Het Voornemen der Eeuwen  en de  Gemeente der Verborgenheid door Aristarkos

Inhoud:
Voorwoord
Inleiding
Het Voornemen Der Eeuwen
2. De Verwoesting der Aarde.
3. Het maken der tegenwoordige hemelen en aarde
4. De eerste stappen tot het verwezenlijken van het koninkrijk.
5. Satans tegenstand, de verzoeking en de val.
6. Het beloofde zaad.
7. De zondvloed.
8. Het verbond met noach.
9. Babel, de verstrooiing der volken.
10. Abraham — Izaak — Jakob — Mozes
11. De wet — Het oude verbond.
12. david — het koningschap.
13. Salomo — Het koninkrijk afgeschaduwd — Het koninkrijk uitgesteld.
14. Wat god sprak door middel
der profeten.
J e s a j a.
J e r e m i a.
E z e c h i ë l.
D a n i ë l
H e t g e e n D a n i ë l z a g
H o s e a
J o ë l
A m o s
J o n a
M i c h a
H a b a k u k
H a g g a ï
Z a c h a r i a
M a l e a c h i
15. In afwachting van de Messias
16. De aankondiging en verwerping van de koning en het koninkrijk voor het kruis
M a t t h e u s
M a r k u s
L u k a s
J o h a n n e s
17. De aankondiging en verwerping van het koninkrijk na het kruis
D e H a n d e l i n g e n d e r A p o s t e l e n
Eerste samenvatting betreffende de verwerping van het koninkrijk gedurende de tijd der handelingen
D e B r i e v e n v a n P a u l u s g e s c h r e v e n v ó ó r H a n d. 28:28
R o m e i n e n
1 K o r i n t h e
2 K o r i n t h e
G a l a t e n
1 T h e s s a l o n i c e n s e n
2 T h e s s a l o n i c e n s e n
H e b r e ë n
Tweede samenvatting betreffende de verwerping van het koninkrijk gedurende de tijd der handelingen.
18. De openbaring der gemeente der verborgenheid
D e b r i e v e n v a n P a u l u s g e s c h r e v e n n a H a n d. 28:28.
E f e z e
F i l i p p e n s e n
K o l o s s e n s e n
Samenvatting betreffende de gemeente der verborgenheid
19. — Na de gemeente der verborgendheid
20. — Het koninkrijk der hemelen
21. — Na het duizendjarig koninkrijk
22. De nieuwe hemelen en aarde
Slotwoord
Aanhangsel

Het is een groot voorrecht de Bijbel te bezitten en te geloven dat hij geheel door God is ingegeven. Maar het is natuurlijk daarbij nodig die Schrift te onderzoeken en kennis te nemen van hetgeen God ons te zeggen heeft. Vooral onder de « protestanten » zijn er velen die een geheel onlogische positie innemen: officieel erkennen zij alleen Gods Woord, maar in werkelijkheid nemen zij in vele gevallen de gedachten over, die andere mensen over de Bijbel hebben, zonder ze zelf aan de waarheid te toetsen. Daar die gedachten dikwijls verre van juist zijn, kan een dergelijke wijze van doen, gedurende enige geslachten herhaald, alleen verder en verder van de waarheid afleiden. Een voortdurend onderzoek van Gods Woord zou integendeel het afgeweken « Christendom » gaandeweg terug tot de waarheid brengen.
Overlevering vindt men dan ook overal, vooreerst in de Roomse Kerk, waar zij openlijk de eerste plaats bekleedt, maar ook in de protestantse Kerken en sekten. Het is maar een kwestie van graad.
Het is geen kleine zaak als men wil vrij gemaakt worden van alle menselijke of demonische gedachten. EIk ogenblik moet men er op letten niets te geloven van hetgeen men hoort of leest, maar het alleen aan te zien als een aanleiding om te onderzoeken uit Gods Woord of de uitgedrukte gedachte juist is. Zelfs al komt het van « kerkvaders », van de meest heilige mensen, van de grootste geleerden, het zijn allen mensen wier natuurlijke neiging is te dwalen en die hierin door Satan geholpen worden. Men moet dan letterlijk het 7e artikel der gereformeerde geloofsbelijdenis volgen, dat onder meer zegt: « Men mag ook gener mensenschriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods, (want de waarheid is boven alles,) noch de grote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten; want alle mensen zijn uit zichzelven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve. »
Ieder kan een dergelijk onderzoek natuurlijk niet in dezelfde mate instellen; ieder is voor zichzelve verantwoordelijk tegenover God in deze zaak. Ook kan dit onderzoek slechts geleidelijk uitgevoerd worden. Sommige dingen moet men soms wel voorlopig aannemen, maar als men steeds het doel voor ogen houdt komt men in betrekkelijk korten tijd tot de waarheid. Want deze, dus Gods Woord, is op zichzelve niet moeilijk te begrijpen; het zijn juist de menselijke of de demonische gedachten die in de weg liggen en waarmede men last heeft.
Behalve de inspanning, die voor een dergelijk onderzoek gevorderd wordt, zijn er zeker heel wat hinderpalen op de weg. Het is een strijd « tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht » (Ef. 6:12). Het hoofddoel van Satan, de god dezer eeuw, is een perfecte wereld zonder Christus. Om tot dit onbereikbare doel te komen moet de waarheid bedekt, Gods Woord weggenomen worden. Kan het Boek niet verwijderd of weggekritiseerd worden, dan heeft hij nog vele andere middelen aan allerlei omstandigheden aangepast: de Waarheid wordt vermengd met demonische gedachten; aan sommige dingen wordt veel meer belang toegekend dan aan andere die er evenwicht mee zouden moeten maken; tijden of dingen, die van elkander gescheiden zijn worden met elkander vermengd enz. Een der listigste omleidingen is de gehelen Bijbel te doen aanzien als zijnde rechtstreeks tot alle mensen gericht. Alzo past men dan toe op een lid der Gemeente, wat b.v. tot een jood onder de Wet gezegd was. Op deze wijze kan men uit de Bijbel bijna alles halen wat men wil: men kiest ergens een tekst en past hem in de blinde toe.
Bij een ernstig onderzoek is een vooropgezette mening, hetzij ze van ons zelve of van een ander wezen komt, natuurlijk een onoverkomelijke hinderpaal: men wil dan eigenlijk de Bijbel slechts gebruiken om zo goed mogelijk die mening te staven.
Ook andere moeilijkheden komt men tegen. Velen zullen een onderzoeker, die deze richting volgt, van hoogmoed beschuldigen: denkt hij niet wijzer te zijn dan al die grote mannen, die deze zaken reeds vroeger zorgvuldig hebben nagezien? De waarheid wordt echter niet voorbehouden aan de wijste, maar wel aan ieder gelovige die zich geheel oprecht door de Heiligen Geest wil laten voorlichten en de dingen geestelijk onderscheidt 1 Kor. 2:13-15; Ef. 1:17, 18). Er is geen verdienste aan iets beter te weten, als die wetenschap eenvoudig het gevolg is van het geloof in alles, wat God zegt en alle hoogmoed in deze zou, zoals in alle andere gevallen, geheel misplaatst, ja juist weer een hindernis zijn om de waarheid te kennen.
Vooral ten opzichte van de Bijbel heeft het verkrijgen van kennis zeer belangrijke gevolgen: het scheidt ons meer en meer af van het grote leugen systeem der wereld 1, van de mensen, ja zelfs van vele gelovigen. Dit laatste zou de toestand zeer pijnlijk maken, indien wij daarentegen niet in zeer innige gemeenschap met God waren. Die gemeenschap, die bijzondere positie van de leden der Gemeente ontgaat velen uit gebrek aan geloof in en kennis van Gods Woord.
Van de schrijver dezer studie zal zeker gezegd worden dat hij « te ver » gaat. Inderdaad wijken onze gevolgtrekkingen soms zeer af van algemeen aangenomen gedachten. In dien zin gaan wij zeer ver. Maar het komt er op aan te zien of wij verder gaan dan de waarheid. EIke terechtwijzing in dien zin zal met vreugde ontvangen worden, want het is in werkelijkheid een groot genoegen en een reden tot dankzegging als men eigen dwaling inziet en kan opgeven.
Dit boek is het resultaat van jarenlange studie, een voortdurende worsteling tegen de gedachten, die door 2000 jaar overlevering op de weg der waarheid gelegd zijn. Sinds het Nieuwe Testament geschreven is, werden de meeste door God, door middel der nieuw-testamentische apostelen en profeten, geopenbaarde waarheden geleidelijk bedolven onder menselijke en demonische gedachten en overleveringen. Als men de geschiedenis van het zogenaamde « Christendom » nagaat, bemerkt men hoe nu en dan een dezer waarheden terug gevonden wordt of ten minste tijdelijk weer de aandacht trekt.
Noemen wij alleen: de rechtvaardigmaking door middel van het geloof alleen en de tweede komst van Christus. Maar nog liggen er vele schatten begraven, die bij ontdekking ook zijdelings heel wat licht verspreiden 1.
Tussen bijbelonderzoek en natuuronderzoek bestaat veel overeenkomst en veel verschil. Het gebied is natuurlijk verschillend: in het eerste geval heeft men de geestelijke dingen, die ons door God worden medegedeeld; in het tweede geval is het Gods stoffelijke schepping. Bij het natuuronderzoek kan men onderscheiden hetgeen de mens met zijn natuurlijke middelen kan te weten komen (de feiten) en hetgeen hij zelf uitdenkt om zijn gebrek aan « wetenschap » aan te vullen (de stelsels). Wat men meestal « wetenschap » noemt is een mengsel dezer twee. Terloops kunnen wij opmerken, dat de feiten steeds de Bijbel bevestigd hebben en dat alleen de tijdelijke stelsels soms in tegenspraak waren met Gods Woord. De mens weet niet genoeg om iets ernstigs tegen dit Boek in te brengen.
Bij het bijbelonderzoek kunnen wij onderscheiden hetgeen de mens (de ware gelovige, die opnieuw geboren is) door zijn bovennatuurlijke middelen (zijn nieuw hart) waarlijk weet (epignosis), en wij zouden dit ook de « feiten » kunnen noemen, en hetgeen hij er met zijn natuurlijk verstand bijvoegt of inwerkt (de stelsels). EIke ernstige onderzoeker zal erkennen dat zijn kennis niet volmaakt is, dat tenslotte, hetgeen hij over de Bijbel zegt met eigen gedachten vermengd is. Het komt er op aan die kennis zoveel mogelijk te zuiveren en alleen de « epignosis » (Kol. 1:9-11; 2:2 enz. zie aantekeningen) over te houden.
In bijbelonderzoek is dan ook een zekere ontwikkeling, omdat het onderzoek van een mens dat van een tweeden kan helpen, juist zoals bij het natuuronderzoek. Nu ligt hier tevens een groot gevaar. De latere onderzoekers zullen veelal geneigd zijn op een stelsel voort te bouwen en niet op de feiten. Zij kunnen, in plaats van de kennis die vroeger verkregen is te zuiveren door steeds naar Gods Woord terug te gaan, het stelsel zelf meer afwerken en daardoor nog verder van de waarheid afwijken. Bij het natuuronderzoek komt dit ook voor, maar in veel mindere mate. Waarom? Omdat Satan het natuuronderzoek bevordert en het bijbelonderzoek belemmert. Zijn hoofddoel is Gods plan tegen te werken en zelf een model-mensdom op te richten zonder levenden Christus. Zijn grootste hindernis is Gods Woord, dat Gods plan beschrijft en Satan ontmaskert.
Terwijl de natuuronderzoekers dan ook altijd weer tot de basis: de natuur, teruggaan en de leer steeds nazien en op de hoogte houden, door bijna universele medewerking, vinden wij bij het bijbelonderzoek het tegenovergestelde. De meesten gaan terug naar de leer van hun kerk of kring en verwijzen slechts in geringe mate naar de Bijbel. Nadat een kerk of sekte zich gevormd heeft, blijft zij met alle kracht aan haar standpunt vasthouden en veroordeelt dikwijls allen, die er niet geheel mee overeenstemmen. De Bijbel, en vooral een nauwkeurig onderzoek, wordt dan een gevaar. Want zij zouden misschien verplicht zijn afstand te doen van hetgeen zij vroeger leerden. Hun stelsel dat, als het naar zijn waarde geschat zou worden, tijdelijk kon helpen, wordt voor hen een hindernis om tot de volle waarheid te komen. O! of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid, en zij wederom ontwaken mochten uit de strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijnen wil!
Het natuuronderzoek, vooral dat der laatste jaren, is meestal moeilijk, en kan niet door ieder ondernomen worden, omdat er dikwijls allerlei boeken, tijdschriften toestellen en grote laboratoria voor nodig zijn. En toch is de vooruitgang steeds geweldiger. Het bijbelonderzoek staat voor alle gelovigen open: een Bijbel is voldoende, een concordantie is zeer nuttig, andere boeken kunnen tijdelijk helpen; doch bovenal helpt de Heilige Geest allen, die de waarheid lief hebben. Gods Woord is overigens grotendeels niet moeilijk te begrijpen op zich zelve, maar... de mensen hebben het moeilijk gemaakt omdat hun stelsels allerwege zó ontwikkeld worden, dat zij de eenvoudige waarheid zeer belemmeren. De meest eenvoudige gelovige, die oprecht naar de ware kennis (« epignosis ») verlangt, zal ze van God krijgen.
Wil men de Bijbel onderzoeken, dan hechte men dus geen waarde aan menselijke gedachten (vooral niet aan onze eigen gedachten), aan menselijke stelsels of leringen. Men beschouwe ze hoogstens als een tijdelijke hulp om dichter bij de waarheid te komen, als een aanleiding tot onderzoek. Men begint dus die studie in Gods kracht, zonder vrees voor de gevolgen. Men gaat voort in het geloof, zoals Abraham (Heb. 11:8), zonder zich te bekommeren waar men komen zal. Deze gevolgen zijn wel in een zekeren zin ernstig: de meeste mensen zullen zich van ons afkeren, zoals dit ook met Paulus het geval was (2 Tim. 1:15); dingen die ons vroeger tot zegen geweest zijn zullen wij nu nalaten; verdrukking en lijden staan ons te wachten. Natuurlijk! want Satan is de God dezer eeuw en richt zich tegen ons. Maar daarentegen vinden wij er de grootste heerlijkheid die alle verstand te boven gaat en ruimschoots al het overige vergoedt. Men is wel eens bevreesd iets te zullen verliezen als men de Bijbel aldus onderzoekt. Het hangt er maar van af waaraan men waarde hecht. Verlangt men naar de waarheid dan zal men vroegere dingen verliezen, maar meer waarheid ontvangen en boven alles God kunnen verheerlijken en Zijne genade prijzen zoals het behoort. Zovelen hebben een ijver voor God... maar niet met verstand (Rom. 10:2).
2 Tim. 2:14-26 is zeer belangrijk met betrekking tot bijbelonderzoek: geen woordenstrijd, zich Gode beproefd voorstellen, het woord der waarheid recht te snijden, niet twisten, met zachtmoedigheid onderwijzen.
De schrijver is geheel bewust van het onvolmaakte van dit beknopt onderzoek en hoopt dat de lezer hierin zal voorzien door verdere studie onder de leiding Gods. Bij de studie van Gods Woord kan men geweldig onder de indruk komen van de volmaaktheid van die Schrift en van eigen zwakheid.
De Heeren Beoordelaars van dit werkje worden vriendelijk verzocht niet een deel hier en daar op te slaan of afzonderlijk te vermelden. Want dan zouden zij niet de gehele gedachte uitgedrukt vinden, of niet alle gronden inzien, waarop een conclusie steunt en tot valse gevolgtrekkingen komen. Een eerlijke beoordeling kan alleen gegeven worden na een zeer ernstig onderzoek.
De schrijvers, die ons in deze studie het meest geholpen hebben zijn:
E. W. Bullinger. Vooral de latere geschriften. Te bekomen bij Miss Dodson, North End, 17 Golders Green, London, N. W. 11.
Sir Robert Anderson, Pickering & Inglis, Paternoster Row, 14, London.
C. H. Welch. Zijn werken en het maandschrift « The Berean Expositor » te bekomen bij F. P. Brininger, Hereford Road, 14, Wanstead, London E. 11. Vooral deze laatste werken kunnen wij ten zeerste aanbevelen als gids voor verder onderzoek.
Wij hebben ons echter steeds gewacht ook deze feilbare mensen zo maar te geloven en hopen dat de lezer ook dit boek slechts als een wenk zal beschouwen en zelf zal onderzoeken « of deze dingen alzo waren » (Hand. 17:11). De « Companion Bible » (Oxford University Press) met zijn talrijke taaIkundige aantekeningen stelt in staat zonder kennis van Hebreeuws of Grieks tot de oorspronkelijke teksten terug te gaan. Concordanties en Lexicons zijn overigens onontbeerlijk voor een ernstig onderzoek.
Toen dit werkje reeds ter perse was, hebben wij ook kennis genomen van de « Concordant Version » (Concordant Publishing Concern - Los Angeles, Cal., U. S. A.), die zich op de drie voornaamste handschriften steunt en benevens een letterlijke vertaling der woorden ook een nieuwe systematische vertaling geeft. Al is men het niet in alles eens met de aantekeningen, toch kan ook dit werk grote diensten bewijzen.
Deze studie houdt de volgende beginselen in het oog:
1. De Bijbel is Gods Woord en tot in de kleinste onderdelen door God ingegeven. Wij bezitten geen geschreven Gods openbaring buiten deze schriften. Voor wat het O. T. betreft zijn alleen door God ingegeven die boeken welke ons door Gods volk, Israël, aan hetwelk zij toevertrouwd waren, doorgegeven zijn.
2. Alles wordt opgevat zoals het geschreven is, doch zoals bij het gebruik van alle taal, wordt rekening gehouden met erkende stijlfiguren, die b.v. gebruikt worden om de aandacht op iets te trekken. Overigens, tenzij de tekst zelf zegt, dat een symbool gebruikt is, wordt alles letterlijk opgevat. God meent wat Hij zegt.
3. EIk woord der oorspronkelijke teksten is juist uitgekozen en de betekenis, indien niet duidelijk in een vers, moet afgeleid worden van alle andere plaatsen waar hetzelfde woord voorkomt en van het verband.
4. Wij hebben ons beijverd het Woord der Waarheid recht te snijden en tijden en omstandigheden niet te vermengen.
5. Er wordt tot eiken prijs afstand gedaan van elke gedachte van waar ze ook komt, voor zover een onderzoek voor Gods aangezicht en in Gods kracht ondernomen, aantoont dat zij in strijd is met of niet bevestigd wordt door Gods Woord. De teksten laat men door onderlinge vergelijking zelve spreken.
6. Alle vertalingen zijn gebrekkig en bevatten gedeeltelijk de gedachten van de vertaler. Door het niet kennen van sommige dingen kon hun vertaling zonder opzet van hun kant onjuist zijn.
7. Rekening wordt gehouden van ontdekkingen van « papyri » en « ostraka » die licht kunnen werpen op de betekenis van enkele woorden die nu in het Grieks niet meer, of in een anderen zin, gebruikt worden.
8. Het onderzoek heeft niet tot doel een sekte of kerk te verdedigen, is ook niet tot eigen roem, maar alleen om duidelijk te begrijpen, wat God ons te zeggen heeft en dat niettegenstaande alle hinderpalen voortspruitende uit ons bedorven hart, uit de wereld en uit Satan.
In dit werk hebben wij ons in hoofdzaak beperkt de bedelingen te onderscheiden waarin God de mensen geplaatst heeft en dit in het bijzonder ten opzichte van de tijd van af de geboorte van de Heere Jezus Christus tot op het Koninkrijk op aarde. Vóór men een degelijk onderzoek wil doen over enig onderwerp als verlossing, verzoening, doop enz. is het nodig de grote lijnen te zien en juist te weten wat letterlijk toepasselijk is op de personen die men op het oog heeft.
In het bijzonder wordt de positie aangetoond van de Gemeente der verborgenheid en dat deze niet bij Pinksteren, maar een 30 tal jaren later begint. Het blijkt dat de gevolgtrekkingen die hieruit voortvloeien vele dingen ophelderen en meest alle dingen wegnemen die nu als twistappel dienen tussen de kerken en sekten.
Deze studie is zeer onvolledig voor wat betreft vele belangrijke zaken, die óf in het geheel niet, óf maar even worden aangeroerd. Men neme het alleen als een basis, waarop later onderzoek kan gesteund worden. in het algemeen zal een dergelijk onderzoek niet ingewikkeld zijn. De tegenwoordige verwarring ontstond door te vermengen wat God gescheiden had. Als men de bedelingen goed van elkander onderscheidt, worden de zaken die God ons wil doen kennen eenvoudig en voor ieder toegankelijk. Nu worden velen afgeschrikt omdat het zo moeilijk is en zij laten dan maar liever Gods Woord rusten en luisteren naar hun leider die meestal blind is.
Wij stellen ons in dit boek voor zoveel mogelijk Gods Woord te laten spreken. Na een vluchtig overzicht van de wijze waarop God Zijn plan tot herstelling der aarde uitwerkt, worden de profeten aan het woord gelaten en kan men ook de vervulling der profetie nagaan. Bij het onderzoek van het N. T. kan men die ontwikkeling nog verder volgen en ook opmerken wat vroeger niet geopenbaard was, in het bijzonder wat de Gemeente der verborgenheid betreft.
In vele gevallen wordt naar andere teksten verwezen en de lezer wordt verzocht die delen dan na te zien en ook de aantekening die er bijgevoegd is. De opmerkingen zijn in het algemeen zeer beknopt om de lezer tot zelfonderzoek te brengen. Het is geen leerboek, maar een gids op een ontdekkingstocht in Gods Woord.
