking. Daar komt in wezen de leer dat God zonde gewild heeft op neer.
Veel haalt men de woorden aan van Rom. 11:36 dat alle dingen uit Hem, door Hem en tot Hem zijn. De zonde is volgens velen, ook een « ding » uit Hem. Hoe anders kan ze in de schepping zijn gekomen. Veelal vergeten zulken dat 1 Joh. 2:16 leert, dat nièt alles uit God is. « Want al wat in wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens is niet uit de Vader maar is uit de wereld ». Maar indien men dit al toegeeft, dan nog houdt men het er voor dat de zonde er buiten Gods wil, d.i. rechtstreekse inwerking, kan zijn, dat God m.a.w. dus wil dat we zondigen en wil dat we het ene ogenblik kwaad, het andere goed doen. Dit is het reinste Pantheisme of Fatalisme dat men zich denken kan. Hiermee draagt het schepsel absoluut geen verantwoordelijkheid en Gods oordeel en Zijn straf absoluut geen reden van bestaamn. Waarom dan het goede beloond en het kwade gestraft? Hoogstens kan de mens dan voor beide loon ontvangen.
Hiertegenover stellen de aanhangers dier zienswijze dan dit, dat er niets in de schepping kan wezen zonder Gods wil, dus dat de zonde er is met Zijn wil; moge het schepsel ze dan ook bedrijven en er straf voor ontvangen. Men wijst dan vooral op de verharding van Farao's hart op het feit dat de Here David aanporde het volk te tellen, op Christus' lijden en dood die naar Gods bepaalde raad en voorkennis Hem door Israël zijn veroorzaakt, op Gods verharden die Hij wil, ja op het ganse voornemen der eeuwen waarin de zonde als een onmisbare factor is opgenomen. Zo is de zonde dan met en naar Gods wil, besluit men.
Wel komt Gods heiligheid en absolute zondeloosheid hiermee in het gedrang, maar, zegt men, we kunnen God niet beoordelen en eenmaal zal wel blijken, dat Hij, ondanks dat Hij de zonde toeliet, toch vrijuit gaat. Hij wilde de zonde om er een hoger goed uit te voorschijn te doen komen en daarom is ze te rechtvaardigen.
Zij kunnen hierbij Schriftteksten als bewijs aanvoeren. « Het is noodzakelijk dat de ergernissen komen », Mt. 18:7. « Moest de Christus niet al deze dingen lijden en zo tot Zijn heerlijkheid ingaan? », Lk. 24:26. « Want er moeten ook ketterijen onder u zijn », 1 Cor. 11:19. « Doch in een groot huis zijn niet alleen ...... vaten ..... ter eere, maar sommige ter oneere », 2 Tim. 2:20.
Er is in deze voorstelling zoveel wáárs, dat het niet behoeft te verwonderen, dat zij ten allen tijde de geesten geboeid heeft. De zonde is niet toevallig of willekeurig, zij is opgenomen in de raad Gods. Zij is zo samengeweven met heel ons bestaan, dat wij van een heilig leven, van een zondeloze geschiedenis ons geen voorstelling kunnen maken. Ze wordt tegen haar wil door God Almachtig dienstbaar gemaakt tot openbaring Zijner deugden en aan de ere Zijns naams. En toch, ondanks al het ware dat in deze voorstelling verscholen ligt, en later nog duidelijker aan het licht zal treden, toch kan en mag ze niet worden aanvaard, We geven hiertegen een citaat.
« In de eerste plaats berooft ze de zonde van haar ethisch karakter. De zonde is zeker niet alleen en niet altijd een wilsdaad, gelijk het Pelagianisme zegt, maar wel terdege ook een toestand, een natuur van de wil, doch ze gaat nooit geheel buiten de wil om. Hier echter wordt de zonde op gnostische en theosophische wijze met de physische (natuurlijke) verschijnselen van duisternis, ziekte en dood geparallelliseerd (gelijkgeschakeld) en geidentificeerd (gelijkgemaakt), uit het vlees, de materie, het wezen der schepselen, de natuur Gods afgeleid en alzo tot een substantie of tot een noodzakelijke qualiteit (hoedanigheid) van het bestaan der dingen gemaakt. Daarmee wordt de zonde van haar ethisch (zedelijk) karakter beroofd en tot een physisch (natuurlijk) verschijnsel verlaagd.
Ten tweede wordt de zonde naar deze voorstelling eeuwig en onoverwinbaar. Wijl zij immers niet ethisch maar physisch van aard is, is zij noodzakelijk eigen aan al het bestaande, zowel God als de wereld, en is zij voor de existentie (het bestaan) van alles onmisbaar. Het goede is niet alleen noodzakelijk voor het kwade, maar ook omgekeerd het kwade voor het goede. Het kwade is hier niet áán het goede en áán het zijn, maar het is zelf een zijn en zelf een goed, zonder hetwelk ook het goede niet kan bestaan. De mens die naar verlossing van de zonde streeft, zou een goddelooze wens koesteren en werken aan zijn eigen ondergang. Een wereld zonder zonde zou onbestaanbaar wezen, een status gloriae (een heerlijke staat) niets dan een droom.
Ten derde houdt de zonde hiermede op te zijn een tegenstelling, ze wordt een lagere, mindere graad van het goede, op haar plaats even goed als het goede zelf Ze wordt een altijd voor de verdwijning bestemd en toch nooit verdwijnend moment in het leven en de geschiedenis, een nog niet zijn van wat het schepsel behoort te wezen en toch nimmer wordt of worden kan: een zuivere negatie, die eigenlijk geen realiteit heeft, maar alleen in onze gedachte bestaat.
Ten vierde moet op dit standpunt God de auteur der zonde worden. Het Parzisme en Manicheïsme deinsde hiervoor nog terug, stelde het rijk des lichts en het rijk der duisternis recht tegenover elkaar en plaatste aan het hoofd van beide een eeuwig, Goddelijk wezen. De God der natuur is een gans andere dan de God van het goede, de zedelijke macht die in het geweten zich gelden laat. Maar de gnostische philosophie en de theosophie nam de tegenstellingen in het eene Absolute op, God zelf moet, om persoon, geest te worden, een donkere natuur in zich dragen en eeuwig overwinnen. Zelf komt Hij door een strijd, een proces, tot Zijn Goddelijk bestaan. An sich is Hij Bathos agnootos, donkere natuur, blinde wil en als zodanig Schepper der materie......
Hiertegen getuigt niet alleen de Heilige Schrift, maar komt ook het redelijk besef bij allen mensen in verzet. De zonde moge zijn wat ze wil, maar dit eene staat vast, dat God de rechtvaardige en Heilige is die in Zijn wet haar verbiedt, in het geweten tegen haar getuigt, in straffen en oordeelen haar bezoekt. De zonde is niet zedelijk en niet wettelijk, zij is niet voor het bestaan der schepselen, zij is veel minder voor het bestaan Gods noodzakelijk. Het goede is noodzakelijk, opdat zelfs het kwade er zou kunnen wezen, maar het goede heeft niet het kwade, de heiligheid niet de zonde, de waarheid niet leugen, God heeft Satan niet van noode. Als desniettemin de zonde toch menigmaal dient om het goede tot meerdere openbaring te brengen en Gods deugden te verheerlijken, dan geschiedt dit niet met en door, maar tegen haar wil, door de wijsheid en de almacht Gods. Tegen haar natuur in wordt dan de zonde gedwongen om aan de eere Gods en aan de komst von Zijn koninkrijk dienstbaar te zijn. Zo bewijst menigmaal het kwade hulde aan het goede, zo wordt de leugen door de Waarheid achterhaald, zo moet Satan om te verleiden, menigmaal verschijnen als engel des lichts. Maar dat alles is niet aan de zonde doch aan de almacht Gods te danken, die uit het kwade het goede, uit de duisternis het licht en uit de dood het leven kan doen voortkomen. »
Citaat uit Bavinck, Geref. Dogm. III, bl. 34, 35.
Gods Dulding. Hiermee is nog niet alles gezegd. Er blijft nog na te gaan, hoe God tegenover de zonde staat. Hij is niet haar auteur. Bestaat zij dan buiten zijn kennis, wil en almacht? Is zij een macht naast God?
Velen spreken hier van toelating. God heeft de zonde toegelaten en laat ze nog steeds toe. Hij wil ze wel niet, maar verzet er zich ook niet zo tegen. Hij verhindert ze niet en laat haar haar gang gaan. Dit vinden we echter een onjuiste voorstelling. Voor iets dat we toelaten dragen we mede verantwoordelijkheid. We vinden het nu wel niet goed of niet helemaal goed, maar gaan er toch niet zo tegenin dat er van verzet sprake is. Zo is het nu echter bij God en de zonde niet. We geloven dat we tweeërlei kunnen zeggen: De zonde is geen macht buiten God in die zin, dat er een wil is buiten Zijn wil waarover Hij niet kan heersen. Ze is echter een macht tegen God ingaande, die Hij duldt. Als we iets dulden, zijn we het er absoluut niet mee eens, maar dragen het, om welke reden dan ook. Zo is het nu met God. Hij duldt de zonde, Hij verdraagt het leed dat zij veroorzaakt, het verzet dat tegen Hem ingaat, om het op Zijn wijze te behandelen, op te heffen en teniet te doen.
Nog een vraag eist beantwoording. Als God iets duldt, of draagt dat tegen Hem ingaat, waarom heeft Hij dan toegelaten dat dit iets zou komen? Hij heeft voorzien dat Satan zou vallen, dat Adam zou zondigen. Hij heeft de wereld van ellende voorzien, waarvan wij een stukske beleefd hebben en nog beleven en die al eeuwen in haar wezen zo bestaan heeft en nog meer ellende en ongerechtigheid zal te zien geven. Waarom heeft Hij Satan niet vernietigd. Adam niet gedood. Hij had dit door Zijn almacht toch kunnen doen. Heeft de Pottenbakker geen macht over het leem?
We merken op dat hiermee wel de zonde was neergeslagen maar niet overwonnen. We komen hier reeds op wat we in het volgende hoofdstuk zullen nagaan: het wezen der zonde, maar moeten er hier wat op vooruit grijpen. Het wezen der zonde is in diepste zin een aanranding van Gods Wezen, een uit hun even wicht brengen van Gods eigenschappen of deugden. Het is een tweespalt verwekken tussen Zijn rechtvaardigheid en Zijn liefde, Zijn kracht en Zijn barmhartigheid, Zijn heiligheid en Zijn goedheid. Naar Zijn recht en heiligheid moet Hij de zondaar vernietigen, naar Zijn liefde en goedheid moet Hij hem behouden. Indien Hij dus de weg der vernietiging had gekozen, was Zijn goedheid en barmhartigheid niet bevredigd. Al had Hij het bestaan van het schepsel dus opgeheven, daarmee was Zijn Wezen niet tot rust gebracht. Dat is nu het ontzettende van de zonde, dat het God tegenover God plaatst. Zijn recht met Zijn liefde, Zijn heiligheid met Zijn barmhartigheid in botsing brengt.
Volgens Calvinistiese en anderer opvatting heeft God de zonde gewild. Hij wilde dat ze er zijn zou. Niet omdat Hij er welbehagen in heeft, maar in die zin, dat al de kracht, de wijsheid en alle gave waarmee men zondigt van Hem is. Farao zondigt verder, omdat God hem niet doodt. Israël kruisigt Christus, omdat de Vader Zijn twaalf legioenen engelen niet zendt. De mens der zonde komt eenmaal, omdat God de krachten door laat werken, die Hij eenmaal in de mensheid gegeven heeft. Indien men de zaak zo stelt, zeker, dan kan men zeggen, dat God de zonde « wil ». In die zin moeten we ook de Schriftuitspraken opvatten, bijzonder die van het O.T. die alles aan God toeschrijven, die de gevolgen voor de oorzaak nemen. Is er een kwaad in de stad dat de Here niet doet. God zendt de vijanden in Israëls land. De splitsing van het koninkrijk was uit Hem. En wat hierover verder moge staan.
Maar ook hiermee zijn we er nog niet. We moeten dieper afdalen. Als een dokter iemand opereert, hanteert zijn hand het mes dat de patiënt een wonde toebrengt. Toch keurt men zijn daad goed. Als diezelfde dokter dezelfde persoon met dezelfde hand en hetzelfde mes op dezelfde plaats te lijf gaat, wordt hij wegens moordaanslag veroordeeld. Waarin zit nu zonde? Niet in die hand en in dat mes, zelfs niet in de wonde. Ze zit in de bedoeling. Doodslaan behoeft op zichzelf genomen nog geen zonde te zijn, want wie 's mensen bloed vergiet, diens bloed moet door de mens vergoten worden. Zo is Gods voorschrift. De zonde zit in de bedoeling. Als de dokter de bedoeling heeft de patient te helpen, als de ter dood brenger de bedoeling heeft Gods gebod ten uitvoer te brengen, dan zondigt hij niet. Is dit echter niet het geval, dan komen zij schuldig te staan. Wat de zonde tot zonde maakt, is niet de daad, maar de bedoeling. Het zit niet in het gebruikte materiaal; dat is op zichzelf goed: de hand, de arm, het mes, de kracht. De laagste hartstochten zijn slechts de verkeerd gerichte en gebruikte gevoelens en vermogens die op zich zelf en op hun tijd en plaats goed zijn. Het is de richting die er aan wordt gegeven, de bedoeling die ze beheerst... De begeerte die niet door de wet beheerst wordt, zoekt haar doel in zichzelf en wordt begeerlijkheid.
Zonde is Ontaarding van het Goede. Het licht brengt uit zichzelf de duisternis niet voort; duisternis ontstaat alleen als het licht wordt weggenomen. God is dus hoogstens de negatieve oorzaak der zonde. De positieve ligt in het schepsel. Zonde is het geven van een verkeerde richting aan de krachten die God gegeven heeft, het is de begeerlijkheid in laten werken op het ik en dit er door laten overheersen. Is dit nu uit God of uit het schepsel? Van Jeruzalem zegt de Heer: Gijlieden hebt niet gewild. Niet: God heeft het niet gewild. Gaat slit nut buiten God om? Dit ook weer niet.
« Ook de zonde ontstaat en ontwikkelt zich naar vaste wet. Niet naar de wetten der natuur of der logica, maar naar die welke 't in het ethische leven zijn ingeschapen en ook in de verwoesting nog doorwerken. Ziekte, ontbinding, dood zijn de antipoden van gezondheid, ontwikkeling, leven, maar zijn niet minder dan deze van het begin tot het einde door vaste wetten beheerst. En zo is er ook een wet der zonde, die heel haar geschiedenis in mens en mensheid bepaalt. En juist dat wetmatige in de zonde bewijst dat God koninklijk in en over haar regeert. Een mens die zondigt, maakt zich niet los en onafhankelijk van God; integendeel, terwijl hij een zoon was, wordt hij een slaaf. Die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde ».
Bavinck, Geref. Dogm. III, bl. 40, 41.
Ook hiermee is nog niet alles gezegd. De hoofdvraag is nog blijven liggen: Waarom heeft God het met de zonde gewaagd. Was het maar niet beter geweest dan geheel geen schepping te ontwerpen. Hij heeft voorzien dat de zonde inkomen zou, want Hij heeft Zijn voorziening gegeven in Christus. Maar waarom dan toch zulk een schepping daargesteld?
We komen hier tot de diepste vraag van ons denken. Hierop is alleen te antwoorden, dat God de schepping gewild heeft en dat we daarover met Hem niet mogen twisten. Eenmaal zullen we kennen gelijk wij gekend zijn. Nu is dit nog niet het geval en kunnen we het geheel niet overzien. Hier past ons te zwijgen en te belijden. « Door Uw wil zijn zij en zijn zij geschapen », Openb. 4:11. En « Wie heeft den zin des Heeren gekend of wie is Zijn raadsman geweest? » Rom. 11:34. « Met wien heeft Hij raad gehouden die Hem verstand zou geven en Hem zou leren het pad des rechts en Hem wetenschap zou leren en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands? » Jes. 40:14.
God heeft het met deze schepping gewaagd. God komt met deze schepping ook klaar. De zonde is voorzien. Maar ook haar oplossing. En als we over deze dingen spreken, laat ons dan het meest bedenken wat de zonde voor God is. Dan wordt het mysterie nog groter.
De Mogelijkheid der Zonde. God heeft de schepping gewild om daarin en daardoor niet alleen Zichzelf te verheerlijken maar ook om het schepsel tot heerlijkheid te leiden. God is, als we zo mogen zeggen, niet de grote egoist die alles voor Zichzelf opeist. Hij stelt het schepsel, bijzonder de mens, over het werk Zijner handen. Ps. 8. Heb. 2. Hij schept het redelijk-zedelijk schepsel, met vrije wilskeuze. Dit is een hoge eer het schepsel bewezen. Hij maakt niet alleen mechanische dingen, zonnen die moeten draaien, planeten die in vaste banen moeten lopen, atomen welker electronen om hun kernen cirkelen, neen Hij schept ook wezens die een eigen verstand, een eigen gevoel, een eigen wil hebben en mogen hebben, die personen zijn, een ikheid bezitten die uit vrije keuze Hem kunnen dienen. En al was de wil door veel dingen beperkt, niettemin was hij vrij om te kiezen.
