De Verbonden en de Wet
door
S. van Mierlo

Inhoud

De meeste theologische systemen leggen er de nadruk op, dat Israël, de zichtbare kahal (gemeente) van de Hebreeuwse Schriften, een type was van de Gemeente der Griekse Schriften. Men vergeestelijkt gewoonlijk al de profetieën die handelen over de toekomstige aardse beloften, aan dit volk gedaan, en geeft geen acht op hetgeen de Heere zelf aangaande die aardse toekomst gezegd heeft. Meer nog, men beweert, dat « de Kerk » in de plaats gekomen is van Israël, en past al de oude beloften zo letterlijk mogelijk toe op « de Kerk ».
Men weet dat de gedachte, volgens welke « de Kerk » het « ware Israël » is, een bepaalde vorm begon aan te nemen in de tweede eeuw (1), en het is een feit, dat ze de eeuwen door werd gehandhaafd. Pas sinds de laatste wereldoorlog is men in sommige kerkelijke kringen begonnen met meer acht te geven op hetgeen de Schrift ons wil leren aangaande de toekomst van Israël als volk en natie. De verschrikkelijke vervolging der Joden enerzijds, en de terugkeer van velen naar het beloofde land anderzijds, waren blijkbaar nodig om in te zien, dat de Schrift niet slechts spreekt over het individuele heil van Joodse mensen, doch er uitdrukkelijk op wijst, dat Israël niet kan ophouden Gods volk te zijn (Jer. 31:36, 37) en als volk en natie zal behouden worden, omdat Gods genadegaven en roeping onberouwelijk zijn (Rom. 11:29).
De tegenwoordige kentering in de bezinning aangaande Israël heeft tot gevolg dat sommige theologen en predikanten zich in een zeer lastige positie bevinden. Want de studie der profetie en der toekomstige dingen werd steeds verwaarloosd, en er zal heel wat tijd nodig zijn om op de hoogte te komen van hetgeen de Schrift hierover zegt. Daarbij steunen de traditionele beschouwingen betreffende de Gemeente, de kerkelijke organisatie, de verbonden, de bedelingen, de weg des heils, enz, ten dele op de grondgedachte, dat « de Kerk » Israël vervangt. Wie begint in te zien, dat dit fundament niet schriftuurlijk is, moet ieder stelsel, dat erop steunt, op radicale wijze herzien. Anders valt het toch eenmaal in puin, en wordt het goede, dat erin is onbruikbaar.
Het is begrijpelijk dat men terugdeinst voor een dergelijke revolutie in de theologie, zich tracht tevreden te stellen met het hoogst nodige te herzien, en allerlei vragen en moeilijkheden, die zich opwerpen, maar laat rusten.
Vele christenen, die minder (of geen) verantwoordelijkheid hebben voor wat betreft de kerkelijke organisaties, hebben echter reeds sinds lange jaren de Schrift onderzocht met de leidende gedachte dat Israël, als volk, een toekomst heeft. Er is dikwijls een zoeken en tasten geweest, en een overdrijving in de een of andere richting, doch langzamerhand is het mogelijk geworden tot een synthese te komen van alle schriftgegevens, die de schriftuurlijke waarheid zou nauw mogelijk benadert. Zoals kan blijken uit onze reeds gepubliceerde geschriften, hebben we zelf een poging gedaan in die richting. In deze studie willen we vooral handelen over de leer der verbonden, die van fundamenteel belang is. Het is niet ons doel een uitvoerige en geleerde verhandeling te leveren, doch slechts een aantal wenken, die misschien kunnen helpen om terug te keren tot een meer schriftuurlijke visie.
Voetnoten:
(1) Zie hierover blz. 21 van Het Christendom gedurende de eerste Eeuwen en blz. 91 en 114 van Koninkrijk en Kerk.
2. De betekenis van de term « verbond » (Top)
We vinden het Hebreeuwse woord « berith » het eerst in verband met Noach: « Maar met u zal Ik mijn verbond oprichten » (Gen. 6:18). Dit verbond betrof ook het nageslacht van Noach en alle levende wezens, die bij hem waren: geen zondvloed zou de aarde meer verderven (Gen. 9:8 — 11).
Eigenlijk is ons woord « verbond », dat bij de mensen de betekenis heeft van een wederzijdse overeenkomst, niet goed geschikt in dit geval, noch in de andere, waar het God is die een berith opricht. Het is dan, inderdaad, een beschikking Gods, waarbij het schepsel alleen beschouwd wordt als (mogelijk) deelhebbende aan hetgeen die beschikking inhoudt (2).
In Gen. 14:15 is er sprake van twee bondgenoten van Abram, en wordt de term « berith » dus gebruikt in verband met mensen, bondgenoten. In dit geval is er een wederzijdse overeenkomst, en is ons woord « verbond » goed toegepast. Gen. 15:18 betreft wederom iets dat de Heere beslist. Hij belooft het gehele land, dat ligt tussen de rivier van Egypte en de Eufraat, te geven aan het nageslacht van Abram. Het is een beschikking van de Heere, die noodzakelijk, onvoorwaardelijk zal verwezenlijkt worden. Het is geen wederzijdse overeenkomst, die van een mens afhangt.
Deze beschikking wordt nader toegelicht in hoofdstuk 17. Abraham en zijn nageslacht zijn geen bondgenoten van de Heere, zij moesten de beschikking slechts aanvaarden, en, als teken ervan, zich laten besnijden. Wie zich niet zou laten besnijden zou uitgeroeid worden van zijn volk, de beschikking zou voor hem niet gelden, daar hij niet langer zou gerekend worden als behorende tot het nageslacht van Abraham. In Ex. 19 is er sprake van het Sinaïtische « verbond ». Hier ook betreft het een beschikking Gods, een goddelijke belofte:
|
« Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn » (v. 5). |
|
Israël kon een koninkrijk van priesters worden en een heilig volk (v. 6). Men heeft dit Sinaïtische verbond een « voorwaardelijk verbond » genoemd. Men moet er echter goed op letten, dat Gods beschikking en belofte niet voorwaardelijk zijn in de zin, dat ze zich misschien niet zullen realiseren. Integendeel, eens zal Israël werkelijk Gods eigendom, een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn, zoals blijkt uit talrijke profetieën, waarop we verder zullen terugkomen.
Men moet niet als volgt redeneren: De belofte zou slechts vervuld worden indien ze het « verbond » zouden bewaren; waar ze dit niet hebben gedaan, werd die belofte niet verwezenlijkt; bijgevolg zal het volk Israël nooit Gods heilig volk zijn. Men mag wel zeggen, dat de belofte nog niet verwezenlijkt is, doch niet, dat ze nooit zal verwezenlijkt worden (3). Waar het hier gaat over een beschikking Gods, blijft steeds waar: « indien gij aandachtig naar Mij luistert ... ». Die woorden blijven nog steeds gericht tot het volk Israël. Anders gezegd, voor dit volk is er nog steeds (in de toekomst) mogelijkheid van bekering, de voorwaarde voor de realisatie van de belofte. Er was — einde Handelingen — een tijdelijk terzijdestelling van Israël, doch geen definitieve. Wat voorwaardelijk is, betreft dus de omstandigheden waar, en de tijd waarin dit zal plaats hebben, waar Israël deel zal hebben aan Gods belofte. De voorwaarde voor de vervulling was, dat ze aandachtig zouden luisteren naar de Heere (Ex. 19:5). Indien, en zolang, Israël (als volk en natie) niet wil luisteren, en zich tegen de Heere verzet, kan de beschikking niet van kracht worden en zal het volk getuchtigd worden opdat het zich bekere (zie b.v. Lev. 26:14 — 39 en Deut. 11).
De eenzijdige betekenis van het woord « berith », als het God betreft, blijkt overigens ook uit het gebruik van de uitdrukking « mijn berith » (Gen. 6:18; 9:9, 11; 17:2 enz.) en uit de gevallen waar er sprake is van een beschikking voor schepselen die niet kunnen denken of zelfstandig handelen. Zo spreekt Job 5:23 over een beschikking t.o.v. de « stenen des velds » en Hos. 2:18 voor « het gedierte des velds, het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte der aarde ».
Het bovenstaande zal voldoende zijn om goed in te zien, dat, zoals reeds gezegd, onze term « verbond » niet goed geschikt is als vertaling van « berith » in geval het God betreft. Want « berith » duidt dan een beschikking aan, die niet kan verbroken worden. De rol, die het schepsel te vervullen heeft, betreft alleen het deel hebben aan hetgeen Gods beschikking belooft. Men zal inderdaad bemerken, dat een beschikking Gods steeds een belofte inhoudt (4). Zoals we ook nog in het vierde hoofdstuk nagaan, omvat b.v. de Sinaïtische beschikking:
|
1. |
de belofte dat Israël uit alle volken Gode ten eigendom zal zijn, en dat dit volk een koninkrijk van priesters en een heilige natie (gôj) zal zijn; |
|
2. |
de thorah (Wet), die moest gehouden worden opdat de belofte zou verwezenlijkt worden. |
Men ziet dat men goed moet onderscheiden tussen « beschikking » (verbond), « belofte » en « Wet ». Laat ons hieraan nog toevoegen dat, in verband met Abraham, de Heere menigmaal belooft iets te doen, zonder dat er uitdrukkelijk sprake is van een beschikking (b.v. Gen. 12:2, 3).
Als Paulus (vooral in Rom. 4 en Gal. 3) zegt dat aan Abraham beloften werden gedaan, dan is het gewoonlijk in verband met beschikkingen, doch niet noodzakelijk zo. Men kan slechts zeker zijn, dat er sprake is van een beschikking, als de Schrift het uitdrukkelijk vermeldt, en er dan ook een offer gebracht wordt. Zie hierover Heb. 9:15 — 18.
Het is misschien door het gebruik van de term « verbond », dat men dikwijls de eenzijdige betekenis van een berith Gods uit het oog heeft verloren, en men er toe geleid werd te spreken over het « sluiten » en het « verbreken » van een dergelijk « verbond ». Laat ons nagaan welke woorden de Hebreeuwse Schriften hiervoor gebruiken.
Voor het tot stand brengen van een beschikking Gods worden de werkwoorden « qoem » en « kârat » gebruikt. Het eerste vindt men b.v. in Gen. 6:18 (« oprichten ») voor de beschikking met Noach. In verband met mensen kan dit woord de betekenis hebben van « opstaan » (in tegenstelling met « nederliggen »), van zich bereid maken iets te doen, ofwel van het oprichten van gebouwen of iets dergelijks. In verband met God, is de algemene betekenis « tot stand brengen » of « gestand doen ». Voor deze laatste betekenis zie men b.v. Gen. 26:3; 1 Kon. 6:12; 8:20; Dan. 9:12 (« bevestigen »). Het schijnt dus aangewezen te spreken over het tot stand brengen van een beschikking. Deze « houdt stand », kan niet verbroken worden.
Het werkwoord « kârat » wordt menigmaal gebruikt. Zo b.v. in Gen. 15:18; Ex. 24:8; Deut. 4:23; Jer. 31:31, waar het door « sluiten » wordt vertaald. De oorspronkelijke betekenis is eigenlijk « afsnijden », zoals in Num. 13:24. In verband met het tot stand brengen van een beschikking Gods, ziet deze term op het in stukken snijden van de dieren, die bij die gelegenheid geofferd werden. Bij de Sinaïtische beschikking zei Mozes: « Zie, het bloed van de beschikking die de Heere met u afsnijdt » (Ex. 24:8). Deze woorden worden in Heb. 9:20 ten dele aangehaald, en de Griekse tekst gebruikt hier het werkwoord « entellomai ». De Nieuwe Vertaling heeft hier « voorschrijven », doch het werkwoord « gebieden » (dat de Statenvertaling gebruikt) is meer aangewezen, want het naamwoord « entolô » heeft steeds de betekenis van « gebod ».
We menen dat het beter zou zijn het werkwoord « kârat » niet te vertalen door « sluiten », want dan wordt de aandacht afgeleid van het feit dat het gaat over een eenzijdige handeling van God. Alleen Hij kan een beschikking tot stand brengen, ze in stand houden.
Waar onze vertalingen spreken over het « verbreken » van een beschikking Gods, gebruikt de Hebreeuwse tekst het werkwoord « pârar » (zie b.v. Gen. 17:14; Lev. 26:15; Deut. 31:16, 20; Jes. 24:5; Jer. 11:30; 31:32; Ezech. 17:16). De letterlijke betekenis van dit werkwoord is « breken », « verbreken », « verdelen », en in dergelijke zin vinden we het in Ps. 74:13 « die de zee hebt gekliefd » en Jes. 24:19 « de aarde barst geheel open ». In overdrachtelijke zin wordt het b.v. in 1 Kon. 15:19 gebruikt voor het « verbreken » van een verbond tussen mensen. Een juistere overdrachtelijke betekenis kan men afleiden van schriftplaatsen, die niet handelen over een berith:
|
• |
Num. 30:8, 12, 15: « de gelofte en verplichting ... ongeldig maken ». Die belofte wordt niet « te niet gedaan », noch « verbroken », doch heeft geen gevolg, wordt onwerkzaam gemaakt. |
|
• |
2 Sam. 15:34: « dan kunt gij mij de raad van Achitofel te niet doen ». Doch het is duidelijk, dat die raad eigenlijk niet te niet gedaan kon worden, noch « verbroken ». David kon alleen verkrijgen, dat die raad geen gevolg zou hebben. |
|
• |
Ps. 119:126: « zij hebben uw wet verbroken ». Er kan echter geen sprake zijn van een verbreken van Gods Wet. Die Wet had tot doel het uitverkoren volk op te voeden tot het uitvoeren van zijn opdracht. Door hun ongehoorzaamheid maakten zij de Wet (tijdelijk) onwerkzaam. |
Welnu, als het een beschikking Gods betreft, is het insgelijks volkomen uitgesloten dat een mens ze zou kunnen « te niet doen » of « verbreken ». Hij kan een dergelijke beschikking slechts (tijdelijk) onwerkzaam maken door zijn hoogmoedige weerstand.
Iemand zou misschien kunnen veronderstellen, dat God zelf zijn beschikking zou kunnen te niet doen of voorgoed onwerkzaam maken, ten gevolge van een verkeerde houding van de mens. Doch Richt. 2:1 zegt dat de Heere zijn beschikking voor Israël niet zal verbreken (pârar) « in eeuwigheid » (le ôlâm), d.i. tot het einde van het toekomende wereldtijdperk. Het is inderdaad een « eeuwige beschikking » (ôlâm), die handelt over een « altoosdurende (ôlâm) bezitting » van het beloofde land (Gen. 17:7, 8; Ps. 105:8 — 11). Evenmin als een mens de beschikking Gods aangaande de dag en de nacht kan onwerkzaam maken, kan dit het geval zijn met Gods beschikking voor David (Jer. 33:20, 21), of met enige andere beschikking.
We menen dus, dat « onwerkzaam maken » een geschikte vertaling is van het werkwoord « pârar » als het een beschikking Gods betreft. We herhalen: een mens kan een beschikking Gods niet verbreken; al wat hij kan bereiken, indien hij niet handelt in overeenstemming met Gods wil, is die beschikking tijdelijk onwerkzaam maken, de realisatie van de belofte uitstellen, en intussen op allerlei wijze gekastijd worden opdat hij zich bekere.
Zoals men weet, wordt Jer. 31:32 in Heb. 8:9 aangehaald. De Griekse tekst gebruikt hier het werkwoord « emmenõ » (door « houden » vertaald), dat letterlijk betekent: « blijven in ». Ook deze schriftplaats zegt dus niet dat ze de beschikking verbroken hebben, doch dat ze er niet in gebleven zijn. Het doel van die beschikking was voor hen nog niet bereikt, de belofte nog niet gerealiseerd.
Het is vooral in verband met hetgeen op Sinaï gebeurd is, dat men geneigd werd aan de term « berith » de betekenis te geven van hetgeen men in de mensenwereld « verbond » noemt, dus een overeenkomst tussen twee partijen van nagenoeg dezelfde rang, die door elke partij kan verbroken worden. We lezen, inderdaad, in het kader van het tot stand brengen van deze beschikking: « Hij (Mozes) nam het boek des verbonds en las het voor de oren van het volk en zij zeiden: Alles wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen en daarnaar zullen wij horen. Toen nam Mozes het bloed en sprengde het op het volk en hij zeide: Zie, het bloed van het verbond dat de Heere met u sluit, op grond van al deze woorden » (Ex. 24:7, 8).
Men kan gemakkelijk de indruk krijgen, dat deze beschikking « gesloten » werd op grond van de woorden die het volk sprak: « Alles wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen ». Men wordt dan gevoerd tot de gedachte dat er een « verbond » gesloten werd tussen de Heere en het volk, in de zin van een wederzijdse overeenkomst. Doch, « al deze woorden » op grond van welke Gods beschikking tot stand gebracht werd, zijn niet de woorden die het volk uitsprak, doch « al de woorden des Heeren » van vers 3; « alles wat de Heere gesproken heeft » van vers 7. Zie ook Ex. 34:27. Het is de Heere die de beschikking tot stand brengt en deze daad Gods is geheel onafhankelijk van hetgeen het volk sprak.