Ons onderzoek omvat nagenoeg de gehelen Bijbel en laat zien dat hier geen gedachten verdedigd worden die rusten op enkele teksten. Wij hebben stelselmatig alle teksten onderzocht die betrekking hebben op ons onderwerp en de meeste hier opgeschreven. De lezer kan zich zelve overtuigen, dat ook de niet vermelde schrift gedeelten volkomen bevestigen wat gezegd wordt en vaak veel duidelijker worden. Het spreekt b.v. van zelf dat het boek der Openbaring alleen met vrucht kan gelezen worden als men het overige duidelijk inziet. In de tegenwoordige omstandigheden is het geen openbaring, maar iets onverstaanbaars en wordt daarom ook niet gelezen, gehoord, noch bewaard (Op. 1:3).
De bijgevoegde kaart geeft een algemeen overzicht.
De hebreeuwse en griekse woorden worden in onze letters weergegeven en meestal zonder lettertekens, in overeenstemming met de oudste handschriften (zie b.v. de drie teksten, Sinaïticus, Alexandrinus, Vaticanus, in de « Concordant Version »).
Het Voornemen Der Eeuwen
Top
(Ef. 3:11). 1
Eerste Deel: De Voorbereiding.
1. voor de tijden der eeuwen (Tit. 1:2).
Christus is de Eerstgeborene der ganse schepping. Door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappen, hetzij overheden, hetzij machten. (Kol. 1:15, 16). Bij de onzienlijke dingen behoorde ook Satan, de « gezalfde, overdekkende Cherub », die « volkomen » geschapen was (Ezech. 28:14, 15).
Die schepping was niet woest, doch werd woest en ledig. Inderdaad zegt Jes. 45:18 « Hij heeft ze niet geschapen tohu (woest) » en Gen. 1:2 zegt, « de aarde nu werd Tohu ». Onze statenvertaling gebruikt hier het woordje « was » ten onrechte. Hetzelfde Hebreeuwse werkwoord wordt dikwijls vertaald « werd ». Zie b.v. Gen. 2:7 (werd de mens), Gen. 19:26 (werd een zoutpilaar) enz. 2
Deze eerste schepping was de « wereld die toen was » van 2 Pet. 3:5, 6. Vers 6 doet ons ten onrechte aan de zondvloed van Noach denken. In plaats van « met het water van de zondvloed bedekt » leze men letterlijk: « met water overstroomd ». Het is de toestand van Gen. 1:2, 6, 7 vóór het droge gezien werd (vers 9).
De opgravingen schijnen aan te duiden dat er toen ook allerlei stoffelijke wezens op aarde verbleven, waarvan men nu de overblijfselen vindt. Hoeveel miljoenen jaren dit geleden is, zegt de Bijbel niet.
2. de verwoesting der aarde. Top
De duivel zondigde van de beginne (1 Joh. 3:8). Er werd ongerechtigheid in hem gevonden. Zijn hart verhief zich over zijn schoonheid, hij werd op de aarde nedergeworpen (Ezech 28:15-17). Hij wilde de Allerhoogste gelijk worden en werd nedergehouwen (Jes. 14:12-14). In zijn val trok hij blijkbaar vele engelen met zich (Mat. 25:41).
Toen werd de aarde ook woest en ledig.
Van deze verwoesting wordt ook in het Nieuwe Testament meermalen gesproken, doch de Statenvertaling noemt het de « grondlegging ». Het Griekse « katabolè » komt voor in de volgende verzen, die wij in twee groepen verdelen:
1. Van de grondlegging.
Mat. 13:35 « Ik zal voortbrengen dingen die verborgen waren van de grondlegging der wereld ».
Mat. 25:34 « Beërft dat koninkrijk, hetwelk U bereid is van de grondlegging der wereld ».
Luk. 11:50 « Het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af ».
Heb. 4:3 « Hoewel Zijne werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren ».
Heb. 9:26 « Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging der wereld af ».
Op. 13:8 Welker namen niet zijn geschreven... van de grondlegging der wereld ».
Op. 17:8 « Welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld ».
2. Voor de grondlegging.
Joh. 17:24 « Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld ».
Ef. 1:4 « Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld ».
1 Pet. 1:20 « Dewelke (Christus) voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld ».
Het werkwoord « kataballoo » is vertaald « nedergeworpen » in 2 Kor. 4:9 en Op. 12:10. In de Griekse vertaling van het Oude Testament (der 70) wordt dit woord gebruikt in 2 Sam. 20:15 (neder te vellen), Hag. 2:23 (omkeren) enz. In plaats van « grondlegging » zou dus ook beter « nederwerping » gebruikt moeten worden in de teksten waar « katabolè » voorkomt. Het resultaat der nederwerping is de verwoesting der aarde.
Zou God Zijn schepping woest laten? Neen. Hij zou volgens Zijn plan alles herstellen, alles nieuw maken. Alles zal volgens Zijn wil uitgewerkt worden alhoewel er genoeg ruimte zal overblijven voor de wil Zijner schepselen en Hij deze dus niet als blote werktuigen zal behandelen. Hij kon Satan en zijn engelen vernietigen, maar Zijn plan was anders. Niettegenstaande de zonde zou Hij tot Zijn doel komen, ja ook dit kwade zou Hij ten goede gebruiken. Ieder schepsel zou tot op het uiterste een kans krijgen. Het kwade zou tot volle ontwikkeling komen alvorens door het oordeel getroffen te worden (Gen. 6:5-8; 15:13-16; 18:20, 21; Dan. 8:23-25; Mat. 13:24-30; Mat. 23:32-36; 1 Thes. 2:16). Straks zal alle schepsel zelf Zijn almacht en Zijn liefde, Zijn gerechtigheid en Zijn genade moeten erkennen. Vele mensen begrijpen moeilijk of in het geheel niet hoe een liefhebbende God het kwade duldt. Zij vergeten, dat zij anders zelve niet zouden bestaan. Zij vragen eigenlijk het oordeel, dat later zal komen, ofwel een mechanische wereld, zonder vrijheid.
3. het maken der tegenwoordige hemelen en aarde. Top
Gen. 1:2-2:4. Dit is de eerste stap tot het uitvoeren van Gods herstellingsplan en nu beginnen de hemelen en aarde « die nu zijn » van 2 Pet. 3:7.
Men lette op het onderscheid tussen « scheppen », zoals in Gen. 1:1 en « maken » zoals in Gen. 1:7; 2:4. Het « maken » is meer een ordenen, dan een scheppen.
Wij kunnen terloops opmerken dat alle onderzoekingen, ook die der ongelovigen, tot de conclusie brengen, dat alles zich ontwikkeld heeft in de volgorde hier opgegeven bij de 6 « scheppingsdagen ». Wij veronderstellen overigens niet, dat de lezer last heeft met het woord « dag ». Het kan een letterlijke dag van 24 uur zijn, want wat zou God niet kunnen? Het kan ook een lange tijdsperiode zijn, want het Hebreeuwse woord kan heel goed in dezen zin opgevat worden. Het verband met teksten zoals Ex. 31:15 en 17 wijst echter meer op een letterlijke dag van 24 uur. Men heeft soms opmerkingen gemaakt omdat het licht er was vóór de zon, alsof de zon alleen licht geeft. Wij hebben hier geen ruimte voor dit alles, doch 't zij ons genoeg er aan te herinneren dat onze kennis beide in Gods Woord en in Gods werken onvolmaakt is. Terwijl natuurlijk elke tegenstrijdigheid tussen Woord en werk uitgesloten is, kan deze er wel zijn tussen onze kennis van het Woord en onze kennis van het werk.
Gen. 1:6 en 7 spreekt van een « uitspansel » en vers 8 zegt ons dat God dit uitspansel hemel noemde.
Op de 6e dag schiep God de mens. Het was niet een ontwikkelen. « En God schiep de mens naar Zijn beeld ». Als wij nu in aanmerking nemen dat het de Zoon was die alle dingen schiep (Kol. 1:16), en Hij toen het « beeld » was des onzienlijken Gods (Kol. 1:15) dan kunnen wij hieruit besluiten, dat Adam geschapen was naar de Zoon, vóór Hij zich vernederde. Later nam Hij de « gestaltenis eens dienstknechts » aan en werd de (tegenwoordigen) mensen gelijk (Fil. 2:7).
De schepping van Adam was de tweede stap in het uitvoeren van Gods raad tot herstel van hemel en aarde. Voor wat de aarde betreft, zien wij het vervolg in Gen. 1:9-2:25, maar in het bijzonder in hetgeen door God aan Adam opgedragen werd.
4. de eerste stappen tot het verwezenlijken van het koninkrijk. Top
Mat. 25:34 zegt uitdrukkelijk, dat een koninkrijk bereid was van af de nederwerping der wereld. Dat het een koninkrijk op aarde is, zal meer en meer blijken als wij verder onderzoeken.
Nu de aarde gemaakt of gedeeltelijk hersteld was, maar daarom niet volmaakt (Gen. 2:3), nam God de verdere maatregelen tot het oprichten van het koninkrijk:
« En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt! En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt! En God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de ganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze! Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo ». Gen. 1:26-30.
Aan Adam werd dus het koningschap aangeboden. Hij moest de aarde onderwerpen en zou heerschappij hebben over zee, lucht en aarde. De mens was een weinig minder dan de engelen, doch alles was onder zijn voeten gezet en hij was gesteld over de werken van Gods handen (Ps. 8, Heb. 2:6-8).
God had een hof geplant in Eden en Adam was er in gezet om hem te bewaren (Gen. 2:15) d. i. desnoods tegen indringers te verdedigen. Het was inderdaad nodig Adam te verwittigen dat de vijand, Satan, niets zou ongedaan laten om Gods plan tegen te werken. Het hebreeuwse woord voor « bewaren » is in Hab. 2:1 door « wacht » vertaald.
Ook werd hem geboden: « Maar van de boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven » (Gen. 2:17). Adam was vrij dit gebod te houden of te overtreden. Van hem werd verwacht dat hij uit liefde zou rekening houden met deze waarschuwing. Zolang er geen andere factor tussen kwam zou het overigens dwaas geweest zijn niet te doen wat God hem zei.
De boom des levens was, zoals de gehele schepping, een schaduw van de hemelse werkelijkheid. In dezen zin kan men van symbolen spreken. Het zijn dingen, die in de stoffelijke wereld de weerkaatsing zijn van de geestelijke dingen. Maar die stoffelijke dingen bestaan er niet minder om. Ook is er geen gegronde reden om geheel Genesis, buiten de bekende spraakfiguren, niet geheel letterlijk op te vatten.
5. satans tegenstand, de verzoeking en de val. Top
Laat ons eerst de betekenis nagaan van een paar woorden uit Gen. 3. Het Hebreeuwse woord vertaald door « slang » betekent « glanzende » of « blinkende ». In het Chaldeeuwsch wordt het dan ook voor koper gebruikt.
Verder is « gedierte » letterlijk: « levend wezen ». Er is geen beletsel te geloven, dat hier sprake is van een slang. Doch dan een slang die heel wat verschilde van het dier dat wij nu kennen, want toen kon blijkbaar nog niet gezegd worden dat zij « op haar buik ging » (Gen. 3:14). Er is ook geen beletsel te geloven dat niet een dier, maar wel een schitterend wezen zich voordeed, Satan zelve die zich veranderde in een engel des lichts (2 Kor. 11:14). Satan wordt in Op. 20:2 « de oude slang » genoemd. Gen. 3:15 spreekt overigens noodzakelijk van het zaad van Satan en niet van een dier. Het « op uwen buik kruipen » is men bijna wel verplicht op grond van het « stof eten » als een spraakfiguur te beschouwen. Het drukt de grootste vernedering uit, zoals Ps.44:26 de grootste onderwerping, Ps. 72:9 de grootste overwinning, Spr. 20:17 de grootste ontgoocheling. Zo nemen wij ook het « de kop vermorzelen » niet letterlijk voor het dier, maar als figuur van de vernietiging van Satan.
Telkens weer zullen wij zien hoe Satan zich tegen God verzet en daartoe dikwijls God nabootst. Adam en Eva stonden in betrekking met hun Schepper, de Zoon Gods, die zich aan hen onder de vorm ener schitterende Godsgestalte (Fil. 2:6) voordeed. Satan stelde zich aan Eva voor in een dergelijke gestalte en trok Gods woord in twijfel (Gen. 3:1). Eva verminkte Gods woord (verzen 2 en 3). Satan sprak dan Gods Woord tegen (vers 4) en loog de mens voor, dat hij « als God » zou wezen. Eva werd bedrogen (2 Kor. 11:3) en at van de vrucht van de boom. Adam is niet verleid geworden (1 Tim. 2:14), maar at toch ook van de vrucht.
« Ten dage » van Gen. 2:17 staat evenals Gen. 2:4, enz. voor « als ».
« Zult gij de dood sterven » is letterlijk « stervende zult gij sterven »; ons « leven » is inderdaad, tot aan de dood, een voortdurend sterven.
Zij verloren natuurlijk nu het glorieuze, dat zij vroeger als beeld Gods hadden.
Waar de eerste Adam faalde, omdat hij Gods woord verminkte, daar zou later de tweede Adam (Christus) tegenover Satan stand houden door getrouw Gods woord te gebruiken.
6. het beloofde zaad. Top
Gods oordeel over de mens bevatte een belofte: het zaad der vrouw. In plaats van dood zou er dus leven zijn (zie ook vers 17), ten minste voor een tijd. Dit kon op grond van het toekomstige offer van Christus; het slachten van een dier om hen met het vel te bedekken (Gen. 3:21) wees er heen en herinnerde er hen voortdurend aan. Zo was dan Satans eerste aanval mislukt, alhoewel hij van te voren Gods plan kende en geheel werd vrijgelaten van zijn macht gebruik te maken of niet. Doch het koninkrijk zou niet onmiddellijk opgericht worden, de aarde was vervloekt (Gen. 3:17), de ganse schepping zucht (Rom. 8:22 grondtekst).
Het zaad der slang vinden wij later telkens terug: de gevallen engelen, de reuzen, de geweldigen, en alle latere kinderen des duivels (zie b.v. in het N. T. Mat. 3:7; 13:36-39; Joh. 8:44). Doch het ware zaad zal de Antichrist zijn.
De belofte van het zaad was een nieuwe aanwijzing ook voor Satan. Hij ook kent slechts die dingen, die hem geopenbaard worden, het overige is verborgen (1 Kor. 2:8; 1 Pet. 1:12; Ef. 3:10). De « verborgenheid van Christus » (Ef. 3:4) werd dus iets meer bekend gemaakt, en onmiddellijk zou Satan reageren. Habel, die een offer bracht naar Gods wil (vermits het aangenomen werd, (Gen. 4:4), was misschien het beloofde zaad, daarom zou Kaïn (die « uit de booze was » 1 Joh. 3:12) hem vermoorden. Doch Seth (« een ander zaad » Gen. 4:25) verving Habel.
Seth gewon zonen en dochteren en alzo breidde zich de mogelijkheid uit van het komende zaad en de komst van het koninkrijk. Satan nam nu andere maatregelen. De « zonen Gods » (Gen. 6:2) zouden nu tussenbeide komen en het ganse mensdom verderven. Wie zijn die « zonen Gods »? In het O. T. wordt deze naam nooit gebruikt voor mensen, die toen leefden, doch altijd voor engelen (job. 1:6; 2:1; 38:7; Ps. 29:1; 89:7; Dan. 3:25, 28) en niets laat ons toe er een andere betekenis aan te hechten. Wel spreekt Jes. 43:6 van de toekomstige gelovigen als « zonen », doch het is vooral het N. T. dat ons zegt dat ook de gelovigen, die in Christus een « nieuw schepsel » zijn (2 Kor. 5:17), kinderen Gods zijn (Joh. 1:12, 13; Rom. 8:14, 15; 1 Joh. 3:1). Ook Adam wordt « zoon van God » genoemd (Luk. 3:38) en het blijkt dus dat deze titel voorbehouden is aan hen die rechtstreeks door God geschapen zijn: de engelen, Adam, de gelovigen in het N. T. Wat in Gen. 6 van die engelen gezegd wordt, bevestigt Judas 6, 7. Het is goed na te gaan dat « woonstede » nogmaals gebruikt is in 2 Kor. 5:2 voor het opstandingslichaam; en dat dit lichaam hetzelfde is als dat der engelen blijkt uit Luk. 20:36 (zie Fil. 3:21 noot). Men lette er verder op dat « ander vlees », door het gebruik van het griekse « heteros » wil zeggen « andersoortig vlees ». Eindelijk weet men dat de engelen ook geesten genoemd worden (Ps. 104:4; Heb. 1:7, 14) en van deze geesten wordt gezegd in 1 Pet. 3:19, 20 en 2 Pet. 2:4, 5 dat zij in de dagen van Noach ongehoorzaam waren en gezondigd hebben.
Uit die « zonen Gods » kwamen de « Nephilim » (gevallenen), een woord dat in de statenvertaling gewoonlijk door « reuzen », zoals in Gen. 6:4, vertaald wordt. Zij worden ook genoemd de « Gibboor » (geweldigen). Wij zullen dit slangenzaad verder tegenkomen, voorlopig is het voldoende in te zien dat zij er in geslaagd waren de wereld zó te verderven dat het nodig was ze door de zondvloed te verdelgen. Had Satan dan overwonnen? Toch niet, van Noach wordt gezegd dat hij was « een oprecht man in zijne geslachten » (Gen. 6:9). Oprecht is letterlijk « onbevlekt ». Hij was de enige, met de zijnen, die door die wezens niet bezoedeld was. Het koninkrijk zou door hem komen, doch de aarde moest eerst gezuiverd van wat tenslotte geen mensen meer waren.
Als men aan de zondvloed denkt vergete men niet dat de bewoonbare aarde er toen gans anders uitzag dan nu.
8. het verbond met noach. Top
In Gen. 9:1-17 vinden wij hoe nu aan Noach de heerschappij gegeven wordt over aarde, lucht en zee. Zo b.v. vers 2:
« En uwe vrees, uwe verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op de aardbodem roert, en in alle vissen der zee; zij zijn in uwe hand overgegeven ».
God deed hem ook de waarde van het bloed begrijpen en de regenboog werd gegeven als teken des verbonds, dat de wateren niet meer alle vlees zouden verderven. Vroeger had het waarschijnlijk nooit geregend, wij lezen alleen van het bevochtigen der aarde door damp (Gen. 2:6).
Sem is de volgende schakel. De Heere wordt de « God van Sem » genoemd (Gen. 9:26). Sem betekent « naam ».
9. Babel, de verstrooiing der volken. Top
In Gen. 10 hebben wij 70 volken van enerlei spraak en van enerlei woorden (Gen. 11:1). Alle taaIkundige onderzoekingen leiden ook tot de conclusie, dat alle talen uit één taal voortkomen, zoals raskundige studies bevestigen dat alle rassen één gemeenschappelijke oorsprong hebben.
Ten tijde van Peleg (« verdeling ») werd de aarde verdeeld (Gen. 10:25). God zou nu Zijn plan verder uitwerken door die volken overal te verspreiden, en een van hen te kiezen als bijzonder kanaal van Zijn zegen. Die 70 volken zouden dan ook niet onverschillig hoe verspreid worden, maar hun landpalen zouden gesteld worden « naar het getal der kinderen Israëls » (Deut. 32:8). Die 70 volken stemmen inderdaad overeen met de 70 « zielen die uit Jakobs heup voortgekomen zijn » (Ex. 1:5; Deut. 10:22).
Satan wou echter God vóór zijn en zijn koninkrijk stichten, wat tegelijkertijd Gods koninkrijk zou verhinderen zich te vormen. Hij koos hiertoe Nimrod (Gen. 10 8-10; 1 Kron. 1:10), wiens naam betekent « laat ons rebelleren ». De stichting van Babel was dus de eerste poging van Satan om de wereldheerschappij te verkrijgen. Latere pogingen zouden zijn: Nebuchadnezzar, Alexander, Napoleon... en tenslotte de Antichrist. Satans instrumenten verzetten zich vlak tegen Gods doel: zij wilden niet verstrooid worden, zij wilden zich een naam (een « Sem ») maken. Doch de Heere verwarde hun spraak en verstrooide ze over de ganse aarde (Gen. 11:7, 8).
Bij elk dier volken bestond iets van de kennis der schepping, van de val, de vloed, de geweldigen enz. Dit vormde de grondslag van hun eigen gemaakten « godsdienst ». Nu vindt men in alle werelddelen een wonderlijke overeenstemming van overleveringen en legenden. Men bemerkt hoe eenvoudig de uitleg is. Al die godsdiensten aanbidden echter de engelen, de reuzen en... de mensen. De leer is: de mens moet zich zelve verbeteren, zich zelve redden en als God zijn. Die godsdiensten hebben zich vervormd en aan de omstandigheden aangepast, doch de grond blijft even Satanisch, al noemt een godsdienst zich zelfs « christelijk ». Overal is natuurlijk een deel waarheid, zonder welke het bedrog onmiddellijk zou bemerkt worden.
Men begrijpt nu ook de oorsprong der sagen, mythen enz.
10. Abraham — Izaak — Jakob — Mozes Top
God werkt intussen Zijn plan uit. Sem's geslachten worden nauwkeurig opgegeven in Gen. 11:10-32. Zo komt men tot Terah die Abram gewint (Gen. 11:27). Van nu af raken alle volken op de achtergrond en worden slechts vermeld in betrekking tot het uitverkoren volk Israël. Die volken worden tijdelijk ter zijde gesteld (Rom. 1:18-32). Abraham verlaat, op Gods verlangen, Ur der Chaldeën, dat volgens de opgravingen een buitengewonen trap van « beschaving » had bereikt. Met hem sluit God een reeks verbonden, waarvan wij slechts enkele delen weergeven:
« De Heere nu had tot Abram gezegd: « Ga gij uit uw land, en uit uwe maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. En ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uwen naam groot maken; en wees een zegen! En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden » (Gen. 12:1-3).
