|
Wat de Concordantie leert.
Door S.V.M.
INLEIDING

Under Contruction

The page is still under contruction, please ignore any errors, thank you.
Onder deze titel willen wij een reeks studies geven, waarin de Konkordantie een overwegende rol speelt. Ons doel in onze geschriften beoogd, is zowel om een goede blik te krijgen op de grote lijnen van Gods Voornemen, als om zo juist mogelijk de betekenis te leren kennen van de woorden, door de Heilige Geest gebruikt, om dit Voornemen uit te drukken. Wij willen hier zowel de telescoop gebruiken voor de grote dingen als de mikroscoop voor de kleine.
Behalve de belangrijke opmerkingen, die zeer dikwijls uit een dergelijk onderzoek volgen, ziet men dan ook steeds meer hoe volkomen de ingeving der Schrift is, hoe volmaakt juist alle woorden uitgekozen zijn. Dit is iets, dat men in geen menselijk boek kan vinden, zelfs niet in de beste vertalingen van Gods Woord. Een juister begrip der woorden lost ook menige moeilijkheid of schijnbare tegenstrijdigheid op.
Ons onderzoek is een natuurlijk gevolg van ons geloof in de volkomen ingeving der Schrift. Als het de woorden van de Heilige Geest zijn, dan wil men die ook kennen en naar waarde schatten. « De woorden van Jehova zijn zuivere woorden » Ps. 12:7. « De woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven » Joh. 17:8. « Woorden, die de Geest leert » 1 Kor. 2:13. « Houd het voorbeeld der gezonde woorden » 2 Tim. 1:13.
Het voedsel van de geestelijke mens is Gods woord. « Opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des Heeren mond uitgaat » Deut. 8:3 en Mat. 4:4. Zoals het lichaam zuiver voedsel nodig heeft, is dat ook het geval met de inwendige mens. Ongezond voedsel veroorzaakt langzamerhand allerlei ziekte. Gebrek aan voedsel is ook noodlottig. De godsdienstige wereld is ziek omdat ze geen zuiver voedsel heeft. Of als ze het heeft, het niet aanneemt en niet verteerd. Niets kan Gods Woord vervangen. Maar het moet ook zelf onderzocht worden, zoals men zelf het voedsel moet verteren. Anderen kunnen het ons aanbieden en voorbereiden, maar ten slotte moeten wij zelf het ons eigen maken. De mensen worden gewoon gemaakt maar te luisteren en als ze dan eens iets uit de Schrift willen lezen verstaan ze het niet en zo verwaarlozen ze dan zelfs het lezen. Men moet zich oefenen de Schrift te onderzoeken en dit boekje geeft een wijze van onderzoek aan, die zeer nuttig kan zijn. Men schakele echter eigen gedachte en eigen kracht uit en zoeke Gods wil in Gods kracht. Men make er geen zuiver intellectueel onderzoek van, doch men onderzoeke met geheel zijn hart.
Voor zover ons bekend is, kan alleen de volledige Konkordantie van Trommius goede diensten bewijzen aan de Nederlandsche Schriftonderzoeker. Deze uitgave is echter zeer duur. Zij, die een weinig Engels kennen, worden het best geholpen door de « Englishman's Greek Concordance of the New Testament » en de « Englishman's Hebrew and Chaldee Concordance » (voor het O.T.). Moge God spoedig eenige mensen aandrijven een goede en goedkoope Nederlandse Konkordantie samen te stellen en uit te geven. De teksten moeten opgegeven worden volgens de Griekse en Hebreeuwse woorden der handschriften, zo mogelijk onderverdeeld volgens de verschillende vormen waarin zij gebruikt worden.
Intussen kan de lezer reeds in zijn Bijbel enkele aantekeningen maken, aan de hand van deze reeks studies. Moge de lezer met Jeremia kunnen zeggen: « Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten » Jer. 15:16.
ANDER EN ANDERSSOORTIG
Hoe meer wij letten op de woorden door de Heilige Geest ingegeven, hoe meer de Schrift gaat leven. We zullen daar bewijzen van leveren. Laten we eens letten op de Griekse woorden, die in de St. V. door « andere » vertaald zijn. Dat zijn er twee, n.l. « allos » en « heteros ». Men zal zien dat het Grieks veel nauwkeuriger weergeeft, wat er bedoeld wordt, dan het Nederlands. Allos is « ander », heteros « anderssoortig ».
1. Allos (ander).
Mat. 5:39. « Maar zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe ».
Hieruit leren we duidelijk de betekenis van « allos »: een andere, maar van dezelfde soort.
Mat. 27:42. « Anderen heeft Hij verlost ».
Het gebruik van « allos » bewijst, dat de Overpriesters, Schriftgeleerden en Farizeën Hem met zondaars gelijk stelden. Voor hen was hij van dezelfde soort, niet de zondeloze Zoon Gods.
Luk. 5:29. « Eene grote schare van tollenaren en van anderen. »
Die « anderen » waren dus van dezelfde soort als de tollenaren, dus ook zondaren. Vers 30 zegt dan ook « tollenaren en zondaren ».
Joh. 5:32. « Er is een ander, die van Mij getuigt ». Volgens vers 37 is die « andere », de Vader. Hij is wel een Andere, maar van hetzelfde Wezen. Men ziet weer, hoe belangrijk het is, het juiste woord voor « ander » te gebruiken.
Joh. 10:16. « Ik heb nog andere schapen ». Die waren van dezelfde soort. Hij sprak eerst van de schapen van « dezen » stal, dat waren de Joden te Jeruzalem. Daar buiten waren nog vele verstrooide schapen, d.i. Joden. Hij sprak nog niet tot de volkeren, deze waren hoogstens « anderssoortige » schapen.
Joh. 14:16. « Hij zal u een anderen Trooster geven ». Niet een mens of een engel, maar een van dezelfde goddelijke wezensgesteldheid als Hij, namelijk de Heilige Geest. Tevens blijkt hieruit, hoe de H. G. persoonlijk is. Zoals Christus het is, zo is het ook de Andere Trooster.
2. Heteros (anderssoortig).
Mat. 8:21. « Een ander uit Zijne discipelen ». De vorige die Hem toesprak was een Schriftgeleerde. Deze was geen Schriftgeleerde, het was er een van een ander soort; ook in deze zin, dat de eerste hem wou volgen in alles en de tweede niet.
Mat. 11:3. « Of verwachten wij een anderen? » Als Jezus niet de Christus was, Die moest komen, dan was Hij een gewoon mens en moesten zij er een verwachten van een andere soort, namelijk de ware Zoon Gods.
Luk. 6:6. « En het geschiedde ook op eenen anderen sabbat ». In vers 1 was het den « tweeden eersten » sabbat, dat was een bijzondere sabbat. In vers 6 is het een sabbat van een andere soort, waarschijnlijk een gewone wekelijksche sabbat.
Luk. 17:34. « De een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden .» Zij zijn niet van dezelfde soort, vandaar het aannemen of verlaten.
Luk. 23:40. « Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem ». Deze kwaaddoener erkende Christus, de eerste niet.
Job. 19:37. « En wederom zegt een andere Schrift ». Hetgeen v. 36 vermeldt was vervuld, « zij zullen zien, in welken zij gestoken hebben » is nog niet vervuld. Die schriftdelen zijn dus niet van dezelfde soort, vandaar heteros.
Hand. 1:20. « Een ander neme zijn opzienersambt ». De twaalfde apostel (Matthias) zou er een zijn van een andere soort dan Judas. Hij was heteros dan Judas en allos dan de andere discipelen.
Hand. 7:18. « Tot een ander koning opstond ». Deze kende Jozef niet en vervolgde Israël. De vroegere waren waarschijnlijk van een geheel ander ras en werden « Hyksos » genoemd. Deze was een echt Egyptenaar.
Rom. 7:23. « Maar ik zie een andere wet in mijne leden ». Die van v. 22 is de « wet Gods », deze een anderssoortige.
1 Kor. 15:40. « Een andere is de heerlijkheid der hemelse, en een andere der aardse ». Niet alleen « ander », maar van een andere soort. Het geestelijk lichaam is een andere bestaanswijze. In v. 39, 41 is het « allos », daar betreft het ofwel aardse, ofwel hemelse d.i. van dezelfde soort.
Gal. 1:6, 7. « Overgaat tot een ander (heteros) evangelie, hetwelk geen ander (allos) is ». (Vert. Voorhoeve). In de Schriften zijn vele « goede tijdingen », maar allen van dezelfde soort. Bij de Galaten was het een anderssoortig evangelie: het was « naar den mens ». Dus niet eenvoudig een « ander » maar een verschillend.
Heb. 7:11. « Een ander priester naar de ordening van Melchizédek ». Deze is niet « naar de wet eens vleselijken gebods », maar « naar de kracht des onvergankelijken levens » (v. 16). Een anderssoortig daarom.
Jak. 2:25. « En door eenen anderen weg uitgelaten ». Niet langs de deur, maar langs een anderssoortigen weg: het venster! (Jozua 2:15).
Jud. 7. « En ander vlees zijn nagegaan ». Het gaat over de engelen, die hun « beginsel » of, volgens de vert. Voorhoeve, « hunnen oorspronkelijken toestand » niet bewaard hebben, maar « hunne eigene woonstede verlaten hebben ». Die engelen hadden een lichaam aangenomen van vlees, maar het was anderssoortig vlees. Men kan hier denken aan Gen. 6:2.
Men ziet hoe in het Grieks overal het juiste woord gekozen is en hoeveel de Schrift in kracht verliest, als men overal hetzelfde woord gebruikt.
GELIJK EN EVENGELIJK
Volkomen gelijkheid, ten minste voor wat betreft de dingen waarover het gaat, wordt uitgedrukt door het woord « isos ». Het wordt gebruikt in Mat. 20:12; Mark. 14:56, 59; Luk. 6:34; Joh. 5:18; Hand. 11:17; Fil. 2:6; Op. 21:16. Het belang de betekenis van dit woord goed in te zien blijkt, onder meer uit Fil. 2:6:
« Die in de gestaltenis (vorm) Gods zijnde, geenen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn ».
Als het gaat over: op iets gelijken of eenige gelijkenis hebben met iets, heeft het Gr. een reeks woorden van de stam « homoios ». Die worden gebruikt bij de gelijkenissen der Evangeliën en de symbolische voorstellingen van Openbaring. Het komt voor in Fil. 2:7:
« Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis (vorm) eens dienstknechts aangenomen hebbende en is den mensen gelijk geworden ».
Men ziet de tegenstelling met vs. 6. In Zijn Ikheid was Christus God, in Zijn verschijning Mens. Zo is het ook belangrijk de strekking dier woorden te kennen in Luk. 20:36 en 1 Joh. 3:2.
Van hen, die uit de doden opstaan zegt Luk. 20:36: « zij zijn den engelen gelijk ».
1 Joh. 3:2 zegt echter: « wij Hem zullen gelijk wezen ». Als dit nu dezelfde gelovigen na de opstanding geldt, is er tegenspraak tussen die twee verzen. Moeten wij dan de volkomen inspiratie prijsgeven? Neen, als wij beproeven « de dingen, die verschillen » (Fil. 1:10). Lukas gebruikt « isaggelos » waarin het woord « isos » zit, zij zijn den engelen dus volkomen gelijk. 1 Joh. 3:2 gebruikt « homoios » en zegt eenvoudig, dat er dus tussen die opgestane mensen en de verheerlijkte Zoon Gods een gelijkenis is; geen volkomen gelijkheid evenwel.
Laat ons nog eenige plaatsen onderzoeken, waar « homoios » of een verwant woord gebruikt is.
Hand. 14:11 « De goden zijn den mensen gelijk geworden ». Zij bedoelden niet een volkomen gelijkheid.
Rom. 6:5 « Want indien wij met Hem ééne plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding ». Men weet dat de gecursiveerde woorden van de Staten Vertaling niet in de Gr. tekst staan. Zij werden er bij gevoegd « ter verduidelijking ». Dikwijls echter hadden zij beter weggelaten kunnen worden. Deze tekst geeft nu al licht een verkeerde indruk. Waarom hem niet ongeveer als volgt vertaald:
« Want indien wij samengeplant geworden zijn in de gelijkenis Zijns doods, zo zullen wij ook van de opstanding zijn ».
Rom. 8:3 « Zijnen Zoon zendende in de gelijkheid des zondigen vleeses ». Er was gelijkenis, geen gelijkheid.
Heb. 2:17 « Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden ». Hoe dankbaar mogen wij hiervoor zijn. Maar ook dat Hij ons niet « volkomen gelijk » was.
Heb. 4:15 « Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest », d.i. overeenkomstig als wij, niet precies als wij.
Heb. 7:15 « Naar de gelijkenis van Melchizédek ».
Hieruit vloeit voort, dat Melchizédek niet Christus geweest is. Gene had slechts eenige gelijkenis met Deze.
Jud. 7, 8. Sodom en Gomorra en de steden rondom dezelve, hebben op gelijke wijze gehoereerd als de zondigende zonen Gods van Gen. 6, dat zijn de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben. Het was niet juist op dezelfde wijze, maar een die er op leek, er gelijkenis mee had.
« Desgelijks » is ook weer niet juist hetzelfde. Tussen de misdaden dier mensen, die der engelen en die van Sodoma en Gomorra was een zekere overeenkomst. Maar er is ook verschil. « Desgelijks » is niet: op gelijke wijze, maar: op eenigszins overeenkomstige wijze. Men rekene hiermee als men vers 6 wil uitleggen.
TOORN
Een oppervlakkig Schriftonderzoek is niet voldoende. Men blijft dan vage begrippen houden en loopt gevaar onschriftuurlijke gedachten te verspreiden. Meer nog, men zal anderen bestrijden die verder onderzocht hebben. Als verontschuldiging brengt men dan in, dat men alles niet zo moet uitpluizen. Soms ziet men het als iets goeds aan niet te ver te gaan in het onderzoek, men wil niet doen zoals een scheikundige, die brood ontleedt, men wil liever het brood eten! Nu is het volkomen juist, dat men Gods Woord niet zóó moet behandelen, dat het geen voedsel meer is, maar dit op gelijke lijn te stellen met een zorgvuldig onderzoek, is iets geheel anders. Maar, zegt men, sommige dingen zijn de tijd van zo'n onderzoek niet waard. Ons antwoord is: hoe weet men dat van te voren? Vele Schriftonderzoekers waren eenmaal dezelfde gedachte toegedaan, doch toen zij er eenmaal toe kwamen of genoopt werden dieper te graven, werden zij er door getroffen, dat iets dat op het eerste zicht van weinig gewicht scheen, later van heel groot belang bleek te zijn. Zullen wij God oordelen en zeggen wat wel en niet belangrijk is in Zijn Woord?
Nemen we eens het woord: toorn.
Iedereen heeft van Gods toorn gelezen. Wanneer wordt die nu geopenbaard?
In de konkordantie zoeken wij « toorn » (gr. orgè) op, en vinden o.m. de volgende teksten:
I. Luk. 21.13 » Want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk.»
Dit betreft Palestina, Jeruzalem en Israël en wordt gezegd met het oog op wat gebeurd is in het jaar 70 (vs. 24).
II. Mt. 3:7 « Wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn? » Zie ook Luk. 3:7.
Op de vraag: wanneer komt de toekomende toorn? geeft I Thes. 1:10 het antwoord.
1 Thes. 1:10 « En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten..., Die ons verlost van den toekomenden toorn. » Dat is bij de tweede komst van Christus, dus vóór het Koninkrijk wordt opgericht.
Over die toorn wordt meer gezegd in de volgende teksten: Op. 6:16, 17 « Verbergt ons... van den toorn des Lams. Want de grote dag Zijns toorns is gekomen. »
Op. 11:18 « En Uw toorn is gekomen, en de tijd der doden, om geoordeeld te worden... » Zie ook 7:14 voor de « grote verdrukking ».
Er is echter nog een reeks teksten, die voornamelijk betrekking hebben op een latere tijd, namelijk na de duizend jaar van Christus' Koninkrijk op aarde en die de goddelozen betreft bij de tweede opstanding.
III. Rom. 1:18 « Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen. »
Rom. 2:8 « Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam zijn, doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden. »
Rom. 3:5, 6 « Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over (ons) brengt?... anderszins hoe zal God de wereld oordelen? »
Rom. 5:9 « Zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn. » (Deze komen inderdaad niet in het oordeel der toekomende eeuw).
Rom. 9:22 « En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns tot het verderf toebereid. »
Gedurende heel de toekomende aioon is er oordeel en toorn, maar wij hebben hier meer het zicht op het oordeel van de grote witte troon.
Zie ook: Joh. 3:36; 1 Thes. 2:16; Ef. 5:6; Kol. 3:6.
Dit onderzoek laat onder meer toe te beslissen of de « gemeente » waarvan Rorn. 1 Kor. 15 en 1 Thes. 4 spreekt, wel of niet door de « verdrukking » gaat. Wij nemen maar deze twee teksten, die op het eerste zicht met elkaar in strijd zijn:
Rom. 5:9 « Zullen wij door Hem behouden worden van (gr. apo d.i. « weg van ») den toorn. »
1 Thes. 1:10 « Die ons verlost van (gr. ek d.i. « uit ») den toekomenden toorn. »
Wij besluiten: de gemeente van 1 Thes. 4 komt wel in de toekomende toorn, en wordt er uit verlost. Zij gaan door een deel der grote verdrukking heen, zoals Israël in Egypte, dat door de eerste 3 plagen ook getroffen werd, en worden er uit verlost, zoals Israël van de verdere plagen behouden werd, er « uit » verlost werd, hoewel ze er midden in waren. Die gemeente komt echter niet in de toorn van na de 1000 jaar, daarvan weg worden ze behouden door de eerste opstanding, vóór de 1000 jaar. Wij zullen hier nu niet verder op deze zaak ingaan, maar moeten alleen nog zeggen, dat het « Samen-Lichaam » van Efeze niet in de toekomende toorn komt. De leden van dat Lichaam, waarvan de Heere het Hoofd is, kunnen een « uitopstanding uit de doden » (Fil. 3:11 gr. tekst) vóór de verdrukking verkrijgen. Als men dus vraagt: Gaat de gemeente door de verdrukking? Beginne men met te onderscheiden tussen Gemeente en Gemeente, toorn en toorn. Men verwarre de Gemeente van 1 Thess. 4 (de « Broederen van Christus ») niet met die van Efeze, het Lichaam van Christus; de toorn vóór de 1000 jaar met die na de 1000 jaar; het gericht van de Dag des Heeren met dat van de Witte troon. M.a.w. men lere de bedelingen juist verstaan en onderscheiden en beproeven de dingen die verschillen.
ZONDER - BUITEN... OM
Thans onderzoeken we de twee Griekse woorden: « aneu » en « chooris ». Alle teksten, waar deze voorkomen, zijn hier opgegeven met de vertaling van de Staten-Bijbel en die van Voorhoeve.
1. ANEU (zonder).
| Mat. |
10:29 « Niet één van deze (musjes) zal
op de aarde vallen zonder uwen Vader. » |
 |
« zonder » |
| 1 Petr. |
3:1 « Zij... zonder woord, mogen gewonnen worden. » |
 |
« zonder » |
| 1 Petr. |
4:9 « Zijt herbergzaam jegens elkander, zonder murmureren. » |
 |
« zonder » |
2. CHOORIS (buiten-om).
| Mat. |
13:34 en Mark. 4:34 « Zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet. » |
 |
« zonder » |
| Mat. |
14:21; 15:38 « Vijfduizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen. » |
 |
« behalve » |
| Luk. |
6:49 « Een huis bouwde op de aarde zonder fundament. » |
 |
« zonder » |
| Joh. |
1:3 « Zonder Hetzelve (Woord) is geen ding gemaakt. » |
 |
« zonder » |
| Joh. |
15:5 « Zonder Mij kunt gij niets doen. » |
 |
« zonder » (buiten- gescheiden van) |
| Joh. |
20:7 « In het bijzonder in eene (andere) plaats samengerold. » |
 |
« afzonderlijk » |
| Rom. |
3:21 « De rechtvaardigheid Gods ge- openbaard geworden zonder de Wet. » |
 |
« zonder » |
| Rom. |
3:28 « Door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der Wet. » |
 |
« zonder » |
| Rom. |
4:6 « Welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken. » |
 |
« zonder » |
| Rom. |
7:8 « Want zonder de Wet is de zonde dood. » |
 |
« zonder » |
| Rom. |
7:9 « Zonder de Wet, zo leefde ik eertijds. » |
 |
« zonder » |
| Rom. |
10:14 « Hoe zullen zij horen, zonder die (hun) predikt? » |
 |
« zonder » |
| 1 Kor. |
4:8 « Zonder ons hebt gij geheerst. » |
 |
« zonder » |
| 1 Kor. |
11:11 « Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heere. » |
 |
« zonder » |
| 2 Kor. |
11:28 « Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij... » |
 |
« behalve » |
| Ef. |
2:12 « Dat gij in dien tijd waart zonder Christus. » |
 |
« zonder » (gescheiden van) |
| Fil. |
2:14 « Doet alle dingen zonder murmureeren. » |
 |
« zonder » |
| I Tim. |
2:8 « Zonder toorn en twisting. » |
 |
« zonder » |
| I Tim. |
5:21 « Dat gij deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel. » |
 |
« zonder » |
| Filem. |
14 « Maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen. » |
 |
« zonder » |
| Heb. |
4:15 « Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest,(doch) zonder zonde. » |
 |
« uitgenomen » |
| Heb. |
7:7 « Nu, zonder eenig tegenspreken. » |
 |
« buiten » |
| Heb. |
7:20 « En voor zoveel het niet zonder eedzwering (is geschied). » |
 |
« zonder » |
| Heb. |
7:21 « Genen zijn wel zonder eedzwering priesters geworden. » |
 |
« zonder » |
| Heb. |
9:7 « In den tweeden (tabernakel ging)... niet zonder bloed. » |
 |
« zonder » |
| Heb. |
9:18 « Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd. » |
 |
« zonder » |
| Heb. |
9:22 « En zonder bloedstorting geschiedt geene vergeving. » |
 |
« zonder » |
| Heb. |
9:28 « Zal ten anderen male zonder zonde gezien worden. » |
 |
« zonder » |
| Heb. |
10:28 « Die sterft zonder barmhartigheid.» |
 |
« zonder » |
| Heb. |
11:6 « Zonder geloof is het onmogelijk (Gode) te behagen. » |
 |
« zonder » |
| Heb. |
11:40 « Opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden. » |
 |
« zonder » |
| Heb. |
12:8 « Indien gij zonder kastijding zijt. » |
 |
« zonder » |
| Heb. |
12:14 « ...de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal. » |
 |
« zonder » |
| Jak. |
2:20 « Dat het geloof zonder de werken dood is. » |
 |
« zonder » |
| Jak. |
2:26 « Gelijk het lichaam, zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood. » |
 |
« zonder » |
Men ziet, dat de Staten Vert. slechts eenmaal « chooris » niet vertaalt door « zonder ». In Joh. 20:7 ging dat niet. Daar zij « in het bijzonder » schreven, waren zij genoodzaakt er « andere » bij te voegen. Hier is de beste vertaling wel « afzonderlijk » of « apart ». Waarom lag die doek apart? Het schijnt ons toe, dat de doeken zijn blijven liggen juist zoals zij om Christus' lichaam geweest zijn. Het lichaam werd getransformeerd en verliet de doeken, zonder deze los te wikkelen. Het moet Petrus getroffen hebben die doeken daar zó te vinden, dat wees er op, dat de Heere niet uit het graf genomen was. Er moest iets buitengewoons gebeurd zijn. Toen Lazarus opstond moest men hem ontbinden, hij had een gewoon lichaam, geen opstandingslichaam. Als nu Johannes dit merkwaardige apart liggen der doeken ziet, gelooft hij, want hier had een ware opstanding en een verandering van lichaam plaats gehad.
De vertaling van Voorhoeve toont, dat ook nog op andere plaatsen gevoeld werd, dat « zonder » niet de juiste betekenis was. Zo vindt men in Mt. 14:21 en 15:38 « behalve ». Men had ook kunnen schrijven « apart van » of « zonder te rekenen met »; « chooris » wil hier niet zeggen « zonder » in de zin, dat er geen vrouwen of kinderen waren. Zo ook in Joh. 15:5; er staat een noot, die er de aandacht op vestigt, dat het niet « zonder » Christus is, maar « buiten » Hem om of « gescheiden van » Hem. « Zonder » drukt de zaak niet juist genoeg uit, want het was niet voldoende, dat de Heere er was, Hij moest ook met hen in gemeenschap staan. Iets dergelijks heeft men in Ef. 2:12. Het gaat hier over de positie der Heidenen buiten Israël. Zij hadden toen geen gemeenschap met de Christus (d.i. de Messias) als zodanig, zelfs al waren het gelovigen. Men denke b.v. aan de Kananeese vrouw. Mat. 15:21-28.
Ook in de andere teksten is het van belang in te zien, dat « chooris » niet zegt, dat iets er niet is. Zo in Jak. 2:20 kunnen er werken zijn, maar als deze niet in betrekking staan met het geloof, dus geen « geloofs-werken » zijn, doch « apart » staan, buiten het geloof om gaan, dan is het geloof dood. Zie ook vs. 26. De werken moeten niet apart van het geloof zijn, evenmin als de geest ten opzichte van het lichaam, anders is er geen leven, maar dood. De geest is er wel, werken kunnen er zeer veel zijn, maar zij moeten niet afzonderlijk staan van het geloof, dus niet gedaan worden ter rechtvaardiging, als « onder » de wet zijnde. Men ziet duidelijk, dat hier geen tegenspraak is met Paulus. Deze toch sprak b.v. in Rom. 4 juist van werken gedaan om gerechtvaardigd te worden. Dat zijn geen geloofswerken, zoals die van Jakobus. Van zulke werken des geloofs spreekt ook Paulus in 1 Thes. 1:3 en 2 Thes. 1:11. In Tit. 3:8 spreekt hij van « goede werken ».
Ook uit Rom. 10:14 blijkt, dat « zonder » de betekenis heeft van « gescheiden van ». Velen kunnen « prediken » maar als zij niet in betrekking staan met hen, niet in hun nabijheid zijn, hoe zullen zij dan horen? Men ziet dat « hun » hier onnodig is, ja geheel verkeerd is, want nu staat er: « gescheiden van die hun predikt ». Als zij gescheiden zijn, wordt er juist niet tot hen gepredikt.
Nu willen wij nog even spreken over de drie teksten van Rom. 3:21, 28; 7:8. Toen Paulus de brief aan de Romeinen schreef, volgde hij nog steeds, met alle gelovigen van Israël de ceremoniën der wet. Hij bewijst dat in het publiek in Hand. 21:21-26 voor allen die er aan twijfelen. Als hij dus hier zegt « zonder de Wet » of « zonder de werken der Wet » dan is dat ook weer niet omdat die Wet niet meer bestond, maar wel omdat de rechtvaardigheid geopenbaard was apart, gescheiden van de werken der Wet, buiten de werken om. De wet moest door de aardse groep gevolgd worden, want geen tittel noch jota zou voorbijgaan totdat de hemel en de aarde voorbijgaan (Mt. 5:18). Zodra Israël als Gods Volk echter terzijde gezet is. (d.i. van af Handelingen 28:28) wordt de wet niet meer gehouden en worden alle ceremoniën tot later geschorst.
KENNIS
Soms zoekt men een voorwendsel om het tekortschieten in Schriftonderzoek goed te praten door zich te beroepen op de tekst « de kennis maakt opgeblazen » (1 Kor. 8:1). Tot zulken komt de vraag, waarom God dan al die dingen heeft laten schrijven. Neem nu eens het « Oude Testament ». Rom. 15:4 zegt er van: « Want AL wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven. » God heeft Zich die moeite gegeven; zullen wij nu zeggen: ja maar, kennis maakt opgeblazen? — Gaan wij eens eenige teksten na, waarin van kennis en kennen gesproken wordt.
Rom. 3:20. « Door de wet is de kennis der zonde. »
Rom. 10:2 « Dat zij eenen ijver tot God hebben, maar niet met verstand (Gr. kennis) ».
Ef. 1:16, 17 « Gedenkende uwer in mijne gebeden, opdat de God... u geve den geest der wijsheid en der openbaring, in Zijn kennis. »
Ef. 4:13 « Komen tot de eenigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods. »
Fil. 1:9 « En dit bid ik God, dat uwe liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis (Gr. kennis) »
Kol. 1:9, 10 « Niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijnen wil... opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God. »
Kol. 2:1, 2 « Want ik wil, dat gij weet, hoe grooten strijd ik voor u heb... tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus. »
Kol. 3:10 « De nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis. »
I Tim. 2:4 « God... Welke wil, dat alle mensen... tot kennis der waarheid komen. »
2 Tim. 2:25 « Of hun God te eeniger tijd bekering gave tot erkentenis (Gr. kennis) der waarheid. »
2 Pet. 1:2 « Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onzen Heere. »
1 Kor. 13:12 « Maar alsdan zal ik kennen gelijk ook ik gekend ben. »
2 Kor. 13:5 « of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? »
Men ziet hoe belangrijk die kennis is, waarover het hier gaat. God wil (verlangt of wenst) kennis der waarheid. Paulus bidt en strijdt voor die kennis. Het is nodig die kennis te hebben om waardiglijk te wandelen. Bij de opstanding hebben wij die kennis in volmaaktheid. Nu staat ze ook in betrekking tot de « nieuwen mens ». Men kan een grote ijver tot God hebben, doch als er geen kennis bij is, wordt tijd en moeite verspild.
Maar, waarom zegt Paulus dan in I. Kor. 8:1, dat kennis opgeblazen maakt? Heel eenvoudig omdat hij hier spreekt van een ander soort kennis. Ook hier is des Hoeren Woord volmaakt, maar de vertaling gebrekkig. In dit vers gebruikt de Heilige Geest het woord « gnosis », in de andere aangehaalde teksten « epignosis » (over-kennis, bovenkennis of rechte kennis). Gewone kennis van allerlei kan opgeblazen maken, de « bovenkennis » niet. Als wij aannemen wat God zegt, hebben wij « bovenkennis » en volkomen zekerheid, dat wij de zuivere waarheid bezitten. Wij hehoeven niet bevreesd te zijn te veel van die soort kennis te hebben. God weet wat nodig en goed is en geeft ons niets te veel in Zijn woord. Die kennis zal ons behoeden tegen allerlei overlevering, dwaalleer, fantasie, dromerij. Zij beschut ons tegen ons eigen gevoel en tegen schijnbaar vrome, doch onschriftuurlijke dingen. Zo kunnen wij overwinnen in de worsteling tegen de geestelijke wezens der boosheid. Zo kunnen wij de waarheid vasthouden in liefde en in alles tot Hem, Die het Hoofd is, opwassen. Zo kunnen wij staande blijven tegen de listen (methoden) des duivels, zelfs al neemt hij de gedaante aan van een engel des lichts, en worden wij niet heen en weer bewogen en rondgevoerd door allen wind der leer.
Volkomen « bovenkennis » hebben wij hier beneden niet. Dat is ons deel bij de opstanding. Maar nu is het onze plicht onze kennis van Gods Woord dagelijks uit te breiden, ze telkens te toetsen aan de Schrift zelve, ze te zuiveren. Anderen kunnen ons hierin helpen, maar steeds moeten wij ons zelf de kennis toeëigenen. Een opstel zoals dit kan een middel zijn om uw bovenkennis te vergroten, maar men denke er aan, dat die kennis alleen in de Schriften zelve te vinden is en alle mensenwerk gebrekkig is. Wij beweren niet alles te kennen en dat in enkele bladzijden dan samen te vatten. Als men, door gedeeltelijke kennis, denkt alles te kennen, is men blind voor de volle waarheid en geen veilige gids. Men bewere ook niet dat dit of dat zonder nut is of van bijkomstige aard. Dikwijls ziet men het belang niet in van een zaak. Toch is de Schrift nuttig tot lering... Men houde dit woord wel in het oog.
Die « bovenkennis » gaat ook gepaard met het wandelen naar Gods wil, met het uitwerken van wat Hij in ons werkt. Anders blijft het maar gewone kennis, die zo licht opgeblazen maakt.
DOOR MIDDEL VAN CHRISTUS
Elk geïnspireerd woord heeft zijn waarde, de voorzetsels niet het minst. De Heilige Geest spreekt veel over het middelaarschap van Christus en gebruikt dan het Gr. woord « dia », dat meestal door « door » in de vertalingen wordt weergegeven, doch de betekenis heeft van « door middel van » als het met de 2de naamval gebruikt wordt.
In de volgende
verzen plaatsen wij « doormiddel van » voor « dia »:
Joh. 1:3 « Alle dingen zijn doormiddel van Hetzelve (het Woord) gemaakt ».
Joh. 1:10 « De wereld is doormiddel van Hem gemaakt ».
1 Kor. 8:6 « Doormiddel van Welken (Jezus Christus) alle dingen zijn ».
Kol. 1:16 « Want doormiddel van Hem zijn alle dingen geschapen ».
Heb. 1:2 « Doormiddel van Welken Hij ook de wereld gemaakt heeft » (de eeuwen (Gr. aionen) opnieuw toebereid heeft, volgens het Gr.).
Rom. 2:16 « Wanneer God de verborgen dingen der mensen zal oordelen doormiddel van Jezus Christus ».
Joh. 1:17 « De genade en de waarheid is doormiddel van Jezus Christus geworden ». Zie ook Rom. 1:5; 5:21.
Tit. 3:6 « Denwelken (Heilige Geest) Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten doormiddel van Jezus Christus ».
Joh. 3:17 « Opdat de wereld doormiddel van Hem zou behouden worden. »
Rom. 5:9 « Zullen wij doormiddel van Hem behouden worden van den toorn ». Zie ook 1 Thes. 5:9; Hebr. 2:3.
2 Kor. 5:18 « God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft doormiddel van Jezus Christus ». Zie ook Rom. 5:10, 11; Kol. 1:20.
Rom. 1:5 « Doormiddel van welken wij hebben ontvangen... het apostelschap ». Zie ook Gal. 1:1.
Ef. 1:5 « Verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen (tot zoonschap), doormiddel van Jezus Christus ».
Hand. 13:38 « Doormiddel van Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt ».
1 Kor. 15:21 « Zo is ook de opstanding der doden doormiddel van een Mens ».
Hand. 2:22 « Krachten, en wonderen, en tekenen, die God doormiddel van Hem gedaan heeft ».
Hebr. 13:21 « Werkende in u hetgeen voor Hem welbehagelijk is, doormiddel van Jezus Christus ».
Fil. 1:11 « Vruchten der gerechtigheid, die doormiddel van Jezus Christus zijn ».
1 Joh. 4:9 « Opdat wij zouden leven doormiddel van Hem ».
1 Kor. 15:57 « Die ons de overwinning geeft doormiddel van onzen Heere Jezus Christus ».
Hand. 3:16 « En het geloof, dat doormiddel van Hem is ». Zie ook 1 Pet. 1:21.
Ef. 2:18 « Want doormiddel van Hem hebben wij beiden den toegang door (in) éénen geest tot den Vader ». Zie ook Joh. 14:6; Rom. 5:2; Hebr. 7:25.
2 Kor. 3:4 « En zodanig een vertrouwen hebben wij doormiddel van Christus bij God ».
Rom. 1:8 « Eerstelijk dank ik mijnen God doormiddel van Jezus Christus. ». Zie ook Rom. 7:25; Kol. 3:17.
Heb. 13:15 « Laat ons doormiddel van Hem altijd Gode opofferen... » Zie ook 1 Pet. 2:5.
Rom. 16:27 « God zij doormiddel van Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid ». Zie ook 1 Petr. 4:11.
Rom:. 5:1 « Wij... hebben vrede bij God, doormiddel van onzen Heere Jezus Christus ». Zie ook Hand. 10:36.