Hierin lag de mogelijkheid (niet de noodwendigheid) der zonde. Wie meent dat de mens of het redelijk-zedelijk schepsel vallen moest, ontkent daarmee tegelijkertijd de wilsvrijheid en daarmee de redelijk-zedelijkheid. Die maakt het zedelijke leven tot iets mechanisch, een gedwongenheid. Zelfs nu, na zijn val, is er zekere wilsvrijheid, de mogelijkheid ja of neen te zeggen. Laat staan dan voor de val.
God heeft Zich de mogelijkheid der zonde ingedacht. Door Zijn alwetendheid heeft Hij ze ook voorzien. Hij wist dat de zonde moest intreden indien de ingeschapen gevoelens, het begeerteleven, omsloegen in begeerlijkheid, indien deze ging heersen over de ikheid, die diepste kern van het wezen waarin en waardoor de mens zich een eenheid weet en van waaruit hij reageert. Hij voorzag dat die wilsvrijheid, de mogelijkheid van het zich op iets in stellen der ikheid, zich kon omwenden om eigen weg te gaan, en het zich niet voortdurend richten op de Schepper om die te verheerlijken kan leiden om zichzelf tot middelpunt der dingen te maken, om daarmee juist zijn doel te missen. Niettemin heeft Hij het gewaagd zulke wezens te scheppen, in hen iets van de vrijheid van Zijn wil te leggen opdat Hij Zich zou kunnen verlustigen in hun vrijwillige dienst en spontaan gebrachte liefde. Hij heeft het gewaagd, het aangedurfd dit te doen.
Niet het er op gewaagd alsof Hij maar zou afwachten hoe het zou gaan. Hij zou dit waagstuk niet ondernomen hebben, indien Hij niet God ware, de Almachtige en Heilige, die, indien nodig, ook hierin zou kunnen voorzien naar Zijn almacht en er boven uit triomferen door Zijn heiligheid. Hij heeft de zonde niet gevreesd. Hij heeft het aangedurfd het, indien ze intrad, een worsteling aan te vangen, door te zetten en te voleinden. Meer nog, Hij heeft het aangedurfd het door de zonde van het schepsel tot een botsing Zijner deugden te laten aankomen. Want daar gaat het in hoogste instantie toch om. De zonde slaat als het ware een breuk in God Zelf. Zijn recht en gerechtigheid komen in botsing met Zijn liefde en barmhartigheid. Dit is het vreselijke karakter der zonde. Maar ook dit heeft Hij gewaagd. Of wil men het anders: ook dit heeft Hij voor de verwezelijking van Zijn doel over, nl. een schepsel in het aanzijn te roepen dat Hij met eer en heerlijkheid wil kronen. Waarlijk, God geeft alles. Hij geeft Zichzelf ten volle, Hij zelf is inzet in de schepping met haar mogelijkheid van zonde.
De Eerste Aanzet tot Zonde. We willen nu nog wat nader de vraag onder het oog zien: Hoe is de zonde te verklaren, althans enigermate. Hoe is het mogelijk dat uit de wil van een goed geschapen wezen iets opkomt dat zulke ontzettende gevolgen met zich brengt.
Als een bron een stroom van onrein water voort kan brengen, bewijst ze dan niet dat zij zelve innerlijk onrein is?
Laat ons opmerken dat dit laatste beeld niet juist is. De zonde is geen substantie die ook in het schepsel is ingelegd en zich al of niet ontwikkelen kon. Ze is geen bacil die onontwikkeld blijvende het schepsel niet besmet maar tot ontwikkeling; gekomen het tot zondaar maakt. Ze is geen aparte zelfstandigheid, maar deformering, ontaarding. Maar dan blijft toch de vraag te beantwoorden: Vanwaar komt deze dan.
We antwoorden hierop het volgende.
Ten eerste. Het schepsel is in wezen vergankelijk geschapen. God alleen is onsterfelijk. Het schepsel is dit in wezen niet. Zo was Gods bedoeling. Hij wilde het zo tot Zich leiden om van Hem hoger, blijvend leven te begeren. Hij wilde het in Zichzelf plaatsen opdat het in de Levensbron staande er vrijelijk uit zou kunnen putten. Ook buiten de zonde om was de sterfelijkheid in de schepping. Niet om wille der zonde maar als scheppingsinzet, als behorend bij de vergankelijke staat, als passend bij de beweeglijke dingen. Evenals de hemelen en de aarde verouderen, had ook het schepsel, als geen leven hebbend in zichzelf, dit gedaan. Eenmaal was ook zijn kracht uitgewerkt geweest. Satan had, als overdekkende cherub, wel enorme levenskracht maar was geen krachtbron in zichzelve. Adam was als levende ziel geschapen maar had de boom des levens nodig om zijn leven een bepaalde tijd te onderhouden. Geen enkel redelijk wezen, hetzij Satan, overheid, macht, engel of mens heeft leven in zichzelf.
Ze hebben toestromend leven nodig, zoals wij stroom krijgen in onze electrische lampen en machines maar waren en zijn geen centrales om het zelf op te wekken noch bronnen die het zelf voortbrengen. Dit verstaan we onder vergankelijkheid.
Het schepsel was dus aangewezen op toestromend leven. Welke weg zou het inslaan om in het Leven zelf gesteld te worden, om te komen tot die staat waarin het in de Bron stond en naarmate zijn aanleg was daaruit immer die beschikking te hebben dat het rechstreeks het leven in zich voelde opborrelen? Zou het zich tot God wenden om levendgemaakt te worden (men lette er op dat dit geschieden kan buiten opwekken en opstaan om) of zou het zich zelf daarvan meester maken. Satan koos de laatste weg. Hij wilde de Allerhoogste gelijk worden. Hierin ligt zijn doelmissing, zijn afwijking. Noch afgezien van Zijn hoogmoed om God gelijk te worden, wilde hij geen leven van God ontvangen maar meende hij uit eigen wezen in staat te zijn dit te nemen buiten God om. De mogelijkheid dat het schepsel op zichzelf zou betrouwen, of gaan betrouwen kan de oorzaak tot zonde worden en is dit ook geworden. Het schepsel is wel in het goede gesteld maar aangezien het een weg tot volmaking moest afleggen, lag daarbij de mogelijkheid van doelmissing, van zonde voor. God heeft die ontwikkelingsgang gewild. Niet de doelmissing er van. Van volkomenheid moest het schepsel komen tot volmaaktheid. Niet tot zonde, d.w.z. afdwaling van die ontwikkelingsgang. De groei is naar Gods bestel, het scheef of kromgroeien is de ontaarding die het schepsel veroorzaakt. Het kan de krachten ten verkeerde ombuigen. Het water, een bootje, een roer zijn in wezen benutte scheppingskrachten. Maar de richting die de stuurman er aan geeft, ligt in zijn wil. En zo ook bij de zonde. De krachten waarmee gewerkt wordt, zijn alle Gods krachten, Gods gaven, Gods wetten. De al of niet ombuiging er van tegen God, tegen de naaste, tegen zichzelf in zijn uit het schepsel. Die mogelijkheid heeft het door zijn wilskeuze.
Vraagt men waarom God het schepsel niet ineens volmaakt geschapen heeft, dan zij hierop tweeërlei geantwoord.
Ten eerste. 1° schept God niet het volmaakte naast Zich. Dit is in strijd met het begrip en het werk der schepping. Scheppen is uitdragen uit God en stellen in het vergankelijke waarbij een weg moet worden doorlopen om weer ten volle in God op te gaan. Alles is geworden. 2° wilde God in die weg, tot volmaking de Middelaar zijn. Ook zonder zonde had het schepsel Hem nodig gehad om hoger leven te verkrijgen.
Ten tweede. Bij de vraag naar de oorsprong der zonde komen de vermogens en de werkzaamheid van gevoel en verbeelding in aanmerking. Waar het schepsel ook hiermee begiftigd was, lag ook hier een mogelijkheid om af te wijken. En het is op dit terrein dat feitelijk de eerste afwijking heeft plaats gehad. De van buiten inkomende indrukken van de schepping hebben te weeg gebracht dat het zich een bekoorlijk ideaal voorgesteld heeft. De gevoelens zijn aangewakkerd d.i. de begeerte heeft zich met een golfdrift voortgeplant, is niet opgevangen door de ikheid en uitgedreven maar heeft deze overspoeld, is ingezonken in de kern van het wezen; de wil, dieper nog de ikheid, heeft er zich achter gesteld of beter: ze in zich ontvangen en toen is de afwijking willens en wetens gevolgd. Hier lag de verantwoordelijkheid en deswege kan God het schepsel straffen. En bij Satan en bij de mens is de verbeelding het misbruikte vermogen geweest de zonde te werwerkelijken.
God Heeft Alles Overdacht. Hij heeft een voornemen en een raad gemaakt. Het voornemen betreft de aionen, heet daarom het voornemen der eeuwen (Ef. 3:15). Zijn raad betreft de gang dier eeuwen waarin ook, de zonde is voorzien en opgenomen.
God wist dat Hij overwinnaar zou zijn. Hij heeft de weg der vrijheid verkozen en heeft de vrije wilskeuze niet gevreesd. Hij weet dat het schepsel eenmaal toch tot Hem moest komen. Hij durft het opnemen met het zondige schepsel. Satans zondemacht, 's mensen ongerechtigheid mogen golven zijn die geweldig bruisen en hun schuim opwerpen, zij raken Hem zelfs niet aan. En God kende ook het middel om haar ten volle te overwinnen, uit te delgen, in een zee van vergetelheid te werpen. En hierin betoont Hij Zich in al Zijn luister als God.
Hij dwingt ze niet, Hij stuit ze niet met geweld, Hij verpletert ze niet door Zijn mogenheid, maar Hij laat haar tot haar volle krachtsontwikkeling komen. Hij blijft koning en laat haar toch vrij spel in Zijn rijk. Hij gunt haar alles, Zijn wereld, Zijn schepselen, Zijn Christus zelfs...... Hij staat haar toe om gebruik te maken van al wat het Zijne is. Hij schenkt haar gelegenheid om te tonen wat ze vermag om dan toch aan het einde als koning der koningen uit het strijdperk te treden. Want de zonde is van die aard, dat ze omkomt door de haar geschonken vrijheid, dat ze sterft aan eigen krankheid, dat zij zich aan zichzelve, de dood eet. Op het toppunt van haar macht wordt ze, alleen door het kruis, in haar machteloosheid in het openbaar tentoongesteld. Col 2 :15. » Citaat uit Bavinch's Geref. Dogm. II blz. 42.
Bavink heeft deze gedachten ontleend aan Von Oestingen, Lutherse Dogm. II blz. 469 e.v.
We wijzen er nogmaals op dat de zonde in haar diepste wezen een conflict in God schept dat Hij Zelf moet oplossen. Door haar wordt God Zelf in het geding betrokken en wordt Hij de lijdende en duldende God die weliswaar God blijft maar tevens het wereldlijden torst. Dat conflict moet echter opgelost worden. Dit kan alleen geschieden door de Godheid Zelve. Daarom kan Christus nooit in wezen een schepsel zijn. De Godheid brengt door het voorgekende Lam rust aan in Zichzelven en maakt dat recht en genade elkaar kunnen kussen.
Zonde is wetteloosheid, zegt de grondtekst van 1 Joh. 3:4. Dit is: het omslaan van wetmatigheid in onwetmatigheid. Hiertoe kan alleen het redelijk-zedelijk schepsel komen. Het verlaagt zich hierdoor van vrije tot slaaf, van het vrij in de baan der wetten Gods lopend wezen tot hulpeloos ontspoorde, van schepsel Gods tot zondig wezen.
Samenvatting. Vatten we liet bovenstaande nog eens samen.
De Schrift leert dat de zonde niet uit God is maar uit het schepsel. Ze toont ons meerdere sferen, waarin de zonde binnengedrongen is. Begonnen bij Satan, zich voortzettend in de engelenwereld, is zij daarna ingekomen in de wereld der mensen.
De mogelijkheid tot zondigen lag in het schepsel in. Echter niet opdat het daartoe zou overgaan. Alleen omdat het met vrijheid van wil was begiftigd. Deze kon zich dus ook tegen de Schepper keren. Dit is geschied maar het diepere waarom blijft een mysterie dat thans voor ons niet oplosbaar is, althans niet ten volle. We kunnen het benaderen.
De zonde is geboren uit de begeerlijkheid, verkeerd gerichte en gestuwde begeerte. Ze is in wezen wetteloosheid en dus een ongerijmde afwijking van de wet des zedelijken levens. Ze heeft niets substantieels in zich, is alleen tegen God en de naaste en zichzelf in gerichte kracht en talent Gods. Het zondige schepsel misbruikt Gods gaven.
In diepste wezen is de zonde een aantasten van Gods Wezen in die zin dat ze eigenlijk het evenwicht in Gods deugden dreigt te verstoren. Want de vraag rijst: Wat moet God nu doen: het schepsel vernietigen, dus Zijn recht laten heersen ten koste van Zijn liefde of het schepsel sparen, dus Zijn liefde laten heersen ten koste van Zijn recht. Hij heeft deze uitdaging aanvaard en is God gebleven door èn recht èn liefde beide tot hun recht te laten komen. Zo is Hij boven de zonde blijven staan. Zijn troon is vast gebleven, Zijn zetel is onwrikbaar, moge de scheur in het heelal tot vlakbij die troon zijn doorgegaan, tot in de sfeer der hoogste wezens, God duldt de zonde om ze op te lossen door Zichzelf.
De leer dat God de zonde gewild heeft om Zijn genade te kunnen openbaren, is, hoe zeer ze Gods liefde wil uiteenzetten, in wezen een aantasten van Gods heiligheid. En nog dieper: een stellen van de zondemacht boven God in die zin dat God de zonde noodzakelijk nodig heeft om Zijn genade te kunnen openbaren, wijl deze anders onder Zijn deugden was schuil gebleven. Genade is niets anders dan vrije gunst. Dit behoeft niet noodzakelijkerwijze tot het zondige te wezen. Genade is Gods welgevallen niet op grond van verdienste maar zuiver omdat Hij nu Zijn gunst wil betonen.
Ze is Vrije Gave. T.o.v. zondaars is ze onverdiende gave, maar dat is de eerste betekenis niet. Die is: welgevallen hebben, bijzonder in het nederige of lager gestelde. Dit welgevallen lag reeds in God en had zich ook zonder zonde geopenbaard. Het was er omdat het schepsel er was. Niet omdat het zondigde. Indien Gods genade er alleen door de zonde is en Zijn liefde het grootst was t.o.v. zondaren, hoe kan Christus dan in genade bij God toegenomen zijn en hoe kan Hij heten de Zoon Zijner liefde. Hij de Zondeloze. Men kome ook in deze tot zuiverder Schriftuurlijk begrip en stelle de dingen niet onjuist. De zonde verscherpt wel al Gods deugden maar ze is niet nodig om ze tot openbaring te brengen.
Schrijft het O.T. ook al alle dingen aan God toe, dan is dit niet in pantheïstiese zin, alsof Hij nu alles Zelf doet, alsof Hij ons het ene ogenblik doet zondigen en het andere ons in Hem doet zingen, alsof wij blote marionetten, ledepoppen, zijn. Het O.T. is in oosterse geest geschreven. Het noemt de gevolgen vaak oorzaken. Of liever, laat die in een begrip samenvallen. En dat om Gods opperhoogheid boven alles te openbaren. Niets gaat buiten Zijn wil om. Maar dit is nog niet hetzelfde als te zeggen dat alles naar Zijn wil gaat. Echter, ook het ingaan tegen Zijn wil is in Zijn raad opgenomen.
Er zijn in de schepping niet twee beginselen die lijnrecht en eeuwig tegenover elkaar staan: het goed en het kwaad. Er zijn geen twee goden van gelijke rang: de goede en de kwade. Er is geen Perzisch dualisme. Niettemin zijn er in wezen twee gedachten, twee gevoelens, twee willen: die des Scheppers met Zijn absolute, die des schepsels met zijn betrekkelijke werkingen. Vallen zij samen, dan zijn de laatste in God gedaan. Vallen ze niet samen, dan zijn de laatste tegen God in gedaan en dan zijn zij zondig, het doel missend; zichzelf bevredigend, eigen begeerlijkheid volgend, eigen wil uitlevend. God duldt dit om de zonde moe en mat te laten worden.