« Ten zelfden dage maakte de Heere een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath (de Eufraat) » (Gen. 15:18).
« En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot enen God, en uw zaad na u. En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot enen God zijn. Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hunne geslachten. Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde
(Gen. 17:6-10). »
« Maar Mijn verbond zal Ik met Izaäk oprichten, dien u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal » (Gen. 17:21).
« Toen riep de Engel des Heeren tot Abraham ten tweede male van de hemel, en zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de Heere; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uwen zoon, uwen enige, niet onthouden hebt; voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan de oever der zee is; en uw zaad zal de poorten zijner vijanden erfelijk bezitten. En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijne stem gehoorzaam geweest zijt » (Gen. 22:15-18).
Wij vinden hier een hele reeks openbaringen betreffende de wijze, waarop God verder zou handelen voor de komst van het zaad en het oprichten van het koninkrijk; een groot volk, zegeningen tot alle geslachten des aardrijks, de nakomelingschap, waaraan het land zou gegeven worden, het land zelve dat zich zou uitstrekken van de rivier van Egypte tot de Eufraat. En Izaäk werd als de volgende schakel aangeduid. Om zijn plan uit te voeren had God de kracht des mensen niet nodig: Hij koos twee oude mensen die op natuurlijke wijze geen kinderen meer konden krijgen.
Gedurende dezen tijd en later verscheen de Heere, namelijk Christus in Zijn engelen gestalte, hen dikwijls, zie b.v. Gen. 12:7. Ook was er een voortdurende omgang met de engelen (Gen. 18; 32:1; 48:16. Ex. 14:19; 23:20, 23, enz.). Maar ook Satans zaad bleef niet werkeloos.
Toen Abraham uit Ur trok, ging hij niet onmiddellijk naar het land, maar zij woonden eerst te Haran (Gen. 11:31). Daar verbleven zij jaren lang zoals blijkt uit Gen. 12:5. Satan maakte hiervan gebruik om Kanaän, waar God Zijn koninkrijk zou oprichten, te bezetten. Gen. 12:6 zegt, als terloops, « en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land ». Iemand voor wien de gehele Bijbel Gods Woord niet is zou wel geneigd zijn hierbij op te merken dat dit van zelf sprak en geen melding behoefde. Doch het belang dezer opmerking kunnen wij begrijpen als wij nagaan wie die Kanaänieten zijn. In Num. 13:33 vinden wij in Kanaän de Nephilim (reuzen) terug, ook kinderen van Enak genoemd. In Gen. 15:20 vinden wij er de Refaïeten, genaamd naar hun vader Rafa en 2 Sam. 21:16, 18, 20, 22 geeft ons een gedachte wat geslacht dit was. Zie ook b.v. Deut. 2:10, 11, 20, 21. Van die Refaïeten zegt de Bijbel nog veel meer, doch het is moeilijk om ze te vinden in de statenvertaling omdat deze dikwijls de betekenis (« doden », « overleden zijnde » enz.) gebruikt in plaats van de naam zelve. Zie b.v. Job. 26:5; Ps. 88:11; Spr. 2:18; 9:18; 21:16; Jes. 14:9; 26:14, 19 enz. Deze wezens zijn niet alleen reuzen in gestalte (Deut. 3:11; 1 Sam. 17:4), maar ook in boosheid; men vindt nu hun reuzensteden terug, b.v. Bazan (zie ook Num. 13:28). Zij kennen geen opstanding. Door middel ener Concordantie kan men ook over hen alle inlichtingen ontvangen die de Bijbel geeft. De geschiedschrijver Josephus zegt in « Oudheden der Joden » boek 5, kap. 2, par. 3 dat de beenderen dier reuzen in zijn tijd nog te zien waren.
Maar had de zondvloed dit ras dan niet verdelgd? Zeker, maar Gen. 6:4 zegt dat zij er niet alleen waren vóór de dagen van de zondvloed, doch ook daarna. Er was een nieuw « ingaan » van de gevallen engelen, doch die aanval was blijkbaar begrensd tot het beloofde land. Deut. 20:16-17, Joz. 3:10 en dergelijke teksten waar de Israëlieten bevolen wordt die volken met het zwaard uit te roeien moeten ons dus niet meer bevreemden. Dat adderengebroedsel moest verwijderd worden om geen verdere besmetting te zijn. In het Koninkrijk mocht geen Kanaäniet zijn (Zach. 14:21), ten minste in de omgeving van Jeruzalem. Die opdracht volgde Israël niet geheel (zie b.v. Richt. 1:28) en de gevolgen (afgoderij en verderf) bleven niet uit. Wij zullen verder nog een en ander opschrijven van de last die Gods volk van dit ras ondervond. Sodom zal ook wel door hen bewerkt geweest zijn in het vooruitzicht dat Abraham die plaats zou hebben uitgekozen. Abraham neemt echter zelfs geen schoenriem aan van de koning van Sodom (Gen. 14:23).
Verder zien wij een paar belemmeringen in Gen. 12:10-20 en 20:1-18. Dan wordt Izaäk geboren, die geen der dochteren der Kanaänieten huwde (Gen. 24:3). Toen kwam Jakob, de vader van het volk dat de Verlosser, het beloofde Zaad, zou voortbrengen. Ook Jakob koos zijn vrouw zorgvuldig buiten de dochteren van Kanaän (Gen. 28:1). Hij wordt door Izaäk gezegend:
« En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot enen hoop volken wordt. En Hij geve u de zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft » (Gen. 28:3, 4).
Juda, een der 12 zonen is de volgende schakel, Jakob zegt aangaande hem:
« De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijne voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn » (Gen. 49:10).
Het is nodig er op te wijzen dat het woord « wijken » moet begrepen worden in de zin van « uitgaan ». Alleen als de ware Koning zou gekomen zijn zou het koningschap zich uitbreiden buiten Juda, tot de volken.
Satan verwekt een hongersnood om geheel Israël uit te roeien. Zij trekken naar Egypte, waar een nieuwe poging aangewend wordt (Ex. 1:16), doch Mozes wordt gered (Ex. 2:5). Het volk wordt tot het uiterste verdrukt en toen Farao zijn toestemming moest geven om ze vrij te laten, trachtte hij ze te vernietigen (Ex. 14:8).
Wij zullen verder nalaten Satan's tegenstand in alle onderdelen te volgen en ons tot de grote lijnen bepalen.
11. De wet — Het oude verbond. Top
Wij kunnen hier niets zeggen van de zeer belangrijke gebeurtenissen:het Pascha, de Rode Zee, de woestijn; noch van de wonderlijke voorafschaduwingen der toekomende dingen, zoals in de tabernakel gevonden worden. Het is echter nodig een paar woorden te zeggen over de toestand der mensen.
De zonde bleef natuurlijk niet beperkt tot Adam. Uit een onreine komt geen reine (Job. 14:4). De zonen van Adam waren naar zijn gelijkenis (Gen. 5:3). De zonde en de dood waren tot alle mensen doorgegaan (Rom. 5:12). Daarom was het overigens nodig dat de Verlosser uit de Heiligen Geest zou voortkomen. Wel lag dan het gehele mensdom onder de macht der zonde, de zonde heerste (Rom. 5:21), doch om de zonde van Adam zouden zij niet geoordeeld worden. De zonde werd niet « toegerekend » zegt Rom. 5:13. De mensen moesten hun zonde leren inzien en dit moest in de eerste plaats het geval zijn met het uitverkoren volk. Er waren reeds heel wat wenken gegeven, ja de volken hadden reeds hun wetten (men denke aan het wetboek van Khammurabi, honderden jaren vóór Mozes), doch nu kwam de tijd dat aan Israël een volledige reeks Goddelijke voorschriften moest gegeven worden.
Deze Wet bestond uit:
1. De geboden. Ex. 20:1-26. Betreffende Gods rechtvaardige wil.
2. De rechten. Ex. 21:1-24:11. Aangaande het sociale leven van Israël.
3. De inzettingen. Ex. 24:12-31:18. Voor het godsdienstig leven van Israël.
Deze drie behoorden bij elkaar en vormden wat in het algemeen « de Wet » genoemd wordt. Dit alles is uitsluitend aan Israël gegeven en kan ten dele ook slechts in het land zelve waargenomen worden.
Men heeft te vaak de indruk, dat de wet alleen, of in het bijzonder, bestond in uiterlijke dingen. Men leze b.v. Deut. 6:5; 10:12, 13 om zich te overtuigen dat het grote gebod der Wet is: de Heere liefhebben met geheel zijn hart, en met geheel zijn ziel, en met geheel zijn verstand. (Mat. 22:36-40). Ook spreekt Lev. 19:1-18 zeer duidelijk.
« Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven » (Lev. 19:18).
Verder zullen wij ook uit de mond der profeten horen hoe sterk de nadruk gelegd werd op het inwendige: het hart. (Zie b.v. Jes. 1:11-18).
Zij kenden dus Gods wil, waren onderwezen (Rom. 2:18). Die wet stopte aller mond (Rom. 3:19); door de wet was de kennis der zonde (Rom. 3:20), werd de misdaad te meerder (Rom. 5:20; 7:13; Gal. 3:19). Het volk, dat steeds van Gods overvloeiende genade en van zijn eigen zwakheid getuige geweest was, kon nu tweeërlei houding aannemen: 1° Gods wil trachten te doen in eigen kracht of 2° erkennen dat zij uit zich zelve aan Gods rechtmatige eisen niet konden voldoen. Zij kozen het eerste en beweerden alles te kunnen doen wat de Heere zei, deden dus een gelofte, stelden zich onder de vloek (Gal. 3:10), waren in slavernij (Gal. 4:3). Volgens Num. 30 kon de gelofte ener vrouw ontbonden worden door haar man. Dit is evenzeer toepasselijk op Israël, Jehova's vrouw, dat door zijn gelofte « onder de wet » kwam en deze nu geheel moest volbrengen ter rechtvaardiging, tenzij die gelofte ontbonden werd door haar man Jehova-Christus.
Nu merke men wel op dat de wet eeuwig is: zie b.v. Ex. 27:21; 28:43; 29:28; 31:16, 17, Lev. 3:17; 23:14 enz. Zolang Israël Gods volk is moet de geheele wet gevolgd worden. Wij zullen later zien dat de gelovige Joden, met Petrus en Paulus aan het hoofd ook na het kruis en na pinksteren de wet zorgvuldig onderhouden. Ja dat ook gedurende het Messiaans koninkrijk, offeranden, besnijdenis, Sabbat, enz. zal bestaan voor alle Christen Joden.
Dikwijls noemt men de wet « het Oude Verbond », doch dit is een grote vergissing. Terwijl de wet eeuwig is, is het oude verbond dit niet, zou door Christus verdwijnen en door een nieuw verbond vervangen worden. De vrouw (Israël) zou dan door haar man (Christus) van haar gelofte ontheven worden. Het oude verbond bestaat namelijk hierin dat Israël de wet beweerde te volgen uit eigen kracht (Ex. 19:3-8; 24:1-3, 7, 8; 34:10, 11, 32; Lev. 18:4, 5). Zij dachten rechtvaardig te worden op grond van de werken der wet (Rom. 10:5) en vervielen van de genade (Gal. 5:4). Later zullen wij de gelegenheid hebben op dit alles terug te komen.
Buiten de wet wordt hen veel gezegd over de toekomst en worden zij steeds gewezen op de noodzakelijkheid zich van de afgoden (dus Satan) te keren naar God. Zij toch namen deel in de strijd voor het koningschap en de spoedige komst van het Zaad hing in zekeren zin van hen af. Tot hen werd beslist gezegd:
« En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn » (Ex. 19:6).
En van hoeveel dingen werd hen niet gesproken in de tabernakel, de offeranden, de feesten enz. Het nauwe verband tussen de bekering, de besnijdenis des harten, het houden der geboden, het terugkeren naar het land en het koninkrijk blijkt b.v. uit de volgende verzen:
« Voorts zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb, zo zult gij het weder ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u de Heere, uw God, gedreven heeft; en gij zult u bekeren tot de Heere, uw God, en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uwe kinderen, met uw ganse hart en met uwe ganse ziel. En de Heere uw God, zal uwe gevangenis wenden, en Zich uwer ontfermen; en Hij zal u weder vergaderen uit al de volken, waarheen u de Heere, uw God, verstrooid had. Al waren uwe verdrevenen aan het einde des hemels, van daar zal u de Heere, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen. En de Heere, uw God, zal u brengen in het land dat uwe vaderen erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en Hij zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uwe vaderen. En de Heere, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om de Heere, uwen God, lief te hebben met uw ganse hart en met uwe ganse ziel, opdat gij levet. En de Heere, uw God zal al die vloeken leggen op uwe vijanden en op uwe haters, die u vervolgd hebben. Gij dan zult u bekeren, en der stem des Heeren gehoorzaam zijn, en gij zult doen al Zijne geboden, die ik u heden gebiede. En de Heere, uw God, zal u doen overvloeien in al het werk uwer hand, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands, ten goede, want de Heere zal wederkeren, om Zich over u te verblijden ten goede, gelijk als Hij zich over uwe vaderen verblijd heeft; wanneer gij der stem des Heeren, uws Gods, zult gehoorzaam zijn, houdende Zijne geboden en Zijne inzettingen, die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer gij u zult bekeren tot de Heere, uwen God, met uw ganse hart en met uwe ganse ziel. » (Deut. 30:1-10).
Vooral vers 9 toont duidelijk dat die dingen op aarde zouden plaats hebben. De gezegende tijd, het koninkrijk, was in het zicht. God had bijna alles bereid, nu moesten zij zich met hun ganse hart tot de Heere bekeren. Zij werden echter vrijgelaten Satan te helpen:
« Maar indien uw hart zich zal afwenden, en gij niet horen zult, en gij gedreven zult worden, dat gij u voor andere goden buigt, en dezelve dient » (Deut. 30:17).
Maar dan volgde de vloek, en al kwamen zij in het land, zij zouden er niet blijven en het koninkrijk zou wederom, om hunnentwil uitgesteld worden.
Intussen was de wet hun « tuchtmeester » of opvoeder (Gal. 3:24), zij waren onder de wet in bewaring gesteld (Gal. 3:23).
Wij laten ter zijde het ingaan in het land met de reuzen, de strijd tegen deze kinderen des duivels in Gods kracht ondernomen, het niet geheel verdelgen van dit adderengebroedsel, enz. Het land wordt onder de 12 stammen verdeeld en voortdurend worden zij nog door engelen gewaarschuwd tegen Satan:
« En een Engel des Heeren kwam opwaarts van Gilgal tot Bochim, en Hij zeide: Ik heb ulieden uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land, dat Ik uwen vaderen gezworen heb, en gezegd: Ik zal Mijn verbond met ulieden niet verbreken in eeuwigheid. En ulieden aangaande, gij zult geen verbond maken met de inwoners dezes lands; hunne altaren zult gij afbreken. Maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest; waarom hebt gij dit gedaan? Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hunne goden zullen u tot een strik zijn » (Richt. 2:1-3).
Steeds had Israël zijn eigen lot in handen: gezegend als het zich naar God keerde, gevloekt als het zich naar Satan wende.
Te midden van het pijnlijk verhaal van gruwel, afgodendienst enz. vinden wij het frisse tafereel van Ruth en Boaz. Zoals de losser een bloedverwant moest zijn, zou ook te komende Losser van Israël in het vlees moeten komen om Zijn werk op aarde te doen.
12. david — het koningschap. Top
In 1 Sam. 8 lezen wij hoe Israël een koning vraagt zoals de andere volken. Dit betekent eigenlijk het verwerpen van het koninkrijk, dat God wou instellen:
« Zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn » (1 Sam. 8:7).
Zij kregen hun koning (Saul) doch zijn rijk zou niet bestaan (1 Sam. 13:14). De Heere had zich een man gezocht naar Zijn hart. Saul roeit natuurlijk de Amalekieten niet uit zoals hem dit bevolen was en de Heere verwierp hem (1 Sam. 15), hij had zijn kans gehad. Toen werd David tot koning gezalfd (1 Sam. 16:13). Men herinnert zich de « booze geest » die Saul verschrikte (1 Sam. 16), de strijd van David met een der reuzen Goliath, die ongeveer 3,5 M. lang was (1 Sam. 17:4), hoe Saul onder de invloed van de bozen geest David aan de wand wou spitten (1 Sam. 18:11; 19:10).
Als David onder Gods leiding optrekt (2 Sam. 2:1) plaatst Satan Isboseth (« een man van schande ») op de troon (2 Sam. 2:9), doch David overwint en wordt door alle stammen gezalfd tot koning (2 Sam. 5:3). David trekt naar Jeruzalem, dus werd weer een stap verder gedaan tot de verwezenlijking van het koninkrijk Gods op aarde. Nu had men reeds 1. het zaad 2. het volk 3. het land 4. de koning 5. de stad. De ware koning was echter nog niet gekomen, deze zou ook nog priester en profeet zijn (zie b.v. Zach. 6:13).
De Filistijnen worden verslagen, de ark naar Jeruzalem (de stad Davids) gebracht en hij zegent het volk in de naam des Heeren (2 Sam. 6:18).
David wou verder een tempel bouwen, doch de Heere antwoordt:
« En ik heb voor Mijn volk, voor Israël, ene plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijne plaats wone, en niet meer heen en weder gedreven worde; en de kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken, gelijk als in het eerst. En van dien dag af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël. Doch u heb Ik rust gegeven van al uwe vijanden. Ook geeft u de Heere te kennen, dat de Heere u een huis maken zal. Wanneer uwe dagen zullen vervuld zijn, en gij met uwe vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Die zal Mijnen Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. Ik zal hem zijn tot enen vader, en hij zal Mij zijn tot enen zoon; dewelke als hij misdoet, zo zal Ik hem met ene mensen-roede en met plagen der mensenkinderen straffen, maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, gelijk als Ik die weggenomen heb van Saul, dien Ik van voor uw aangezicht heb weggenomen. Doch uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. » (2 Sam. 7:10-16).
Men bemerkt hoe de « verborgenheid van Christus » steeds meer geopenbaard wordt. David is er door overweldigd.
David heeft nog altijd te strijden tegen vlees en bloed. Zo worden de Filistijnse reuzen gedood, waarbij Isbi Benob, wiens spies ongeveer 5 kg. woog (2 Sam. 21:16) en Saf en de zeer lange man met zijn tweemaal 6 vingeren en tweemaal 6 tenen, allen Refaïeten. Onze strijd is niet tegen vlees en bloed, maar de vijand blijft niettemin dezelfde.
In zijn laatste woorden spreekt hij van de Rechtvaardige als Heerser over de mensen, doch ook van de « Belials » d.z. de bozen die met vuur zullen verbrand worden (2 Sam. 23:1-7).
13. Salomo — Het koninkrijk afgeschaduwd — Het koninkrijk uitgesteld. Top
Salomo bouwde de tempel en de luister van zijn rijk was een zwak beeld van de heerlijkheid van het toekomende Messiaanse rijk. Hij kreeg ook een wijs en verstandig hart. Alleen werd er nog aan de afgoden geofferd en weer verneemt men de roepstem ter bekering. Zo ze andere goden willen dienen zullen zij uit het land geroeid worden (1 Kon. 9:7), en de komst van het koninkrijk zou natuurlijk belemmerd worden. Niettegenstaande deze voortdurende waarschuwingen en Salomo's wijsheid laat hij zich door de Kanaänietische vrouwen (1 Kon. 11:1-8) tot afgoderij bewegen.
Wij lezen dan ook verder over de verschillende koningen en hun afgoderij, over de verdeling van Israël in 10 stammen en 2 stammen enz. Het is een pijnlijke geschiedenis, waar God tot het uiterste lankmoedig is ten opzichte van een volk dat zich steeds van Hem afwendt en zich tot Satan keert. Telkens komt ook het satanische ras zijn rol spelen. Enige meer bijzondere aanvallen van Satan op de lijn die tot het zaad der vrouw zou voeren, vinden wij in het huwelijk van Joram met Athalia en het doden van al zijn broeders (2 Kron. 21:4); in het doden van al de zonen van Joram, uitgezonderd de jongste Ahazia (2 Kron. 22:1), door de Arabieren; in het ombrengen van het koninklijk zaad door Athalia (2 Kron. 22:10), uitgezonderd Joas die 6 jaar in de tempel verborgen bleef (vers 12).
Het uitverkoren volk was onverbeterlijk; de Heere had door middel van al de profeten gezegd: « Bekeert u van uwe boze wegen, en houdt Mijne geboden, en Mijne inzettingen, naar al de Wet » (2 Kon. 17:13), doch zij hoorden niet. Toen kwam het oordeel:
« Toen zeide Hij: « Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet; maak het hart dezes volks vet, en maak hunne oren zwaar, en sluit hunne ogen, opdat het niet zie met zijne ogen, noch met Zijne oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze. » (Jes. 6:9, 10).
Na lange besliste ongehoorzaamheid volgt verblinding. De 10 stammen worden naar Assyrië gevoerd. Voor de 2 stammen was nog enige hoop, zij waren echter ook zo ver afgeweken, dat zij zelfs het boek der wet verloren hadden en het bij een herstelling van de tempel terug vonden. Na een kleine herleving worden de 2 stammen door Nebukadnezzar naar Babylon gevoerd en Jeruzalem en de tempel worden verwoest. Dit alles was niet de eindoplossing, maar gedeeltelijk een zuivering om hen die rebel waren te verwijderen (Ezech. 20:38). Zo ging God voort tot de uitwerking van Zijn plan niettegenstaande de tegenstand van Satan en de onwil der mensen. Hij gebruikt juist de mislukkingen om alles zó te krijgen als het zijn moet. Allen die op Hem steunen vinden in Zijn Woord steeds wat hun hoop naar de « komende » levend houdt. Doch intussen is elke schaduw van koninkrijk weggenomen, de Heere zegt:
« Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe recht heeft, en dien Ik dat geven zal. » (Ezech. 21:27).