Rom. 5:11 « Wij roemen ook in God, doormiddel van onzen Heere Jezus Christus ».
Men ziet hoe het middelaarschap van Christus, zich tot alles uitstrekt. Zonder Hem kunnen wij niets. Door Hem vermogen wij alle dingen (Fil. 4:13).
Een dergelijk gebruik van « door » in betrekking tot velerlei zaak, is altijd zeer belangrijk te onderscheiden. Wij geven er slechts 3 voorbeelden van:
Mat. 2:5 « Want alzo is geschreven doormiddel van den profeet ». Men ziet hier hoe de Goddelijke ingeving der Schrift telkens bevestigd wordt, het was eigenlijk de profeet niet, die schreef, hij was slechts een middel. Telkens komt « door » op een dergelijke wijze gebruikt, terug.
Ef. 2:8 « Want uit genade zijt gij zalig geworden door middel van het geloof ». Men denke er aan, dat men niet door geloof behouden wordt. Het geloof is ook maar een middel.
Ef. 3:10 « Opdat nu, door middel der Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods ».
De Gemeente doet het eigenlijk zelf niet, maar is een middel in Gods handen om aan die geestelijke wezens Zijn wijsheid bekend te maken.
De lezer onderzoeke zelf verder, het loont de moeite. De « Englishman's Concordance » geeft alle gevallen waar de 2de naamval (genitief) gebruikt wordt.
Het andere woord voor « door » is meer de vertaling van het Gr. woord « hupo ». Zo b. v. in Mat. 1:22 « Opdat vervuld zou worden, hetgeen door (hupo) den Heere (Jehovah) gesproken is, doormiddel van (dia) den profeet ». Jehovah sprak tot de profeet en deze sprak tot en schreef aan ons. Zie ook Mat. 2:15 enz.
EVANGELIE
Men weet, dat het Griekse woord « euangelion » eenvoudig « goede tijding » betekent. Zij die deze tijding brengen, komen dus met een « goede boodschap » en deze moet de hoorders verheugen, zodat het tevens een « blijde boodschap » is.
In de Schrift betreft dit woord goede tijdingen van een bijzondere aard en in die zin spreekt men dus in het algemeen van DE goede tijding of HET evangelie. Dat wil niet zeggen, dat die goede tijding altijd dezelfde zaak betreft. Men kan ze verdelen in meerdere goede tijdingen, met het oog op de zaak die speciaal in visie is. Het is evenwel zeer belangrijk er aan te denken, dat al de goede tijdingen van dezelfde aard zijn. Wij hebben in onze studie over de woorden « Anders en anderssoortig » de aandacht reeds gevestigd op Gal. 1:6, 7. De vertaling van Voorhoeve leest: « Overgaat tot een ander (heteros) evangelie, hetwelk geen ander (allos) is ». Wel zijn er andere van dezelfde soort zegt hij, maar hier betreft het een zodanig niet, maar een anderssoortig. De tijding die Paulus had gebracht had hij door openbaring van Jezus Christus (Ga1.1:12). De tijding waartoe de Galaten overgingen, was er een van een andere oorsprong en inhoud, het kwam van de mens, waarschijnlijk gedreven door Satan.
Welke « evangeliën » zullen wij nu onderscheiden? Het eerste dat vermeld is, betreft het evangelie des koninkrijks (Mt. 4:23) dit is het Koninkrijk op aarde. Nu de Messias gekomen was, kon al wat God gesproken had door middel van al Zijn heilige prof eten van de gehele aioon, vervuld worden! Eén ding was echter nog nodig: de bekering van het uitverkoren volk Israël. Eerst moest dit Volk zijn plaats innemen door het geloof, alvorens God verder Zijn Voornemen zou uitwerken. Die tijding wordt dan ook begeleid door de genezing van alle ziekte en alle kwale.
Verder lezen wij in Hand. 20:24 van het « Evangelie der genade Gods ». Tot nu toe had Paulus het Koninkrijk overal uitgeroepen (v. 25 — « Gods » staat in geen der drie voornaamste handschriften). Nu ging Paulus zijn « loop volbrengen » (of « volmaken ») en ook zijn « dienst » (Gr.: rentmeesterschap of bedeling) volbrengen « om te betuigen het Evangelie der genade Gods ». Het Koninkrijk was reeds genade, maar nu ging het nog verder en Paulus zal hier wel in het bijzonder bedoeld hebben, wat hij later heeft meegedeeld in Ef., Fil. en Kol.
Wij lezen ook van het « Evangelie van Christus » (b.v. 1 Kor. 9:12 en Fil. 1:27). Dat zal wel de beste uitdrukking zijn van HET Evangelie in zijn geheel genomen. Evenals de « Verborgenheid van Christus » (Ef. 3:4) alles omvat wat in de Schriften over Hem geopenbaard is, zal ook wel de goede tijding van Christus, alle goede tijdingen omvatten. De laatste vermelding van « evangelie » is in Op. 14:6. « En hij had het eeuwige Evangelie, om te verkondigen dengenen, die op aarde wonen ». De inhoud wordt in vs. 7 gegeven: « Vreest God... ». De valse profeet wil eenmaal, dat allen het beest zullen aanbidden (Op. 13). Hiertegenover vraagt God, Hem te vrezen, Die alles geschapen heeft. Men zou nog andere evangeliën kunnen onderscheiden, maar wij achten het niet nodig dit nu te doen. In een volgende studie hopen wij nu iets na te gaan over het « prediken » en « verkondigen » van goede tijdingen en andere dingen.
PREDIKEN — VERKONDIGEN
In ons onderzoek over het woord « evangelie » hebben wij gezien dat de betekenis is: goede tijding. Het werkwoord « euaggelizo » (spr. uit evangelizoo) is dan ook letterlijk: een goede tijding, of iets als goede tijding, verkondigen. Het betreft meer de inhoud dan de wijze waarop die verkondiging geschiedt. Hij die een goede tijding verkondigt, is een « euangelistès » d.i. evangelist (in het algemeen genomen). Men heeft verder « diangelloo » d.i. iets bekend maken, « kataggelloo » (spr. uit katangelloo) d.i. iets verkondigen en eindelijk « kèrussoo » d.i. uitroepen (als een heraut), proklameren, afkondigen. Hiermee staat dan in verband « kèrux » (uitroeper of heraut) en « kèrugma » (uitroeping).
Wij geven alle teksten op waar die woorden voorkomen.
Euangelizoo. Mat. 11:5; Luk. 1:19; 2:10; 3:18; 4:18, 43; 7:22; 8:1; 9:6; 16:16; 20-1; Hand. 5:42; 8:4, 12, 25, 35, 40; 10:36; 11:20; 13:32; 14:7, 15, 21; 15:35; 16:10; 17:18; Rom. 1:15; 10:15; 15:20, 1 Kor. 1:17; 9:16, 18; 15:1, 2; 2 Kor. 10:16; 11:7; Gal. 1:8, 9, 11, 16, 23; 4:13; Ef. 2:17; 3:8; 1 Thes. 3:6; Heb. 4:2, 6; 1 Petr. 1:12, 25; 4:6; Op. 10:7; 14:6.
In al deze teksten behalve één, gaat het over HET « evangelie », al kan het verschillende delen van dit « evangelie » betreffen, zoals wij reeds gezien hebben. Alleen 1 Thes. 3:6 spreekt over iets anders, namelijk het geloof, de liefde enz. der Thessalonicensen, waarvan Timotheus aan Paulus « de goede boodschap » bracht.
Euangelistès. Hand. 21:8; Ef. 4:11; 2 Tim. 4:5.
Diangelloo. Luk. 9.60; Hand. 21:26; Rom. 9:17. Het is « bekend maken ».
Katangelloo. Hand. 4:2; 13:5, 38; 15:36; 16:17, 21; 17:3, 13, 23; 26:23; Rom. 1:8; 1 Kor. 2:1; 9:14; 11:26; Fil. 1:16, 18; Kol. 1:28. Het is « verkondigen ».
Kèrussoo. Mat. 3:1; 4:17, 23; 9:35; 10:7, 27; 11:1; 24:14; 26:13; Mark. 1:4, 7, 14, 38, 39, 45; 3:14; 5:20; 6:12; 7:36; 13:10, 14:9; 16:15, 20; Luk. 3:3; 4:18, 19, 44; 8:1, 39; 9:2; 12:3; 24:47; Hand. 8:5; 9:20; 10:37, 42; 15:21; 19:13; 20:25; 28:31; Rom. 2:21; 10:8, 14, 15; 1 Kor. 1:23; 9:27; 15:11, 1.2; 2 Kor. 1:19; 4:5; 11.4; Gal. 2:2; 5:11; Fil. 1:15; Kol. 1:23; 1 Thes. 2:9; 1 Tim. 3:16; 2 Tim. 4:2; 1 Petr. 3:19; Op. 5:2. Het is « uitroepen » (zoals een heraut dat deed), het betreft meer de wijze, dan hetgeen uitgeroepen wordt. « Prediken » heeft voor ons niet meer de juiste betekenis van kèrussoo.
Het zal nuttig zijn, zo de lezer elk der teksten wil opslaan, in het bijzonder waar « kèrussoo » gebruikt is. Dat « prediken » is meer het uitroepen, het afkondigen van iets, het draagt niet noodzakelijkerwijze de gedachte in zich, van het uitroepen, afkondigen of proklameeren eener goede tijding. Als dit laatste het geval is, staat er dan ook dikwijls bij, dat het uitroepen een goede tijding betreft.
Er wordt echter ook « uitgeroepen », « afgekondigd », « geproklameerd », dat zij zich moeten bekeren, de doop wordt « uitgeroepen », Paulus spreekt van het « uitroepen » dat men niet stelen zal (Rom. 2:21), van het « uitroepen » der besnijdenis (Gal. 5:11).
Men lette er op, dat hetzelfde woord gebruikt wordt in Op. 5:2 « En ik zag een sterken engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen... ».
Als wij « prediken » lezen, zijn wij zo gewoon te denken, dat het noodzakelijk over HET Evangelie moet gaan, dat wij ook in die zin denken als wij 1 Pet. 3:19 lezen: « In welken Hij (Christus) ook, henengegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis (zijn), gepredikt heeft ». Wij willen hier niet spreken over al de uitleggingen, die men van dit vers gegeven heeft. Wij merken slechts op, dat « geest » in de Schrift nooit van een mens gebruikt wordt (behalve dan van de Heere na Zijn opstanding), maar steeds van engelen en dergelijke schepselen. (Hebr. 1:7, 14). Wij nemen dit dan ook voor de engelen van 2 Pet. 2:4, die in de « Tartarus » « in ketenen » zijn. Het zijn ook de engelen van Judas 6, die hun « beginsel » niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben. « Woonstede » is hun hemelse bestaanswijze, zoals in 2 Kor. 5:2, niet hun lichaam. Dat immers konden ze niet verlaten. Zij die menen, dat met de woonstede van 2 Kor. 5:2 het lichaam bedoeld wordt, kunnen uit Jud. 7 en ook uit het verband, iets beters leren. Over « gelijke wijze » in v. 7 zie men onze studie over de woorden « gelijk en evengelijk ». Zij gingen « ander » (d.i. anderssoortig) vlees na. Zij hadden nu een vleeselijke bestaanswijze, doch dat vlees was van een andere soort dan dat der mensen. Men leze hierover Gen. 6:1-4 (Zonen van Elohim wordt nooit van mensen gebruikt, die leefden vóór Christus, uitgenomen Adam, door Elohim, geschapen). De doden van 1 Petr. 4:6 leefden, toen hun de « goede tijding » verkondigd werd en waren niet in de Tartarus gevangen. Wij besluiten dus, dat de Heere Jezus, nadat Hij uit de Hades opgestaan was, in de Tartarus aan die engelen Zijn overwinning heeft uitgeroepen.
Nu geven wij nog de teksten, waar « kèrux » en «kèrugma» staat:
Kèrux (heraut-uitroeper). 1 Tim.2:7; 2 Tim.1:11; 2 Petr. 2:5.
Kèrugma (uitroeping) Mat. 12:41; Luk. 11:32; Rom. 16:25; 1 Kor. 1:21; 2:4; 15:14; 2 Tim:. 4:17; Tit. 1:3.
NIET — GEENSZINS
Men beschuldigt er Paulus van, in Hand. 21 niet naar Gods wil gehandeld te hebben. Ten dele op grond van Hand. 21:4. Daar staat: « ...Welke tot Paulus zeiden door den Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem ». Hij ging toch en daarom deed hij Gods wil niet, zegt men! Volgens de vertaling schijnt dat ook zo, maar niet volgens het geïnspireerde Woord. Kleine oorzaken hebben grote gevolgen. Dat zullen wij hier ook weer zien. Met een eenvoudige konkordante studie, worden wij er voor bewaard de apostel vals te beschuldigen. Dit geval zal ons ook weer tonen hoe veeleisend men moet zijn ten opzichte van een vertaling van Gods Woord.
In het Grieks zijn minstens vier schakeringen van « niet ». Voor de sterkste loochening heeft men « ou mè », meestal door « geenszins » vertaald. Een mens zou het eigenlijk nooit mogen gebruiken. Petrus meende het goed, toen hij zei « Heere, wees U genadig, dit zal U geenszins geschieden » (Mat. 16:22), maar dat woord had hij zeker niet moeten kiezen.
Als de Heere Jezus het gebruikt, dan is het goed op de kracht er van te letten. Zo b. v. Mt. 5:18: « Want voorwaar zeg Ik u: totdat de hemel en aarde voorbijgaan, zal er niet (ou me) één jota noch één tittel van de Wet voorbijgaan... ». Verder Joh. 6:37: « Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins (ou me) uitwerpen ».
Minder sterk is « ouchi », zoals in Luk. 24:26 « Moest de Christus niet (ouchi) deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? » Dan volgt « ou », zoals in Mt. 4:4 « De mens zal bij brood alleen niet (ou) leven... »; Mt. 5:21 « Gij zult niet (ou) doden ».
Ou drukt ook nog een volkomen, objectieve, absolute ontkenning uit.
Daarentegenover staat nu « mè », dat voorwaardelijk, subjectief, relatief is. Men ziet het uit de volgende gevallen:
Mt. 10:5. « Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen ». Dat was voor die tijd. Later, in de toekomende aioon zouden zij « al de volken » onderwijzen (Mt. 28:19).
Joh. 20:17. « Jezus zeide tot haar: Raak mij niet aan ». Dat was ook tijdelijk. Later vroeg Hij Thomas Hem wel aan te raken (v. 27).
Hand. 1:4. » Beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden ». Niemand denkt er aan de Apostelen te beschuldigen Gods wil niet gedaan te hebben omdat zij later wel uit Jeruzalem gingen.
In Hand. 21:4 is ook het woordje « mè » gebruikt. Verder is « opgaan » de vertaling van een woord, dat in v. 2 vertaald is door « ingaan », en letterlijk « opstappen » betekent. Het staat hier in verband met een schip en men kan dus « aan boord stappen » schrijven. Nu zien wij hoe eenvoudig de zaak is: zij moesten niet onmiddellijk aan boord stappen, maar eerst zeven dagen wachten. Toen deze voorbij waren, gingen zij verder. Nergens staat, dat Paulus volstrekt niet naar Jeruzalem mocht gaan, wel dat hij voorlopig niet mocht « opstappen ». De Heilige Geest had toch Zelf gezegd, dat hem te Jeruzalem banden en verdrukkingen wachtten (Hand. 20:23; 21:11). De mensen baden hem wel niet te gaan (v. 12), maar ten slotte bekenden zij dat het de wil des Heeren was (v. 14), bewijs, dat Paulus niet gezondigd heeft.
Men weet, dat Paulus in het openbaar, door offeranden in de tempel (v. 26), wilde aantonen dat hij zelf ook de wet onderhield (v. 24). Dat de Christen–Joden gedurende Handelingen de vormen der Wet nog mogen volgen, past niet in sommiger beschouwing. Men wordt er dan toe gevoerd Paulus te beschuldigen van niet naar Gods wil gehandeld te hebben en wil ook met Hand. 21:4 een bewijs daarvoor aanvoeren. Hoe zouden wij Paulus tot model voor onze wandel kunnen hebben (Fil. 3:17) als wij aannemen, dat hij niet naar Gods wil wandelt? Ware zoiets gebeurd, dan had de Schrift ons dat te kennen gegeven, zoals bij Petrus. ¹
Ook in andere gevallen worden de daden der Apostelen bij de overlevering ten achter gesteld. Een onderzoek der ingegeven woorden, zonder vooroordeel, zal ons van vele dwalingen genezen kunnen.
WIL — WILLEN
Veel is er geschreven over Gods wil en de « vrije » wil des mensen. Een eenvoudige gelovige raakt verward in dergelijke overleggingen, die dikwijls meer wijsgeerig dan schriftuurlijk zijn. Gelukkig kan ook, en vooral, een « eenvoudige » gelovige aan de meeste dier moeilijkheden ontkomen. Zoals in vele andere gevallen, bestaat ook hier (ten minste ten dele) de moeilijkheid in onze gedachten. Wij brengen ze zelf voort.
Wat zien we nu? Dat er twee reeksen woorden in het Grieks voorkomen: 1. Thelèma–Theloo. 2. Boulè–boulèma–boulomai. Nu weten wij niet wat deze woorden willen zeggen, maar wij raadplegen eenige teksten waar de Heilige Geest ze gebruikt. Dan vinden wij b.v. dat één der woorden der tweede reeks voorkomt in Hand. 5:38: « Want indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden ». De St. V. gebruikt hier « raad ». Daarop volgt dan: « Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken ». Gods raad (boulè) kan dus niet gebroken worden.
Wij vinden een dier woorden ook in Heb. 6:17: « Waarin God willende... bewijzen de onveranderlijkheid van Zijnen raad ». Alles wel nagaande, komen we tot de slotsom, dat die reeks woorden, als zij ten minste in betrekking tot God gebruikt zijn, iets aanduiden dat vast staat, niet kan veranderd worden: een onherroepelijk besluit.
Gaan wij nu de eerste reeks na, dan vinden wij b.v. « Uw wil geschiede » (Mat. 6:10). Als hier « wil » dezelfde betekenis heeft van « onherroepelijk besluit », dan is het onzin dergelijke woorden uit te spreken. Als wij, of zelfs de Heere Jezus,ook iets anders wilden, er was toch niets aan te doen. En in dit geval zeggen: « Uw wil geschiede », is zich boven God stellen, want men zou aannemen dat ook onze wil zou kunnen geschieden, tegen Gods wil in. Verder zien wij ook in Mat. 23:37: « Jeruzalem... hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen ». Dat was dus meer dan eens « gewild » en toch niet gedaan, het was dus geen « onherroepelijk besluit ».
Ook van mensen is deze « wil », meer een verlangen of een wens, dan iets dat vast besloten is. Zo vinden wij een woord der eerste reeks gebruikt door Paulus in 1 Kor 7:7. « Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ik zelf ben ». In de vertaling, uitgegeven door Voorhoeve luidt het: « Ik wenste echter, dat alle mensen waren evenals ik ».
Wij leren dus uit de Schrift zelve onderscheiden tussen deze twee reeksen woorden. Verdere teksten kunnen ons hierin nog meer zekerheid geven. Komen wij nu tot een tekst, waar de betekenis afhangt van die van het woordje « wil », dan moeten wij niet meer aarzelen. Geen mens zou ons dan beter kunnen helpen dan Gods Woord het deed. Laat ons een paar dergelijke teksten onderzoeken.
« Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen ». (1 Tim. 2:4). Welk woord is hier gebruikt voor « wil »? Een der eerste reeks. Het is dus Gods wens, zoals in betrekking tot Jeruzalem. Was het een woord der tweede reeks geweest, dan was het Gods besluit geweest en kon men alleen op grond van deze tekst zeggen, dat dan ook alle mensen zalig zullen worden, vermits God het besloten heeft en deze raad onveranderlijk is.
In Kol. 1:9 zegt Paulus: « Waarom ook wij... niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand ». Gods raad of onveranderlijk besluit is gemakkelijker te kennen dan Zijn wil. Het eerste omvat het gehele Voornemen der eeuwen (Ef. 3:10). Onze p o s i t i e staat vast in dit voornemen (Ef. 1:11). Wij moeten beginnen met uit Gods Woord, Gods raad te leren kennen en dat is betrekkelijk gemakkelijk, al zijn er weinigen die het doen.
Gods « wil » of wens echter, betreft meer onze w a n d e l. Daarom laat Paulus er op volgen: « Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere... «
Om Gods verlangen in alles te kennen, is Paulus' onophoudelijk gebed niet overbodig. Laat ons ook deze dingen steeds voor ogen houden: eerst moeten wij zorgvuldig het Voornemen der eeuwen kennen, de aionen, de bedelingen en onze positie, voor wij goed Gods wil (verlangen) zullen inzien en dan ook waardiglijk den Heere kunnen wandelen. Laat ons voortdurend, van onze positie bewust, tot Hem opzien, de dingen die boven zijn bedenken, opdat wij in alles steeds Zijn wil mogen kennen en er naar wandelen (Kol. 1:9,10). Zien wij de bedelingen niet goed in, dan kunnen wij niet zo goed Zijn wil (verlangen) kennen, want wij zijn nog verward in Gods verlangen betreffende andere bedelingen.
Wij vatten samen:
Gods wil (besluit) bepaalt onze positie. Deze is geheel onafhankelijk van ons. Gods wil (verlangen) vraagt van ons een zekere wandel, die dus van onze « wil » afhangt.
Nu een paar teksten, waar de tweede reeks gebruikt is. Hand. 2:23 leert ons, dat het Gods « onveranderlijk besluit » was, dat de Heere Jezus in de handen der Joden zou overgegeven worden.
De geestelijke gaven der Korinthiërs hingen niet af van hun trouw, hun wandel of iets anders, maar van Gods besluit: « Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder gelijkerwijs Hij wil. » Om de afwezigheid dezer gaven, in onze bedeling, uit te leggen, heeft men vaak gezegd, dat de « gemeente » ze nu niet meer waardig is. Men ziet dat Gods woord duidelijk zegt, dat zij alleen van Gods besluit afhangen en niet van ons. Deze gaven passen niet in de bedeling der verborgenheid.
Hoe men heeft kunnen zeggen, dat sommigen door God voorbestemd zijn om verloren te gaan is een raadsel als men 2 Pet. 3:9 leest en het bovenstaande voor ogen houdt. « De Heere... is lankmoedig over ons, niet willende, dat eenigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen ». Hier staat dus juist, dat God nooit besloten heeft dat eenigen verloren gaan!
Nu nog een paar teksten waar beide reeksen gebruikt zijn:
« Vader! of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen! doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede ». (Luk. 22:42). « Wildet » behoort tot de tweede reeks, « wil » tot de eerste. De Heere bad dus of het Zijns Vaders besluit mocht geweest zijn deze drinkbeker weg te nemen. Maar verre van te zeggen « Uw besluit geschiede », luidt het « Uw wens, uw verlangen geschiede ».
« Wij, die te varen verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijnen wil. » (Ef. 1:11).
« Raad » behoort tot de tweede reeks, « wil » tot de eerste. Hij werkt niet naar Zijn wens of verlangen, maar naar Zijn besluit. Moest Hij naar Zijn « verlangen » handelen, dan kon geen mens voor Hem bestaan, want wij voldoen nooit geheel aan Zijn « verlangen ». Hoe dankbaar mogen wij zijn voor 2 Petr. 3:9 en voor het feit, dat Hij, Die liefde is, Zijn voornemen Zelf uitwerkt en het niet van onze wandel laat afhangen. Maar dit is ook een reden te meer voor ons, om door onze wandel de heerlijkheid Zijner genade te prijzen (Ef. 1:6, 12). Daartoe zijn wij verordineerd (zie ook v. 5).
Men lette verder op het verschil tussen Ef. 1:5, 6 en 1:11, 12. In vers 5 gaat het over Zijn « verlangen ». Het is Zijn verlangen, dat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid. Het is Zijn besluit geweest ons te verordineeren. Het eerste betreft onze wandel, het tweede onze positie.
Zo helpt ons de Konkordantie in de schijnbaar moeilijkste zaken, want zo hebben wij toegang tot de zuivere woorden van de Heilige Geest.
De mens kan met zijn wil (zij het dan een wens of een besluit) Gods wil (verlangen) tegenwerken, maar tegen Gods wil, Zijn vast besluit, kan hij niets. Door Zijn voorkennis rekent God in Zijn besluit met de handelingen der schepselen die gewoonlijk tegen Zijn verlangen ingaan. De mens kan wel opstandig zijn, maar niets aan Gods Voornemen veranderen. Al wat hij dan doet, is zich zelf en het overige der schepping schade toebrengen en God niet loven.
De aandachtige lezer zal inzien dat in het verschil tussen wil
(besluit) en wil (verlangen) ook de sleutel ligt der oplossing van het moeilijke vraagstuk: hoe kan de mens verantwoordelijk zijn,
als alles afhangt van Gods uitverkiezing en wil? Wellicht kunnen wij dit later behandelen. (Zie: « De Weg der Behoudenis »).
GEDAANTE EN VORM
Wij zijn deze reeks begonnen met zeer eenvoudige voorbeelden. Ditmaal kiezen wij er een, dat wat meer ingewikkeld is en dingen betreft die ten dele buiten onze gewone gedachtenkring liggen. Dit onderzoek kan niet afgescheiden worden van onderzoek in andere richtingen, wij moeten ons echter beperken en hopen later sommige uitdrukkingen en gedachten meer uitvoerig te rechtvaardigen.
In « Het Voornemen der Eeuwen en de Gemeente der Verborgenheid » werd op bl. 217 terloops gezegd: Gestaltenis (morphè) goed te onderscheiden van « gedaante » (eidos) in Joh. 5:37 b.v. en van gedaante (schéma) als in Fil. 2:8 ». Wij zoeken nu die woorden in de Konkordantie op en ook andere, die er mee verwant zijn. Naast de tekst, geven wij de Statenvertaling en ook het woord in de vert. van Voorhoeve gebruikt.
| |
Staten Vertaling |
Voorhoeve |
| 1. Eidos. |
Luk. 3:22 « En dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde, in lichamelijke gedaante, gelijk eene duif ». |
« gedaante » |
| |
Luk. 9:29 « En als Hij bad, werd de gedaante Zijns aangezicht veranderd ». |
« gedaante » |
| |
Joh. 5:37 « Gij hebt noch Zijn stem ooit gehoord, noch Zijn gedaante gezien ». (1 Tim. 6:16; 1 Joh.4:12). |
« gedaante » |
| |
2 Kor. 5:7 « Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen ». |
« aanschou- wen » |
| |
1 Thes. 5:22 « Onthoudt u van allen schijn des kwaads ». |
» soort » |
| |
Staten Vertaling |
Voorhoeve |
| 2. Schèma. |
I Kor. 7:31 « Want de gedaante dezer wereld gaat voorbij ». |
« gedaante » |
| |
Fil. 2:8 « En in gedaante gevonden als een mens ». |
« gedaante » |
2a. Metaschè- matizoo. |
1 Kor. 4:6 « Deze dingen... heb ik op mijzelven... bij gelijkenis gepast... ». |
« toegepast » |
| |
2 Kor. 11:13 « Bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus ». |
« gedaante aannemen » |
| |
2 Kor. 11:14 « De Satan zelf verandert zich in een engel des lichts ». |
« neemt de gedaante aan » |
| |
2 Kor. 11:15 « Indien ook Zijn dienaars zich veranderen ». |
« gedaante aannemen » |
| |
Fil.3:21 «Die ons vernederd lichaam veranderen zal... ». |
«veranderen» |
2b. Suschè- matizomai |
Rom. 12:2 « En wordt deze wereld (aioon) niet gelijkvormig... ». |
« gelijk- vormig » |
| |
1 Petr. 1:14 « Wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden ». |
«veranderen» |
| 3. Morphè |
Mark. 16:12 « En na deze is Hij geopenbaard in een andere (anderssoortige) gedaante ». (Zie Joh. 20:11-17). |
« gedaante » |
| |
Fil. 2:6 « Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn ». |
« gestaltenis » |
| |
Fil. 2:7 « De gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk (omoioomati) geworden ». |
« gestaltenis » |
| |
|
|
| |
Staten Vertaling |
Voorhoeve |
3. Morphè (Vervolg) |
1 Thes. 5:22 « Onthoudt u van allen schijn des kwaads ». |
» soort » |
3a. Morphöo- mai |
Gal. 4:19 « Tot dat Christus een gestalte in u krijge ». |
« gestalte » |
3b. Morphoo- sis |
Rom. 2:20 « Hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet ». |
« gedaante » |
| |
2 Tim. 3:5 « Hebbende een gedaante van godzaligheid ». |
« gedaante » |
3c. Metamor- phóomai |
Mat. 17:2 « En Hij werd voor hen veranderd van gedaante ». |
« gedaante veranderd » |
| |
Mark. 9:2 als Mat. 17:2. |
|
| |
Rom. 12:2 « ... maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds ». |
« veranderd » |
| |
2 Kor. 3:18 « Worden (naar) hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid ». |
« veranderd » |
3d. Summor- phóomai. |
Fil. 3:10 « Zijn dood gelijkvormig wordende ». |
« gelijkvor- mig » |
3e. Summor- phos |
Rom. 8:29 « Den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn ». |
« gelijkvor- mig » |
| |
Fil. 3:21 «... opdat het gelijkvormig warde aan Zijn heerlijk lichaam ». |
« tot gelijk- vormig- heid » |
De vertalingen helpen ons niet als wij willen onderscheiden. De betekenis, die de gewone (niet geïnspireerde) Griekse schrijvers er aan hebben gehecht, zal ons maar ten dele helpen, want er worden hier dingen uitgedrukt, waarvoor de Heilige Geest wel bestaande woorden gebruikt, maar waaraan Hij noodzakelijkerwijze een min of meer nieuwe betekenis heeft gegeven.
Wij houden ons dus vooral aan een onderzoek der teksten, waarin elk woord gebruikt is en komen tot de slotsom, dat:
Eidos is wat men bemerkt met het menselijk oog, een zichtbaar waarneembare gedaante, beeld of vorm. Ook in I Thes. 5:22 kan men het zo opvatten: alles moet vermeden worden, dat anderen indruk zou kunnen geven van kwaad. « Schijn » is daarom nog beter dan « soort », bedoeld is: elke vorm, waarin het kwaad kan optreden. Dit woord geeft geen bijzondere moeilijkheid.
Schèma betreft de uitwendige gedaante in haar geheel genomen. Niet een deel, dat wij er van zien, of niet hoe wij het op een zeker ogenblik zien, maar omvat alles wat er van te zien is.
Morphè is boven alle zintuigelijke waarneming. Men kan het vertalen door « vorm », maar het is geen stoffelijke vorm, maar een bestaanswijze. Om, dit duidelijker uit te drukken, nemen wij iets dat er min of meer mee overeenkomt. Van water kennen wij drie bestaanswijzen: vloeibaar – vast (ijs)– dampvormig (waterdamp). Het is steeds dezelfde stof, maar in een geheel andere « vorm », waar vorm dan niet doelt op de afmetingen of zichtbare inhoud, maar op de inwendige bestaanswijze. In Gods Woord krijgen wij dikwijls een kijk in een voor ons geheel nieuwe wereld. Zo wordt hier telkens gesproken van een verandering van « vorm » van ons lichaam, van andere « bestaanswijzen ». Nu hebben wij de « vorm » van een gewoon mens met een vernederd lichaam (Fil. 3:21), de « vorm » van een dienstknecht (Fil. 2:7). Dat lichaam wordt later bij sommigen « gelijkvormig » aan het BEELD des Zoons (Rom. 8:29). Deze behoren tot de gelovigen der hemelse sfeer, die met Abraham gezegend zijn en in de toekomende eeuwen gaan « van heerlijkheid tot heerlijkheid » (2 Kor. 3:18). Bij hen die deel maken van de Gemeente door Paulus na Hand. 28 geopenbaard, wordt het lichaam « gelijkvormig » aan Zijn heerlijk lichaam (Fil. 3:21). Dat betreft dus niet het beeld van Gods Zoon, maar de volkomen gelijke bestaanswijze van Hem, die Heere Jezus Christus is, d.i. God boven allen te prijzen.
Wij vinden hier dus meerdere « vormen » of bestaanswijzen. Van de Heere Jezus lezen wij, dat Hij eerst in de « vorm » Gods was (Fil. 2:6) en dan de « vorm » eens dienstknechts aannam (Fil. 2:7). Van « logos » werd hij « vlees » (Joh. 1:14). Hij werd dan niet juist gelijk aan de mensen, want in Hem was geen zonde. Hij was een volmaakt mens die op ons geleek. Zijn uitwendige gedaante (schèma) was die van een gewoon mens (Fil. 2:8), Zijn inwendige (de morphè) was ontledigd.
Van die bestaanswijze nu kon Hij weer terug- en overgaan in een hogere. Zo op de berg der verheerlijking. Daar werd Hij « getransformeerd » (Mt. 17:2), nam tijdelijk een andere « vorm » aan. In de Hades had Hij de « vorm » van een dood mens. Bij de opstanding had Hij nog niet onmiddellijk Zijn tegenwoordige « vorm » d.i. bestaanswijze. Toen Hij voor Maria verscheen, had Hij namelijk een « vorm » van een andere soort (heteros), dan die Hij later had, toen Hij zich bij de Emmausgangers voegde (Mk. 16:12). Wij zien hier zeer duidelijk het verschil tussen « morphè » en « schèma ». In een zekere « vorm » (morphè) zijnde, kon de Heere de gedaante (schèma) aannemen van een gewoon mens, en toen niet herkend worden. Zo waren ook Zijn vroegere O.T. verschijningen. Toen had de Zoon Gods de « vorm » Gods (Fil. 2:6),maar kon zich daarom toch ook wel zichtbaar maken en een gedaante aannemen, die zich aan de omstandigheden aanpaste. Hij kon aldus met Abram eten, als Engel des Heeren tot Hem roepen, met Sadrach en zijn twee vrienden in de oven gaan, zich als de Man in linnen gekleed vertonen. Hij kon spreken en op elke andere nodige wijze Zich aan de zinnen der mensen openbaren. De Vader Zelf heeft niemand gezien of gehoord (Joh. 5:37).
Zo zullen ook de gelovigen, wier lichaam « getransformeerd » is, dergelijke gedaanten kunnen aannemen en hetzij op aarde, hetzij in de hemel, hetzij in de overhemelse, hun werk verrichten. Als wij dus b.v. de tijd van het koninkrijk beschouwen, menen wij de volgende « vormen » te mogen onderscheiden, behalve die van de Vader:
| De groepen met verschillende bestaanswijze |
Wat zij in bezit hebben |
Waar hun positie is |
|
|
|
 |
 |
 |
| Christus-Jezus met de leden der Gemeente |
Het Heelal (dus ook de wereld en de aarde) |
De overhemelsche «Boven over alles» |
| Zij die met Abraham gezegend zijn |
De Wereld (dus ook de aarde) |
De hemelen |
| Israël (de volken) |
De Aarde |
De Aarde |
| De doden |
Zij « weten niet met al » |
De Hadès |
Het lichaam moet zich eigenen tot de taak die volbracht moet worden. De « vorm » moet dus anders zijn voor hen die in dee overhemelse komen dan voor hen die alleen in de hemelen of op aarde hun taak hebben. Op aarde kan de « gedaante » van allen dezelfde zijn. Na de aionen komen ze allen tot de « vorm » Gods, dan is God alles in allen (1 Kor. 15:28). Nu is dit alleen nog maar het geval met de leden der Gemeente der Verborgenheid, nadat hun vernederd lichaam (Gr.: lichaam onzer vernedering) « gelijkvormig » is geworden aan Zijn heerlijk lichaam (Gr.: lichaam Zijner heerlijkheid). De vraag is: wanneer geschiedt dat? Wij hopen, dat in een latere konkordante studie te onderzoeken. Wij moeten daarvoor echter iets nagaan over sterven, dood enz.