Indien de zonde uit God ware, kon Hij ze niet straffen Hij toornt er tegen. Dit reeds is voldoende bewijs dat niet alles uit en naar Hem is: Ook het feit dat de Schrift van verzoening spreekt, wat vijandschap veronderstelt, wijst er op, dat het schepsel tegenover God staat en Hem gram is. Is dit uit God? Is Hij dan een bron die zoet en bitter water opwelt? Dit is in het natuurlijke onmogelijk. En zeker in het geestelijke bij God. God is de Fontein alles goeds. Niet die van zonde en ongerechtigheid. Hoe kan God willen dat men Hem vindt en van Hem vervuld wordt en tegelijkertijd dat men zondigt, d.i. dit doel mist? Dan moet men twee willen in God aannemen en komt men juist tot het oude Parzisme, de leer van een goede en een boze God. Wij verwerpen dit hartgrondig. Wel zien we dat er is de grote Wil Gods en de kleine beperkte des schepsels. En nu heeft God de vrijheid gegeven tegen Hem in te gaan. Vanzelf moet het schepsel die strijd verliezen. Maar vooraf mag het zijn gang gaan, zijn loop hebben. Het is beperkt in zijn verstand, gevoelens, wil, het kan die wel tegen God in gebruiken maar niet dusdanig dat het Zijn plan onuitvoerbaar, Zijn wil onmogelijk maakt. Zijn raad zal bestaan en — eenmaal zal al het schepsel Hem zweren!
Velen in onze dagen leren dat God de zonde gewild heeft om allen genadig te kunnen zijn. Zo maken ze de zonde eigenlijk tot basis der verlossing. Naar het voorbeeld dat we reeds gaven: dat van de vader die zijn kind in het water werpt om te laten zien, hoe goed hij zwemmen en redden kan. Zeker, er staat dat God ze allen onder de ongehoorzaamheid heeft besloten opdat Hij ze allen genadig zij. Rom. 11:32. Maar dit rechtvaardigt de zonde nog niet. Dit wordt niet geschreven naar Gods oorspronkelijk plan. Het is geschreven naar het heden, naar het nu, nu de zonde er is. Ook hier geldt het woord: « Van den beginne is het alzo niet geweest ».
Tot Slot dit Citaat. « De zonde (is) een onbegrijpelijk raadsel. Wij weten niet vanwaar zij is, noch wat zij wil. Zij is er en heeft geen recht van bestaan. Zij bestaat en niemand verklaart haar oorsprong. Zij is zelve zonder motief in de wereld gekomen en is toch het motief voor alle denken en handelen der mensen geworden. Zij is abstract beschouwd niets dan een privatie en is toch in concreto een macht, die allen en alles beheerst. Zij heeft geen eigen, zelfstandig principe en is toch een beginsel dat de hele schepping verwoest. Zij leeft van het goede en bestrijdt dit tot vernietiging toe. Zij is niets en heeft niets en kan niets zonder de wezens en kracht welke God heeft geschapen en organiseert deze toch alle tot de opstand tegen Hem. Zij bestrijdt met wat Godes is al wat Godes is. Zij is de wil van het zwakke, eindige schepsel in verzet tegen de Schepper; de afhankelijkheid, in vijandschap tegen de Onafhankelijke en zelve naar onafhankelijkheid jagend; het bestandloze worden in worsteling met de eeuwig Zijnde; de grootste tegenspraak door God in Zijn schepping geduld en door Hem in de weg van recht en gerechtigheid tot een instrument van Zijn glorie gebruikt ». (Bavink Geref. Dogm. III, blz. 125, 126.)
II. Wezen en Werking der Zonde Top
Wat is Zonde? Wat is zonde en zondigen? Zowel in het Hebreeuws als in het Grieks is de oorspronkelijke betekenis van zondigen « het doel missen, tekort schieten ». In Richt. 20:16 lezen we: « Deze allen (n.l. 700 Benjaminieten) slingerden met een steen op een haar dat het hun niet miste ». Hier staat voor « miste » chatah dat in vele andere teksten door « zondigen » wordt vertaald. Het Griekse woord « hamarteoo » betekent oorspronkelijk ook: « het doel missen ». In die zin komt het in het N.T. niet voor, daarin vinden we alleen de tweede betekenis: zedelijk tekort schieten, zondigen.
Wat zonde in zedelijke zin is, leert de Schrift duidelijk: ze is anomia, d.i. wetteloosheid. Dit woord is in 1 Joh. 3:4 vertaald door « ongerechtigheid »: « Want de zonde is de ongerechtigheid », dus: de wetteloosheid. Wetteloosheid is in wezen negatief, n.l. het ontbreken van wetmatigheid. Maar in haar openbaring en gevolgen is ze positief: ze wordt ongehoorzaamheid, overtreding, opstand. Het negatieve, het niet volgen van een innerlijke of uiterlijke wet wordt positief: het zich verzetten tegen God.
Het Hebr. dat niet zo rijk is aan woorden, heeft een hele reeks om de zonde te karakteriseren. Zo vinden we: chat'ak: het doel missen, zondigen, zedelijk tekort schieten; asham: overtreding, een schuld door dwaling of onwetendheid; aven: ongerechtigheid, bizonder door afgoderij; avah: verdorvenheid, krom; aval: onrechtvaardig, oneerlijk; ra'a: boos ongerechtig; pash'a: opstand, oproer; raacha: boosheid; maal: trouweloosheid, trouwbreuk; zimmah: wel overwogen boosheid en nog andere.
In het Grieks vinden we hamarteoo: zondigen; hamartia: zonde; hamartéma: de dadelijke zonde; ponèra: boosheid; kakia: verdorvenheid; anomia: wetteloosheid; athesmos: het doorbreken van alle perken van inzettingen; asebeia: afwezigheid van vreze Gods; apetheia: ongehoorzaamheid; parakoë: onwil om te horen; parabainoo: overstappen, terzijdegaan, overtreden; adikea: kwaad doen en andere; de lijst is niet volledig. Het begrip zonde is thans geheel een religieus begrip geworden; het duidt een overtreding aan niet van een menselijke maar van een Goddelijke wet en geeft aan dat de mens de verhouding tot God geschonden heeft. Zonde is anomia, wetteloosheid, 1 joh. 3:4, tekort schieten en tevens verkrachting van de wet Gods.
Men denke hierbij niet alleen aan de wet der tien geboden. De wet Gods heeft verschillende vormen. Ze is de norm, de maatstaf die Hij geeft. Deze kan wisselen van gedaante: maar alles kan tot één verenigd worden en dan is de wet Gods in diepste wezen de wet der liefde en de wijze waarop deze vervuld wordt. Christus vat immers het wezen der wet samen in het woord: « Gij zult God liefhebben bovenal en uw naaste als uzelve ». Het is deze wet die geschonden is en het is deze schending die dood en ellende bracht.
Deze wet is de mens ingeschapen. Oorspronkelijk stonden èn Satan èn de gevallen engelen èn de mens volkomen in de wet der liefde. Bij de mens is er nog veel van de ingeschapen wet overgebleven. De heidenen doen van nature, d.i. naar hun natuurlijk mens zijn, de dingen die der wet zijn. Rom. 2:14. Het werk der wet is in hun hart geschreven. Bij afwijking daarvan beschuldigen zij zich, bij volbrenging daarvan geeft het hun genoegdoening.
Zonde is ingaan tegen Gods wet. Gen. 13:13; 20:6; 39:9; Ex. 10:16; 32:33; 1 Sam. 7:6; 14:33; 2 Sam. 12:13; Ps. 51:6; Jes. 42:14; Jer. 14:7, 20 enz. De bede der vromen was dat hun wegen gericht werden om Zijn inzettingen te bewaren. Ps. 119:5. Christus handhaaft niet alleen ten volle Gods wet, Mt. 5: 17-19, 23 e.v., 21:12, 23:3, 23; 24:20 maar verscherpt het zondebegrip en -besef. Mt. 5. Zo wordt het karakter der zonde te meer openbaar. Dan blijkt dat zij een macht is die haar dienaren tot slaven maakt, Joh. 8:34; 6:20, die in het vlees met zijn begeerlijkheid haar zetel heeft, Rom. 7:18; Joh. 1:14.
Deze macht is een beroving van iets. Het is geen zelfstandigheid die bij de mens bijgekomen is. Indien de zonde een zelfstandigheid ware, zou er iets zijn dat God niet tot auteur had of zou God haar oorzaak zijn. Dit nu is uitgesloten. De zonde is uit het schepsel naar we zagen, en geen zelfstandigheid maar juist ontkenning ervan. Ze is beroving. Evenals kou gemis aan warmte is, blindheid aan gezichtsvermogen, zo is de zonde beroving van of tekort schieten aan de juiste wetmatigheid.
Toch is dit nog maar één zijde der zaak. Zonde is niet alleen bloot gemis, een louter niet-zijn, maar ze is tevens een verdervend beginsel, een ontbindende verwoestende macht.
Kou is gemis of tekort aan warmte, maar tevens een kracht die alles doet verstijven, die van water ijs maakt dat heel andere eigenschappen heeft dan water. Blindheid is gemis aan gezichtsvermogen maar tevens veroorzaakt ze een geheel andere instelling op de dingen. Zonde is in wezen een beroving van en gemis aan liefde. Maar dit gemis geeft een positieve reactie en wordt gezien als overtreding, verkeerdheid, ongehoorzaamheid, onwettelijkheid.
Zonde is een toestand en een daad van het diepe innerlijke ik van de mens. Ze is niet met de schepping gegeven maar door het schepsel teweeggebracht. Zonde is in wezen het in de verkeerde stand staan tegenover God, het ombuigen der oorspronkelijk goede verhouding in een van Hem afgerichte en tevens daardoor ook een tegen Hem in gerichte. Ze is geen stoffelijk of natuurkundig iets, maar een vervorming van wat oorspronkelijk goed was. Ze is geen blote negatie maar een privatie, geen zuivere ontkenning, maar een beroving. Een plant ziet of hoort niet; dat behoort niet tot haar wezen. Het niet-zien of horen is hier een negatie. Maar bij een blinde of dove is het een privatie, een wegneming van wat oorspronkelijk bij hem paste. « Zonde is een beroving van die zedelijke volmaaktheid welke de mens behoorde te bezitten ». (Bavincick.)
Het Verlies van het Beeld Gods. Men heeft mogelijk vernomen van het verschil tussen de Rooms-Katholieke en Protestants-Calvinistische visie van het verloren gaan van Gods beeld. De Roomse theologie leert dat de mens de bovennatuurlijke genade die hem wegens zijn geschapen zijn naar Gods Beeld eigen was, verloren heeft, Deze was als het ware een teugel die zijn lagere begeerten in toom hield, de ruiter die het paard bereed en bedwong. Door de zonde verloor hij die bovennatuurlijke gave en hield hij alleen de natuurlijke gaven over, die nu verkeerd gingen werken. Het Calvinisme leerde daartegenin dat de mens geen enkel vermogen of kracht verloor maar dat de zonde alle vermogens aantastte. De mens verloor volgens deze leer, geen bovennatuurlijke gave terwijl de natuurlijke gaven onaangetast bleven, maar de natuur dier gaven en vermogens, de gezindheid en de richtingen veranderden. In plaats van God wil is nu de wil des vleses, der verkeerd gerichte persoon, gekomen. Het beeld Gods is verwrongen en naarmate de zonde doorwerkt, wordt het meer en meer caricatuur.
We geloven dat beide richtingen gelijk en beide ook weer ongelijk hebben, Als we de Schrift aanvaarden die zegt dat door één mens de zonde in de wereld is gekomen, dan had de ene mens reeds gezondigd voor de schepping der vrouw en is er toch ook iets in substantiële zin verloren n.l. het ongedeeld-mens-zijn, de volheid der natuur. Dit is geen bovennatuurlijke gave geweest, maar een « natuurlijke », dat is een die bij het ware wezen paste. Adam voor de zonde, was een mens als Christus, hij had een ongedeeld, een mannelijk-vrouwelijke natuur. Die behoort tot het wezen van de ware mens. Deze heeft hij moeten missen. God schiep die om; daarin komt reeds Zijn genade uit. Eerst schiep Hij de ene ongedeelde levende ziel; daarna schiep Hij man en vrouw Gen. 1:26; 2:7. Hiermee heeft de eerste mens iets verloren: de eenheid en volkomenheid. Hij is een twee-mens, een gedeelde persoon geworden. Hij werd man of vrouw. De ene volle natuur werd gescheiden en nu over twee personen en dat ongelijkmatig verdeeld: het mannelijke en vrouwelijke dat eerst één was, ontstond. Zo heeft de ene mens toch iets verloren. Daarom kon Paulus schrijven dat geen enkel mens zondigt in de gelijkheid der overtreding van Adam. En daarom zijn allen, ook Eva in Adam gestorven.
Heeft de Roomse leer dus ook een zijde van waarheid, al drukt ze zich onjuist uit, ze is onjuist t.o.v. het behoud der natuurlijke gaven. Dat de mens de gaven heeft die hij heeft, is vanwege een scheppingsdaad Gods. God heeft de zondige mens omgeschapen. Scheppen is iets daarstellen dat er eerst niet was. God schiep man en vrouw, stelde twee wezens daar die er eerst niet waren en schiep ze zodanig dat ze het menselijk geslacht in stand konden houden, zonder hen zondeloos te herscheppen. Hij vormde uit de een de twee. Dit deed Hij om de ontwikkeling van het geslacht mogelijk te maken. Men vergete echter niet, dat het huwelijk er is vanwege de dood. Zij die in de opstanding uit de doden de engelen gelijk worden trouwen niet meer omdat zij niet meer kunnen sterven. Luk. 20:35. Het huwelijk met zijn voortplanting is er dus vanwege het intreden van de dood. Ware de dood er niet gekomen, de dood als macht waaronder men ligt, dan ware er geen huwelijk nodig geweest dat het geslacht moet voortzetten en het vernieuwt terwijl de oudere generatie afsterft. Het huwelijk is dus bewijs voor de zonde. Het is niet zondig op zichzelf, wijl God man en vrouw uit de ene mens herschapen heeft; het is de correctie der zonde. Maar zijdelings bewijst het de zonde.
Ook het Calvinisme is onjuist. Dit zoekt de oerzonde in het eten van de boom der kennis van goed en kwaad. Maar dan komt de zonde door twee mensen in de wereld of althans niet door Adam het eerst, wat Paulus juist wel leert. De oerzonde zit in de begeerte van de ene mens. Indien Adam niet reeds gezondigd had voordat Eva er was, kan 1 Cor. 15 niet zeggen dat allen in Adam sterven. Dan zou Eva er buiten vallen. Maar dat is niet zo. Ook zij sterft in Adam. Door de zonde heeft de mens dus wel degelijk iets verloren.
Wat het Calvinisme overigens van de zonde leert, kunnen we onderschrijven.
Adams Overtreding. Men heeft mogelijk bezwaren tegen onze visie over Adams zonde en zal wijzen op Rom. 5:14: de overtreding van Adam, op 1 Tim. 2:14: de overtreding van Eva en vragen of we dan toch in die beiden niet de ene mens van Rom 5:12 moeten zien. Wij voor ons menen van neen.
Rom. 5:12 zegt nadrukkelijk dat door één mens de zonde in de wereld is ingekomen en door de zonde de dood. Indien hier « een » twee is en evenzo in vs. 15b, waarom is dan in 15c één mens (Jezus Christus) wel één en ook geen twee? Zo ook in vs. 17. Vs. 18 spreekt van één misdaad (dus niet van Adams overtreding en Eva's overtreding wat er twee zijn), vs. 19 van de ongehoorzaamheid van die éne mens, Dit alles heeft ons tot de overtuiging gebracht, dat de ene mens de ongedeelde Adam is geweest.
Maar hoe dan met de beide hier boven genoemde teksten? Wel zo: Ze zien niet op hetzelfde feit. Er is een overtreding van Adam en een van Eva. Adam heeft overtreden toen hij levende ziel was en nog alleen. Hierop wijst Rom. 5:14. Hij heeft moedwillig zijn innerlijke levenswet overtreden. Hij had de volle menselijke natuur in zich en behoefde niet te zoeken naar een vrouwelijk wezen. Zijn overtreden lag in zijn zoeken naar een hulpe. Gen. 2:20 (zijn zonde in zijn afdwalen van de Here die hem telkens verscheen). Dit is een opzettelijk ingaan geweest tegen de hem ingeschapen wet van zijn wezen. Dit leert Paulus ons en hij noemt dit in Rom. 5:14 een overtreding.
1 Tim. 2:14 ziet op de overtreding van het verbod om van de boom der kennis te eten. Hierbij is Eva de hoofdpersoon en is Adam verleid geworden. Een ander feit dus.