Dit was klaar en duidelijk. Nu begon, wat elders de tijden der heidenen of volken genoemd wordt. Als de volheid van dien tijd zou gekomen zijn, zou het ware koninkrijk komen. Men kent de gezichten en profetieën van Daniël aangaande deze tijden.
Israël was nu niet meer Gods volk voor een tijd, het was Lo-Ammi 1 (Hos. 1:9). En gedurende 70 jaar bleven zij verbannen. Dan echter schijnt weer alles naar de vervulling heen te gaan:Ezra en Nehemia vertellen ons van het herbouwen van de tempel en de stad. Een gezuiverd overblijfsel trekt terug naar Jeruzalem. Doch natuurlijk verzet zich Satan tegen dit herstel (Ezra 4) en de Kanaänieten komen op de voorgrond terug (Ezra 9:1). Ook de Asdodieten zien wij verschijnen bij het herstel der stad (Neh. 4:7), doch Nehemia laat God voor hem strijden. De
wet wordt gelezen, het loofhuttenfeest gevierd, hij schaft allerlei misbruiken af, en zendt de vreemde vrouwen weg, door wien zelfs de Joodse taal voor de kinderen verdrongen werd door het « Asdodisch » (Neb. 13:24). Men weet dat Asdod een der steden der Enakieten was, die niet door Israël uitgeroeid was (Joz. 11:22).
Zerubbabel en Jesua die het volk hadden teruggebracht, zouden overigens geen koning zijn, dat wist ieder uit de woorden des Heeren door Ezechiël gesproken (Ezech. 21:27) en door Zacharia bevestigd (Zach. 6:9-13). Zij moesten wachten op de Spruit. Die Spruit was het Zaad der vrouw, de Verlosser, de Koning, de Messias. Die Spruit was hun reeds in het kort beschreven doch zou hun weldra voorgesteld worden op viervoudige wijze:
1. Als Koning. « Ene rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren » (Jer. 23:5, 6) « Zie, uw Koning » (Zach. 9:9). Evangelie van Mattheus.
2. Als Knecht. « Ik zal Mijnen Knecht, de Spruit, doen komen » (Zach. 3:8). « Ziet, Mijn Knecht » (Jes. 42:1). Evangelie van Markus.
3. Als Man. « Zie, een Man, Wiens naam is Spruit » (Zach. 6:12). Evangelie van Lukas.
4. Als God. « Te dien dage zal des Heeren Spruit zijn tot sieraad en tot heerlijkheid » (Jes. 4:2) « Zie, hier is uw God » (Jes. 40:9). Evangelie van Johannes.
Wij komen nu tot de tijden der vervulling, doch het is eerst nodig dat de lezer zich goed vertrouwd make met de toestand en de verwachting van Israël. Wij laten daarom enige aanhalingen uit de profeten volgen alvorens de ontwikkeling van het voornemen der eeuwen verder na te gaan. Daar het onderzoek der tijden der vervulling ons hoofddoel is, zullen wij dat deel veel uitvoeriger behandelen.
14. wat god sprak door middel der profeten. J e s a j a. Top
Jesaja profeteerde gedurende ongeveer 60 jaar, namelijk van af een 40 tal jaar vóór, tot een 20 tal jaar na het begin der ballingschap der 10 stammen.
Jes. 1:11-18 « Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de Heere; Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken. Wanneer gijlieden voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uwe hand geëist, dat gij Mijne voorhoven betreden zoudt? Brengt niet meer vergeefs offer; het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet: het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen. Uwe nieuwe maanden en uwe gezette hoogtijden haat Mijne ziel: ze zijn Mij tot enen last; Ik ben moede geworden die te dragen. En als gijlieden uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijne ogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uwe handen zijn vol bloed. Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijne ogen weg; laat af van kwaad te doen; leert goed te doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, handelt de twistzaak der weduwen. Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere: al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. »
Offers en inzettingen hebben op zichzelve geen waarde en zijn de Heere een gruwel als zij gepaard gaan met zonde. Het O. T. legt voortdurend de nadruk op de gezindheid des harten. Zie b.v. 1 Kron. 29:17-19; 2 Kron. 16:9; Hos. 6:6; Am. 5:21-24; Mich. 6:6-8 enz. Dit werd later, na de komst van de Messias met meer nadruk door Hem zelve en Zijn apostelen gezegd (Mat. 15:3-8, 23:23, 28; Mark. 12:33).
Jes. 2:2-4 « En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op de top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle Heidenen (natiën) toevloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg des Heeren, tot het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijne wegen, en dat wij wandelen in Zijne paden; want uit Zion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem. En Hij zal richten onder de Heidenen (natiën), en bestraffen vele volken; en zij zullen hunne zwaarden slaan tot spaden, en hunne spiesen tot sikkelen; het eee volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren. »
Jes. 2:11-22 Vernedering van mensen en afgoden en verheerlijking van de Heere op de « dag des Heeren ».
Jes. 4:2-6 De Spruit des Heeren tot sieraad en heerlijkheid. Oordeel. Beschutting voor overblijfsel van Israël.
Jes. 5:1-7 Israël des Heeren wijngaard. Verzorgd. Slechte vruchten. Verwoest. Zie Ps. 80:9-20; Jer. 2:21; 8:13; Ezech. 19:10-14.
Jes. 6:9, 10 « Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk:Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet; maak het hart dezes volks vet, en maak hunne oren zwaar, en sluit hunne ogen, opdat het niet zie met zijne ogen, noch met zijne oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze. » In het N. T. aangehaald bij de verwerping van de Messias 1. Mat. 13:14 (zie ook Mark. 4:12). 2. Joh. 12:40, 41 (zie ook 11:53) 3. Hand. 28:25-27 (zie ook 28:24).
Jes. 8:13-15 De Heere zou een steen des aanstoots zijn voor Israël en velen zouden vallen.
Jes. 9:1 Een groot licht in de duisternis (Mat. 4:14-16).
Jes. 9:5, 6 « Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijnen schouder; en men noemt Zijnen naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst; der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. » Er had geen onderbreking moeten zijn tussen « een Zoon is ons gegeven » en « de heerschappij is op Zijnen schouder » Zie Luk. 1:31-33.
Jes. 10:20-24 Oordeel over Israël. Een overblijfsel keert weder tot God in oprechtheid « te dien dage » (de dag des Heeren).
Jes. 11:1-10 « Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen; en op Hem zal de Geest des Heeren rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des Heeren. En Zijn rieken zal zijn in de vreze des Heeren; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten, Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen; maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met de adem Zijner lippen zal Hij de goddeloze doden; want gerechtigheid zal de gordel Zijner lenden zijn; ook zal de waarheid de gordel Zijner lenden zijn. En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitebok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee tezamen, en een klein jongske zal ze drijven. De koe en de berin zullen tezamen weiden; hare jongen zullen tezamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os. En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van ene adder, en een gespeend kind zal zijne hand uitsteken in de kuil van de basilisk. Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des Heeren zijn, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken. Want het zal geschieden ten zelfden dage, dat de Heidenen (natiën) naar de Wortel van Isaï, Die staan zal tot ene banier der volken, zullen vragen, en Zijne rust zal heerlijk zijn. »
Jes. 11:11-16 Een overblijfsel van Israël terug naar het land dat ook veranderingen ondergaat. Evenals zoveel andere profetieën kan dit niet geestelijk, noch als reeds vervuld zijnde opgevat worden. « Ten anderen male »: de eerste maal was het uit Egypte, Ex. 14. Dan wordt ook het nieuwe lied gezongen (Op. 5:9).
Jes. 13:3-18 De dag des Heeren. Oordeel.
Jes. 14:1-3 Herstelling van Israël. Het Koninkrijk betreft vooral het weer verzamelde Israël. Zie b.v. Deut. 30:3-6; Jes. 11:11, 12; 60:1-22 enz.
Jes. 24:13-14. Heerlijkheid des Heeren over de volken.
Jes. 25:6, 7 « En de Heere der heirscharen zal op dezen berg allen volken een vetten maaltijd maken, enen maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn; en Hij zal op dezen berg verslinden het bewindsel des aangezichts, waarmede alle volken bewonden zijn, en het deksel, waarmede alle natiën bedekt zijn. »
Jes. 25:8 « Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heere Heere zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid Zijns volks van de ganse aarde wegnemen; want de Heere heeft het gesproken. » Zie 1 Kor. 15:54.
Jes. 25:9 « En men zal te dien dage zeggen: Ziet Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de Heere; wij hebben Hem verwacht: wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijne zaligheid. » Hier wordt ook bedoeld de opstanding uit de doden, ter vervulling van Gen. 49:18 enz. Zie ook Heb. 2:3, 4.
Jes. 26:1-21 Gezang van hen (uit Juda) die Hem verwachten. Hun opstanding (Ps. 17:15).
Jes. 27:1-13 Gezang der kinderen Israëls. De grote bazuin. Zie Mat. 24:31.
Jes. 28:16 De Messias is een beproefden grondsteen in Zion. De gelovigen zullen niet beschaamd zijn en niet met haast behoeven weg te vlieden bij het oordeel. (Rom. 9:33; 10:11; 1 Pet. 2:6).
Jes. 29:13, 14 « Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijnen mond, en zij Mij met hunne lippen eren, doch hun hart verre van Mij doen; en hunne vreze, waarmede zij Mij vrezen, mensen geboden zijn, die hun geleerd zijn; daarom, ziet, Ik zal voorts wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijner wijzen zal vergaan, en het verstand zijner verstandigen zal zich verbergen. » Zie Mat. 15:7-9 en Mark. 7:6.
Jes. 29:18, 19 « En te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks; en de ooen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien; en de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in de Heere; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in de Heilige Israëls verheugen. »
Jes. 30:18, 19 Welgelukzalig zijn allen, die Hem verwachten; Hij zal genadig zijn hen die Hem aanroepen. Geen tranen meer.
Jes. 30:20 « Uw ogen zullen uwe leraars zien ». Het meervoud is soms gebruikt om grootheid aan te duiden; hier kan het dan ook zijn: « Uw groten leraar » (den Messias). Ogen-zien.
Jes. 30:21 Oren-horen. Vers 22: Geen afgoden meer. Vers 23, 24: Overvloed van voedsel en vee.
Jes. 30:26 « En het licht der maan zal zijn als het licht der zon, het licht der zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen; ten dage als de Heere de breuk Zijns volks zal verbinden, en de wonde, waarmede het geslagen is, genezen. »
Jes. 32:1, 2 « Ziet een koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht. » De tijden der verkwikking (zie Hand. 3:19 waar verkoeling: verkwikking).
Jes. 32:3, 4 Ogen-Oren-hart-tong.
Jes. 32:5-8 Gerechtigheid.
Jes. 32:15 « Totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de hoogte; dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden. » Zie ook Jes. 44:3; 59:21; Zach. 12:10; Joel 2:28; Ezech. 36:25-27; 39:29. Uitstorting van kracht uit de hoogte, de gaven van de Heiligen Geest aan Israël. De volken hier niet vermeld. Zie Luk. 24:49 en Hand. 1:4, 5. Als dit gebeurde moest het Koninkrijk beginnen.
Jes. 32:15-18 Overvloed, gerechtigheid, zekerheid, vrede.
Jes. 33:17 « Uwe ogen zullen de Koning zien in Zijne schoonheid; zij zullen een ver gelegen land zien. »
Jes. 33:20, 21 Zion, Jeruzalem een geruste woonplaats, eeuwig. De Heere aanwezig.
Jes. 33:22-24 De Heere is Rechter, Wetgever, Koning, Verlosser. Overvloed. Geen ziekte. Ongerechtigheden vergeven.
Jes. 35:1, 2 De wildernis vruchtbaar.
Jes. 35:3-6 « Versterkt de slappe handen en stelt de struikelende knieën vast. Zegt de onbedachtzamen van harte: Weest sterk, en vreest niet; ziet, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods; Hij zal komen en ulieden verlossen. Alsdan zullen der blinden ogen opengedaan worden, en der doven oren zullen geopend worden. Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis. » De Heere Jezus verwees de discipelen van Johannes de Doper naar de wonderen die Hij deed, want uit de Schrift moest Johannes weten dat deze een teken waren dat de Messias gekomen was, dat het Koninkrijk moest beginnen en al hetgeen de profeten gezegd hadden zich ging vervullen. (Mat. 11:1-6).
Jes. 35:6-9 De woestijn vruchtbaar. Geen verscheurende dieren meer.
Jes. 40:3 « Ene stem des roependen in de woestiju: Bereidt de weg des Heeren; maakt recht in de wildernis ene baan voor onzen God. » (Mat. 3:3).
Jes. 40:11 De goede Herder, zie Ezech. 34:12-16, 22-24.
Jes. 42:1-4 « Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijne ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijnen Geest op Hem gegeven; Hij zal het recht der Heidenen (natiën) voortbrengen. Hij zal niet schreeuwen, noch Zijne stem verheffen, noch Zijne stem op de straat horen laten. Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen. Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijne leer wachten. » (Mat. 12:17-21). « Eilanden » of « door de zee begrensde landen » zijn hier geschreven voor hen die ze bewonen, zoals blijkt uit Mat. 12:21 (volken).
Het Koninkrijk is op aarde. Ps. 2:8; Jes. 11:9; Jen 23:5; Zach. 14:9 enz.
Jes. 42:6 De Messias tot een licht der natiën. Zie Luk. 2:32.
Jes. 42:7 De blinden de ogen geopend, gevangenen verlost.
Jes. 42:14 Het zwijgen en ingrijpen van God.
Jes. 43:19, 20 De woestijn vruchtbaar.
Jes. 43:23, 24 De profeten zegden niet de offeranden, het uitwendige, na te laten, maar legden de nadruk op hetgeen in het hart omging.
Jes. 43:25 De Heere alleen is het die de overtredingen wegneemt en dit niet voor de werken der mensen, maar om Zijnentwil. Zij die God geloofden, wisten in alle bedelingen, dat Hij slechts de overtredingen kan wegnemen.
Jes. 44:3 « Want ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijnen Geest op uw zaad gieten, en Mijnen zegen op uwe nakomelingen. » Zoals op vele andere plaatsen is « Geest » hier geschreven voor de gave en niet voor de Gever: d.i. de Heiligen Geest. Zie 32:15 en de daar aangehaalde teksten.
Jes. 44:6 « Zo zegt de Heere, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, de Heere der heirscharen: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God. » Zie Mat. 27:42; Mark. 15:32; Joh. 1:50; 12:32. Dezelfde titel gebruikt in de O. T. profetie als bij de aankondiging van het Koninkrijk. Koning van Israël, de Verlosser, de Heere der heirscharen. De Eerste en de Laatste (Op. 1:17 enz.).
Jes. 45:25 « Maar in de Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het ganse zaad van lsraël. »
Jes. 46:13 « Ik breng Mijne gerechtigheid nabij; zij zal niet verre wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Zion, aan Israël Mijne heerlijkheid. »
Jes. 49:6 « Verder zeide Hij: Het is te gering, dat Gij Mijn een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden in Israël: Ik heb U ook gegeven tot een licht der heidenen (natiën), om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. » Luk. 2:32; Hand. 13:47. Zegening der volken in verband met de herstelling van lsraël en de verlossing der gehele aarde.
Jes. 49:8 « Alzo zegt de Heere: In de tijd des welbehagens heb Ik U verhoord, en ten dage des heils heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond des volks, om het aardrijk op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven ». « De tijd des welbehagens » is ook die van 2 Kor. 6:2. Het is de tijd van het nieuwe verbond en het oprichten der aarde.
Jes. 49:9, 10 Gevangenen verlost, geen honger noch dorst, noch hitte. Het is de tijd van Op. 7:16.
Jes. 49:18 Zion gelijk een bruid met sieraden bekleed.
Jes. 49:22 De volken vereren Israël.
Jes. 51:3 Zion gemaakt als Eden, als de hof des Heeren.
Jes. 51:4-6 De volken gezegend in verband met Israël; eeuwige gerechtigheid en behoudenis. Hemel en aarde zullen voorbijgaan. Ps. 102:27; Luk. 21:33; 2 Pet. 3:7, 10.
Jes. 51:11 Eeuwige blijdschap der vrijgekochten.
Jes. 52:3 Zonder geld verlost.
Jes. 52:9, 10 « Maakt een geschal; juicht tezamen, gij woeste plaatsen van Jeruzalem! want de Heere heeft Zijn volk getroost; Hij heeft Jeruzalem verlost. De Heere heeft Zijnen heiligen arm ontbloot voor de oogen aller Heidenen (natiën); en al de einden der aarde zullen zien het heil onzes Gods. » De uitdrukking « heir lige arm » is een stijlfiguur voor de wonderen die Hij doet. Volken in verband met Israël.
Jes. 52:15 « Alzo zal Hij vele Heidenen (natiën) besprengen, ja de koningen zullen hunnen mond over Hem toehouden; want, denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan. » Zie Rom. 15:21. « Besprengen » schijnt hier beter door « doen opspringen van vreugde » weergegeven te worden. Volken steeds in verband met Israël.
Jes. 53:1-12 De komst van de Messias in vernedering om onze ongerechtigheid te dragen. De kinderen Israëls geloofden echter niet alles wat de profeten gesproken hadden en verwierpen hun Messias omdat Hij in vernedering kwam. Zelfs die verwerping was voorzien.
Jes. 54:4-10 « Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden, en wordt niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; maar gij zult de schaamte uwer jonkheid vergeten, en de smaad uws weduwschaps zult gij niet meer gedenken. Want uw Maker is uw Man, Heere der heirscharen is Zijn naam, en de Heilige Israëls is uw Verlosser; Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden. Want de Heere heeft u geroepen, als ene verlatene vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest, zegt uw God. Voor een kleinen ogenblik heb Ik u verlaten, maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen; in enen kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de Heere, uw Verlosser. Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal. Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer. »
Jes. 54:13-17 Van de Heere geleerd, vrede, gerechtigheid uit de Heere.
Jes. 55:1, 2 « O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uwe ziel in vettigheid zich verlustigen. » Dezelfde boodschap herhaald toen de tijd der vervulling er was. Joh. 4:14; 6:27; 7:39-39. Zie ook Op. 22:17.
Jes. 55:3 « Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort, en uwe ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David. » Zie verbond met David 2 Sam. 7:8-16. Aangehaald in Hand. 13:34 in de tijd der vervulling.
Jes. 55:11-13 De kracht van Gods Woord. De verloste schepping.
Jes. 57:13-18 Zij die op de Heere betrouwen zullen het aardrijk erven. De Heere woont bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is. Vertroosting aan de treurigen. Meer uitvoerig medegedeeld toen de tijd der vervulling, het oprichten van het Koninkrijk er was; Mat. 5:1-12 enz.
Jes. 58:2-14 Uitwendige vormen zijn op zichzelve niets. « Zou het zulk een vasten zijn, dat Ik verkiezen zou, dat de mens zijne ziel een dag kwelle? dat hij zijn hoofd kromme gelijk een bies, en enen zak en as onder zich spreide? Zoudt gij dat een vasten heten, en enen dag de Heere aangenaam? Is niet dit het vasten, dat Ik verkies:dat gij losmaakt de knopen der goddeloosheid, dat gij ontdoet de banden des juks, en dat gij vrij loslaat de verpletterden, en alle juk verscheurt? ls het niet, dat gij de hongerige uw brood mededeelt, en de arme verdrevenen in huis brengt? als gij enen naakte ziet, dat gij hem dekt, en dat gij u voor uw vlees niet verbergt? »
Jes. 59:1-16 De zonde veroorzaakt scheiding tussen Israël en God. (Rom. 3:15-17).
Jes. 59:16-20 Er is een redder nodig om de zonden weg te nemen. Een verlosser voor degenen die zich bekeren van overtreding. Zie Rom. 11:26, 27.
Jes. 60:14 De nakomelingen der verdrukkers, zullen zich voor Israël nederbuigen. Zoals zoveel andere zaken, kan men dit niet op een « geestelijk » Israël toepassen en het is ook nog nooit vervuld geworden.
Jes. 60:15, 21, 22 Eeuwige herstelling. De aarde voor eeuwig bezeten. Men denke er aan dat « eeuwig » niet noodzakelijk « zonder einde » wil zeggen. Zie opmerking: blz. 68.
Jes. 61:1, 2 « De Geest des Heeren Heeren is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om ene blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte; om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren, en de dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten. » Door de Messias terug uitgeroepen bij de vervulling, toen Hij zich aan Zijn volk Israël voorstelde. Luk. 4:18, 19. De « dag der wraak » was toen nog niet gekomen, doch zou niet uitgebleven zijn ingeval Israël Hem aangenomen had.
Jes. 61:3-5 De Heere verheerlijkt. Herstelling. Vreemden zullen Israël dienen.
Jes. 61:6 « Doch gijlieden zult priesters des Heeren heten; men zal u dienaren onzes Gods noemen; gij zult het vermogen der Heidenen (natiën) eten, en in hunne heerlijkheid zult gij u beroemen. » De kinderen Israëls, die priesters zullen genoemd worden, zijn hier in scherpe tegenstelling geplaatst met de volken.
Jes. 61:8 Brandoffers zullen in oprechtheid gebracht worden. Zie Ezech. 40-46.
Jes. 61:10 « Zich » is in beide gevallen aan de tekst toegevoegd en het geheel vers kan dan ook op het toebereiden der bruid door de bruidegom wijzen.
Jes. 62:1-3 Gerechtigheid en heil van Jeruzalem. Het Koninkrijk. Gedurende het Koninkrijk zal Jeruzalem het centrum zijn. Zie ook b.v. Jes. 2:1-3; Zach. 8:20-23; Luk. 21:24 enz.