Men kan hier wel van een verbond spreken voor wat de houding van Israël betreft: dit volk verbond zich te doen « alles wat de Heere gesproken heeft » en daarnaar te horen. Uit de latere geschiedenis van Israël blijkt, dat dit volk in het algemeen meende in staat te zijn die verbintenis in eigen kracht te houden, en dat het tot zijn schade moest ondervinden dat dit onmogelijk was. Doch de beschikking, die de Heere tot stand bracht was onafhankelijk van de houding van Israël: Hij had besloten dat Israël eens zijn eigendom zou zijn, een koninkrijk van priesters, een heilig volk. Wat wel van Israël afhing, was het luisteren naar de Heere, het « bewaren » van de beschikking (Ex. 19:5). Zolang het volk aan deze voorwaarde niet voldoet, kan Gods beschikking niet tot haar doel komen; doch van een « verbreken » is geen sprake.
Waarschijnlijk staat de gedachte van een wederzijds « verbond », dat kan verbroken worden, in verband met de gedachte, dat « de Kerk » in de plaats is gekomen van Israël. Want, dit laatste kan alleen het geval zijn indien Israël geen toekomst heeft als heilig volk, dus indien Gods « verbond » volgens hetwelk Israël een heilig volk zou zijn, kan verbroken worden.
Laat ons nu de Griekse term « diathèkè » nagaan, die overeenstemt met « berith ». Dit Griekse woord is afgeleid van het werkwoord « diatithêmai », dat voorkomt in Luk. 22:29; Hand. 3:25; Heb. 8:10; 9:16, 17; 10:16. Volgens de afleiding, betekent het « door-stellen », en de algemene betekenis is « in orde stellen », « beschikken ». Het betreft geen wederzijdse overeenkomst. Daarvoor heeft de Griekse taal het woord « sunthèkè », dat dan ook in de Septuagint voorkomt als het gaat over een « verbond » met de verpersoonlijkte dood (Jes. 28:15), of een menselijk verbond (Jer. 30:1; Dan. 11:6 « vergelijk treffen »). Het werkwoord « suntithêmi » vindt men in 1 Sam. 22:13 (« samenspannen ») en Dan. 2:9 (« afspreken »).
Het blijkt dus, ook door de woordenkeus van de Septuagint en van de Griekse Schriften, door het vertalen van « berith » door « diathèkè » en niet door « sunthèkè », dat een goddelijke berith een eenzijdige beschikking is en geen wederzijds « verbond ».
Het woord « diathèkè » werd ook gebruikt in verband met mensen, voor de laatste wilsbeschikking, dus in de zin van « testament ». Ook in dit geval is er geen sprake van een wederzijds « verbond ».
In de Griekse Schriften vindt men « diathèkè » meestal in de brieven van Paulus (9 maal) en in de brief aan de Hebreeën (17 maal). In de meeste gevallen betreft het een « berith » Gods, een beschikking. Doch in Gal. 3:15 is er sprake van een « diathèkè van een mens » en wordt verwezen naar de « rechtskracht ». Hier gaat het dus over een menselijk testament, een wilsbeschikking, die niet ongeldig kan gemaakt worden, of waaraan iets kan toegevoegd worden. In Heb. 9:16, 17 is er sprake van een « beschikkingmaker » (« erflater »), en waar er niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar de Heere, moet men denken aan een menselijk testament.
Men kan wel verwijzen naar vers 15, waar de dood van Christus vermeld wordt, doch Hij is als Zoon des mensen gestorven, niet als God. Door zijn bloed kan de nieuwe beschikking tot stand gebracht worden, doch het is God die dit doet. Christus is dus niet de « beschikkingmaker » van de verzen 16 en 17. Er wordt hier een vergelijking gemaakt tussen Gods nieuwe beschikking, die pas van kracht kan worden door de dood van de Middelaar, en een menselijk testament, dat alleen van kracht wordt als de erflater gestorven is. Doch, hoe men dit schriftdeel ook opvat, de term « diathèkè » wordt gebruikt voor een beschikking en niet voor een wederzijds « verbond ». Alles hangt af van degene die beschikt.
Laat ons, ten overvloede, nog een paar plaatsen nagaan waar het werkwoord « diatithêmai » gebruikt wordt. In Luk. 22:29 lezen we: « Ik beschik u het koninkrijk, gelijk mijn Vader het Mij beschikt heeft ». Het betreft een beschikking Gods, geen wederzijds « verbond ». In Heb. 8:10 en 10:16 wordt zowel het werkwoord « diatithêmai » als het naamwoord « diathèkè » gebruikt: « de beschikking die ik voor hen wil beschikken », als weergave van Jer. 31:33 (5).
Onze algemene conclusie is dus, dat een « berith » en een « diathèkè » Gods een beschikking is, die alleen van Hem afhangt. Het is God die ze tot stand brengt, en ze kan door geen mens verbroken worden. Er is geen sprake van een « verbond » tussen twee partijen, van een wederzijdse overeenkomst, die door beide partijen gesloten wordt en kan verbroken worden. Indien de partij, voor wie de beschikking bestemd is, zich tegen God verzet, wordt de vervulling der belofte wel uitgesteld, doch niet verijdeld. Alle beschikkingen, die Israël betreffen, zullen (naar hun doel) gerealiseerd worden als dit volk zal ophouden zich tegen de Heere te verzetten, en zich van harte tot Hem zal keren.
Men ziet hoe belangrijk het is de juiste betekenis te geven aan de woorden, die de Schrift gebruikt. De termen « verbond », « sluiten » en « verbreken » kunnen een geheel verkeerde indruk geven van hetgeen de Schrift ons wil leren aangaande Gods beschikkingen, en in het bijzonder aangaande de toekomst van Israël. Betere termen zijn: « beschikking », « tot stand brengen » en « onwerkzaam maken ».
Voetnoten:
(2) H. Bavinck schreef in zijn Gereformeerde Dogmatiek (III, 183): « Naarmate eene van beide partijen ondergeschikter is en minder te zeggen heeft, krijgt berith onwillekeurig het karakter van eene beschikking, die door de eene Partij aan de andere opgelegd wordt ».
Prof. J. Behm (Theol. Wörterbuch zum N.T., II, 130) is zeer scherp in zijn uitdrukkingen betreffende de vertaling van diathèkè door « verbond »: « Durch Beibehaltung des Begriffs Bund, der schon berith nicht deckte, durch Kompromissformeln wie Bundesverfügung, Vertragsordnung, Vertragsverfügung, wird der sprach- und religionsgeschichtliche Tatbestand, der für die nt.liche diathèkè-Idee grundlegend ist, verdunkelt oder verfälscht ». Aan het einde van zijn artikel, zegt deze schrijver, dat diathèkè in de Griekse Schriften de machtige verkondiging is van de soevereine wil Gods in de geschiedenis.
(3) In dit verband heeft het een zeker belang dat « indien » de vertaling is van « im » en niet van « loe », dat gewoonlijk verwijst naar iets dat misschien niet, of zeker niet geschiedt.
(4) De Hebreeuwse taal heeft geen bijzondere term voor « beloven » of « belofte ». De Statenvertaling gebruikt slechts 8 maal het werkwoord « beloven » in de Hebreeuwse Schriften, als vertaling van « nâdar », dat eigenlijk het doen van een gelofte betreft. De N.V. gebruikt het werkwoord « beloven » in Deut. 1:11 en « toezeggen » in Deut. 6:3 als vertaling van « dâbar », dat letterlijk « spreken » betekent.
(5) In Heb. 10:16 wordt het voorzetsel « pros » gebruikt, dat betekent « tot ». De beschikking wordt beschikt « tot » Israël. Ook in Hand. 3:25 en Heb. 9:20 wordt « pros » gebruikt.
3. De Abrahamitische « verbonden » en beloften (Top)
Laat ons de schriftplaatsen nagaan die, ofwel uitdrukkelijk vermelden dat er sprake is van een beschikking Gods voor Abraham, ofwel handelen over een belofte aan Abraham, zonder dat de term « berith » gebruikt wordt.
|
• |
Gen. 12:2, 3. Beloften aan Abram: « Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten (misjpâchâh = families) des aardbodems gezegend worden ». |
|
• |
Gen. 12:7. Belofte aan het zaad van Abram: « Aan uw zaad zal Ik dit land geven ». (We vertalen het Hebreeuwse woord « zera » door « zaad »). |
|
• |
Gen. 13:15. Belofte aan Abram en zijn zaad: « het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw zaad voor altoos (ad ôlâm) geven. En Ik zal uw zaad maken als het stof der aarde ... ». |
|
• |
Gen. 15:5. Belofte aan Abram, in verband met de toegerekende gerechtigheid: « Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; ... Zo zal uw zaad zijn. En hij geloofde in de Heere, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid ». |
|
• |
Gen. 15:18. Beschikking voor Abram betreffende een belofte voor zijn zaad: « Aan uw zaad zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat ». Deze beschikking werd tot stand gebracht in verband met de dieroffers van verzen 9 en 10. De Heere ging als het ware tussen de stukken door (Gen. 15:17) (6). |
|
• |
Gen. 17:2 — 22. Beschikking voor Abram en zijn natuurlijk zaad. We moeten dit schriftdeel met de grootste aandacht onderzoeken.
V. 2: « Ik zal mijn beschikking tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk maken ».
V. 4, 5: « Wat Mij aangaat, zie mijn beschikking is met u, en gij zult de vader van een menigte volken (gôim) worden; en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken (gôim) gesteld (nâthan = geven) heb ». Men kan ook lezen: « omdat Ik u tot vader geef aan een menigte volken »
V. 6 — 10: « Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken (gôim) stellen (nâthan = geven), en koningen zullen uit u voortkomen. Ik zal mijn beschikkingen tot stand brengen tussen Mij en u en uw zaad in hun geslachten (« dôr »), tot een eeuwige (ôlâm-) beschikking, om u en uw zaad tot een God te zijn. Ik zal aan u en aan uw zaad het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft, het ganse land Kanaän, tot een altoosdurende (ôlâm-) bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn. Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn beschikking houden, gij en uw zaad, in hun geslachten (« dôr »). Dit is mijn beschikking, die gij zult houden tussen Mij en u en uw zaad: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde » (7). |
De besnijdenis was een teken. Wie niet besneden werd, behoorde niet (meer) tot het volk. Saraï zou tot volken (gôim) worden. De Heere zou zijn beschikking met Isaak tot stand brengen tot een « eeuwige » (ôlâm-) beschikking, voor zijn zaad, en later ook met Jakob en zijn zaad (Gen. 48:4; Ex. 6:4). Abraham was toen 99 jaar oud. Voor Abraham was de besnijdenis een zegel van de gerechtigheid van het geloof, dat hij als onbesnedene bezat (Rom. 4:11).
Men zal bemerken, dat vers 2 vooreerst in het algemeen spreekt over de beschikking met Abram, en dat deze twee verschillende aspecten heeft:
|
1. |
In verzen 4 en 5 is er alleen sprake van het feit, dat Abraham als vader gegeven wordt aan een menigte volken. Voor Paulus kon men niet weten dat het hier alle volken der aarde betreft. In deze twee verzen staat niets over een wel bepaalde groep « volken », in een wel bepaald land. Daarbij wordt de beschikking tot stand gebracht met Abram en niet met anderen. |
|
2. |
In de verzen 6 — 10 is er sprake van de « volken », die uit Saraï komen, en die het ganse land Kanaän voor de olam zullen bezitten. Het « zaad » waarover hier sprake is, heeft een familiesamenhang, waartoe dan ook Isaak en Jakob behoren. Het gaat hier over een beschikking, die de Heere tot stand brengt met Abraham en zijn zaad « in hun geslachten ». De besnijdenis was het teken van de beschikking. Alleen zij die besneden waren behoorden tot dit zaad. Het bloed der besnijdenis wordt gerekend als het bloed der beschikking. |
Men kan hier dus reeds het onderscheid bemerken tussen het « natuurlijke » zaad van Abraham en zijn « geestelijk » zaad, een onderscheid dat echter Paulus eerst duidelijk doet uitkomen. Met Abraham en zijn natuurlijk zaad wordt een beschikking tot stand gebracht, die als teken heeft de besnijdenis. Met het geestelijke zaad wordt geen beschikking opgericht, en er is ook geen sprake van beloften die aan dit zaad gericht zouden zijn (al kunnen ze deel hebben aan de zegeningen).
|
• |
Gen. 22:17, 18. Belofte aan Abraham, en in verband met de zegeningen van alle volken in zijn zaad: « ... zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw zaad zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw zaad zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. En met uw zaad zullen alle volken der aarde gezegend worden ... ». Deze belofte verkreeg Abraham nadat zijn geloof op de proef gesteld was (8). |
|
• |
Gen. 26:4. Belofte aan Isaak: « En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en Ik zal uw zaad al die landen geven, en met uw zaad zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat Abraham naar Mij geluisterd heeft ». |
We gaan nu over tot hetgeen de Griekse Schriften vermelden aangaande de beschikkingen en beloften in verband met Abraham.
|
• |
Hand. 3:25. Belofte aan Abraham, betreffende de zegeningen van alle geslachten (patria) der aarde: « Gij zijt de zonen van de profeten en van de beschikking die God met onze vaderen gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zeide: En in uw zaad (sperma) zullen alle geslachten der aarde gezegend worden ». Men kan dit beschouwen als een citaat van Gen. 22:18 en 26:4. Men moet er op letten, dat Petrus toen uitsluitend sprak tot de « mannen van Israël » (vers 12). Het zijn de Israëlieten die de « zonen van de beschikking » zijn. Het vers 26: « God heeft in de eerste plaats voor u zijn knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om te zegenen ... » leert ons, dat « het zaad » waardoor die zegen moest komen Christus is, zoals we dat ook van Paulus horen. Die zegen betreft alle « patria » der aarde, doch kwam in de eerste plaats tot de « patria » van Israël. |
|
• |
Rom. 4:11. In verband met Abraham als vader van besnedenen en onbesnedenen: « En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun (de) gerechtigheid zou worden toegerekend, en een vader van de besnedenen ». Men weet, dat Gal. 3:7 zegt, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn. |
|
• |
Rom. 4:13. Belofte aan Abraham of aan zijn zaad, een bezithebber der wereld (kosmos) te zijn, door de gerechtigheid des geloofs. Men vindt deze belofte niet zo letterlijk uitgedrukt in de Hebreeuwse Schriften. In Gen. 22:17 en 26:4 b.v. is er alleen sprake van de « poort der vijanden » en van « al die landen ». De term « kosmos » duidt gewoonlijk de « wereldbol » aan, doch kan ook een wijdere betekenis hebben. Waar Rom. 4:18 de woorden « Zo zal uw nageslacht zijn » aanhaalt, die men in Gen. 15:5 vindt in verband met de toegerekende gerechtigheid, en die verwijzen naar de sterren des hemels, is een dergelijke wijdere betekenis van « kosmos » hier niet uitgesloten. |
|
• |
Gal. 3:8, 9. In verband met de belofte aan Abraham: « In u zullen alle volken (ethnos) gezegend worden. Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham ». We komen hierop terug |
|
• |
Gal. 3:14 — 16. Christus is het Zaad waarin alle volken zullen gezegend worden. « Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn Zaad ». |
|
• |
Gal. 3:17. « De Wet, die vierhonderd dertig jaren later is gekomen, maakt de beschikking, waaraan door God tevoren rechtskracht verleend was, niet ongeldig ». De vermelding van de « beloften » in vers 16, en van « een beschikking » en « de belofte » in vers 17, duidt aan dat Paulus hier het geheel der Abrahamitische beloften en beschikkingen beschouwt. Het begin van dit geheel is de belofte van Gen. 12:1 — 3, en de 430 jaren moeten vanaf dit begin gerekend worden. Abraham was toen 70 jaar oud (9). |
|
• |
Gal. 3:29. « Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen (bezithebbers). » |
Nu we de voornaamste schriftdelen hebben aangehaald in verband met de Abrahamitische beschikkingen en beloften, moeten we enkele dingen nader onderzoeken.
|
1. |
In verschillende gevallen worden de zegeningen in verband geplaatst met Abraham of met het zaad: |
|
• |
Gen. 12:3: « met u zullen alle geslachten (families) des aardbodems gezegend worden »; |
|
• |
Gen. 18:18: « met hem zullen alle volken der aarde gezegend worden »; |
|
• |
Gen. 22:18 en 26:4: « met uw zaad zullen alle volken der aarde gezegend worden »; |
|
• |
Gen. 28:14: « met u en met uw zaad zullen alle geslachten (families) des aardbodems gezegd worden »; |
|
• |
Hand. 3:25: « in uw zaad zullen alle geslachten (patria) der aarde gezegend worden »; |
|
• |
Gal. 3:8: « in u zullen alle volken gezegend worden ». |
|
Men bemerkt dat de N.V. het voorzetsel « met » gebruikt voor de delen uit de Hebreeuwse Schriften, De St. V. heeft overal « in ». De Hebreeuwse tekst gebruikt het voorzetsel « be », dat zowel « in » als « met » kan betekenen. De Septuagint schrijft steeds « in ». In beide teksten uit de Griekse Schriften vindt men het voorzetsel « en », dus « in ». Doch men moet ook letten op Gal. 3:9, waar staat: « gezegend tezamen met (sun) de gelovige Abraham ».
De uitdrukking « met Abraham » in Gal. 3:9 betreft duidelijk hen die « uit het geloof zijn », d.i. die op grond van dit geloof gerechtvaardigd zijn (v. 8). Voor wat de rechtvaardiging uit het geloof betreft, staan ze op dezelfde lijn met Abraham.