Uit de reeks teksten waarin de onderzochte woorden voorkomen blijkt, dat er ook een « omvorming » is van de inwendige mens. Zie b.v. Gal. 4:19. Rom. 12:2 en 2 Kor. 3:18 kunnen ook zo opgevat worden. Men kan gaan van heerlijkheid tot heerlijkheid. Telkens weer wordt er een grens overschreden, een hoger sfeer van heerlijkheid bereikt. Daartoe is een inwendige gedaante-verandering nodig. Dit werpt een rijk licht op Gods uitnemende genade. Wat anderen eerst verkrijgen bij het doorleven der toekomende aionen, wil God thans zonder die nu reeds geven in de geest. Het lichaam behoeft de uiterlijke gestalte niet te verkrijgen, die past bij de inwendige bestaanswijze. Dat geschiedt eerst bij de opstanding. Hoe meer men door genade gaan mag van heerlijkheid tot heerlijkheid, des te heerlijker is het opstandingslichaam.
Satan en zijn dienaars kunnen wel hun gedaante veranderen, niet hun « vorm ». Wie zal durven beweren. dat de mystici ten onrechte menen, dat Satan en andere geestelijke boosheden ook in mensengedaante kunnen rondlopen? Sommige Rabbi's leerden, dat de Israëlieten zich de handen moesten wassen vóór elk maal, omdat deze verontreinigd waren, ook door aanraking van demonen in mensengestalte. Of dit in onze bedeling ook kan gebeuren, betwijfelen wij, daar toch ook de engelen zich nu niet zichtbaar voordoen.
STERVEN — DOOD
Een der oorzaken van ongeloof en Schriftkritiek is de onvolmaaktheid van de vertalingen der Schrift. Men stoot op tegenstrijdigheden, want de woorden des Heiligen Geest zijn niet getrouw weergegeven. Men heeft « het voorbeeld der gezonde woorden » niet gehouden (2 Tim. 1:13) en zo zijn er allerlei moeilijkheden ontstaan. Eén er van vinden we als wij Mat. 9:18 met Mark. 5:23 vergelijken.
Mt. 9:18 « Mijn dochter is nu terstond gestorven » (« zo even gestorven », Voorhoeve).
Mk. 5:23 « Mijn dochtertje is in haar uiterste » (« ligt op haar uiterste », Voorhoeve). Het is moeilijk aan te nemen, dat die twee teksten niet hetzelfde geval betreffen. Was hier nu maar alleen sprake van het dochtertje van een overste der synagoge, dan hadden wij kunnen aannemen, dat er wel twee dergelijke gevallen geweest waren en beide teksten niet precies hetzelfde behoefden te zeggen. Waar echter die geschiedenis in beide Evangeliën in tweeën verdeeld is door hetgeen ons medegedeeld wordt over de bloedvloeiende vrouw, zijn wij wel verplicht aan te nemen, dat Mattheus en Markus van hetzelfde dochtertje spreken. Dus is er tegenstrijdigheid, dus is de gehele Schrift niet van God ingegeven, zullen sommigen uitroepen! De overste kon zich vergissen, maar als beide evangelisten onder Gods leiding schreven, mochten zij de woorden van de overste, of ten minste de zin dier woorden, niet op twee geheel verschillende wijzen weergeven.
Laat ons de « gezonde woorden » onderzoeken op het gevaar af, dat men ons « letterknechten » of zoiets, noemt. Zij die zo spreken, weten niet wat zij doen, namelijk de afbrekende kritiek in de hand werken.
In Mk.5:23 gebruikt de Heilige Geest het woord « eschatoos ». Het komt nergens anders voor. Het is echter nauw verwant aan « eschatos », dat zeer dikwijls gebruikt wordt. De eerste maal in Mt. 5:26 « den laatsten penning ». Men weet dat de « leer der laatste dingen », eschatologie genoemd wordt. Het dochtertje was dus « aan haar laatste » of « op haar uiterste », maar nog niet gestorven. De overste vroeg genezing, geen opwekking. « Gestorven » in Mt. 9:18 is de vertaling van het werkwoord « teleutaoo ». Dit woord wordt ook gebruikt in Lk. 7:2 en is daar vertaald door « lag op sterven ». Wat is de betekenis van « teleutaoo »? Het is verwant met « telos », einde, eindpunt. Letterlijk is teleutaoo dan ook « eindigen » het eindpunt bereiken. De overste zei dus dat zijn dochtertje « eindigde » d.i. haar leven liep ten einde. Hij zei niet, dat dit reeds geschied was. Dat komt dus zeer goed overeen met « in haar uiterste » of « op haar uiterste » liggen.
Waar is nu de tegenstrijdigheid? Alleen in de vertaling. Gods Woord is volmaakt, de vertaling is gebrekkig.
Teleutaoo komt ook voor in Mt. 15:4 « Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven ». Dat is letterlijk « laat hem tot den dood eindigen ». Hij die « eindigt » kan toch nog herstellen, zolang het einde of uiterste niet gekomen is. Hier wordt echter gezegd dat deze tot den dood toe zou « eindigen ». Dat is sterven.
Wij onderscheiden dus drie dingen: eindigen — sterven — dood. « Eindigen » is niet noodzakelijkerwijs sterven, eerst als het « eindigen » tot den dood voert is het sterven. Dood is het gevolg van sterven; men onderscheide deze twee goed.
Laat ons nu ook de twee woorden « apothnèskoo » (sterven) en « thanatos » (dood) onderzoeken.
Wij bespreken eerst Mt. 9:24, waar het eerste woord voorkomt. Wie soms niet overtuigd is, dat onze konklusie aangaande het dochtertje van de overste juist is, gelove ten minste de Heere zelf: « het dochtertje is niet dood, maar slaapt ». Nu heeft de St. Vert. (en ook die van Voorhoeve) hier « dood », terwijl het letterlijk « gestorven » is. Maar, zal terecht iemand zeggen, is dat slapen toch ook niet een soort dood. De dood is toch volgens de Schriften een slaap? Wij hopen dat nader te onderzoeken in een andere studie. Men kan intussen nagaan uit de konkordans, dat het woordje « katheudoo », dat hier voor slapen gebruikt is, nooit de dood aanduidt. De slaap des doods wordt uitgedrukt door « koimaomai » dat meer « rusten » betekent, in slaap vallen, een toestand, waarin men niet meer in bewuste betrekking staat tot de wereld om zich heen.
Wij willen ook de betekenis van het sterven en de dood van de Heere Jezus bespreken, doch willen hieraan een afzonder onderzoek wijden. Beide hebben hun bijzondere betekenis.
Thans vestigen wij alleen de aandacht op het feit, dat het ware
sterven door de dood gevolgd moet worden, anders is het maar een « eindigen ». Joh. 12:33 zegt dan ook «
hoedanigen dood Hij sterven zou » (eigenlijk zegt het Gr. « tot hoedanigen dood Hij sterven zou », de dood volgt
op het sterven). Men begrijpt dan ook beter wat Paulus zegt in Rom. 6:2 « Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij
nog in dezelve leven? » Het ware sterven, wij herhalen het nogmaals, moet door de dood gevolgd worden. Zijn wij der zonde
gestorven, dan zijn wij er werkelijk dood voor en kunnen niet in dezelve leven. Doen wij het wel, dan zijn wij eigenlijk der zonde
nog niet gestorven. Men lette hier op het verschil met Ef. 2:1 waar het Gr. heeft « En u, dood zijnde voor de misdaden en
zonden ». De leden der gemeente moeten der misdaden en zonden dood zijn. Terwijl Romeinen alleen de zondE (de wortel)
betrof, zijn het hier de zonDEN (d.i. wat uit de wortel voortkomt, de daden zelve). (Zie: « De Weg der Behoudenis »).
In Adam zijn wij allen « stervende » zegt 1 Kor. 15:22. Het noodzakelijk gevolg is de dood. Tenzij God met een bijzonder ingrijpen tussen beide komt en de lichamen van sommigen verandért zonder dat zij tot den dood komen.
Over dood (thanatos) willen wij hier ook nog iets meer zeggen in betrekking tot Fil. 3:10. In ons onderzoek over « Gedaante en Vorm » hebben wij daarover reeds gesproken en nu kunnen wij iets verder gaan. Wat is « Zijnen dood gelijkvormig wordende »? Wij weten nu twee dingen: 1° « vorm » betreft het innerlijke, het wezen zelve, het kenmerkende, de bestaanswijze, niet het uiterlijke, zichtbare. 2° « Dood » is niet sterven, maar hetgeen er op volgt. Wat was nu het kenmerkende van de dood (niet het sterven) van Christus? Dat Hij geen verderf zag in de Hadès en na drie dagen opgewekt werd. Hij ging door verschillende « vormen »: van die van een dienstknecht (Fil. 2:7) tot die van een dode en dan tot die van een levendmakende geest (1 Kor. 15:45). De « vorm, » van Zijn dood was echter heel bijzonder, zoals wij zeiden, werd hij gekenmerkt door de afwezigheid van verderf en een spoedige opstanding. Paulus nu hoopte die dood gelijkvormig te worden! En dat hij er toe kwam, mogen wij afleiden uit zijn laatste woorden « De tijd mijner ontbinding (d.i. wederkeer uit de Hadès, waar de doden zijn) is aanstaande » (2 Tim. 4:6). Dat « ontbonden worden » was dan ook veel beter dan gewoon te sterven of te leven (Fil. 1:23). Wij willen dit hier nu niet verder ontwikkelen, maar alleen een tegenwerping onderscheppen. Men kan ons namelijk wijzen op Rom,. 6:5 « Indien wij met Hem eene plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods » en zeggen, dat dit, evenals Fil. 3:10 niet de werkelijke dood, maar een geestelijke toestand betreft. Nu heeft die tegenwerping geen waarde om drieërlei reden.
Ten eerste staat hier « gelijkmaking » en dat is de vertaling van « omoioomati », 3de naamval van omoiooma, met accent geschreven: homoiooma, d.i. gelijkheid. Deze tekst gaven wij op in de studie over « Gelijk en evengelijk ». Het betreft hier iets, dat gelijkt op iets anders, niet dat volkomen gelijk is. Verre van dezelfde « vorm » te hebben als in Fil. 3:10, is het hier maar iets, dat er min of meer mee overeenstemt, het is een geestelijke toestand, geen werkelijke doods-vorm.
Ten tweede, doet men Paulus te kort door in Fil. 3:10 niet méér te zien dan dat hij wenst « der zonde gestorven » te zijn, zoals in Rom. 6:2. In dit hoofdstuk rekent hij zichzelf bij hen, die « der zonde gestorven zijn » hoe zou hij dan in Filippensen er naar streven daartoe te komen? Terwijl hij als lid der Gemeente zelfs der zonDEN gestorven, dus ook dood, was.
Ten derde kan het in Filippensen niet gaan over een geestelijk der zonden sterven, want Christus is geen zondaar geweest. We kunnen wel één plant worden in de gelijkmaking Zijns doods, maar niet even als Hij, de zonde afsterven. Christus is immers geen dienaar der zonde geworden. Te beweren dus, dat, als Paulus hier jaagt naar de gelijkvormigheid van Christus' dood, dit hetzelfde is als der zonde(n) te mogen afsterven, is Christus tot zondaar maken. Immers alleen zó kon dan ook Paulus jagen naar die gelijkvormigheid van Zijn dood. Dit nu is een verschrikkelijke dwaling. Christus heeft nimmer de zonde gekend of gedaan, kan dus nimmer Zijner zonde gestorven zijn (Hij is juist voor, d.i. ten bate van, met het oog op onze zonde gestorven). Dus kan Paulus niet zó gelijkvormig worden aan Christus' dood.
Het gaat in Filippensen niet over wat Paulus wil zijn of doen, maar over wat hij wil winnen. Een deel daarvan, de kennis van Christus Jezus, het Hem gewinnen, het in Hem gevonden worden, de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens, betroffen zijn LEVEN. Hij jaagt echter naar dingen, die ook buiten zijn leven liggen: de gelijkvormigheid aan Zijn DOOD en de uitopstanding uit de dooden. Deze laatste uitdrukking is een heel bijzondere, wordt nooit ergens anders gebruikt. Wij geloven, dat het een uitopstanding is, die de opstanding uit de doden, zoals de Korinthiërs en Thessalonicensen b.v. verwachtten, vooraf gaat. Zij die tot de gelijkvormigheid van Christus' dood komen, kennen geen verderf en staan op korte tijd na hun sterven. Ze rusten dus niet in de Hadès tot 's Heeren wederkomst.
Zou Fil. 3:10 iets betroffen hebben in betrekking tot Paulus LEVEN, dan ware « apothnèskoo » gebruikt geworden, zoals in 1 Kor. 15:31 « Ik sterf alle dag ». In dit verband zij opgemerkt, dat het woord opstanding (en daarmee ook zijn nadere bepalingen, zoals betere, eerste en tweede opstanding, of samenstelling zoals uitopstanding) steeds betrekking hebben op een letterlijke opstanding, niet op een geestelijke uit de doodsstaat der zonde. Paulus' jagen is niet een der zonde of der zonden te mogen afsterven, maar om weder te keren en bij Christus te leven. 't Is geen jagen naar een geestelijke dood, maar naar een letterlijke persoonlijke uitopstanding, vóór de andere groepen. Paulus wenst het verreweg het beste, het spoedig wederkomen uit de Hadès en met Christus zijn.
EIS (tot-in)
Dit woord kan men niet juist vertalen. Het is méér dan « tot » en iets anders dan « in ». De wijzen van Mat. 2:1 gingen niet alleen « tot » Jeruzalem, maar zij gingen er ook « in ». Om de aandacht te vestigen op die dubbele betekenis, zullen wij « tot-in » gebruiken. « Eis » komt heel dikwijls voor en het is altijd wenselijk aan de bijzondere betekenis te denken.
Dikwijls wordt « eis » gebruikt in verband met de hemel. Zie b.v. Hand. 1:10, 11 (drie maal); 7:55; 10:16.
In Hand. 2:27 en 31 duidt het méér aan dan men eerst denkt. Mat. 27:46 vermeldt de kreet « Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten! » Hoe lang zou de Vader Hem verlaten? Hier heeft men het antwoord: niet « tot-in » de Hades. Dus reeds vóór Zijn dood was de Vader met Hem, toen Hij riep « Vader, in Uw handen beveel ik Mijn Geest » (Luk. 23:46). Daarom zag Zijn lichaam geen verderving.
Als men iemand met veel aandacht aanziet, zegt men dat men « tot in » iemand ziet. Dat was het geval met Petrus (Hand. 3:4) en met de raad van Hand. 6:15.
Het is verder ook belangrijk de betekenis van « eis » in te zien als er sprake is van de doop. Men wordt « tot-in » iemand of de naam van iemand gedoopt. Dat duidt een gemeenschap aan. Zie Hand. 8:16; 19:3, 4, 5; Rom. 6:3 enz.
Men kan iemand geloven, « in » iemand geloven en
« tot-in » iemand geloven. Men vindt meestal de laatste uitdrukking (b.v. in Hand. 10:43; 14:23; 24:24 ;1 Joh. 5:10,
13). Het is de overgang van ongeloof tot geloof. Later komt het geloof « in ». (Zie b. v. Ef. 1:15 en Kol. 1:4). (Zie:
« De Weg der Behoudenis »).
Bekering « tot-in » God (Hand. 20:21) gaat verder dan « tot » God.
« Eis » wordt ook gebruikt in verband met « behoudenis » (Rom. 1:16), « rechtvaardigheid » (Rom. 4:3, 5, 9), « veroordeling » (Rom. 5:16), « wetteloosheid », « heiligheid » (Rom. 6:19), « oneer » (Rom. 9:21), « verderf » (Rom. 9:22), « heerlijkheid » (Rom. 9:23).
De zonde was in de schepping van af Satan. Zij kwam « tot-in » de wereld (d.i. de tegenwoordige wereld) door Adam. Rom. 5:12.
In de Hebreeuwse Schriften richt het oog zich steeds op de toekomende aioon. De blik gaat niet, of bijna niet, verder. Zeggen dat iets « tot-in » DE aioon gezegend is, wil voor hen alles zeggen. In de Griekse Schriften reikt de visie verder en worden de twee toekomende aionen gezien. In Rom. 9:5 en 11:36 staat dan ook « tot-in de aionen ». Er is nog geen sprake van hetgeen na de aionen komt. Wat wil « in alle geslachten, tot alle eeuwigheid » zeggen in Ef. 3:21? Het Grieks is duidelijk: « tot in al de geslachten van de aioon der aionen ». Dat betreft de vijfde, de voornaamste aioon. De Gemeente der verborgenheid betoont gedurende de toekomende aionen, dus tot in de vijfde, de uitnemende rijkdom Zijner genade (Ef. 2:7). Daarna is dat betonen niet meer nodig want dan is God alles in allen.
Uit Hem en doormiddel van Hem en tot-in Hem zijn alle dingen (Rom. 11:36). Het doel « tot-in » is bereikt als, volgens 1 Kor. 15:28, God alles in allen is.
Wij moeten door zijn kracht gesterkt worden « tot-in » de inwendige mens (Ef. 3:16).
De groep van 1 Thes. 4:17 gaat den Heere tegemoet « tot-in » de lucht en komt dan met Hem terug op aarde.
Mogen onze lezers steeds opwassen « in u de overkennis van God en alzo wandelen de Heere waardig « tot-in » alle welbehagen, in alle goed werk vrucht dragende (Kol. 1:10).
APO (weg van — van af)
Dit voorzetsel is voor het eerst gebruikt in Mat. 1:17 « Al de geslachten dan van Abraham tot David ». Men ziet de betekenis: « weg van » of « van af ».
In Mark. 1:10 gebruikt het handschrift « Alexandrinus » genaamd het woord « apo ». Er staat dan: « als Hij weg van het water opstapte ». De twee andere voornaamste handschriften hebben « ek » (uit). Welke uitdrukking is nu de meest juiste? Daar Hij eerst in het water was (v. 5 en 8) moest Hij er uit komen. « Weg van » (ape) ware goed geweest zo Hij niet in het water was geweest. Dit wordt bevestigd door Hand. 8:38, 39: « En zij daalden beiden af tot in (eis) het water... en toen zij uit (ek) het water opstapten ».
In Hand. 2:5 en 15:19 staat « van (apo) elk volk (ethnos) » en « die van (apo) de volken (ethnos) ». Apo wijst er op dat zij er wel van komen, maar er niet toe behoren. Het waren Joden of Jodengenoten.
Rom. 5:9 « zullen wij door middel van (dia) Hem behouden worden weg van de toorn ». Dit vers hebben wij reeds behandeld onder « Toorn » en « Door middel van Christus ».
DIA (door middel van — doorheen)
In een vroegere studie (bldz. 20) zagen wij uit menig voorbeeld, dat « dia » met de 2e naamval (Genitief) dikwijls betekent « door middel van ». Wij voegen hier nog een paar gevallen bij, namelijk:
2 Tim. 2:2 « Hetgeen gij van mij gehoord hebt doormiddel van vele getuigen. »
De gewone vertaling geeft een geheel andere indruk.
1 Thes. 4:14 « God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem. » Wij geven hier de Staten Vertaling weer. « In » is de vertaling van « dia ».
Zullen wij dan schrijven « ontslapen door middel van Jezus »? Neen, dat gaat niet. Wat dan? Heeft « dia » hier een andere betekenis? Is misschien de zin niet goed vertaald? Laat ons eens terug gaan tot de geïnspireerde woorden: « God – de – rustenden – door middel van – de – Jezus – zal zijn brengende – samen – tot Hem ». Wij kunnen dus gerust schrijven: « Zal God de rustenden, door middel van Jezus, met Hem brengen ». Zo krijgt deze zin een geheel andere betekenis. Er is sprake van hen die in de dood rusten. Maar als de dood een vijand is, kan er dan gezegd worden dat zij « in Jezus rusten »? Men denkt natuurlijk aan v. 16 en 1 Kor. 15:18. Wij zullen deze zaak echter hier niet veel verder onderzoeken. Alleen zullen wij nog dit opmerken:
In deze teksten is niet « Jezus », maar « Christus » gebruikt. Men kan niet « ontslapen » in Jezus. Dit is de persoon des Heeren. Het bepaalde lidwoord « de » vóór Jezus wijst daar mede op. Wel in Christus, dat is meer een titel. Zie vs. 16.
Feitelijk is de grondbetekenis van dia: « doorheen », zoals de diameter de cirkel doorheen gaat. Mat. 1:22 kunnen wij dan ook lezen « gesproken is doorheen den Profeet ». Het is de Heere Zelf die spreekt doorheen Zijn instrument. In vele gevallen is het minder gepast « doorheen » te schrijven en is « door middel van » beter. In andere gevallen is « doorheen » meer aan het overige aangepast, zo b.v. in:
Mat. 12:1 « doorheen het gezaaide ».
Mat. 19:24 « doorheen het oog van een naald ».
Luk. 5:19 « lieten hem, doorheen de tichelen neder ».
Joh. 8:59 « gaande doorheen het midden van hen ».
1 Kor. 3:15 « doch alzo als doorheen vuur ».
1 Kor. 10:1 « allen doorheen de zee doorgegaan zijn ».
2 Kor. 2:4 « want ik heb ulieden... doorheen vele tranen geschreven ».
Heb. 10:20 « doorheen het voorhangsel ».
(Zie het overzicht der Griekse voorzetsels bldz. 71 en 72).
DIA (om reden van)
Wij hebben reeds « dia » met de 2e naamval onderzocht en stellen ons nu voor ditzelfde woord met de 4e naamval (accusatief) na te gaan. De betekenis is dan « om reden van », zoals men uit menige plaats kan zien, b.v.:
Mat. 10:22 « Gij zult van allen gehaat worden om reden van Mijn naam ».
Mat. 17:20 « Om reden van uw ongeloof ».
Mark. 6:17 « In de gevangenis gebonden, om reden van Herodias ».
Rom. 2:24 « De naam van God wordt om reden van u gelasterd ».
Dia met de 4e naamval drukt dus een reden, een grond uit, niet een doel. Er kan ook wel een doel zijn, maar dat wordt dan afzonderlijk uitgedrukt niet door « dia ». B.v. in:
1 Kor. 4:6 « om reden van u, opdat... »
2 Kor. 8:9 « om reden van u arm geworden is, ... opdat gij ... zoudt rijk worden ».
2 Tim. 2:10 « om reden van de uitverkorenen, opdat... »
Nu gebruikt echter de Statenvertaling (en andere) dikwijls « om wille van », hetgeen meer een doel dan een oorzaak aanduidt. Later hopen wij na te gaan dat « om wille van » de betekenis is van « huper » (met de tweede naamval). Waarom die nu ook gebruiken voor « dia » en zo misverstand teweeg brengen? Men herleze eens de volgende teksten om te zien hoe de betekenis er van geheel gewijzigd kan zijn:
Rom. 4:23, 24 « Nu is het niet alleen om reden van hem geschreven... maar ook om reden van ons ... die geloven ». Het betreft niet iets dat geschreven is met het doel ons nuttig te zijn, maar ten gevolge van ons geloof is ook ons de rechtvaardigheid toegerekend.
Rom. 4:25 « Overgeleverd om reden van onze zonden en opgewekt om reden van onze rechtvaardiging ». Onze zonden waren de reden waarom Hij overgeleverd is. Het feit dat Hij alles volbracht had tot onze rechtvaardiging was de reden waarom Hij opgewekt werd. Het is niet omgekeerd Zijn « opwekking » die ons rechtvaardigt.
Rom, 8:20 « Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om reden van hem, die het onderworpen heeft ».
Rom. 11:28 « Zo zijn zij (Israël) wel vijanden aangaande het evangelie, om reden van u (de volken), maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om reden der vaderen. » Omdat de volken ingeënt waren, was Israël nu vijandig gezind, zij waren nog steeds Gods beminden ter oorzake der vaderen.
Gal. 4:13 « En gij weet, dat ik om reden van zwakheid des vleeses het evangelie eerstmaal verkondigd heb. » Paulus' ziekte of ongesteld was de aanleiding niet verder te gaan en hun 't evangelie te brengen.
Ef. 2:4 « Maar God, die rijk is in barmhartigheid, om reden van Zijn grote liefde. » De barmhartigheid is het gevolg van Zijn liefde.
Fil. 3:7 « Dat heb ik om reden van Christus schade geacht.» In Christus hebben wij alles, met het oog op die rijkdom ziet men dat vele dingen geen gewin, maar schade zijn. Ook in v. 8 is « dia » twee maal gebruikt.
Heb. 6:7 « Want de aarde, die... bekwaam kruid voortbrengt om, reden van degenen, door welke zij gebouwd wordt. » De aarde kan iets voortbrengen door hen. Of het ook voor hen is wordt hier niet gezegd.
2 Petr. 2:2 « Velen zullen hunne verderfenissen navolgen, om reden van welke de weg der waarheid zal gelasterd warden. » Zij zelven lasteren misschien niet, maar zij zijn er de oorzaak toe voor anderen.
2 Petr. 3:12 « Den dag Gods, om reden van welken de hemelen... zullen vergaan. »
De hemelen der toekomende aioon « vergaan » niet in de dag Gods, maar om reden van die dag, om er toe te komen. Die dag begint met de vijfde aioon.
Verder leze men onder meer de volgende teksten met « om reden van »:
Mat. 13:58; Joh. 6:57 (twee maal); Joh. 12:27, 30; Rom. 6:19; 8:10 (twee maal); Rom. 8:11; 1 Kor. 4:10; 11:10 (twee maal); 2 Kor. 4:11; Gal. 2:4; Fil. 1:15 (twee maal), 24; Kol. 1:8.
Ten slotte Rom. 3:25 « Welken God voorgesteld heeft tot eene verzoening, doormiddel van geloof in Zijn bloed, tot eene betoning van Zijne rechtvaardigheid, om reden van de vergeving der zonden... » Het gaat hier o.m. over Gods rechtvaardigheid die betoont wordt door de vergeving der zonden. Al waren deze geschied vóór het storten van Zijn bloed, toch konden deze op die grond reeds vergeven worden.
Terwijl wij dus « dia » met de genitief: doorheen of doormiddel van, goed moeten onderscheiden van « hupo » met de genitief (door), moeten wij « dia » met de accusatief goed onderscheiden van « huper » met de genitief (om wille van of ten bate van).
NIET
Wij menen dat het nuttig zal zijn nogmaals over « ou » en « mè » te spreken. Ditmaal willen wij de nadruk leggen op het verschil tussen het objectieve « niet » en het subjectieve « niet ». Iets is objectief als het buiten ons ligt, niet van ons afhangt, als men iets als een feit aanziet. Iets is subjectief als het van ons afhangt, als men het beschouwt in verhouding tot ons.
Neem b. v. Mat. 6:24:
« Gij kunt niet (ou) God dienen en den Mammon ...
Dat was een feit al hadden zij het anders gewild. Het hing niet van hen af: het is iets objectiefs.
Een tweede voorbeeld:
Joh. 2:3 « Zij hebben geen (ou) wijn ».
Zij hadden hem graag gehad, maar hij was er nu eenmaal niet.
Wij nemen nu een geval waar « mè » voorkomt:
Mat. 12:30 « Die met Mij niet (me) is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet (me) vergadert, die verstrooit ».
Het betrof mensen, die tegen de Geest lasterden (v. 31), zij wilden niet met Hem, vergaderen. Dat was niet eenvoudig een feit, maar iets dat van hen afhing, iets subjectiefs. Soms denkt men dat die tekst niet overeenkomt met de volgende:
Luk. 9:50 « Wie tegen ons niet (ouk) is, die is vóór ons ... »
Het gaat hier over een feit onafhankelijk van de wil dergenen, die bedoeld worden. Het volledigt de uitdrukking van Mat. 12:30. Het was een feit dat ze niet tegen Hem waren, dus behoorden zij niet tot hen, die niet (mè) met Hem wilden zijn, dus waren zij vóór Hem, want neutraliteit bestaat niet.
Mat. 22:12 « Hoe zijt gij hier ingekomen, geen (mè) bruiloftskleed aanhebbende? »
Bij oppervlakkige lezing schijnt de straf van v. 13 niet rechtvaardig. Was het dan zo erg geen bruiloftskleed te hebben? Het gebruik van « mè » laat zien dat hij geen bruiloftskleed wilde aanhebben al moet hij geweten hebben dat de koning zulks eiste. Het was openbare opstand tegen de koning en dit moest streng gestraft worden.
Mat. 22:29 « Gij dwaalt, niet (me) wetende de Schriften, noch de kracht Gods ».
Zij wilden niet met de Schriften, noch met de kracht Gods bekend zijn.
Mat. 25:29 « Van dengenen, die niet (me) heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft ».
Iets dergelijks vindt men in Luk. 8:18; 19:26. Ook in Mat. 13:12 en Mark. 4:25, maar hier is « ou » gebruikt. De eerste teksten zijn echter voldoende om in te zien dat het van hen afhangt, dat zij niet willen hebben. Wij hopen eens gelegenheid te hebben om in dit verband Mat. 13:13-23 en de daarmee overeenstemmende teksten te onderzoeken. Voorlopig is het voldoende aan te stippen, dat het over vruchtdragen gaat (Mat. 13:23). Zie ook Joh. 15:2 in dit verband, waar ook « mè » gebruikt is.
Zij, die het WOORD of de aankondiging des koninkrijks niet (mè) verstaan (Mat. 13:19), dat is dus: niet willen verstaan, brengen geen vrucht voort. Hun wordt dan ook niet overvloedig gegeven, maar de boze rukt weg hetgeen in hun hart gezaaid was (Mat. 13:19). Zo is dan alles van hen genomen. Aan dezen was het ook niet gegeven de VERBORGENHEDEN van het koninkrijk der hemelen te weten (Mat. 13:11). Deze verborgenheden werden in gelijkenissen voorgesteld omdat zij niet zouden begrijpen waarover het ging. Zij betroffen de verwerping van het koninkrijk, daarover kon voorlopig niet openbaar en duidelijk gesproken worden, zolang heel Israël niet officieel zijn Messias verworpen had.
Joh. 3:18 « Maar die niet (me) gelooft, is alreede veroordeeld, dewijl hij niet (me) heeft geloofd ».
« Niet » is hier weer subjectief en hangt af van de persoon waarover het gaat: hij wil niet geloven. Als iemand de goede tijding gehoord heeft, dat God Zijn Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het aionische leven hebbe en dan wel bewust niet in Hem gelooft, die is van zelve daardoor veroordeeld.
Joh. 8:24 « Indien gij niet (me) gelooft, dat Ik die ben, gij zult in uwe zonden sterven ».
Joh. 12:48 « Die Mij verwerpt, en Mijne woorden niet (mè) ontvangt, heeft, die hem oordeelt ».
Hand. 3:23 « En het zal geschieden, dat alle ziel, die dezen Profeet niet (me) zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke ».
In al die teksten gaat het weer over bewust ongeloof, niet willen ontvangen en horen. Wij voegen er nog een paar bij:
2 Thes. 1:8 « Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet (me) kennen. »
Dat betreft niet allen die God niet kennen, maar hen die Hem niet willen kennen, al geeft Hij hun daartoe het nodige licht doormiddel der schepping (Rom. 1:20) of door meer bepaalde boodschappen. Er staat dan ook bij:
« en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet (mè) gehoorzaam zijn ». Zij willen God niet kennen en zeker het Evangelie niet gehoorzamen. Zo ook:
2 Thes. 2:12 « Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet (me) geloofd hebben. »
Het betreft alleen hen die niet willen en dan volgt er ook de reden op: « maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid ». Men denke er aan dat het geloof uit het gehoor is (Rom. 10:17) en dat nergens gezegd wordt, dat God iemand zal veroordelen, wraak zal doen, zal uitroeien enz. die niet gelooft in iets waarvan hij nooit iets gehoord heeft.
Rom. 6:12 « Dat dan de zonde niet (me) heerse in uw sterfelijk lichaam ... »
« Zonde » is in het enkelvoud en is de oorzaak der « zonden ».
Van de zonde zijn wij vrijgemaakt (Rom. 6:18, 22) en van zelve moet zij dus niet in ons lichaam heersen, tenzij wij dat willen.
Men lette er op, dat « mè » ook gebruikt is in teksten als 1 Kor. 13:1, 2, 3; Ef. 4:26 (twee maal); Jud. 19 enz.
Is het niet duidelijk hoeveel wij kunnen leren uit een eenvoudig Schriftonderzoek als wij maar goed op de gezonde woorden letten?
PROS (tot)
Dit voorzetsel duidt een richting aan. Soms ligt er ook de gedachte in van gemeenschap. Zo in Joh. 1:1, 2 « Het Woord was tot God... Dit was in den beginne tot God. » Zie verder ook:
Rom. 5:1 « Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hehben vrede tot God ».
Rom. 15:17 « Zo heb ik dan roem: in Christus Jezus, in hetgeen tot God is ».
2 Kor. 3:4 « En zodanig een vertrouwen hebben wij in Christus tot God ».
Ef. 2:18 « Want doormiddel van Hem hebben wij beiden den toegang in een geest tot den Vader ».
Ef. 3:14 « Buig ik mijn knieën tot den Vader ».
1 Thes. 1:8 « Uw geloof tot God »
1 Joh. 1:2 « Eeuwige leven, hetwelk tot den Vader was ».
1 Joh. 2:1 « Wij hebben een Voorspraak tot den Vader ». In Ef. 6:12 is « pros » vijf maal gebruikt en telkens vertaald door « tegen ».
Het is echter niet zozeer een worsteling « tegen » als « tot », dat is: « in de richting van ». Die wezens zijn voor ons onzichtbaar en wij worstelen meer tegen wat zij ons in de weg leggen dan « tegen » henzelve. Het gaat « tegen » overlevering, « tegen » hoogmoed enz. meer dan « tegen » die wezens.
De Farizeër van Luk. 18:11 dacht alleen aan zichzelven, hij bad « tot » zichzelve, had zichzelve tot doel!
Geloof « tot » God (1 Thes. 1:8) is maar een begin. Dan komt geloof « op » God (Heb. 6:1) en dan « tot-in » God (Joh. 12:44).
Zo gaat de omkering « tot » (pros) God en de Heere (1 Thes. 1:9; 2 Kor. 3:16) de omkering « op » (epi) vooraf (Hand. 14:15; 9:35). Met « pros » is het doel nog niet goed gekend, met « epi » wel.
(Zie het overzicht der Griekse voorzetsels bldz. 71 en 72).
BEKEREN
De Statenvertaling is op weinig na getrouw in de vertaling van « metanoeoo » (bekeren) en « metanoia » (bekering). De overzetting van het woord op zichzelf vinden wij minder goed. Alleen in Hand. 3:19 is een zwakheid. Er staat « betert u » voor « metanoeesate » terwijl « epistrefate » (dat wij verder nagaan en « keert u om » wil zeggen) door « bekeert u » vertaald is. Men leze dus: « Bekeert u dan en keert u om ».
De algemene betekenis van « bekeren » blijkt onder meer uit Luk. 17:3, 4. Het is een ernstige wijziging ten goede, in onze stemming en deze gaat van zelve gepaard met berouw. 't Is een tot zich zelf inkeren, tot andere gedachten komen.
Wij willen nu eerst nagaan van wiens bekering gesproken wordt.
| ISRAEL |
VOLKEN |
ALLEN |
GELOVIGEN |
Hand. 5:31 Hand. 13:24 Hand. 2:38 Hand. 3:19 |
Luk. 24:47 Hand. 11:18 |
Hand. 20:21 Rom. 2:4 Heb. 6:1 2 Petr. 3:9 Hand. 17:30 Hand. 26:20 |
2 Kor. 7:9, 10 2 Tim. 2:25 Heb. 6:6 2 Kor. 12:21 |
Wij spreken hier niet van de « bekering » der gelovigen, hoe belangrijk die ook is. Men heeft soms gezegd dat bekering alleen Israël kan betreffen, omdat alleen dit volk in verbondsbetrekking stond met God en zich, nadat het zich van Hem afwendde, kon bekeren. Men ziet echter dat een bekering van dezelfde aard als die van Israël ook gevraagd wordt van anderen buiten Israël. Laat ons dan verder onderzoeken waarmee « bekering » in verband staat.