Jes. 62:4, 5 Het land niet meer verwoest.
Jes. 63:1-6 De Verlosser is ook de Oordeler (Op. 14:20; 19:11-21).
Jes. 63:7-9 Lofzang van Israël over de genadigden Heiland.
Jes. 64:6 Allen zondaren.
Jes. 65:1 « Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk dat, naar Mijnen naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben ik! » Zie Rom. 10:19-21. De zegening der volken was hun bij herhaling bekend gemaakt, steeds in betrekking tot hun herstel; doch ook om hen « tot ijver te verwekken » (Deut. 32:21).
Jes. 65:17-25 « Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en ene nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Maar weest gijlieden vrolijk, en verheugt u tot in der eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want ziet, Ik schep Jeruzalem ene verheuging, en haar volk ene vrolijkheid; en Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der wening, noch de stem des geschreeuws. Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijne dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden. En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en derzelver vrucht eten; zij zullen niet bouwen, dat een ander het bewone; zij zullen niet planten, dat een ander het ete; want de dagen Mijns volks zullen zijn als de dagen eens booms, en Mijne uitverkorenen zullen het werk hunner handen verslijten. Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn het zaad der gezegenden des Heeren, en hunne nakomelingen met hen. En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen. De wolf en het lam zullen tezamen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund, en stof zal de spijze der slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op Mijnen ganschen heiligen berg, zegt de Heere. »
Zie ook Jes. 11:6-8. Hier wordt niet gesproken van de nieuwe hemel en aarde van Op. 21:1 en 2 Pet. 3:13. Hier zijn zondaren (20), hier plant en bouwt men (21, 22). Deze hemel en aarde zijn nieuw ten opzichte van hetgeen vroeger was. Vreugde, geen geween, lang leven, gerechtigheid, gemeenschap met God, schepping verlost, geen kwaad.
Jes. 66:3 Zij die hun eigen weg verkiezen en alzo feitelijk de Messias verwerpen, kunnen offers brengen, maar deze hebben geen waarde, ja zijn een verfoeisel voor God.
Jes. 66:12 Heerlijkheid voor de volken, in verband met het Koninkrijk.
Jes. 66:15-18 De dag der wraak en des oordeels voor hen die zichzelven heiligen en reinigen.
Jes. 66:19 « En ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de Heidenen (natiën), naar Tarsis, Pul en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan; tot de vergelegene eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijne heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijne heerlijkheid onder de Heidenen (natiën) verkondigen. » Dit is de vervulling van Ex. 19:6 « En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk (of koninklijk priesterdom), en een heilig volk zijn. »
Hier zien wij weder de scherpe tegenstelling tussen de kinderen Israëls en de volken. Wereldevangelisatie (evangelie des Koninkrijks) door het overblijfsel van Israël, dat nu aan de voorwaarde van. Ex. 19:5 voldoet.
Jes. 66:23 « En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de enen sabbat tot de anderen, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt de Heere. » Zie Num. 10:10; 28:11-15. Inzettingen aangaande feestdagen (nieuwe maan, sabbat) steeds gevolgd. Alle vlees (ook de volken) komt aanbidden.
Hij profeteerde voor de twee stammen gedurende 40 jaar vóór de verwoesting van de eersten Tempel en van Jeruzalem door Nebukadnezar. Het was een laatste roepstem, zoals die gehoord werd gedurende de 40 jaar vóór de verwoesting van de tweede Tempel en van Jeruzalem in het jaar 70.
Jer. 2:2 Ondertrouw van Israël.
Jer. 2:21 Israël een wijnstok.
Jer. 2:32 Israël vergeleken met een bruid.
Jer. 3:1, 8, 9 Israël een overspelige vrouw, scheidsbrief. De twee stammen ook overspelig.
Jer. 3:14 De Heere met Israël getrouwd. Bekering van afgoderij gevraagd om tot Zion terug te brengen.
Jer. 3:17, 18 Jeruzalem zal des Heeren troon zijn.
De volken om des Heeren Naams wil te Jeruzalem vergaderd. De 10 en de 2 stammen terug in het land.
Jer. 3:19 De twaalf stammen zullen tot de Heere roepen: « mijn Vader ».
Jer. 4:1 « Zo gij u bekeren zult, Israël! spreekt de Heere, bekeer u tot Mij; en zo gij uwe verfoeiselen van Mijn aangezicht zult wegdoen, zo zwerf niet om. »
Jer. 4:2 De natiën zullen zich in Hem zegenen, en zich in Hem beroemen.
Jer. 4:4 « Besnijdt u de Heere, en doet weg de voorhuiden uws harten, gij mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem. » Zie Deut. 10:16; 30:6.
Jer. 6:19, 20 Offeranden behagen de Heere niet als zij gebracht worden door hen, die in feite Gods Woord en Wet verwerpen.
Jer. 7:2-11 Als Israël kwaad doet en afgoderij pleegt, kan de aanbidding in de Tempel hen niet helpen. Als zij hun wegen en handelingen waarlijk goed maken, zullen zij voor « eeuwig » in het land wonen.
Jer. 8:13 De wijnstok geeft geen vrucht en de vijgeboom verdort. Richt. 9:10, 42; Jes. 5; Mat. 21:19, 20; Mark. 11:13, 20, 21; Luk. 13:6-9; Joh. 15.
Jer. 9:24 « Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde; want in die dingen heb Ik lust, spreekt de Heere. » Zie 1Kor. 1:31.
Jer. 9:25 Lees: « Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik bezoeking zal doen over alle (uitwendig) besnedenen, die (eigenlijk) de voorhuid hebben. »
Jer. 9:26 Lees het laatste deel: « Want al de natiën hebben de voorhuid (des harten), en het ganse huis Israëls heeft de voorhuid des harten. » De volken hadden ook de uitwendige besnijdenis, maar niet die des harten. Zie Rom. 2:25-29.
Jer. 11:16 Israël een olijfboom genaamd. Richt. 9:8; Rom. 11.
Jer. 12:15-17 Herstelling in het land indien zij zich in oprechtheid tot de Heere keren.
Jer. 14:12 Vasten en offeranden hebben op zichzelve geen waarde.
Jer. 17:9, 10 « Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? Ik de Heere, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar Zijne wegen, naar de vrucht zijner handelingen. » Zie Rom. 8:27; Op. 2:23.
Jer. 18:11 « Zo bekeert u nu, een iegelijk van zijnen bozen weg, en maakt uwe wegen en uwe handelingen goed. »
Jer. 23:3-8 « En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hunne kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen; en Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de Heere. Ziet de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik aan David ene rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In Zijne dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De Heere, onze gerechtigheid. Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de Heere leeft, Die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd! Maar: Zoo waarachtig als de Heere leeft, die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land. » Zie ook Jes. 4:2-6. Gerechtigheid is een der kenmerken van het Koninkrijk. Zie ook Jes. 11:35; 32:1; Dan. 9:24.
Jer. 24:7 « En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de Heere ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot enen God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren. » Deut. 30:6.
Jer. 25:5 « Bekeert u toch, een iegelijk van zijnen bozen weg en van de boosheid uwer handelingen, en woont in het land, dat de Heere u en uwen vaderen gegeven heeft, van eeuw tot in eeuw. »
Jer. 30:3-11 Herstelling in het land. Met mate gekastijd. Tijd van benauwdheid. Koning David gediend.
Jer. 31:31-34 « Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; niet naar het verbond, dat Ik met hunne vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hunne hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Heere; maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Heere: Ik zal Mijne wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot enen God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer een iegelijk zijnen naaste en een iegelijk zijnen broeder, leren, zeggende: Kent de Heere! want zij zullen Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere; want Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken. » Mat. 26:28; Heb. 8:8-12; 10:16, 17; Ezech. 11:19; 36:26.
Jer. 32:39, 40 Nieuw hart gegeven aan Israël. Eeuwig verbond. Zij zullen niet meer afwijken.
Jer. 33:9 « En het zal Mij zijn tot enen vrolijken naam, tot enen roem, en tot een sieraad bij alle Heidenen (natiën) der aarde, die al het goede zullen horen, dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede, en over al de vrede, dien Ik hun beschikke. »
Jer. 33:15 Een Spruit der gerechtigheid uit David. Gerechtigheid op aarde.
Jer. 33:21 Verbond met David.
Jer. 35:15 Bekering nodig om in het land te blijven.
Jer. 50:4, 5 « In die dagen en ter zelfder tijd, spreekt de Heere, zullen de kinderen Israëls komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en wenende zullen zij henengaan, en de Heere, hunnen God, zoeken. Zij zullen naar Zion vragen; op de weg herwaarts zullen hunne aangezichten zijn; zij zullen komen en de Heere toegevoegd worden, met een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten. »
Jer. 50:20 « In die dagen en te dier tijd, spreekt de Heere, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze dengenen vergeven, die Ik zal doen overblijven. »
Hij sprak de woorden des Heeren van ongeveer vijf jaar vóór, tot vijftien jaar na de verwoesting van Jeruzalem.
Ezech. 11:16-20 « Daarom zeg: Zo zegt de Heere Heere: Hoewel Ik hen verre onder de Heidenen (natiën) weggedaan heb, en hoewel Ik hen in de landen verstrooid heb, nochtans zal Ik hun een weinig tijds tot een heiligdom zijn, in de landen, waarin zij gekomen zijn. Daarom zeg: Alzo zegt de Heere Heere: Ja, Ik zal ulieden vergaderen uit de volken, en Ik zal u verzamelen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, en Ik zal u het land Israëls geven. En zij zullen daarhenen komen, en al deszelfs verfoeiselen en al deszelfs gruwelen van daar wegdoen. En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal enen nieuwen geest in het binnenste van u geven, en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vleesen hart geven, opdat zij wandelen in Mijne inzettingen, en Mijne rechten bewaren, en ze doen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. » Zie Jer. 32:39; Ezech. 36:25-27.
Ezech. 14:6 « Bekeert u, en keert u af van uwe drekgoden ».
Ezech. 14:11 « Opdat het huis Israëls niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hunne overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot enen God zijn, spreekt de Heere Heere. »
Ezech. 2:1 « Mensenkind » of « Zoon des mensen » (zonder lidwoord), in contrast met de hemelse levende wezens. In de Evangeliën, Hand., Hebr., Openb. gebruikt (met lidwoord) voor Christus, in contrast met de mensen in het algemeen.
Ezech. 15:6 De inwoners van Jeruzalem vergeleken met het hout des wijnstoks.
Ezech. 16:8-13 Liefde verbond met Israël. Bruid toebereid (maar overspelig geworden met zich tot de afgoden te wenden; zie de volgende verzen).
Ezech. 16:60-63 « Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen uwer jonkheid, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten. Dan zult gij uwer wegen gedenken en beschaamd zijn, als gij uwe zusteren, die groter zijn dan gij, met degenen, die kleiner zijn dan gij, aannemen zult; want Ik zal ze u geven tot dochteren, maar niet uit uw verbond. Want Ik zal Mijn verbond met u oprichten, en gij zult weten, dat Ik de Heere ben; opdat gij het gedachtig zijt, en u schaamt, en niet meer uwen mond opent wegens uwe schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere Heere. »
Ezech. 18:30-32 « Daarom zal Ik u richten, o huis Israëls! een ieder naar zijne wegen, spreekt de Heere Heere; keert weder, en bekeert u van al uwe overtredingen, zo zal de ongerechtigheid u niet tot enen aanstoot worden. Werpt van u weg al uwe overtredingen, waardoor gij overtreden hebt, en maakt u een nieuw hart en enen nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls! Want Ik heb genen lust aan de dood des stervenden, spreekt de Heere Heere; daarom bekeert u en leeft. »
Ezech. 19:10-14 Israël een wijnstok, takken afgebroken en door vuur verteerd.
Ezech. 28:24-26 Herstelling van Israël; de Heere onder hen in de ogen der natiën geheiligd, vrede, bouwen van huizen, planten van wijngaarden.
Ezech. 33:11 « Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leve, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijnen weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uwe boze wegen; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? »
Ezech. 34:12-16 « Gelijk een herder zijne kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden zijner verspreide schapen is, alzo zal Ik Mijne schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarhenen zij verstrooid zijn, ten dage der wolke en der donkerheid; en Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal ze vergaderen uit de landen, en brengen ze in hun land; en Ik zal ze weiden op de bergen Israëls, bij de stromen en alle bewoonbare plaatsen des lands; op ene goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen Israëls zal hunne kooi zijn; aldaar zullen zij nederliggen in ene goede kooi, en zullen weiden in een vette weide, op de bergen Israëls. Ik zal Mijne schapen weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt de Heere Heere. Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken, maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen; Ik zal ze weiden met oordeel. »
Ezech. 34:22-24 « Daarom zal Ik Mijne schapen verlossen, dat zij niet meer tot enen roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee. En ik zal een enigen Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijnen knecht David; Die zal ze weiden, en Die zal hun tot enen Herder zijn; en Ik, de Heere, zal hun tot enen God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen; Ik, de Heere, heb het gesproken. »
Ezech. 34:25-29 Verbond des vredes gemaakt, zegeningen.
Ezech. 36:24-29 « Want Ik zal u uit de Heidenen (natiën) halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uwe onreinigheden en van al uwe drekgoden zal k u reinigen. En k zal u een nieuw hart geven, en zal enen nieuwen geest geven in het binnenste van u; en k zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven. En Ik zal Mijnen Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijne inzettingen zult wandelen, en Mijne rechten zult bewaren en doen. En gij zult wonen in het land, dat Ik uwen vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot eeen God zijn. En Ik zal u verlossen van al uwe onreinigheden; en k zal roepen tot het koren, en zal dat vermenigvuldigen, en k zal genen honger op u leggen. » Vers 25 duidt aan wanneer dit vervuld zal worden: « dan » d.i. als Israël hersteld zal zijn in het land. Juist zoals in het N. T. is er geen sprake van een verbetering van het oude hart; een nieuw hart wordt gegeven.
Ezech. 37 Het gezicht der beenderen; herstelling van Israël.
Ezech. 37:24-28 « En Mijn knecht David zal koning over hen zijn; en zij zullen allen tezamen énen Herder hebben; en zij zullen in Mijne rechten wandelen, en Mijne inzettingen bewaren en die doen. En zij zullen wonen in het land, dat ik Mijnen knecht Jakob gegeven heb, waarin uwe vaders gewoond hebben; ja daarin zullen zij wonen, zij en hunne kinderen, en hunne kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid. En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en ik zal ze inzetten, en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot enen God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de Heidenen (natiën) zullen weten, dat Ik de Heere ben, die Israël heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid. » Dit alles is natuurlijk nog nooit vervuld geworden.
Ezech. 39:29 « En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer k Mijnen Geest over het huis Israëls zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere Heere. » Zie Joël 2:28.
Ezech. 40-46 Uitvoerige beschrijving van de toekomstigen Tempel. Voorhoven. Brandoffer. Schuldoffer. Zangers. Priesters. Heiligheid der Heiligheden. Altaar (tafel die voor het aangezicht des Heeren zal zijn). Spijsoffer. Heilige kleederen. De heerlijkheid des Heeren. Plaats des troons voor eeuwig. Priesterkleding. De Vorst. Sabbat. Eerstelingen. Hefoffer. Dankoffer. Pascha. Nieuwe maan. Lam. Vrijjaar (jubeljaar).
Ezech. 43:18-27 Nieuwe ordinantieën voor de offeranden. Var, jong rund, geitenbok, ram. Verschil met het Mozaïsche tabernakel:de priesters worden niet eerst gereinigd (Lev. 8:1-10), zij zijn het reeds. Het altaar niet gezalfd als in Lev. 8:11. De priesters zijn alleen van Zadok's geslacht (40:46; 44:15; de Levieten gebruikt als wachters 44:10-15). De var wordt slechts één dag geofferd (niet 7 opvolgende dagen, zoals in Ex. 29:36), de overige dagen wordt een geitenbok geofferd. De offeranden zijn nationaal, niet individueel (geen verzoendag meer), zie ook 45:16, 17, 20 (huis), 22; 46:20. Zout op brandoffers; vroeger alleen op spijsoffers (Lev. 2:13).
Ezech. 44:3 De Vorst zal brood eten voor het aangezicht des Heeren.
Ezech. 44:9 De besnijdenis des harten, maar ook die des vleeses, is nodig om het Heiligdom in te gaan. Geen vreemde.
Ezech. 44:10-16 De Levieten die van de Heere geweken zijn mogen niet in het Heilige der Heiligen gaan (« tot de allerheiligste dingen » zegt de statenvertaling). De andere priesters wel.
Ezech. 44:19 Het volk is in het heiligdom (buitenste Voorhof), waar het aanbidt (46:3).
Ezech. 45:1 Verdeling van het land nauwkeurig aangegeven. Zie ook hoofdstuk 47 en 48. De stad.
Ezech. 47:1-12 Wateren uit het Heiligdom maken de zee gezond en geven leven. Aan de oevers spijsbomen die elke maand vruchten geven tot spijze en bladeren tot heeling (Op. 22:2).
Ezech. 48:35 De naam der stad is: « De Heere is aldaar » (Jehovah Shammah).
Daniël profeteerde gedurende de 70 jarige ballingschap naar Babylonië. Hij spreekt niet alleen van de toekomst der 12 stammen, maar ook van de volken in het algemeen. Het eerste deel is in het Aramees (Chaldeeuws), het is een historisch gedeelte en de volken zijn overheersend (tijden der Heidenen). Het laatste deel is in het Hebreeuws en betreft de tijd van het einde en de herstelling van Israël. Toen Daniël schreef, waren beide talen in gebruik.
Dan. 2:34-44 Het Koninkrijk is op de aarde. Zie ook Dan. 7:23-27.
Dan. 9:24-27 Het gezicht der 70 weken. « Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uwe heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om ene eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven. Weet dan, en versta: van de uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, de Vorst, zijn zeven weken en twee en zestig weken; de straten en grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met eenen overstroomenden vloed, en tot het einde zal er krijg zijn, en vastelijk beslotene verwoestingen. En hij zal velen het verbond versterken éne week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over de gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die, vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste. »
De tegenwoordige tijd, van af het einde der Handelingen tot op het einde der Gemeente der verborgenheid, viel buiten de gezichtskring van Daniël.
Onze tijd, zoals wij later duidelijker zullen zien, was een volledige onderbreking in Gods raadsbesluit aangaande de herstelling der aarde en had in een zekeren zin niet moeten bestaan. Geen enkele type noch profetie betreft de Gemeente der verborgenheid.
De verschillende gezichten die Daniël had, eindigen met hetzelfde tijdperk:« de tijd van het einde », namelijk het einde der eeuw. De volgende tabel uit de « Companion Bible » (App. 89) geeft dit duidelijk aan.
h e t g e e n d a n i ë l z a g Top
| Dan. 7 |
Dan. 8 |
Dan. 9 |
Dan. 11 |
Dan. 12 |
Mat. 24 |
Een klei- ne hoorn (8, 20, 21, 24-26) |
Een klei- ne hoorn (9-12; 23- 25) |
|
Een ver- achte (21-30) |
|
|
| |
Het gedu- rig offer weggeno- men (11, 12, 13) |
Offers op- gehouden (27) |
Het gedu- rig offer weggeno- men (31) |
Het gedu- rig offer weggeno- men (11) |
|
| |
Verwoes- tende afval (13) |
Gruwelij- ken vleugel (27) |
Verwoes- tende gruwel gesteld (31) |
Verwoes- tende gruwel gesteld (11) |
Gruwel der ver- woesting (15) |
3½ tij- den (25) |
2300 dagen (14) |
De helft der week (27) |
|
3½ tij- den, 1290 1335 da- (7, 11, 12)> |
|
| |
Heilig- dom gerechtv. (14) |
Heiligheid der Heil. gez. (24) |
|
|
|
Het einde (26) |
Tijd van het einde (17, 19) |
Het einde (26) |
Tijd van het einde (40) |
Tijd van het einde (4, 9, 13) |
Het einde (14) |
In deze profetie hebben wij dus een kort overzicht van de gebeurtenissen gedurende 69 jaarweken (483 jaar) vóór het uitroeien van de Messias; vervolgens de verwoesting van de stad (Jeruzalem) en het Heiligdom en eindelijk hetgeen gedurende de 70ste jaarweek zal gebeuren. Een verbond zal gesloten worden; op de helft der week zullen de offeranden ophouden; krijg en verwoesting zal heersen tot op het einde (der 70ste week). Doch daarna wordt de eeuwige gerechtigheid aangebracht en het Heilige der Heiligheden (het heiligdom gezalfd (gereinigd). De laatste jaarweek wacht nu natuurlijk nog op de vervulling. Niets gaf de Joden aanleiding te vermoeden dat er een 2000 tal jaar zouden verlopen tussen de 69ste en de 70ste week.
Dan. 12:1, 2 « En te dier tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dien tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzing. » De opstanding was hun dus ook zeer goed bekend. Zie Jes. 26:19, 21; 27:13 (de bazuin-vergelijk Mat. 24:31) Op. 20:5, 6. Zie ook 1 Kor. 15:23 en 1 Thes. 4:16 (de bazuin).
Dan. 12:13 Daniël zou ook opstaan « in het einde der dagen », dus zoals hierboven, juist vóór het vrederijk.
Hij profeteerde gedurende een 80tal jaar vóór de ballingschap der 10 stammen. Vooral gericht tot deze stammen.
Hos. 1:10, 11 « Nochtans zal het getal der kinderen lsraëls zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods. En de kinderen van Juda, en de kinderen lsraëls zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jisreël zal groot zijn. » Het woord vertaald door « kinderen » is letterlijk « zonen ». Gedeeltelijk aangehaald in Rom. 9:25, 26, ook in 1 Pet. 2:10. Jisreël wil zeggen: Gods zaad. Voeg bij « uit het land »: « hunner ballingschap ».