De uitdrukking « in Abraham » is meer toepasselijk op hen, die nog niet tot de positie der rechtvaardiging gekomen zijn. Dit is het geval met de volken in het algemeen. Door middel van Israël zullen ze op aarde wel reeds gezegend worden in de kracht van de Abrahamitische beloften, dus « in Abraham », doch het zal slechts geleidelijk zijn, dat ze in de toekomende aioon tot de rechtvaardigheid uit het geloof in Christus zullen komen, en alzo « met Abraham » gezegend. Men lette erop dat Gal. 3:14 een « belofte des geestes » betreft, niet (of niet alleen) een aardse belofte.
|
|
2. |
Zowel Petrus in Hand. 3:25, 26 als Paulus in Gal. 3:16 wijzen erop, dat Christus het volkomen Zaad van Abraham is, zoals Hij ook de volkomen Mens is. |
|
Door het geloof, dat hem tot gerechtigheid werd gerekend, had feitelijk Abraham reeds een geestelijke gemeenschap met Christus, en alle Israëlieten, die tot dit geloof komen, delen in die geestelijke gemeenschap, die niet door plaats of tijd beperkt wordt.
Deze gemeenschap wordt verkregen door de geestelijke doop in Christus (Rom. 6:3; Gal. 3:27). In deze geestelijke « positie » is er geen sprake meer van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk of vrouwelijk, want ze zijn allen één in Christus Jezus (Gal. 3:28). Wat niet belet dat, zolang die mensen op aarde leven, er naar de raciale, sociale en geslachtelijke toestand, wel verschil is.
Door die gemeenschap met het Zaad, zijn ze ook zaad van Abraham (Gal. 3:29) en naar de belofte aan Abraham gedaan, bezithebbers van de kosmos (Rom. 4:13). |
|
3. |
Uit het voorgaande begrijpt men beter op welke wijze de Abrahamitische beschikkingen en beloften verwezenlijkt worden. |
|
Aan Abrahams zaad, dat talrijk zal worden als het stof der aarde (Gen. 13:15, 16; 28:13, 14) wordt het bezit beloofd van het land, dat zich uitstrekt tussen de rivier van Egypte en de Eufraat. Ook menige andere beloften, betreffende aardse toestanden, zullen gerealiseerd worden « in de ôlâm », namelijk in de toekomende aioon, na de wederkomst van Christus. De verwijzing naar de besnijdenis als teken van het deel hebben aan de beschikking van Gen. 17:6 — 10, leert ons, dat het hier uitsluitend de 12 stammen Israëls geldt, over wier toekomst op aarde al de profeten gesproken hebben. Voor dit aardse, natuurlijke zaad wordt dus plaats en tijd bepaald.
Doch daarbuiten is het « hemelse » zaad, gekenmerkt door de geestelijke gemeenschap met Christus en de gerechtigheid op grond van het geloof. Dit geestelijk, « hemels » aspect is onafhankelijk van plaats en tijd. Na Abraham behoorden voorzeker ook andere Israëlieten tot dit zaad, en vooral na hetgeen Paulus heeft doen kennen, konden meerderen uit Israël en de volken ertoe behoren. In de toekomende aioon kunnen vele Israëlieten beide als aards en als hemels zaad gerekend worden, zoals dit ook reeds gedurende het tijdperk der Handelingen het geval is geweest. Daarom spreken de beschikkingen en de beloften niet alleen over het « stof der aarde », doch ook over « de sterren des hemels ». Men zal opgemerkt hebben, dat de eerste maal dat de vergelijking werd gemaakt met de sterren des hemels (Gen. 15:5), dit in nauw verband staat met het geloof van Abraham, dat hem als gerechtigheid werd toegerekend (vers 6). In Gen. 22:17 is er sprake van de sterren des hemels in verband met de beproeving van het geloof van Abraham, en in Gen. 26:4 in verband met zijn luisteren naar de Heere. En er wordt dan niet slechts gesproken van het aan Israël beloofde land, doch van « al die landen ». Laat ons nog de aandacht vestigen op twee dingen:
|
a. |
al is er in de toekomende aioon sprake van « aardse » zegeningen, daarom moet men niet denken aan grof-zinnelijke; |
|
b. |
al is er sprake van « hemelse » zegeningen, daarom kunnen deze op aarde ontvangen worden. |
|
|
4. |
Rom. 4:12 maakt het nodig nogmaals terug te komen op het begrip « zaad ».
In natuurlijke zin, zijn allen die door familieverband van Abraham afstammen zijn « zaad ». Alle Israëlieten, die besneden zijn, behoren er dus toe. Doch, dit zijn « natuurlijke » mensen, en Gods doel is ze tot bekeerde, wedergeboren, ja door het-geloof-gerechtvaardigde mensen te doen komen. Want dan eerst zullen ze de opdracht van hun verkiezing kunnen uitvoeren, tot zegen van alle volken zijn, zodat deze volken ook tot het geestelijke zaad van Abraham zouden kunnen gerekend worden. Dan eerst zal Abraham werkelijk en ten volle « tot vader van vele volken » gesteld zijn (Rom. 4:17). Dan eerst is de zegen van Abraham tot de volken gekomen in Jezus Christus (Gal. 3:14).
Doch, in de loop der tijden bleven de meeste Israëlieten slechts Abrahams natuurlijke zaad. Door de boodschap van Paulus kwamen er, gedurende het tijdperk der Handelingen, heel wat bij, doch dit volk als zodanig was ook hier het Israël « naar het vlees » (1 Kor. 10:18). Daarom lezen we in Rom. 4:12, dat Abraham alleen als ware (geestelijke) vader beschouwd wordt van de besnedenen, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, « maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat ». Dus:
|
1. |
de Israëlieten, die slechts naar het vlees besneden zijn, vormen het Israël « naar het vlees » en hebben Abraham als natuurlijke vader; |
|
2. |
de Israëlieten, die èn besneden zijn naar het vlees, èn uit het geloof van Abraham zijn, hebben deze niet slechts als natuurlijke, doch ook als geestelijke vader. Het is in deze zin dat we in Rom. 9:6, 7 lezen: « niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij (natuurlijk) zaad van Abraham zijn ». |
In bovenstaande gevallen is er alleen sprake over Israëlieten. In zijn brief aan de Galaten handelt Paulus in het bijzonder over de gerechtigheid door het geloof, over de positie « in Christus », waar geen onderscheid bestaat voor wat betreft de natuurlijke afstamming of andere aardse toestanden. In Gal. 6:15, 16 besluit hij dan: « Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is. En allen, die zich naar die regel zullen richten — vrede en barmhartigheid kome over hen, en ook over het Israël Gods ». Waar de « allen, die zich naar die regel richten » uit de volken zijn, duidt Paulus met het « Israël Gods » — in tegenstelling met het Israël « naar het vlees » van 1 Kor. 10:18 — de Israëlieten aan, die door hun geloof in Christus tot het geestelijke zaad van Abraham gerekend worden. Zij zijn het « ware » Israël.
|
|
5. |
Het is van belang erop te letten, dat alle beschikkingen en beloften ofwel tot Abraham, ofwel tot zijn natuurlijk zaad gericht werden, dus tot Israël als volk.
In dit laatste geval is er steeds sprake over het bezit van het land (tussen de rivier van Egypte en de Eufraat). Zie Gen. 12:7; 13:15; 17:8; 28:13; 48:4. De beschikkingen en beloften spreken wel over zegeningen voor de volken en voor het geestelijke zaad van Abraham, doch werden niet tot hen gericht, behoren hun niet toe. Dit feit wordt uitdrukkelijk door de Griekse Schriften bevestigd:
|
1. |
De onbesneden zijn vreemd aan de « verbonden » (lees: « beschikkingen ») der belofte (Ef. 2:12). |
|
2. |
De « verbonden » en beloften — evenals het (volken-) zoonschap (zie Ex. 4:22), de heerlijkheid (zie Ex. 16:10; Luk. 2:32; 2 Kor. 3:7), de wetgeving en de eredienst — zijn van Israël (Rom. 9:4). |
Als men, daarbij nagaat in welke plaatsen de woorden « epaggelia » (belofte) en « epaggellomai » (beloven) voorkomen in de Griekse Schriften, vindt men dat er — behalve één enkele uitzondering — nooit verwezen wordt naar oude beloften die tot de volken zouden gericht geworden zijn, doch wel naar de geloften voor:
|
• |
Israël (Hand. 13:23; Gal. 3:19; Heb. 11:9); |
|
• |
de vaderen van Israël (Hand. 13:32; 26:6; Rom. 15:8; Heb. 11:11, 13, 33, 39); |
|
• |
Abraham (Hand. 7:4; Rom. 4:20, 21; Gal. 3:16, 18; Heb. 6:13, 15; 7:6; 11:17). |
Het is echter misschien goed enkele dezer schriftplaatsen toe te lichten. Het zaad, waarover Rom. 4:13 — 16 handelt, omvat natuurlijk de besnedenen waarover vers 12 handelt. Eens moet de belofte gelden voor al dit zaad (v. 16). De beloften van 2 Kor. 7:1 werden aan Israël gedaan (Lev. 26:12; 2 Sam. 7:14; Jes. 52:11), en betreffen het koninkrijk op aarde (2 Sam. 7:13; Jes. 52:9). De volken hebben er slechts deel aan (Jes. 52:10). In het tijdperk der Handelingen was dit koninkrijk nabij en was er een begin van de vervulling dezer beloften.
Gal. 3:14 spreekt over de zegen van Abraham, waaraan de volken begonnen deel te hebben. Het Zaad van Gal. 3:16 is Christus, en volgens de belofte aan Christus, zijn allen die « van Christus » zijn, mede-bezithebbers. Als « zonen » worden ze met Hem verheerlijkt (Rom. 8:17). Ook Gal. 4:28 handelt over het reeds deel hebben aan de belofte voor Abraham.
Nu moeten we de ééne uitzondering onderzoeken, waarop we hierboven gewezen hebben, waar er sprake is van een belofte voor alle volken. Deze belofte onderscheidt zich van de Abrahamitische op de volgende wijzen:
|
1. |
Het is alleen Paulus, die erover spreekt, en eerst in zijn laatste brieven, die geschreven werden nadat hij het tijdelijk terzijde zetten van Israël als Gods volk had aangekondigd (Hand. 28:28). Men vindt iets over deze belofte in Ef. 3:6 en 2 Tim. 1:1. |
|
2. |
Het is een belofte die dagtekent van voor Abraham, namelijk van « voor de aionische tijden » (2 Tim. 1:9). Ze staat in verband met de verborgenheid die van de aionen her verborgen was gebleven in God (Ef. 3:9; Kol. 1:26). Het is Paulus die ze heeft doen kennen, nadat hij er de openbaring van ontvangen had (Ef. 3:8, 9). |
|
3. |
Die belofte — voor alle volken — is een belofte « in Christus Jezus » (Ef. 3:6), namelijk van het leven in Christus (2 Tim. 1:1; Kol. 3:1 — 4). Zij betreft het volledig gemaakt worden tot de ganse volheid Gods (Ef. 3:19), het komen tot de volheid van Christus (Ef. 4:13), het volmaakt zijn in Christus (Kol. 1:28). Dit is het einddoel van Gods heilsplan met het mensdom (1 Kor. 15:28); doch de grote verborgenheid, die Paulus bekend heeft gemaakt, houdt in, dat dit einddoel nu reeds op individuele wijze, in de geest, kan bereikt worden. De individuele gelovigen die door Gods genade in deze positie geplaatst worden, zijn de leden van de (onzichtbare) Gemeente, waarvan Christus zelf het Hoofd is (Ef. 1:22; 4:15; 5:23; Kol. 1:18). |
Er was dus een belofte voor al de volken, doch deze bleef onbekend, tot Paulus ze deed kennen. Al de bekende beloften (en beschikkingen) waren gericht tot Abraham en Israël, en moesten dienen om in de loop der tijden de volken te leiden tot het einddoel van Gods heilsplan.
|
Voetnoten:
(6) In verband met deze schriftplaats, verwijst men gewoonlijk naar Jer. 34:18. Men merke er echter wel op, dat er in deze tekst sprake is van een verbond tussen de koning Zedekia en het volk, dat zich in Jeruzalem bevond (Jer. 34:8, waar in de N.V. « berith » weergegeven wordt door « verbintenis ». Zo ook in v. 18). Daar ze — door de ceremonie van het doorgaan tussen de stukken van het offerdier — dit menselijke verbond hadden gesloten « voor het aangezicht » van de Heere, kon het door de Heere « mijn verbond » genoemd worden. Doch het betrof geen beschikking door de Heere zelf tot stand gebracht, zoals met Abraham, met Israël op Sinaï enz. In Gen. 15:17 gaat Abraham niet tussen de stukken door, doch alleen de Heere, wat bevestigt dat het een eenzijdige beschikking betrof, en geen « verbond » tussen twee partijen.
(7) Zoals we aantonen in een studie over het gebruik van « dit » (of « deze »), met of zonder het voegwoord « en », wijst het gebruik van « dit » (of « deze ») steeds op hetgeen vooraf gaat, en het gebruikt van « en dit » (of « en deze ») op hetgeen volgt.
Gen. 17:10a verwijst dus naar: « Ik zal aan u en uw nageslacht het ganse land Kanaän tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn » (v. 8). Voor het tweede deel van v. 10, leze men dan: « Besneden onder u worde al wat mannelijk is ». De besnijdenis was niet het onderwerp van de berith, doch slechts een teken voor hen, die er deel aan hadden (v. 11).
(8) Als men over deze beproeving leest, is het wenselijk zich zoveel mogelijk te verplaatsen in de omstandigheden waarin zij plaats had. Behalve hetgeen we uit de Schrift zelf kunnen leren, geeft de spade ons ook inlichtingen. Het blijkt, dat in de tijd van Abraham (rond het jaar 2000) kinderoffers regel waren. Gewoonlijk werd de eerstgeborene aan de goden geofferd opdat de familie vele kinderen zou hebben, het vee zich sterk zou vermenigvuldigen en het land overvloedige oogsten zou opbrengen. De uitnodiging Abrahams zoon tot een brandoffer te offeren past geheel in die levensomstandigheden. Het bijzondere was echter, dat de Heere zelf dit offer vroeg en dat het Abrahams enige zoon betrof, die hij, tegen alle verwachting in, had ontvangen toen hij reeds 100 jaar oud was, en door wien Gods beschikking moest verwezenlijkt worden. Het geloof van Abraham werd dus werkelijk op zeer bijzondere wijze op de proef gesteld.
In verband met de oude gewoonte kinderen aan de goden te offeren, kan men Hoofdstuk III van Rivers in the Desert lezen, waarvan de auteur de bekende archeoloog Nelson Glueck is, die jaren lang in de ganse Negeb heeft gewerkt.
(9) Ter herinnering enkele data betreffende Abraham:

| Ouderdom |
Gebeurtenis |
| 70 |
Eerste belofte, in Ur (Gen. 12:1 — 3; Hand. 7:2) |
| 75 |
Vertrek uit Haran (Gen. 12:4) |
| 86 |
Ismaël geboren (Gen. 16:16) |
| 99 |
Verbond besnijdenis (Gen. 17:1) |
| 100 |
Isaak geboren (Gen. 21:5) |

4. Het Sinaïtische « verbond » en het « nieuwe verbond » (Top)
Ex. 19:3 — 6; 24. Beschikking tot stand gebracht met Mozes en het volk Israël. Israël zal ten eigendom zijn van de Heere, een koninkrijk van priesters en een heilig volk, indien ze Gods voorschriften houden.
In Ex. 19 vindt men de aankondiging van deze beschikking, en in Ex. 24 het ritueel, dat bij het tot stand brengen behoort. Het « boek des verbonds », bevattende de geboden en inzettingen, die moesten gehouden worden voor de realisering van de beschikking, werd voorgelezen. Het volk verklaarde dan alles te doen wat de Heere van hen vroeg. Mozes nam het bloed van de brand- en vredeoffers, sprengde het op het volk, en zeide: « Zie, het bloed van de beschikking, die de Heere met u tot stand brengt, op grond van al deze woorden » (Ex. 24:8).
Het is duidelijk dat deze beschikking niemand buiten het volk Israël betreft en dat ze door de Heere tot stand gebracht wordt onafhankelijk van Israël. Zoals reeds gezegd, haalt Heb. 9:20 een deel aan van Ex. 24:8, en vinden we hier het werkwoord « entellomai », dat « gebieden » of « voorschrijven » betekent. De Heere schreef aan Israël voor hetgeen ze moesten doen opdat de belofte van de beschikking zou kunnen gerealiseerd worden. Die beschikking werd later vernieuwd (Ex. 34); zie ook Deut. 29, waar Mozes eraan herinnert, kort voor het volk het land ging intrekken.
Het is van belang erop te letten, dat de Schrift uitdrukkelijk zegt, dat deze beschikking geheel verschillend is van de vorige: « De Heere, onze God, heeft met ons een beschikking tot stand gebracht op Horeb. Niet met onze vaderen heeft de Heere deze beschikking tot stand gebracht, maar met ons, zoals wij hier heden allen in leven zijn » (Deut. 5:2, 3).
Deze Sinaïtische beschikking staat vooral in verband met de « tien woorden ». Ex. 34:27 luidt: « Schrijf u deze woorden op, want op grond van deze woorden heb Ik met u en met Israël een beschikking tot stand gebracht ». Het volgende vers spreekt over « de woorden van de beschikking, de Tien Woorden ». Zie ook Deut. 29:1, 9. Men zal bemerken dat er een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de beschikking zelf en die woorden. Anders gezegd, « Oude Beschikking » en « Wet » zijn twee verschillende begrippen. We komen hierop terug. In het vorige hoofdstuk hebben we reeds gezien, dat de beschikking zelve niet kan verbroken worden door de mensen en dat Israël naar de Heere moest luisteren, zich niet tegen Hem verzetten, om deel te hebben aan de beloften.