Het komt meermalen voor dat ons later iets geopenbaard wordt van wat eerst verzwegen is. We vinden dit t.o.v. het Nieuwe Jeruzalem aan Abraham, Heb. 11, t.o.v. de duur van Saul's regering en de tijden der Richters in Hand. 13, t.o.v. bijzonderheden uit Paulus leven die Lukas in Handelingen niet geeft, maar die we in de Brieven vinden, t.o.v. de uitwerking van het Paulinische evangelie, t.o.v. de verzwegen verborgenheid van Rom. 11:25. En zo ook t.o.v. Rom. 5 en Gen. 1-3. Hier grijpt Paulus terug naar de achtergrond van Adam's zonde en overtreding. Door één mens is de zonde in de Adamietische mensheid ingekomen, Rom. 5:12, door een overtreding is ze doorgewerkt, 5:14 door een misdaad, d.i. val, kwam de dood, 5:15.
Adam's zonde ligt o.i. dieper dan men meestal meent. Ze ligt voor Eva's schepping in de ene mens. Daarom heeft niet Eva het eerst gezondigd, noch zelfs de man Adam maar de ene mens Adam. Beide, man en vrouw overtraden als gevolg daarvan. De zonde lag voor de overtreding en viel er niet mee samen. Paulus heeft voor ons in Rom. 5 niet het oog op het eten van de vrucht van de boom der kennis en Adam's ongehoorzaamheid is daar niet die van Gen. 3. Dat blijkt uit de vergelijking met Christus' gehoorzaamheid.
Christus' gehoorzaamheid stelt de velen tot rechtvaardigen. vs. 19. Maar is die gehoorzaamheid één daad geweest? Of bestond Zijn hele leven in een leven der gehoorzaamheid? Christus' gehoorzaamheid uitte zich in Zijn daden maar was een voortdurend gehoorzaam zijn. Hij deed steeds Gods wil. Het was Zijn natuur, Zijn lust, Zijn begeerte om te gehoorzamen. Dit was niet tot een daad beperkt maar was Zijn hele dienende leven. Fil. 2:8 wijst daar op. Hij is gehoorzaam geworden tot de dood. Zijn hele leven was één gehoorzaamheid die zich uitstrekte tot het willen sterven om ook daarin gehoorzaam te zijn. — Adams ongehoorzaamheid bestond niet in één daad, maar was een afwijken van de gehoorzaamheid. Met een kleine afwijking begonnen, de begeerlijkheid, werd zij steeds groter en openbaarde zij zich in het overtreden van de levenswet van het levende-ziel-zijn. Evenals Christus' dood het einde was van Zijn gehooraam geworden zijn in Zijn gehele leven, zo was Adams overtreden het einde van een ongehoorzaam geworden zijn in dat deel van zijn leven dat lag tussen de begeerlijkheid en het zoeken naar een hulp. In beide gevallen is de al of niet gehoorzaamheid een proces. Geen enkelvoudige daad: De ongehoorzaamheid is een verkeerde gezindheid, een wederspanningheid.
Het Griekse woord, in Rom. 5:19 gebruikt, komt nog twee maal voor in het N.T. n.l. 2 Cor. 10:6 en Heb. 2:2. In 2 Cor. 10:5 en 6 lezen we: « Dewijl wij de overleggingen ternederwerpen en alle hoogte die zich verheft tegen de kennis Gods en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus en gereed hebben hetgeen dient om te wreken (straffen) alle ongehoorzaamheid wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn ».
Het zijn hier geen daden van ongehoorzaamheid maar allerlei ongehoorzame gezindheid. — Nog duidelijker spreekt Heb. 2:2: « en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft ». Hier staat ongehoorzaamheid naast overtreding; wijst de overtreding op de daad, de ongehoorzaamheid wijst op de gezindheid, wil men: de toestand.
In Rom. 5 is geen sprake van Adams overtreding in Gen. 3 maar van zijn ongehoorzame gezindheid. Van hem wordt gezegd dat hij zondigde, dat hij uitviel, vertaald door misdaad in vs. 15, 17 en 18, dat hij overtrad, in vs. 16. Dit alles deed de ene mens. En het gevolg was dat hij gesplitst werd, de eenheid van zijn oorspronkelijke natuur ook lichamelijk verloor en nu door verdere overtreding in de Hof zichzelf tegen God stelde.
Tot de gevallen mens komen uiterlijke geboden; de ongevallen mens kan met uitleven van de wet van zijn wezen volstaan. Nergens lezen we van Christus dat de Vader Hem uiterlijke geboden gegeven heeft. Alles was innerlijk uitleven. Had dit gefaald, dan was er ongehoorzaamheid geweest. Zo had het ook bij Adam moeten en kunnen zijn. Waar hij de innerlijke wet van het levende-ziel-zijn niet handhaafde, was hij ongehoorzaam en overtrad.
Tot besluit van dit onderdeel het volgende. Rom. 5 leert een achtvoudig « één » van Adam:
Vs 12 Door één mens de zonde ingekomen.
Vs 15 en 17 De misdaad van één.
Vs 16 Eén heeft gezondigd.
Vs 16 en 18 Eén misdaad.
Vs 17 Door die één.
Vs 19 De ongehoorzaamheid van één mens.
En een viervoudig « een » van Christus:
Vs 15 Eén mens, Jezus Christus.
Vs 17 Door die Eén.
Vs 18 Eén rechtvaardigheid.
Vs 19 De gehoorzaamheid van Eén.
Indien één in de laatste vier teksten één is, is 't dan niet in de eerste acht?
De Overtreding in de Hof van Eden. Sommigen leren dat Gen. 3 leert dat de mens uit de dierlijke staat tot menselijk bewustzijn gekomen is en dat de val de eerste aanvang van het zedelijke leven is. Echter, Gen. 2 leert ons niet dat de mens in dierlijke staat was. Integendeel, hij had zo veel intuïtie dat hij de dieren doorzag en kende. Men kon hem dus niet op één lijn met hen stellen. Anderen menen dat hij door het eten van de toestand van onnozelheid opklom tot zelfbewustzijn. Maar Gen. 2 laat zien dat Adam en Eva volwassenen waren. Geen onnozele kinderen. Zij waren huwbaar en verenigd door het huwelijk. Nog anderen verklaren de kennis van goed en kwaad als de keuze om eigen weg te gaan, het kiezen, d.i. het zelf uitmaken wat goed en kwaad is. Daarin werd de mens nu God gelijk, volgens het woord van de Slang. Door van de boom te eten, heeft hij zich buiten en boven de wet gesteld en zelf uitgemaakt wat goed en kwaad is. De kennis van goed en kwaad is niet de kennis van het nuttige en het schadelijke, maar de bevoegdheid goed van kwaad te onderscheiden. Het gaat hier, volgens dezen, om de vraag of de mens zich al of niet in onafhankelijkheid wilde ontwikkelen, of hij al of niet zich aan Gods gebod onderwierp. Door zijn overtreding maakte hij zich God gelijk, in dit gezicht, dat hij eigen weg koos en eigen geluk beproefde. De kennis van goed en kwaad is het zelf kiezen van wat goed en wat kwaad is.
Wij voor ons menen dat de kennis van goed en kwaad het verkrijgen was van iets dat hij nog niet bezat maar dat we dit empirisch, proefondervindelijk, moeten verstaan. Adam kende alleen het goed van levende ziel te zijn; nu zou hij leren kennen de ervaring van het goed en het kwaad in de toestand van stervende ziel. Het woord « kennen » is in het O.T. vooral een ervaringsbegrip. Het woord « kennis » betekent hier niet het kiezen wat goed of kwaad is, maar het ervaren van het goede en het kwade. In Gen. 4:1 lezen we: En Adam bekende Eva zijn vrouw. Bekennen is hetzelfde woord als kennen. Adam leerde Eva kennen n.l. als vrouw. Dit was een practische ervaring. Geen kiezen van Eva tot vrouw. Het woord « goed » heeft in Gen. 2:9 geen betrekking op zedelijk goed, betekent niet « recht ». Het Hebr. woord komt zevenmaal voor Gen. 2:9 voor n.l. in Gen. 1:4, 10, 12, 18, 21, 25, 31. In geen dezer teksten heeft het een zedelijke betekenis. Een dier kan goed zijn, Gen. 18: 7, graan kan goed zijn, Gen. 41:22. Geen van beide zijn zedelijk goed. Gezondheid, leven, vermaak, overvloed, vreugde, kracht, vrede, een lang leven, eer, enz. rekenen we tot de goede dingen. Sommige er van kunnen ook kwaad zijn, b.v. overvloed of rijkdom door oneerlijke middelen verkregen. Ze zijn niet goed of kwaad in zichzelf maar t.o.v. de bezitter of het geweten. — Het woord « kwaad » heeft niet te maken met zonde. Ziekte, dood, pijn, gebrek, armoede, verdriet, zwakte, oorlog, een korte levensduur, oneer, rekenen we tot de kwade dingen. Niet steeds kennen we deze dingen. Ze kunnen ons ten deel vallen. Paulus ervoer de meeste er van. Toch was hij 's Heren uitnemendste apostel en waren ze hem goed. Ze zijn in zichzelf niet goed of kwaad of onzedelijk. In de Schrift heten de dagen der jeugd goed, die des ouderdoms kwaad, Pred. 12:1. Maar de goede dagen der jeugd zijn niet steeds zedelijk goed of rechtvaardig. Noch zijn de dagen des ouderdoms steeds kwaad, d.i. zedelijk onrecht. Als regel (en vooral in onze dagen) nu God de mensen laat wandelen in hun wegen, komt het goede tot ons als gevolg van ons eigen toedoen of door dat van anderen en is het kwade om dezelfde redenen ons deel.
Maar we zijn niet in staat het komen van het goede en het kwade te beheersen en te controleren. Daarom moeten we steeds tot God gaan om genade, wijsheid en kracht te verkrijgen elk ervan te dragen. En het goede en het kwade kunnen we in eigen wijsheid en kracht niet aan.
Het goed en het kwaad komen tot ons op drieërlei wijze. Ten eerste door eigen toedoen en daad. Ten tweede door krachten die boven onze controle en beheersing uitgaan. Ten derde rechtstreeks van God. In Jes. 45:7 lezen we t.o.v. dit laatste: « Ik formeer het licht en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad ». Dit woord wil niet zeggen dat God de auteur is van alle kwaad, of dat alle kwaad rechtstreeks van Zijn hand komt. In 2 Cor. 4:4 lezen we van een duisternis die God niet geschapen heeft. « In dewelken de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft ». En in Ps. 35:12 lezen we van een kwaad dat niet God bewerkte « Zij vergelden mij kwaad voor goed ». Toen God echter Israël hongeren liet, was Hij wel de auteur van dat kwaad en dat Hij deed komen om hen te spijzigen. Deut. 8:3. Waar Hij Israëls Koning was en Zich persoonlijk met Zijn volk bemoeide, kon het O.T. Zijn zegen goed, Zijn onttrekking kwaad noemen. Maar daarom gaat het nog niet op alle goed en alle kwaad aan Hem toe te schrijven. In onze dagen doen velen dat om Hem niet van Zijn oppermacht te beroven. Ze menen alles aan God te moeten toeschrijven want er is geen wil buiten Zijn wil. Met het laatste gaan we accoord. Met het eerste beslist niet. Het schepsel heeft zekere beperkte wil en kan zich tegen Hem verzetten. Het heeft dit ook gedaan.
Keren we echter terug tot de zaak waarover het gaat.
Het is God geweest die de boom der kennis heeft doen uitspruiten. Hierover laat de Schrift geen twijfel bestaan. « En de Here God had alle geboomte uit het aardrijk doen uitspruiten de boom des levens en de boom der kennis des goeds en des kwaads ». Sommigen menen dat de vrucht van de laatste vergiftig is geweest, product als deze boom was van een woest en ledig geworden aarde. Maar, was dit de boom des levens niet?
De vraag rijst: Waarom heeft God deze boom doen opwassen. En bovenal, waarom heeft Hij aan het eten ervan de dood verbonden. Het is zeer wel mogelijk, dat deze boom een vrucht opleverde die inderdaad schadelijk voor het organisme van de mens was. Er zijn in de natuur tal van krachten die tegen hem zijn. Het vuur verteert hem, het water doet hem verdrinken, de bliksem doodt hem, de kou bevriest hem. En zo meer. Toch zijn deze krachten op zichzelf niet verkeerd maar ze passen niet voor de mens. En zo kan het met deze vrucht ook geweest zijn. Maar dan rijst toch de vraag: Waarom heeft God hem daar geplaatst?
Algemeen gelooft men dat het was tot Adams opvoeding. Hij moest kennis maken met de twee beginselen die in de wereld waren en in de twee bomen hun symbool vinden. Nu is het waar dat hij moest weten te verwerpen het kwade en te kiezen het goede. Maar 's mensen innerlijke kennis van God berust niet op een tegenstelling van goed en kwaad en wordt niet geleerd door de ervaring ervan. Ze was de mens ingeschapen en moest zich alleen ontwikkelen. Adam moest van volkomen mens — mens die alle delen ten volle in zich had komen tot volmaakt mens — tot de volle en evenredige uitgroei dier delen. Hij had door zijn geest gemeenschap met God. Nog niet in de volle omvang maar toch centraal. Het beginsel der wet was hem ingeschapen en behoefde niet uiterlijk door ge- of verbod tot hem te komen. Daarom treft het ons dat hem een uiterlijk gebod wordt gegeven met het: Gij zult en ge wilt niet en geloven we dat de dingen nog anders liggen.
God heeft de zonde voorzien. Ze is Hem niet overvallen. Hij heeft ze niet gewild, maar met haar mogelijkheid ten volle rekening gehouden. Hij heeft geweten dat ook Adam zou afwijken en de begeerlijkheid de zonde zou baren. Hij heeft de begeerlijkheid niet verboden en kon deze dus niet toerekenen alhoewel de gevolgen dodelijk waren. Door het z.g. proefgebod bracht Hij de begeerlijkheid en de zonde tot openbaring. Het beginsel der begeerlijkheid die Adam ten val bracht, werkte door in beide mensen en bracht de zonde die nog verborgen was, tot openbaring.
Met de wet aan Israël was het in wezen evenzo. Ze werd aan Israël gegeven om Israëls zonde te openbaren. Ze was uitwendig nodig, om het innerlijk te kort aan te wijzen. God voorzag ook het te kort schieten van Adam en gaf om dit te openbaren het « proefgebod ».
Gaan we nu na wat de Schrift geeft.
Adam wordt geschapen, Gen. 2:7 en staat buiten de Hof, 2:8, 15. Hij moet de dieren namen geven, 2:19, 20. Het betreft hier al het vee, de vogels en al het gedierte des velds. Adam doorziet deze dieren en geeft hun namen. Hij ziet ze gepaard. Nu begint zijn begeerte te werken en de zonde komt in, want de begeerlijkheid ontvangt. Nu zien we iets anders gebeuren. God heeft een hof geplant, een afgezonderd gebied. Niet door innerlijke aandrang gaat Adam er heen, hij wordt niet meer door de Geest geleid, maar de Here stelt hem in die hof, Gen. 2:8. Hij neemt hem en zet hem er in, vs 15. Hij geeft Hem een opdracht: de hof te bouwen en te bewaren, vs 15. En het « proefgebod ». Adam die eerst de dieren, een hogere wereld; doorzag, moet nu een uiterlijk bevel krijgen aangaande een boom, een schepping uit een lagere wereld, die hij dus niet doorziet. Hier is iets onzuivers. Er moet daarom iets gebeurd zijn dat zijn inzicht verduisterd heeft. Het dierenrijk doorzien, het plantenrijk niet. Of althans van binnen uit niet Gods wil kennen. Het is dit gebrek dat op zonde wijst. Genesis spreekt hierover niet nader maar Rom. 5 legt deze achtergrond bloot.
Op een punt zij hierbij nog gewezen. Eerst stond de mens alleen. Dat was toen hij de dieren namen moest geven. Dan wordt gezegd dat het niet goed is, dat hij alleen is. Ook hier een verandering.
Zo vinden we dan: Gen. 1:27a: « En God schiep de mens (de Adam) naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hem ». Dit is een volmaakte schepping. Wat moest daar nog bij. Het Beeld Gods is Christus. Adam was naar dat Beeld Gods geschapen. Is het volledig of is er gebrek aan? Dan komt later Gen. 2:18: « Het is niet goed dat de mens (de Adam), alleen zij ». Dus nu is de schepping naar Gods Beeld niet goed. Hier tussen moet wat gebeurd zijn. Dat dit zo is, bewijst Gen. 1:26b: « man en vrouw schiep Hij ze ». Er zijn hier twee scheppingen: eerst van Adam, deze is naar Gods Beeld; daarna van man en vrouw. Het was dus nodig de eerste door de tweede te vervangen. Tussen de eerste dezer scheppingen en de tweede ligt het proces dat Paulus in Rom. 5 aangeeft.
Hiermee komt het « proefgebod » in ander licht. Het wijst er op dat de mens het intuitieve, het ingeschapen vermogen tot kennen in zekere mate verloren heeft: hij kan eerst wel de dieren doorgronden, weet later niet meer uit innerlijk weten wat Gods wil is en heeft een uitwendig gebod nodig. De boom der kennis dient dus tot openbaring zijner zonde.