1. ZONDEN
| Mat. 9:13 |
« Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering ». |
| Mark 1:4 |
« Predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden ». |
| Hand: 5:31 |
« Om Israël te geven bekering en vergeving der zonden ». |
| Luk. 24:47 |
« In Zijnen naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden onder alle volken ». |
| Hand. 2:38 |
« Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden ». |
| Hand. 3:19 |
« Bekeert u dan en keert u om, opdat uwe zonden mogen uitgewist worden ». |
2. OORDEEL
| Mat. 3:7, 8 |
« Wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn? Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig ». |
| Luk. 13:3, 5 |
« Indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan ». |
| Hand. 17:30, 31 |
« God... verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren; ... zal oordelen ». |
3. HET KONINKRIJK
| Mat. 3:2 |
« Bekeert u; want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen ». |
| Mark. 1:15 |
« De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie ». |
4. DOOP DER BEKERING
| Mat. 3:11 |
« Ik doop u wel met water tot bekering ». |
| Mark. 1:4 |
« Predikende den doop der bekering ». |
| Hand. 13:24 |
« Gepredikt had den doop der bekering ». |
| Hand. 2:38 |
« Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt...». |
5. TEKENEN
| Mat. 11:20, 21 |
« Krachten meest geschied... niet bekeerd. Krachten geschied... bekeerd hebben ». |
| Mark. 6:12, 13 |
« Dat zij zich zouden bekeren; en zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond ». |
Uit de Hebreeuwse Schriften vermelden wij maar één geval.
| Mat. 12:41 |
« Zij (de mannen van Ninevé) hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas ». |
| Jona 3:5, 8, 10 |
« De lieden van Ninevé geloofden aan God ». « Zij zullen zich bekeren, een iegelijk van zijnen bozen weg ». « God zag hunne werken, dat zij zich bekeerden van hunnen bozen weg ». |
Ook hier was het met het oog op de zonde en een oordeel.
Wij menen te kunnen besluiten dat bekering van ieder mens gevraagd wordt, omdat hij van nature zondaar is en dus in het oordeel zou moeten komen. Dit geldt alle mensen in alle bedelingen.
In de Griekse Schriften wordt in het bijzonder de « toekomende toorn » en het koninkrijk nabij gezien. In betrekking daarmee had men waterdoop en tekenen. In onze bedeling is het koninkrijk niet nabij, maar dit belet niet dat toch iedere « natuurlijke » mens zich tot God moet bekeren. Nu zegt men soms, dat de voornaamste eis in onze bedeling is: « geloof » en de bekering eigenlijk deel uitmaakt van het geloof, of er op volgt. Laat ons dit punt dus nog nader onderzoeken.
Eerst moeten wij bepalen over welk « geloof » men
spreekt. Men meent dan in het bijzonder geloof in Christus. Uit de aangehaalde teksten van Jona zien wij dat de bekering van de
mannen van Ninevé bestond in het zich afwenden van hun boze weg en hun geloof aan God. Moet iets dergelijks nu ook
niet geschieden, vóór men in Christus gelooft? Wij menen van wel, ten minste als regel. Dat de bekering tot
God en het geloof in Christus onderscheiden zijn, zegt ons Hand. 20:21 « bekering tot God EN het geloof in onze Heere Jezus
Christus ». Wij hopen dit echter verder te onderzoeken als wij het « omkeren » zullen behandelen. (Zie ook:
« De Weg der Behoudenis »).
Wij eindigen, met de aandacht er op te vestigen dat « berouw » in Mat. 27:3 iets geheel anders is dan « bekering ».
OMKEREN
Het woord « epistrefoo » wordt ongelukkigerwijze dikwijls door « bekeren » vertaald. Letterlijk is het « omkeren » zoals in Mat. 9:22. Terwijl « bekeren » meer onze stemming betreft, spreekt « omkeren » van het gevolg. Daarom zegt Petrus dan ook: « bekeert u dan en keert u om » (Hand. 3:19).
Verder onderzoeken wij alleen het zich « omkeren » in geestelijke zin verstaan en wij onderscheiden weer van wie er gesproken wordt.
| ISRAEL |
VOLKEN |
ALLEN |
GELOVIGEN |
Mat. 13:15 Mark 4:12 Luk. 1:16, 17 Luk. 22:32 (Petrus) Joh. 12:40 Hand. 3:19 Hand. 9:35 Hand. 28:27 2 Kor. 3:16 1 Petr. 2:25 2 Petr. 2:21, 22 |
Hand. 11:21 Hand. 14:15 Hand. 15:19 Hand. 26:18, 20 Hand. 15:3 (omkering) |
1 Thes. 1:9 |
Gal. 4:9 Jak. 5:19, 20 |
Laat ons eerst over lsraël spreken. Waarom keerden zij zich niet om? Omdat zij zich niet bekeerden, d.i. zij sloten hun ogen en oren en verhardden hun hart. Zie Mat. 13:15.
Israël moest zich omkeren tot het uitwissen der zonden en opdat tijden van verkwikking zouden kunnen komen (Hand. 3:19).
Na hun omkering zou het deksel van hun hart worden weggenomen (2 Kor. 3:16).
Maar niet alleen Israël moest zich omkeren. Ook de volken. En wel in het bijzonder:
| Hand. 14:15 |
« van deze ijdele dingen ... tot den levenden God. |
| Hand. 26:18 |
« van de duisternis ... tot het licht van de macht des Satans ... tot God ». |
| 1 Thes. 1:9 |
« van de afgoden ... tot God ». |
Hun ogen zouden geopend worden (Hand. 26:18).
Ook hier zien wij wederom, dat iedereen zich moet omkeren tot God.
1. Thes. 1:9 geldt zowel Joden als Heidenen. Alle mensen zijn van nature gehecht aan allerlei afgoden, zowel nu als vroeger. Dat er bij de komst van Christus een heel bijzondere reden was om zich te bekeren en zich dan tot God om te keren spreekt van zelve. Maar zelfs al bestaat deze reden niet, al is het Koninkrijk, noch ook het oordeel nabij, toch moet ieder zich ook nu tot God omkeren.
Gaat het omkeren, het geloof in Christus vooraf of maakt het er deel van uit? Voor hen, die niet in God geloven, dus in het bijzonder voor de volken, schijnt het van zelve te spreken, dat zij zich eerst moesten bekeren en zich omkeren tot God en dan verder in Christus geloven. Hand. 26:18 scheidt ook weer die twee fazen van elkaar: « omkeren van de duisternis tot het licht... vergeving der zonden... en een erfdeel ... door geloof in Mij ». Dit bevestigt wat wij reeds gevonden hebben in de studie over « bekeren ». Wij weten dat ook een groot deel van Israël zich tot de afgoden gewend had. Moesten zij, vóór zij zich tot Christus konden keren, niet eerst voorbereid en toegerust worden en zich van die afgoden tot God omkeren? Zeer zeker. Dat was juist de opdracht van Johannes de Doper. Luk. 1:16, 17 « Hij zal velen der kinderen Israëls omkeren tot den Heere, hunnen God... om den Heere te bereiden een toegerust volk ». Het geloof in God is maar een begin (Heb. 6:1). Daarop moet geloof in Christus volgen (Joh. 14:1).
Zij die beweren, dat het « omkeren » deel maakt van het geloof in Christus en er niet aan voorafgaat, kunnen zich alleen beroepen op deze tekst:
Hand. 11:21 « En een groot getal geloofde en keerde zich om tot den Heere ».
Uit vers 20 blijkt, dat het de Heere Jezus betreft en die Grieken waren blijkbaar proselieten, die zich dus reeds van de afgoden tot God hadden omgekeerd.
Alles is duidelijk als wij het volgende aannemen: eerst was er een bekeren en omkeren van de afgoden tot God en die mannen uit de volken werden proselieten; dan was er een bekering en omkering van de « joodse godsdienst » tot de Heere Jezus. Dit laatste valt samen met geloof in de Heere Jezus.
Wij menen dus nu te kunnen besluiten dat er meerdere trappen van bekering en omkering zijn en onderscheiden deze drie:
1. De bekering en omkering tot God. Deze geldt alle mensen en gaat samen met geloof dat God tot doel heeft (voor zo ver Hij uit de schepping kan gekend worden).
2. De bekering en omkering van hen die in God geloven, maar niet in Christus (b. v. de Israëlieten in de Evangelieën en Handelingen. Die bekering en omkering gaan samen met geloof dat Christus tot doel heeft.
3. De bekering en omkering van hen die in Christus geloven, doch niet wandelen naar Gods wil. Dit gaat samen met het geloof in al wat God hen in de Schriften heeft geopenbaard.
Men kan nog verder onderscheiden. Wij hopen dit in een
afzonderlijke studie te doen. (Zie: « De Weg der Behoudenis »).
En wat is nu het belang van ons onderzoek? 1. Voor wat ons zelven betreft, dat men, door Gods Woord nauwkeurig te bestuderen, tot een helderder inzicht komt, Gods wil beter leert kennen en zich dan in alle opzichten tot Hem kan omkeren. 2. Voor anderen: dat men weet welke boodschap men moet brengen. Van iemand die niet in God gelooft, verlange men b.v. geen geloof in Christus. Eerst bekering tot God, dan geloof tot Christus, dan een getrouwe wandel.
Wij hebben dus veel te « verkondigen » en te « evangeliseren », zowel dingen betreffende de ongelovige, als betreffende de drie groepen gelovigen: die der aardse, hemelse en overhemelse sferen.
Zij die zeggen, dat de bekering het geloof niet voorafgaat, beweren ook dat men in onze bedeling de Heere niet moet zoeken. Dit wordt weersproken door de Schrift. Volgens Hand. 17:26, 27 moet het ganse geslacht der mensen God zoeken, dat betreft alle mensen van alle tijden. God beantwoordt dit zoeken. Israël moest God niet zoeken, want Hij was reeds door dat volk gekend in Zijn vroegere openbaringen. Nu moest Israël Hem leren kennen in Zijn Zoon. Vandaar dat Hij dat volk kwam zoeken. Zij die God nog niet kennen, moeten Hem zoeken, daarna zich bekeren en omkeren tot de Zich geopenbaard hebbende God. Na die bekering kunnen zij voortgaan tot het geloof in Christus. Het een kan kort op het ander volgen.
Ten slotte komt de vraag op: hoe kan een zondaar zich bekeren? Het
antwoord is, dat het niet uit hemzelve voortkomt, maar uit Gods goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid (Rom. 2:4).
(Zie: « De Weg der Behoudenis »).
EK (uit).
In plaatsen zoals Luk. 20:42; 22:69 staat « Zit uit Mijn rechter ». Het is merkwaardig dat van af de brief aan de Romeinen er in tegendeel staat: « in rechter » als er van de tegenwoordige positie van de Heere Jezus gesproken wordt.
Men weet het belang van « uit » in de teksten betreffende de opstanding. Wij geven hier een lijst van de teksten waar sprake is van « opwekken » of « opstaan » uit doden of uit van de doden.
| Opwekken (egeiroo) |
Opstaan (anistèmi) Opstanding (anastasis) |
« uit doden »
Mat. 17:9; Mark. 6:14, 16; Luk. 9:7; Joh.2:22; 12:1, 9, 17; 21:14; Hand. 3:15; 4:10; 13:30; Rom. 4:24; 6:4, 9; 7:4; 8:11; 10:9; 1 Kor. 15:12 (a), 20; Gal. 1:1; Ef. 1:20; 2 Tim. 2:8; Heb. 11:18; 1 Pet. 1:21.
|
« uit doden »
Mark. 9:9, 10; 12:25; Luk. 16:31; 24:46; Joh. 20:9; Hand. 10:41; 13:34; 17:3,31;1 Petr.1:3.
|
« uit van de doden »
Kol. 2:12; 1 Thes. 1:10.
|
« uit van de doden »
Luk. 20:35; Hand. 4:2; Ef. 5:14.
|
Verder nog enkele aanmerkingen in verband met enige plaatsen waar « uit » gebruikt is.
Joh. 9:32 « Van uit de eeuw (aioon) is het niet gehoord ». Gedurende de loop van deze boze eeuw was het nooit gehoord, dat iemand de ogen eens blindgeborenen geopend had.
Joh. 18:36 « Mijn Koninkrijk is niet van uit deze wereld ». Het gaat hier over de hemelse oorsprong van het Koninkrijk. Dit komt niet op uit de wereld, dit is: als andere rijken. Bewijs daarvoor ligt in de woorden: Indien Mijn Koninkrijk uit de wereld ware, zo zouden Mijn dienaars voor Mij gestreden hebben. Van het Koninkrijk wordt evenwel niet gezegd, dat het niet op aarde zal zijn. Het komt niet uit de wereld op, maar wordt opgericht in, voor, met het oog op de wereld. Dan. 7:27. De Heere was niet uit Nazareth, leefde er evenwel zekere tijd in. Zo is het Kon. niet uit de wereld, maar komt eenmaal in en op die wereld. De vertaling: van, brengt veel misverstand teweeg.
Gal. 3:13 « Christus heeft ons uitgekocht van uit de vloek der wet. ». De Galaten waren « uit de werken der wet » en dus onder de vloek.
1 Thes. 1:10 is reeds behandeld onder « Toorn », bldz. 12.
Op. 3:10 « Zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking». Zij komen in die verzoeking, in de toekomende toorn, doch worden er uit gered. (Zie 1 Thes. 1:10).
KRIJGEN EN AANNEMEN
Als God iets van een schepsel verlangt, stelt Hij dat schepsel ook in de mogelijkheid aan Zijn verlangen te voldoen. Of ten minste kan het schepsel al het nodige van God krijgen als het zijn eigen zwakheid inziende, zich tot God om hulp richt. Het is nodig hier te onderscheiden tussen het aanbieden en het in ontvangst nemen. Het eerst is onafhankelijk van de mens (objectief), het tweede hangt van zijn wil af (subjectief).
Een konkordantisch onderzoek toont, dat « lambanoo » zoals gebruikt in Hand. 1:20; Rom. 5:17; Heb. 5:4, objectief is. Het betreft een aanbieding van iets.
Daarentegen drukken de volgende woorden iets subjectiefs uit:
1. Dechomai.
Luk. 8:13 « En die op de steenrots bezaaid worden, zijn deze, die... het woord met vreugde ontvangen ».
Hand. 7:38 « Deze is het (Mozes) ... welke de levende woorden ontving ».
Hand. 17:11 « Deze (Bere�rs) ... die het woord ontvingen met alle toegenegenheid ».
2 Kor. 6:1 « Dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben ».
2 Kor. 11:4 « Indien gij een anderen geest ontvingt (lambanoo), dien gij niet hebt ontvangen (lambanoo), of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen (dechomai) ».
2 Thes. 2:10 « Degenen, die verloren gaan; daardoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden ».
Men ziet zeer duidelijk het contrast tussen lambanoo en dechomai in 2 Kor. 11:4. Zo ook in Mat. 10:41, waar de eerste en derde maal dechomai gebruikt is, en de tweede en vierde maal lambanoo. 2 Thes. 2:10 toont hoe de verantwoordelijkheid der behoudenis geheel bij de mens ligt.
2. Paralambanoo.
Joh. 1:11 « De Zijnen hebben Hem niet aangenomen ».
1 Kor. 15:1 « Het Evangelie... hetwelk gij ook aangenomen hebt ».
Kol. 2:6 « Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem ».
1 Thes. 2:13 « Als gij het woord der prediking van God van ons ontvangen hebt (paralamb.), gij dat aangenomen hebt (dechomai)... ».
3. Paradechomai.
Mark. 4:20 « En deze zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het woord horen en aannemen ».
4. Epilambanoo.
1 Tim. 6:12 « Grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt ».
DE GRIEKSCHE VOORZETSELS
Op de volgende bladzijde geven we een overzicht van de meest gebruikte Griekse voorzetsels. Daarbij is opgegeven met welke naamval ze gebruikt zijn. (Genitief = 2e naamval; datief = 3e naamval; accusatief = 4e naamval). In het Nederlands is het niet altijd mogelijk ze op een enkele wijze te vertalen, maar toch kan men dit méér doen dan nu het geval is. Bij elk voorzetsel voegden we de vertaling bij die het meest algemeen geschikt schijnt te zijn. Door middel van de cirkel poogden we ook de betekenis beter voor te stellen.
(Bij DIA, accusatief, leze men: « om reden van »;
bij PARA: « naast » in plaats van « neven »;
In plaats van Mat. 2:22 onder de voorbeelden, neme men Mat. 6:10).
LATEN EN VERLATEN
In het onderzoek over « tot in », spraken wij over het « verlaten » « tot-in » de Hades (Hand. 2:27 en 31). Sommige vertalingen gebruiken hier het woord « laten ». Wat moeten wij nu geloven? Betreft het een verbreking van gemeenschap en is het dus « verlaten », of is het eenvoudig een « laten » zonder dat de gedachte van gemeenschap op de voorgrond staat?
Wij onderzoeken hier niet de betekenis van « laten » zoals in Luk. 10:40; Luk. 22:51 of 2 Petr. 1:8, doch begrenzen ons tot de woorden: « apoleipoo », « aphièmi », « kataleipoo » en « egkataleipoo ».
Het eerste woord vindt men b. v. in 2 Tim. 4:13, 20:
« Breng den reismantel mede, dien ik te Troas hij Carpus gelaten heb ».
« Trofimus heb ik te Milete krank gelaten ».
De betekenis is duidelijk. Hetzelfde woord is in Jud. 6 gebruikt.
Het tweede woord komt voor in Mat. 4:11, 20, 22:
« Toen liet de duivel van Hem af »
« Zij dan, terstond de netten verlatende »
« Zij dan terstond verlatende het schip »
Dat woord wordt dikwijls door « vergeven » vertaald, zoals in Mat. 6:14. Wij komen hier mogelijk later op terug.
Het derde woord is b. v. in Mat. 4:13 gebruikt:
« En Nazareth verlaten hebbende ».
Het is echter vooral het vierde woord, dat in Hand. 2:27 voorkomt, dat wij moeten onderzoeken. Ziehier al de teksten:
Mat. 27:46 en Mark 15:34 « Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten! »
Hand. 2:27 « Want gij zult mijne ziel in (tot-in) de hel (hades) niet verlaten ».
Hand. 2:31 « Dat Zijn ziel niet is verlaten in (tot-in) de hel (hades) ».
Rom. 9:29 « Indien de Heere Sebaoth ons geen zaad had overgelaten ».
2 Kor. 4:9 « Vervolgd, doch niet (daarin) verlaten ». 2 Tim. 4:10 « Want Deuras heeft mij verlaten ».
2 Tim. 4:16 « Maar zij hebben mij allen verlaten ».
Heb. 10:25 « En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten ».
Heb. 13:5 « Ik zal u niet verlaten ».
Sommige teksten hebben dit woord niet in Hand. 2:31, doch de drie voornaamste handschriften hebben het wel. De betekenis kan niet anders zijn dan b.v. in 2 Kor. 4:9 aangegeven, dus verlaten in de zin dat gemeenschap verbroken is. In het Engels zou men schrijven: to abandon, in het Fransch: abandonner. Ook Rom. 9:29 kan zo verstaan worden.
God had het zaad weg kunnen nemen, weg van de wantoestanden dezer wereld. Nu verliet hij het in de handen van het zondige volk (zie Jes. 1:1-9).
In Mat. 27:46 is de duisternis een uitwendig teken van het feit dat Jezus door God verlaten werd. Hij was vervloekt, toen Hij aan het hout hing (Gal. 3:13). Hij gaf Zichzelf ten bate van ons op, een offerande en slachtoffer (Ef. 5:2). Aan die offerande hebben wij deel, als wij met Christus gestorven zijn (Rom. 6:8). Het gaat onze gedachten verre te boven wat het voor de Zoon betekende door God verlaten te worden. En dat had plaats voor ons! Om reden van onze zonden! Maar Hij bleef niet verlaten. Zelfs vóór de Hades was er reeds gemeenschap. Zo zijn dan zij, die met Hem gestorven zijn, ook gerechtvaardigd van de zonde.
STIERF CHRISTUS IN ONZE PLAATS OF VOOR ONS?
Een Schriftonderzoeker met veel ondervinding schreef onlangs: « Nooit was er een tijd, waarin echte Godvrezende Christenen meer behoefte hebben aan de Goddelijke vermaning: Beproeft alle dingen, behoudt het goede (1 Thes. 5:21). Wij zijn alleen veilig, als wij doen zoals de Bereërs en de Schriften dagelijks onderzoeken om te zien of de dingen, die wij horen of lezen van mensen — zij mogen nog zo vermaard zijn om hun geleerdheid, godsvrucht en rechtzinnigheid — overeenstemmen met het zekere Woord van God ». (Wij vertaalden uit het Engels). Dat is steeds ook onze gedachte geweest en een der redenen waarom met « Uit de Schriften » begonnen is. Niet dat wij graag de gedachten van anderen in twijfel trekken. Ging het over menselijke zaken, dan lieten wij alles over aan « betrouwbare » autoriteiten. Nu het echter over Gods Woord, over de Waarheid gaat en wij niet op mensen mogen steunen, willen en moeten wij zelf onderzoeken. Men moet wat over hebben om zo'n onderzoek in te stellen, en het eerste is wel: bereid te zijn alle eigen gedachte te laten varen voor een meer Schriftuurlijke. Dat is moeilijk. Want wij hebben onszelf zo lief. Wij moeten bereid zijn onze ziel te verliezen om: Christus' wille (Mt. 10:39), dat is: geheel afstand doen van alle « ziellijke » gevoelens, zoals hoogmoed, eigendunk, gemakzucht, traagheid enz. Als wij dat doen, is er ook geen gevaar, dat wij de gedachte van anderen in twijfel trekken om de onze in de plaats er voor te stellen. Hoe meer wij afstand doen van onszelf, hoe gemakkelijker wij van de Heilige Geest de waarheid leren. Men denke er aan: alle moeilijkheid, die wij hebben met de Schriften ontstaat door onze fout, wij zijn te traag om ons te oefenen, onze geestelijke ogen te gebruiken om te leren zien en wij plaatsen allerlei dingen in de weg.
Toen iemand beweerde, dat de Heere Jezus niet « in onze plaats » gestorven was, schrokken wij. Het werd echter niet gezegd in een geest van ongeloof, alsof de Heere Jezus voor ons maar alleen een voorbeeld zou geweest zijn, maar als gevolg van een zorgvuldig onderzoek en een zich vasthouden aan de door God ingegeven woorden. Hoe durfde men zóiets zeggen, waar zovele vermaarde predikers die uitdrukking toch telkens weer gebruiken! Wij zijn overtuigd, dat de meesten ofwel zich onmiddellijk, zonder verder onderzoek, zullen afwenden van iemand, die durft zeggen, dat Hij niet in onze plaats gestorven is, ofwel zullen zeggen dat men zoveel belang niet moet hechten aan een uitdrukking. Het eerste toont een neiging tot sektarisme en geloof in « autoriteiten », het tweede is een bewijs, dat men de ingeving van Gods Woord niet op prijs stelt. Dit Woord is een zwaard in onze worsteling (Ef. 6:17). Onschriftuurlijke uitdrukkingen zijn geen zwaard. Wie heeft er belang bij ons éénig wapen te ontnemen of van « scherpsnijdend » bot te maken? Vanzelf, de overste van de macht der lucht, de geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid en die tevens vele gelovigen in zijn strik vangt (2 Tim. 2:26). Om dat te voorkomen, moet men doen als de Bereërs. Zij vonden het zelfs nodig de woorden der Apostelen te controleren.
Laat ons deze zaak dan onderzoeken, steunende op de gezonde woorden en zien of behalve de begrippen « plaatsvervanging » en « voorbeeld » er geen andere, meer schriftuurlijke, oplossing is.
Met de konkordantie zoeken wij nu eerst alle teksten, waar sprake is van het sterven van Christus. Wij letten er in het bijzonder op welk voorzetsel gebruikt is.
Joh. 11:51 « Dat Jezus sterven zou voor (huper) het volk ».
Rom. 5:6 « Want Christus... is te Zijner tijd voor (huper) de goddelozen gestorven ».
Rom. 5:8 « Dat Christus voor (huper) ons gestorven is ».
Rom. 14:15 « Voor (huper) welken Christus gestorven is ».
1 Kor. 15:3 « Dat Christus gestorven is voor (huper) onze zonden ».
2 Kor. 5:15 « Indien één voor (huper) allen gestorven is ».
« En Hij is voor (huper) allen gestorven ».
« Die voor (huper) hen gestorven en opgewekt is ».
1 Thes. 5:10 « Die voor (huper) ons gestorven is ».
Zonder uitzondering is het dus « huper », dus « voor », « ten bate van », niet « in de plaats van ».
Verder zijn er nog vele teksten waar gesproken wordt over het veelzijdig werk van Christus.
Met eenige moeite, kunnen wij die ook verzamelen. Wij nemen eerst de teksten met « huper »:
Mark. 14:24 « Mijn bloed,... dat voor (huper) velen vergoten wordt ». (Zie ook Luk. 22:19, 20).
Joh. 6:51 « Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor (huper) het leven der wereld ».
Joh. 10:11 « De goede herder stelt zijn ziel voor (huper) de schapen ». (Zie ook v. 15).
Rom. 8:32 « Maar heeft Hem voor (huper) ons allen overgegeven ».
1 Kor. 5:7 « Want ook ons Pascha is voor (huper) ons geslacht ».
1 Kor. 11:24 « Dat is Mijn lichaam, dat voor (huper) u gebroken wordt ».
2 Kor. 5:15 « Die voor (huper) hen... opgewekt is ».
2 Kor. 5:21 « Heeft Hij zonde voor (huper) ons gemaakt ».
Gal. 1:4 « Die Zichzelven gegeven heeft voor (huper) onze zonden ».
Gal. 2:20 « Zichzelve voor (huper) mij overgegeven heeft ».
Gal. 3:13 « Een vloek geworden is voor (huper) ons ».
Ef. 5:2 « Zichzelven voor (huper) ons heeft overgegeven »
Ef. 5:25 « Zichzelven voor (huper) haar heeft overgegeven.»
1 Tim. 2:6 « Die Zichzelven gegeven heeft een rantsoen voor (huper) allen ».
Tit. 2:14 « Die Zichzelven voor (huper) ons gegeven heeft ».
Heb. 2:9 « Voor (huper) allen den dood smaken zou ».
Heb. 10:12 « Een slachtoffer voor (huper) de zonden ».
1 Pet. 2:21 « Dewijl ook Christus voor (huper) ons geleden heeft » .
1 Pet. 3:18 « De Rechtvaardige voor (huper) de onrechtvaardigen ».
1 Pet. 4:1. « Dewijl dan Christus voor (huper) ons in het vlees geleden heeft ».
I Joh. 3:16 « Zijn ziel (Gr.) voor (huper) ons gesteld heeft. » Die lijst spreekt voor zich zelve. Nooit is er de gedachte, van een « plaatsvervangend » lijden of sterven.
Nu de teksten met « peri »:
Mat. 26:28 « Mijn bloed,... hetwelk voor (peri) velen vergoten wordt (zie Mark. 14:24; Luk: 22:19, 20 waar « huper » gebruikt is).
Rom. 8:3 « Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleeses en dat voor (peri) de zonde ».
1 Petr. 3:18 « Want Christus heeft ook eens voor (peri) de zonden geleden ».
I Joh. 2:2 a Hij is een verzoening voor (peri) onze zonden » enz.
1 Joh. 40:10 « Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor (peri) onze zonden ».
Men ziet, dat peri ook niet « in onze plaats » kan betekenen.
Verder een tekst met « dia »:
Rom. 4:25 « Welke overgeleverd is om (dia) onze zonden (misdaden), en opgewekt om (dia) onze rechtvaardigmaking (rechtvaardiging) ».
Het is hier ook weer niet « in de plaats van ». Dia in de accusatief. (4e naamval) betekent « om reden van ».
Er blijven nu nog twee verzen over, waar « anti » gebruikt is, namelijk in de overeenstemmende plaatsen Mt. 20:28 en Mk. 10:45. Wij bespreken ze hieronder. Vooraf merken wij op, dat er behalve de twee laatste teksten, niet de minste reden is om van plaatsvervanging te spreken. Van waar dan die gedachte? Is het misschien uit Jes. 53:4, 5: « Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen... Maar Hij is om onze overtredingen verwond; om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden ». Dit alles spreekt echter nog niet letterlijk van « plaatsvervanging ».
Misschien heeft men ook gedacht aan Mt. 20:28 « Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor (anti) velen ». Het woordje « anti » kan wel de betekenis hebben van « in de plaats van », maar dikwijls is dit niet het geval in de Schrift. Laat ons dit woord in de Konkordantie opzoeken. Wij vinden dan b.v. Mt. 5:38 « Oog om (anti) oog ». Het eene oog staat niet of komt niet in de plaats van het andere. Mt. 17:27 « Geef hem, (den stater) voor (anti) mij en u ». Dat geldstuk werd toch niet in de plaats van de Heere en Petrus gegeven! Waren zij, of althans onze Heere niet méér waard? Rom. 12:17 « Kwaad voor (anti) kwaad ». Zie ook 1 Thes. 5:15 en 1 Petr. 3:9. Dat het rantsoen niet in de plaats van de velen kwam, leren wij ook uit 1 Tim. 2:6 « Zichzelven gegeven heeft een rantsoen (antilutron) voor (huper, dus ten bate, ter wille van) allen ». Verder moet men onderzoeken wat het zeggen wil zijn ziel te geven. Wellicht hebben wij daar later de gelegenheid voor. Het heeft meer betrekking op het lijden dan op het sterven. « Want gij zijt duur gekocht » zegt 1 Kor. 6:20. Zó duur, dat de prijs verre de waarde overtrof. « Antilutron » is dan ook geen prijs, die juist overeenstemt met de waarde van hen, waarvoor hij gegeven is. Hij is onze Schepper, onze Redder, onze Behouder, niet slechts een, wiens waarde met de onze kan vergeleken worden. Het Russellisme leert op grond van deze tekst, dat Christus een gelijkwaardige losprijs gegeven heeft. Wat Adam verloor, gewon Christus. Meer niet. Wat heeft Adam verloren? De heerschappij op aarde. Wat heeft Christus verworven? De macht in hemelen en op aarde, ja het Hoofd zijn boven alle dingen. Staat dit gelijk? Wat verloor Adam? Het levende ziel blijven. Wat werd Christus? Het tot levendmakende Geest zijn. Staat dit gelijk? Alle leer, die daarom van een gelijkwaardige losprijs spreekt, in deze zin, ontrooft Christus voor een groot deel van de waardij van Zijn verheven, heilig werk.
Als men Mat. 20:28 zo verstaat, dat Hij gegeven heeft wat wij niet konden geven, dus op deze wijze iets in onze plaats gegeven heeft, dan stemmen wij hierin volmondig toe. Wij missen, komen te kort in alles en kunnen niets goeds van ons zelf. Hij moet alles doen. Hij moest in onze plaats een rantsoen geven. Op deze wijze verstaan, nemen wij het « plaatsvervangen » aan. Maar gewoonlijk bedoelt men er veel meer mee.
Wij willen hen nog verder tegemoet komen, die het belang niet inzien van de zaak. Vooreerst vragen wij waarom men een andere uitdrukking wil gebruiken dan die van de Heilige Geest? Menen wij het juister te kunnen uitdrukken? Stellen wij ons boven de Heilige Geest?
Spreekt men van een plaatsvervangend sterven, dan krijgt men al vast allerlei moeilijkheden. Een dezer is, dat al sterft een mens in de plaats van een ander, deze laatste daarom nog niet gerechtvaardigd is. Men kan wel een schuld betalen in de plaats van een ander, maar een straf die een zekere mens moet treffen kan niet op een ander overgaan. Die straf is iets persoonlijks en als zij op een ander overgaat is het geen straf meer. Iets dergelijks is maar in één geval mogelijk: als er tussen beide een zóó innige gemeenschap bestaat, dat zij als één wezen kunnen beschouwd worden. Wij komen hierop terug, maar merken op dat het dan geen plaatsvervanging meer is.
Vervolgens lezen wij dan in 2 Kor. 5:15 « Die in hun plaats is opgewekt ». Dan worden zij zelf niet opgewekt! Ziet men het gevaar iets te veranderen aan Gods Woord, al is het met de beste bedoelingen?
Een andere moeilijkheid is dat, als Christus in onze plaats gestorven is, er uit volgt, dat wij niet meer moeten sterven. Ofwel is Christus lichamelijk gestorven in de plaats van ALLE gelovigen en dan sterft GEEN hunner lichamelijk, ofwel is Christus ten bate van allen gestorven en kunnen zij ook lichamelijk sterven. Ook zou geen lichamelijk lijden ons moeten treffen als Hij in onze plaats geleden heeft.
Verder kan men opmerken, dat, als iemand in onze plaats iets doet, deze op dezelfde rang staat als wij zelf. Iemand van een hogere rang doet wel iets voor ons, maar niet in onze plaats. Een zoon die iets doet in de plaats van zijn vader door b.v. als mede-kompagnon in de zaak een stuk te tekenen, staat in dat geval op één lijn met die vader. Doet hij iets ten behoeve van zijn vader, dan staat hij financieel b.v. boven hem. Een moeder doet als regel alles ten behoeve van haar kind Als zij iets doet in de plaats van haar kind, kan dit dat ook doen, in het eerste geval niet.
Wie dus meent, dat Christus in onze plaats gestorven is, stelt zich op één lijn met Hem. Men bedoelt dit wel niet, maar zegt het wel. Is Christus echter ten behoeve van ons gestorven, dan konden wij dat niet. Dat leert de Schrift dan ook: het vlees was door de zonde krachteloos om te sterven, nu stierf Christus ten behoeve van ons. Het: « In de plaats van », trekt Christus omlaag, het « ten behoeve van » zegt, wat de Schrift leert.
Er is nog meer. Het gebruik van het voorzetsel « sun » (« met » of « mede ») is zeer leerzaam om na te gaan. In verband met het vorige wijzen wij op Rom,. 6:
« Met Hem begraven » (v. 4).
« Met Hem eene plant » (v. 5).
« Met Hem gekruisigd » (v. 6).
« Met Christus gestorven » (v. 8).
« Met Hem zullen leven » (v. 8).
En dan in Ef. 2:
« Mede levend gemaakt in Christus » (v. 5).
« Mede opgewekt » (v. 6).
« Mede gezet in den hemel (overhemelsche) » (v. 6).
In hoeveel plaatsen wordt niet van deze gemeenschap gesproken! Zie onder meer Job. 6:56.
Is MET Hem gekruisigd, gestorven en begraven niet meer dan dat Hij « in onze plaats » zou geleden hebben en gestorven zijn? En dan kunnen wij ook mede opgewekt worden en mede gezet worden in de overhemelse!
Al is er dan wel iets dat op plaatsvervanging lijkt, de hoofdgedachte moet zijn: een zodanige gemeenschap, dat er kan gezegd worden dat wij « in Christus » zijn, of beter, dat wij deelmaken van Zijn Lichaam.
In verband met het vorige, ziet men ook dat 1 Petr. 3:24 niet spreekt van plaatsvervanging, al staat er: « Die zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft... door Wiens striemen wij genezen zijn. » Het betreft hier ook een sterven MET Christus: « der zonden afgestorven zijnde ».
De Bijbel spreekt ons over twee gemeenschappen: die met Adam en die met Christus. In Adam sterven allen en zij derven de heerlijkheid Gods. In Christus zullen zij allen levend gemaakt worden (1 Kor. 15:22). Nu zijn wij niet meer in Adam, maar in Christus. Nog beter is het deel te maken van het Samen-Lichaam, waarvan Hij het Hoofd is, dat is een volkomen organische eenheid.