Men moet er ook op letten, dat de Sinaïtische beschikking niet « eeuwig » is (d.i. voor de ôlâm) zoals degene met Abraham. (Zie b.v. Gen. 17:7, 13). Daarom kan deze « oude » beschikking door God vervangen worden door de nieuwe. Doch de inzettingen der Wet, die in verband staan met de Sinaïtische beschikking, zijn « altoosdurend » (d.i. voor de ôlâm). Zie b.v. Ex. 31:16 voor de sabbat, Lev. 3:17 voor de vredeoffers, Lev. 6:18 voor de spijsoffers, enz. We komen hierop terug in hoofdstuk 6. (We laten buiten beschouwing de beschikkingen betreffende het « altoosdurende » priesterschap van Pinehas en zijn zaad (Num. 25:12, 13) en het koningschap van David (2 Sam. 23:5; Ps. 89). In Ps. 89:35 lezen we, dat de Heere deze laatste beschikking niet zal ontwijden.)
Jer. 31:31 — 34 handelt over de nieuwe beschikking, die de Heere zal tot stand brengen met het huis Israël en het huis van Juda. De Heere zal zijn Wet in hun binnenste leggen, en die op hun hart schrijven. Hij zal hun tot een God zijn, en zij zullen Hem tot een volk zijn. Allen zullen ze Hem kennen. Hij zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.
Vers 32 maakt de tegenstelling tussen deze nieuwe beschikking en degene, die met de vaderen tot stand gebracht was na hun uittocht uit Egypte, dus de « oude » Sinaïtische beschikking, niet de Abrahamitische. Beide de « oude » en de nieuwe worden met hetzelfde — wel bepaalde — volk opgericht, staan in verband met de Wet des Heeren en hebben hetzelfde doel. Ook hierop komen we later terug. Laat ons reeds de aandacht vestigen op Heb. 8:8, waar Jer. 31:31 geciteerd wordt en de volgende uitdrukking gebruikt: « een nieuwe beschikking tot stand zal brengen ». De Griekse tekst heeft hier het werkwoord « sunteleô », dat ongeveer de betekenis heeft van « voleindigen » of « vervullen ». (Zie b.v. Mark. 13:4; Rom. 9:28). De nieuwe beschikking wordt mogelijk gemaakt door het offer van Christus, doch zal eerst in de toekomst in vervulling gaan, van kracht worden, namelijk als het volk Israël zich tot de Heere zal gekeerd hebben. Ezech. 36:24 — 28 en 37:21, 22, en andere delen der profetie leren ons, dat dit zal plaats hebben als de Israëlieten uit de volken zullen weggehaald zijn en bijeenvergaderd in hun eigen land, in het land dat de Heere beloofd heeft, namelijk het land dat ligt tussen de rivier van Egypte en de Eufraat. Ezech. 36:25 — 27 en 37:24 handelen over hun reiniging, het geven van een nieuw hart en een nieuwe geest, hetgeen hun zal in staat stellen naar de inzettingen te wandelen en naarstig des Heeren verordeningen te onderhouden. Volgens Ezech. 36:28 en 37:23 zullen ze dan des Heeren volk zijn en Hij hun God. Het is ook in die tijd, dat de « eeuwige » beschikking betreffende David, de vrede en allerlei zegeningen zullen verwezenlijkt worden. Zie, onder meer Jes. 55:3; 61:8; Jer. 32:40; Ezech. 16:60; 34:25; 37:25, 26.
We gaan nu over tot de Griekse Schriften. 2 Kor. 3:14. In dit hoofdstuk is er sprake, beide van de oude en de nieuwe beschikkingen. Welke beschikking bedoeld wordt met de « oude », blijkt uit de verwijzingen naar « de letter » (v. 6, 7) en naar Mozes (v. 7, 13, 15). Het is dus de Sinaïtische beschikking. In de St. V. is het niet duidelijk of het « Oude Testament » door Christus « teniet gedaan wordt », ofwel of het deksel weggenomen wordt. Volgens de N.V. is dit laatste het geval. Inderdaad, het woord « diathèkè » is mannelijk, en de onzijdige vorm (katargoumenou) van het werkwoord kan alleen verwijzen naar het onzijdige woord « deksel » (kalumma). We komen terug op hetgeen er staat over de nieuwe beschikking. Laten we er goed op letten, dat het « oude verbond » de Sinaïtische beschikking is, niet de Abrahamitische. Gal. 3:15. Hier heeft « diathèkè » de betekenis van « testament », want het betreft het gewone menselijke leven.
Gal. 3:17. « De Wet, die vierhonderddertig jaren later is gekomen, maakt de beschikking, waaraan door God tevoren rechtskracht verleend was, niet ongeldig ». In het vorige hoofdstuk hebben we er reeds op gewezen, dat de vermelding van de 430 jaren aanduidt, dat hier de beschikking van Gen. 15 bedoeld wordt, die in verband staat met de toegerekende gerechtigheid.
Men zal opgemerkt hebben dat Gal. 3:17 niet over de Sinaïtische beschikking spreekt, doch over de Wet. Over dit verschil handelen we in het volgende hoofdstuk. Gal. 4:24. Hier gaat het over twee « diathèkè » (niet « bedelingen » zoals in de N.V.). De ééne is die van de berg Sinaï. Maar welke is de tweede? Waar Paulus in het vorige hoofdstuk reeds over de beschikking spreekt, die tot Abraham gericht was in Gen. 22:18, en ook Gal. 4:22, 23 naar Abraham en de belofte verwijzen, is de tweede zonder twijfel de Abrahamitische. In de periode der Handelingen leefde Israël nog onder de Sinaïtische beschikking en in slavernij onder de Wet. Doch die Abrahamitische beschikking belooft vrijheid, het verlost zijn van de wet der zonde, de hemelse zegeningen. Daarom de tegenstelling die hier gemaakt wordt tussen « het tegenwoordige Jeruzalem » en « het hemelse Jeruzalem ». Zie ook Heb. 12:22.
Vooral in de brief aan de Hebreeën wordt gehandeld over het verschil tussen de oude en de nieuwe beschikking. Zoals reeds opgemerkt, moeten we niet uit het oog verliezen dat de oude beschikking die van Sinaï is. Dit wordt in deze brief bevestigd, b.v. door de verwijzingen naar het levitische priesterschap (7:11), de offers (7:27), de afbeeldingen en schaduwen (8:5), Mozes en de berg (8:5), de uittocht uit Egypte (8:9), de eredienst en het heiligdom (9:1). In Heb. 8:13 en 9:1 staat er: « eerste (beschikking) », doch dit wil niet zeggen, dat de absoluut eerste bedoeld wordt (dat zou die van Noach zijn), doch wel de eerste van de twee, die hier beschouwd worden. Dat de nieuwe beschikking, die van Jer. 31:31 — 34 is, lijdt geen twijfel, want dit schriftdeel wordt tweemaal aangehaald.
Laat ons een paar teksten aanhalen die over het verschil tussen die twee beschikkingen handelen. Heb. 7:22; 8:6. « Een betere beschikking ». Het Griekse « kreittôn » wordt ook gebruikt in Heb. 1:4 (waar de Zoon een uitnemender naam heeft boven de engelen); in Heb. 7:19 (betere hoop); in Heb. 11:16 (een beter, d.i. hemels, vaderland); in Heb. 11:35 (betere opstanding) en in Heb. 12:24 (waar het bloed van Christus krachtiger spreekt dan dat van Abel).
De nieuwe beschikking Gods is dus beslist beter, uitnemender, krachtiger dan die van Sinaï. Er bestaat geen verschil in hetgeen de Heere van Israël verlangt, namelijk zijn Wet te houden, doch de oude beschikking vroeg slechts dit te doen, terwijl de nieuwe er de kracht toe geeft. Daarbij voorzag de oude slechts dieroffers, terwijl de nieuwe steunt op het offer van Christus. Israël kan slechts een heilig volk worden door dit ééne offer (Heb. 10:14).
De rechtskracht van de nieuwe beschikking berust op « betere beloften » (Heb. 8:6): door Gods genadige inwerking zal het doel (zowel van de oude als van de nieuwe beschikking) bereikt worden, zal Israël werkelijk een heilig volk zijn. Heb. 8:13: « De eerste beschikking verouderd verklaard ». Waar de tweede beter is, kan ze ingehaald, overtroffen worden door de nieuwe.
Misschien werpt iemand ons tegen, dat men hier dus te doen heeft met een beschikking Gods die haar doel niet bereikt. Dit is echter geenszins het geval. Volgens de oude beschikking zou Israël tot zijn doel komen indien het getrouw naar Gods norm zou wandelen. Dit wordt niet te niet gedaan door de nieuwe beschikking, want deze geeft juist de kracht om die getrouwe wandel mogelijk te maken. Het is misschien wenselijk dit op meer uitvoerige wijze uiteen te zetten. De Sinaïtische beschikking omvat:
|
1. |
de belofte dat Israël uit alle volken Gode ten eigendom zal zijn, dat dit volk een koninkrijk van priesters en een heilige natie zal zijn; |
|
2. |
de thorah (Wet), die moet gehouden worden opdat de belofte zou worden verwezenlijkt. |
Doch die beschikking hield niet in de belofte van Gods genadegaven, nodig om de thorah te houden. De Sinaïtische (oude) beschikking wordt door God vervangen door een betere, namelijk de « nieuwe ». Deze omvat — oordelende naar de talrijke aanduidingen van de profeten, in verband met Israëls toekomst als volk en natie — dezelfde belofte als hierboven vermeld voor de oude beschikking en ook de thorah (in zekere mate aangepast aan de nieuwe omstandigheden van de toekomst). Doch, hierbij komt hetgeen de nieuwe beschikking kenmerkt: de genadegaven Gods die Israël zullen in staat stellen de thorah te houden en zo te komen tot de realisatie van de oude belofte.
De nieuwe beschikking is geen andersoortige dan de oude, doch een meer volledige en daarom een « betere ». Het is door hetgeen er bij de nieuwe bijkomt, dat de belofte der oude kan verwezenlijkt worden: Israël zal eenmaal een koninkrijk van priesters en een heilige natie zijn. Zo lezen we in Jes. 61:6 — in verband met de toekomst van het uitverkoren volk — dat de Israëlieten « priesters des Heeren » zullen heten en « dienaars van God ». En, ook in verband met de toekomst van Israël en het in voege stellen van het nieuwe verbond met « het huis van Israël en het huis van Juda », zegt Jeremia dat zij Gode tot een volk zullen zijn (Jer. 31:33). Petrus, een van de twaalf Apostelen der besnijdenis, bevestigt dat de eerste Christen-Joden van de « diaspora » reeds behoorden tot het uitverkoren geslacht, het koninklijk priesterschap, de heilige natie, het volk (Gode) ten eigendom (1 Petr. 2:9). Waar dit in verband staat met de nieuwe beschikking, ziet men dat de belofte van de oude blijft gehandhaafd.
Doch de Israëlieten bleven meestal bij de oude beschikking, en deze was dus nog niet verdwenen in het tijdperk der Handelingen, toen Hebreeën geschreven werd (10). De Heere kon toen nog spoedig wederkomen (Heb. 10:37) en er kon toen gezegd worden dat de eerste beschikking « niet ver van verdwijning » was. Ze zou inderdaad verdwenen zijn, indien Israël zich bekeerd had.
Uit bovenstaande is het duidelijk dat de ééne beschikking de andere vervangt, en dat men dus niet mag zeggen dat er sprake is van een zelfde, een éénig « verbond ». Laat ons de nadruk leggen op het verschil, en meer in détail nagaan waarin dit verschil bestaat. Gods openbaring op Sinaï omvatte zowel een « berith », een beschikking, als een « thorah », een Wet. Volgens deze oude beschikking had de Heere Israël bestemd om een heilige natie te zijn, Hem volkomen toegewijd, en ten zegen voor alle volken op aarde. Doch dit volk kan slechts « heilig » zijn als het leeft in overeenstemming met Gods wil. Daarom moest deze wil, deze goddelijke norm voor Israël, bekend gemaakt worden, de « thorah » gegeven worden.
Dit onderwijs was wel voldoende om Israël te leren aan welke eisen het moest voldoen om zijn roeping en verkiezing te bevestigen, doch gaf er de kracht niet toe. De Israëlieten waren « natuurlijke » mensen en konden niet door de Wet levend gemaakt worden (Gal. 3:21), in staat gesteld aan Gods norm te voldoen. Daarbij voorzag de Wet wel offers om de zonden te « bedekken », doch door die schaduwen konden de zonden niet weggenomen worden (Heb. 10:1 — 4). Daartoe was de ééne offerande van Christus nodig, die voor altijd kan volmaken, die geheiligd worden (Heb. 10:14) en op grond van welke de nieuwe beschikking steunt.
Bij de Sinaïtische beschikking werd Israël dus gesteld tegenover een goddelijke norm, waaraan geen mens in eigen kracht kan voldoen. Dit is vooral duidelijk als men er aan denkt, dat de gehele Wet steunt op het grote gebod der liefde, en dat de natuurlijke mens handelt naar de wil van het vlees en dat uit zijn hart boze dingen voortkomen. Zoals Mozes, kort voor de intocht in het land, zeide, had de Heere hen bij Horeb wel een beschikking en een Wet gegeven, doch geen hart om te verstaan of ogen om te zien, of oren om te horen (Deut. 29:4). Reeds vroeger had hij gewezen op hun onmacht Gods beschikking gestand te doen: « Zeg dan niet bij uzelf: mijn kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verworven. Maar gij zult aan de Heere, uw God, denken, want Hij is het, die u kracht geeft om vermogen te verwerven, ten einde de beschikking gestand te doen ... » (Deut. 8:17, 18). Zoals uit meerdere schriftplaatsen blijkt, hebben enkelingen uit Israël de onmacht van de mens goed begrepen. Laat ons b.v. denken aan de woorden van Salomo, volgens welke het de Heere is, die het « huis » moet bouwen en de « stad » bewaren (Ps. 127), en het de zegen des Heeren is, die rijk maakt en zwoegen (in eigen kracht) er niets aan toevoegt (Spr. 10:22).
Doch, te oordelen naar Ex. 19:8 en 24:3, waar het gehele volk zich verbindt al de woorden te doen, die de Heere gesproken had, nam de massa Gods norm nogal licht op, en dacht zelf iets te zijn en te kunnen. Ze toonden natuurlijke, vleselijke mensen te zijn. De latere geschiedenis toont ons dat Israël zich niet tot God bekeerde, niet luisterde naar de Heere, en dan ook niet al de geboden en inzettingen onderhield. De vervloekingen waarover Lev. 26 en Deut. 28 handelen, bleven dan ook niet uit, en het is slechts door een eeuwenlange tuchtiging, dat het volk tot bekering zal komen. Dan wordt Israël hersteld als Gods eigen volk, en keert het terug naar het beloofde land (Jer. 30 en 31). De Heere zal dan zijn nieuwe beschikking met het huis van Israël en het huis van Juda voleindigen, van kracht doen worden. Hij zal de thorah in hun binnenste leggen, en die op hun hart schrijven. Israël zal dan een hart hebben om te verstaan en oren om te horen. Door Gods Geest en in Gods kracht zal dit volk al de geboden en inzettingen van de thorah kunnen onderhouden.
Volgens de traditionele opvatting, werd de nieuwe beschikking reeds voor het kruis door de Heere Jezus tot stand gebracht met « de Kerk ». Men verwijst dan naar de volgende schriftplaatsen:
|
• |
Mat. 26:28: « Want dit is het bloed van mijn beschikking, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden »; |
|
• |
Mark. 14:24: « Dit is het bloed van mijn beschikking, dat voor velen vergoten wordt » (11); |
|
• |
Luk. 22:20: « Deze beker (is) de nieuwe beschikking in mijn bloed, dat voor u uitgegoten wordt » (12); |
|
• |
1 Kor. 11:25: « Deze beker is de nieuwe beschikking in mijn bloed » (13). |
Op het kruis werd het bloed vergoten op grond van hetwelk de nieuwe beschikking kon tot stand gebracht worden, maar daarom mag men nog niet zeggen dat die beschikking toen reeds van kracht was voor degenen waarvoor ze bestemd was. Voor we hierover verder handelen, moeten we goed verzekerd zijn die bestemmelingen te kennen. We hebben hierover reeds gesproken, doch het is misschien wenselijk erop terug te komen. In Jer. 31:31 (en de aanhalingen in de brief aan de Hebreeën) staat duidelijk, dat het met « het huis van Israël en het huis van Juda » is, in Rom. 9:4 lezen we dat de beschikkingen — evengoed als de wetgeving — van Israël zijn, en Ef. 2:12 zegt dat de onbesnedenen vreemd zijn aan de beschikkingen der gelofte. We hebben gezien, dat in de Hebreeuwse Schriften nergens sprake is van een beschikking tot stand gebracht met een ander volk dan Israël, al is het waar, dat andere volken en individuele personen kunnen gezegend worden in verband met de beschikkingen met Abraham en Israël.
Wil men een uitzondering maken met de nieuwe beschikking, dan kan men antwoorden, dat het gebruik van de term « nieuwe » terugwijst naar de oude, Sinaïtische beschikking. Iedereen stemt erin toe, dat deze laatste uitsluitend Israël betreft. Als de nieuwe de oude vervangt, kan deze nieuwe ook alleen met Israël opgericht worden. Tenzij men beweert, dat een christelijk « volk », samengesteld uit gelovigen behorende tot allerlei natiën, de plaats inneemt van de natie Israël. Doch als men heeft ingezien, dat deze oude traditie niet schriftuurlijk is, dan kan de nieuwe beschikking alleen voor Israël zijn.