Dat het ware inzicht reeds bij Eva ontbrak, bewijst Gen. 3:3. Zij zegt dat ze de boom niet mocht aanroeren. Dat had God niet gezegd. Zij voegt er dus iets bij en kent zo dus niet ten volle. Indien zij volkomen ware geweest, had zij volmaakt Gods woord geweten. Verder staat zij niet onder de invloed van de geest maar van de zinnen: zij ziet aan wat voor ogen is: En de vrouw zag dat die boom goed was tot spijze (begeerlijkheid des vleses) en dat hij een lust was voor de ogen (begeerlijkheid der ziel) ja een boom die begeerlijk was om verstandig te maken (begeerlijkheid des geestes) Gen. 3:6. Dit is niet de uiting van een mens die in gemeenschap met God staat. Al wat van Eva geopenbaard wordt, staat in het teken der zinnen en bewijst dat zij staat in de sfeer van de begeerlijkheid der vleses, der ogen en der grootsheid des levens. En dat is niet uit de Vader maar uit de wereld. 1 joh. 2:16. Adam valt zonder enig verzet zijn vrouw bij en bewijst zo mede in die sfeer te staan. Zo bewijzen beiden dat zij niet (meer) in de ware gemeenschap met God staan en er reeds voor Adams verleiding en Eva's overtreding iets gebeurd moet zijn waardoor dit verklaarbaar is. Dit noemt Paulus de overtreding, de misdaad en de ongehoorzaamheid van één mens.
III De Gevolgen der Zonde Top
De zonde in het Kennen, Gevoelen, Willen. De eerste zonde van de ene mens heeft voor hemzelf en later voor zijn nakomelingen schrikkelijke gevolgen gehad en een oceaan van ellende doen ontstaan. « Het menselijk geslacht in zijn geheel en ieder lid er van in het bijzonder is daardoor met schuld beladen, door onreinheid bevlekt aan dood en verderf onderworpen. De verschillende godsdiensten met hun priesters en altaren, offeranden en boetedoeningen zijn alle op de veronderstelling der zonde gebouwd; dogma en cultus (godsdienstige vormen), gebed en lied, religie en philosophie hebben allerwegen en soms op roerende wijze, aan het zondebesef der mensheid uitdrukking gegeven ». Bavinck, Geref. Dogm. III bl. 54.
« Door één mens is de zonde in de wereld ingekomen... » Rom. 5:12. Wat veroorzaakt die zonde nu? Ze tast alle vermogens van de mens aan; zowel het ken- als het begeer- als het wilsvermogen worden in verkeerde richting gestuurd.
1. Het kenvermogen.
« Het gedichtsel (d.i. de gedachten) van 's mensen hart is boos van zijn jeugd af » Gen. 8:21. « Arglistig is het hart meer dan enig ding » Jer. 17:9. « Uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten onverstand » Mk. 7:21. Hij is verduisterd in het verstand, Ef. 4:18, verdorven van verstand (d.i. rede, inzicht) , 2 Tim. 3:8. « Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God », Rom. 8:7. Over 's mensen verstand en rede ligt een sluier, zodat hij de dingen niet meer juist kan onderscheiden. Daarom wandelt hij in de ijdelheid des gemoeds (d.i. rede, inzicht). Ef. 4:17.
2. Het begeervermogen.
« Zo wie een vrouw aanziet om dezelve te begeren... » Mt. 5:28. « Want van binnen, uit het hart der mensen, komen voort overspelen, hoererijen » Mk. 7:21. « Gij hebt wellusten gevolgd », Jak. 5:5. Velen wandelen naar hun goddeloze begeerlijkheden, Jud. 18. De begeerlijkheid des vleses drijft hen, Ef. 2:3; 2 Tim. 3:4. De Schrift noemt ook de begeerlijkheid zonde, Rom. 7:7, en de wet verbiedt ze, Ex. 20:7.
3. Het wilsleven.
De zondaar doet de wil des vleses en der gedachten, Ef. 2:3. Het vlees onderwerpt zich der wet Gods niet, Rom. 8:7. « Uit het hart komen voort doodslagen, dieverijen, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, » Mk. 7:21, 22. De verkeerd gerichte wil zet aan tot daden tegen God en de naaste gericht. Die in het vlees zijn kunnen Gode niet behagen, Rom. 8:8. Velen geven zich over tot ontuchtigheid om alle onreinheid gieriglijk (begerig) te bedrijven, Ef. 4:19. Sommigen verkopen zich zelfs om kwaad te doen, 2 Kon. 17:17. Wie zondigt, is een dienstknecht der zonde, Joh. 8:34.
Waar onze persoon een zeer samengesteld wezen is, vloeien de zonden van deze drie sferen vaak ineen; de Schrift onderscheidt niet zo theoretisch deze zielkundige terreinen. De zonde der gedachte kan het volgende ogenblik een der begeerte zijn en weldra een van de wil. De zonde is zo met ons wezen verweven dat ze er schier een bestanddeel van schijnt uit te maken.
Betrekkelijke Deugd. Het bovenstaande wil niet zeggen dat de Schrift leert dat ieder mens alle mogelijke dadelijke zonde doet. Verre daarvan. Er is zelfs sprake van het hebben van een gerechtigheid uit de wet en het doen der goede dingen. Fil. 3:6. Vele natuurlijke mensen kunnen door verlichting van het geweten en uit liefde tot de deugd, welke oorspronkelijk de mens is ingeschapen en die nu nog min of minder sterk blijft nawerken, vele goede dingen doen. De Heidenen doen van nature, d.i. uit eigen wezen, de dingen die der wet zijn, dus die God geboden heeft, Rom. 2:14. Ook uit vrees voor straf of schande wordt veel verkeerds nagelaten. Velen leiden een zeer deugdzaam leven en dat dikwijls krachtens innerlijke aandrang. Velen bestrijden het verkeerde in zich, hun rede gaat tegen hun begeerlijkheden in. De mensen doen tal van goede daden van menslievendheid, opofferingsgezindheid, edelmoedigheid en andere deugden. Er zijn vele natuurlijke mensen die Godzoekers zijn en vele niet-wedergeborenen die trachten door goeddoen, heerlijkheid en eer onverderfelijkheid te verkrijgen, Rom. 2:7.
Dit alles moeten we niet over het hoofd zien of er minachtend aan voorbijgaan. De Schrift doet dit zeer zeker niet. De hoofdman van Kapernaum, de rijke jongeling, tal van Farizeën en Schriftgeleerden zijn deugdzame en voorbeeldige mensen geweest. En zo zijn er nog velen, ook in de tegenwoordige tijd. « Van nature » d.i. naar ingeschapen wezen, worden tal van dingen gedaan die naar Gods wil zijn. Het is veel beter goed dan kwaad te doen.
Hoe moeten we zulken nu bezien en beoordelen met betrekking tot het wezen der zonde. De Schrift geeft ook hier het antwoord.
Er is ten eerste tweeërlei gerechtigheid: die uit de wet en die uit het geloof van Christus. Fil. 3:9. De eerste is een betrekkelijke. « Uit de wet » wil zeggen: uit het doen van de geboden der wet, aan Israël voorgeschreven en die corresponderen met wat God eens ingeschapen heeft. Deze worden « van nature » uit eigen aandrift door velen gedaan. Komen deze mensen in dit leven niet verder, dan zal God hen beoordelen naar hun werken. Zij zullen beloond worden voor hun goede daden. De Schrift leert uitdrukkelijk een oordeel naar de werken. Dit betreft voor de niet-wedergeborenen de betrekkelijke deugd en de goede daden die verricht zijn. Vanzelf zal ook het verkeerde in Gods weegschaal gelegd worden.
Ten tweede leert de Schrift dat niemand aan de absolute eis beantwoordt en de gehele wereld voor God verdoemelijk is. Rom. 3:19. Ondanks vele van nature goede daden die de mens zeer wel kan verrichten, is er in zijn diepste wezen, in zijn grondrichting, in zijn ikheid, een van God afgekeerd zijn. De mens kan slechts een van beide zijn: óf op God óf van God gericht. Hij kan niet beide zijn. Is hij niet op God gericht, dan moet hij van Hem af gericht zijn. Waar de Schrift allen onder de zonde besluit, zijn allen dus van God af gericht en daarom voor Hem veroordelenswaardig.
Men moet de grondrichting niet verwarren met de betrekkelijkheid der daden. De wortel is goed of kwaad in absolute zin. Maar de uitgroei kan nog betrekkelijk veel goeds te zien geven. De takken van een door vermolming aangetaste boom kunnen nog vele en schone bladeren en vruchten dragen. Maar daarmee is de boom in wezen niet te redden, al zoekt het vee zijn schaduw en geeft hij nog vruchten voor de mens. De mens doet « van nature » nog veel goeds, maar dat is nawerking der oorspronkelijke natuur. Het wezen zijner natuur is echter aangetast, is niet goed meer, is tegen God gericht, beantwoordt niet aan de eis der liefde. In wezen keert het gevallen schepsel zich naar eigen weg. We geven toe dat dit als regel onbewust is. Niet velen gaan bewust tegen God in. Maar daarom zijn zij nog niet te verontschuldigen. Ook de verborgen afdwaling is afdwaling, Ps. 19:13. En de verborgen zondige staat stelt zondig en veroordelenswaardig voor God.
Veel goeds. Echter: Allen Zondaars. De leer van het totale bederf der menselijke natuur houdt niet in dat de zondige geneigdheid uitbot tot zondige daden. Horizontaal bezien, d.w.z. in de gang van zijn leven en in die der historie, is er veel goeds. Natuurlijke liefde, zedelijke opvoeding, gunstige omstandigheden, beoefening van schone deugden, opgaan in ideële dingen, enz. kunnen de mensen tot nobele verschijningen maken. Maar — daarmee wordt de zondige neiging niet weggenomen of uitgeroeid. Deze kan steeds opwellen in gedachten en begeerten en uitbotten tot daden. En dan geldt het woord der Schrift: « Wie zal een reine geven uit een onreine? » In diepste wezen keert elk een zich, zij het hoe gering ook, naar eigen weg en is er geen absolute gerechtigheid meer. Men kan veel goeds doen, zelfs veel goeds voor God, maar er is een onbekwaamheid om de volheid te geven. Allen missen het doel, allen ontbreekt iets: het vermogen God ten volle lief te hebben, Hem ten volle te kunnen behagen. Er is een onmacht van de wil, niet omdat die wil op zichzelf verkeerd is, maar omdat het er achterliggende « ik » iets verloren heeft dat het uit zichzelf nooit of te nimmer meer kan hervinden, herwinnen of bereiken. Het is afgesneden van de Bron des Levens, uitgevallen uit zijn levenseenheid met God. Het beantwoordt niet meer ten volle aan Gods maatstaf, aan de Goddelijke wet der liefde, n.l. om Hem lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel de ziel en uit geheel de kracht en uit geheel het verstand en de naaste als zichzelf. Lk. 10:27. Hij kan zich aan die wet Gods niet meer onderwerpen. Rom. 8:7. En dit alles is nu zijn zonde.
Dit nu is bij alle mensen het geval. Hoe goed en edel en braaf zij ook mogen zijn, de algehele toewijding aan God, het ononderbroken en met alle macht steeds doen wat Hem behaaglijk is, wordt bij allen gemist. Daarom zijn allen hoeveel goeds ze ook mogen hebben of doen, zondaars. Dat is de tragiek der mensheid. De mens is uitgevallen uit de wet des levens en gevallen in de wet der zonde en des doods.
De Twee Wetten. Er zijn in de verhouding tot God twee hoofdwetten: de wet des levens en de wet der zonde en des doods. De wet des levens werkte in Adam toen hij levende ziel was. Hij beantwoordde geheel aan wat God in hem ingeschapen had. Daarom heet hij een levende ziel. Dit wordt slechts een maal van hem gezegd, in Gen. 2:7, toen hij als ene mens geschapen werd. Toen hij uit die wet uitgevallen was, kwam er een andere wet in hem heersen, de wet der zonde en des doods. Wet betekent een regelmatige steeds terugkerende werking ener kracht of levensrichting. Voor de steeds naar God uitgaande levensrichting kwam nu die welke steeds van God afwendde en voor Hem koud en onverschillig maakte. God heeft deze laatste afgeremd en doet dit telkens nog zodat er nog betrekkelijk veel goeds is overgebleven en nawerkt. Maar Hij heeft de wet der zonde en des doods niet direkt opgeheven. Ze werkt steeds door en verhindert in eigen kracht tot de wet des levens terug te keren.
De wet des levens is zich richten naar God, de wet der zonde en des doods is zich richten naar zichzelf of enig ander schepsel. Brengt het een een steeds meer opgaan in God mede, het ander is een leven buiten Hem, mogen er ook nog veel krachten van Hem in het leven nabloeien. Nu leert de Schrift dat in diepste wezen allen zich naar eigen weg keren. « Wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg ». Jes. 53:6. Dit nu is de weg van de wet der zonde en des doods.
Deze af-kering van God ligt, ondanks alle deugd en zedelijke grootheid, in aller hart. En moge ze voor de mens of voor zijn bewustzijn verborgen zijn, voor Hem voor wie alle dingen naakt en open liggen, is ze een zeker feit. Allen liggen in de zonde en in allen werkt de wet der zonde en des doods.
De Erf Zonde. « Door één mens is de zonde in de wereld ingekomen ». We zagen reeds welke gevolgen dit gehad heeft. De vraag komt echter op: Hoe kan dit. Waarom werkt de zonde door. Waarom zondigt de mens toch. Hij wordt niet verleid als Adam en toch is er reeds jong een hang, ja drift ten verkeerde in hem. Vanwaar komt dit. Is dit doorwerking van Adams zonde?
Deze vragen stellen ons voor het probleem der erfzonde. Is ze er of is ze er niet. Zo ja, hoe wordt ze dan overgeplant. Zo neen, waarom is de mens dan toch zondaar.
Velen ontkennen de erfzonde. In de Kerkgeschiedenis is Pelagius er mee begonnen. De zonde van hen die na Adam komen is voor hem door navolging, door verkeerd voorbeeld. Er is geen zonde door overerving. De zonde is geen overgaande toestand, ze is persoonlijk. Het zou zeer onrechtvaardig van God zijn om de zonde van de een aan de ander toe te rekenen. Ook zou dan de voortplanting door het huwelijk ongeoorloofd zijn. Zo immers zouden er steeds meer zondaren komen. Maar zo is het niet, leert Pelagius. De zielen worden nog steeds rein door God geschapen en nog steeds in dezelfde toestand geboren als waarin Adam was voor de val. Ziekte, lijden en dood zijn geen straffen voor de zonde. De mens is nog volkomen vrij en kan uit zichzelf het goede kennen. Het is mogelijk zich van alle zonden vrij te houden. Aldus Pelagius.
Wie dieper blikt, gevoelt dat deze leer niet juist kan zijn. Alle kinderen, nog voor ze tot zelfbewustzijn gekomen zijn, hebben een hang of zelfs een lust tot het verbodene en tonen een neiging tot kwaad. Ze zijn korzelig of driftig of dwingerig en eigenzuchtig. En mogen ook al allen dit niet hebben, bij het opgroeien openbaren zij trekken die men niet verwacht had en die als zondig moeten aangemerkt worden, d.w.z. als inbreukmakend t.o.v. het zedelijke leven. Ook al is de zonde bij jonge kinderen nog niet tot uiting gekomen, al kan men van kinderlijke onschuld spreken (Jona 4:11 spreekt van hen die geen onderscheid kennen tussen hun rechter- en linkerhand en van Israël wordt gezegd dat het onschuldig bloed heeft vergoten, dat van hun zonen en dochteren die het jong ten vuurdood aan de afgoden wijdde, Ps. 106:38), daarom wil dit nog niet zeggen dat de zonde ook niet bij het jonge kind sluimert. Ze is alleen nog niet tot verdere ontwikkeling gekomen. Maar dit bewijst niet dat ze er niet is. Ook bij kinderen heersen zelfzucht, ijdelheid, jaloersheid, liefdeloosheid, trots, list, bedrog, onwaarheid, koppigheid, enz. Altemaal ondeugden die bij volwassenen meer uitgegroeid kunnen zijn en die zelfs bij de beste opvoeding niet geheel te beteugelen zijn. In ons eigen leven afdalende, vinden we de zonde terug. Hoe meer men voor God in de schuld komt, des te meer gaan we in ons leven terug naar de zonde der jonkheid, wat heus niet bepaald zinnelijke of vleselijke zonden behoeven te zijn geweest. Ps. 25:7 bidt: « Gedenk niet der zonde mijner jonkheid ». En Ps. 51:7 gaat zelfs terug tot ontvangenis en geboorte.