Zo ziet men, dat men het « plaatsvervangend sterven » niet behoeft te stellen tegenover het « als voorbeeld sterven », want zo komt men tot moeilijkheden, loopt gevaar veel te verliezen en verheerlijkt Christus niet. Men houde zich aan de ware oplossing, die ons gegeven wordt in de gezonde woorden van de Heilige Geest. Christus stierf ten bate van allen en de gelovigen sterven met Hem. Laat ons daarom niet spreken van plaatsvervanging, maar van eenheid en gemeenschap met Hem, Die aan de rechterhand Gods zit, boven alles.
OORDELEN EN VEROORDELEN
Tussen oordelen en veroordelen is zeker heel wat verschil. Iemand die geoordeeld wordt, kan veroordeeld, doch ook vrijgesproken worden.
« Krinoo » is oordelen, « katakrinoo » is veroordelen; « krima » en « krisis » is oordeel,« katakrima » en « katakrisis » is veroordeling. Laat ons onderzoeken hoe de Statenvertaling en die van Voorhoeve die woorden vertalen.
KRINOO |
KATAKRINOO |
| |
St. vert. |
Voorh. |
Mat. 19:28 Joh. 3:17 Joh. 3:18 Joh. 12:47 Hand. 13:27 2 Thes. 2:12 |
oordelen veroordelen veroordelen oordelen veroordelen veroordelen |
oordelen oordelen oordelen oordelen veroordelen oordelen |
|
| |
St. vert. |
Voorh. |
Rom. 2:1 |
veroordelen |
veroordelen |
|
KRIMA |
KATAKRIMA |
| |
St. vert. |
Voorh. |
Rom. 3:8 Rom. 5:16
|
verdoemenis schuld
|
oordeel oordeel
|
|
| |
St. vert. |
Voorh. |
Rom. 5:16 Rom. 5:18 Rom. 8:1 |
verdoemenis verdoemenis verdoemenis |
verdoemenis verdoemenis verdoemenis |
|
KRISIS |
KATAKRISIS |
| |
St. vert. |
Voorh. |
Mat. 23:33 Joh. 5:24 Joh. 5:29 I Tim. 5:24 |
verdoemenis verdoemenis verdoemenis veroordeling |
oordeel oordeel oordeel oordeel |
|
| |
St. vert. |
Voorh. |
2 Kor. 3:9 2 Kor. 7:3 |
verdoemenis veroordeling |
verdoemenis veroordeling |
|
Men ziet, dat de vertaling van Voorhoeve op één uitzondering na, het verschil goed doet uitkomen. Waarom ook niet « oordelen » geschreven in Hand.13:27? Zij oordeelden de Zoon Gods, omdat zij Hem niet als Christus aannamen. Jes.53:3 zegt:
« Wij hebben Hem niet geacht ». Het oordelen is aldus een vervulling der profetie.
Hoe jammer dat de Statenvertaling van veroordelen en verdoemenis spreekt als de Griekse Schriften dat niet doen. In Rom. 2:1 waren zij wel verplicht goed te vertalen omdat beide « krinoo » en « Katakrinoo » gebruikt zijn. Het ging niet om nu voor beide « veroordelen » te schrijven.
Maar waarom dan ook niet in de andere teksten? Laat ons er eenige van onderzoeken:
Joh. 3:17 « Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden ».
God heeft Zijn Zoon niet gezonden OM te oordelen. Christus werd van zelf een oordeel (Joh. 9:39) omdat door het « licht » de boze werken zichtbaar werden (Joh. 3:19).
Zie ook Joh. 12:47. Het woord zal oordelen (v. 48).
Joh. 3:18 « Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld ». Hier ziet men in het bijzonder hoe verkeerd het is het woord « veroordeeld » te gebruiken. Zo doet men veronderstellen dat zij wel geoordeeld, maar niet veroordeeld worden. Zij die in Hem geloven, komen echter niet eens in het oordeel, zoals de Griekse tekst in Joh. 5:24 zegt.
2 Thes. 2:12 « Opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben ». Gods Woord zegt niet dat allen zullen veroordeeld worden, wel dat ze geoordeeld worden. Het eerste beweren is iets aan het Woord toedoen. Er staat ook niet dat ze niet veroordeeld zullen worden. De uitslag wordt heel wijselijk onbeslist gelaten, zoals in Op. 20:15 « Zo iemand niet gevonden werd... ».
Daarbij is « niet » de vertaling van « mè » en de betekenis is dus « niet willen geloofd hebben. ». Joh. 5:29 spreekt dan ook van een opstanding des « oordeels ».
Rom. 3:8 « Welker verdoemenis rechtvaardig is ». Paulus verdoemde niemand. Hij liet ze aan Gods oordeel over.
Rom 5:16 Het oordeel is uit ééne misdaad tot veroordeling voor de « oude mens ».
Mat. 23:33 Het oordeel der Gehenna zal wel geen gunstig oordeel zijn. Zo ook het « zwaar » oordeel van Mark. 12:40 en het oordeel « des doods » van Luk. 24:20.
I Tim. 5:24 Daar zij niet gerechtvaardigd zijn door het geloof, moeten zij in het oordeel komen.
DOEN
« Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik ». Rom. 7:15. In dit vers gebruikt de Statenvertaling driemaal het woord « doe ». Het Grieks gebruikt hier echter drie verschillende woorden: « katergazomai » (uitwerken), « prassoo » (praktiseren, d.i. als regel doen, in praktijk brengen) en « poieoo » (doen).
Om dit vers goed te begrijpen voegen wij er bij, dat « kennen » dikwijls wil zeggen: kennen in goede zin. Voorbeelden hiervan vindt men in Mat. 7:23; Rom. 8:29; 1 Kor. 8:3; Gal. 4:9; 2 Tim. 2:19. In die teksten worden slechts sommigen op bijzondere wijze, in goede zin, goedkeurend gekend. In Hom. 7:15 menen wij ook dat « kennen » meer dit bijzondere kennen is.
Verder merken we op, dat « willen » hier willen is in
de zin van « verlangen ». (Zie « Wil »). Wij vertalen nu Rom. 7:15, rekening houdende met dit alles:
« Want hetgeen ik uitwerk, dat keur ik niet goed; want hetgeen ik verlang dat doe ik niet geregeld, maar hetgeen ik haat,
dat doe ik (dikwijls) ». Paulus spreekt hier in de naam van hen, die, alhoewel wedergeboren en gelovende, nog gevangen zijn
van de « wet der zonde » (v. 23). Zij zijn nog niet vrijgemaakt van die wet, zoals de gerechtvaardigden van Rom. 8:2.
Van hen, die alleen wedergeboren zijn, kan nog niet gezegd warden dat zij in « Christus » zijn (2 Kor. 5:17) en dus
ook niet gesproken worden van een nieuwe schepping. Nog minder van een « nieuwe mens », een uitdrukking die alleen
voor de gemeente der verborgenheid gebruikt wordt. Men heeft ook dikwijls gesproken van de « oude natuur » en de
« nieuwe natuur » in verband met Rom. 7. Deze uitdrukkingen zijn niet schriftuurlijk. Wij hebben allen, zowel
gelovigen als ongelovigen, dezelfde « natuur », namelijk de « menselijke natuur » (Jak. 3:7), die
overeenkomt met onze tegenwoordige bestaanswijze. Die « natuur » is op zichzelf noch goed, noch slecht. (Zie: «
De Weg der Behoudenis »).
Er is in dit hoofdstuk geen strijd tussen een « nieuwe ik » en een « oude ik », maar wel tussen het verlangen (wil) en het doen in de wedergeborene (v.18). Hij wil wel, maar kan niet. Het kwade wordt door de zonde die in hem woont uitgewerkt (v. 20). Hij moet nog uit genade, doormiddel van Jezus Christus gered worden uit « het lichaam dezes doods » (v. 24). Hij moet nog met Christus sterven (Rom. 6:8) en alzo der wet gedood zijn (Rom. 7:4), dus vrijgemaakt van de wet der zonde (Rom. 8:2).
« Uitwerken » is iets dat van ons afhangt, doch als gevolg van een kracht die in ons werkt. Zo zegt b. v. Rom. 15:18: « Hetwelk Christus door (doormiddel van) mij niet gewrocht (uitgewerkt) heeft ». Paulus was maar een instrument, Christus moest door hem, werken. Als Paulus onwillig geweest was dan had hij echter niets « uitgewerkt ». De oorsprong lag bij Christus, Paulus moest het middel zijn, dat zich vrij tot Zijn beschikking stelde.
In Ef. 6:13 is « verricht » ook de vertaling van « uitgewerkt ». Vers 10 zegt van krachtig in de Heere, in de sterkte Zijner macht te zijn. Dan komt de « wapenrusting Gods ». God werkt in ons en wij moeten uitwerken.
Zo zegt ook Fil. 2:12 « werkt uws zelfs zaligheid uit » daar het God is, die in ons werkt (v. 13). Niemand kan uit eigen kracht zijn « zaligheid » bewerken. Hij kan ze alleen uitwerken omdat God ze inwerkt.
1 Petr. 4:3 spreekt van het uitwerken van der Heidenen wil. Nu willen wij ook eenige teksten opgeven waar « prassoo » d.i. iets min of meer geregeld doen, gebruikt is.
Joh. 3:20 « kwaad (geregeld) doen » staat tegenover « de waarheid doen » (poieoo) van v. 21. Zie ook Rom. 7:19 waar het tweede « doe » het werkwoord « prassoo » is.
Rom. 1:32 « Daar zij het recht Gods weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen geregeld doen, des doods waardig zijn) niet alleen ze (geregeld) doen ... ». Zij die soms, in bijzondere gevallen zulke dingen doen, komen hier niet ter sprake. Zo ook Rom. 2:2; 13:4.
1 Kor. 9:17 Paulus moet het Evangelie niet nu en dan verkondigen, maar het gewillig en geregeld doen. Dan heeft hij loon.
2 Kor. 5:10 Voor de rechterstoel van Christus draagt ieder weg naardat hij geregeld gedaan heeft, niet naar enkele buitengewone gevallen.
Gal. 5:21 Zij die de werken des vleeses (v. 19-21) geregeld doen, zullen het koninkrijk Gods niet beërven.
Fil. 4:9 Hetgeen zij geleerd, ontvangen, gehoord en in Paulus gezien hadden, moesten zij geregeld doen.
Er zijn nog menige andere wijzen van « doen »: werken, werkzaam zijn, beginnen, ten einde brengen enz. die wij echter nu niet zullen onderzoeken. Zou het niet wenselijk zijn om in de nieuwere vertalingen van Gods Woord zo veel mogelijk hetzelfde Nederlandse woord te gebruiken, waar telkens hetzelfde Griekse woord voorkomt? Of anders de lezer mee te delen, waar het betrokken Gr. woord nog gebruikt wordt?
GOED
De Heere Jezus zei volgens de Statenvertaling: « Niemand is goed dan Eén » (Mat. 19:17).
Lukas schreef in Hand. 11:24 « Hij (d.i. Barnabas) is een goed man ».
Wie heeft er nu gelijk?
Paulus schrijft in Rom. 3:12 « Er is niemand die goed doet ». Dat komt goed overeen met de woorden van de Heere. Maar diezelfde Paulus schreef later: « Wetende dat zo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben » (Ef. 6:8). Weerspreekt hij nu zichzelve?
Laat ons weer eens beproeven of de konkordantie ons niet kan helpen. Mogelijk vinden wij dan weer dat de ingegeven tekst de moeilijkheden niet bevat, die men in de vertalingen vindt.
Eerst zoeken wij het woord « goed » op en vinden, dat er voornamelijk drie Griekse woorden door « goed » vertaald worden, dat zijn: « krèstotes », « agathos » en « kalos ».
« Krèstotes » wordt op alle plaatsen door « goedertierenheid » vertaald, uitgezonderd in Rom. 3:12. Goedertierenheid wordt alleen gebruikt van God en van hen, die « in Christus » zijn. (Rom. 2:4; 11:22; 2 Kor. 6:6; Gal. 5:22; Ef. 2:7 enz.). Van zelf doen zij, die nog « onder de zonde » zijn, geen goedertierenheid. Rom. 3:12 zegt dus niets tegen Ef. 6:8.
« Agathos » en « kalos » zijn minder gemakkelijk te onderscheiden. Het eerste betreft meer de inwendige aard, het tweede meer de uitwerking. Wij willen hier niet verder over dit verschil spreken. Wij spreken ook niet over het verschil tussen doen », « werken » en andere uitdrukkingen, doch zoeken nu verder licht door verschillende teksten te lezen waar van « goed » of « goed doen » gesproken wordt.
Dat velen « goed doen » wordt meermalen gezegd, b.v. in: Rom. 2:10 « Heerlijkheid, en eer en vrede een iegelijk, die het goede (agathos) werkt ».
Gal. 6:10 « Laat ons goeddoen (agathos) ».
3 Joh. 11 « Die goed (agathos) doet is uit God ».
Dat sommigen « goed zijn » blijkt ook uit teksten als: Rom.. 5:7 « Voor den goede zal mogelijk iemand... sterven ». Titus 2:5 « Goed te zijn ».
Al deze teksten, en nog andere, schijnen dus Mat. 19:17 tegen te spreken.
Laat ons deze tekst zorgvuldig onderzoeken. De vertaling van Voorhoeve zegt: « Eén is goed » en dit is inderdaad de vertaling, die het best het Grieks weergeeft. De Heere Jezus zei niet « niemand is goed », maar eenvoudig « Een is goed ». Wat is nu het verschil? Met « niemand is goed » sluit men iedereen uit, met « Eén is goed » sluit men niet uit dat er goede mensen zijn, als deze maar in gemeenschap staan met God, of zoals Johannes het zegt « uit God » zijn.
Hand. 11:24 kan heel goed zeggen dat Barnabas « een goed man » was, want hij was vol van « heilige geest » en geloof; hij was uit God ». Zo kan ieder die « uit God » is, goed zijn en het goede doen, want het komt niet van hèmzelf. Anders kan men noch « goed », noch « goedertierenheid » doen.
Wij zien dus hoe de moeilijkheden verdwenen zijn.
Toch is er nog een tekst,die wij hier even kunnen aanhalen:
Rom. 7:18 « Ik weet dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont ». Het betreft gelovigen, wedergeborenen, die echter nog gevangenen zijn van de wet der zonde (Rom. 7:23) en nog niet, zoals die van Rom. 8:2, vrijgemaakt zijn van die wet.
Gewoonlijk wil men die woorden méér laten zeggen, dan er staat. Men leest dan: « Ik weet dat in mij geen goed is ». Er staat echter « woont ». Nu is ergens « wonen » iets heel anders dan er soms « zijn ». Het goed heeft geen woonstede in hem, d.w.z. verblijft er niet voortdurend. Maar het goede « is » er, tenminste nu en dan. Er staat verder « in mijn vlees » en men denkt dan gewoonlijk aan iets slechts. Dat is echter niet noodzakelijk het geval en wij hopen dat later eens te onderzoeken. Wij voegen er nu slechts bij, dat het « vlees » onze tegenwoordige bestaanswijze kenmerkt en dat de Heere « vlees geworden is » (Joh. 1:14) toen Hij de « gestaltenis » (vorm) eens dienstknechts aangenomen had en in de gedaante gevonden is als een mens (Fil. 2:7, 8).
« Vlees » is opzichzelf dus niet bepaald slecht. Het
goede woont er echter niet blijvend. Dat kan pas in het nieuwe lichaam het geval zijn. (Zie « De Weg der Behoudenis »).
OVERTUIGING
Wat moeten wij denken van Joh. 16:8 « En die (de Heilige Geest), gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde...»? De Heilige Geest is gekomen en toch is de wereld niet overtuigd van zonde. Zelfs Israël werd niet overtuigd. Moet men het alleen als iets toekomstigs aanzien? Maar heel het hoofdstuk betreft dingen, die toen aanstaande waren en ook werkelijk gebeurd zijn. Het is een lastig vraagstuk voor hen die geloven dat de geheele Schrift letterlijk door God geïnspireerd is.
En toch is de oplossing eenvoudig, als men er maar aan denkt dat de vertaling der Schrift niet geïnspireerd is.Komt men dan voor zo'n moeilijkheid, dan ga men onmiddellijk terug tot de gezonde woorden van de Heilige Geest. Wij zoeken dus « overtuigen » op in de Konkordantie en vinden dat het in Joh. 16:8 de vertaling is van een Grieks woord « elegkoo » (uitgesproken: elenkoo). Datzelfde woord komt ook voor in de volgende plaatsen, die wij aandachtig onderzoeken:
ELEGKOO.
Mat. 18:15 Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen.
Luk. 3:19 Maar als Herodes, de viervorst, van hem bestraft werd, om Herodias' wil...
Joh. 3:20 Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, opdat zijne werken niet bestraft worden.
Joh. 8:46 Wie van u overtuigt Mij van zonde?
Joh. 16:8 En Die, gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel.
1 Kor. 14:24 Maar indien zij allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame, die wordt van allen overtuigd en hij wordt van allen geoordeeld.
Ef. 5:11 En hebt geene gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.
Ef. 5:13 Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is licht.
1 Tim. 5:20 Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreze mogen hebben.
2 Tim. 4:2 Predik het woord, houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.
Tit. 1:9 Die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen.
Tit 1:13 Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf hen scherpelijk, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof.
Tit. 2:15 Spreek dit, en vermaan, en bestraf met allen ernst.
Heb. 12:5 Mijn zoon! acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet, als gij van Hem bestraft wordt.
Jak. 2:9 Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt door de Wet bestraft als overtreders.
Jud. 15 Om gericht te houden tegen allen en te straffen alle goddeloozen onder hen.
Op. 3:19 Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik, wees dan ijverig, en bekeer u.
Men kan ook nog de volgende woorden onderzoeken:
ELEGXIS.
2 Petr. 2:16 Maar hij (Balaam) heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad.
ELEGMOS.
2 Tim. 3:16 Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is.
ELEGKOS.
Heb. 11:1 Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
De Statenvertaling gebruikt dus: bestraffen, overtuigen, wederleggen, straffen en bewijzen. Als wij nu aan Joh. 16:8 denken, dan ziet men dat dit vers een heel andere betekenis krijgt als wij hier b.v. ofwel bestraffen ofwel bewijzen gebruiken. Wie zal nu beslissen welk woord wij moeten kiezen? Is het hier weer niet raadzaam ons zo veel mogelijk aan een enkel woord te houden, of ten minste in al die verzen dezelfde betekenis te gebruiken?
Als men al die teksten nagaat, dan komt men tot de conclusie dat de algemene betekenis van « elegkoo » is: de feiten aan het licht te brengen, het bewijs geven. Dat er een « overtuiging» of een bestraffing uit volgt is zeer wel mogelijk, maar wordt niet noodzakelijk door het woord uitgedrukt. Wij hebben waarschijnlijk geen goed Nederlands woord voor « elegkoo », maar dat is geen verontschuldiging om woorden te gebruiken, die er een andere gedachte bijvoegen zonder de lezer daarover in te lichten. In Joh. 8:46 gaat het over het bewijs geven van Christus' zonde. In 1 Kor. 14:24 wordt gesproken over het voorlichten van ongelovigen. Daardoor konden zij ook « overtuigd » worden, maar dat wordt dan bijzonder in het volgende vers behandeld. Al worden allerlei waarheden aan het licht gebracht, daarom is iemand nog niet « overtuigd » in de zin, dat hij die dingen als zodanig erkent.
Zo is het ook met Joh. 16:8. De Heilige Geest zal het bewijs geven van zonde, maar daarom zal de wereld nog niet erkennen, dat ze zondig is. Vs. 9 voegt er dan ook wat bij: « Aangaande zonde, omdat zij niet (ou) tot-in (eis) Mij geloven ». Het feit dat ze niet tot-in Christus geloven, is een bewijs van hun zonde. Van een « overtuigen » wordt hier absoluut niet gesproken, maar er wordt integendeel gezegd, dat ze in het geheel niet zullen geloven tot-in Christus. De Heere Jezus bidt dan ook niet voor de wereld (Joh. 17:9). 1 Kor. 14:21 bevestigt dat zelfs de bijzondere geestesgaven van Handelingen niet voldoende zijn om de ongelovigen naar God te doen luisteren. Geloof tot-in Christus kan eerst komen na de wedergeboorte en deze volgt op geloof en bekering tot God. ¹
Men ziet uit het voorgaande ook dat er in Job. 16:8 geen grond is om, zoals sommigen dat doen, te veronderstellen dat er nu maar één zonde wordt toegerekend: het niet geloven in Christus, en dat alle andere zonden niet meer tellen. Het niet in Christus geloven is niet wat hier onder « zonde » verstaan wordt, maar is het feit dat aan het licht brengt dat de zonde er is. En deze omvat alle mogelijke zonden.
HET EEUWIGE LEVEN
Het doel dezer studie is zo goed mogelijk te doen inzien wat de Schrift het « eeuwige leven » noemt. Vooreerst weet men, dat « eeuwig » in het Grieks « aionisch » is, iets dat in betrekking staat tot de aionen. Deze aionen, waarvan men er vijf kan onderscheiden, zijn grote wereldontwikkelingsgangen, die slechts een bepaalde tijdsruimte omvatten. Er is dan ook sprake van de « aionische tijden » (Rom. 16:25), van « vóór-aionische tijden » (2 Tim. 1:9; Tit. 1:2), van « vóór de aionen » (1 Kor. 2:7). De blik van de meeste schrijvers doormiddel van wie God de Hebreeuwse en Griekse Schriften heeft samengesteld, reikt niet verder dan die aionen, alleen Paulus heeft door zijn bijzondere openbaringen ook dingen en tijden gezien, die buiten de aionen liggen. ¹
« Aionisch » leven is dus al zeker geen leven dat « eeuwig » is in de zin dat er noch begin, noch einde aan is. Aionisch leven, is leven dat in betrekking staat tot de aionen en wijst meer de aard dan de duur van dat leven aan. Wij moeten nu uit de Schrift nader bepalen wat de aard van dat leven is en om dit onderzoek in te stellen is het wenselijk alle plaatsen na te gaan, waar de uitdrukking « aionisch leven » gebruikt is. Wij nodigen de lezer uit dit voor zichzelf te doen en om hem te helpen, geven wij alle teksten aan:
Aionisch leven. Mat. 19:16, 29; 25:46; Mark. 10:17, 30; Luk. 10:25; 18:18, 30; Joh. 3:15, 16, 36; 4:14, 36; 5:24, 39; 6:27, 40, 47, 54, 68; Joh. 10:28; 12:25, 50; 17:2, 3; Hand. 13:46, 48; Rom. 2:7; 5:21; 6:22, 23; Gal. 6:8; 1 Tine. 1:16; 6:12; Tit. 1:2; 3:7; 1 Joh. 1:2; 2:25; 3:15; 5:11, 13, 20; Jud. 21.
Men ziet dat er in de Gevangenschapsbrieven (Ef., Til., Kol., 2 Tim.) niet gesproken wordt over het aionisch leven.
Het is duidelijk, dat dit leven méér is dan wat wij gewoonlijk « leven » noemen, want dan had ieder levend wezen dat aionische leven. Joh. 5:29 spreekt van de « opstanding des levens » en toont alzo ook dat het hier een bijzonder leven betreft. Een der 3 voornaamste handschriften spreekt in 1 Tim. 6:19 van het « aionisch leven », terwijl de 2 andere de uitdrukking « ware leven » gebruiken. In vele teksten, die wij niet opgaven, wordt duidelijk van het aionische leven gesproken, al staat er slechts « het leven ». Men ziet hieruit ook, dat het niet over leven in het algemeen gaat, maar over een bijzonder leven, het leven bij uitnemendheid. Als voorbeeld kan men opzoeken 1 Joh. 3:14; 5:12. Zo ook in Joh. 11:25: « Ik ben de opstanding en het leven » en Joh. 14:6: « Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven ». Verder nog in Mat. 19:17, waar « het leven » van zelf het aionische leven van v. 16 is. Zo ook in Joh. 3:36.
Iets meer over dat leven leren wij uit de volgende teksten.
Rom. 6:23 « Maar de genadegift Gods is aionisch leven in Christus Jezus, onzen Heere » (naar het Grieks).
1 Joh. 5:11 « Dat ons God aionisch leven geeft en dit leven is in zijn (Zoon » (naar het Grieks).
Joh. 5:26 « Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelven ».
Het aionische leven is in Christus en zoals ook uit Joh. 3:15, 16, 36; 17:3 en veel andere plaatsen blijkt, hebben wij dat alleen voor zover wij in een zekere gemeenschap met Christus staan. Zonder die gemeenschap heeft men geen aionisch leven in zich zelf (Joh. 6:53). Vooral Johannes heeft over dat leven en zijn oorsprong geschreven. In 1 Joh. 1:2 zegt hij dat het bij de Vader was en bekend gemaakt is. In 1 Joh. 5:20 zegt hij dat Christus het aionische leven « is ». Hiermee stemmen overeen de uitspraken van de Heere Zelf in Joh. 11:25 en 14:6, die wij reeds vermeld hebben. Men neme hier « is « en « ben » in de zin van « stel voor », zoals dat zo dikwijls het geval is. Als een ding werkelijk een ander « is », dan gebruikt het Grieks dikwijls geen werkwoord. Wij zullen er verder een paar voorbeelden van geven. Alleen de Heere heeft onsterfelijkheid (1 Tim. 1:16). Zie ook Joh. 1:4.
Zo zien wij dan, dat het aionische leven vooreerst in betrekkig staat tot de aionen en verder de hoogste vorm van leven is, die voor die aionen past en bekend gemaakt is. Het is méér dan planten-, dier-, mensenleven, het is het ware leven zoals de Heere Jezus dat heeft doen kennen en het wordt eerst ten volle verkregen in het opstandingslichaam.
De vraag is nu wie dat leven verkrijgt en wanneer.
Voor we die vraag beantwoorden, moeten we nog iets meer over het aionische leven nagaan. Het blijkt inderdaad nodig onderscheid te maken tussen het aionische leven op aarde en het aionische leven in de hemel.
We hebben gezien, dat het aionische leven het gevolg is van een gemeenschap met de Heere Jezus. In de toekomende aioon is Hij zoowel op aarde als in de hemelen en de gemeenschap kan dus begrensd zijn tot de aardse dingen of ook de hemelse omvatten. In verband met de aardse toestanden worden meestal de titels « Jezus », « Jezus Christus », « Zoon des mensen », « Zoon Gods » « Heere », « Christus » gebruikt. Als het over hemelse dingen gaat is voornamelijk de titel « Christus Jezus » gekozen, die Hem aanduidt in Zijn hemelse heerlijkheid. Alleen Paulus gebruikt die titel, want hij alleen had een boodschap in verband met de hemel ¹.
Uit de reeds vermelde teksten ziet men nu het volgende verschil:
Rom. 6:23 Aionisch leven in Christus Jezus (Gr. tekst).
1 Joh. 5:11 Aionisch leven in Zijn Zoon.
Het eerste is het hemelse aionische leven, het tweede het aardse aionische leven. Het verschil kan men ook zien uit een vergelijking der volgende teksten:
Tit. 1:2 Het aionische leven beloofd vóór tijden der aionen.
1 Joh. 2:25 Het aionische leven beloofd toen de Heere op aarde was (zie v. 24; Joh. 3:15, 16; 6:47 enz.).
Rom. 6:22 spreekt van hen, die in deze aioon reeds van de zonde vrijgemaakt zijn en als zonen Gods gerekend worden (Rom. 8:14 Gr.). Deze geloven in Christus Jezus (Gal. 3:26). Daarentegen gaat Joh. 3:15, 16; 6:40 niet verder dan geloof tot-in de Zoon ¹. Men ziet dus hoe het hemelsche aionische leven samenvalt met een geloof dat verder reikt dan dat behoorende bij het aardsche aionische leven.
Bij het geloof behooren geloofswerken. Hoe meer het geloof omhelst, hoe nauwer is de gemeenschap met Christus, hoe meer kan God inwerken en de geloovige uitwerken. Zonder geloofswerken is het geloof niet waarvoor het zich wil uitgeven. Het geloof tot-in de Zoon moet gepaard gaan met het onderhouden der wet. Niet in eigen kracht, maar in Gods kracht die uit de gemeenschap voortvloeit. Als ze dus toonen de geboden te kunnen onderhouden, is dat een bewijs, dat ze in die gemeenschap staan en tot het beloofde aardsche aionische leven zullen komen. Daarom leest men:
Mat. 19:16-29 « Doch wilt gij het leven ingaan, onderhoud de geboden ». Zie ook Rom. 10:5; I ev. 18:5 en Hab. 2:4.
Joh. 3:15, 16, 18 « Opdat een iegelijk die TOT-IN (eis) Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe ». Zie ook Joh. 6:40, 47 enz. en Joh. 3:21 « Die de waarheid DOET ».
2 Petr. 1:5-11 « Benaarstig u te meer, om uwe roeping en verkiezing vast te maken... want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig koninkrijk ».
Iets dergelijks heeft men voor het hemelsche aionische leven:
Gal. 6:8-10 « Maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien. » Zie ook 2 Thes. 1:5, 11.
Als God ons in een positie plaatst en de mogelijkheid gegeven heeft naar die positie te wandelen, mag Hij ook verwachten dat we Hem aldus zullen verheerlijken. Ons werken is dan niet uit ons en we verdienen het aionische leven niet, maar Hij belooft ons dat leven als een genadegift (Rom. 6:23).
Als de Schrift de mensen aanzet om te « doen », te « onderhouden », te « grijpen », te « jagen » enz. wil dat nooit zeggen dat ze dat moeten doen in eigen kracht en zó iets kunnen bereiken. Steeds moet God de mogelijkheid geven en de mens ze gebruiken. Als de mens er toch niet komt, dan is het omdat hij niet in Gods kracht werkt. Door zijn mislukking kan hij dat dan inzien en zich tot God keren om hulp. Als de Schrift steeds de mens uitnodigt iets te doen, moet er vooreerst de mogelijkheid toe zijn en moet die uitnodiging ook heel nuttig zijn. Wellicht komt men anders tot een toestand waar men stil blijft zitten en men meent steeds op God te moeten wachten. Gevaar van over te slaan tot « werkheiligheid » is er ook niet, als men maar in alles de Schrift getrouw is, er mee in kontakt blijft en inziet dat al ons « doen » slechts uitwerking mag zijn van Zijn inwerking.
Nu komen we tot de vraag wanneer het aionische leven verkregen wordt. In geestelijke zin, zodra ze geloven (Joh. 3:15, 16), in reëele zin, dus ook lichamelijk, alleen bij de opstanding. Mark. 10:30 en Luk. 18:30 zeggen dan ook: « en in de toekomende aioon het aionische leven ». Eerst in de toekomende « eeuw » komen ze dus in het bezit van dat leven, door vele « Oud-Testamentische » gelovigen verwacht (Gen. 15:6; Hab. 2:4; Heb. 11).
Nu moet men hier ook weer de groepen gelovigen onderscheiden. Men heeft vooreerst de opstanding en verandering van 1 Thes. 4 en 1 Kor. 15 voor hen die feitelijk reeds vroeger in de geest tot de hemelse groep behoorden. In die opstanding of bij die verandering komen ze ook lichamelijk tot het « zoonschap » (Rom. 8:23 Gr.), de verlossing des lichaams. Zij die vroeger slechts wedergehoren waren, krijgen het aardse aionische leven bij de opstanding « ten laatste dage » (Joh. 6:39-54), de opstanding « des levens » (Joh. 5:28, 29). Dat is 1335-1260 = 75 dagen na het einde der 70ste jaarweek (Dan. 12:13). Die van 1 Thes. 4 gaan de Heere tegemoet als Hij neerkomt op aarde om de « mens der zonde » te niet te doen door de verschijning Zijner komst (2 Thes. 2:8).
Is dan het aionische leven het hoogste wat iemand kan bereiken? Neen, want juist het feit dat het « aionisch » is, laat zien dat er nog méér is dan dat leven. Het is wel de hoogste levensvorm voor de aionen, maar deze betreffen toch nog altijd het onvolmaakte, de geschiedenis der zonde. Na de aionen eerst is God alles in allen (1 Kor. 15:28) en heeft de Schepper het einddoel bereikt: alles tot Hem terug te brengen (Rom. 11:36; Kol. 1:16).
Er is nu reeds een groep, die als het ware een vooruitgreep is naar die toestand: het samenlichaam, de Gemeente der verborgenheid, die met Christus als Zijn lichaam boven alles geplaatst wordt. In verband met dit lichaam zegt Paulus:
Fil. 1:21 « Want het leven is mij Christus ».
Kol. 3:3, 4 « Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid ».
De afwezigheid van het werkwoord « zijn » in de Griekse uitdrukkingen « te leven Christus » en « Christus ons leven » is zeer beteekenisvol, zoals wij hierboven reeds zeiden. Christus stelt hun leven niet voor (zoals dat met het aionische leven het geval is), hun leven is ook niet in Christus (zoals het aionische leven), maar Christus Zelf is hun leven en dat leven is verborgen in God. Zij zijn dus reeds gekomen tot het volmaakte.
Voor deze groep is er een opstanding vóór die van 1 Thes. 4 en zo kunnen ze met Christus verschijnen (Kol. 3:4) als Hij in heerlijkheid komt en de anderen Hem tegemoet gaan in de lucht.
We vatten nu een en ander samen:
1. De aardse sfeer. Israël aan het hoofd der volken, met een gewoon fysiek lichaam.
Deze worden geleid en bestuurd door hen, die deel hebben aan de opstanding « ten laatste dage » en zó gekomen zijn tot het aardse aionische leven. Zij heersen over de aarde en hebben een verheerlijkt lichaam.
2. De hemelse sfeer. Gevormd door hen, die deel hebben aan de opname van 1 Thes. en 1 Kor. 15 en zo tot het hemelse aionische leven gekomen zijn. Zij heersen over de wereld en zijn gelijkvormig aan het beeld van de Zoon.
3. De overhemelse sfeer. Zij zijn leden van het samenlichaam en staan vóór de anderen op. Hun leven is Christus en in God verborgen. Het heelal is hun gebied.
Aionisch (eeuwig) leven is dus zeer goed, maar is niet het hoogste. Te veel wordt er op gezien als op datgene wat alleen verkregen moet worden. Terwijl men het meerdere uit het oog verliest.
OPENBARING — VERSCHIJNING — TEGENWOORDIGHEID
Onze bedoeling is alleen zo juist mogelijk de betekenis na te gaan van de woorden, die gebruikt warden in verband met de tweede komst van Christus. Wij zullen er enkele opmerkingen bijvoegen, doch een meer volledige behandeling laten voor een opstel dat niet in deze reeks zal opgenomen worden.
Vooreerst dan de woorden « openbaren » (apokaluptoo) en
« openbaring » (apokalupsis). Wij onderzoeken eerst de betekenis van de stam « kaluptoo ». Een paar verzen zijn hiervoor voldoende:
KALUPTOO (bedekken).
Mat. 8:24 « En ziet, er ontstond eens grote onstuimigheid in de zee, alzo dat het schip van de golven bedekt werd ».
2 Kor. 4:3 « Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan ».
De betekenis van « kaluptoo « is dus « bedekken ». Daar het voorzetsel « apo » wil zeggen « weg van », is « apokaluptoo » dus letterlijk: « weg-van dekken » d.i. het weg doen van een deksel. Het gevolg is een openbaring. Men zou ook kunnen vertalen « af-dekken » of « ont-dekken », maar daar dit laatste woord een andere betekenis heeft, houden wij ons maar aan « openbaren ». Te meer daar in de Schrift deze uitdrukking steeds gebruikt wordt voor een bijzondere « ont-dekking », namelijk hetgeen door God Zelf gedaan wordt. Verder zullen we zien, dat als het schepsel een rol speelt, de uitdrukking « bekend maken » gebruikt is, niet « openbaren ». Dit verschil moet men steeds voor ogen houden, en zich in acht nemen voor de vertalingen, die dit niet doen.