Zodra dit duidelijk is, weet men ook wanneer de nieuwe beschikking zal voleindigd worden. Jeremia 31:33 zegt dat het eerst « na deze dagen » zal zijn, en verwijst natuurlijk naar de dagen waarover hij reeds in het vorige hoofdstuk was begonnen te handelen (30:3, 8, 24; 31:27, 29, 31).
In die dagen is er sprake van de bekering van Israël als volk en natie, van hun terugkeer naar het land en het herbouwen van Jeruzalem, en van hun herstel als Gods volk. Alle profeten spreken over deze belangrijke gebeurtenissen. Laat ons alleen Zach. 12:10 aanhalen: « Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen Hem aanschouwen, dien zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja zij zullen over Hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene ». Het is dus in die tijd dat, volgens Heb. 8:8, de nieuwe beschikking met Israël zal « voleindigd » of « vervuld » worden (14).
We menen dat het dus duidelijk moet zijn, dat het bloed van de nieuwe beschikking met Israël wel vergoten werd bij de dood van Christus, doch dat de beschikking eerst van kracht wordt, in vervulling komt, na de bekering van Israël als natie, namelijk bij de wederkomst van Christus.
Toen die komst nog nabij was (gedurende het tijdperk der Handelingen), waren er reeds tekenen van die nabijheid en een begin van de geestelijke zegeningen en krachten voor Israël, in verband met die nieuwe beschikking Gods, doch dit waren individuele gevallen betreffende reeds bekeerde Israëlieten. De natie, als zodanig, bekeerde zich niet. De boodschap van Christus werd het eerst verworpen in Jeruzalem, en daarna in de hoofdsteden van de verstrooiing: Antiochië, Korinthe en Rome.
Paulus, die zich overal eerst richtte tot Israël — en die dus gedurende de gehele periode der Handelingen werkelijk een bekwame dienaar was van de nieuwe beschikking voor Israël (2 Kor. 3:6) — heeft in dit verband het vermaarde beeld van de olijfboom gebruikt. Onder de druk van de eeuwenoude overlevering, volgens welke « de Kerk » Israël zou vervangen hebben, heeft men dit beeld vaak op verkeerde wijze uitgelegd. Men meent hier een bevestiging te vinden, ofwel, dat « de Kerk » de plaats heeft ingenomen van Israël, ofwel, dat beide Israël en Kerk een eenheid moeten vormen. Laat ons trachten een meer schriftuurlijke uitleg te vinden.
In de Hebreeuwse Schriften wordt Israël, als natie, vergeleken met een olijfboom (Richt. 9:8, 9; Jer. 11:16), die zich in de toekomst op prachtige wijze zal ontwikkelen (Hos. 14:7). Verder, werd de « vettigheid » van de olijf (namelijk de olijfolie) steeds voorgesteld als een beeld van geestelijke dingen. Men denke er slechts aan, welke grote betekenis de olie had in de tempeldienst. De olijfboom stelt dus geen zichtbare organisatie voor, zoals b.v. die van « de Kerk ».
Laat ons vooral goed letten op enkele details. In Rom. 11:17 vinden we de uitdrukking: « als wilde loot daartussen geënt ». De Griekse term « agrielaios » betekent letterlijk « wilde olijf », zoals hij dan ook in vers 24 vertaald werd. Die term staat in tegenstelling met « kallielaios », de goede (of gecultiveerde) olijf. Van een boom met een stam wordt er niet gesproken. Alleen van een wortel en van takken. Inderdaad, wie met de cultuur van de olijf enigszins vertrouwd is, weet, dat er in de meeste gevallen geen stam bestaat, maar alleen takken die uit de wortel komen. Als een oude olijf b.v. door de vorst gedood wordt, zaagt men hem bij de wortel af. Daarna kan men nieuwe takjes uit de wortel laten uitschieten, ofwel lootjes op die wortel enten. Nooit wordt er een lootje geënt op een stam of een tak. In beide gevallen bestaat de olijf uit takken die uit de wortel voortkomen.
Men ziet dus, hoe juist de woorden van Rom. 11:17 gekozen zijn: « daartussen geënt » (Gr. « en autois »), d.i. tussen de overgebleven takken, die uit de wortel kwamen. Die wilde olijfloot had alzo deel aan de vettigheid van de wortel. In het volgende vers lezen we daarom dat het de wortel is, die de loot draagt.
Het ligt voor de hand te veronderstellen, dat de « vettigheid » van de wortel, de geestelijke zegeningen voorstelt van de Abrahamitische beschikkingen. Het natuurlijke zaad van Abraham was toen reeds talrijk geworden, en voor zo ver de enkelingen God dienden, werden ze reeds geestelijk gezegend. Hadden ze zich toen tot hun Messias gekeerd, dan zou Hij in heerlijkheid wedergekomen zijn en de nieuwe beschikking in vervulling gegaan zijn. Doch die bekering bleef uit, en in de tijd waar Paulus de brief aan de Romeinen schreef waren de Jeruzalemse, Antiochische en Korinthische takken reeds weggebroken. In elke plaats waar de vertegenwoordigers van Israël doof bleven voor zijn boodschap, richtte de Apostel zich dan tot iedereen die wou luisteren. Dan betrof het geen wel bepaald volk of natie meer, doch individuele mensen uit alle volken, en hij sprak hun niet over de nieuwe beschikking, doch over Abraham en de rechtvaardiging door het geloof. Zo vinden we in Gal. 3:8 een citaat van Gen. 22:18: « In u zullen alle volken gezegend worden », en hierop volgt: « Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham ».
Op « normale » wijze had Israël, als natie, zich eerst moeten bekeren, van boven geboren worden, deel hebben aan de nieuwe beschikking, die de kracht kon geven om tot een heilig volk te worden, om dan tot zegen te zijn van alle volken, door hen « uit het geloof » deel te laten hebben aan de aardse en hemelse Abrahamitische beloften. Toen het echter bleek, dat Israël zich niet bekeerde, wees Paulus erop, dat de hemelse Abrahamitische zegeningen reeds konden komen tot individuele gelovigen.
Door de misdaad (Gr. « paraptoma », wat niet « val » betekent) van Israël, kwam het heil reeds tot de volken, niet omdat Israël verworpen was, doch, integendeel, om dat volk tot naijver op te wekken (Rom. 11:11).
Het is in deze zin, dat Paulus kon spreken van het enten op de wortel. Doch, na zijn laatste poging te Rome — steeds als bekwame dienaar van de nieuwe beschikking voor Israël — en het ongeloof van de meeste leiders van het volk, werd de laatste tak van de goede olijf afgehouwen. Feitelijk was er toen geen goede olijf meer, en werd de vervulling van de nieuwe beschikking uitgesteld.
Vanaf Hand. 28:28 werd Israël dus tijdelijk terzijde gesteld als uitverkoren volk. Het is nu « Lo-Ammi » (Hos. 1:9), tot het zich zal bekeren, na de grote verdrukking aan het einde onzer tegenwoordige aioon en bij de komst van de Zoon des mensen met grote macht en heerlijkheid (Mat. 24:29 — 31). Gedurende de tegenwoordige tussenperiode kan er dan ook geen sprake zijn van de vervulling van de nieuwe beschikking, wel van individuele geestelijke Abrahamitische zegeningen. Het bloed van Christus laat niet alleen het tot stand brengen toe van de nieuwe beschikking voor Israël, doch heeft verzoening, rechtvaardiging, gemeenschap met God mogelijk gemaakt voor alle mensen (Rom. 3:24, 25; 5:9; Ef. 1:7; 2:13; Kol. 1:14, 20). Dit was de bijzondere boodschap van Paulus, de Apostel der volken.
Laat er ons nog op wijzen, dat er geen sprake is van de nieuwe beschikking in het Evangelie volgens Johannes, dat na de terzijde stelling van Israël geschreven werd. Ook Paulus zegt er niets meer over in zijn latere brieven.
Voetnoten:
(10) Sommigen beweren, dat de brief aan de Hebreeën na het jaar 70 geschreven werd. Doch de Griekse tekst van Heb. 9:9 zegt dat de offers toen nog werden gebracht (« thusia prospherontai » = offers worden gebracht) en de dienst nog gepleegd (« ton latreuonta » = de dienende). Rotherham en F. Delitzsch vertalen: « sacrifices are offered »; Darby: « sont offerts »; de Canisius vertaling: « worden gebracht »; de Jeruzalem Bijbel: « on offre ». Ook de uitdrukking « niet ver van verdwijning » (Heb. 8:13) wijst erop, dat het « oude verbond » toen nog in voege was, namelijk dat het tijdperk der Handelingen nog niet voorbij was. Verder toont ook de aanhaling « want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten », in Heb. 10:37 (van Hab. 2:3, 4), dat Israël toen nog als Gods volk beschouwd werd, zich kon bekeren en de Messias kon komen.
(11) De meeste handschriften gebruiken de term « nieuw » niet in deze twee plaatsen. Er bestaat geen goede reden om h« et bloed van mijn verbond » te lezen, in plaats van « mijn bloed van het verbond ». De twee volgende schriftplaatsen bevestigen, dat men moet lezen « mijn bloed ».
(12) De Griekse tekst zegt niet dat de beker uitgegoten wordt, doch wel het bloed. Overigens wordt in de drie bovenstaande plaatsen hetzelfde werkwoord « ekchunô » gebruikt, dat « uitgieten » betekent en op een gewelddadige dood wijst. Sommige handschriften bevatten dit vers 20 niet, en ook niet het deel van vers 19, dat volgt op « mijn lichaam ». J. Jeremias in Abendmahlsworte Jesu, bl. 67 en volgende, meent dat de lange tekst de oorspronkelijke is.
(13) Alle handschriften bevatten deze woorden.
(14) Het Griekse woord « sunteleô » van Heb. 8:8, wordt in de St. V. weergegeven door « oprichten » en in de N.V. door « tot stand brengen ». Doch de betekenis wordt beter weergeven door « voleindigen » of « vervullen ». In Mark. 13:4 worden deze termen respectievelijk gebruikt door de St. V. en de N.V. In Rom. 9:28 wordt « sunteleô » vertaald door « voleindigen » en « volledig doen ». Het naamwoord « sunteleia » wordt steeds vertaald door « voleinding ».
5. De betekenis van de term « wet » (Top)
De Hebreeuwse term « thorah » wordt in de Septuagint en in de Griekse Schriften vertaald door « nomos », en deze beide worden in het Nederlands weergegeven door « Wet ». De betekenis die de Hebreeuwse Schriften hechten aan het woord « thorah » staat in verband met het begrip, dat Jahweh de ééne God is, Hij Die IS, en die zich dan ook noemt « lk BEN ». Hij alleen is de absolute Norm, en wat Hij spreekt tot Israël (door middel van Mozes) moet dit volk als norm aanvaarden. Die « Wet » betreft alle sferen van het leven: de verhouding tot God en de medemensen, de eredienst, het dagelijkse individuele, familie- en sociale leven. En vooral het bereiken van het doel dat God met Israël als natie heeft. Om een heilig volk te zijn, moet het naar Gods wil leven. De rechterlijke betekenis van « wet » is dus slechts een bijzondere.
De thorah heeft een positief aspekt, als er sprake is van de normen voor het denken en het handelen, en een negatief als het gaat over hetgeen men niet moet doen. Door de Wet werd Israël opgeleid om een heilig (d.i. tot God afgezonderd) en rechtvaardig volk te worden, en dan alle volken tot zegen te zijn. De Wet en de geboden werden gegeven om te onderwijzen (Ex. 24:12). Die betekenis van « onderwijs » vinden we ook b.v. in Spr. 1:8; 4:2 en 6:20, waar de term « thorah » gebruikt wordt voor de « onderwijzing » van vader en moeder.
De thorah werd dus aan Israël voorgesteld als Gods norm, en moest een absolute autoriteit hebben. De Israëliet moest naar de thorah luisteren, haar aanvaarden en gehoorzamen, door haar onderwezen worden. Hij moest de thorah beleven. Tenzij hij, zoals Adam, meende een absurde, zelfstandige positie te kunnen innemen t.o.v. de ééne God, Die IS.
Laat ons, bij dit kort overzicht, nog toevoegen dat de term « thorah » in de Hebreeuwse Schriften zowel gebruikt wordt voor het geheel, dat God als norm voor Israël heeft geopenbaard, als voor delen ervan, voor aanduidingen betreffende zeer concrete en bijzondere gevallen. Voor wat het geheel betreft, vinden we de uitdrukkingen « thorah van Mozes », « boek der thorah » of « boek der thorah van Mozes ». Zoals we hierna zullen zien, duidt de Griekse term « nomos » ook vaak de inhoudt aan van de vijf eerste boeken.
De « tien woorden », op de stenen tafelen geschreven, worden insgelijks als « thorah » aangeduid (Ex. 24:12) (15). Verder is er, in allerlei concrete gevallen van het leven van de Israëliet, sprake over « thorah »: er is b.v. een thorah voor het brandoffer (Lev. 6:9), voor de melaatse (Lev. 14:2), voor de jaloersheid (Num. 5:19), enz. Het is echter slechts bij uitzondering, dat het woord thorah in het meervoud gebruikt wordt, en dan nog omdat het voorkomt in verband met andere meervoudsvormen, zoals b.v. « de inzettingen en verordeningen en wetten » (Gen. 26:5; Ex. 16:28 enz.). Het « boek van de thorah van Mozes » moet men, inderdaad, niet in de eerste plaats beschouwen als een verzameling van « wetten ». Het geheel, evenals elk onderdeel, is de absolute norm van de ééne God.
We kunnen nu overgaan tot de Griekse term « nomos ». In de Griekse wereld was de algemene betekenis die van « norm » of « regel ». Deze laatste vooral in het geval waar het b.v. de gebeurtenissen in de natuur betreft, of menselijke gebruiken. Op rechtsgebied duidt « nomos » een « wet » aan.
In de Griekse Schriften blijkt « nomos » dezelfde betekenis te hebben, die « thorah » heeft in de Hebreeuwse Schriften. Dat « nomos » dikwijls de inhoud aanduidt van de vijf eerste boeken der Schrift, blijkt uit de uitdrukking « de Wet en de Profeten », of de meer volledige van Luk. 24:44: « de Wet van Mozes en de Profeten en de Psalmen ». Ook bij Paulus is dit meestal het geval. Zo spreekt hij in Rom. 2, in verband met de Joden, over het steunen op de Wet, het kennen van Gods wil, het onderricht van de Wet, de belichaming der kennis en der waarheid. Zie ook Rom. 7:7 en 13:8 — 10. In 1 Kor. 14:21 noemt hij zelfs « Wet », het geheel der Hebreeuwse Schriften, want hij zegt: « In de Wet staat geschreven: Door lieden ... » een aanhaling die men in Jes. 28:11, 12 vindt, dus buiten de vijf eerste boeken. Eigenlijk zegt Paulus door dit gebruik, dat de gehele « heilige Schrift » Gods norm is, door Hem ingegeven, evenals hij dat — op meer uitvoerige wijze — in 2 Tim. 3:16 doet. Ook in Joh. 10:34; 12:34 en 15:25 worden schriftdelen aangehaald buiten de vijf eerste boeken.
Elk deel van de algemene wet, wordt als goddelijke norm beschouwd, zowel een gebod, dat het minst belangrijk schijnt te zijn (Mat. 5:18, 19), als het meest belangrijke (Mat. 22:36). Niet alleen de Heere zegt dat de gehele thorah, met al hare inzettingen, tot in de kleinste details, van kracht blijft als norm voor de Jood (inbegrepen de Christen-Jood), doch Paulus leert dit, zoals we nader zullen onderzoeken in het volgende hoofdstuk. Waar de Apostel de nadruk op legt, is dat geen mens kan gerechtvaardigd worden voor God door, in eigen kracht, aan Gods eis te voldoen. In dit laatste geval, wat de regel was in Israël, is men als een slaaf onder de Wet. Doch alle Joden blijven « in de Wet », namelijk in de sfeer van de goddelijke norm (16).
Soms gebruikt Paulus de term « nomos » in overdrachtelijke zin, voor een zekere « regel »: « de wet der werken » en de « wet van geloof » (Rom. 3:27), de « wet der zonde » (Rom. 7:23, 26; 8:2).
Onze algemene conclusie is dus, dat zowel « thorah » als « nomos » de goddelijke norm aanduidt voor Israël, namelijk om dit volk te onderwijzen en te leiden tot zijn doel: een heilig volk, een koninkrijk van priesters te worden (Ex. 19:6). Door de Wet kende Israël Gods wil en kon onderscheiden de dingen die verschillen, namelijk het goede van het kwade (Rom. 2:18).
Waar we nu zowel de betekenis van de term « wet » als die van « beschikking » hebben nagegaan, kunnen we duidelijk inzien welk onderscheid er tussen deze twee termen bestaat. Een goddelijke beschikking is iets dat God besloten heeft dat zal geschieden. De beschikkingen met Abraham handelden over het bezit van het land en allerlei zegeningen. De Sinaïtische beschikking bestemde Israël tot een heilig volk en een koninklijk priesterdom. De nieuwe beschikking stelt Israël in staat het doel van zijn verkiezing uit te werken, ten bate van alle volken.