Ook geloven we niet, dat er mensen zonder zonde geleefd hebben. Hij die dit zou beweren, zouden we of gebrek aan zelfkennis of hoogmoed of uitzinnigheid toeschrijven.
De algemeenheid der zonde is niet door navolging te verklaren. Ze gaat aan opzettelijke wilsdaden vooraf. Ze is een toestand, een zondige gesteldheid, waaruit later de zondige daden opschieten.
Alles overziende moeten we tot de conclusie komen, dat er een zeker verband moet zijn tussen Adams zonde en de onze. Dit verband moet zeer sterk wezen. De Schrift leert dan ook dat Adam zondigde en dat zijn nakomelingen het nog doen, al is het niet zoals hij. Dit houdt niet slechts in dat door Adams val de mens zedelijk zwak of krank geworden is en dat zijn wil een zekere neiging tot het kwade heeft, maar het gaat hier om iets diepers: alle zonde is anomia, wetteloosheid. Als allen zondigen, is bij allen ongerechtigheid. Dus niet slechts verzwakking van het inzicht, van het zuiver begeren, van de goede wil, maar omkering in het tegendeel. Er is maar niet gebrekkigheid maar beroving er van. En deze algemene toestand van beroving, van het zich richten tegen de ware zedelijke norm, is nu de erfzonde. Het is niet maar een ziekte, een gebrek, een krankheid die geen eigenlijke zonde is, ze is meer: ze is schuld. Deze toestand wijst op een afkeer van de wet der liefde, op de hang om tegen God en de naaste in te gaan.
Met de kiem van deze toestand in ons worden we geboren. Hij is een gevolg van Adams val. Wat is hij nu eigenlijk? De begeerlijkheid. Deze ontvangt (reeds vroeg) en baart de zonde.
Deze verkeerde hebbelijkheid is allen eigen. Ze wordt bij de verwekking overgeplant. Daarom kan niemand een reine geven uit een onreine. Men wordt in zonde ontvangen, zegt David in Ps. 51:7.
De mens heeft erfzonde. Dit is niet de toegerekende zonde van Adam, alsof wij voor zijn overtreding zouden moeten boeten. Bij de ontvangenis heeft de mens nog in zich geen persoonlijke zonden. Ook niet als hij in de moederschoot op wast. Ook niet als hij nog onbewust kind is. De persoonlijke zonden beginnen eerst als het bewustzijn gaat ontwaken als het zich « ik » weet of denkt of uitspreekt. Maar vanaf de ontvangenis is er reeds erfzonde. Dat is in kiem een zedelijke verdorvenheid van de ikheid waar van de prikkels tot zonde uitgaan en doorwerken in de vermogens. De zondige drang ontstaat dus niet later maar is van meet af in de eerste kiem meegegeven en ontwikkelt zich later. Hoe, dat hangt af van de verdere aanleg.
De Schrift leert twee dingen:
le dat allen in Adam gezondigd hebben, Rom. 5:12;
2e dat allen in Adam sterven, 1 Cor. 15:22.
Reeds de laatste tekst ware voldoende om de erfzonde vast te stellen, want de bezoldiging der zonde is de dood. Waar dus deze bezoldiging er is, is er omgekeerd ook zonde. Dit bevestigt dan Rom. 5:12, waarover nog nader.
Waar nu de erfzonde van die aard is dat de dood op haar volgt, kan er niet maar sprake zijn van blote verzwakking, maar is er een oordeel over de zonde. Rom. 5:14. De bezoldiging, de soldij, het loon der zonde, is de dood. Rom. 6:23. En deze is een oordeel.
Hoe is nu die erfzonde te verklaren.
De zonde van Adam moet opgevat worden als een daad van hem en van al zijn nakomelingen. Adam stond niet als privaat persoon maar alle mensen waren in hem begrepen. Zoals Levi door Abraham Melchizedek tienden gaf doordat hij in Abrahams lendenen was, zo vielen allen die uit Adam geboren zijn in hem.
Zij die op het standpunt van het Creatianisme staan, d.i. de leer aanhangen waarbij God telkens een aparte reine ziel schept die dan door inplanting in het substraat, dat is de draagbodem van de uit vader en moeder ontstane kiem zondig wordt — voor ons ongerijmd — hebben hier met veel moeilijkheden te kampen. Wij die menen dat de mens de mens (en niet alleen zijn lichaam) voortbrengt, die geloven dat wat uit vlees geboren is (dat is uit het persoonlijke wezen) ook weer een persoonlijk wezen is, kunnen deze dingen redelijker verklaren. God schept niet telkens aparte zielen die Hij dan op een niet persoonlijke, dus niet zondige kiem ent om ze dan zondig te doen worden maar de mensheid is de uitgroeiïng van een centrale mens zoals de boom met zijn vele takken, twijgen en bladeren uit één kiem ontstaat. Er is een gemeenschappelijke wortel, Adam, en het bloed van de ene mens vloeit in de aderen van allen die uit hem of zijn nakomelingen geboren zijn.
Indien er geen verband bestond tussen Adam en ons, zou het onmogelijk en ook onrechtvaardig zijn dat wij in zonden geboren werden. Maar zo is het niet. De mensheid is geen optelsom van afzonderlijke individuen. Niet 'n 2000 millioen afzonderlijke mensen vormen de mensheid evenmin als 10 millioen afzonderlijke Nederlanders het Nederlandse volk. Mensheid en volken zijn meer. Ze zijn mensheid en volk door oorsprong, door geschiedenis, door gemeenschappelijke eigenschappen, gemeenschappelijke deugden en ondeugden, door goede en kwade zeden. Ze zijn geen hoop zielen op een stuk grond geplaatst, maar door allerlei banden verbonden.
Uit Adam is het Adamietische geslacht voortgekomen. Hier is een fysische (natuurlijke) eenheid. Uit een mens wordt niet een geheel ander wezen geboren dan er is. Er is ook een psychische (zielkundige) eenheid: die mensheid brengt wezens voort die ook geestelijke eigenschappen gemeen hebben. Deze erven over en zo heeft die mensheid van nu de eigenschappen van die van eertijds. De mensheid in haar geheel heeft al de lichamelijke en geestelijke eigenschappen van haar voorvaderen. De ene mens moge die eigenschappen hebben, de andere deze, het totaal vertoont vermogens die de eerste mens in zich had. En nu heeft elk mens ook in zich de zedelijke afwijking waardoor de eerste mens afweek en waardoor hij de zonde in de wereld bracht.
Een Oordeel. Toch is hiermee nog niet alles gezegd. De eenheid van het geslacht verklaart nog niet ten volle waarom allen zondig geboren worden. De vraag blijft waaróm dit zo is. In het burgerlijke leven wordt de zoon niet schuldig gesteld omdat zijn vader veroordeeld is. Dit betreft de persoonlijke daden. Anders is het met de erfenis des vaders. Wie als zoon de erfenis van zijn vader aanvaardt, aanvaardt ook zijn mogelijke schuld. Nu kan iemand de erfenis verwerpen en daarmee de schuld van zich weren. Waarom geschiedt dit nu ook niet bij de mensheid in zedelijk opzicht? Waarom moeten wij schuldig gesteld worden voor wat Adam gedaan heeft, al hebben wij dit niet zelf gedaan en kunnen dit niet ontgaan.
Dit is een zeer klemmende vraag die telkens weer herhaald is en wordt. Het antwoord is: Omdat wij onder een oordeel liggen. We moèten Adams erfenis aanvaarden. En we doen dit willens en tevens onwillens. Willens; we hebben ons leven te lief dan dat we het prijs zouden willen geven, gezien het goede dat het nog voor ons heeft of de drang naar zelfbehoud die in ons ligt. Hiermee aanvaarden we Adams erfenis. Maar als de verliesposten ons duidelijk worden, kunnen we die niet van ons schudden aangezien we de zegeningen aanvaarden. Onwillens: we moèten de erfenis aanvaarden omdat niemand het op zich nemen kan zichzelf en anderen van de schuld vrij te kopen; deze blijft voor ons allen liggen.
Zo staan we in een tweeslachtige positie. We kunnen van onder het Adamietische bestaan niet uit omdat we zonder onze wil verwekt en geboren worden en we tevens bij het opgroeien ons leven willen handhaven. Maar daarmee aanvaarden we tevens Adams schuld. De menselijke gemeenschap geeft zegeningen en oordelen. Wij erven het stoffelijke en geestelijke kapitaal maar daarbij ook de schuld. We hebben er geen bezwaar tegen het eerste te doen. Maar het laatste willen we niet. Dat nu is niet recht.
Adam nam een zeer bijzondere plaats in. Een vader kan zijn gezin, een patroon zijn werklieden, een vorst zijn volk ten zegen of ten ondergang zijn omdat zij in zulk een positie staan dat hun handelingen of tekortkomingen wel of wee kunnen meevoeren. Nu is de mensheid een fysische (natuurlijke) en zedelijke eenheid. Daarom zijn allen bij Adams zonde betrokken. Een Nederlands kind ligt, zodra het geboren is, reeds onder Nederlands wel en wee. Het heeft reeds dadelijk een aandeel in Nederlands aandelen en financiële schuld, ook al heeft het persoonlijk nog geen cent schuld. Indien alle Nederlanders stierven en een kleine baby overbleef, zou van dit ene kind alleen nog Nederlands schuld kunnen geeist worden omdat hij Nederlander is en Nederland vertegenwoordigt. Vanzelf zou het dan ook al Nederlands bezit hebben. Zo is het nu ook met de mensheid. Al wie uit Adam geboren is, staat als mèns, niet als afzonderlijk persoon, debet aan Adams zonde.
God nu heeft van de mensheid veel te vorderen. Adam heeft de taak waarvoor hij gesteld was, niet volbracht. God had hem geschapen om Zijn profeet, priester en koning te zijn, middelaar tussen Hem en een gevallen schepping. Als zoon had hij in de dingen zijns Vaders moeten zijn; als zodanig had hij de taak gehad èn de gevallen schepping op te richten èn het aanvankelijk herstelde tot volmaaktheid te voeren. Daartoe is hij geschapen; zo althans menen wij Adam te moeten zien. Hij heeft dit niet bereikt, is reeds bij de eerste stap uitgegleden en gevallen. En in hem allen die uit hem geboren worden. God weet dat uit geen hunner ooit een zal kunnen voortkomen die uit zichzelf die positie zal kunnen bereiken. Een kind uit arme ouders geboren geldt als arm; de armoe van zijn ouders rust op hem. Hij wordt door zijn geboorte uit armen tot arme gesteld. Zijn verwekking reeds stelt hem tot arme. En zo is het nu bij de mens ook. Zijn verwekking en geboorte uit het Adamietische ras stelt hem tot zondaar. « Want indien door de ongehoorzaamheid (dat is de ongehoorzame gezindheid naar we vroeger zagen) van die ene de velen (d.i. al de uit hem of zijn geslacht geborenen) tot zondaar zijn gesteld geworden » Rom. 5:19.
Het zondaar zijn is er dus door saamhorigheid. Maar allermeest door een Rechterlijke uitspraak, door een oordeel. God stelt tot zondaar. En dat vanaf de verwekking omdat Hij ziet dat geen hunner ooit het doel dat Hij gesteld had zal kunnen bereiken. Allen ontbreekt iets dat ligt reeds in hun kiem in. Daarom is het niet dan recht dat God van meet af tot zondaar stelt. Gods oordeel is rechtvaardig.
De Verharding. De afwijking van Gods wet op alle terrein brengt gevolgen mee. Ook die op zedelijk terrein. God handhaaft omdat Hij God is, de wetgever, ook de wet en laat die ook in de afwijking doorwerken. Dit is het Goddelijke in de zonde: handhaving der wetten, ook al is de richting verkeerd. Wie zondigt, stuwt daarmee de dingen in een tegen-Goddelijke richting.
In die zin hebben we de verharding van Farao, van David, van Israël, van alle zondaars te zien. Dit is geen rechtstreekse inwerking van God. God heeft b.v. persoonlijk Hitler niet opgedragen de Joden uit te roeien. Dan ware Hij de auteur van deze daad geweest. Maar de afwijking bij Hitler in deze heeft God krachtens handhaving der wet op psychologisch en zedelijk terrein laten doorwerken. Opdat zij zou openbaar worde zonde te zijn. Door handhaving Zijner wetten blijkt juist de afwijking der wetten. Door de zonde in Adams zonen te laten doorwerken stelt Hij publiekelijk tot zondaar. Doordat God de wet in heel 's mensen wezen handhaaft, volgde in Adam en in al zijn nakomelingen op de zondige daad een zondige toestand. Zonde als daad baart zonde als toestand. Het is maar niet zo dat men het ene ogenblik de zonde kan doen en het andere met dezelfde kracht weer het goede. Door de zonde stuwt men de krachten en vermogens die God gegeven heeft, in een richting die veranderingen meevoert die men niet meer ongedaan kan maken en waarin men voortleeft, dikwijls tegen beter weten in. Farao wist wel dat hij niet goed deed. Dit erkent hij zelf. Nochtans ging hij toch weer door.
Dit nu is de verharding. De Schrift schrijft die aan God toe en neemt daarbij de gevolgen als oorzaken. God heeft Farao niet persoonlijk verhard. Maar Hij handhaafde wel de psychologische wet in Farao. Farao wilde niet gehoorzamen. Door die wil te laten uitwerken, de wilswet te laten doorwerken, openbaart God Farao's innerlijk: een welbewust ingaan tegen God. Deze openbaring van Farao's hart noemt de Schrift verharding Gods. Deze zit niet in Zijn inwerking maar in Zijn uitwerking van de zonde. Wie Hij daartoe verkiest, is Zijn vrijmacht.
Door Adams zonde, door zijn val, is in wezen de inzet gegeven tot een ontzettende ontreddering waarvan men de grootte in de tweede wereldoorlog en dan nog maar ten dele, heeft kunnen aanschouwen en welker gevolgen men nog kan waarnemen. De ene zonde van Adam bracht een algehele verandering in overleggingen, gezindheden en neigingen van 's mensen natuur. Deze kan men niet naar welgevallen terugnemen om weer tot het oude terug te keren. Dit is de verharding en de geestelijke dood.
Gods Rechtvaardig Oordeel. De erfzonde wordt terecht verdeeld in erfschuld en erfsmet. Doordat men als zondaar schuldig is, wordt men als onreine geboren. Schuld en smet zijn beide gelijktijdige gevolgen der ene en zelfde zonde geweest. Door de begeerlijkheid wortel te laten schieten, is de zonde geboren. De mens raakte zo los van het Levenscentrum, kwam buiten de Levensbron, de gemeenschap met God te staan. Zo is een zondige toestand ingetreden. In deze toestand werden nu allen geboren die uit Adam zijn. Ze zijn vlees uit vlees. Dit is de erfzonde waarin en waaronder allen liggen. God spreekt hierover Zijn oordeel uit. Hij stelt ze tot zondaars. En het vonnis, dat tevens uitvloeisel is van het uittreden uit Zijn gemeenschap is de dood. Zo sterven in wezen allen in Adam en werden in hem ook allen schuldig. Indien zij niet schuldig waren, zou de dood niet over hen heersen. Hij heerst echter wel over allen, dus moeten zij geacht worden zondaars en daarmee schuldigen te zijn. Hun veroordeling is dus rechtvaardig.
De weg waarop de oorspronkelijke zonde van Adam het deel van alle mensen wordt, is niet die van navolging, van imitatie, maar van verwekking, generatie, en door toerekening, imputatie. Aan de zondige staat gaat een oordeel Gods vooraf en krachtens dat oordeel staan alle mensen schuldig, is de hele wereld verdoemelijk (veroordelenswaard) voor God en wordt ieder mens onrein en stervende uit Adam geboren. Zij worden dit niet eerst op latere leeftijd doordat zij persoonlijke zonden gaan doen, zij worden het door ontvangenis en geboorte. De dood waaraan zij onderworpen zijn, is geen natuurproces maar de bezoldiging, de soldij der zonde. Ook zuigelingen, ja zelfs ongeborenen, zijn hieraan onderworpen. Dus moeten zij zondaars zijn.
Men verlieze bij al het voorafgaande niet uit het oog dat we niet leren dat de mensen geen goede dingen meer kunnen doen of dat alle mensen de grootste snoodaards zijn. Zo is het niet. Maar als we het zedelijk bederf des mensen leren, leggen we daarbij de grootste maatstaf aan. Wil men, de wet der liefde. En voor die wet schiet ieder mens te kort. Paulus verklaart dan ook dat de gehele wereld voor God verdoemelijk is. God heeft allen onder de zonde besloten. Dat is de onmacht ten goede. Elk een struikelt in een of ander opzicht, absoluut genomen, en staat zo schuldig aan alles. God stelt allen tot zondaars en dat rechtvaardig. Niet willekeurig. Daarom rust op allen een oordeel.