Hos. 2:17-20 « En Ik zal te dien dage een verbond voor hen maken met het wild gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels, en het kruipend gedierte des aardbodems; en Ik zal de boog, en het zwaard en de krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen. En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerichtigheid en in gericht, en in goederentierenheid en in barmhartigheden; en Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult de Heere kennen. En het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, spreekt de Heere; Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren; en de aarde zal het koren verhoren, mitsgaders de most en de olie; en die zullen Jisreël verhoren. » Zie Jes. 11:6-9; Ezech. 34:25. Voor « in eeuwigheid » lees « in De eeuw ». Gedurende die eeuw (het Koninkrijk) zou de bruiloft plaats hebben. Zie Ef. 5:22-33 noot.
Hos. 3:4, 5 « Want de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning en zonder vorst, en zonder offer en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. Daarna zullen de kinderen lsraëls zich bekeren, en zoeken de Heere, hunnen God, en David, hunnen Koning; en zij zullen vrezende komen tot de Heere en tot Zijne goedheid, in het laatste der dagen. »
Hos. 6:6 « Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis Gods, meer dan tot brandofferen. » Zie 1 Sam. 15:22; Ps. 50:8, 9; Spr. 21:3; les. 1:11; Mich. 6:8. Aangehaald in Mat. 9:13, 12:7.
Hos. 10:1 Israël een wijnstok.
Hos. 10:8 « En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons! » Zie Luk. 23:30 Op. 6:16.
Hos. 10:12 « Zaait u tot gerechtigheid, zaait tot weldadigheid, braakt u een braakland; dewijl het tijd is de Heere te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene. »
Hos. 12:7 « Bekeer u. »
Hos. 13:14 « Doch Ik zal hen van het geweld der hel verlossen; Ik zal ze vrijmaken van de dood: o dood! waar zijn uwe pestilentiën? hel! waar is uw verderf? berouw zal van Mijne ogen verborgen zijn. » De opstanding. « Hel » is de vertaling van « Sheol » (het graf). Zie 1 Kor. 15:54, 55 (Vergelijk met Dan. 12:1, 2).
Hos. 14:2, 3 « Bekeer u ». « Varren onzer lippen ». Var geschreven voor offer; lippen voor de belijdenis. Zie Heb. 13:15.
Hos. 14:7, 8 Olijfboom en wijnstok.
Geen juiste datum is opgegeven. Waarschijnlijk geschreven gedurende ongeveer 10 jaar in het begin der 70 jarige ballingschap in Babylonië.
Joel 1:7, 12 Des Heeren wijnstok en vijgeboom. Hos. 9:10; Mat. 21:19; Luk. 13:6, 7.
Joel 1:15; 2:1, 10, 11; 3:15, 16 De dag des Heeren is nabij. Zie les. 2:12 enz. Mat. 24:29; Hand. 2:20; Op. 6:12.
Joel 2:12, 13 « Bekeert u tot Mij ».
Joel 2:16 « Heiligt de gemeente, vergadert de oudsten ».
Joel 2:22, 23 Gras in de woestijn; wijnstok en vijgeboom geven vrucht; de Leraar ter gerechtigheid.
Joel 2:28-32 « En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijnen Geest zal uitgieten over alle vlees, en uwe zonen en uwe dochteren zullen profeteren; uwe ouden zullen dromen dromen, uwe jongelingen zullen gezichten zien; ja ook over de dienstknechten, en over de dienstmaagden, zal Ik in die dagen Mijnen Geest uitgieten. En Ik zal wondertekenen geven in de hemel en op de aarde: bloed, en vuur en rookpilaren. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des Heeren komt. En het zal geschieden, al wie de Naam des Heeren zal aanroepen, zal behouden worden; want op de berg Zions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de Heere gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de Heere zal roepen. » Dit alles is nu nog niet vervuld; een begin van vervulling vinden wij in Hand. 2 en 3; allen die de profeten geloofden moesten toen weten dat de dag des Heeren en het Koninkrijk nabij waren. Doch slechts een deel bekeerde zich en de volledige vervulling moest worden uitgesteld.
Joel 3:1, 2 « In die dagen ». Herstelling en oordeel der volken. Zie Mat. 25:31-46.
Joel 3:10 Het tegenovergestelde van Jes. 2:4, enz. Het een is vóór, het andere na de komst van de Messias.
Joel 3:13 De oogst van het onkruid. Mat. 13:39; Op. 14:15, 18.
Joel 3:18 Het koninkrijk op aarde.
Amos profeteerde gedurende twee jaar, ongeveer 70 jaar vóór de ballingschap van Israël.
Amos 5:6 « Zoekt de Heere, en leef ».
Amos 5:14 « Zoekt het goede, en niet het boze, opdat gij levet ».
Amos 5:21-23 « Ik haat, Ik versmaad uwe feesten, en Ik mag uwe verbodsdagen niet rieken; want ofschoon gij Mij brandofferen offert, mitsgaders uwe spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uwe vette beesten mag Ik niet aanzien. Doe het getier uwer liederen van Mij weg, ook mag Ik uwer luiten spel niet horen. »
Amos 9:11-15 « Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, en Ik zal hare reten ver tuinen, en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen vanouds; opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de Heidenen (natiën), die naar Mijnen naam genoemd worden, spreekt de Heere, die dit doet. Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat de ploeger de maaier, en de druiventreder de zaadzaaier genaken zal; en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten. En Ik zal de gevangenis van Mijn volk Israël wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten, en derzelver wijn drinken; en zij zullen hoven maken, en derzelver vrucht eten. En Ik zal ze in hun land planten; en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land, dat Ik hunlieden gegeven heb, zegt de Heere, uw God. » Zie Hand. 15:14-18, doch toen niet vervuld door de verwerping van de Messias (Hand. 28:25-28). Voor « hut », lees « tabernakel » (2 Sam. 6:17).
Jona 2:9 « Maar Ik zal U offeren niet de stem der dankzegging. » Zie Heb, 13:15.
Hij profeteerde gedurende 30 jaar, van af een 20tal jaren vóór tot een 10tal jaren na het begin der 70-jarige ballingschap van Israël (gelijktijdig met Jesaja).
Micha 4:1-5 « Maar in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op de top der bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. En vele Heidenen (natiën) zullen henengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot de berg des Heeren, en ten huize van de God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijne wegen, en wij in Zijne paden wandelen; want uit Zion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem. En Hij zal onder grote volken richten, en machtige Heidenen (natiën) straffen, tot verre toe, en zij zullen hunne zwaarden slaan tot spaden, en hunne spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de krijg niet meer leren. Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijnen wijnstok en onder zijnen vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke: want de mond des Heeren der heirscharen heeft het gesproken. Want alle volken zullen wandelen, elk in de naam zijns Gods; maar wij zullen wandelen in de Naam des Heeren, onzes Gods, eeuwiglijk en altoos. »
Het Koninkrijk brengt ook zegeningen voor de volken. Zie ook b.v. Ps. 72:11, 17; 86:9; Dan. 7:13, 14; Zach. 8:22.
Micha 5:1 « En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn vanouds, van de dagen der eeuwigheid. » Zie Mat. 2:5, 6; Joh. 7:42.
Micha 6:6-8 « Waarmede zal ik de Heere tegenkomen, en mij bukken voor de hogen God? zal ik Hem tegenkomen met brandofferen? niet eenjarige kalveren? Zou de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen? aan tienduizenden van oliebeken? Zal ik mijnen eerstgeborene geven voor mijne overtreding? de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel? Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de Heere van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uwen God? »
Hab. 2:4 « Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven ». Zie Rom. 1:17; Gal. 3:11; Heb. 10:38. Hier wordt bedoeld het opstandingsleven.
Hab. 2:14 « Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des Heeren bekenne, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken. »
Hab. 3:17 De vijgeboom (Mat. 21:19, 20; Mark. 11:13, 20, 21; Luk. 13:6-9) stelt voor de nationale voorrechten van lsraël. De wijnstok (Jes. 5; Joh. 15) de geestelijke voorrechten van Israël. De olijfboom (Rom. 11) de godsdienstige voorrechten van Israël.
Hag. 2:7, 8 « Want alzo zegt de Heere der heir-scharen:Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven; ja, Ik zal al de Heidenen (natiën) doen beven, en zij zullen komen tot de Wens aller Heidenen (natiën), en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de Heere der heirscharen, » Zie Heb. 12:26, 27. Ook vers 10 toont dat hier de tempel van Ezechiël, gedurende het Koninkrijk bedoeld wordt. Heerlijkheid en vrede. Zie de vervulling der aardbeving in Op. 6:12-17.
Hag2:20 Wijnstok, vijgeboom, olijfboom.
Hij profeteerde enige jaren nà de 70-jarige ballingschap.
Zach. 3:8 De Spruit. Zie Jes. 4:2-6.
Zach. 6:12, 13 « En spreek tot hem, zeggende: Alzo spreekt de Heere der heirscharen, zeggende:
Zie, een Man, Wiens naam is Spruit, die zal uit Zijne plaats spruiten, en Hij zal des Heeren tempel bouwen. Ja, Hij zal de tempel des Heeren bouwen, en Hij zal het sieraad dragen, en Hij zal zitten, en heersen op Zijnen troon; en Hij zal priester zijn op Zijnen troon, en de raad des vredes zal tussen die beiden wezen. » Zie Jes. 4:2-6.
Zach. 6:15 « Dit zal geschieden, indien gij vlijtig-lijk zult horen naar de stem des Heeren, uws Gods. » Zij hoorden echter niet, en de vervulling ligt nog in de toekomst.
Zach. 7:5-10 « Spreek tot het ganse volk dezes lands, en tot de priesters, zeggende: Toen gij vasttet en rouwklaagdet, in de vijfde en in de zevende maand, namelijk nu zeventig jaren, hebt gijlieden Mij, Mij enigszins gevast? Of als gij at, en als gij dronkt, waart gij het niet, die daar at, en gij, die daar dronkt? Zijn het niet de woorden, welke de Heere uitriep door de dienst der vorige profeten, toen Jeruzalem bewoond en gerust was, en hare steden rondom haar; en het zuiden en de laagte bewoond was? Verder geschiedde het woord des Heeren tot Zacharia, zeggende: Alzo sprak de Heere der heirscharen, zeggende: Richt een waarachtig gericht, en doet goedertierenheid en barmhartigheden, de een aan de ander; en verdrukt de weduwe noch de wees, de vreemdeling noch de ellendige; en denkt niet in uw hart de een des anderen kwaad. »
Zach. 8:16, 17 « Dit zijn de dingen die gij doen zult: spreekt de waarheid, een iegelijk met zijnen naaste; oordeelt de waarheid en een oordeel des vredes in uwe poorten. En denkt niet de een des anderen kwaad in ulieder hart, en hebt een valsen eed niet lief; want al deze zijn dingen, die Ik haat, spreekt de Heere. »
Zach. 8:23 « Alzo zegt de Heere der heirscharen:Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der Heidenen (natiën), grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van enen Joodsen man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan; want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is. »
Zach. 9:9, 10 « Verheug u zeer, gij dochter Zions ! juich, gij dochter Jeruzalems! Zie, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen. En Ik zal de wagens uit Efraïm uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal de Heidenen (natiën) vrede spreken; en Zijne heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde. » Niets kon de Joden doen veronderstellen dat er 2000 jaar zouden verlopen tussen vers 9 en 10. Van de volken wordt ook alleen gesproken in verband met het aardse Koninkrijk.
Zach. 12:10 « Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over enen eerstgeborene. » Dit zou geschieden na de verwekking van de Antichrist van 11:16, 17 en de herstelling in het land. Zie Mat. 24:30; Joh. 19:37. Hier is natuurlijk geen sprake van de « Christelijke Kerk » zoals de Statenvertaling het opgeeft in het opschrift van dit hoofdstuk.
Zach 13:1 Gedurende het Koninkrijk zal er ene fontein geopend zijn tegen de zonde.
Zach. 13:3 Onmiddellijke gerechtigheid. (Deut. 13:6-11; 18:20).
Zach. 14:4, 5 « En Zijne voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft ervan naar het zuiden. Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda; dan zal de Heere, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o Heere! » Zie Hand. 1:9-12. Heiligen is hier geschreven voor « engelen » zoals in Job. 5:1; Ps. 89:6, 8; Dan. 4; 13; 8:13; Mat. 24:30, 31; 25:31; Juda 14.
Zach. 14:16 « En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle Heidenen (natiën), die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken, om aan te bidden de Koning, de Heere der heirscharen, om te vieren het feest der loofhutten. »
Zach. 14:17-19 Gedurende het koninkrijk is er genezing, zegen, doch ook onmiddellijk oordeel (dood-plage-geen regen) voor de zondaren. Zie Jes. 11:4, 65:20; Hand. 5; 13:11; Luk. 20:35, 36.
Mal. 1:11 De naam des Heeren zal groot zijn onder de volken.
Mal. 3:1-5 De engel (boodschapper) des Heeren bereidt de weg voor de Messias. Hij zou komen kort vóór « de dag des Heeren ». Wie zou dien dag verdragen? (Joël 2:11). Het oordeel zou beginnen met de kinderen van Levi (zie 1 Pet. 4:17). Het koninkrijk zou door de macht van de wedergekeerden Koning opgericht worden. Zie ook b.v. Deut. 30:3; Ps. 50:3-5; 96:13; Zach. 2:10-12,
Mal. 3:7 « Keert weder tot Mij. » Zie ook Deut. 30:1-10; Jes. 55:3; Jer. 4:1; 18:11; 25:5; Ezech. 14:6; 18:30-32; 33:11; Hos. 3:4, 5; Zach. 1:3. Die vraag om bekering werd met meer nadruk dan ooit tot het volk lsraël gericht in de Evangeliën en de Handelingen. Het betreft in het bijzonder de bekering van een volk, niet van enkele personen.
Mal. 4:5 De profeet Elia moest komen vóór de vreselijke dag des Heeren. (Johannes de doper zou voor Elia gerekend zijn, indien Israël de Messias had aangenomen. Zie Mat. 11:14; 17:9-13; Mark. 9:11-13).
Opmerking aangaande het gebruik van de uitdrukkingen « eeuwig », « in eeuwigheid », « tot in der eeuwigheid ».
Die uitdrukkingen zijn meestal de vertaling van « oolam », dat dezelfde betekenis heeft als het Griekse « aioon ». De vertaling in de moderne talen doet gewoonlijk denken aan een eindeloze duur, terwijl het woord eigenlijk een begrensde tijdruimte aanduidt. Nul en oneindig zijn begrippen die niet alleen in de wiskunde moeilijkheden geven en heel voorzichtig behandeld moeten warden; ook in betrekking met de wereldgeschiedenis is dit het geval. Het oneindig grote, de werkelijke « eeuwigheid », ontsnapt aan ons eindig denkvermogen. Terwijl het woord « oolam » soms wel een eindeloze duur niet uitsluit, is het echter de zaken moeilijk en onverstaanbaar maken als men stelselmatig voor een bepaalde tijdsruimte, gedurende dewelke de mensen in een bepaalden toestand geplaatst zijn, de « eeuwigheid » verstaat.
Het verband met andere schriftgedeelten laat zien dat waarschijnlijk nooit aan een eindeloze duur mag gedacht worden. Laat ons uit het overvloedig materiaal de volgende gevallen kiezen:
Ex. 21:5, 6 « En hij (de knecht) zal hem eeuwiglijk dienen. » Zie ook Lev. 25:40.
Jes. 32:14, 15 « Tot in der eeuwigheid... totdat. »
Jer. 7:7 « Zo zal Ik u in deze plaats, in het land, dat ik uwen vaderen gegeven heb, doen wonen van eeuw tot eeuw. »
Ezech. 37:25 « Daarin zullen zij (de kinderen Israëls) wonen, zij en hunne kinderen, en hunne kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid. »
Ezech. 43:7 « Alwaar Ik (de Heere) wonen zal in het midden der kinderen Israëls, in eeuwigheid. »
Dan. 2:44 « Een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden. »
Micha 4:7 « En de Heere zal Koning over hen zijn op de berg Zions, van nu aan tot in eeuwigheid. »
Zef. 2:9 « (Moab en Ammon) ene verwoesting tot in eeuwigheid. »
Er is hier dikwijls sprake van het Messiaans koninkrijk op aarde, dat de heel bepaalden tijd van 1000 jaar duurt (Op. 20). « Eeuwig » bedoelt in dergelijke gevallen « behorende tot » of « in verband met » of « gedurende » de welgekende en voortdurend verwachte « eeuw ».
In andere gevallen is het minder van zelf sprekend dat er verwezen wordt naar het koninkrijk op aarde. Zie ook Mat. 6:13 en het boek « De Tijden der Eeuwen ».
15. in afwachting van de messias Top
Men heeft uit het vorige kunnen nagaan hoe uitvoerig Gods plan beschreven is en hoe alles bereid was voor het koninkrijk op aarde. Het hoogtepunt der openbaringen werd misschien bereikt in Jesaja. Doch het betrof steeds de aarde, de troon van David, Zion, de volken, de rijken der aarde, de koninkrijken onder de ganse hemel. Wel zouden er dan hemelse toestanden zijn, doch alles zou op aarde plaats grijpen.
En deze hemelse toestanden op aarde zouden alleen komen door Gods macht. Verre van mensenwerk te zijn, zou juist, niettegenstaande het verzet van Satan en de onwil der mensen, Gods koninkrijk opgericht worden. Het zou waarlijk een koninkrijk der hemelen zijn. Als instrument, als kanaal Zijner zegeningen zou God Israël gebruiken en door hen de andere volken bereiken. Telkens weer wordt er van die zegeningen der volken gesproken, doch altijd worden dezen laatsten na lsraël geplaatst, als van Israël afhankelijk voorgesteld. Het is van het grootste belang zich dezen toestand in te denken en hem bij het verder onderzoek steeds voor ogen te hebben.
Twee dingen waren nu nog nooig om tot het Messiaans rijk te komen: 1. de Messias zelve, 2. de bekering van Israël, als volk, van Satan (en de afgoden) tot God.
Wat was intussen de toestand van Gods volk en van de andere volken?
Bij het begin onzer jaartelling konden de Israëlieten verdeeld worden in Farizeën, Sadduceën en Esseërs. De sekte der Farizeën was een der oudste en voornaamste; zij vormde zich na de Babylonische gevangenschap, een tweehonderdtal jaar vóór Christus. Het woord Farizeër wil zeggen « afgezonderde ». Zij namen met de uiterste zorg alle uiterlijke voorschriften der wet waar en voegden er nog heel wat bij. Dit ging gepaard met een groten hoogmoed; zij stelden zich zeer boven het volk en werden zeer geëerbiedigd. De Talmud verdeelt ze overigens in 7 klassen. Volgens de Farizeën was de mondelinge overlevering nodig om de Schrift aan Israël en de volken te vullen. Zij legden zich ook zeer vlijtig toe op de studie der « vaderen » en legden er meer nadruk op dan op Gods Woord. Behalve de onsterfelijkheid der ziel en het bestaan van engelen en demonen, geloofden zij ook, volgens Josephus, aan een soort overgaan der ziel van het ene lichaam in het ander. Om de overlevering te behouden werd een paar eeuwen na de geboorte van Christus, de Mischna en de Gemara geschreven, die tezamen de Talmud vormen. Het is de basis van het « Jodendom ». Op een dergelijke wijze zien wij gedurende dien tijd hoe de overlevering ook leidt tot de vorming van het « Christendom ». Geen van beiden steunt op Gods Woord.
De Esseërs gingen nog verder in hun uiterlijke vormen dan de Farizeën, zij onthielden zich van allerlei voedsel enz. en men kan ze aanzien als een soort joodse gnostieken of joodse theosofen.
De Sadduceën (genoemd, meent men, naar de stichter Sadok), waren de aristokraten en op politiek gebied de behoudsgezinde partij. Zij loochenden de onsterfelijkheid der ziel, het bestaan der engelen, de opstanding. Zij waren streng in het onderhouden der wet en hielden zich weinig bezig met overlevering.
Geen dezer sekten geloofde al wat de profeten gesproken en geschreven hadden.
Het schijnt ons hier ook gepast een woord te zeggen over de namen « Joden », « Hebreën » (Hand. 6:1 enz.), « Grieksen » (Hand. 6:1; 9:29 enz.), « Jodengenoten » (proselieten, Hand. 2:10 enz.), « Heidenen », « Grieken », « Barbaren ».
De Heidenen (volken) staan tegenover het uitverkoren volk Israël. De « Grieken » waren de beschaafde volken en de « Barbaren » de minder beschaafde volken.
« Joden » waren Israëlieten van de stam van Judah. Daar deze ln meerderheid in het land waren, werden alle Israëlleten ook wel Joden genoemd.
De Hebreën waren in het bijzonder de lsraëlieten, die in het land leefden en heel « orthodox » waren. Zij behielden het Hebreeuws als voertaal in de Synagogen en lazen in elk geval de Schriften in het Hebreeuws. Alle Hebreën waren echter geen lsraëlieten. Ook de besnedenen uit de volken werden er bij gerekend. Abram was een Hebreeuw (Gen. 14:13).
De Grieksen waren Israëlieten, die meestal buiten het land woonden en minder zorgvuldig de « Joodse godsdienst » beoefenden. Zij lazen ook de Schriften in het Grieks (de vertaling der 70).
Jodengenoten waren besneden of niet. De eersten waren meestal gevoegd bij de groep der Hebreën. De anderen waren niet besneden, doch deelden in het geloof in Jehovah. Zij bleven gescheiden van de Israëlieten in de tempel, en zelfs in de Synagogen.
Onder al die groepen zouden er weldra zijn, die in Christus zouden geloven. Joodse gelovigen bleven echter Jood, al noemde men ze Christenen. Tussen Joden en volken bleef op nationaal en godsdienstig gebied een scheiding. De gelovigen uit de volken werden niet tot lsraël gevoegd, of omgekeerd.