De Sinaïtische beschikking verwees naar de Wet, namelijk naar de wijze van leven waaraan het volk Israël moest voldoen om een heilig volk te worden. Het was, volgens Ex. 34:27, op grond van de thorah, dat de beschikking tot stand gebracht werd. Het verschil tussen de Sinaïtische beschikking en de Wet blijkt ook uit het feit, dat deze « oude » beschikking in de toekomst zal vervangen worden door de « nieuwe », doch dat de geboden en inzettingen der Wet — inbegrepen de offerdienst — geldig blijven. We zullen dit nader aantonen in het volgende hoofdstuk.
Voetnoten:
(15) De stenen tafelen, waarop de tien woorden geschreven waren, moesten in de ark gelegd worden (Deut. 10:2), terwijl het gehele wetboek er naast moest gelegd worden (Deut. 31:26). Dit « boek » bestond waarschijnlijk, zoals de meeste geschriften van die tijd, uit een aantal kleitafeltjes, waarop de karakters ingedrukt waren of uit harde steen waarin de karakters ingegrift waren. Het wetboek nam dus een grote ruimte in, en kon niet in de ark gelegd worden.
(16) Volgens de Griekse tekst, moet men in Rom. 2:12 en 3:19 niet lezen « onder de wet », doch « in de wet ». De Joden zijn niet vrij van de Wet, doch kunnen bevrijd worden van de vloek van de Wet (Gal. 3:13).
6. De geboden en inzettingen der wet blijven geldig voor de Joden ook onder het « nieuwe verbond » (Top)
Wie de Schrift neemt zoals ze ons gegeven is, moet aanvaarden, dat de Heere Jezus — die de Middelaar is van de nieuwe beschikking — er de nadruk op heeft gelegd, dat Hij geenszins gekomen is om de Wet of de Profeten te ontbinden, en dat, voor het vergaan van de hemel en de aarde (17), er absoluut geen (Griekse tekst: « ou mè », de sterkste negatie) enkele jota of tittel zal vergaan van de Wet. Om alle onzekerheid te vermijden, voegt Hij erbij: « Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen leert ... » (Mat. 5:17 — 19). Men ziet, dat de geboden en voorschriften der Wet niet wegvallen door de overgang van de oude tot de nieuwe beschikking (18).
Men heeft natuurlijk gewezen op de volgende verzen, waar men meent dat de Heere toch een tegenstelling maakt tussen de Wet en hetgeen Hij zelf zegt. Doch, indien er enig verschil is, dan niet in de zin, dat de tot Christus bekeerde Jood de voorschriften der Wet niet meer zou moeten houden. De geest van de geboden wordt nader toegelicht met het oog op de nabijheid van het koninkrijk. Mat. 5 begint met de « zaligsprekingen » betreffende het koninkrijk der hemelen en de tijd wanneer Israël, na zijn bekering, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom zal zijn. In het vijfde vers spreekt de Heere van de realisatie der oude belofte, volgens welke ze het land in bezit zouden krijgen.
Volgens Joh. 12:49, 50, sprak de Heere Jezus zoals de Vader Hem gezegd had. Die woorden konden onmogelijk in tegenstelling zijn met hetgeen de auteurs van de Hebreeuwse Schriften hadden geschreven — tot welke het Woord Gods reeds gekomen was (Joh. 10:35) — of met hetgeen de Heere had gesproken door middel van de profeten (Mat. 1:22; 2:15 enz.). Wel kon de Heere nu op de diepere geestelijke zin van de thorah wijzen.
Dat de geboden der Wet nog steeds van kracht blijven voor de Jood, blijkt ook uit Mat. 23:23, waar de Heere Jezus aan de Schriftgeleerden en de Farizeeën zegt, dat ze zowel de minder als de meer wichtige geboden moeten onderhouden. Hij stelde zich alleen tegen hun verkeerde interpretatie van sommige voorschriften.
Soms meent men in Joh. 1:17 een argument te vinden ten voordele van de stelling, dat de Wet van Mozes vervangen werd door de genade en de waarheid, die door de Heere Jezus gekomen is. Na hetgeen we in de vorige hoofdstukken gezien hebben aangaande het verschil tussen de oude en de nieuwe beschikking, is het echter duidelijk dat de Wet blijft, doch alleen kan gehouden worden door Gods genade. Door het offer van Christus kon Israël, na de bekering, deel hebben aan de gaven van Gods Geest, en de Wet in Gods kracht houden.
Misschien is het ook goed Joh. 13:34 aan te halen: « Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt ». Zoals ook uit Joh. 15:12, 13 blijkt, is het kenschetsende van dit gebod de vraag naar een liefde, die te vergelijken is met de liefde van de Heere zelf. In zekere zin is het geen nieuw gebod (1 Joh. 2:7; 2 Joh. 5), en toch is het nieuw (v. 8), in de zin, dat een grotere liefde gevraagd wordt dan men uit de letter der Wet zou kunnen afleiden.
In het boek der Handelingen vinden we talrijke plaatsen, die bevestigen, dat ook de Christen-Joden de voorschriften der Wet getrouw volgden. We stippen slechts een en ander aan (19).
In Hand. 6:6 lezen we dat de Apostelen de zeven mannen, die tot de « dagelijkse verzorging » gekozen werden, de handen oplegden, zoals in Num. 27:18 — 23 voorgeschreven voor dergelijke gevallen. Een tiental jaren na Pinksteren was Petrus nog zeer gehecht aan de wet der reinheid. Eerst na een driemaal herhaald gezicht en de tussenkomst van een engel (zoals op Sinaï) begreep Petrus, dat hij de voorschriften der Wet niet schond door in gemeenschap te treden met Cornelius. Want deze was door God rein verklaard (Hand. 11:9), omdat zijn hart gereinigd was door het geloof (Hand. 15:9).
Voor wat de vergadering van Hand. 15 betreft, (ongeveer 20 jaren na Pinksteren) is het duidelijk, dat het redetwisten aangaande de besnijdenis der niet-Joden geen zin zou gehad hebben indien de Apostelen (en de Christen-Joden in het algemeen) zelf de besnijdenis niet meer toepasten en zelf niet al de geboden en voorschriften der Wet hielden. Paulus verklaarde niet slechts met woorden dat hij « noch tegen de Wet der Joden, noch tegen de Tempel » iets misdreven had (Hand. 24:17 — 19; 25:8; 28:17), doch bewees door daden, dat er van alles, wat men van hem vertelde, namelijk, dat hij alle Joden onder de volken afval van Mozes leerde, niets waar was, en dat hij zelf ook medeging (stoicheis = getrouw volgen) in de onderhouding van de Wet (Hand. 21:17-26).
Men verwijst in dit verband naar 1 Kor. 9:20: « Ik ben de Joden geworden als een Jood ... hun die onder de Wet staan, als onder de Wet — hoewel persoonlijk niet onder de Wet ... ». Men heeft gezegd, dat Paulus zo weinig waarde hechtte aan de ceremoniën, dat hij ze kon onderhouden of niet. Doch, het gaat niet over de waarde der symbolen (deze hadden nooit waarde op zichzelf), doch over de vraag of de Christen-Joden die afbeeldingen van de hemelse dingen nog moesten waarnemen of niet. Voorzeker zou de handeling van de Apostel in Hand. 21 onbegrijpelijk zijn, indien hij niet wou bewijzen, dat het een valse beschuldiging was, als men beweerde, dat volgens hem de ceremoniën der Wet niet meer verplichtend waren voor de Joden, inbegrepen de Christen-Joden. Voor wat het « onder-de-Wet-zijn » betreft, zie hieronder onze aantekening bij Rom. 6:14.
Wat Paulus juist geleerd heeft aangaande de Wet, vinden we vooral in zijn brieven. Laat ons eerst samenvatten hetgeen Paulus zegt over het doel en het nut van de Wet. De Joden hebben het voorrecht dat hun de uitspraken Gods zijn toevertrouwd (Rom. 3:1). Door de Wet kennen ze Gods wil voor hen, zijn ze onderwezen, hebben de kennis en de waarheid (Rom. 2:18, 20). Hij, die de eisen der Wet volbrengt, zal gerechtvaardigd worden voor God (Rom. 2:13), zal door dezelve leven (Rom. 10:5; Gal. 3:12; Lev. 18:5). De besnijdenis is dus nuttig, indien men de Wet regelmatig doet (Rom. 2:25).
De Wet is heilig en goed; en het gebod is heilig, rechtvaardig en goed (Rom. 7:7, 12, 14, 16). Maar het is door de Wet, dat de zonde gekend wordt als zodanig (Rom. 7:7, 13). Zo is alle mond gestopt en de gehele wereld strafschuldig voor God (Rom. 3:19). Daar niemand in eigen kracht kan volbrengen hetgeen de Wet vraagt, kan niemand door de werken der Wet (in eigen kracht ondernomen) gerechtvaardigd worden (Rom. 3:20; Gal. 2:16).
De Wet is niet tegen de beloften Gods, doch de zonen van Israël waren onder de Wet in bewaring met het oog op het geloof. Ze was een « paidagogos », die hen, als kinderen, tot-in Christus zou leiden (Gal. 3:21 — 24). Paulus zegt vermaak te hebben in de Wet, naar de inwendige mens, d.w.z. van harte (Rom. 7:22), hij diende in nieuwigheid des geestes (Rom. 7:6).
We kunnen dit kort overzicht besluiten met de woorden van Rom. 3:31: « Doen wij dan de Wet te niet door het geloof? Dat zij verre. Maar wij bevestigen de Wet ». Nu moeten we de voornaamste schriftplaatsen onderzoeken, die als steun zouden kunnen dienen voor de gedachte, dat Paulus toch geleerd heeft dat de Wet te niet gedaan was door Christus. We citeren volgens de Statenvertaling. Rom. 3:21: « Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet ». Alles hangt af van de juiste betekenis van het woord « zonder », dat de vertaling is van het Griekse « chôris ». Indien de Schrift onze norm is, dan moeten we die betekenis uit de Schrift zelf leren. We vinden het woord « chôris » b.v. in Mat. 14:21: « waren omtrent vijf duizend mannen, zonder vrouwen en kinderen ». De vrouwen en kinderen waren er wel, doch waren niet begrepen in de 5000. Ook uit Rom. 3:28 leert men deze betekenis kennen: « door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet ». Er moeten « goede werken » zijn, doch het is niet door ze in eigen kracht te willen doen, dat we gerechtvaardigd worden.
Het is dus duidelijk, dat de term « chôris » niet de aanwezigheid van iets aanduidt, doch een zekere scheiding. Men moet dus verkiezen Rom. 3:21 volgens de Nieuwe Vertaling te lezen: « Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods geopenbaard geworden ». Rom. 6:14: « Want gij zijt niet onder de wet ». Dit stemt overeen met hetgeen Paulus zegt in Gal. 3:10: « Want zo velen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek ». Men is « onder » de wet, onder de vloek, als men Gods norm in eigen kracht wil houden. De wet moest door middel van de genade volbracht worden. De Jood bleef dan nog wel « in » de wet, d.i. in de sfeer der wet, doch was niet langer « onder » de wet, als een slaaf. Men lette erop, dat de Griekse tekst van Rom. 2:12 en 3:19 niet « hupo » (onder) gebruikt, doch wel « en » (in). De onbesnedenen waren niet « in » de Wet, doch konden zich « onder » de wet plaatsen, als ze door eigen werken poogden gerechtvaardigd te worden voor God. De Joden, tot Christus bekeerd of niet, bevinden zich steeds in de Wet.
Rom. 7:4 — 6: « Gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus ... Maar nu zijn we vrijgemaakt van de Wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren, alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter ». Zie ook Gal. 2:19. Paulus richt zich hier in het bijzonder tot « degenen, die de wet verstaan » (vers 1), namelijk de Christen-Joden. Ze zijn slaven der Wet, zolang ze uit eigen werken willen gerechtvaardigd worden; dan zijn ze nog « in het vlees » (v. 5). Doch door de dood van Christus is er verlossing, de eis der Wet kan in genade, door de kracht van Gods Geest vervuld worden (Rom. 8:2). Dan zijn ze vrijgemaakt van de Wet, in de zin dat ze vrij zijn van de vloek der Wet (Gal. 3:13), ze zijn geen slaven meer. De Christen-Joden konden alzo de geboden en inzettingen der Wet houden in « nieuwigheid des Geestes ».
Rom. 10:4: « Want het einde der wet is Christus ». Hier hebben we een uitdrukking, die men dikwijls als volkomen afdoende beschouwt om te beweren, dat de Wet afgeschaft is door het kruis. Doch het Griekse woord « telos » betekent niet « einde » in de zin van « ophouden », doch in die van « volbrenging », « doelbereiking ». Dit blijkt b.v. uit Mat. 26:58: « Petrus ... zat bij de dienaren om het einde te zien », en uit Rom. 6:21: « want het einde derzelve is de dood ». Nog duidelijker uit Jak. 5:11: « gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een ontfermer ».
In Rom. 10:3 is sprake van de Israëlieten, die hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten. Daarop volgt dan het vers 4, waar gezegd wordt, dat het doel der Wet was tot Christus te leiden « tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft » (Zie ook Gal. 3:21 — 24).
Gal. 3:19: « Zij (de Wet) is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was ». In hoofdstuk 3 hebben we reeds over deze schriftplaats gesproken. Het zaad waarover Paulus hier handelt, is in het bijzonder Christus. Bij de komst van dit Zaad, kan men natuurlijk aan de historische komst denken. Doch voor de zondaar komt het erop aan te geloven in Christus, Die het doel der Wet is. Het geloof is een persoonlijke zaak, en in geestelijke zin komt het Zaad, Christus, eerst tot een mens, als hij in Christus gelooft (en dan ook deel uitmaakt van het geestelijke zaad van Abraham). De Wet blijft dus nodig « om der overtredingen wil » voor alle Joden, die nog niet door de Wet tot Christus gekomen zijn, tot wie het Zaad nog niet persoonlijk gekomen is. Zolang er onbekeerde Joden leven, ook in de toekomende aioon, blijft de Wet nodig.
Gal. 3:27, 28: « Daarin is noch Jood noch Griek ». Als een man en een vrouw, door Gods genade tot het geloof in Christus komen, bestaat er — voor wat hun positie « in Christus » betreft — geen verschil tussen hen. Evenzo is er — voor wat de positie « in Christus » betreft — geen verschil tussen een Jood, die in Christus gelooft, en een « Griek ».
Doch, naar het leven op aarde blijft er natuurlijk verschil tussen man en vrouw, en dan ook tussen Jood en Griek. De Jood houdt niet op Jood te zijn, tot zijn volk te behoren en — in de tijden waar Israël als Gods bijzonder volk gerekend wordt — verplicht te zijn de geboden der Wet te houden. Al heeft de Wet ze tot Christus geleid en hebben ze zelf geen behoefte meer aan de schaduwen der Wet, toch moeten ze deze onderhouden ter wille van hun onbekeerde volksgenoten.
Gal. 4:10: « Gij onderhoudt dagen en maanden ... ». Het betreft hier niet het normale waarnemen der voorschriften, want het werkwoord « paratèreô » betekent « alle aandacht op iets vestigen » en wordt in de Griekse Schriften steeds in een ongunstige zin gebruikt (Mark. 3:2; Luk. 6:7; 14:1; 20:20; Hand. 9:24).
Als de ingegeven tekst spreekt over het houden der Wet, naar Gods wil, gebruikt hij het werkwoord « tèreô » (Mat. 23:3; 28:20) of « phulasso » (Mark. 10:20; 1 Tim. 5:21). De woorden van Gal. 4:10 zijn gericht tot hen die als slaaf willen dienen, denkende door menselijke voorschriften of door de werken der Wet gerechtvaardigd te kunnen worden (v. 9).
Soms meent men, dat Gal. 4:10 parallel loopt met Kol. 2:16, doch we zullen, in verband met Kol. 2:14, er de nadruk op leggen, dat het daar niet speciaal de Wet betreft, doch « leringen van mensen » (v. 22).
Gal. 5:1 — 11. Zij, van onder de volken, die zich lieten besnijden — en dus de gehele Wet moesten waarnemen — deden dat om op deze wijze gerechtvaardigd te worden. Dan was Christus hen van geen nut. Ze moesten niet als slaven onder de Wet worden, doch in de vrijheid staan.
Ef. 2:15 en Kol. 2:14. We vatten samen, hetgeen we in ons werkje « Moeten de christen-Joden de Wet nog onderhouden? » op meer uitvoerige wijze onderzocht hebben. De vraag is of « de wet der geboden » van Ef. 2:15 de Sinaïtische Wet is. Waar deze schriftplaats in verband staat met Kol. 2:14, zou dus het « cheirographon » (handschrift), waarover hier sprake is, ook diezelfde Wet moeten zijn. Doch Origenes heeft reeds doen opmerken, dat de betekenis van « cheirographon » hier « schuldbrief » is. In het apocriefe boek Tobias wordt die term in deze zin gebruikt (Tob. 5:3; 9:3), en de oud-Joodse literatuur handelt vaak over een dergelijke brief, die zich in Gods handen bevindt en waarop de balans staat van de goede en de boze daden van de Jood (20).
De Nieuwe Vertaling spreekt over de « inzettingen » (Grieks « dogma ») van een « bewijsstuk ». Doch de term « dogma » duidt een decreet of een bevel aan (Luk. 2:1; Hand. 16:4; 17:7), en wordt dan ook in de Septuagint gebruikt voor de decreten of bevelen van de koningen (Dan. 2:13; 3:10). Kol. 2:20 gebruikt het werkwoord « dogmatizomai » (geboden opleggen), doch vers 22 zegt, dat het « voorschriften en leringen van mensen » betreft. Uit de gehele brief aan de Kolossensen blijkt, dat Paulus niet speciaal tot « Judaïsten » spreekt, doch wel tot mensen die een wereldbeschouwing hadden, steunende op Joodse (Essenische), Gnostieke en « Christelijke » gedachten.