Bezwaren. Velen vinden de erfzonde een vreselijke aantijging tegen de rechtvaardigheid Gods, die de zonden der ouders wentelt op de zwakke schouders van het onbewuste, hulpeloze en onschuldige kind. Zij verstaan in wezen niet wat erfzonde is. Zij spreken van het erven van de zondeN der ouders. Als men zo de erfzonde opvat, dan gaan wij ook aan de zijde der tegenstanders dezer leer staan. Maar dat is de erfzonde juist niet. Ze is geen beladen met de zondeN der ouders alsof David moest boeten voor wat Isai misdaan had en daarom door Saul vervolgd werd. Enzovoort. De erfzonde is deze, dat de menselijke natuur, oorspronkelijk in wezen zuiver en rein, een levende ziel, verdorven is geworden, iets is gaan missen en dat deze natuur overerft en de dodelijke zonde voortbrengt. Vcor ons is reeds het geboren worden als mannelijk of vrouwelijk wezen een gevolg der erfzonde en is reeds het sexuele onderscheid, dat nimmer in onze staat is op te heffen, bewijs van onze val uit de eenheid der oorspronkelijke natuur.
Als bewijs dat de menselijke natuur niet bedorven is, wijst men op Rom. 2:14. De Heidenen doen van nature de dingen die de wet verlangt. Een gevallen natuur drijft aan tot zondigen, zegt men, maar hier zegt Paulus dat de Heidenen « van nature » doen de dingen die der wet zijn. Men vergeet er het volgende vers bij te leren « en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende ». Ondanks het dan « van nature » doen van dingen die ook de wet vraagt, zijn er beschuldigende gedachten, wat bewijst dat dit van nature doen gepaard gaat met zonden en overtredingen.
Een andere tegenwerping is deze: De natuur, zegt men, wordt door de zonde beïnvloed en aangevochten. Ze is het middel waarvan de zonde zich bedient, het kanaal waardoor ze tot ons komt. We mogen zeker wel vragen wat die zonde die zich van de natuur bedient, toch wel is. Is ze een macht buiten die natuur die in die natuur tracht te gaan inwerken? Of is het een gemis, een gebrek, van die natuur? Indien het eerste, dan krijgen we een dualisme, dan is er een positieve kwade macht in de schepping. Men zal deze wellicht in Satan zien die men dan als zondaar geschapen ziet. De Schrift leert echter dat hij de leugen uit zichzelf spreekt en dat God hem daarvoor niet heeft geschapen of aangesteld. Wel leert ze dat hij als geest werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. Maar hiermee bewijst ze tevens dat deze « kinderen » uit zichzelf reeds ongehoorzaam zijn en hij daarop vat heeft. Zo is de macht der zonde er dan een die in de mens zelf ligt en hem niet maar van buiten aangrijpt of beinvloedt. Ze is een gebrek in zijn natuur inliggend.
Een derde bezwaar is dit. Men zegt dat de mens een zondaar is, een doelmisser omdat hij een stervend schepsel is. M.a.w. indien hij niet zou sterven, zou hij dus geen zondaar zijn. Hierbij maakt men drie fouten.
Ten eerste maakt men de zonde tot een fysische, een natuurlijke zaak. Omdat we sterven, zijn we zondaar. Maar de zonde is een geestelijk iets: onze geest is van God afgesneden, ons zedelijke sfeer is verdorven. Niet allereerst onze lichamelijke. Dit is een gevolg er van. Zonde en dood kunnen niet zonder meer verwisseld worden. Rom. 5:12 onderscheidt ze: Door één mens is de zonde in de wereld in gekomen en door (middel van) de zonde de dood.
Ten tweede verliest men uit het oog dat Adam, toen hij gezondigd had, niet (meer) van de levensboom mocht eten opdat hij dan lichamelijk zou blijven leven. Alhoewel zondaar, zou hij dan niet sterven. Men zou dus zondaar kunnen zijn en (lichamelijk) niet sterven. Dit werpt de mening dus totaal overboord.
Ten derde, voor ons had Adam moeten willen sterven. Hij had door zijn dood Satan die toen reeds het geweld des doods had, moeten overwinnen en te niet doen.
Als priester had hij zich tevens voor de gevallen voorwereld Gode moeten offeren en door de dood heen alles tot hoger leven moeten brengen. Zoals Christus gedaan heeft. Hij had dan juist zijn doel bereikt en was geen zondaar geweest. Het is ook hierom onjuist te leren dat men zondaar is omdat men sterft. Zo moeten we ook dit bezwaar verwerpen.
Samenvatting. Als samenvatting dit. Vuur kan zich verdelen. Evenzo water. Verdeeld vuur heet vonken, verdeeld water druppels. Maar daarmee blijft het vuur of water. De mens uit Adam die de dood inbracht, blijft een ziel. Maar geboren uit een stervende ziel, is ook hij stervende ziel. En geboren uit een zondigende ziel is hij in wezen een zondige en in de uitwerking ook een zondigende ziel.
De Schrift leert toerekening der zonde (en toerekening der gerechtigheid). Maar niet uit willekeur. Er moet een grond zijn, een rechtvaardige grond. Deze is door het schepsel zelf veroorzaakt. Zijn begeerte leidde tot het uitvallen èn uit God èn uit eigen eenheid. Beide voeren tot de doelmissing. Door ingrijpen van God: Hij schiep een man en een vrouw, werd wel de voortzetting van het geslacht mogelijk gemaakt, maar het ontstane tekort niet opgeheven, omdat eerst aan Gods eis: het priesterschap voor de wereld en de overwinning over Satan moest voldaan zijn. De zedelijke onzuiverheid erft mede over, dat is de erfsmet, en het niet voldoen aan Gods eis, stelt allen schuldig, de erfschuld.
God heeft de zonde en haar gevolg, de dood, als oordeel op het menselijk geslacht gelegd. Hij heeft allen onder de zonde besloten, Gal. 3:22 en niemand kan zichzelf noch zijn naaste uit de macht van de dood bevrijden, Ps. 49:8, 9. Dit oordeel heet de toorn Gods. Joh. 3:36. Van nature zijn we allen kinderen des toorns, Ef. 3:2. Eigen zonden stellen persoonlijk nog verder schuldig.
In Zijn toorn bewijst God boven de zonde en de dood te staan, ze niet te willen, openbaart Hij Zijn gerechtigheid en gaat Hij tegen zonde en dood in. Hoe zou Hij ze dan willen.
Gods oordeel, Zijn toorn, moet drijven tot Zijn genade. Juist door onder de zonde te besluiten, wil Hij de zondaar dringen naar de weg der genade. Dit is de enige uitweg die overblijft.
Romeinen 5:12. Een zeer belangrijke tekst in dezen is Rom. 5:12. We willen er hier nader bij stilstaan en citeren hem nogmaals.
« Want gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is en door de zonde de dood en alzo de dood tot alle mensen is doorgegaan in welken allen gezondigd hebben ».
Gaan we eerst de vertaling van « in welken » na. Heel wat andere vertalingen zetten de in het Grieks gebruikte woorden anders over en wel door « omdat » of gelijkbetekenend redengevend voelwoord (vermits, wijl). Zo de Leidse Vert., die van Obbink-Brouwer, van Voorhoeve, de Canisius-vert., de Nieuwe Vert. van het Ned. Bijbelgenootschap, de Franse van Second en van Martin, die van Luther, de Paralelbibel, de Duitse vertaling van Albrecht, die van Menge en de Oude en Herziene Engelse vertalingen. V.d. Palm, zet: « en door hem zijn allen zondaars geworden », en Bakels « sinds welken (Adam) zij allen gezondigd hebben ». Men ziet dat de overgrote meerderheid « omdat » heeft, hetzij in woord hetzij in opvatting. Wij willen vanwege de belangrijkheid dezer zaak wat dieper op de tekst ingaan.
Voor « in welken » staat in het Grieks « ef' hoo ». « Ef » is de verkorte en met het oog op de volgende klinker wat veranderde vorm van « epi » dat letterlijk « op » betekent en « hoo » is de derde-naamvalsvorm van « hos » dat « die » betekent. Letterlijk staat er dus « op die ». Waar we na een voorzetsel voor de « d » een « w » zetten en het hier een mannelijke woordvorm is, is de letterlijke vertaling in vroeger Nederlands « op wien » (thans meestal: op wie).
Hiermee zijn we niet klaar, want star letterlijke vertaling is nog niet steeds, ja zelfs vaak niet, de weergave van de zin der woorden. Heeft het hier b.v. zin te vertalen « op wie(n) allen zondigen? »
Er komen drie woorden voor in de zin, die in het Grieks alle mannelijk zijn: mens, wereld en dood. Waarop slaat het « op wie(n) » nu terug?
Om nader licht te verkrijgen, willen we eerst nagaan of we hier, zoals vele vertalingen doen, « omdat » kunnen zetten.
We vinden de verbinding « ef' hoo » vijf maal in het N.T., n.l. Lk. 5:25; 2 Cor. 5:4; Rom. 5:12; Fil. 3:12 en 4:10 en de vrouwelijke vorm « ef' hè » éénmaal, Lk. 11:22.
Nemen we deze laatste tekst het eerst. « Die neemt zijn gehele wapenrusting waar hij op vertrouwde », (op welke hij vertrouwde). Hier kan niet « omdat » gelezen worden.
Nu de mannelijke vorm. Lk. 5:25 « En opgenomen hebbende hetgeen daar hij op gelegen had ». Dit was het « beddeken », de matras waarop de geraakte tot Christus was gedragen. Hier heeft het een letterlijke betekenis; « op hetwelk » is niet te vervangen door « omdat ».
2 Cor. 5:4 « Nademaal wij niet willen ontkleed worden ». Fil. 3:12 « Waartoe ik ook van Christus gegrepen ben ». Fil. 4:10 , om aan mij te denken waaraan gij ook gedacht hebt ».
Kan men in 2 Cor. 5:4 en Fil. 3:12 « omdat » vertalen, in Fil. 4:10 gaat dit niet. « Waaraan » drukt geen reden of grond uit maar wijst een persoon aan: « aan wie(n) gij ook gedacht hebt ».
Uit het bovenstaande blijkt, dat de zaak konkordantisch niet voer het grijpen ligt; slechts in 2 van de 6 teksten kan men « omdat » zetten en is het natuurlijke of letterlijke draagvlak overgegaan in een figuurlijke of redengevende, beter wellicht: oorzakelijke grond.
We geloven dat het « op wie(n) » in Rom. 5:12 geen redengevend voegvoerd is maar terugslaat op een der drie voorafgenoemde zelfstandige naamwoorden zoals het in Fil. 4:10 terugslaat op « mij » en we dus moeten vertalen: aan wie(n) gij ook gedacht hebt ». Bezien we nu eens op welk der drie woorden het dan betrekking heeft.
« Ef' hoo » betekent: « op wie(n) » of bij een onzijdig woord « op dat ». Het geeft geen richting aan naar een punt of er van uit maar alleen dat punt zelf of het rusten of steunen op dat punt. Bespreken we nu de genoemde \voorden.
Het dichtst bij staat: de dood. Heeft men nu op of in de dood gezondigd? D.w.z. is men zondaar omdat men sterven moet. Dus zou men het niet zijn als men dit niet moest. Is m.a.w. de dood oorzaak der zonde? Zo wordt door sommigen geleerd. We bespraken daar reeds iets van en voegen er hier nog iets aan toe. Ten eerste zegt dit vers, dat de dood er is door de zonde. Men kan dit niet omkeren en zeggen: de zonde is er door de dood. Door middel van een schip komt de lading de haven binnen. Het omgekeerde gaat niet op; door middel van de lading komt het schip de haven binnen. Niet de lading is oorzaak van het binnenkomen van het schip maar dit is het middel tot het binnenbrengen van de lading. Zo in Rom. 5:12 ten opzichte van zonde en dood. Men zondigt niet omdat men sterft of sterfelijk is, men sterft omdat men zondigt. Ten tweede: de dood is uiteindelijk lichamelijk maar de zonde is iets geestelijks. Nu heeft het lichamelijke het geestelijke niet tot oorzaak maar dit het lichamelijke. Niet omdat het lichaam sterft, is men zondaar maar omdat men zondigt, sterft het lichaam. Het « op of in wie(n) » kan dus niet slaan op het woord « dood ». Ook niet omdat men in de dood niet kan zondigen, dood nu genomen in natuurlijke zin.
Volgt het woord « wereld ». Kan men zeggen dat men zondaar is omdat men op of in de wereld is. Dit is helemaal onhoudbaar. Er zijn veel dingen op of in de wereld, maar zij zijn daarom nog niet zondig.
Blijft het woord « mens ». Kan men lezen dat allen in Adam gezondigd hebben? O.i. zeer wel. Het volgt uit het hele betoog dat Paulus geeft en dat hierop neerkomt: De dood is er door Adams zonde. De zonde wordt niet toegerekend als er een wet is. Vanaf Adam tot Mozes was er geen geopenbaarde wet. Toch stierven de mensen ook toen reeds. Hiervoor moet een oorzaak zijn. Deze is: de toerekening der zonde. Niet volgens de geopenbaarde wet. Ook niet bij de hun van nature bekende wet (Rom. 1:18; 2:12-15). Zij werd dus toegerekend op grond van iets anders: op grond van Adams overtreding tegen een ingeschapen wet. Hij was de wortel of basis waarop allen zondigden. Of, ietwat vrijer vertaald: in hem zondigden allen. Hij zondigde tegen de levenswet van het liefhebben van God, dan tegen de wet voor de levende ziel geldend, de wet der eenheid van het mannelijke en vrouwelijke. Door beide in enen te overtreden, worden allen zondig: ze missen het doel. Daarom sterven allen in Adam, zoals 1 Cor. 15:22 duidelijk leert. Ook Eva.
Er is opgemerkt dat ef' hoo te ver van het woord mens afstaat om er betrekking op te hebben. Dit bezwaar vervalt als men in het middengedeelte van vs 12 een tussenzin ziet en de tekst zo leest: Daarom gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is (en door de zonde de dood en de dood alzo tot alle mensen is doorgegaan) in wie (n) allen gezondigd hebben ». Of, met omzetting van de zin: « Daarom, gelijk door één mens (in wien allen gezondigd hebben) de zonde in de wereld is ingekomen, enz. »
We hebben hier de St. Vert. verdedigd. Niet om reden van oudheid of piëteit maar vooral op grond van het feit 1° dat ef' hoo niet uitsluitend als redengevend voegwoord, als « omdat » wordt gebruikt; 2° omdat, waar de dood zonder uiterlijke wet heerst, er een andere wet moet zijn op grond waarvan de dood wordt toegerekend; 3° omdat deze wet niet de in de schepping geopenbaarde natuurwet is, want onbewuste kinderen kunnen God niet verwerpen en sterven toch; 4° omdat 1 Cor. 15:22 leert dat allen in Adam sterven waaruit volgt dat allen in hem zondigden en dat dit toegerekend wordt geheel buiten latere persoonlijke zonden om.
Wie Rom. 5:12 met zijn « in wien » anders wil verklaren en er « omdat » voor wil stellen, raakt in moeilijkheden. Hij moet verklaren waarom de zonde toch toegerekend wordt zonder dat er een wet is. Welke wet heeft het schepsel dan overtreden? De wet van het zich zelf tot wet zijn, die van Rom. 2:16 dus? Maar hoe dan met onbewuste kinderen? Of kunnen die zich zelf nog niet tot wet zijn? Deze vormen juist het struikelblok. Waarom sterven zij? Door de val van één sterven de velen, Rom. 5:13, dus zondigen ook die velen en wordt hun dit ook aangerekend blijkens de ervaring, al zijn ze zich er niet van bewust. Het is niet zo dat zij eerst persoonlijk moeten zondigen om te sterven, neen velen sterven zonder dat zij persoonlijke zonden gedaan hebben. Onwetend, ja meer nog, ongeboren zondigden zij reeds. Dit kan alleen omdat God hen aanziet als in Adam inliggend en zij in hem tot zondaren gesteld zijn. Daarom kan het oordeel de dood zijn. « Zo dan gelijk door één mens de (schuld) gekomen is (of: het gekomen is) tot verdoemenis (veroordeling) ». De ene zonde van Adam brengt veroordeling over allen. Dit is de toerekening. En de dood is het gevolg en tevens het oordeel.
Het omgekeerde is in veel hogere mate het geval. Door één gehoorzaamheid van Christus komt over alle mensen de rechtvaardigheid ten leven, hetzij ze dit weten of niet. Evenals de mens niet eerst persoonlijk zondigt om dan te sterven, wordt de mens niet eerst persoonlijk tot rechtvaardige gesteld om dan het leven te verkrijgen. Beide gaan objectief buiten hem om. En de misdaad en het heil ligt in telkens één persoon. Objectief worden allen in Adam tot zondaar gesteld, objectief worden allen in Christus tot rechtvaardigen gesteld. Aldus Rom. 5.