Wij geven enkele plaatsen waar « apokaluptoo » staat en een volledige lijst van de verzen waarin « apokalupsis » voorkomt.
APOKALUPTOO (af-dekken, openbaren).
Mat. 10:26 « Er is niets bedekt (kaluptoo) hetwelk niet zal ontdekt worden ».
Mat. 11:25 « En hebt ze den kinderkans geopenbaard ».
Luk. 17:30 « Even alzo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des mensen geopenbaard zal worden ».
2 Thes. 2:6 « Opdat hij (de mens der zonde) geopenbaard worde te zijner eigen tijd » (zie ook v. 3 en 8).
APOKALUPSIS (af-dekking, openbaring).
Luk. 2:32 a Een licht tot verlichting der Heidenen ».
Rom. 2:5 « In den dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods ».
Rom. 8:19 « Want het schepsel... verwacht de openbaring der kinderen Gods ».
Rom. 16:25 « Naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest ».
1 Kor. 1:7 « Verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus ».
1 Kor. 14:6 « Zo ik tot u niet sprake, of in openbaring...».
1 Kor. 14:26 « Heeft hij een openbaring... ».
2 Kor. 12:1 « Want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren. »
2 Kor. 12:7 « De uitnemendheid der openbaringen... ».
Gal. 1:12 « Maar door de openbaring van Jezus Christus ».
Gal. 2:2 « Ik ging op door eene openbaring ».
Ef. 1:17 « U geve den geest der wijsheid en der openbaring in Zijne kennis ».
Ef. 3:3 « Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt ».
2 Thes. 1:7 « Verkwikking met ons, in de openbaring des Heeren Jezus van den hemel met de engelen Zijner kracht ».
1 Petr. 1:7 « Heerlijkheid in de openbaring van Jezus Christus ».
1 Petr. 1:13 « De genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus ».
1 Petr. 4:13 « Opdat gij ook in de openbaring Zijner heerlijkheid u moogt verblijden ».
Op. 1:1 « De openbaring van Jezus Christus ».
Wij merken hierbij op dat, al is geheel Gods Woord in ons bezit, wij daarom nog geen volledige kennis er van hebben. Men moet de geest der openbaring hebben om alles te begrijpen, vooral wat betreft de grote verborgenheid van Efese (Ef. 1:17). « Kennis » is hier de vertaling van « epignoosis » ¹. Met zuiver verstandelijke vermogens komt men er niet, al moet men zijn verstand gebruiken.
Verder lette men op de vele openbaringen, die de Apostel Paulus ontvangen heeft. De bijzondere verborgenheid, waarvan hij alleen in de gevangenschaps brieven (Ef., Fil., Kol., 2 Tim.) spreekt, is hem alleen geopenbaard, en hij maakte ze dan bekend aan de andere (Kol. 1:26 Gr. phaneroöo = bekend maken).
God openbaart niets aan ongelovigen. Op hen werkt Hij alleen in door de schepping. Rom. 1:19 gebruikt dan ook « phaneroöo », niet « apokaluptoo ».
De omstandigheden der Openbaring van Jezus Christus zijn in het bijzonder beschreven door Johannes. God zal eens het deksel wegnemen, dat Zijn Zoon bedekt en allen over wie de geest der genade is uitgestort zullen Hem zien zoals Hij werkelijk is in Zijn heerlijkheid (Zach. 12:10). Toen Hij in vernedering op aarde kwam, was er wel iets van Hem zichtbaar, maar Hij was niet geopenbaard. Men zal Hem dan niet alleen zien, doch ook begrijpen.
Nu gaan wij over tot het woord « verschijning » en onderzoeken daarvoor de woorden: phainoo, phaneroöo, epiphainoo, epiphauskoo, epiphaneia en epiphanès. Van de twee eerste geven wij de voornaamste plaatsen op, van de andere een volledige lijst.
PHAINOO (bekend worden, verschijnen).
Mat. 1:20 « De engel des Hecren verscheen ».
Mat. 2:7 « Wanneer de ster verschenen was ».
Mat. 6:5 « Opdat zij van de mensen mogen gezien worden ».
Mat. 9:33 « Er is nooit desgelijks in Israëls gezien ».
Mat. 13:26 « Toen openbaarde zich ook het onkruid ».
Mat. 23:27 « Die van buiten wel schoon schijnen ».
Mark. 14:64 « Wat dunkt ulieden? ».
Rom. 7:13 « Opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn ».
2 Kor. 13:7 « Niet opdat wij beproefd zouden bevonden worden ».
Fil. 2:5 « Onder welke gij schijnt als lichten in de wereld. »
Heb. 11:3 « Dingen, die gezien worden ».
BEDRIJVENDE VORM : schijnen.
Joh. 1:5 « Het licht schijnt in de duisternis ».
Paulus zegt niet dat wij schijnen, doch dat wij verschijnen, worden gezien, als lichten.
PHANEROOO (bekend maken, doen verschijnen).
MIDDEN VORM.
Ef. 5:13 « Al wat openbaar maakt, is licht ».
BEDRIJVENDE VORM.
Joh. 21:1 « Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen ».
Rom. 1:19 « God heeft het hun geopenbaard ».
2 Kor. 2:14 « Den reuk Zijner kennis door ons openbaar maakt ».
LIJDENDE VORM.
Mark. 4:22 « Want er is niets verborgen (krupton), dat niet geopenbaard zal worden ».
Rom. 16:26 « Geopenbaard door de profetische Schriften ».
2 Kor. 5:10 « Want wij zullen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel ».
Kol. 1:26 « De verborgenheid, die... nu geopenbaard is aan Zijn heiligen ».
Kol. 3:4 « Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid ».
2 Tim. 1:10 « Doch nu geopenbaard is door de verschijning (epiphaneia van onzen Zaligmaker Jezus Christus ».
1 Petr. 5:4 « En als de overste Herder verschenen zal zijn,
zo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen ».
1 Joh. 2:28 « Opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst (parousia) ».
1 Joh. 3:2 « Als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk (gelijkend) wezen ».
Uit Mark. 4:22 waar « phaneroöo » tegenover « verborgen » staat, zien wij goed de betekenis. Terwijl « openbaren » op Gods rechtstreekse werking wijst, spreekt « phaneroöo » van hetgeen het schepsel doet, onder Gods leiding en de indruk die het schepsel ontvangt. Jammer dat de vertalingen meestal « openbaren » gebruiken. Die woorden omvatten méér dan een verschijnsel dat alleen de ogen beïnvloedt. Het omvat alles wat de zinnen beïndrukt of op andere wijze iets doet kennen door het geschapene.
EPIPHAINOO (op-bekend worden, van boven verschijnen).
Luk. 1:79 « Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods ».
Hand. 27:20 « En als noch zon noch gesternten verschenen in vele dagen »
Tit. 2.11 « Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen ».
Tit. 3:4 « Maar wanneer de goedertierenheid Gods onzes Zaligmakers, en Zijne liefde tot de mensen verschenen is ».
EPIPHAUSKOO (op-bekend worden, van boven verschijnen).
Ef. 5:14 « En Christus zal over u lichten ».
De letterlijke betekenis is blijkbaar: van boven af verschijnen of bekend worden.
EPIPHANEIA (op-bekend wording, verschijning van boven).
2 Thes. 2:8 « Teniete maken door de verschijning Zijner toekomst (parousia) ».
1 Tim. 6:14 « Tot op de verschijning van onzen Heere Jezus Christus ».
2 Tim. 1:10 « Doch nu geopenbaard (bekend gemaakt) is door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus ».
2 Tim. 4:1 « Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn koninkrijk ».
2 Tim. 4:8 « Allen die Zijn verschijning liefgehad hebben ».
Tit. 2:13 « Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den grooten God en onzen (Zaligmaker Jezus Christus ».
De « verschijning Zijner toekomst » wat letterlijk is « de van boven bekendwording Zijner tegenwoordigheid » heeft betrekking op al de zichtbare en tastbare gebeurtenissen die we in het boek der Openbaring vinden en aan alle mensen, ook de ongelovigen, tonen dat Hij tegenwoordig is, al zien ze Hem daarom niet noodzakelijk. De openbaring gaat dieper, omvat méér en is alleen voor gelovigen.
EPIPHANES (op-bekend wordende, van boven verschijnende).
Hand. 2:20 « De grote en doorluchtige dag des Heeren ».
Nu komen wij tot de « tegenwoordigheid », gewoonlijk « komst » of « toekomst » genoemd. Een paar plaatsen geven ons de beteekenis van het werkwoord:
PAREIMI (tegenwoordig zijn).
Luk. 13:1 « En er waren te dierzelfder tijd eenigen tegenwoordig ».
2 Kor. 10:2 « Ik bid dan, dat ik, tegenwoordig zijnde... ».
In Kol. 1:6 leze men: « hetwelk tot-in u tegenwoordig is ». Verder geven wij alle teksten met « parousia »:
PAROUSIA (tegenwoordigheid).
Mat. 24:3 « Welk zal het teeken zijn van uwe toekomst ».
Mat. 24:27 « Want gelijk de bliksem uitgaat van het Oosten, en schijnt tot het Westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen ».
Mat. 24:37 « En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen » (zie ook v. 39).
1 Kor. 15:23 « Daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst ».
1 Kor. 16:17 « En ik verblijde mij over de aankomst van Stefanus ».
2 Kor. 7:6 « Heeft ons getroost door de komst van Titus » (zie ook v. 7).
2 Kor. 10:10 « De tegenwoordigheid des lichaams is zwak ».
Fil. 1:26 « Door mijn tegenwoordigheid wederom bij u ».
Fil. 2:12 « Niet als in mijn tegenwoordigheid ».
1 Thes. 2:19 « Voor onzen Heere Jezus Christus in Zijn toekomst? ».
1 Thes. 3:13 « In de toekomst van onzen Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen ».
1 Thes. 4:15 « Die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren ».
1 Thes. 5:23 « Bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus ».
2 Thes. 2:1 « Wij bidden u, broeders! door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus ».
2 Thes. 2:8 « Teniete maken door de verschijning (epiphaneia) Zijner toekomst ».
2 Thes. 2:9 « Hem, wiens toekomst is naar de werking des Satans ».
Jak. 5:7 « Zo zijt dan lankmoedig, broeders! tot de toekomst des Heeren ».
Jak. 5:8 « Want de toekomst des Heeren genaakt ».
2 Petr. 1:16 « De kracht en toekomst van onzen Heere Jezus Christus ».
2 Petr. 3:4 « Waar is de belofte Zijner toekomst? »
2 Petr. 3:12 « Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods ».
1 Joh. 2:28 « Wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst ».
Dit woord parousia wordt in verband met de Heere Jezus Christus altijd door « toekomst » vertaald in de Statenvertaling. Uit de andere plaatsen ziet men dat de letterlijke betekenis « tegenwoordigheid » is. De aandacht kan daarom wel vooral op het begin dezer tegenwoordigheid, de toekomst, gevestigd zijn. Deze tegenwoordigheid is op aarde (ook de lucht en wolken). De gevangenschaps brieven (Ef., Fil., Kol., 2 Tim.) spreken niet van deze tegenwoordigheid, want zij handelen over een andere bedeling in verband met de overhemelse.
De « parousia » wijst niet op een geestelijke, voor het oog onzichtbare tegenwoordigheid, zoals die van Fil. 4:5. Zijn tegenwoordigheid gaat gepaard met allerlei zichtbare tekenen en gebeurtenissen die hemel en aarde betreffen.
Wij voegen hier nog aan toe, dat voor « komst « het Grieks het woord « erchomai » heeft. In verband met de « tweede komst » van Christus heeft men b.v. Mat. 10:23; 21:40; 24:30; 25:31; Luk. 9:26; Joh. 4:25; 1 Kor. 4:5; 11:26; 2 Thes. 1:10.
We moeten hier even stil staan bij de vraag wanneer de opname van 1 Thes. 4 plaats heeft. Men kan voor eerst opmerken, dat v. 15 zegt dat ze overblijven « tot-in » de parousia, dat is dus tot een tijd na de verdrukking der laatste jaarweek van Daniel en vlak vóór het Koninkrijk.
Dit kan men als volgt nagaan:
1 Thes. 3:13 drukt de hoop uit, dat ze onberispelijk zouden zijn in de komst « met al Zijn heiligen ». Die « heiligen » zijn dus niet de gelovigen van 1 Thes., maar wel de « heilige engelen » van Mat. 25:31 als de Heere komt in Zijn heerlijkheid en op de troon Zijner heerlijkheid gaat zitten. (Zie ook Job. 5:1; Ps. 89:6, 8; Dan. 4:13; 8:13 en vergelijk Deut. 33:2 met Hand. 7:53; Gal. 3:19; Heb. 2:2). In 2 Thes. 1:7, 8 gaat het ook over de apokalupsis met de engelen. Ook Tit. 2:13 spreekt van de grote heerlijkheid die met Zijn verschijning gepaard gaat. De komst van Mat. 25:31 is na de verdrukking (zie Mat. 24:29) en als de gelovigen van 1 Thes. tot-in (1 Thes. 4:15) deze komst overblijven, dan worden ze dus eerst na de verdrukking opgenomen.
Dit kan men ook op een tweede wijze aantonen. In 2 Thes. 2:1 spreekt Paulus « om wille van » (St. V.: « door ») de toekomst (tegenwoordigheid) des Heeren en « onze toevergadering tot Hem », dat is dus de opname. Vers 2 zegt dan volgens de Griekse tekst, dat ze niet moesten denken dat de dag des Heeren (niet: van Christus) tegenwoordig was (niet: aanstaande). Deze gelovigen waren in de verwachting van des Heeren komst, dachten dat het ogenblik gekomen was en lieten de inzettingen na (vs. 15) en werkten niet meer (3:11). Paulus wijst er op dat eerst de Antichristus moet komen en zich de andere gebeurtenissen der laatste jaarweek afspelen vóór ze mogen beginnen elk ogenblik de opname te verwachten. Een dergelijke verwachting kan alleen naar Gods wil zijn, als ze op Gods tijd plaats heeft. Anders leidt ze tot een leven waarin men allerlei, ook b.v. het onderwijs en de Schriftstudie, gaat verwaarlozen omdat men denkt dat het toch niet meer de moeite waard is.
Een derde bewijs heeft men in Hand. 3:19-21. Eerst moet Israël zich bekeren vóór de Heere uit de hemel komt en dat is slechts na de grote verdrukking (Mat. 24:29, 30).
Een vierde bewijs vinden we in de Griekse tekst van 1 Thes. 1:10. Zij verwachten de Zoon uit de hemelen om verlost te worden UIT de toekomende toorn. Het is niet « van » die toorn, zoals de vertalingen het geven, doch er UIT. Dus moeten ze er eerst in komen. In Rom 5:9 gaat het niet over de toekomende toorn, maar over die der toekomende eeuw. Zie ook Rom. 2.
Is men nog niet overtuigd, dan heeft men een vijfde bewijs in Mat. 24:30, een tekst die spreekt van het komen(erchomai) van de Zoon des mensen op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid. Dat geschiedt onmiddellijk NA de grote verdrukking (v. 29). Vers 31 verwijst dan naar de engelen met een bazuin van groot geluid. Nu vinden we in 1 Kor. 15:52 « de laatste bazuin » en in 1 Thes. 4:16 « de bazuin Gods » en de stem des archangels. De gelovigen worden dan in de lucht opgenomen. Voegt men hierbij wat in Op. 11:15 staat: « de zevende engel heeft gebazuind en er geschieden grote stemmen in den hemel, zeggende: Het koninkrijk der wereld is geworden onzes Hoeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwighid wie kan er dan nog aan twijfelen, dat dit alles in dezelfde tijd geschiedt?
Men kan er verder op letten, dat 2 Tim. 4:1 de verschijning aan het Koninkrijk verbindt. Op. 11:15 spreekt van de engel, de bazuin, grote stemmen en het Koninkrijk. Op. 19:16-20 van de Koning der koningen, de stem des engels, en het werpen van het beest en de valse profeet in de poel des vuurs. Zoals we reeds gezien hebben uit 2 Thes. 2:8, geschiedt dit door de « verschijning ».
Men ziet dat het onmogelijk is de « parousia » in tweeen te delen, of van twee tegenwoordigheden te spreken: een voor de « gemeente » vóór de verdrukking en een voor Israël na de verdrukking. Er is wel een zekere volgorde en de groep van 1 Thes. wordt opgenomen den Heere TEGEMOET, dus vóór Hij op aarde komt. Niets laat echter toe te veronderstellen, dat ze b.v. 3½ jaar, volgens sommigen 7 jaar, volgens anderen nog langer, in de lucht blijven. Integendeel hebben we gezien, dat die opname na het einde der laatste jaarweek moet vallen. Al die gebeurtenissen vormen een geheel, dat zich in een korte tijd afspeelt. Hoe nauw de opname ook met Israëls herstel in verband staat, leren we uit 1 Thes. 4:16, waar we de Archangel, namelijk Michaël (Judas 9) zien optreden terwijl deze grote vorst staat « voor de kinderen uws volks (Israël) » Dan. 12:1. Michaël staat eerst op in de tijd van benauwdheid en de opname kan er dus niet vóór vallen.
De « eerste » opstanding betreft Israël en heeft plaats op de 75ste dag na de laatste jaarweek (1335-1260=75). Zie Dan. 12:2, 11-13 en Op. 20:4-6.
Terwijl de groep van 1 Thes. Zijn bekendwording van boven verwacht (Tit. 2:13), verschijnen de leden der Gemeente der verborgenheid MET Hem, (Kol. 3:4). Het kan niet anders of ze moeten die verschijning lief hebben (2 Tim. 4:8). Die verschijning heeft niet buiten hen plaats, ze hebben er juist deel aan.
Zo komen we tot een zesde bewijs van het feit dat de opname niet elke dag kan verwacht worden. Paulus spreekt voortdurend van die verwachting in zijn vroegere Brieven, gedurende Handelingen geschreven, toen het Koninkrijk nog nabij was, doch niet meer in zijn latere Brieven (na Hand. 28), toen Israël tijdelijk terzij gesteld en het Koninkrijk dan ook terug geweken was. De verwoesting van Jeruzalem, de verstrooiing enz. toonden duidelijk, dat van die tijd af de Heere niet spoedig kon komen. Paulus verwachtte dus geen opname, maar iets beters: het gelijkvormig worden aan de dood van Christus en de uitopstanding (Fil. 3:10, 11). Hij wist dat hij zou sterven en uit de Hades ontbonden worden, 2 Tim. 4:6; zie ook Fil. 1:23. Zie ook « Gedaante en Vorm », bldz. 35 en « Sterven-Dood », bldz. 42.
Er wordt ons tegengeworpen dat wij dan Christus niet verwachten, maar wel de dood. We verwachten Hem, doch door de dood heen. Als men met geheel zijn hart iemand verwacht, wil dat zeggen dat er geen andere dingen, b.v. het slapen, tussen liggen? Kan men dan zeggen dat men het slapen verwacht?
Een zevende bewijs vindt men hierin, dat Babel een groot wereldcentrum moet zijn, Israël terug in het land en er veel andere dingen moeten geschieden, die niet in een paar jaren kunnen plaats grijpen. Er wordt wel waakzaamheid gevraagd, maar alleen « wanneer gij al deze dingen ziet » Mat. 24:33, 42. Paulus drukt er nog zo bijzonder op, dat die dag des Heeren niet zal komen voordat de mens der zonde zal geopenbaard zijn (2 Thes. 2:1-8). 1 Kor. 1:7 en Tit. 2:13 zeggen niets van een elk-ogenblik-verwachten. Nooit vraagt de Schrift zulk een elk ogenblik verwachten vóór de tijd er is. In geestelijk opzicht moeten wij natuurlijk voortdurend waakzaam zijn.
Niemand behoeft teleurgesteld te zijn geen deel te kunnen hebben aan de opname. Dat is ten slotte weer te veel letten op eigen zegen. Als men deel gaat uitmaken van het Samen-lichaam van Efeze, en deel wil hebben aan het lijden en de dood van Christus, heeft men ook « alle geestelijke zegening », kan Hij in het hart wonen, is het leven met Hem verborgen in God en zal men met Hem verschijnen in heerlijkheid. Zij die nu een spoedige opname als die van 1 Thes. verwachten zullen beschaamd uitkomen. Doch zij die zich laten verlichten betreffende de bedeling der verborgenheid, kunnen deel hebben aan de uitopstanding en reeds spoedig met Christus zijn, wat verre weg het beste is (Fil. 1:23). Men wordt dan na korte tijd ontbonden uit de Hades, want men is Zijn dood (niet Zijn sterven) gelijkvormig (Fil. 3:10). Bij het sterven is men nog niet met de Heere. Dat heeft slechts plaats door een opstanding, hetzij de uitopstanding, hetzij die van 1 Thes. 4. Vers 17 zegt daarom dat ze « aldus » met de Heere zullen zijn, d.i. door de opname, niet door de dood. Bij de dood is men in de Hades en daar is de Heere nu niet meer, want Hij was er nog geen drie volle dagen.
In dit verband kunnen we nog de aandacht vestigen op het feit dat de uitdrukking « Maranatha » duidelijk in betrekking staat met de komst ten oordeel: « Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; « Maranatha! » (1 Kor. 16:22).
STRAF, KASTIJDING, PIJNIGING, TUCHTIGING, WRAAK, VERGELDING
In vroegere studies hebben we iets onderzocht over « Toorn » en « Oordelen en Veroordelen ». Nu voegen we daarbij enkele andere uitdrukkingen, die er mee in verband staan. Daar die woorden niet dikwijls voorkomen, kunnen we alle teksten hier afdrukken. Voorlopig zullen we er weinig opmerkingen bijvoegen. Het is vooral bedoeld als een hulp voor verder onderzoek.
| (St. Vert.) |
(Vert. Voorhoeve) |
TEMOREOO, straffen Hand. 22:5 « Opdat zij gestraft zouden worden»
Hand. 26:11 « En door al de synagogen heb ik hen dikmaals gestraft » |
 |
 |
gestraft gestraft |
TIMORIA, straf. Heb. 10:29 « Hoe veel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft » |
 |
 |
straf |
KOLAZOO kastijden Hand. 4:21 « Maar zij dreigden hem nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende, hoe zij hen straffen zouden, om des volks wil »
2 Petr. 2:4 « De engelen... in de hel (tartarus)... om tot het (straffend) oordeel bewaard te worden » (Volgens Alexandrinus en Sinaiticus).
2 Petr. 2:9 «De onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels, om gestraft te worden ». |
 |
 |
straffen gestraft |
KOLASIS, kastijding. Mt. 25:46 « En dezen zullen gaan in de eeuwige (aionische) pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige (aionische) leven »
1 Joh. 4:18 « Want de vrees heeft pijn » |
 |
 |
pijn pijn |
BASANOS, pijn . Mat. 4:24 « Met verscheidene ziekten en pijnen bevangen »
Luk. 16:23 « En als hij in de hel (hades) zijn ogen ophief, zijnde in de pijn »
Luk. 16:28 « Opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging ». |
 |
 |
pijnen pijnen pijn |
|
 |
 |
|
| (St. Vert.) |
(Vert. Voorhoeve) |
BASANISTES, pijniger. Mat. 18:34 « En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben, al wat hij hem schuldig was ». |
 |
 |
pijnigers |
BASANISMOS, pijniging. Op. 9:5 « En hun pijniging was als de pijniging van een schorpioen ».
Op. 14:11 « En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid (tot-in de aionen der aionen) ».
Op. 18:7 « Zo veel als zij zich zelve verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan ».
Op. 18:10 « Van verre staande uit vrees van haar pijniging ».
Op. 18:15 « Van verre staan uit vreeze van haar pijniging ». |
 |
 |
pijniging pijniging pijniging pijniging pijniging |
BASANIZOO, pijnigen. Mat. 8:6 « Mijn knecht ligt te huis geraakt en lijdt zware pijnen ».
Mat. 8:29 « Zijt gij hier gekomen, om ons te pijnigen. vóór den tijd? »
Mat. 14:24 « En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren ».
Mark. 5:7 « Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt ».
Mark. 6:48 « En Hij zag, dat zij zich zeer pijnigden, om het schip voort te krijgen ».
Luk. 8:28 « Ik bid U, dat Gij mij niet pijnigt ».
2 Petr. 2:8 « Want deze rechtvaardige man, wonende onder hen, heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld ».
Op. 9:5 « En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij van hen gepijnigd zouden worden ».
Op. 11:10 « Omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden » .
Op. 12:2 « En zijnde in pijn om te baren ».
Op. 14:10 « Die zal ook drinken uit den wijn des toorns Gods, die ongemengd ingeschonken is in den drinkbeker Zijns toorns; en hij zal gepijnigd worden met vuur en suffer ».
Op. 20:10 « En zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid (tot-in de aionen der aionen) ». |
 |
 |
lijdt pijnen pijnigen geteisterd pijnigt pijnigden pijnigt gekweld pijnigen gepijnigd pijn gepijnigd gepijnigd |
PAIDEUOO, opleiden, tuchtigen. Luk. 23:16 « Er is door Hem niets gedaan, dat des doods waardig is: zo zal ik Hem dan kastijden, en loslaten ». |
 |
 |
kastijden |
Luk. 23:22 « Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten ». |
 |
 |
kastijden |
Hand. 7:22 « En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren ». |
 |
 |
onderwezen |
Hand. 22:3 « Onderwezen naar de bescheidenste wijze der vaderlijke wet ». |
 |
 |
onderwezen |
1 Kor. 11:32 « Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden ». |
 |
 |
getuchtigd |
2 Kor. 6:9 « Als getuchtigd, en niet gedood ». |
 |
 |
getuchtigd |
| (St. Vert.) |
(Vert. Voorhoeve) |
1 Tim. 1:20 « Die ik den Satan overgegeven heb, opdat zij (door tuchtiging) zouden leren niet meer te lasteren ». |
 |
 |
tuchtiging |
2 Tim. 2:25 « Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan; of God hun te eeniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid ». |
 |
 |
terechtwijzende |
Tit. 2:12 « En onderwijst ons, dat wij de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende ». |
 |
 |
onderwijst |
Heb. 12:6 « Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij ». |
 |
 |
kastijdt |
Heb. 12:7 « Want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt? » |
 |
 |
kastijdt |
Heb. 12:10 « Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze (kastijdt) ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden ». |
 |
 |
kastijden |
Op. 3:19 « Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u ». |
 |
 |
kastijd |
PAIDEUTES, opleider. Rom. 2:20 « Een onderrichter der onwijzen ». |
 |
 |
opvoeder |
Heb. 12:9 « Voorts, wij hebben de vaders onzes vleeses wel tot kastijders gehad ». |
 |
 |
kastijders |
PAIDEIA, opleiding. Ef. 6:4 « En gij vaders! verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren ». |
 |
 |
tucht |
2 Tim. 3:16 « Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is ». |
 |
 |
onderwijzing |
Heb. 12:5 « Mijn zoon! acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet, als gij van Hem bestraft wordt ». |
 |
 |
kastijding |
Heb. 12:7 « Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt God zich jegens u als zonen ». |
 |
 |
kastijding |
Heb. 12:8 « Maar indien gij zonder kastijding zijt ...zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen ». |
 |
 |
kastijding |
Heb. 12:11 « En alle kastijding, als die tegenwoordig is ». |
 |
 |
kastijding |
DIKE, recht. Hand. 28:4 « Welken de wraak niet laat leven ». |
 |
 |
wraakgodin |
2 Thes. 1:9 « Dewelke zullen tot straf lijden het eeuwig (aionisch) verderf, (weg) van het aangezicht des Heeren ». |
 |
 |
straf |
Jud. 7 « Gelijk Sodom en Gomorra... dragende de straf des eeuwigen (aionischen) vuurs ». |
 |
 |
straf |
EKDIKEO, wreken, recht doen. Luk. 18:3 « Doe mij recht tegen mijn wederpartij ». |
 |
 |
doe recht |
Luk. 18:5 « Zo zal ik haar recht doen ». |
 |
 |
recht doen |
Rom. 12:19 « Wreekt uzelven niet, beminden! maar geeft den toorn plaats ». |
 |
 |
Wreekt |
1 Thes. 4:6 « Want de Heere is een wreker over dit alles ». |
 |
 |
wreker |
|
 |
 |
|
| (St. Vert.) |
(Vert. Voorhoeve) |
EKDIKESIS, wraak. Luk. 18:7 « Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen ». |
 |
 |
recht doen |
Luk. 18:8 « Ik zeg u, dat Hij hun haastiglijk recht doen zal ». |
 |
 |
recht doen |
Luk. 21:22 « Want deze zijn dagen der wraak ». |
 |
 |
wraak |
Hand. 7:24 « En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar ». |
 |
 |
wreekte |
Rom. 12:19 « Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere ». |
 |
 |
wraak |
2 Kor. 7:11 « In u gewrocht... wraak ». |
 |
 |
wraak |
2 Thes. 1:8 « Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen ». |
 |
 |
wraak |
Heb. 10:30 « Mijne is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere ». |
 |
 |
wraak |
1 Petr. 2:14 « Tot straf wel der kwaaddoeners ». |
 |
 |
straf |
ANTAPODIDOMI, vergelden. Rom. 12:19 « Ik zal het vergelden, zegt de Heere ». |
 |
 |
vergelden |
2 Thes. 1:6 « Alzo het recht is bij God verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukken ». |
 |
 |
vergelden |
Basanos heeft de grondbetekenis van « toetssteen ». Daarvan is afgeleid het onderzoek van iemand door middel van een kwelling en zo ten slotte de pijn zelf. Toegepast op een voorwerp, kan het dan ook « teistering » zijn.
Paideuo en de verwante woorden duiden een opleiden van knapen aan en daar deze met tucht en tuchtiging gepaard gaat, is dit ook vaak de betekenis. Aan het gebruik dezer woorden in Luk. hechten we weinig aandacht, omdat niets ons zegt dat Pilatus zijn woorden juist heeft uitgekozen. Deze verzen zijn door de Heilige Geest geïnspireerd in de zin dat zij juist weergeven wat Pilatus zei.
Van het laatste woord geven we slechts een paar teksten op. In verband met het woord « aionisch » weet men, dat het niet zozeer een duur aangeeft dan wel een aard.
Uit een onderzoek van deze woorden, menen we voorlopig het volgende te kunnen besluiten als het gaat over Gods handeling ten opzichte van Zijn schepselen.
Vooreerst zijn er twee zaken te onderscheiden:
1. Wat dient om het recht te herstellen.
2. Wat dient tot opleiding.
Het eerste is iets dat niet tot nut is van het schepsel dat gekastijd wordt, het tweede wel.
Om het recht te herstellen, moet er vergelding geschieden en zo is er straf, kastijding en pijn. De straf is het gevolg der vergelding gezien van het standpunt van hem die ze toedient. Ze is kastijding gezien van de kant van hem, die ze ondergaat. De pijn is uitwerking van straf en kastijding.
Het verband tusschen wraak (recht) en vergelding ziet men uit Rom. 12:19 en 2 Thes. 1:6-9. Het verband tusschen wraak en straf ziet men uit Heb. 10:29, 30. Het verband tusschen wraak (recht) en kastijding, uit 2 Petr. 2:4-9 waar telkens op de rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid gewezen wordt.
Zowel straf als kastijding, pijn en wraak verwijzen voor sommige schepselen naar het vuur:
Straf: Heb. 10:27-29 « Hitte des vuurs ».
Kastijding: Mat. 25:41-46 « Het aionische vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is ». « Aionische kastijding ».
Pijn: Op. 14:10; 20:10 « Vuur en sulfer ». a Poel des vuurs en sulfers ».
Recht, wraak: Jud. 7; 2 Thes. 1:8; Heb. 10:27-30 a aionisch vuur ». « Vlammend vuur ».
Die straf is zwaarder dan het sterven Heb. 10:28, 29.
Alleen de tuchtiging staat nooit in verband met vuur. De tuchtiging is tot nut (Heb. 12:10). Men lette er bijzonder op, dat dit « nut » hem geldt die getuchtigd wordt, niet anderen. God tuchtigt wie Hij lief heeft (Heb. 12:6; Op. 3:19), niet de bastaarden (Heb. 12:8). Misschien denkt men hier aan Joh. 3:16, maar dan zie men ook, dat de « wereld » alleen wil zeggen de wereld in het algemeen, maar daarom niet elk schepsel in het bijzonder. Zo werd ook het geloof der Romeinen verkondigd in « de gehele wereld » (Rom. 1:8), maar daarom nog niet aan elk schepsel afzonderlijk genomen. De « gehele wereld » iigt wel in den boze (1 Joh. 5:19), maar dit kan men daarom niet zeggen van elk schepsel.
Wij hebben reeds opgemerkt hoe het woord « tuchtigen » afgeleid is van « opleiden ». Het ligt voor de hand te veronderstellen, dat dit geschiedde omdat geen ander woord juist genoeg uitdrukte wanneer er tot nut gekastijd werd. Als door kolasis (kastijding) reeds genoegzaam die betekenis was uitgedrukt, dan zou zeer waarschijnlijk dit woord gebruikt zijn geworden en een bestaand woord niet van betekenis veranderd zijn. Wij kunnen aannemen dat de klassieke schrijvers kolasis in de zin van kastijding tot nut gebruikt hebben, maar dat is nog niet voldoende om het zo te nemen als de Heilige Geest dit woord gebruikt en daarnevens een ander plaatst, dat wel die betekenis heeft. In Hand. 4:21 was de kastijding zeker ook niet tot nut bedoeld. In 1 Joh. 4:18 schijnt dat ook het geval te zijn.
Het is zeer goed mogelijk dat de kastijding tot nut voor anderen is. De vertaling der 70 gebruikt kolasis nooit in de zin van iets nuttigs. De Apokrifa gebruiken dit woord soms in die zin, maar niet als iets dat nuttig is voor de persoon, die de kastijding ondergaat (zie b.v. Wijsheid 11:5), maar wel voor anderen.
LEVEN EN DOOD
De Schrift gebruikt voor « leven » de twee woorden « zoè en « bios ». Het eerste is het leven in zich zelf, de levenskracht. Het tweede is de openbaring van het leven.
Over « bios » zullen we hier niet veel zeggen. Dit woord kan de levenswijze aanduiden, zoals in Luk. 8:14; 1 Tim. 2:2; 2 Tim. 2:4; 1 Joh. 2:16, ofwel wat tot het leven nodig is, zoals in Mark. 12:44; Luk. 8:43; 15:12, 30; 21:4; 1 Joh. 3:17.
Door « zoè » verstaat men de levenskracht die een organisme in werking zet en zo in gemeenschap stelt met zijn omgeving. Het is het omgekeerde van « thanatos », dood, waar die kracht ontbreekt en het organisme dan ook niet meer kan werken.
Het ligt voor de hand onderscheid te maken tussen het gewone leven, de kracht, die het stoffelijke lichaam in beweging zet en het geestelijke leven. Het eerste is voldoende om de mens in gemeenschap te stellen met de schepping. Het tweede is nodig om in gemeenschap te staan met God. Het eerste is nauw verwant met de ziel en de zinnen, het tweede met de geest. De volle ontplooiïng van beide levens begint in de toekomende aioon: die van de ziel zowel als die van de geest. Zij die tot de aardse sfeer behooren en dan op aarde leven, delen in de stoffelijke zegeningen van die aioon. De hemelse sfeer heeft deel aan het aionische leven in de hemel. ¹
Nu kan men ook voor de dood een dergelijk onderscheid maken. Er is vooreerst de gewone dood, die het lichaam en de ziel treft en vervolgens de dood in verband met de geest. De eerste heeft tot gevolg dat er geen gemeenschap is met de schepping, de tweede dat er geen gemeenschap is met God. Beide zijn een gevolg der zonde, d.i. der ongerechtigheid.