Ook de « wet der geboden, in inzettingen bestaande » van Ef. 2:15 betreft een « regel » (men kan hier denken aan de « Regel der Gemeenschap » van Qoemrân), bestaande in menselijke, vleselijke « dogma's ». Die menselijke « wet » was een product van de gezindheid van het vlees, en deze gezindheid is een vijandschap van de « natuurlijke » mens tegen God (Rom. 8:7). Een dergelijke mens is vijandig gezind (Kol. 1:21). Doch door het bloed van Christus is vrede gemaakt (Ef. 2:17; Kol. 1:20) en is de « tussenmuur, die scheiding maakte », de vijandschap, weggebroken (Ef. 2:14). Het gaat hier niet over een vijandschap of een tussenmuur tussen Jood en Griek, doch tussen God en de natuurlijke mens. De aanklagende « schuldbrief » van hen die nu « doden zijn ten opzichte van hun overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees » (Kol 2:13; Ef. 2:1; 5) (21) is uitgewist, weggenomen, aan het kruis genageld. De vijandschap is buiten werking gesteld, ja « gedood » (Ef. 2:14 — 16).
Het was verre van Paulus de « goede », « heilige » Wet, door engelen besteld, als « vijandschap » te beschouwen. Ze verwekte alleen vijandschap of « toorn » als de mens ze in eigen kracht wilde houden.
Voor ons is het dus duidelijk, dat er in Ef. 2:15 en Kol. 2:14 geen sprake is van het buiten werking stellen, uitwissen, wegdoen, aan het kruis nagelen, van de Wet die de Heere aan Mozes openbaarde. De menselijke « wet der inzettingen » kon ten dele steunen op de thorah, doch, in het gunstigste geval waren het slechts uitwendige voorschriften, die men in eigen kracht trachtte te houden. Men denke aan de woorden van de Heere in Jes. 29:13: « Omdat dit volk Mij slechts met woorden nadert en met zijn lippen eert, terwijl het zijn hart verre van Mij houdt, en hun ontzag voor Mij een aangeleerd gebod van mensen is ... ».
We kunnen nu overgaan tot een paar teksten uit de brief aan de Hebreeën. Heb. 7:18: « Want de vernietiging van het voorgaande gebod ». Zie ook Heb. 9:10: « alleen voor het vlees, tot op de tijd der volledige rechtstelling opgelegd ». De brief aan de Hebreeën handelt niet over het begin van de persoonlijke weg der behoudenis, maar over een meer gevorderde geestelijke positie van de christen. De schrijver gaat verder dan de beginselen van het woord van Christus, en nodigt uit tot de volmaking voort te varen (Heb. 6:1). De volmaaktheid wordt niet bereikt door het levitische priesterschap, het is Christus die de volmaakte Priester is. En, in verband met het volmaakte priesterschap, geschiedt er ook verandering der Wet (v. 12) en afschaffing van het voorgaande gebod (v. 18). Want dit laatste kon niet volmaken (Heb. 7:19; 9:9).
We hebben hiermede dus een schriftplaats gevonden, die spreekt over het afschaffen van de Wet van Mozes. Het komt er nu op aan na te gaan wanneer dit zal gebeuren. Dit leert ons Heb. 9:10: « inzettingen des vleses, tot op de tijd der herstelling opgelegd ». Wanneer is dat?
Het woord « herstelling » is de vertaling van « diorthosis » dat nergens anders voorkomt in de Griekse Schriften. « Orthos » betekent « recht », en het bijwoord « orthôs » « op rechte wijze » (zie b.v. Luk. 20:21). « Diorthôma » komt in sommige handschriften voor in Hand. 24:3 voor volkomen rechte maatregelen, die — naar het oordeel van de redenaar Tertullus — door Felix genomen waren. We mogen dus besluiten, dat « diorthôsis » een « volkomen rechtzetten » van alle dingen aanduidt. Wat de schrijver met dit volkomen rechtzetten bedoelt, wordt bepaald door Heb. 9:11, waar hij de volmaakte tabernakel stelt tegenover hetgeen tot de tegenwoordige schepping behoort. Deze tabernakel bestaat ook nu, doch bevindt zich « in de hemelen » (Heb. 8:1). Er komt echter een tijd waar deze tabernakel, met het Nieuwe Jeruzalem, uit de hemel zal nederdalen en bij de mensen zijn (Op. 21:2, 3). Dat is ten tijde van de nieuwe hemel en aarde, dus van de nieuwe schepping, na de toekomende aioon. Dan zal er geen tempel meer zijn (v. 22), noch zonde of dood. Alles zal volkomen recht zijn.
Het blijkt dus, dat de « vlesen » inzettingen slechts afgeschaft zullen worden aan het einde van de toekomende aioon, die van het koninkrijk op aarde, waarin Israël het doel van zijn verkiezing zal uitvoeren en alle volken in en met Abraham zullen gezegend worden. Men ziet dat dit de woorden van de Heere bevestigt, volgens welke er absoluut geen enkele jota noch letterteken zal verdwijnen zolang de tegenwoordige hemel en aard bestaan (Mat. 5:18).
Heb. 10:18: « Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde ». Inderdaad, er moet geen tweede werkelijke, afdoende offerande meer komen, zoals die des kruises. Deze geschiedde eens voor altijd. Doch de afbeelding van die offerande, die op zichzelf nooit waarde had, kan evengoed dienst doen ná het kruis als ervóór. Zie Ezech. hoofdstukken 40 — 45.
Dat deze tekst niet leert, dat er geen symbolische offeranden meer moeten geofferd worden, blijkt zeer duidelijk uit het feit, dat Heb. 10:5 — 7 een aanhaling is van Ps. 40:7 — 9. Toen deze Psalm geschreven werd, bestond de offerdienst volgens de goddelijke inzettingen der Wet.
Naar onze mening staat er niets in de brieven van Paulus, noch in die aan de Hebreeën, dat ons toelaat te veronderstellen, dat de Wet te niet gedaan is, of onwerkzaam gemaakt, door het kruis. De Christen-Joden moesten nog steeds al de geboden en inzettingen volgen. Ze waren echter geen slaven van de Wet, ze waren vrij van de vloek der Wet, omdat ze deze niet in eigen kracht hielden, doch door de genadige inwerking van Gods Geest. Voor de Joden, die — naar de oude mens — met Christus gekruisigd waren en aldus deel hadden aan de rechtvaardigheid van Christus, hadden de schaduwen der Wet hun doel bereikt. Eigenlijk waren ze reeds in de geest verplaatst in de hemelse sfeer, die door de massa eerst zal bereikt worden in de aioon van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarover Op. 21 handelt. Dan behoeven er geen schaduwen meer te bestaan en dan ook geen tempel, want God woont bij de mensen. Dit is de tijd der volkomen rechtzetting, waarover Heb. 9:10 spreekt. Doch, waar gedurende het tijdperk der Handelingen, die gerechtvaardigde Joden nog hun aardse bestaanswijze hadden, en leefden te midden van anderen, voor wie de Wet haar doel nog niet had bereikt, was het Gods wil, dat ze toch ook alle geboden en inzettingen zouden waarnemen, ter wille van die anderen.
De gedachte, waartegen Paulus gedurende zijn apostelschap heeft gestreden is dus zeker niet, dat de Wet niet meer van kracht was voor de Joden, doch wel dat geen mens uit de werken der Wet, in eigen kracht ondernomen, kan gerechtvaardigd worden voor God. Dit kan alleen, en om niet, door middel van het geloof en dank zij het offer van Christus.
We hebben in het bovenstaande alleen gesproken over de Wet in verband met de Joden, inbegrepen de Christen-Joden. De volken hebben de Wet niet (Rom. 2:14). De wetgeving is voor Israël, evenals de beschikkingen, de eredienst en de beloften (Rom. 9:4). Doch de basis waarop die Wet steunt, de liefde tot God en de medemens, het « recht » of de « eis » der Wet, moet in elke christen (Jood of niet-Jood), die naar de Geest wandelt, vervuld worden (Rom. 8:4). Het werk der Wet moet in hun harten geschreven zijn (Rom. 2:15). We zullen ons tot deze enkele opmerkingen beperken.
***
In dit hoofdstuk hebben we trachten aan te tonen, dat de Wet niet afgeschaft werd door Christus, en dat ze ook door de Christen-Joden moest waargenomen worden. Hetgeen de nieuwe beschikking aan Israël als volk beloofde, namelijk de Wet in hun binnenste te leggen en die op hun hart te schrijven, was reeds gerealiseerd voor de individuele Joden, na hun bekering tot Christus. Het was door Gods genade, door de kracht van zijn Geest, dat ze getrouw konden wandelen naar de gehele Wet.
Gedurende de gehele periode der Handelingen kon men nog verwachten dat Israël, als volk, zich zou bekeren. Doch, waar dit niet gebeurde, werd het tijdelijk terzijde gesteld. Eerst aan het einde van de tegenwoordige aioon, na de komst van de Anti-Christus en de grote verdrukking van Israël, zal het volk zich tot de Zoon des mensen keren en weer Gods bijzonder volk zijn. Dan wordt de nieuwe beschikking van kracht, kunnen ze voldoen aan Gods norm en worden een heilig volk. De thorah houdt dus niet op Gods norm te zijn op het ogenblik waar Israël ze kan houden.
In hoofdstuk 4 hebben we reeds naar enkele schriftplaatsen verwezen, die handelen over de bekering van Israël, hun bijeenvergadering in het beloofde land, het ontvangen van een nieuw hart en een nieuwe geest, en over de nieuwe tempel en offerdienst. Onder de eeuwenlange druk der traditie, volgens welke « de Kerk » Israël zou vervangen en de Wet zou afgeschaft zijn door Christus, kan men echter moeilijk aanvaarden, dat Israël, als volk en natie, in de toekomende aioon het doel van zijn verkiezing zal nakomen. En nog veel minder, dat er dan een tempeldienst met bloedige offers zal bestaan. We hebben hierover gehandeld in het vierde hoofdstuk van Koninkrijk en Kerk, en kunnen er hier slechts enkele woorden over zeggen.
Het is duidelijk, dat de schaduwoffers der Wet op zichzelf niet de minste waarde hebben. Het zijn slechts afbeeldingen van hemelse dingen, door de Heere gegeven aan Israël als tegemoetkoming aan de zwakheid van de natuurlijke mens, die de dingen van de geest niet rechtstreeks kan begrijpen. Welnu ook in de toekomende aioon — vooral in het begin — zullen velen die afbeeldingen nog nodig hebben. Voor hen zal de Wet, evenals in het verleden, haar dienst van « tuchtmeester » moeten volbrengen, om ze tot Christus te leiden. Het doel der Wet wordt slechts door het geloof bereikt, en het is eerst als dit persoonlijk geloof « gekomen » is, dat men niet meer onder die tuchtmeester staat (Gal. 3:24, 25). Voor hen die in Christus zullen geloven, is de Verlosser persoonlijk « gekomen en het offer volbracht. Doch, al kunnen ze persoonlijk de schaduwoffers ontberen, toch zullen ze — evenals het geval was in het tijdperk der » Handelingen — al de inzettingen der Wet nog moeten waarnemen ter wille van de anderen.
Maar, zal men zeggen, toegegeven dat er nog afbeeldingen nodig zijn, waarom dan geen mooie, indruk makende ceremoniën in plaats van de oude tempeldienst met zijn bloedige offers? De culturele vooruitgang van het mensdom laat zoiets niet meer toe.
Hierop kan men antwoorden, dat er waarschijnlijk niet veel van onze tegenwoordige beschaving zal overblijven na de gebeurtenissen waarover we in het boek Openbaring lezen. In het algemeen zullen de mensen zich in een toestand bevinden, die te vergelijken is met degene waaraan de Wet aangepast was. Het zal eerst aan het einde van de toekomende aioon zijn, dat de grote meerderheid van de Israëlieten en van de andere volken, als discipelen van Christus, tot de rechtvaardiging voor God zullen gekomen zijn en dat alle schaduwen kunnen verdwijnen. In de daarop volgende aioon, die van de nieuwe hemel en aarde, zal er dan ook geen tempel meer bestaan (Op. 21:22). Het doel van al de beschikkingen tot Abraham, zijn zaad, en tot Israël is dan bereikt.
Voetnoten:
(17) Het is pas na de toekomende aioon, dat de tegenwoordige hemel en aarde zal « vergaan », in de zin dat er een volkomen transformatie zal plaats hebben, die zal voeren tot de nieuwe hemel en aarde, waarover Op. 21 handelt. De inzettingen der Wet waren « eeuwig » (zie b.v. Ex. 31:16; Lev. 3:17; 6:18, enz.), d.w.z. ook voor de toekomende aioon.
(18) In verband met Mat. 5:17 — 19 kan het sommigen interesseren dat K. Barth zegt, dat men die schriftplaats rustig kan beschouwen, want, waar Paulus in 2 Kor. 3:4 — 18 zegt dat de bediening des Geestes overvloedig in heerlijkheid is, bestrijdt de Apostel niet — doch legt er juist de nadruk op — dat ook de bediening der letter heerlijkheid had. K. Barth wijst erop dat de geschreven Wet — zonder het werk van de Heilige Geest — wel tot de dood kan voeren, doch dat dit er niets aan verandert, en zelfs bewijst dat dit geschrevene het met goddelijke autoriteit voorgeschrevene is en blijft. We hebben zo goed mogelijk de woorden van de auteur weergegeven (zie Kirchliche Dogmatik I, 2, 571).
(19) Zie ook blz. 20 en volgende van Moeten de christen-Joden de Wet nog houden?
(20) Zie hierover Kommentar zum N.T. door Strack en Billerbeck, bij Kol. 2:14. Ook de eerste Exkurs.
(21) « Doden zijnde » is de letterlijke vertaling van « ontas nekrous », waar « doden » in het meervoud, en het werkwoord in de tegenwoordige tijd staan. De normale vertaling van « tois » is « ten opzichte van ». Een dergelijke uitdrukking vindt men in Rom. 6:2, 10, 11; 7:4; 1 Petr. 2:24.
7. Algemene samenvatting (Top)
De schriftuurlijke betekenis van de termen « berith » en « diathèkè » is « beschikking » als het gaat over de verhouding van God t.o.v. zijn schepselen. Er is dan geen sprake van een « verbond », zoals kan gesloten worden tussen mensen, doch van een eenzijdige beschikking, die de Heere tot stand brengt, waarbij het schepsel alleen in aanmerking komt als de mogelijke deelhebber aan hetgeen de beschikking belooft. Door te weerstaan aan Gods genade, kan het schepsel de beschikking niet verbreken of te niet doen, doch alleen de verwezenlijking ervan tijdelijk uitstellen.
Behalve in het geval met Noach, worden alle beschikkingen waarover de Schrift handelt, met de vaderen van Israël of met Israël zelf tot stand gebracht. De zegeningen, waarover de beschikkingen handelen, kunnen zich uitstrekken tot anderen, doch daarom mag men niet zeggen, dat God één of meerdere « verbonden » heeft « gesloten » met de volken of met « de Kerk », of dat de beloften tot hen rechtstreeks gericht waren. We hebben hierop gewezen in verband met de Abrahamitische, Sinaïtische en Nieuwe beschikkingen. Laat ons er in het kort op terugkomen.
In verband met de Abrahamitische beschikkingen, moet men goed acht geven op hetgeen de Schrift leert aangaande het « zaad » van Abraham. Het volkomen Zaad is Christus, de volkomen Mens. Door het geloof, dat hem tot gerechtigheid gerekend werd, had Abraham reeds een geestelijke gemeenschap met Christus, en alle Israëlieten en niet-Israëlieten, die tot dit geloof komen, delen in die gemeenschap. Al deze in-Christus-gelovigen zijn het geestelijke zaad van Abraham, terwijl alle nakomelingen van Abraham zijn « natuurlijk » zaad vormen.
Uit de Schrift blijkt, dat alle beschikkingen — die in verband staan met Abraham — tot stand gebracht worden, ofwel met Abraham zelf ofwel met Abraham en zijn natuurlijk zaad, voortkomende uit de lijn van Isaak en Jakob. Ook al de beloften werden gedaan aan Abraham en zijn natuurlijk zaad, Israël.
Deze beschikkingen en beloften betreffen vooral het bezitten van het land, dat zich uitstrekt van de rivier van Egypte tot de Eufraat. Die beloften zullen zich realiseren in de toekomende aioon, na de bekering van Israël, als volk en natie, en de wederkomst van Christus in heerlijkheid.
De beschikkingen die de Heere met Abraham tot stand gebracht heeft, en de beloften die aan hem gedaan werden, handelen ook over het geestelijke zaad. Het is in het bijzonder met dit laatste, dat alle volken der aarde zullen gezegend worden. Waar het de sfeer van de geest betreft, is de verwezenlijking niet gebonden aan tijd of plaats. Door de bijzondere boodschap van Paulus kwamen meerdere personen, uit Israël en uit de volken, tot de gerechtigheid voor God door het geloof en maakten dus deel uit van het geestelijke zaad. Doch, het zal vooral in de toekomende aioon zijn, dat velen tot dit geestelijke zaad zullen gerekend worden: vooreerst velen uit het natuurlijke zaad, Israël, vervolgens — door Israël — velen uit de volken.
Doch, we herhalen: al zullen de volken in geestelijke gemeenschap met Abraham en zijn zaad gezegend worden, toch mag men niet zeggen, dat de beschikkingen en beloften tot hen gericht waren.