Op nog iets zij gewezen. De apostel gebruikt het woord « zondigen » van Rom. 5:12 in de verleden-tijdvorm wat de St. Vert. overzet door: « gezondigd hebben ». Er staat echter: « op wien allen zondigen ». Dit sluit uit dat men zondigt in de dood, dan moest er staan: « op welke allen zondigen ». In vs 14, waar de St. Vert. zet: « die niet gezondigd hadden » schrijft Paulus niet de verleden tijd maar de aoristus, de tijdloze Griekse vorm. Indien hij in Rom. 5:12 bedoeld had te zeggen dat omdat de mens persoonlijk zondigt hij daarom sterft of dat hij zondaar is omdat hij sterft, had hij ook daar de aoristvorm, de tijdloze werkwoordsvorm gebruikt. Hij doet dit niet maar zet de tijd uitdrukkende vorm, hier de verleden tijd, hiermee aangevend dat dit zondigen geheel verleden tijd is geworden. Dit kan alleen als men ziet dat allen in Adam zondigden.
Hiermee is tevens aangewezen dat de oerzonde van Adam dieper ligt dan de overtreding in de hof van Eden en dat ook Eva in Adam reeds gezondigd heeft. Hun herschepping als man en vrouw heeft dit niet opgeheven maar was alleen om de voortzetting van het geslacht mogelijk te maken.
De Dood als Gevolg der Zonde. Het eerste en tevens ernstigste gevolg dat de zonde meebrengt, is de dood. « Door de zonde de dood ». De zonde brengt de dood mee zoals een schip de lading. Ze zijn niet identisch, dezelfde, maar ze zijn aan elkaar verbonden.
Wat is de dood? De dood is de afsnijding van levensband. Hij is het omgekeerde van leven. Leven is in verbinding staan, gemeenschap hebben met een zekere sfeer van leven. Deze kan enger of breder, beperkter of ruimer zijn, maar in elk geval is er een zekere gemeenschap met die bijzondere sfeer in het heelal die men leven noemt. Die gemeenschap is een zekere wisselwerking tussen het levende wezen en zijn omgeving. Een levende plant werkt in op haar omgeving; ze neemt stoffen op uit de bodem en de lucht. Omgekeerd werkt de omgeving op haar in: het licht b.v. doet haar het koolzuur ontbinden in koolstof en zuurstof, een feit van grote betekenis. Zo werkt ook een levend dier in op zijn omgeving en deze weer op dat dier. Bij een mens zijn de terreinen nog veel breder; zijn leven kan met verschillende gebieden sterker of minder sterk in verbinding staan.
Ons bepalende tot de mens zien we, dat bij de dood al deze banden ophouden. Liefde, haat, nijdigheid vergaan, men heeft geen deel meer in alles wat onder de zon geschiedt. Pred. 9:6. Het lichaam verliest zijn opbouw en samenhang en keert weder tot stof, de ziel verliest haar beleving van innerlijke gevoelens en spanningen, de geest als hoger geestelijk deel richt zich op niets meer in de ziel noch in het lichaam noch op de terreinen des levens, terwijl de geest als drijvende levenskracht (hierbij is hij niet persoonlijk) wederkeert tot God.
Waar het leven gemeenschap en wisselwerking is en dit op meerdere terreinen kan geschieden, en de dood het tegenovergestelde, kan men èn meerdere soorten van leven èn meerdere soorten van dood onderscheiden. Er is het leven des geestes, der ziel, des lichaams. Alle drie kunnen gedoofd worden: iemands geest en ziel en lichaam kan gedood worden. Bij de geest wordt dan dat wat de mens boven het dier verheft, onderdrukt en afgesneden. Dan versuft of verdierlijkt hij. Bij de ziel worden de ware gevoelens tot zwijgen gebracht en afgestompt; dan wordt men gevoelloos. Eindelijk kan het lichaam gedood worden wat het ophouden van het natuurlijke leven meebrengt. Men weet uit de laatste oorlog hoe men op dit drievoudig terrein werkzaam is geweest.
Hoe is nu de mens door de zonde geworden? Zijn ik is van God afgesneden, het is uit Gods gemeenschap uitgevallen — dit noemt men dan de geestelijke dood zijn geest is verduisterd en vervreemd van het leven Gods, door onwetendheid, Ef. 4:18a, zijn ziel is ongevoelig geworden, 19a en zijn lichaam is aan een stervensproces onderworpen: stervend sterft hij. Gen. 2:17. Als we het wel zien, moeten we dit vaststellen. T.o.v. zijn ikheid is hij dood voor God dat is zijn zondaar zijn. T.o.v. zijn geest, ziel en lichaam is hij stervend. Het eerste is een feit. (God noemt de zondaars buiten Hem doden, Lk. 9:60; Ef. 5:14), het tweede is een proces zowel t.o.v. de geest als t.o.v. de ziel als t.o.v. het lichaam. Dan noemt de Schrift de mens stervend (Ik heb geen lust aan de dood des stervenden, Ez. 18:32). Men moet deze onderscheiding wel in het oog houden, wil men de dingen niet verwarren.
Het proces van de stervende geest, de stervende ziel en het stervende lichaam vertoont vele fasen, zowel individueel als groeps- en volksgewijs. De een is met zijn geest veel verder naar de dood voortgeschreden dan de ander. Zo naar de ziel. Zo naar het lichaam. Dit is ook het geval niet groepen in een volk en met gehele volken. Hoe meer de geest vervreemd is van God, hoe meer de ziel haar ware gevoelens verloren heeft, hoe meer het lichaam zijn levenskracht ingeboet heeft, des te meer is het proces voortgeschreden. Zoals God nu in het lichaam de dood stuit door levenskracht, zo geeft hij op het terrein van de geest en de ziel krachten die het in wezen stervende leven dier vermogens nog stuiten. Zoals Hij voor het natuurlijke leven regen en vruchtbare tijden geeft, geeft Hij voor geestes- en ziele leven vaak tijdelijk vernieuwende krachten. Zo maakt Hij de voortzetting van het geslacht mogelijk.
Dit heft echter de individuele en tevens algemeen menselijke gescheidenheid van God niet op: het centrum van ons leven is dood voor God; heeft zonder meer geen ware gemeenschap meer met Hem, staat niet meer met Hem in verbinding. Daartoe is eerst levendmaking nodig, geboorte van Boven. Uit zichzelf kan de mens deze band niet meer herstellen. Dit is juist zijn oordeel, naar we reeds zagen.
De Straf der Zonde. Wat we hierboven in het kort schetsten, zijn alle gevolgen der zonde. Maar tevens zijn ze de gevolgen van het oordeel, ja der veroordeling. God heeft allen onder de zonde besloten, gevangen gezet, Gal. 3:22, Rom. 11:32, en daarmee onder de dood. Niemand kan meer de ware levensband herstellen, noch zijn geest, noch zijn ziel noch zijn lichaam levendmaken. Maar de straf reikt verder. God stelt ook schuldig. Schuld is de zwaarste straf. Het is vreselijk dat God schuldig moest stellen en gesteld heeft. Hij heeft allen uit Adam geborenen of verwekten tot zondaar gesteld. Ze zijn niet slechts doelmissers, door verwekking, maar God heeft ze ook in Zijn oordeel als zodanig gesteld, aangemerkt. Dit stelt hen tot schuldigen.
De mens had de hem ingeschapen levenswet moeten houden. Nu hij dit niet gedaan heeft, staat hij schuldig. Schuld ontstaat er wanneer een wet overtreden wordt. Zich buiten de wet plaatsend, wordt hij overtreder. Rom. 5:14.
De zaak ligt evenwel nog dieper. Zich plaatsen buiten de wet, is in wezen zich ook plaatsen buiten de liefde. Want, hoe vreemd het ook klinke, wet is volbrenging der liefde. In de wet is de liefde verweven. De centrale wet, de wet van het zedelijk leven, is in wezen de wet der liefde. Het eerste grote gebod — wet dus — is: God lief te hebben; het tweede — ook wet — is: de naaste lief te hebben als zichzelve. De liefde is de vervulling der wet. Wie in de liefde wandelt, vervult de wet. Niet uit nooddwang maar omdat hij in de wet de liefde konkreet vindt uitgedrukt, belichaamd ziet. Door zich buiten de wet te stellen, bewees de mens dat hij zich buiten de liefde tot God had gesteld. En dat stelde hem schuldig.
De schuld des mensen weerkaatst zich zwakker of sterker in zijn bewustzijn en wel in het beschuldigende geweten. Niet dat schuld en schuldbewustzijn identiek zijn. Het schuldbewustzijn is het gevolg van het schuldig zijn. Buiten hen die hun geweten toegeschroeid hebben en dit bewustzijn dus bewust afweren, be- of verontschuldigen de gedachten des mensen hem in het algemeen. Het geweten spreekt in hem. Hij voelt dat er een kloof is tussen wat hij is en wat hij wezen moest. Het geweten is het bewijs dat de gemeenschap met God verbroken is, dat er afstand is tussen God en de mens, dat aan de wet niet is beantwoord.
« Het geweten is het subjectief bewijs voor 's mensen val, de getuige van zijn schuld voor het aangezicht Gods. God klaagt den mens niet alleen aan, in het geweten veroordeelt de mens zichzelf en kiest hij voor God en tegen zichzelf partij. Hoe fijner en nauwgezetter het geweten oordeelt, hoe meer het Gods gedachte over de mens in de Schrift rechtvaardigt. De besten en edelsten van ons geslacht hebben Gods waarachtigheid bevestigd en het schuldig uitgesproken over hun eigen hoofd ». Bavinck, Geref. Dogm. III, blz. 154.
De tweede straf is de smet. Zonde is niet alleen daad, ze is ook begeerlijkheid. Ook de begeerte, de verkeerde vanzelf, is zonde, zegt Paulus. Adam werd niet eerst schuldig toen hij de vrucht at, hij was het reeds eerder door zijn begeerlijkheid. Hiermee schond hij de heiligheid, het afgezonderd zijn van de lagere sfeer die niet voor hem bestemd was. Is zonde schuld als strijdend met Gods gerechtigheid, ze is smet wijl tegengesteld aan Gods heiligheid.
Het beeld Gods werd in wezen door Adam verwoest. In hem werd het mannelijke en vrouwelijke dat in hem een was en volle harmonie, totaal verbroken. God trekt die lijn door en scheidt de ene mens in man en vrouw. Tevens corrigeert Hij de zonde door iets nieuws te scheppen, « man en vrouw schiep Hij ze ». Het is om het menselijk geslacht te kunnen voortzetten. Het hele sexuele leven is bewijs van Adams zonde al is het huwelijk een Goddelijke correctie van Adams begeren. Al geeft God Zijn zegen er over daarmee is het wezen der zonde niet weggenomen. Het is dan ook niet vreemd, dat man en vrouw na de geslachtsgemeenschap de gehele dag onrein waren. Dit weerspiegelt de smet door de zonde teweeggebracht. Het verlies van het oorspronkelijk beeld Gods, de scheiding van man en vrouw, veroorzaakt tevens de smet en de gemeenschap, alhoewel nodig voor de voortplanting, maakt voor de wet onrein en demonstreert de erfsmet. Het zij nogmaals uitdrukkelijk gezegd dat we het huwelijk niet verwerpen of verbieden te huwen. Het is een Goddelijke instelling maar — voor zondaars, in wier hele zijn en ook in het sexuele, de erfsmet, het gemis aan ware heiligheid, openbaar wordt.
Naast schuld en smet is er als derde straf het lijden door de zonde. Men houde hierbij wel in het oog dat het lijden dat we moeten ondergaan, geen straf behoeft te zijn voor onze persoonlijke zonde. Het kan wel zo zijn maar is het zeker niet steeds. Zij op wie de toren van Siloam viel, zij wier bloed door Pilatus bij het altaar vergoten werd, waren geen groter zondaars dan anderen, dit lot overkwam hun niet om hun persoonlijke zonden. Evenmin als de ouders van de blindgeborene. Joh. 9. « Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders ». D.w.z. een bijzondere zonde gedaan die door een bijzondere straf moet worden gevolgd.
Veel lijden is er door toedoen van anderen. Gruweldaden, verarming, hongersnood, pest, oorlog, ziekte, enz. zijn vaak de gevolgen van menselijke zonden. Zij treffen vaak hen die ze niet onmiddellijk veroorzaakt hebben. De laatste oorlog heeft dit weer klaar bewezen. We zullen hier niet ingaan op de zegen die uit het lijden kan voortvloeien. Uit verlies kan God winst, uit gemis zegen voortbrengen. Het gaat er hier om of alle lijden gevolg is van persoonlijke zonden. Dit verwerpen wij.
De natuur deelt in het lijden van de mens. Niet in die zin alsof de mens alleen het lijden in de natuur heeft ingebracht. Er is veel dat zucht onder de gevolgen van Satans val. Anderzijds is er veel dat aan de mens is toe te schrijven. Positief en negatief. Positief door zijn doen, negatief door zijn tekortschieten, doordat hij de schepping niet uit haar val heeft verlost, en Satan niet overwonnen heeft. Daartoe was hij geroepen. De schepping had door de mens tot volmaking gebracht moeten zijn geworden. Adam had de gevolgen van Satans val hebben moeten ondervangen en opheffen. Dit heeft hij niet gedaan en zo staat de mens mede verantwoordelijk voor de wereldgang en schuldig aan het wereldlijden. « Het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil (Adam) die het der ijdelheid onderworpen heeft ». Rom. 8:29.
Het is ook 's mensen schuld, dat de wereld aan Satan is onderworpen waardoor velerlei lijden ontstaat. De wereld ligt in het (of de) boze, 1 Joh. 5:19. Hij doodt velen en houdt ze in het graf bekneld. Hij verleidt de wereld en is de boze macht die werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid en de zondige kiemen die in 's mensen hart sluimeren doet uitspruiten en in daden omzet. Niet elk een ligt even diep onder zijn macht. Maar allen staan van nature bloot aan zijn verleidingen. De gelovige moet daarom de geestelijke zinnen oefenen en met zijn omleidingen bekend worden en zijn. Dan kan men hem weerstaan. Anders ligt men onder zijn onzedelijke macht. Dit alles nu is 's mensen schuld. Hij was gesteld om Satans werken teniet te doen. Dat hij dit niet gedaan heeft, heeft nameloos lijden veroorzaakt en zo is ook de mens, ja hij vooral schuldig aan het zuchten en de barensnood van het schepsel.
Zo vonden we als straf, beter straffen der zonde:
a. de dood;
b. de schuld;
c. de smet;
d. het lijden in allerlei vorm;
e. Satans werk in de wereld vanaf Adam.
Slot. We hebben in het voorgaande slechts een en ander aangestipt. Meerdere punten kunnen breder uitgewerkt worden maar deze verhandeling wilde slechts enige hoofdlijnen geven. Zij zijn echter voldoende om de ellendige staat te doen zien waarin de mens door de oerzonde gekomen is. Hij is van levende ziel « vlees » geworden, Joh. 3:6, stervende, Ez. 18:32, dienstknecht der zonde, Joh. 8:34 en doet de begeerten des vleses en der gedachten, Ef. 2:3, ligt onder de zonde, Rom. 7:23, is besmet naar geest en vlees, 2 Cor. 7:1 en eindigt zijn leven door ten slotte door de dood neder te dalen in de sheool of hades, Ps. 89:49. De macht en kracht der zonde wordt in de enkeling, het gezin, de familie, de volksstammen en volken veelvoudig uitgewerkt. Ze vertoont zich in allerlei gedaanten: in kiem, verder uitgebot, sterk voortgeschreden, ten top gevoerd. Maar het einde is voor allen hetzelfde: de bezoldiging, de soldij, het loon der zonde, is de dood. Elk mensenkind wordt als zondaar geboren en draagt de kiem van de dood van de geest, van de ziel en van het lichaam in zich. Voorts maakt hij veelal kennis met al de nasleep van de andere gevolgen der zonde die in de wereld zijn.
We willen en mogen echter niet in mineur eindigen. God zij geprezen dat hier tegenover staat dat Christus de dood heeft overwonnen, dat Hij Zijn gerechtigheid toerekent, heiligheid en reiniging der zonden teweegbrengt, het lijden van de tegenwoordige tijd verre in de schaduw stelt t.o.v. de heerlijkheid der toekomst en Hij de werken van Satan zal verbreken. Eenmaal zal Hij de zonde te niet doen, in de voleinding der eeuwen, door Zijn reeds gebrachte Zelfofferande. De benauwdheid der zonde zal niet ten tweeden maal oprijzen. Al 's Heren werken zullen Hem eenmaal loven. Ps. 145:10. Hij zal hemel en aarde louteren tot zij een luister zullen verspreiden, waarvan oor noch oog iets hebben gehoord of gezien. 0, diepte des rijkdoms, ondoorzoekelijk, ondoorgrondelijk!
|