Onderstaande tabel geeft een overzicht over die groepen.
| |
Geloof in Jehovah |
Geloof in Christus Christenen |
Ongelovigen |
| Joden
|
|
|
Grieksen
Hebreën (uit
Israël)
|
Grieksen
Hebreën (uit
Israël)
|
Grieksen
—
|
| |
Hebreën (uit de
Volken)
|
Hebreën (uit de
Volken)
|
— |
| Volken
|
|
|
Jodengenoten
—
— |
Jodengenoten
Grieken
Barabren |
—
Grieken
Barbaren |
Nadat een 400-tal jaar verlopen was sinds het herbouwen van de Tempel, begon de gehele wereld de komst van de Messias te verwachten. Vooral uit de woorden van Daniël wisten de Israëlieten, dat de tijd nabij was en die profetiëen waren zowat overal in het Oosten bekend. In China vindt men er sporen van bij Confucius, die in verbinding met Gods volk geweest was. Zoroaster, die ten tijde van Daniël leefde, schreef er van in de Zend-Avesta. Men vindt die verwachting bij de Siameezen en de Hindoes. In de « Puranas » dezer laatsten leest men dat Vishnoe een verlosser aan de aarde belooft; hij zou in het huis van een herder geboren worden. De Romeinse schrijvers Tacitus, Suetone, Virgilius spreken in hun werken over deze verwachting, die overal verspreid was.
De tijd der vervulling van Gods raad was aangebroken.
Nu moest eerst de « boodschapper » komen om de weg van de Messias gereed te maken. Zij die bereid waren alles te geloven wat de profeten geschreven hadden, konden weten dat Hij in vernedering zou komen en veracht zou worden; dat Hij zou komen om de zonden der mensen op zich te nemen. En dan zou het oordeel, de dag des Heeren komen, gevolgd door het Koninkrijk op aarde, van de hemel gegeven, hemels, niet door mensen ingesteld. Niets kon hen doen verwachten dat er veel tijd zou verlopen tussen de komst van de Messias in vernedering en Zijn komst op de Olijfberg ten oordele en tot heerlijkheid. Zij wisten of konden weten, dat ook de volken zouden gezegend worden, doch slechts na Israël en door Israël, In de tweede plaats; alhoewel die zegeningen ook ten dele konden dienen om de kinderen Israëls tot ijver te verwekken. De inzettingen, offeranden, feestdagen, Sabbatten zouden natuurlijk steeds doorgaan, van een afschaffing was geen sprake; doch dit alles zou slechts uiting zijn van het ware, het geestelijke. En ook gedurende het Koninkrijk zouden die inzettingen, alhoewel enigszins gewijzigd, nog bestaan. De Wet zou dus steeds van kracht blijven, doch het oude verbond, volgens hetwelk Israël op zich genomen had uit eigen macht alles te doen wat de Heere gezegd had, zou vervangen worden door een nieuw verbond. Israël zou van de gelofte vrijgemaakt worden en een nieuw hart krijgen.
Wij kunnen ons dus min of meer in de toestand der ernstige Israëlieten verplaatsen, tot dien tijd terug gaan en voor een ogenblik de Latere openbaringen vergeten.
Men verlieze niet uit het oog, dat de profeten niets van onzen tijd zeggen, dat allen spreken van een reeks doorlopende gebeurtenissen, die nooit de Gemeente der verborgenheid betreffen. Zie:Ps. 118:22; Jes. 9:5, 6; 53:10; 61:2; Dan. 9:26, 27; Hos. 2:13, 14; 3:4, 5 ; Amos 9:10, 11 ; Micha 5:2, 3; Hab. 2:13, 14; Zef. 3:7, 8; Zach. 9:9, 10. Overal wordt de tijd der Gemeente weggelaten.
Wij zullen nu verder de teksten meer uitvoerig onderzoeken, want wij komen nu tot de kern dezer studie. Men denke er steeds aan dat ons doel is Gods Woord te onderzoeken zonder vooropgezette mening en zonder ons te bekommeren over de conclusies die uit dit onderzoek zullen volgen. Wij vertrouwen, dat hij, die de waarheid lief heeft, zich veilig aan Gods Woord kan overgeven en in niets moet terugschrikken, als, bij een dergelijk onderzoek, mocht blijken dat hij vroegere meningen moet terzijde stellen en in conflict komen met medegelovigen. Wij willen ons dan benaarstigen om onszelven Gode beproefd voor te stellen, enen arbeider, die niet beschaamd wordt, die het woord der waarheid recht snijdt (2 Tim. 2: 15).
|
Tweede Deel: De Vervulling. Top
16. de aankondiging en verwerping van de koning en het koninkrijk voor het kruis. (Tit. 1:2).
M a t t h e u s
Ziehier vooreerst de bouw van dit Evangelie volgens de Companion Bible:
| AI |
 |
A1 |
 |
1:1–2:23 Voorbediening. |
| |
 |
|
B1 |
 |
3:1–4 De voorloper. |
| |
 |
|
C1 |
 |
3:5–17 De doop. In water. |
| |
 |
|
D1 |
 |
4:1–11 De verzoeking.In de woestijn. |
| |
 |
|
E |
 |
F1 |
 |
4:12–7:29 Het Koninkrijk. |
|
 |
 |
 |
Aangekondigd |
| |
 |
|
|
 |
F2 |
 |
21:1–26:35 Het Koninkrijk |
|
 |
 |
 |
Verworpen |
| |
 |
|
D2 |
 |
26:36–46 De doodsstrijd. In de Hof. |
| |
 |
|
C2 |
 |
26:47–28:15 De doop van lijden. |
| |
 |
|
B2 |
 |
28:16–18 De opvolgers. |
| |
 |
A2 |
 |
28:19, 20 Na de bediening |
Deze bouw, zoals die van de gehele Bijbel, toont een schikking, die in geen mensenwerk gevonden wordt.
Mat. 1:1 « De Zoon van David. » Zie verbond met David. 2 Sam. 7:12, 16 en verder Ps. 132:11; Jes. 1:1; Jer. 23:5; Hand. 13:23; Rom. 1:3.
Deze naam staat in betrekking met troon en Koninkrijk.
« De Zoon van Abraham ». Zie verbond met Abram. Gen. 12:3; 22:18; Gal. 3:16. Het zaad van Abraham is de erfgenaam van het land. Gen. 15:18. Deze naam staat in betrekking met de verzoening der gehele wereld (zie Gal. 3:14 enz.).
De Heere Jezus is zowel de Verlosser als de Koning. Paulus stelt Hem daarenboven nog voor als het Hoofd der Gemeente.
Dit eerste vers vertoont het verband met alle vroegere Schrift.
Mat. 1:16 « Jezus, gezegd Christus. » Christus wil zeggen Gezalfde; in het Hebreeuws « Messiah ». Men kan dus schrijven « jezus die genoemd wordt Messias. » Zie Joh. 1:42. « Jezus » is gewoonlijk in verband met Zijn vernedering. Ons past het meer « Heere Jezus » of « Heere Jezus Christus » te gebruiken.
Mat. 1:18-20 « Want als Maria, Zijne moeder, met Jozef ondertrouwd was. » « Maria, uwe vrouw. » Alhoewel slechts ondertrouwd, toch is zij de wettelijke vrouw. Zie ook Deut. 22:23, 24.
Mat. 1:21 « Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden. » « Zijn volk » is Israël (Mat. 2:6; 10:5, 6 enz.).
Mat. 1:22, 23 Vervulling van Jes. 7:13-15.
Mat. 2:1 Geboren te Bethlehem. Micha 5:1 (Mat. 2:6).
Mat. 2:2 « De geboren Koning der Joden. » Men lelie er op dat er staat « Koning der Joden » en niet der volken of der Gemeente. Zie ook Luk. 1:33 « over het huis Jakobs. »
Mat. 2:6 Micha 5:1. « Mijn volk Israël weiden. » Ezech. 34:12-24; 37:24.
Mat. 3:1-3 « En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea, en zeggende: Bekeert u; want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Want deze is het, van welken gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt de weg des Heeren, maakt Zijne paden recht! » Jes. 40:3. Zie verder Deut. 30:1-10 en al de profeten. Jes. 55:3; Jer. 4:1; 18:11; 25:5; Ezech. 14:6; 18:30-32; 33:11; Hos. 3:4, 5; 1:3; Mal. 3:7 enz. « Koninkrijk der hemelen » duidt meer in het bijzonder de herkomst van het Koninkrijk aan. Zo heeft men ook: « gezichten Gods » (Ezech. 1:1) voor gezichten die van God komen; « rechtvaardigheid des geloofs » (Rom. 4:11, 13) voor de rechtvaardigheid voortspruitende uit het geloof, enz. Het betreft de aarde en de lagere delen van de hemel (Zie Ef. 1:3).
« Nabij gekomen ». Zie ook Mark. 1:14, 15. De tijd was vervuld. Het reeds zo lang voorbereide koninkrijk was nabij gekomen. Wat nabij komt kan zich echter ook terugtrekken. Zie Mat. 21:43.
Mat. 3:6, 7 Waterdoop in verband met zonden (hier: het niet houden van het verbond) der Israëlieten en het komende koninkrijk. De « toekomende toorn » (Mal. 4:1 enz.) zou komen vóór het oprichten van het koninkrijk op aarde. Zie 1 Thes. 1:10; 2:16; 5:9 en verder Mat. 10:23; 16:28; 24:34; Luk. 21:22, 23.
Mat. 3:10 De boom die geen goede vruchten draagt wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Zie Hab. 3:17; Rom. 11:17. De boom Israël is na het einde der Handelingen « uitgehouwen ».
Mat. 3:11 « Ik doop u wel met water tot bekering; maar die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen; die zal u met de Heiligen Geest en met vuur dopen. » Waterdoop in verband met bekering. « Die » met nadruk: geen andere. Voor de doop met heiligen geest zie Hand. 1:4, 5; 2:3; 11:15; Jes. 44:3; Ezech. 36:26, 27; Joël 2:28. « De Heiligen Geest » heeft geen lidwoord in het Grieks, lees « heiligen geest » d.i. de « kracht uit de hoogte » van Luk. 24:49, niet de Gever (de H. G. als persoon), maar de gave.
« Met de Heiligen Geest en met vuur » is de spraakfiguur hendiadys en staat voor: « met heiligen geest, ja met een vurigen (reinigende, vers 12) geest », zoals in Ef. 6:18 « met alle gedurigheid en smeking » voor: « met gedurige smeking ». Deze spraakfiguur is gebruikt om de nadruk te leggen op het karakter der zaak.
Mat. 3:15, 17 Jezus gedoopt opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden (Joh. 1:31) als Messias. Het was de zalving van de Messias; de zalving ging gepaard met wassing (Ex. 29:4-7; Lev. 8:6, 12).
Mat. 4 Nu het zaad der vrouw gekomen is, komt ook Satan persoonlijk om zich tegen Hem te verzetten.
Mat. 4:4, 7, 10 « Er is geschreven ». De Heere wijst op het geschreven woord, niet op de overlevering.
Mat. 4:17 « Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken, en te zeggen: Bekeert u; want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. » De bekering van Satan tot God, opdat het koninkrijk zou komen, was reeds zo dikwijls gevraagd (zie Mat. 3:1-3 noot), doeh nu de Koning er was, werd zij met des te meer nadruk verzocht. Zie Dan. 2:44.
Mat. 4:23, 24 « En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hunne synagogen en predikende het Evangelie des koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk. En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van de duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas ze. » Men lette op het nauw verband tussen de verkondiging van de blijde boodschap aangaande het koninkrijk op aarde, dat nabij was, en het genezen van zieken.
Mat. 5-7 De « bergrede » betreft het ingaan in het koninkrijk op aarde. Vergelijk ze met Psalm 15, die ook spreekt over hen, die deel zullen hebben aan dat koninkrijk. Zie ook Jes. 57:13-18. « Volmaaktheid » wordt gevraagd en een loon beloofd. Dit alles is niet gericht tot de Gemeente, die eerst later aan Paulus geopenbaard werd. De brieven aan de Hebreën en van Jakobus spreken uitvoerig over de hier gevraagde « volmaaktheid ». Ook in Op. 2 en 3 vinden wij die eisen terug in verband met het komende koninkrijk. Het feit dat ook in onze bedeling « volmaaktheid » gevraagd wordt (Zie b.v. Fil. 1:12-18, 29; 2:3, 15, 16, 20, 21; 3:12-15, 18, 19; 4:6, 8 enz.), doch van een anderen aard, kan ten dele verklaren dat men die bedeling met die waarvan hier sprake is verwart.
Mat. 5:3 Arm in deze eeuw; rijk in het koninkrijk. Zie Jak. 2:5. Vergelijk de 8 zaligsprekingen, in verband met het nabijzijn, met het achtvoudige « Wee U » (Mat. 23:13-33) in verband met de verwerping van het koninkrijk. « Arm » kan ook de betekenis hebben van « verdrukt » of « bedrukt ».
Mat. 5:5 De zachtmoedigen beërven het aardrijk (het land). Zij zijn niet gezet in de « opperhemelse », zoals de leden der Gemeente (Ef. 2:6).
Mat. 5:7 De barmhartigen. Zie jak. 2:13.
Mat. 5:8 De reinen van hart. Zie Ps. 24:4, 5; 73:1.
Mat. 5:17-20 Deze geboden vervullen de Wet en de Profeten. Het zou onvoorzichtig zijn te veronderstellen dat het ingaan in het koninkrijk gemakkelijk zou zijn op grond van vers 20. Wat gevraagd wordt is « volmaaktheid », zie vers 48. Dit is slechts mogelijk door de geboorte van boven (Joh. 3:3-5; 1 Joh. 2:1-5).
Mat. 5:21-48 Deze geboden gaan verder dan de Wet van Mozes, zij vragen « volmaaktheid ».
Mat. 5:34 Zweert niet. Zie Jak. 5:12.
Mat. 5:35 Jeruzalem de stad des groten Konings.
Mat. 5:39 Niet altijd toepasselijk. Zie Joh. 18:22, 23 na de verwerping. Het is een der gevallen die ons leert rekening te houden met tijden en omstandigheden bij het toepassen van een tekst.
Mat. 5:45 « Kinderen uws Vaders ». Geen kenmerk voor de leden der Gemeente. Zie Hos. 1:10; Ex. 4:22; Deut. 32:6.
Mat. 5:48 « Volmaakt zijn » is hier de zaak waarop de nadruk gelegd wordt, zoals in de brief aan de Hebreën enz. Zie ook 2 Pet. 1:11. Loon of vergelding in het koninkrijk op aarde.
Mat. 6:1-7 Deze geboden overtreffen de overleveringen der oudsten. Men lette op de nadruk die gelegd wordt op « loon » en « vergelding ». Het gaat niet om de behoudenis.
Mat. 6:10 « Uw koninkrijk kome »; dat moest de voornaamste hunner verwachtingen zijn. In onze bedeling verwachten wij veeleer de verandering van ons lichaam. Gods wil in de hemel en op aarde is een voorbereiding van de toestand die heerst na het koninkrijk, in de nieuwen hemel en aarde. (Op. 21). De aard van het koninkrijk kan men alleen uit de Schrift leren kennen. Het is ten dele op aarde, maar hemels.
Mat. 6:11 « Dagelijks » is de vertaling van een woord, dat nergens anders gebruikt is. Het betekent veeleer « komende » of « nederdalende op » (zoals het manna). Men denke hier aan het beeld dat ons gegeven is bij de woestijnreis en het ingaan in het beloofde land. Die bede om stoffelijk voedsel heeft overigens grote betekenis voor hen die de nabijheid van het koninkrijk verkondigen en niets mede nemen op de weg (Mat. 10:7-10). Ook natuurlijk gedurende de grote verdrukking en de antichrist. Het is zeer goed mogelijk dat het manna later weer op sommigen zal neerkomen (Op. 12).
Mat. 7:12 Deze geboden vervullen de Wet en de Profeten.
Mat. 7:13, 14 De brede en de smalle weg van Deut. 30:15; 1 Kon. 18:21; 2 Pet. 2:2, 15. Het beërven, of niet, van het koninkrijk. Het leven gedurende het koninkrijk (de eeuw).
Mat. 6:12 Onder die bedeling werden hun zonden slechts vergeven als zij zelven anderen vergeven hadden (zie ook Mark. 11:25, 26 en vers 14). Nu vergeven wij elkander, omdat God ons om Christus wille vergeven heeft (Ef. 4:32).
Mat. 6:13 « Verlos ons van de boze ». Satan zou gebonden zijn gedurende het koninkrijk. « In der eeuwigheid » is « in de eeuw ». Het is van groot belang de betekenis van « aioon », « aioonios » enz. na te gaan. Men raadplege b.v. de Companion Bible. Van « eeuwigheid » in de zin van eindeloze duur, wordt in de Bijbel waarschijnlijk niets gezegd. In vele gevallen betreft « eeuw » het koninkrijk (zie b.v. Luk. 20:35). Het is de eeuw door alle profeten beschreven en rijkhalzend verwacht. Natuurlijk wordt ook van andere « eeuwen » gesproken. Zie ook bl. 95 en het boek « De Tijden der Eeuwen ».
Mat. 6:16-18 Voor hen tot wien de bergrede gericht is, bestaat nog steeds het vasten, zowel als andere inzettingen. De nadruk wordt natuurlijk gelegd op hetgeen in het hart omgaat, zoals reeds in Jes. 58:2-14 enz. Men bemerkt dat er in deze bergrede sprake is van de Wet, de Tempel, de offeranden, de vormen in de synagogen, het vasten enz., dit alles betreft uitsluitend Israël.
Mat. 7:22, 23 « Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uwen Naam geprofeteerd, en in Uwen Naam duivelen uitgeworpen, en in Uwen naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt! » Wonderen en krachten zijn op zichzelve geen bewijs dat zij, die ze doen, van God gezonden zijn.
Mat. 8:1-16 De genezing van de melaatse, de geraakte en de koortslijderes. Vervulling van Jes. 25:8; 35:3-6. De wonderen, die de profetie vervulden, moesten de Joden een teken zijn dat de Messias gekomen was. Lev. 14:2 moest nog steeds nagekomen worden.
Mat. 8:11 Velen zulten komen van Oosten en Westen en aanzitten in het koninkrijk der hemelen. Het betreft de zegening der volken in verband met het koninkrijk op aarde. Zie Jes. 2:2, 3; 52:15; 65:1; Deut. 32:21.
Mat. 8:12 « De kinderen des koninkrijks zullen uitgeworpen worden » betreft de Israëlieten die meer reden hadden om de Messias aan te nemen dan de volken en het toch niet deden. Jes. 8:13-15; 10:20-22. Het overblijfsel bekeert zich tot God, de anderen worden uitgeworpen.
Mat. 8:20 « De Zoon des mensen ». Die naam staat in verband met Israël, de aarde en het koninkrijk. Zie Dan. 7:13, 14; Op. 14:14. Nooit gebruikt in betrekking met de Gemeente der verborgenheid.
Mat. 8:26, 27 De Koning heeft ook macht over de schepping.
Mat. 8:28-33 De koning heeft macht over de demonen. Zoals in het geval van de storm, die gestild werd, toont ook deze genezing dat Jezus de Messias was.
Mat. 9:1-8 De genezing van de lamme. Vervulling van Jes. 35:5-6.
Mat. 9:13 « Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. » Zie Hos. 6:6 en de daar opgegeven teksten. De tijd der genezing (Hos. 6:1) was gekomen.
Mat. 9:14-17 Onze handelwijze moet afhangen van de bedeling waarin wij leven. Het dikwijls vasten was overigens een mensen instelling en niet naar de Wet, die slechts één vasten per jaar voorschreef (Lev. 16:29; Num. 29:7).
Mat. 9:18-33 De genezing der bloed vloeiende vrouw, de opwekking van het meisje, de genezing der blinden. Tekenen dat Jezus de Messias was en vervulling der profetieën; b.v. Jes. 29:18; 35:5.
Mat. 9:35 Nauw verband tussen de verkondiging van het koninkrijk aan Israël en de genezingen.
Mat. 9:36 De verstrooide schapen van Israël. Zie Jer. 23:3, 4; Ezech. 34:12-16, 22-24; Mat. 15:24; 18:11; Joh. 10:11.
Mat. 10:1-4 De roeping der 12 apostelen. Hun wordt ook de macht gegeven over demonen en de kracht om te genezen.
Mat. 10:5, 6 zij moesten alleen tot Israël gaan. « De verloren schapen van het huis Israëls ». Zie Mat. 9:36.
Mat. 10:7 Zij moesten de nabijheid van het koninkrijk verkondigen. Men bemerkt hoezeer dit « evangelie » d.i. blijde boodschap, verschilt van de latere boodschappen, zoals na de opstanding; zoals nu, gedurende de tijd der Gemeente en zoals later, na de Gemeente en vóór het koninkrijk. De Apostel Petrus, die hier het evangelie des koninkrijks verkondigt, weet niets en wil niets weten van het sterven van de Messias (Mat. 16:21-23).
Mat. 10:8 Men bemerkt steeds de nauwe gemeenschap tussen het prediken van het nabij zijnde koninkrijk en de tekenen.
Mat. 10:9, 10 Zie Mark. 6:8, 9; Luk. 9:3; 10:4. Bij de verkondiging van het koninkrijk moesten zij niets mede nemen op hun weg en niet bedelen 1, want zij zouden hun « dagelijks brood » ontvangen (Mat. 6:11). Zie ook Luk. 10:7 « de arbeider is zijn loon waardig; gaat niet van huis tot huis ». Dit, vergeleken met Luk. 22:36 (na de verwerping, toen het koninkrijk tijdelijk niet aangekondigd werd) is een treffend voorbeeld van het feit dat men nauwkeurig rekening moet houden van de bedelingen en omstandigheden, als men Bijbelteksten gebruikt.