Voor wat betreft de Sinaïtische beschikking met Israël, deze was geheel verschillend van de Abrahamitische. Israël zou een koninkrijk van priesters en een heilig volk worden, daartoe moest het weten aan welke goddelijke norm het moest voldoen. Van natuurlijk zaad moest het geestelijk zaad worden, zodat dan, door het « Israël Gods » de Abrahamitische zegeningen ook tot alle volken zouden kunnen komen. En, om als geestelijk zaad te worden gerekend, was er een geloof nodig, dat tot gerechtigheid kon gerekend worden. Voor Gods norm geplaatst, had Israël moeten bewust worden van zijn zondige toestand, zich tot God keren en dan tot het geloof in Christus komen. Dan eerst zou het Gods Wet in de kracht van de Heilige Geest kunnen houden.
De Sinaïtische beschikking wees op de noodzakelijkheid naar Gods norm te leven, doch gaf er de kracht niet toe, en de offers der Wet waren slechts schaduwen, die de zonden niet konden wegnemen. Er moest dus een betere beschikking komen, namelijk de Nieuwe Beschikking, waarover Jeremia gesproken heeft. Ze betreft hetzelfde volk Israël en heeft hetzelfde doel: Van Israël een heilige natie te maken, doch daarbij geeft ze het middel om tot dit doel te komen, namelijk doordat Gods Wet in hun binnenste zal gelegd worden en op hun hart geschreven. De nieuwe beschikking kan opgericht worden op grond van het bloed van Christus, doch zal eerst vervuld worden voor Israël na de bekering van dit volk, bij de wederkomst van Christus.
In de toekomende aioon worden de Israëlieten bijeenvergaderd uit de volken, bezitten het beloofde land en krijgen een nieuw hart en een nieuwe geest. Door het geloof, dat tot gerechtigheid gerekend wordt, maken ze dan deel uit van het geestelijke zaad van Abraham. Van « Israël naar het vlees » worden ze « Israël Gods ».
Ook na de wederkomst van Christus, als het Koninkrijk op aarde is opgericht, blijft de Wet (met zijn offerdienst) van kracht voor alle Israëlieten, of ze in Christus geloven of niet. Want de schaduwen der Wet, die noch in het verleden, noch in de toekomst op zichzelf niet de minste waarde hebben, blijven nuttig om velen tot Christus te leiden. De Israëlieten, die dan tot het geestelijke zaad behoren, zullen er voor zichzelf geen behoefte meer aan hebben, doch, waar ze nog op aarde leven, zullen ze zich moeten schikken naar de zichtbare, sociale en godsdienstige toestanden, en niet tot ergernis worden voor het natuurlijke zaad. De Wet, met al hare geboden en inzettingen blijft dus van kracht voor Israël, ook onder de nieuwe beschikking. Zij wordt slechts afgeschaft als haar doel voor de massa uit alle volken bereikt is, op het einde van de toekomende aioon.
Alle beschikkingen en beloften zijn van Israël (Rom. 9:4), namelijk de beschikkingen en beloften die in de Hebreeuwse Schriften vermeld worden en waaraan ook de Griekse Schriften herinneren. Doch, na de terzijde stelling van Israël, einde Handelingen, deed Paulus — door een bijzondere openbaring geïnformeerd — een belofte kennen, die tot alle volken gericht is. Al dagtekent ze van vóór Abraham, ja van vóór de aionische tijden, toch bleef ze geheim tot Paulus er over schreef in zijn laatste brieven. Die belofte « in Christus Jezus » betreft de volmaakte geestelijke gemeenschap met Christus, de vorming van de (onzichtbare) Gemeente, die het Lichaam is, en waarvan de Heere zelf het Hoofd is. Op persoonlijke wijze kan men reeds deel hebben aan de volmaaktheid in Christus, waartoe het mensdom eerst zal komen als God alles in allen zal zijn.
Alle beschikkingen en beloften hebben hun plaats in de verwezenlijking van Gods algemeen heilsplan en zijn aangepast aan de omstandigheden. Het volk Israël bekleedt een zeer bijzondere plaats in dit plan, ten opzichte van alle volken. Doch God laat zich niet tegenhouden door de onwil en het ongeloof der mensen. Ook buiten Israël om kan Gods genade tot haar recht komen en haar heerlijkheid geprezen worden.
Aanhangsel (Top)
Over het onderscheid tussen Gods ene heilsplan en Zijn verscheidene beschikkingen
We menen dat het wenselijk is een en ander te zeggen betreffende sommige traditionele opvattingen. In het algemeen heeft men vermeden de nadruk te leggen op de verscheidenheid van de beschikkingen Gods. Bij voorkeur spreekt men over een enkel algemeen « verbond », het « verbond der genade », het « pactum salutis », tussen God en de mens. Men is wel verplicht te handelen over het « oude verbond » en het « nieuwe verbond », doch men tracht ze toch zoveel mogelijk tot een enkel verbond te herleiden. Men zegt, dat, met het volbrachte werk van Christus, er een hogere « bedeling » kwam. De Hebreeuwse Schriften werden daarom aangeduid door de term « Oud Testament » en de Griekse Schriften door « Nieuw Testament ». Doch in wezen zouden beide over één algemeen verbond handelen, al is het ene meer « belofte » en het andere meer « vervulling ». Met het « nieuwe verbond » zouden de tijdelijke, beperkte, aardse, nationale, vormen wegvallen. Het symbolische Israël zou vervangen zijn door het ware, het geestelijke, Israël.
Men kent de klassieke stellingen van Calvijn in verband met de eenheid en de verscheidenheid van oud en nieuw Testament. In Boek II, hoofdstuk X, legt hij de nadruk op de overeenkomsten tussen beide en toont aan, dat de gelovigen van het oud Testament reeds verder zagen dan aardse zegeningen en acht gaven op het geestelijke en eeuwige leven (zie in het bijzonder paragraaf 23). Doch in hoofdstuk XI wijst hij ook op vijf verschillen:
|
1. |
aardse zegeningen als symbool van de hemelse; |
|
2. |
de symbolische ceremonieën der Wet hielden op nadat de werkelijkheid was gekomen door Christus' offer; |
|
3. |
de Wet, de « letter », zonder de kracht van de Heilige Geest, tegenover het Evangelie; |
|
4. |
de dienstbaarheid tegenover de vrijheid; |
|
5. |
het uitverkoren volk Israël vervangen door de Kerk. |
Waar men Gods ééne heilsplan identificeerde met een verondersteld ééne « Verbonds der heils » tussen God en de mens, moest dit ééne Verbond natuurlijk met Adam beginnen. Het bevel niet te eten van de boom der kennis van goed en kwaad, werd daarom als een « verbond » beschouwd. Doch men stond dan voor de moeilijkheid, dat de Schrift niet uitdrukkelijk spreekt over een verbond met Adam. Dit had toch zeker het geval moeten geweest zijn indien dit zo belangrijke algemene Verbond met Adam was begonnen. Men heeft wel verwezen naar Hos. 6:7: « Maar zij hebben als Adam het verbond overtreden », doch er wordt algemeen erkend, dat deze vertaling zeer onzeker is. « Adam » kan hier een stad aanduiden (zie b.v. de vertaling van Obbink en hetgeen H. Bavinck hierover schreef in Ger. Dogm. II, 526). De oude belijdenisschriften hebben dan ook niet gewaagd over een dergelijk verbond met Adam te spreken. Waar Heb. 9:18 ons zegt, dat een verbond nooit zonder bloed wordt ingewijd, zou men ook in Gen. 2 hierover iets moeten horen; doch van offers is alleen sprake ná de zonde.
Doch er is méér. Als men goed begrepen heeft, dat de term « berith », als het een beschikking Gods betreft, een beslissing is, die noodzakelijk in vervulling moet gaan (desnoods — zoals bij de meeste beschikkingen — in de verre toekomst), en een belofte omvat, dan bemerkt men dat er bij Adam van iets geheel anders sprake is. Inderdaad, het gaat hier over een gebod, met verwittiging van hetgeen zou gebeuren indien dit gebod niet zou nagekomen worden. Waar men dan ook bemerkt heeft, dat het veronderstelde « verbond » met Adam een geheel verschillend karakter had dan de latere beschikkingen, heeft men van een « werkverbond » gesproken, waarvan de vervulling zou afhangen van de mens. Doch, tenzij men aan een wederzijds verbond denkt, of aan een menselijke verbintenis, zoals die van Israël in Ex. 24:3, 7, spreekt die term « werkverbond » zichzelf tegen. Inderdaad, een berith Gods kan niet afhangen van de mens, voor wat betreft de eindvervulling.
Deze moeilijkheid, in verband met Adam, zou reeds voldoende moeten geweest zijn om beter acht te geven op het goed onderscheiden van dingen die verschillen. Natuurlijk spreekt de Schrift — ook voor wat betreft Adam — over het ééne en algemene plan des heils. Doch voor dit plan gebruikt Gods geschreven Woord niet de term « berith ». Het is voor de verwezenlijking van dit voornemen in de loop der tijden, dat God verschillende beschikkingen tot stand brengt, en deze beschikkingen betreffen bepaalde personen of groepen, en zijn aangepast aan de omstandigheden. Geleidelijk voeren ze tot de eindvervulling. Indien men die verschillende beschikkingen Gods niet duidelijk onderscheidt van het algemene heilsplan, dan kan er slechts verwarring en strijd uit voortkomen. Dan blijft men ook bij de onschriftuurlijke gedachten, dat Israël vervangen werd door de Kerk, dat de Wet door Christus is afgeschaft en dat het « nieuwe verbond » met Israël door de Kerk mag geannexeerd worden.
Zoals reeds gezegd in de Inleiding, is er sinds de laatste wereldoorlog in kerkelijke kringen een wending gekomen in de gedachten betreffende de toekomst van het volk Israël. Men ziet in, dat men niet op de Schrift kan steunen om te beweren, dat de Kerk Israël vervangt. Men vindt hiervan reeds sporen in Fundamenten en Perspectieven van Belijden, opgesteld door de Synode der Nederl. Herv. Kerk (1949). Er wordt echter niet op zeer duidelijke wijze over die toekomst gesproken. Enerzijds meent men — in navolging van K. Barth — dat Israël slechts een teken en spiegel is van de onwil en onmacht aller mensen om uit Gods gezag en genade te leven, en heeft dit volk « de belofte niet verkregen » waartoe het uitverkoren en geroepen was (blz. 20, 21). De schriftplaats 1 Petr. 2:9 (gericht tot de Christen-Joodse diaspora!) wordt dan op de « gemeente » toegepast (blz. 32), alhoewel een gemeente uit de volken zeker geen natie kan genoemd worden. Anderzijds lezen we in dit geschrift, dat Israël slechts tijdelijk verworpen werd, en het voortbestaan van dit volk een teken is van Israëls uiteindelijke wederaanneming (blz. 37).
De « Raad voor de verhouding van Kerk en Israël » heeft zich sindsdien veel beziggehouden met dit vraagstuk, zoals blijkt uit de artikelen die verschenen in het maandblad Kerk en Israël, en in het bijzonder uit de studie Israël en de Kerk, in 1959 uitgegeven door het Lectuurbureau der Nederl. Herv. Kerk.
Laat ons enkele delen van dit laatste geschrift aanhalen en op vriendelijke wijze kritiseren, naar aanleiding van ons voorliggend onderzoek.
|
1. |
Het is opvallend, dat men het nodig heeft geacht een definitie te geven van de namen « Israël », « Joden » en « Joodse volk », doch niet van de termen « berith » en « diathèkè ». Op blz. 4 is er plotseling sprake van « het verbond Gods », als iets dat zo goed gekend wordt, dat het geen toelichting behoeft. |
|
2. |
Op blz. 8 begint een paragraaf over « Het Verbond », en wordt er verwezen naar het Sinaïtische verbond van Ex. 19. Dan volgt hierop onmiddellijk: « Hij maakte dat verbond reeds met Abraham », met verwijzing naar Gen. 12:2. Blijkbaar heeft men geen acht gegeven op Deut. 5:2, 3, waar staat, dat het verbond gesloten op Horeb niet gesloten werd met de vaderen. |
|
3. |
Op blz. 9 staat, dat « het verbond », dat de Heere sluit met het Joodse volk, een zeer apart karakter heeft, en zulk een verbond niet gesloten wordt met enig ander volk. Op. blz. 12 wordt erin toegestemd, dat het « nieuwe verbond » gesloten wordt met hetzelfde volk, als waarmee het « oude verbond » gesloten werd. Beide verbonden bezitten dezelfde thora. Zeer goed, maar waarom schijnt men er zich in het vervolg niet aan te houden? |
|
4. |
Na erop gewezen te hebben, dat het « nieuwe verbond » niet de schrapping van het « oude verbond » betekent, besluit men op blz. 15: « Het verbond met Abraham wordt dus niet opgeheven ». Hier wordt de Sinaïtische beschikking verward met een der Abramitische. |
|
5. |
Volgens blz. 17 en 18 is er slechts een tijdelijke verwerping van Israël. Zo ook in aanmerking 1. Men schijnt dus werkelijk te geloven in een nationaal herstel. Zeer goed, maar dan moet men zeer ernstig hiermee rekening houden. |
|
6. |
Op blz. 19 staat dat de volkeren bij Israël ingelijfd worden en zij krijgen de naam van « Zions kinderen ». Hiervoor wordt verwezen naar Ps. 87. Men weet, dat — vanaf de eerste eeuwen, toen men beweerde dat de Kerk Israël verving — « Sion » symbolisch werd opgevat voor « de Kerk » en men die Psalm dan ook vertaalde, alsof Sion de « moeder » was van alle volken. Doch men zie de vertaling van M. Buber, waar een tegenstelling gemaakt wordt tussen Sion (namelijk Jeruzalem, dat de Heere lief heeft boven de andere steden van Jakob), waartoe alle Israëlieten in zekere zin behoren, en allerlei andere plaatsen, waar de volken geboren worden. In de Hebreeuwse Schriften is Sion steeds de stad Jeruzalem.
Verder wordt gezegd, dat de volken geënt worden op de oude olijfboom, en hieruit het besluit: « De Gemeente van Jezus Christus is daarom als de rechtstreekse voorzetting en de vervulling van het oude Israël zó direct met Israël verbonden, dat haar naam in het nieuwe testament een woordelijke vertaling is van de naam, die Israël in het oude testament droeg (qahal = ekklesia). Deze naam duidt aan de vergadering van al degenen, die geroepen zijn door het Woord van God om één geheel te vormen in zijn verbond ». Verder: « De Gemeente van Jezus Christus is dus gevormd uit Israël en « gojim » ».
In hoofdstuk 4 hebben we trachten aan te tonen, dat men een dergelijk conclusie niet mag trekken uit hetgeen Paulus zegt over de olijf. Doch, hoe ook, hier staat men — onder meer — voor de grote moeilijkheid, dat men met « Israël » niet bedoelt de groep samengesteld uit individuele Joden, die zich tot Christus bekeren, doch Israël als volk en natie, met familie-samenhang. Hoe kan een « vergadering van al degenen, die geroepen zijn door het Woord » bestaan uit een wel bepaalde natie, èn uit individuen uit alle volken? Men moet dan ook erkennen, dat Israël (als volk en natie) voort bestaat naast de Kerk, en dat hiervoor geen bevredigende verklaring kan gegeven worden.
K. Barth heeft er de nadruk op gelegd, dat de christelijke Gemeente geen « natuurlijk » volk is, met familie-samenhang, zoals het volk van Israël. Daarom kan, volgens hem, de christelijke Gemeente niet bestaan uit Israël (als volk en natie) en uit een « volk » (uit alle natiën) zonder familie-samenhang. Hij moet dus tot het besluit komen dat Israël, als natuurlijk volk, zijn opdracht vervuld heeft, en er aan zijn leden slechts overblijft zich individueel te voegen bij het « volk » van Christus (Kirch. Dogm. III, 2, 711).
Waar men niet duidelijk onderscheidt wat de Schrift leert over de verschillende ekklèsiai (die echter toch samen één Ekklèsia vormen), komt men natuurlijk tot een onoplosbaar probleem. |
|
7. |
Nog een kleine opmerking aangaande aantekening 9, waar gezegd wordt dat Petrus, in 1 Petr. 2:9, de titels van Israël (« een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom ») uitdrukkelijk aan de Gemeente toekent. Doch Petrus was een der twaalf Apostelen der besnijdenis, wiens taak in « de wedergeboorte » zal zijn (ná de opstanding) de 12 stammen Israëls te richten (Mat. 19:28). In zijn beide brieven richt Petrus zich tot de Christen-Joden der diaspora, en niet tot Christenen uit de volken. |
Na deze opmerkingen houden we er aan te verklaren, dat — niettegenstaande onze kritische houding — wij die studie over Israël en de Kerk zeer op prijs stellen, want ze getuigt van een begeerte minder op oude menselijke overlevering te steunen, dan op de Schrift zelf.
Doch juist deze studie toont aan hoe nodig het is een groot deel van de theologie op radicale wijze te herzien, vooral voor wat betreft de begrippen « Gemeente », « verbond », « Gods rijk » en de studie der profetie en der eschatologie in het algemeen. Menige nog gangbare begrippen tonen de invloed van de oude opvatting, volgens welke de Kerk Israël vervangt. Zodra men inziet, dat die basis niet schriftuurlijk is, wordt het noodzakelijk het gehele gebouw op grondige wijze te herzien. Zolang men hiertoe niet gekomen is, zal men blijven redetwisten en kan men onmogelijk een duidelijk inzicht hebben aangaande de toekomst van Israël en de verhouding van Kerk en Israël.
|