Voor Adam was de dood een gevolg van oordeel; voor ons echter niet, want wij zijn niet verantwoordelijk voor de zonde.
Men zou kunnen zeggen, dat zij een « natuurlijk » gevolg der zonde zijn. Oordeel en straf zijn slechts voor bewuste en gewilde zonden (Heb. 10:26-31).
Door onze vleeses gemeenschap met Adam delen we in de gevolgen van het oordeel dat hem trof. ¹.
Alle leven komt van God. Als de gemeenschap verbroken is, moet de dood « van zelf », maar daarom niet plotseling volgen. God had tot Adam gezegd: « stervende zult gij sterven ». Dat duidt een proces aan. De afgehakte tak blijft nog een tijd leven, maar dat is eigenlijk maar een sterven. Het einde van de mens, die van God gescheiden leeft, is de dood, die lichaam, ziel en geest omvat. De Schrift spreekt daarom ook van de behoudenis van de geest (1 Kor. 5:5).
Wij achten het onnodig hier teksten op te geven voor de gewone dood. De toestand waarin onze geest niet in betrekking staat met Gods Geest, wat men dan ook soms de « geestelijke » dood heeft genoemd, vinden wij in menige plaats aangegeven. Zo b.v. in:
Joh. 5:24 « Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven ».
1 Joh. 3:14 « Wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben: die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood.
In Rom,. 5:12. 14, 17, 21 betreft het ook beide de gewone dood en de scheiding van God. Het laatste vers stelt ook de dood in tegenstelling tot het aionische leven en toont dus duidelijk dat het hier over méér dan de gewone dood gaat. Zo ook in:
Rom. 6:23 « Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegifte Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus. onzen Heere ».
Dood staat tegenover « aionisch leven » en betreft de dood naar lichaam, ziel en geest. Zie verder Rom. 7:10, 13.
Men ziet ook, dat de dood van onze Heere Jezus Christus verder gaat dan de gewone dood. In Rom. 5:10 heeft men weer de tegenstelling: dood-leven en waar het leven niet alleen het gewone leven is moet dat ook het geval zijn met de dood, die hier aangegeven wordt.
Op het kruis werd Hij een vloek voor ons (Gal. 3:13), werd Hij zonde gemaakt (2 Kor. 5:21) en moest dus door God verlaten worden (Mat. 27:46). Hij stierf tegelijkertijd in twee opzichten: de gemeenschap met de schepping en met de Vader werd onderbroken. Maar de Vader zou Hem niet verlaten tot-in de Hadès (Hand. 2:27, 31) en zou Hem behouden uit de dood (Heb. 5:7). Vóór het kruis had Hij gemeenschap met Adam en het « oude mensdom ». Hij nam de zonde op Zich en stierf voor de zonde. Bij Zijn opstanding is het « nieuwe mensdom » begonnen. In deze zin kan men dan ook het « heden heb Ik u gegenereerd » (Hand. 13:33) opvatten. Zie ook Kol. 1:18; Op. 1:5 en 1 Kor. 15:45-47. « Gegenereerd » is hetzelfde woord als « verwekt », dat in Hand. 13 meer voorkomt. Het heeft betrekking op Christus' opstanding.
En nu hebben de wedergeborenen het voorrecht ook met Hem te kunnen sterven (Rom. 6:3-12) en dan met Hem te kunnen leven. (Men lette er op dat dit nooit als een « opstanding » aangeduid wordt.) Men is dan « gerechtvaardigd van de zonde », dat is niet eenvoudig een vergeving van zonden, maar een positieve gerechtigheid, tegenover de negatieve ongerechtigheid. Bij de wedergeboorte begint de werking van de Heilige Geest in ons. Hij ontsluit ons zo het aionische leven. Want zo kan men tot-in Christus gaan geloven en met Hem het oude mensdom afsterven. Het kan dan zelfs gaan tot de positie waarvan Paulus in zijn gevangenschapsbrieven spreekt, en waar men werkelijk gerekend wordt als deel makende van het nieuwe mensdom.
Bij de gewone dood gaat men in de Hadès. Het lichaam heeft dan een bijzondere bestaanswijze, waar het niet meer gewoon stoffelijk is, niet leeft in de gewone zin van het woord, d.i. geen gemeenschap meer heeft met de schepping. De dode mens wordt bewaard tot de opstanding, hetzij ten leven, hetzij ten oordeel (2 Petr. 2:9). Indien het laatste, dan volgt er straf op het oordeel. De straf komt nooit vóór het oordeel en in de Hadès kunnen ze dus die straf niet uitboeten. Zij die reeds met Christus gestorven zijn, blijven ook bij de dood in gemeenschap met God in zo verre Hij ook in de Hadès is (Ps. 139:8).
De uitdrukkingen dood zijn en sterven worden ook gebruikt om een verbreking van gemeenschap aan te duiden ten opzichte der Wet (Rom. 7:4, 6; Gal. 2:19), der eerste beginselen (Kol. 2:20), der zonde (Hom,. 6:2, 11). In 1 Tim. 5:6 is er geen gemeenschap meer met de geestelijke dingen. (« Levend » staat niet in de drie voornaamste handschriften).
Het kenmerkende van de dood is het ophouden van de werking van een organisme en de onderbreking der gemeenschap met de omgeving. Het gevolg kan verschillend zijn en wordt niet aangegeven door het woord « dood ». Zo gebruikt men dezelfde uitdrukking voor mensen, dieren en planten en wil daarmee zeggen dat hun leven ophoudt. Meer niet. Wat er met de mens, het dier of de plant verder gebeurt, blijft buiten bespreking. Als de Schrift dan spreekt van een « tweede dood » zegt dit alleen, dat ze reeds door een « eerste dood » gegaan zijn. Wat die dood is, of de gevolgen anders zijn, wordt hier niet uitgedrukt. Daar echter de Schrift de « tweede dood » gelijk stelt met de « poel des vuurs » hebben we hier een bijkomende aanwijzing die ons iets meer zegt van de gevolgen. Zoals we reeds gezien hebben in de studie over « Straf enz. » staat « vuur » steeds in verband met straf, kastijding, pijn, wraak. Dat deze « tweede dood » een plaats der pijniging is voor de duivel, het beest en de valse profeet ,zegt ons Op. 20:10. Wat het nu juist betekent voor de anderen, die in deze poel des vuurs geworpen worden, laat de Schrift onbeslist. Het schijnt echter wel duidelijk dat deze dood geen « rust » tot gevolg heeft, zoals de eerste. ¹
Straf voor bewuste en gewilde zonden moeten ze dragen, hetzij vóór, hetzij in die poel des vuurs. Mogelijk ook ten dele er vóór, ten dele bij het inwerpen. Wat dat vuur juist is, kunnen wij ons niet voorstellen. Wel dat het iets verschrikkelijks moet zijn.
Het Grieks gebruikt het woord « nekros » voor: een
dode, of een dood lichaam. Wij zullen deze uitdrukking hier niet onderzoeken, doch alleen opmerken, dat ze gebruikt is in Ef. 2:1,
en Kol. 2:13 waar de toestand geschilderd wordt van de leden van het « samen-lichaam ». Zij zijn niet alleen
gerechtvaardigd, door hun sterven met Christus, maar worden beschouwd als zijnde een dode ten opzichte van de zonden. Zij moeten
er dus geen gemeenschap meer mee hebben. Het betreft hier niet de toestand van een ongelovige. Het Grieks toont dat duidelijk.
(Zie hiervoor « De Weg der Behoudenis »).
ZIELLIJK, GEESTELIJK, VLESELIJK
Met de algemene gangbare, maar daarom niet Schriftuurlijke gedachten over de ziel, zal het voor de meesten een verrassing zijn als ze vernemen in welke zin Paulus het woord « psuchikos » (ziellijk) gebruikt. In de Statenvertaling vinden we het woord « ziellijk » niet. Het Griekse « psuchikos » is daar telkens vertaald door « natuurlijk ». We geven hier alle teksten op:
PSUCHIKOS (ziellijk).
1 Kor. 2:14 « Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. »
1 Kor. 15:44 « Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam ».
1 Kor. 15:46 « Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke ».
Jak. 3:15 « Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels ».
Jud. 19 « Deze zijn het, die zichzelven afscheiden, natuurlijke (mensen), den Geest niet hebbende ».
De ziellijke mens is hij, die onder de heerschappij der ziel staat. De ziel is hoofdzakelijk de zetel van het gevoel en omvat de vijf zinnen van de mens. De ziellijke mens is de mens zoals hij geboren wordt en de vertaling « natuurlijk » is daarom niet zo slecht.
Die ziellijke mens is niet in kontakt met God, « heeft den Geest niet », kan de geestelijke dingen niet verstaan. Eerst moet er wedergeboorte zijn.
Het ziellijke lichaam is het lichaam zoals we het nu kennen en dat geheel onder den invloed der ziel kan staan. Het staat tegenover het geestelijke lichaam, dat we bij de opstanding krijgen en dat geheel onder de heerschappij van de Geest staat. Men ziet ook in welk gezelschap Jakobus « ziellijk » plaatst: « aards, ziellijk, duivels ».
In de Griekse literatuur der Heidenen duidde « ziellijk » en « ziel » het hoogste van de mens aan en het Christendom heeft die gedachte overgenomen. Men schijnt niet in te zien, dat de Schrift wat anders zegt. Hier toch is de geest en het geestelijke het hoogste en de ziel, ten minste in onze tegenwoordige bestaanswijze, kan behoren tot het laagste van de gelovigen. We moeten in deze eeuw onze ziel verliezen (Mat. 10:39), want zij staat de geest in de weg.
Wij geven nu ook enkele teksten, waar « geestelijk » gebruikt is (zie ook 1 Kor. 15:44 en 46 hierboven).
PNEUMATIKOS (geestelijk).
1 Kor. 2:13 « Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende » (of: « aan geestelijke [mensen] verklarende »).
1 Kor. 2:15 « Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hijzelf wordt van niemand onderscheiden ».
1 Kor. 3:1 « En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen
in Christus ».
Gal. 6:1 « Broeders, indien ook een mens overvallen ware door eenige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zodanigen terecht met den geest der zachtmoedigheid ».
Alleen een wedergehorene kan geestelijk zijn. We zeggen « kan », want uit 1 Kor. 3:3, 4 zien we, dat een in-Christusgelovige ook nog vleeselijk kan zijn. We weten ¹ dat « vlees » onder meer de gehele mens aanduidt, zoals hij van Adam afstamt, inbegrepen de ziel. « Het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees ». De gelovige kan naar de « oude mens » wandelen en is dan vleselijk.
We gaan ook enkele teksten na, waar « vleselijk » in die zin voorkomt:
SARKIKOS (vleselijk).
1 Kor. 3:3,4 « Want gij zijt nog vleselijk; want dewijl onder u nijd is, en twist en tweedracht, zijt gij niet vleselijk, en wandelt gij niet naar den mens? Want als de een zegt: Ik ben van Paulus, en een ander: Ik ben van Apollos; zijt gij niet vleselijk? »
2 Kor. 1:12 « Niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade Gods ».
De gelovigen van Rom. 7:15-25; 8:4-8 zijn reeds wedergeboren, doch nog onder de wet der zonde. Eerst als ze met Christus gestorven zijn (Rom. 6), zijn ze vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods (Rom. 8:2) en gerechtvaardigd van de zonde (Rom. 6:7). Na de wedergeboorte zijn ze kinderen Gods, maar eerst als ze met Christus gestorven zijn, komen ze tot het zoonschap ¹. Een kind is nog « vleselijk », terwijl een zoon « geestelijk » kan zijn. Dat wordt bevestigd door 1 Kor. 3:1-4.
De wijsheid van de mens vóór de wedergeboorte is « vleselijke wijsheid » (2 Kor. 1:12). Daar tegenover staat de wijsheid, die niet van deze wereld is, de wijsheid Gods (1 Kor. 2:6, 7).
We willen bij deze gelegenheid de aandacht vestigen op enkele teksten, waar de Statenvertaling « vleselijk » gebruikt, doch waar de zin geheel verschillend is. De beste handschriften gebruiken soms « sarkinos » in plaats van « sarkikos »: De uitgang « nos » wijst er op, dat iets uit een zekere stof gemaakt is of de eigenschappen van die stof heeft. Zo spreekt Mat. 3:4 van een « lederen (dermatinos) gordel », Mark. 15:17 van een « doornen (akanthinos) kroon » en Op. 18:12 van houten (thuinos) vaten » enz. Sarkinos wil dus zeggen dat iets uit vlees gemaakt is, er de eigenschappen van heeft. Dat woord heeft echter geen morele betekenis.
Zie hier de vier teksten:
SARKINOS (vlezen).
Rom. 7 :14 « Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk (sarkinos), verkocht onder de zonde ».
1 Kor. 3 :1 « En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar tot vleselijken (sarkinos) ».
2 Kor. 3 :3 « Niet in stenen tafelen, maar in vlesen (sarkinos) tafelen des harten ».
Heb. 7 :16 « Die dit niet naar de Wet eens vleselijken gebods is geworden ».
Men ziet hoe de « vlezen » tafelen des harten tegenover de « stenen » tafelen staan. Het stoffelijke vlees is zwak en stervend, onder de zonde. We hebben ons vlees van Adam en door deze gemeenschap zijn we van geboorte ziellijk, d.i. onder de heerschappij van de zinnen. Zelfs na de wedergeboorte zijn we nog vleselijk, d.i. onder de heerschappij van de oude mens. Eerst als we van de zonde gerechtvaardigd zijn door gemeenschap met Christus, kunnen we geestelijk zijn, d.i. onder de heerschappij van de Heilige Geest staan.
De Heere Jezus kwam in het vlees, maar het was geen zwak en stervend vlees. Zijn vlees geleek op dat der zonde (Rom. 8:3). Toch kan men zeggen, dat hij een vlezen (sarkinos) lichaam had. Hij was echter niet vleselijk (sarkikos). Sarkinos heeft geen zedelijke betekenis, sarkikos wel.
De meeste manuskripten gebruiken in Heb. 7:16 sarkinos. Sommigen hebben: sarkikos. We zien echter onmiddellijk, dat sarkikos hier niet past. De Wet is geestelijk (Rom. 7:14). Het gebod was niet vleselijk in de zin dat het aan de zonde onderworpen was. Het gebod was, zoals het stoffelijke vlees, zwak maar niet zondig.
We zien dus, hoe alle mensen een « vlezen » lichaam hebben, van nature « ziellijk » zijn en van zelf ook « vleselijk ». Na de wedergeboorte en het met Christus sterven kunnen zij « geestelijk » zijn, doch blijven nog dikwijls « vleselijk ».
LICHT EN DUISTERNIS
Om een indruk van licht te hebben, zijn er hoofdzakelijk drie dingen nodig: 1. het licht, 2. het zintuig om het licht te ontvangen: het oog, en 3. het openen van de oogleden. De twee eerste hangen niet van ons af, het derde wel. Alle mensen, uitgezonderd de blinden, kunnen zien, want God heeft hun daartoe zowel het licht als het oog gegeven. Maar daarom zien nog alle mensen niet noodzakelijkerwijze. Zij kunnen hun oogleden sluiten. Indien ze lange tijd geen gebruik van hun ogen zouden maken, zou hun oog ongeschikt worden om het licht te ontvangen. Dit geschiedt b.v. bij de paarden, die hun leven in een kolenmijn doorbrengen.
In de geestelijke wereld gaat het ook zo. Er is een geestelijk licht en een geestelijk oog. Het licht, Christus, schijnt over allen, doch alleen de wedergeborenen hebben het geestelijk oog en kunnen het licht ontvangen. De anderen, al geloven ze in God, verstaan niet de dingen, die des Geestes Gods zijn (1 Kor. 2:14). Alle mensen zijn naar geboorte geestelijk blind. Als God ze dan door de wedergeboorte het geestelijk zien mogelijk maakt, wil dit echter nog niet zeggen, dat ze daarom zien: ze kunnen hun oogleden sluiten en geen gebruik maken van Gods gave. Ook hier kan dan ten slotte het orgaan zijn dienst niet meer vervullen. Dan is men verblind. Dat verblinden kan alleen plaats vinden bij hen, die reeds een geestelijk oog ontvangen hebben, die wedergeboren zijn. De anderen zijn blind en behoeven dus niet verblind te worden. Wel kunnen hun natuurlijke vermogens verduisterd worden, zodat ze zelfs deze niet goed meer kunnen gebruiken.
We willen nu met de Konkordantie eenige teksten nagaan over licht en verlichten, blind en verblinden, duisternis en verduisteren.
PHOOS (licht).
Luk. 2:32 « Een licht tot verlichting der Heidenen ».
Joh. 1:9 « Dit was het waarachtig licht, hetwelk verlicht een iegelijk mens ».
Joh 3:19 « Dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen hebben de duistenis liever gehad dan het licht, want hun werken waren boos ».
Hand. 13:47 « Ik heb u gesteld tot een licht der Heidenen ».
Hand. 26:18 « Om hun oogen te openen en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des Satans tot God ».
2 Kor. 11:14 « De Satan zelf verandert zich in een engel des lichts ».
Ef. 5:8 « Maar nu zijt gij licht in den Heere: wandelt als kinderen des lichts ».
PHOOTIZOO (verlichten).
Ef. 1:18 Verlichte oogen uws verstande ».
Ef. 3:9 « En allen te verlichten ».
Heb. 6:4 « Die eens verlicht geweest zijn ».
TUPHLOS (blind).
Mat. 11 :5 « De blinden worden ziende ».
Mat. 15 :14 « Zij zijn blinde leidslieden der blinden ».
Joh. 9 :39 « Opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden ».
Joh. 9 :41 « Indien gij blind waart, zo zoudt gij gene zonde hebben, maar nu zegt gij: wij zien; zo blijft dan uw zonde ».
TUPHLOOO (verblinden).
Joh. 12:40 « Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard. »
2 Kor. 4:4 « In welke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft. »
1 Joh. 2:11 « De duisternis heeft zijn ogen verblind. »
SKOTOS (duisternis).
Ef. 6:12 « Tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw ».
Kol. 1:13 « Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis ».
SKOTIZOMAI (verduisteren).
Rom. 1:21 « Hun onverstandig hart is verduisterd geworden. »
Rom. 11:10 « Dat hun ogen verduisterd worden ».
Ef. 4:18 « Verduisterd in het verstand ».
Men ziet hoe de Heere Jezus heel in het bijzonder een licht genoemd wordt. Hij is de bron van het licht. Zij die met Hem in gemeenschap staan, zijn ook lichten, maar hun licht heeft zijn oorsprong niet in hen, maar komt van de Heere. Het licht verlicht wel ieder mens, maar zij ontvangen het niet altijd.
Zij hebben liever de duisternis. Zij, die wandelen bij het licht Gods in de natuur, worden zo ontvankelijk gemaakt om het geestelijk oog te ontvangen, d.i. om wedergeboren te worden. De anderen blijven blind, doch moeten zich niet verontschuldigen omdat ze geen orgaan hebben om te zien. De uitdrukking « ogen openen » betreft niet het openen der oogleden, maar wijst op een werking Gods, die het zien mogelijk maakt (zie b.v. Mat. 20:33). Het is het ziende maken van een blinde (Mat. 11:5). Op geestelijk gebied is dat de wedergeboorte. Het is geheel een werk van God. Mensen kunnen echter een middel daartoe zijn (Hand. 26:18: om hun ogen te openen). Maar zelfs als men een oog heeft, dat kan zien, dan moet de mens het nog willen gebruiken: hier hebben we de bekering (Hand. 26:18: en hen te bekeren van de duisternis tot het licht). Zie ook Joh. 12:40.
Waar geen licht is, is duisternis. De duisternis is dus een afwezigheid van iets, zij is niet geschapen. Zo is ook de zonde een gebrek aan heerlijkheid, een missen, iets negatiefs. Het schepsel, dat van God is afgescheiden, vervalt tot duisternis, omdat het licht, dat alleen van God kan komen, ontbreekt. Zo worden ze ook blind geboren. Satan is duisternis, doch neemt de uitwendige gedaante aan van een engel des lichts (niet de vorm of bestaanswijze, zie bl. 41. Als men 2 Kor. 4:4 met 1 Joh. 2:11 vergelijkt, bemerkt men, dat de « god dezer eeuw » overeenkomt met de « duisternis » en de « zinnen » (Gr. nous: de inwendige mens) met de « ogen ». Ef. 6:12 spreekt van de geweldhebbers der duisternis en Kol. 1:13 van de macht der duisternis.
Als het schepsel Gods gave veracht, dan kan God die terugtrekken: het licht verdwijnt en het oog wordt verduisterd, verblind (Rom. 11.10; Joh. 12:40; 2 Kor. 4:4; 1 Joh. 2:11). De niet wedergeborene kan uit de schepping God leren kennen (Rom. 1:19, 20). Gebruikt hij de natuurlijke vermogens niet, dan kunnen zij verduisterd worden (Rom. 1:21). Satan en andere engelen der duisternis zoeken de mens te verblinden en te verduisteren. Zijn werking heeft vooral plaats op geestelijk, godsdienstig gebied.
We zien dus, hoe God het licht geeft en de organen om het te ontvangen. Satan wil het omgekeerde. Het hangt nu van de mens af God te verheerlijken door Zijn genadegaven aan te nemen. Stelt hij prijs op het natuurlijke licht, dan krijgt hij ogen voor het geestelijk licht. Gebruikt hij zijn ogen, dan zal het licht overvloedig schijnen en ontvangen worden. Verkiest hij de duisternis, dan krijgt hij geen ogen. Gebruikt hij de ogen niet, die hij gekregen heeft, dan verdwijnt het licht en de ogen worden ongeschikt om het te ontvangen.
HEERST CHRISTUS NU REEDS OVER DODEN?
We geven hier een voorbeeld hoe men met de Korkondantie (en een Gr. spraakleer) soms de moeilijkste taalkundige vraagstukken kan oplossen. Op sommige punten zijn de taalkundigen het namelijk verre van eens ten opzichte van de spraakleer van het Grieks der Schriften. Dat is b.v. het geval met de 1° en 2° Aoristus ¹. Neem b.v.
Rom. 14:9 « Want daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beide over doden en levenden heersen zou ».
De vraag die we te beantwoorden hebben is deze: Heeft het heersen over de doden nu reeds plaats (terwijl ze nog dood zijn) of slaat dit heersen op de toekomst en zal het dus plaats hebben als zij, die nu dood zijn, zullen opgestaan zijn? De vorm van het Gr. werkwoord kan ons dit zeggen, maar omdat sommigen het een onvolmaakt toekomende tijd (in de aanvoegende wijs) noemen en anderen een 1e Aoristus, kunnen we uit de spraakleer alleen geen zekerheid hebben. Hoe gaan we dan te werk? We gaan de uitgang na van het werkwoord, zoals het in onze tekst voorkomt: kurieusè. We zoeken vervolgens door middel van de Konkordantie andere zinnen op van dezelfde constructie, met « opdat » en waar iets in het verleden gedaan is om hetzij nu reeds, hetzij in de toekomst iets uit te werken. Zo vinden we het volgende:
1. Wat nu reeds gebeurt. Gal. 3:13, 14 « Christus... een vloek geworden zijnde voor ons... opdat de zegening van Abraham tot de Heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof ».
Over « komen zou » (genètai) is er eensgezindheid dat het in het Grieks een tegenwoordige tijd is (in de aanvoegende wijs) en de werking dus nu reeds plaats heeft. « Verkrijgen zouden » is de vertaling van « laboomen ». Die zegen en belofte begonnen reeds te komen in de tijd der Handelingen, al is de volledige vervulling eerst voor later. Zie ook Luk. 24:49 en Hand. 1:5.
1 Petr. 3:18 « Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen ». Dat tot God brengen (of beter: leiden) heeft plaats vanaf het kruis. « Zou brengen » is de vertaling van « presagagè ».
2. Wat eerst later, bij Christus' komst zal plaats grijpen. 1 Thes. 5:10 « Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, tezamen met Hem leven zouden ». Die tekst is vervolg van hoofdstuk 4 en handelt nog over de opstanding. Men is en leeft met Christus « aldus » (4:17) d.i. door de opname of opstanding. Zo zegt ook 2 Tim. 2:11 « zo zullen wij met Hem leven », niet: « zo leven wij met Hem » en Joh. 14:3 « Zo, kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen ». In 1 Thes. 5:10 is « leven zouden » de vertaling van « zesoomen ».
1 Joh. 3:8 « Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou ». Satan's leugens werpen alles dooreen en voeren tot de dood. Nu ontsnappen er wel enkelen aan zijn invloed, maar het te niet doen van zijn werken heeft eerst plaats bij de komst van Christus, de opstanding der doden en is volledig als God alles in allen zal zijn. « Verbreken zou » is de vertaling van « lusète ».
We zien dus, dat de uitgangen oomen en è aangeven dat iets nu reeds gebeurt, terwijl de uitgangen soomen en sète iets aanduiden, dat eerst later zal plaats grijpen. Nu vinden we in de spraakleer de volgende reeksen uitgangen voor de 1ste, 2e en 3e persoon enkel- en meervoud.
| oo |
ès |
è |
oomen |
ète |
oosi |
| soo |
sès |
sè |
soomen |
sète |
soosi |
We behoeven geen rekening te houden met hetgeen de spraakleren van die uitgangen zeggen: de tweede reeks bevat soomen en sète en uit Gods Woord leren we dus, dat heel die reeks aanduidt dat iets eerst later zal plaats grijpen. Daar nu de uitgang sè van « kurieusè » er ook toe behoort, kunnen we zonder aarzelen besluiten, dat Rom. 14:9 de toekomst betreft. Christus heerst dus nu nog niet over hen die dood zijn. Hij zal dat wel doen bij hun opstanding.
De eerste reeks bevat è en oomen en geeft dus, volgens de geïnspireerde woorden, iets aan dat nu reeds gebeurt.
Bij alle onderzoek moet men ernstig rekening houden met de naburige teksten. In Rom. 14:10 en 12 lezen we: « Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden » en: «. Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven ». Wanneer wordt men voor die rechterstoel gesteld en moet men rekenschap geven? De konkordantie toont aan dat « bema », het Grieks voor « rechterstoel », ook in 2 Kor. 5:10 voorkomt: « Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage... ». Om nader ingelicht te worden zoeken we nog andere plaatsen waar het Gr. woord voor « wegdragen » gebruikt is en we lezen:
Heb. 10:36,37 « De beloftenis moogt wegdragen; want: nog een weinig tijds en Hij, die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven ».
Heb. 11:39 « En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet gekregen » (zie vers 35: « betere opstanding »).
1 Petr. 1:9 « Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen ». Zie v. 13: « in de openbaring van Jezus Christus ».
1 Petr. 5:4 « En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen. »
Uit dit alles zien we, dat de « bèma » en het « wegdragen » plaats hebben bij de opstanding en tweede komst van Christus. Zie ook Mat. 16:27; Luk. 14:14; 2 Thes. 1:7; Op. 11:18; 22:12.
Men ziet dus ook uit het onderzoek van de verzen die op Rom. 14:9 volgen, dat het gaat over toekomende dingen en het heersen (onder de vorm van oordeel b.v.) eerst plaats heeft na de opstanding en niet als ze nog dood zijn. Men ziet nu ook bevestigd, dat 2 Kor. 5:9 over de opstanding spreekt, evenals de vorige verzen, waar sprake is van « bij den Heere inwonen ». Het sterfelijke wordt door het leven verslonden bij de opstanding (of bij de verandering in een punt des tijds). Men ziet ten slotte ook dat Mat. 22:31, 32 bevestigd wordt. De Heere zegt duidelijk en nadrukkelijk dat Hij spreekt over de opstanding. God is niet een God der doden en als Hij de God van Abraham, Izaak en Jakob wil zijn, moeten zij dus eerst opstaan. Zo sprak Ex. 3:6 dus reeds van de opstanding, Israëls herstel en het koninkrijk. Het is wel merkwaardig, dat Mat. 22:32 door velen uit het verband gelicht wordt en dan zou moeten leren, dat de doden leven!
Met eenige liefde voor het Woord, met wat geduld en oefening, kan men in vele dingen juist onderscheiden wat de Heilige Geest zegt, zelfs zonder bijzondere « geleerdheid ». Men moet Schrift met Schrift vergelijken en uitleggen.
WANDEL - WANDELEN
De Statenvertaling gebruikt wandel of wandelen voor negen Griekse woorden. Het is echter zeer belangrijk die woorden, die de Geest leert (1 Kor. 2:13), te onderscheiden.
1. Anastrophè-anastrephomai. Letterlijk « naar boven keren », zoals in Joh. 2:15, doch ook gebruikt in de betekenis van wederkeren (Hand. 5:22; 15:16). In de meeste gevallen wijst dit woord op het gedrag. In die betekenis is het gebruik in:
2. Kor. 1:12; Ef. 2:3; 1 Tim. 3:15 St. Vert. « verkeren ».
Gal. 1:13 St. Vert. « omgang ».
Ef. 4:22; 1 Tim. 4:12; Heb. 13:7, 18; Jak. 3:13; 1 Petr. 1:15, 17, 18; 2:12; 3:1, 2, 16; 2 Petr. 2:7, 18; 3:11 St. Vert. « wandel – wandelen ».
Heb. 10:33 St. Vert. « gehandeld werden ».
2. Emperipateoo. Alleen gebruikt in 2 Kor. 6:16. Het is letterlijk, zoals de St. Vert. het zegt: « wandelen onder... ».
3. Orthopodeoo. Alleen gebruikt in Gal. 2:14 (wandelden). Het is letterlijk « recht voeten » of recht op zijn voeten staan, d.i. de goede houding aannemen.
4. Perierchomiai. Gebruikt in Hand. 28:13 (omvoeren); Heb. 11:37 (gewandeld).
5. Peripateoo. Dit is het gewone wandelen en wordt zeer dikwijls gebruikt. Zie b. v. Mat. 4:18. Het betreft echter niet alleen het lichamelijke, doch ook het morele of geestelijke: de wijze van handelen. Zie b. v. Rom. 6:4; Fil. 3:17.
6. Politeurna-politeuomai. Het eerste woord is alleen gebruikt in Fil. 3:20 (wandel), het tweede in Hand. 23:1 (gewandeld) en Fil. 1:27 (wandelt). Men weet dat « polis » stad betekent. « Politeuma » is burgerschap en wijst vooral op de voorrechten verbonden aan het burger zijn van een stad. « Politeuomai » is het uitoefenen van dat burgerschap, een « wandel » die overeenkomt, niet alleen met de voorrechten, doch ook meet de verantwoordelijkheid, die men heeft.
7. Poreuomai. Slechts eenmaal gebruikt de St. Vert. dit woord voor wandelen (Hand. 14:16). De betekenis is: gaan, zoals in Mat. 8:9.
8. Stoicheoo. « Stoicheion » betekent letterlijk: reeks. De afgeleide betekenissen zijn: een reeks stoffelijke dingen (2 Petr. 3:10, 12 – elementen) ; een reeks uitspraken (Heb. 5:12 – beginselen); een reeks voorschriften, zoals van Mozes (Gal. 4:3, 9; Kol. 2:8, 20 – beginselen).
« Stoicheoo » wil dan zeggen: die reeks (voorschriften of vereisten) in acht nemen. Het is van belang de verschillende teksten, waar dit woord gebruikt is, goed te overwegen.
Hand. 21:24 « Gij (alzo) wandelt, dat gij ook zelf de Wet onderhoudt ».
Letterlijk staat er: « ...dat gij zelf de reeks (voorschriften van Mozes, v. 21) waarneemt en de Wet bewaart ». Paulus bewees door zijn verdere handelingen, dat hij inderdaad de voorschriften der Wet waarnam. (Zie: « Begint de Gemeente met Pinksteren » en « De Strijd »).
Rom. 4:12 « Maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onzen vader Abraham ».
Aan heel de reeks vereisten aan hun positie verbonden moet voldaan worden in het geloof.
Gal. 5:25 « Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen ».
Al het vorige spreekt van de wet, Gal. 4:3, 9, van de « eerste beginselen » (stoicheoo) der wereld en deze zijn ook de voorschriften der Wet. Alle Joden moesten die voorschriften volgen gedurende Handelingen, al geloofden ze ook in Christus. Het verschil was, dat ze er nu niet meer « onder » waren als slaven, ze niet in eigen kracht volgden, maar in de kracht des Geestes. Daarom zegt Gal. 5:25 letterlijk: « laat ons ook de reeks (voorschriften) waarnemen door den Geest ». Voor de gelovigen van de volken is de wet van Mozes niet toepasselijk. Doch ze moeten heel de reeks dingen, die God van hen verlangt in acht nemen.
Gal. 6:16 « En zo velen als er naar dezen regel zullen wandelen ».
In vs. 15 spreekt Paulus van de nieuwe schepping. Zovelen als er in de kracht behorende bij de nieuwe schepping de reeks verplichtingen aan hun positie verbonden, in acht nemen, over dezelve zij vrede en barmhartigheid. Het gaat hier over de hemelsche groep van de volken. Doch ook voor de hemelse groep van Israël, de ware Israëlieten, het Israël Gods, heeft hij een woord van zegen: « en over het Israël Gods ».
Fil. 3:16 « Doch daar wij toe gekomen zijn, laat ons (daarin) naar denzelfden regel wandelen ».
Paulus heeft nu de overhemelse positie bekend gemaakt en vermaant ze in vs. 17 zijn navolgers te zijn, te merken op hen, die alzo wandelen (peripateoo) en in vs. 20 spreekt hij dan over het « burgerschap » (politeuma). Dit alles betreft dus een wandel die overeen moet komen met de positie waartoe ze gekomen zijn, en een acht geven op al de voorrechten en verantwoordelijkheden verbonden aan hetgeen ze bereikt hebben.
Men ziet dus, dat « een reeks waarnemen » de drie trappen van de weg der behoudenis kan betreffen.
9. Tropos. Alleen in Heb. 13:5 geeft de St. Vert. dit woord weer door « wandel ». Op andere plaatsen menigmaal door « wijze » b.v. in Hand. 1:11 (gelijker) wijze, en in Jud. 7.
BIDDEN
De Statenvertaling geeft 11 verschillende Griekse woorden weer door « bidden » of « gebed ». We geven hierbij de bijzonderste teksten waar die Griekse woorden, en nog een paar andere, voorkomen. Zij omvatten het bidden van verschillende standpunten bezien.
AITEOO, begeren (eisen).
Mat. 7:7 Bidt en u zal gegeven worden.
Mat. 7:11 Goede gaven geven dengenen, die (ze) van Hem bidden.
Mat. 18:19 Twee samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen begeren.
Mat.21:22 En al wat gij zult begeren in het gebed (proseuché) gelovende, zult gij ontvangen.
Mark. 6:23 Zo wat gij van mij zult eisen.
Mark. 11:24 Alle dingen die gij biddende (proseuché) begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden.
Luk. 11:9 Bidt, en u zal gegeven worden.
Luk. 11:13 Hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?
Joh. 11:22 Wat gij van God begeren zult, God u het geven zal.
Joh. 14:13 En zo wat gij begeren zult in Mijn naam, dat zal Ik doen.
Joh. 15:7 Indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden.
Joh 16:23 Al wat gij den Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven.
Joh. 16:26 In dien dag zult gij in Mijn naam bidden.
Ef. 3:13 Daarom bid ik, dat gij niet vertraagt.
Ef. 3:20 Meer dan overvloediglijk te doen, boven al wat wij bidden of denken.
Kol. 1:9 Niet ophouden voor u te bidden (proseuchomai) en te begeren.
Jak. 1:5 Wijsheid... dat hij ze van God begere, die een iegelijk mildelijk geeft...
Jak. 1:6 Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende.
Jak. 4:2 Gij hebt niet, omdat gij niet bidt.
Jak. 4:3 Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt.
I Joh. 3:22 En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, dewijl wij Zijn geboden bewaren en doen...
I Joh. 5:14 Zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort.
I Joh. 5:16 ...een zonde niet tot den dood, die zal (God) bidden (« God » staat niet in de 3 voorn. handschriften).
Het gaat steeds om iets dat men begeert, het is de inhoud van het gebed (proseuchè). Het duidt een vertrouwelijke omgang aan doch in ondergeschiktheid, zoals het kind met de vader Mat. 7:9. Men ziet dat God bereid is allerlei te geven en men op Zijn genade niet moet wachten. Krijgt men niet, dan is het omdat men het niet in de juiste geestesgesteldheid vraagt (Jak. 4:3), niet volgens Gods wil begeert (1 Joh. 5:14). Men moet dus vóór alles de Schrift onderzoeken en recht snijden om Gods voornemen en wil te kennen en geen dingen te begeren, die tot een andere bedeling behoren. Het is goed heel bepaald te zijn in wat men begeert, maar men moet eerst zeker zijn, dat die begeerte naar Gods wil is. Het is niet voldoende te denken dat iets « goed » is. De uitdrukkingen « in Mijn naam » (Joh. 14:13; 16:23), « indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven » (Joh. 15:7), « dewijl wij Zijn geboden bewaren en doen » (1 Joh. 3:22), « naar Zijn wil » (1 Joh. 5:14) laten zien, dat men niet gelijk wat moeten begeren. Het « wat zij ook bidden » van 1 Joh. 5:15 is begrensd door vers 14.
Het onderscheiden van Gods besluit en Gods verlangen (zie « Wil–Willen », bldz. 31 en volgende), geeft ons een juiste kijk op het gebed. Aan Gods besluit zullen wij nooit iets veranderen. Daar tegenover staat, dat God op ons wacht om Zijn verlangen uit te voeren tot we in overeenstemming met dat verlangen gaan begeren en bidden. Het is dan ook duidelijk, dat ons gebed alleen doeltreffend zal zijn als het naar Zijn wil is. Ons gebed beïnvloedt Gods wil niet, maar wel het uitvoeren van Zijn verlangen. Ziet men het grote belang van het Schriftonderzoek, dat ons steeds beter Gods wil kan doen kennen?
Men kan opmerken, dat Martha in Joh. 11:22 het verkeerde woord gebruikt. Voor de Heere Jezus wordt ten opzichte van de Vader steeds « erootaoo » gebruikt.
De meeste teksten betreffen de toestanden van het Koninkrijk of die er zeer nauw mee verwant zijn. Het gaat dan over de aardse sfeer (Mat. 18:19) en betreft dikwijls stoffelijke zegeningen. Er wordt reeds « heilige geest » (de kracht) gegeven aan allen die ze begeren. Ook wijsheid en vele andere dingen kunnen verkregen worden. Zij moeten echter in Christus blijven en naar Zijn wil begeren.
De teksten uit Ef. en Kol. laten het contrast zien tussen de, aardse en overhemelse sfeer. Het begeren van Ef. 3:20 betreft het met kracht versterkt worden, het wonen van Christus in het hart, het begrijpen en kennen van de liefde van Christus, het vervuld worden tot al de volheid Gods. Zo betreft het begeren van Kol. ook geen aardse dingen. De aardse sfeer is nu nog in de macht van Satan (Mat. 4:8; Ef. 2:2) en we bevinden ons dus in het gebied van de vijand. We hebben hier voorlopig niets te zeggen of te begeren. In de toekomende aioon is Satan gebonden en zijn de toestanden geheel verschillend. Dan kunnen de gelovigen van alle sferen bergen verzetten en alle dingen doen die naar Gods wil zijn. Dan is het de tijd van wonderen en krachten.
AITEMA, begeerte (eis).
Luk. 23:24 En Pilatus oordeelde, dat hun eis geschieden zou.
Fil. 4:6 Laat uw begeerten in alles, door bidden (proseuché) en smeeken (deèsis), met dankzegging bekend worden bij God.
I Joh. 5:15 En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden (aiteoo), zo weten wij, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem gebeden (aiteoo) hebben.
Een gebed kan vele « begeerten » bevatten.
EROOTAOO, vragen, een vraag stellen.
Mat. 15:23 En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem.
Mat. 16:13 Vraagde Hij Zijn discipelen.
Joh. 14:16 Ik zal den Vader bidden en Hij zal u een anderen Trooster geven.
Joh. 16:23 In dien dag zult gij Mij niets vragen... al wat gij den Vader zult bidden (aiteoo) in Mijn Naam, dat zal Hij u geven.
Joh 16:26 In dien dag zult gij in Mijn Naam bidden (aiteoo)... dat Ik den Vader voor u bidden zal.
Joh. 17:9 Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld.
I Thes. 4:1 Wij hidden en vermanen (parakaleoo) u.
I Joh. 5:16 Zeg ik niet dat hij zal bidden.
Nooit gebruikt ten opzichte van God, behalve als het de Heere Jezus betreft. Veronderstelt min of meer gelijkheid van rang.
EUCHOMAI wensen.
Hand. 26:29 Ik wenste wel van God.
Hand. 27:29 En wensen dat het dag wierd.
Rom. 9:3 Want ik zou zelfs wel wensen verbannen te zijn.
2 Kor. 13:7 En ik wens van God, dat gij geen kwaad doet.
2 Kor. 13:9 En wij wensen ook dit, namelijk uw volmaking.
Jak. 5:16 Bidt (proseuchomai in Sinaiticus) voor elkander.
3 Joh. 2 Voor alle dingen wens ik.
In Rom. 9:3 wenste Paulus niet verbannen te zijn, doch volgens het Grieks zegt hij, dat hij het vroeger (vóór zijn bekering) gewenst heeft. Hij weet wat het wil zeggen van Christus gescheiden te zijn. Daarom had hij zo'n smart in zijn hart voor zijn broederen.
PROSEUCHOMAI, bidden.
Mat. 6:9 Gij dan bidt aldus: Onze Vader...
Luk. 18:1 Dat men altijd bidden moet en niet vertragen.
Rom. 8:26 Wij weten niet wat wij bidden zullen... maar de Geest zelf bidt (uperentugkanoo) voor ons.
I Kor. 14:15 Met den geest bidden... met het verstand bidden.
Ef. 6:18 Met alle bidding (proseuchè) en smeking (deèsis), biddende ten allen tijde in de Geest.
Kol. 1:3 Altijd voor u biddende.
Kol. 1:9 Niet ophouden voor u te bidden en te begeren (aiteoo).
I Thes. 5:17 Bidt zonder ophouden.
I Tim. 2:8 Ik wil dan dat de mannen bidden in alle plaatsen.
Jak. 5:13 Is iemand onder u in lijden, dat hij bidde.
Jak. 5:16 Bidt (erkomai in Alex. en Vatic.) voor elkander.
Jud. 20 Bidden in de Heilige Geest.
Het is merkwaardig dat dit woord nooit door Johannes gebruikt wordt. Het is steeds tot God gericht en betreft alle gelovigen in alle bedelingen. Het gebed is het natuurlijk gevolg van de gemeenschap met God.
De vraag rijst op hoe het gebed een invloed kan hebben op anderen. Is het zo, dat dit gebed de bidder meer aanzet die anderen te helpen of is er een andere invloed, die op hen werkt, onafhankelijk van hem die bidt? Wij menen dat beiden het geval zijn. Waarom zou God alleen de bidder zelf gebruiken ter verhoring van zijn gebed?
Andere vragen kunnen gesteld worden. Men begrijpt dat God in zekere zin wacht op het gebed om in te grijpen, want er moet verlangen zijn naar die werking Gods. Maar als het gebed anderen betreft, waarom wacht God dan tot er voor hen gebeden wordt? Zou het niet zijn dat, als kinderen, God ons in zekere mate doet delen in wat Hij wil doen? Is het niet een zekere macht die wij tot zegen van anderen kunnen gebruiken voor zover we ze aanwenden naar 's Vaders wil? En deze macht zal afhangen: 1° van onze positie, 2° van onze wandel.
Wil dit zeggen dat God, naar aanleiding van ons gebed, anderen op onweerstaanbare wijze zal beinvloeden? Dat zou hun vrijheid wegnemen. De invloed is er wel, maar de einduitslag hangt af van de mens. Het gebed heeft tot gevolg gehad, dat Gods genade in ruimere mate over hem werd gestort.
Zullen wij dan geen gebruik maken van deze Goddelijke gave ten bate van anderen en van onszelve, maar boven alles ter verheerlijking Gods?
Het doel van ons gebed voor anderen zal bereikt worden als: 1° we recht tegenover God staan door een wandel overeenkomstig met onze positie, 2° we naar Zijn wil bidden, 3° zij waarvoor we bidden, Gods genade aannemen. Zelfs als de twee eerste voorwaarden vervuld zijn, is de derde het nog dikwijls niet. Dat moet niet ontmoedigen, maar ons beter doen inzien hoe lankmoedig God is, waar Hij niet ophoudt genadig te zijn al wijzen de mensen die genade geheel of ten dele af. We moeten volharden in Gods kracht en liefde.
PROSEUCHE, gebed.
Mat. 21:22 En al wat gij zult begeren (aiteoo) in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen.
Mark. 11:24 Alle dingen die gij biddende begeert (aiteoo), gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden.
Luk. 6:12 En Hij bleef den nacht over in het gebed Gods.
Hand. 1:14 Deze allen waren eendrachtiglijk volhardende in het bidden en smeeken (deèsis). (Dit laatste niet in de drie voornaamste handschriften).
Rom. 1:10 Allen tijd in mijn gebeden biddende (deomai).
Rom. 12:12 Volhardt in het gebed.
Rom. 15:30 Dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij.
Ef. 1:16 Gedenkende uwer in mijn gebeden.
Ef. 6:18 Met alle bidding en smeeking (deèsis), biddende (proseuchomai) te allen tijde in den Geest.
Fil. 4:6 Maar laat uw begeerten (aitèma) in alles, door bidden en smeeken (deèsis) met dankzegging bekend worden bij God.
Kol. 4:2 Houdt sterk aan in het gebed.
I Tim. 2:1 Ik vermaan (parakaleoo) dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smeekingen (deèsis), gebeden, voorbiddingen (enteuxis), dankzeggingen, voor alle mensen.
I Tim. 5:5 Blijft in smekingen (deèsis) en gebeden.
I Petr. 3:7 Opdat uw gebeden niet verhinderd worden.
Zelfde opmerkingen als bij proseuchomai.
Men ziet hoeveel Paulus bidt opdat zijn medegelovigen zouden vervuld worden met kennis (epignoosis).
DEOMAI, smeeken.
Mat. 9:38 Bidt dan den Heere des oogstes.
Luk. 5:12 En Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende:...
Luk. 21:36 Waakt dan te aller tijd, biddende dat gij moogt waardig geacht worden...
Luk. 22:32 Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.
Hand. 10:2 En God geduriglijk biddende.
Rom. 1:10 Allen tijd in mijn gebeden (proseuchè) biddende.
2 Kor. 5:20 Alsof God door ons bade (parakaleoo) wij bidden van Christus...
2 Kor. 8:4 Ons met vele vermaning (parakaleoo) biddende.
I Thes. 3:10 Nacht en dag zeer overvloediglijk biddende.
Terwijl « hidden » de gedachte vestigt op Gods almacht, legt « smeken » de nadruk op onze behoefte. Het smeken kan ook tot schepselen gericht zijn.
DEESIS, smeking.
Luk. 1:13 Uw gebed is verhoord.
Hand. 1:14 Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden
(proseuchè) en smeken (dit laatste niet in de drie voornaamste
handschriften).
Rom. 10:1 Het gebed, dat ik tot God voor Israel doe, is tot hun zaligheid.
Ef. 6:18 Met alle bidding (proseuchè) en smeking, biddende
(proseuchomai) ten allen tijde in den Geest.
Fil. 1:4 In al mijn gebed voor u allen met blijdschap het gebed doende.
Fil. 4:6 Door bidden (proseuchè) en smeken.
I Tim. 2:1 Smekingen, gebeden (proseuché), voorbidding
(enteuxis).
I Tim. 5:5 Blijft in smekingen en gebeden (proseuchè).
2 Tim. 1:3 Gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijn gebeden dag en nacht.
Heb. 5:7 Gebeden en smekingen (iketbria).
Jak. 5:16 Een krachtig gebed des rechtv. vermag veel.
I Petr. 3:12 Zijn ooren tot hun gebed.
ENTUGKANOO, pleiten (voorbidden).
Hand. 25:24 Roepende dat hij niet meer behoort te leven.
Rom. 8:27 Dewijl Hij naar (d.i. in overeenstemming met) God voor de heiligen bidt.
Rom. 8:34 Die ook voor ons bidt.
Rom. 11:2 Hoe hij God aanspreekt tegen Israël.
Heb. 7:25 Alzo Hij altijd leeft om voor hem te bidden.
ENTEUXIS, (pleitrede) voorbede.
I Tim. 2:1 Smeekingen (parakaleoo), gebeden (deèsis), voorbiddingen, dankzeggingen.
I Tim. 4:5 Want het wordt geheiligd door het woord van God, en door het gebed.
Drukt niet noodzakelijk een gebed ten bate van anderen uit, maar duidt een vrijmoedige toegang aan.
UPERENTUGKANOO, overpleiten.
Rom. 8:26 Want wij weten niet, wat wij bidden (proseuchomai) zullen... de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen (stenagmos).
De Heilige Geest « over-pleit » en komt alzoo onze zwakheid ter hulp, Hij pleit in overeenstemming met God (vs. 27).
PARAITEOMAI, weigeren (verontschuldigen in passieve vorm).
Luk. 14:18 Zij begonnen allen zich eendrachtiglijk te ontschuldigen.
Heb. 12:19 Baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden.
PARAKALEOO (zich met iemand onderhouden), vermanen, vertroosten, verzoeken.
Mat. 2:18 En wilde niet vertroost worden.
Mat. 8:5 Biddende Hem.
Hand. 2:40 En vermaande hem.
Rom. 12:8 Hetzij die vermaant, in het vermanen.
2 Kor. 1:4 Vertroost... vertroosten... vertroost.
2 Kor. 5:20 Alfsof God door ons bade... wij bidden (deomai).
2 Kor. 12:8 Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden.
Ef. 4:1 Zo bid ik u dan.
Kol. 2:2 Opdat hun harten vertroost mogen worden.
I Thes. 4:1 Wij bidden (erotaoo) en vermanen u.
I Tim. 2:1 Ik vermaan dan vóór alle dingen.
IKETERIA (handen opheffen).
Heb. 5:7 Gebeden (deèsis) en smekingen.
STENAGMOS, zuchten.
Hand. 7:34 Ik heb hun zuchten gehoord.
Rom. 8:26 De Geest zelf bidt (uperentugkanoo) voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
Wij spreken hier niet van « eucharistia » = dankzegging, iets wat wij te allen tijde behoren te doen en steeds in nauw verband met alle soort van gebed moet aanwezig zijn.
KROON
We onderzoeken hier de woorden « diadèma », « stephanos » en « stephanoöo » en geven alle teksten op waarin ze voorkomen.
DIADEMA (diadeem, kroon).
Op. 12:3 « Een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijne hoofden zeven koninklijke hoeden ».
Op. 13:1 « En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden ».
Op. 19:12 « En op Zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden ».
Het is de lezer gewoonlijk niet duidelijk, hoe iemand vele « koninklijke hoeden » kan dragen. « Diadèma » is een koninklijke kroon, doch deze bestond vroeger uit een lint of een andere kring om het hoofd en had niet de vorm waaraan wij nu gewoon zijn. Het was geen zeldzaamheid, dat een koning meerdere dergelijke linten droeg als teken van heerschappij over meerdere koninkrijken. We zien dat dit ook in de toekomst het geval zal zijn met de Heere Jezus Christus als « Koning der Koningen ».
Hij is ook « Koning der Joden » en Israël was dus het teken van Zijn Koningschap. We lezen dan ook in Jes. 62:3 dat dit volk een « koninklijke hoed » genaamd wordt.
De diadeem kenmerkt dus de heerschappij en moet niet verward worden met een « krans », die als teken van overwinning dient. Ongelukkigerwijze gebruiken onze vertalingen juist overal « kroon », waar het Grieks door « stephanos » een « krans » aanduidt. Een der beste taalkundige Schriftonderzoekers, de aartsbischop R. C. Trench, betwijfelt of « stephanos » ooit in de Griekse klassieke litteratuur gebruikt is om een koninklijke of keizerlijke kroon mee aan te duiden.
Laat ons nu alle plaatsen nagaan, waar dit Griekse woord in de Schrif ten gebruikt is.
STEPHANOS (krans).
Mat. 27:29 « En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten zij die op Zijn hoofd ». Zie ook Mark. 15:17; Joh. 19:2,5.
I Kor. 9:25 « Deze dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke ».
Fil. 4:1 « Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broeders, mijn blijdschap en kroon!! »
I Thes. 2:19 « Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon des roems? »
2 Tim. 4:8 « Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid ».
Jak. 1:12 « Want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen ».
1 Petr. 5:4 « En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen ».
Op. 2:10 « Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens ».
Op. 3:11 « Ziet, Ik kom haastelijk; houdt dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme ».
Op. 4:4 « Vier en twintig ouderlingen zittende bekleed met witte klederen, en zij: hadden gouden kronen op hun hoofden ».
Op. 4:10 « En wierpen hun kronen voor den troon ».
Op. 6:2 « Een wit paard, en die daarop zat, had een boog en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende ».
Op. 9:7 « Sprinkhanen... en op hun hoofden waren als kronen ».
Op. 12:1 « Een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren ».
Op. 14:14 « Een gezeten, des mensen Zoon gelijk, hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon ».
STEPHANOOO (een krans omdoen).
2 Tim 2:5 « En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettiglijk heeft gestreden ».
Heb. 2:7 « Met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond ».
Heb. 2:9 « biaar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond ».
In de evangeliën geeft het gebruikte materiaal aan, dat het een krans was en geen diadeem. In de meeste andere plaatsen ziet men duidelijk, dat het een overwinnaar betreft. Het is geen kenmerk van koninklijke waardigheid. De krans bestond dikwijls uit bladeren of bloemen, die spoedig verwelkten en zo een goede afbeelding waren van de vergankelijkheid der wereldse overwinningen. Daar tegenover staat de onvergankelijke overwinning van de gelovige (1 Kor. 9:25)
ZONDIGEN ALLE MENSEN « IN » ADAM?
Een wel bekende tekst zegt volgens de Statenvertaling:
Rom. 5:12 « ....en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben ».
Men heeft steeds moeite gehad met de vertaling. Ambrosius (gestorven in 397) gebruikte reeds de uitdrukking « in Adam ». Augustinus weifelde eerst of hij het voorzetsel zou doen verwijzen naar Adam of naar de zonde. Eenige jaren later viel zijn aandacht op het feit, dat het Griekse « eph oo » mannelijk of onzijdig is en dus niet kan verwijzen naar de zonde, dat vrouwelijk is. Hij vertaalde dan ook beslist « in Adam ». Velen volgden hem na. De meeste Grieken konden dit echter niet aannemen en dit is zeer bedenkelijk, want deze schijnen toch het meest bevoegd geweest te zijn om de juiste betekenis van de Griekse tekst te vatten. In latere tijden begon men meer te voelen voor de vertaling « omdat allen gezondigd hebben » en men zegt soms heel beslist dat « eph oo » hier niets anders kan betekenen dan « omdat ».
Als het over de Schrift gaat, mogen we wel heel aandachtig naar « autoriteiten » luisteren, maar steeds moeten we hun beweringen aan de Schrift toetsen. Nu is Rom. 5:12 van fundamenteel belang en we moeten er wat voor over hebben de juiste betekenis op te zoeken. We willen dat in de volgende studie doen en zoals gewoonlijk, Schrift met Schrift verklaren.
In de eerste plaats moeten we nagaan wat « eph oo » wil zeggen. Letterlijk is het: op dewelke (of hetwelk). Het voorzetsel « epi », dat hier « eph » geschreven wordt omdat het vóór « oo » gebruikt is, wordt gevolgd door de derde naamval. Laat ons eerst de betekenis nagaan als het door die naamval gevolgd wordt onafhankelijk van « oo ».
Epi met de derde naamval wordt dikwijls gebruikt voor iets dat in rust is. Zo is in Mat. 14:8 « in een schotel » letterlijk « op een schotel ». In vele andere gevallen duidt het een oorzaak aan en is het te vertalen door « wegens » of « naar aanleiding van ». Zo b.v. in de volgende teksten:
Mark. 3:5 « bedroefd zijnde over (epi : naar aanleiding van) de verharding van hun hart ».
Luk. 2:20 « prijzende God over (epi : naar aanleiding van) alles ».
Luk. 13:17 « verblijdde zich over (epi: naar aanleiding van) al de heerlijke dingen ».
Hand. 20:38 « allermeest over (epi : naar aanleiding van) het woord ».
Hand. 26:6 « geoordeeld over (epi : naar aanleiding van) de hoop ».
2 Kor. 7:13 « over (epi : naar aanleiding van) uwe vertroosting... over (epi : naar aanleiding van) de blijdschap ».
Jak. 5 :1 « weent en huilt over (epi : naar aanleiding van) uwe ellendigheden ».
In deze en een groot aantal andere plaatsen is « naar aanleiding van » de beste vertaling.
Laat ons nu de plaatsen nagaan waar « eph oo » voorkomt, namelijk Rom. 5:12; 2 Kor 5:4 en Fil. 3:12. We schrijven deze twee laatste over uit de Statenvertaling:
2 Kor. 5:4 « Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten bezwaard zijnde; nademaal (eph oo) wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden ».
Fil. 3:12 « Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe (eph oo) ik van Christus Jezus ook gegrepen ben ».
Laat ons eerst nagaan of de thans voorgestelde vertaling « omdat » in deze teksten kan verdedigd worden. 2 Kor. 5:4 zou dan zeggen dat we zuchten omdat we niet willen ontkleed zijn, wat geen zin heeft. In Fil. 3:12 past het ook niet goed.
We kunnen vervolgens onderzoeken of we de betekenis van « epi », die we hierboven gevonden hebben, ook hier kunnen toepassen. We zouden dan lezen: « naar aanleiding van dewelke (of hetwelk) ». Oo is mannelijk of onzijdig en moet dus verwijzen naar iets mannelijks of onzijdigs. In de teksten die aan 2 Kor. 5:4 vooraf gaan vinden we de volgende naamwoorden: huis, gebouw, tabernakel, woonstede, hemel. Nu zijn de twee eerst in het Grieks vrouwelijk, de twee volgende onzijdig en het laatste mannelijk. « Oo » kan dus betrekking hebben op een dezer drie laatste. Het meest waarschijnlijk lijkt ons dat « woonstede » bedoeld is en men zou dan kunnen lezen: « naar aanleiding van dewelke (woonstede) wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden ».
In Fil 3:12-14 gaat het om de prijs der roeping Gods. We zouden hier lezen: « maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, naar aanleiding van dewelke (prijs) ik van Christus Jezus gegrepen ben ». Christus heeft hem gegrepen en in een positie geplaatst met het verlangen dat hij door zijn wandel de prijs zou behalen.
Men ziet dat de gewone vertaling van epi in deze twee verzen waar « eph oo » gebruikt is ook heel goed past. We laten hier het woord « oo » geheel tot zijn recht komen, terwijl de vertaling « omdat » er geen rekening mee houdt.
Als we nu ook in Rom. 5:12 die betekenis aannemen, krijgen we:
Rom. 5:12 « Daarom gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is (en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is), naar aanleiding van dewelke allen gezondigd hebben... ».
Dewelke » kan wijzen naar de « ééne mens » of naar de dood. Het meest natuurlijk schijnt te zijn dat de « ééne mens » aanleiding gaf tot het zondigen van allen. Wil men er de dood mee zien aangeduid, dan moet men deze opvatten in een zeer ruime zin voor de gevolgen der zonde van Adam.
In geen geval kan men lezen: « de dood tot alle mensen doorgegaan is, omdat allen gezondigd hebben », want de verzen 13 en 14 spreken dit heel duidelijk tegen. De zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is en de dood heerste over hen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid (gelijkenis) der overtreding van Adam. Ze stierven dus niet omdat ze gezondigd hadden, maar wel omdat ze kinderen van Adam waren. De dood was geen persoonlijke straf voor hen, wel een natuurlijk gevolg van hun familiegemeenschap met Adam. « Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet één » (Job. 14:4). Het zou onrechtvaardig zijn als de dood een straf zou zijn voor een zonde waarvoor we niet persoonlijk verantwoordelijk zijn, doch waaraan we alleen deel hebben door, onze familiegemeenschap. Het is geen onrechtvaardigheid als we op natuurlijke wijze delen in de gevolgen van Adams zonde. Zelfs voor ons geboren worden in de zonde moeten we dankbaar zijn. Al wat we hebben is winst, want we hebben geen recht op iets tegenover God. Door de zonde zal Zijn genade ook nu overvloedig zijn en heersen tot het aionische leven door Jezus Christus.
LICHAAM
Als men de teksten nagaat, waar het woord « lichaam » gebruikt is, blijkt, dat de algemene beteekenis is: een organisme dat uit leden bestaat en een eenheid vormt. In normale toestand staat het in betrekking met zijn omgeving en leeft door de inwerking van een kracht, het heeft wasdom.
Zo lezen we van het menselijk lichaam:
Rom. 12:4 « Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben en de leden allen niet dezelfde werking hebben... ».
Ook een groep gelovigen wordt met het woord lichaam aangeduidt:
Rom. 12:5 « Alzo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden. »
Ook de groep, die tot de volmaaktheid gekomen is, wordt zo genoemd.
Ef. 4:16 « Uit welken (Christus) het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen der toebrenging, naar de werking van een iegelijk deel in zijn maat, den wasdom des lichaams bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde. »
Kol. 2:19 « En het Hoofd niet behoudende uit hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met Goddelijken wasdom ».
We willen in het verdere dezer studie meer in het bijzonder het menselijk lichaam nagaan. In de gewone betekenis betreft het het stoffelijke en we vinden hiervoor uitdrukkingen als:
« Vlees » 1 Kor. 6 :16.
« Vlees en bloed » 1 Kor. 15:50.
« Het lichaam Zijns vleses » Kol. 1:22.
« Vernederd lichaam » Fil. 3:21.
« Sterfelijk lichaam » Rom. 6:12; 8 :11.
« Verderfelijkheid » 1 Kor. 15:50.
Het is « dienstbaar » (in slavernij) der zonde Rom. 6 :19, 20.
Het moet verlost worden Rom. 8:23.
Het wordt levendgemaakt Rom. 8:11.
Evenals « vlees » ook wel gebruikt wordt voor de gehele
mens zoals hij van Adam afstamt (Rom. 8:3-13 en zie « De Weg der Behoudenis »), de « oude mens » (Rom. 6:6), zo wordt ook het woord lichaam
in die zin gebruikt:
« Lichaam der zonde « Rom. 6 :6.
« Lichaam dezes doods » Rom. 7:24.
« Werkingen des lichaams » Rom. 8:13.
Het lichaam, in die zin genomen moet:
Te niet gedaan worden, Rom. 6:6.
Dood zijn, Rom. 8:10.
Het « lichaam des vleses » (niet der zonden des vleses, zoals de St. V. heeft) moet « uitgetrokken » worden, Kol. 2:11.
Men ziet, dat « lichaam » een ruime betekenis kan hebben. Zelfs als het over het eigenlijke lichaam van de mens gaat, moeten we nog niet alleen denken aan het stoffelijke organisme. De reeds vermelde teksten, waar gesproken wordt van de verlossing, verandering en levendmaking des lichaams, wijzen er op, dat het lichaam ook na het sterven en de ontbinding van het vlees blijft bestaan. Het lichaam verdwijnt dan niet, maar is « dood » omdat er geen kracht (geest) meer in werkt, Jak. 2:26. Het heeft een andere bestaanswijze.
Bij de opstanding gaat het lichaam over van de doodstoestand tot een van heerlijkheid. 1 Kor. 15:35 stelt dan ook de vraag: « hoedanig » lichaam? En v. 40 spreekt van verschillende soorten lichamen (zie « Ander — anderssoortig » voor het gebruik van « heteros »). Er zijn volgens de Griekse tekst opaardse en ophemelse lichamen, die beide heerlijkheid hebben, doch van een andere soort. Ook Fil. 3:21 maakt een contrast tussen het lichaam in zijn staat van vernedering en heerlijkheid. 1 Kor. 15:44 spreekt van natuurlijke (ziellijke) en geestelijke lichamen. Degene die deel hebben aan de opstanding van 1 Kor. 15:52 worden veranderd, het verderfelijke doet onverderfelijkheid aan, het sterfelijke onsterfelijkheid. Het lichaam blijft dus in wezen, doch kan volgens de sfeer waartoe het behoort veranderd worden, in andere bestaanswijzen overgaan.
In de gewone spreektaal duidt het woord lichaam de bestaanswijze aan waaraan we gewend zijn en die dus niet nader behoeft bepaald te worden: het is het vleselijke, stoffelijke lichaam. Men denke hieraan bij het lezen van teksten zoals:
2 Kor. 5:6 « Inwonende in het lichaam. »
2 Kor. 5:8 « Uit het lichaam uit te wonen. »
2 Kor. 12:2, 3 « In het lichaam, buiten het lichaam. »
Heb. 13:3 « In het lichaam. »
In en uit het lichaam wil dan niet zeggen dat de eigenlijke mens in een soort omhulsel woont of dat kan verlaten, maar eenvoudig, dat iets gebeurt met of zonder tussenkomst van het lichaam naar zijn vleselijke bestaanswijze beschouwd. De mens behoudt steeds zijn lichaam. Het gebruik van « buiten het lichaam » in 1 Kor. 6:18 maakt dit ook duidelijk.
1 Kor. 15 en andere teksten leren ons, menen we, dat alle schepselen een lichaam hebben. Dat lichaam kan dood, vleselijk of verheerlijkt zijn. Dit wordt ook bevestigd in het geval van de Heere Jezus Christus. Uit Kol. 2:9 weten we dat « al de volheid der Godheid lichamelijk » in Hem woont. Noch de Vader, noch de Heilige Geest hebben een lichaam ¹. De Zoon kreeg een scheppingslichaam toen Hij schepsel werd. Dat lichaam was aangepast aan de sfeer waartoe Hij behoorde. Zo lezen we in Fil. 2:6 van een « gestaltenis » Gods (Gr. morphè, zie « Gedaante en Vorm »). Later nam Hij de « gestaltenis » eens dienstknechts aan, Fil. 2:7. Daarna kwam hij tot de dood des kruises en de Hades-toestand.
Zoals bij de overgang van een aioon in de volgende van een « opnieuw toebereiden » gesproken wordt (Heb. 11:3 St. Vert.: « dat de wereld door het woord Gods is toebereid »), is dat ook het geval bij de overgang van de bestaanswijzen van Christus:
Heb. 10:5 « Daarna, komende in de wereld, zegt Hij... Gij hebt Mij het lichaam (opnieuw) toebereid. »
Het Griekse woord voor toebereid is hetzelfde als b.v. in Mt. 4:21 door « vermakende » vertaald. De netten werden opnieuw toebereid, herordend.
We herhalen nogmaals in het kort, hoe we de schriftuurlijke betekenis van het woord « lichaam » menen te moeten opvatten als het over de mens gaat. We worden geboren met een vleselijk lichaam. Als we sterven, gaan we met ons lichaam naar de Hades, het onzichtbare. Het vlees kan dan wel in het graf liggen en daar vergaan, het accidentele kan daar verdwijnen en de stoffelijke deeltjes kunnen tot het opbouwen van andere stoffelijke lichamen gebruikt worden, maar het eigenlijke lichaam blijft bestaan. Alleen is het dan dood, d.i. er werkt geen levenskracht meer in en het is van de wereld afgescheiden. Bij de opstanding komt er weer leven in dat lichaam en het kan tot een hogere bestaanswijze overgaan. Van « ziellijk » lichaam, bij de geboorte, wordt bet nu « geestelijk » lichaam. In deze « vorm » ontsnapt het aan de « natuurwetten », die alleen toepasselijk zijn op de stoffelijke bestaanswijze. In die toestand wordt het lichaam niet tegengehouden door stoffelijke hindernissen (Joh. 20:26), wordt niet beïnvloed door vuur (Dan. 3), is niet onderworpen aan de zwaartekracht (Hand. 1:9; 1 Thes. 4:17), kan zich in een oogwenk op grote afstanden verplaatsen en een blik werpen op wat in andere tijden geschiedt. Teksten zoals Dan. 10:6; Op. 1:14, 15 trachten ons een gedachte te geven hoe zo'n lichaam er uit kan zien. Door de geest overwinnen we nu reeds tijd en ruimte, want we verplaatsen ons in andere tijden en plaatsen. In hogere bestaanswijzen is dit ook lichamelijk mogelijk, daar het lichaam dan « verlost » is.
Deze gedachten leveren natuurlijk eenige moeilijkheid op, omdat we er zo weinig aan gewend zijn. Als we echter wat meer schriftuurlijk gaan denken en geestelijk verstand en kennis krijgen, gaat het gemakkelijker.
Een vergelijking, hoe gebrekkig dan ook, kan ook hier hulp geven. We weten dat ijs gekristaliseerd water is. Waar blijft de vorm als het ijskristal smelt? Al ziet men hem niet meer, toch is die vorm als het ware nog in de vloeistof behouden, want als dit laatste bevriest, komt de vorm weer te voorschijn. Of het « water » nu ook de bestaanswijze heeft van stoom, vloeibaar water of ijs, steeds blijft er iets bestaan dat het water kenmerkt. Het « lichaam » van het water blijft, doch het neemt de vorm aan die aan de bestaanswijze aangepast is.
Onder de benaming « lichamelijk » versta men dus niet noodzakelijk iets dat in stoffelijke zin een begrensde « vorm » heeft, maar wel iets dat, als het in de stoffelijke sfeer geplaatst wordt, een stoffelijke vorm; aanneemt. Als het zich in een andere bestaanswijze bevindt, zijn onze stoffelijke begrippen er niet meer toepasselijk op.
In het verleden hadden de meest vooraanstaande biologen een zeer materialistische opvatting van het lichaam. Het was slechts stof waarop natuurkundige krachten inwerkten. Wie van een bijzondere levenskracht (vitaliteit) sprak, werd aanzien als « obscurantist ». Er is echter een sterke neiging om, terug te gaan tot dit versmade « vitalisme », dat nu voor meerdere grote geleerden een zaak van gezond verstand is geworden, nadat ze erkend hebben, dat de zuivere mechanische beschouwing geen oplossing geeft.
Het is echter nog merkwaardiger na te gaan hoe Prof. Dr. R. Woltereck zich voorstelt hoe eenvoudige organismen, zoals de radiolariën, hun vorm krijgen. In het begin heeft men slechts een massa helder protoplasma waarin zich een kern bevindt. Later vormen zich dunne naaldjes en een reeks concentrische omhulsels. De vorm en schikking is geheel bepaald en een specifiek karakter van deze wezentjes. Hoe komt deze tot stand? Zeker niet door de schikking der moleculen in het protoplasma, want deze rollen voortdurend over elkaar heen zoals de moleculen van gelijk welke voeistof. Hij besluit tot het bestaan van een biologisch veld, dat de stofdeeltjes dwingt zich op een zekere wijze te schikken. Dit veld zou veroorzaakt worden door een invloed, die van de kern uitgaat en die niet op mechanische, materialistische wijze kan uitgelegd worden.
Het schijnt ons toe, dat de wetenschap hier de goede richting uitgaat. Voor ons gaat de levenskracht uit van het eigenlijke lichaam, dat zich in de stoffelijke wereld met moleculen bekleedt en dan een bepaalde, tastbare vorm krijgt. Door een bijzondere inwerking van de Geest en het ontvangen van een bijzondere kracht kan het ook andere bestaanswijzen aannemen. In de Hades daarentegen, is er geen levenskracht en het lichaam, ja, de gehele mens, is dan waarlijk dood.
|