Mat. 10:14 Zie Mark. 6:11; Luk. 9:5; 10:11. Wij zien later dat de Apostel Paulus, toen hij te Korinthe betuigde dat Jezus de Messias was, en het koninkrijk dus nabij was, het stof van zijn klederen schudde toen de Joden die boodschap niet ontvingen (Hand. 18:6). Zo ook te Antiochië (Hand. 13:51).
Mat. 11:10 Johannes de doper was de engel (boodschapper) van Mal. 3:1.
Mat. 10:17, 18 Overgeleverd en gegeseld, zoals het geschiedde gedurende de ganse tijd der verkondiging van het koninkrijk (zie Handelingen).
Mat. 10:22 « Maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden », « einde » is de vertaling van « telos »: het einde der bedeling, juist vóór het begin van het koninkrijk, dat zou gekomen zijn hadden zij het niet verworpen. « Einde » is meer in de zin van het bereiken van een doel dan in het bepalen van een tijdstip, Zie ook Heb. 2:3, 4 aangaande die zaligheid. In Mat. 24:3 is « voleinding » het laatste gedeelte der bedeling wanneer alles samenwerkt om tot het « einde » te komen. Hetzelfde einde vinden wij ook in 1 Kor. 1:8, waar ze ook « onstraffelijk » zullen zijn en de « openbaring » van de Heere, d. i. het koninkrijk verwachten en intussen geen gave ontbreken. Zie ook Mat. 24:4-14. Van de gehele tegenwoordige bedeling wordt hier geen woord gezegd.
Mat. 10:23 « Gij zult uwe reis door de steden Israëls niet geëindigd hebben, of de Zoon des mensen zal gekomen zijn ». De laatste woorden geven op onvoldoende wijze het Grieks weer, dat niet bevestigend, maar voorwaardelijk is: « kan gekomen zijn » zou men kunnen schrijven. Had Israël, als volk, zich bekeerd, dan zou het koninkrijk inderdaad kort daarna gekomen zijn, in overeenstemming met de profeten.
Mat. 11:2-5 « En Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijne discipelen, en zeide tot Hem: Zijt gij degene, die komen zou, of verwachten wij enen anderen ? En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet: De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatschen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd ». Zie ook Luk. 7:22. Het doen van de door de profeten voorspelde wonderen (Jes. 29:18; 35:4-6; 42:7; 61:1-3, enz.), in de tijd en de omstandigheden van toen, waren een bewijs dat Jezus de Messias was en dat het koninkrijk nabij was.
Mat. 11:13 « Want al de profeten en de Wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd » en alles zou dan vervuld geworden zijn had Israël zijn Messias aangenomen. Vervang in Luk. 16:16 het bijgevoegde woord « zijn » door « hebben geprofeteerd ».
Mat. 11:14 « En zo gij het wilt aannemen, hij is (of: stelt voor) Elias, die komen zou. » Johannes zou voor Elias gerekend zijn hadden de zijnen Hem en het koninkrijk aangenomen. (Mal. 4:5; Mat. 17:9-13; Mark. 9:11-13; Luk. 1:17). Ook in het O. T. (1 Kon. 18:36, 37) staat Elia in verband met de bekering van Israël tot God. Johannes was gekomen in de geest en de kracht van Elias (Luk. 1:17).
Mat. 11:20 De inwoners der steden in dewelke Zijn krachten het meest geschied waren, wordt verweten omdat zij zich niet bekeerd hadden. Het betreft hier altijd de Israëlieten, die in deze steden woonden, want de blijde boodschap des koninkrijks was uitsluitend tot Israël gebracht. Die wonderen moesten niet dienen om mensen, die niet aan God geloofden, gelovig te maken, maar om aan Israël, dat God diende en Zijn Woord bezat, te doen kennen, dat de Messias in hun midden was. Nu was het meer dan ooit de tijd om zich van hun boosheden te bekeren en zich tot God te wenden, ten einde het oordeel te ontvlieden.
Mat. 12:15-21 Vervulling van Jes. 41:8; 42:1. Wonderen in verband met de komst van de Messias, oordeel en zegening der volken. De Messias is meester van de natuurlijke en de geestelijke wereld.
Mat. 12:28, 29 « Maar indien Ik door de Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het koninkrijk Gods tot u gekomen. Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijne vaten ontroven, tenzij dat hij eerst de sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven ». Zie ook Luk. 11:20-22. Het uitwerpen van de demonen was een der tekenen dat het koninkrijk nabij was. Dergelijke krachten dienden niet om een « nieuwe godsdienst » in te voeren of om de Gemeente, door de apostel Paulus geopenbaard, te stichten. De Messias begon toen de sterke (Satan) te binden en van zijn huis (de wereld) bezit te nemen. Dat binden is in onzen tijd onderbroken.
Mat. 12:32 Hun die de krachten, verricht door de werking van de Heiligen Geest, tegen beter weten in, aan Satan toeschrijven (zoals de Farizeën van vers 24), zullen noch in deze eeuw, noch in de toekomende (het koninkrijk), vergiffenis erlangen.
Mat. 12:38-41 De Heere wist dat geen teken zou helpen, als zelfs Zijn opstanding hen niet zou overtuigen dat Hij de Messias was.
Mat. 13:1-23 Deze en de volgende gelijkenissen betreffen het koninkrijk (zie verzen 11, 19). Het zaaien kan toegepast worden op de verkondiging van het koninkrijk: 1° door Johannes (Mat. 3:2) « bij de weg »; 2° door Christus, de 12 en de 70 « op steenachtige plaatsen » (Mat. 4:12-26:35); 3° door de 12 en Paulus (Handelingen) « in de doornen » (zie b.v. hoe Paulus door de doornen gekwetst werd in 2 Kor. 11:23-27); 4° in de toekomst, gedurende de 70ste week van Daniël, vóór liet « einde » (Mat. 24:14), « in goede aarde » (omdat deze aarde onder meer door verdrukking voorbereid is). Hier zal vrucht zijn en het overblijfsel van Israël zal het koninkrijk ingaan.
De gelijkenissen werden gebruikt omdat het koninkrijk verworpen was en de geheimen van dit rijk niet voor allen bestemd waren. De gelijkenissen hebben niet tot doel iets op te helderen. Men lette op de aanhaling van Jes. 6:9 bij elke verwerping, ook bij die van Hand. 28:24.
Mat. 13:11, 35 « Verborgenheid ». De betekenis is niet « mysterie » d.i. iets dat niet kan begrepen worden. Het is een geheim, dat niet gekend wordt zolang het niet geopenbaard is of niet aangenomen wordt. Die dingen waren vroeger verborgen (vers 35). Deze verborgenheden betreffen Israël en in het bijzonder de tijd gedurende denwelken de koning verworpen blijft. Daarom echter zeggen zij nog niets van de Gemeente, die het lichaam van Christus is. Let op: « van de grondlegging der wereld ». Zie Ef. 1:4.
Mat. 13:38 De mensen worden in twee groepen verdeeld: 1° de kinderen (of zonen) des koninkrijks en 2° de kinderen des bozen (Satan). De blijde boodschap zou de eersten moeten « bekeren » en natuurlijk niet aangenomen worden door de tweeden.
Mat. 13:57 « En zij werden aan Hem geërgerd » als vervulling van Jes. 8:13-15; 53:3.
Mat. 13:58 « En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, wegens hun ongeloof ». De krachten waren bestemd om aan de gelovige Israëlieten te tonen dat hun Messias gekomen en het koninkrijk dus nabij was.
Mat. 14:19 « En als Hij ze (de broden) gebroken had ». De broden waren dunne koeken, die vóór het eten gebroken moesten worden. « Breken des broods » is geschreven voor « eten des broods » of « eten » in het algemeen.
Mat. 14:33 Als de Heere de wind stilt, erkennen zijn discipelen hierin dat Hij Gods Zoon is, de Messias.
Mat. 15:2, 3 Zie ook Mark. 7:6-9, 13. De Schriftgeleerden en Farizeën zijn geërgerd, omdat Zijn discipelen de inzettingen der ouden (zij die gezag hebben) overtreden. Maar Christus wijst op het gebod van God, dat ter wille dier inzettingen overtreden werd. Jes. 29:13 aangehaald. Het is niet een terzijde stelling der Wet. Zij wasten hun handen vóór de maaltijden omdat, volgens de Zohar, zij hun handen verontreinigden door het aanraken van demonen (in mensenvorm) of van iets onreins.
Mat. 15:9 « Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn ». Een waarschuwing voor alle tijden.
Mat. 15:11, 18-20 « Hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt de mens ». Nadruk op de gezindheid des harten, zoals de Wet en de profeten het steeds deden. Zie Deut. 6:5; 10:12, 13; Lev. 19:1-18; 1 Kron. 29:17-19; 2 Kron. 16:9; Jes. 1:11-18; 43:23 , 24; 58:2-14; Hos. 6:6; Am. 5:21-24; Mich. 6:6-8, enz.
Mat. 15:22-26 De Zone Davids moest eerst door de zijnen als Messias erkend worden, vóór Hij als zodanig in betrekking kon komen tot de volken. Hij was alleen gezonden tot de verloren schapen Israëls (Mat. 10:5, 6), niet tot de honden (de volken). Zie ook Mark. 7:27 « Laat eerst de kinderen verzadigd worden ». Als Heere aangesproken, kon Hij haar helpen.
Mat. 15:30, 31 Stommen spreken, lammen gezond, kreupelen wandelen, blinden zien, ter vervulling van Jes. 35:3-6 enz. De scharen verheerlijkten de God Israëls ter vervulling van Jes. 29:23.
Mat. 1-6:3, 4 De Farizeën en Schriftgeleerden streng berispt, omdat zij de tekenen der tijden niet onderscheiden.
Mat. 16:16 Petrus beleed dat Jezus de Messias was.
Mat. 16:18 « En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen ». Simon (zijn natuurlijke naam, telkens gebruikt om zijn zwakheid aan te duiden) was nu een « pétros » of « kephas » d.i. een steen (mannelijk), tengevolge zijner belijdenis en met het oog op zijn apostelschap. « Pétra » (de rots, zoals in Mark. 15:46) is vrouwelijk en kan alleen verwijzen naar de belijdenis en naar het fundament Jezus Christus (1 Kor. 3:11; Jes. 28:16), de steen des aanstoots, de rots der ergernis (1 Petr. 2:7; Ps. 118:22). Zo dachten er ook over: Origenes, Jerome, Augustinus, enz. « Deze » verwijst naar de spreker (Christus) evenals in Joh. 2:19; 6:58. « Gemeente » is hier gebruikt voor de « samenvergadering » der kinderen Israëls (Hos. 1:10. 11), de gemeente van Ps. 22:23, 26. Die koninkrijks gemeente ligt nog in de toekomst. Van de Gemeente der verborgenheid is nog geen woord geopenbaard. « Poorten der hel »: poort staat hier voor de kracht om tegen te houden, « hel » is de vertaling van Hades d.i. het graf (zie Jes. 38:10; Ps. 9:14). Het graf zal geen kracht hebben om zijn gevangenen te weerhouden; Christus heeft de sleutels (Op. 1:18). Het betreft hier de opstanding der doden vóór het koninkrijk. (Zie Ezech. 37:12, 13; 1 Kor. 15:54; Hos. 13:14).
Mat. 16:19 « En Ik zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn ». « Sleutelen » is gebruikt voor de macht om te openen, het is het teken van een toevertrouwd rentmeesterschap. Zie de hofmeester van Jes. 22:15-25. Het betreft hier wederom het koninkrijk op aarde (niet de hemel) en de verkondiging betreffende dit koninkrijk, zoals in Hand. 2, 3 en 10 b.v. « Zult binden » dezelfde macht is gegeven aan de discipelen in Mat. 18:18 en Joh. 20:23 en uitgeoefend in Hand. 5:1-11, b.v. Binden en ontbinden zijn hebreeuwse uitdrukkingen voor het uitoefenen van macht; hier in het bijzonder het verklaren van wat bindt of ontbindt (wetten en instellingen). « Wat » betreft geen personen, maar zaken of handelingen, zie Mat. 18:15-17. De Farizeërs bonden lasten. Mat. 23:4.
Mat. 16:21-23 De Messias moest lijden, sterven en opgewekt worden. Niettegenstaande de profetieën, zoals Jes. 53, konden zelfs de apostelen dit niet geloven. Zij steunden te veel op hun eigene meningen en hun gevoel. Later zou hun verstand geopend worden (Luk. 24:45).
Mat. 16:27, 28 De komst in heerlijkheid en het oordeel hadden moeten volgen kort na de opstanding, zodat sommigen van hen nog zouden leven en de Zoon des mensen zouden zien komen in Zijn koninkrijk. « Totdat », het Grieks toont aan dat dit voorwaardelijk was. Die komst hing af van de bekering van Israël (zie Hand. 3:19-26 noot).
Mat. 17:1-3 De verheerlijking van Christus met Mozes en Elias. Een proeve der latere heerlijkheid. Mozes: type van hen die uit de doden opstaan; Elias: type van hen die levend overblijven (1 Thes. 4:16, 17). Geen van beide behoort tot de Gemeente die het lichaam van Christus is en door Paulus eerst ongeveer 30 jaar later geopenbaard werd.
Mat. 17:10-13 Zie Mat. 11:14. Zij verwachtten de spoedige komst van het koninkrijk. Elias zou alles « weder oprichten » (zie Hand. 3:21). Dat heeft Joh. de Doper natuurlijk nooit gedaan. Door de verwerping van het koninkrijk ligt de vervulling nog in de toekomst, vóór de « dag des Heeren » (Mal. 3:5; 4:5).
Mat. 17:20 « Niets zal u onmogelijk zijn » betreft in het bijzonder de apostelen en de hun gegeven macht in betrekking met de verkondiging van het koninkrijk.
Mat. 18:3, 4 « Verandering », vernedering en zich in berouw tot God keren waren nodig om het koninkrijk in te gaan. Zie Jes. 57:13-15 enz.
Mat. 18:11 « Dat verloren was ». In de eerste plaats de verloren schapen van het huis Israëls (Mat. 15:24), die verloren waren omdat zij geen herder hadden. Zie Mat. 9:36 en de daar aangehaalde teksten. Dergelijke uitdrukkingen kan men natuurlijk ook toepassen op alle mensen, maar de uitleg betreft Israël.
Mat. 18:17 De « gemeente » (ekkleesia) is de « kaahaal » van Ps. 22:23 enz. Men wachtte zich ervoor deze te verwarren met de Gemeente door Paulus geopenbaard, waarvan de leden uit Israël en uit de volken zijn geroepen. Hier worden de Heidenen (volken) met de tollenaren en de zondigen Israëliet op gelijken voet gesteld als niet behorende tot de gemeente.
« Het Griekse woord ekkleesia betekent vergadering, of een groep uitgeroepenen. Het is zeventig maal gebruikt in de vertaling der 70 voor het hebreeuwse kaahaal (waaruit het engelse call), dat ook door « sunagoogé » in de vertaling der 70 weergegeven wordt. Ekkleesia komt in het N. T. 115 maal voor.
Kahal wordt gebruikt 1° voor Israël als een volk van tussen de andere volken uitgeroepen (Gen. 28:3); 2° van de stamraad van Simeon en Levi, namelijk zij die van eiken stam uitgeroepen zijn (Gen. 49:6); 3e voor een vergadering Israëlieten uitgeroepen tot aanbidding of voor eenig ander doel (Deut. 18:16; 31:30; Joz. 8:35; Richt. 21:8); 4° voor ene vergadering aanbidders (Ps. 22:23, 26 zie ook « ekkleesia » in Mat. 16:18; 18:17; 1 Kor. 14:19, 35 enz.); 5° het overeenkomende woord ekkleesia voor afzonderlijke vergaderingen in verschillende plaatsen (Hand. 5:11; 8:3; 1 Kor. 4:17 enz.); 6° voor het gilde of de bond der zilversmeden van Efeze (Hand. 19:32, 40).
Tenslotte is er het bijzonder gebruik van « gemeente » door Paulus, dat van al deze verschilt.
Mat. 18:18 Zie Mat. 16:19.
Mat. 18:23.34 Zie Mat. 6:12.
Mat. 18:35 Toepasselijk gedurende het koninkrijk en de tijd dat het aangekondigd wordt.
Mat. 19:5 « Tot één vlees zijn » is « tot één persoon gerekend worden ».
Mat. 19:16, 17 « Wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? Antwoord: « onderhoud de geboden ». Alle geboden moesten onderhouden worden (Mat. 5:19; Jak. 2:10, 11; Gal. 3:10).
Het « eeuwige leven » is het leven gedurende het koninkrijk. (Mat. 25:46).
Mat. 19:18-22 Zie ook Mark. 10:30 « in de toekomende eeuw ». De jongeling had « al deze dingen » onderhouden, maar niet het 10e gebod (Ex. 20:17). Zie ook Mark. 10:21 « één ding ». Daarom zegt de Heere in verzen 23, 24 dat een rijke moeilijk het koninkrijk ingaat, want hij zondigt meestal tegen het 10e gebod en dit met bewustzijn en zonder zijn zonde te belijden. « Verkoop wat gij hebt » was een gebod voor dien tijd, toen het koninkrijk moest volgen en de koningskinderen niets te kort zouden hebben (Ps. 145:13-16). Het gaat hier overigens vooral over een loon, naar werken, een « volmaakt » zijn, zoals in de bergrede en de brief aan de Hebr. b.v. gevraagd wordt. Zie vers 21. Het is vergelding naar het « doen » (Mat. 16:27).
Mat. 19:23, 24 Het koninkrijk der hemelen wordt hier ook koninkrijk Gods genoemd, zoals in de andere evangeliën. Het is een meer algemene uitdrukking.
Mat. 19:25, 26 « Wie kan dan zalig worden? » « Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk ». Zie Rom. 6:23. Niemand kon de gehele wet volgen, doch als hij zijn zonde inzag en Gods genade inriep, zou hij door genade, het « eeuwige leven » hebben. Het was geen nieuwe boodschap, zoals men bemerkt uit 2 Sam. 12:13; Ps. 32:5. « Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor de Heere; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde »; Jes. 6:5-7; 43:25, 26 (lees « uwe zonden » in plaats van « uwe redenen »). Zie ook Luk. 15:21-24; 17:3, 4. De jongeling ging bedroefd weg en vroeg geen genade, bekeerde zich niet van zijn zonde.
Mat. 19:28 « En Jezus zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls ». « In de wedergeboorte » is de « wederoprichting » van Hand. 3:21, namelijk het koninkrijk op aarde. Men lette op de bestemming der 12 apostelen (waartoe Paulus niet behoort). Zie Hand. 1:26. Het spreekt van zelve dat er geen opvolgers dezer apostelen kunnen zijn, vermits er slechts 12 geslachten (stammen) Israëls zijn.
Mat. 20:1 De wijngaard stelt Israël voor. Zie Ps. 80:9, 10; Jes. 5:1-7; Jer. 2:21; 8:13; Ezech. 19:10-14; Hos. 10:1; Joël 1:7, 12 enz.
Mat. 20:2 « Eenen penning des daags », dat is juist wat ze nodig hadden om te leven.
Mat. 20:3-8 De tijdsopgaven zijn niet willekeurig gekozen.
De « morgenstond » (vers 1), komt overeen met de roeping der 12 apostelen door Christus, vóór het verkondigen van het koninkrijk.
De « derde ure » (d.i. 9 uur), komt overeen met de derde uur van Hand. 2:15, toen ook de discipelen het koninkrijk gingen verkondigen d.i. « heengaan in de wijngaard » (Israël).
De « zesde ure » (d.i. 12 uur), komt overeen met de zesde uur van Hand. 10:9, toen Petrus zich ook tot Cornelius moest wenden en hem moest verkondigen dat Jezus de gezalfde was en de tekenen deed die Hem als Messias aanduiden (Hand. 10:38), dat « Hij is degene, die van God verordineerd is tot een rechter over levenden en doden » (Hand. 10:42).
De « negende ure » (d.i. 3 uur), komt overeen met de negende uur van Hand. 10:3, toen de engel aan Cornelius verscheen (de zesde en negende uur worden in Mat. 20:5 tezamen vermeld en betreffen dus dezelfde zaak).
De « elfde ure » (d.i. 5 uur), komt overeen met de tijd vóór het einde, toen « sommigen » (Hand. 17:34), Aquila en Priscilla (Hand 18:2), Crispus (Hand. 18:8), Apollos (Hand. 18:24), 12 mannen (Hand. 19:7) en zoveel anderen ook met Paulus de boodschap van het komende koninkrijk verkondigden.
Daar Israël, als volk, zich niet bekeerde, zal die elfde uur later weer voortgaan, als het evangelie des koninkrijks in de gehele wereld zal verkondigd worden (Mat. 24:14) en het einde zal volgen. De tegenwoordige bedeling ligt hier tussen.
De avond, de tijd der afrekening, komt overeen met de tijd van het oordeel en vergelding, waarover zojuist gesproken was (Mat. 19:28, 29), het begin van het koninkrijk.
Mat. 20:22, 23 Luk. 12:50 De doop in het lijden.
Mat. 20:30-34 De Zone Davids maakt twee blinden ziende. Ook in Mat. 9:27 waren er twee blinden en deze beide wonderen zijn de enige verricht door Christus als de « Zone Davids ». Die tekenen wijzen op de blindheid van Israël en Juda en hun genezing als het koninkrijk opgericht wordt en zij Hem zullen zien, dien zij doorstoken hebben.
Mat. 21:1-9 De Zone Davids, als zodanig erkend door de scharen, doet zijn intocht in Jeruzalem, op een ezelin en een veulen (Zach. 9:9). Men kan opmerken dat slechts een deel van Zach. 9:9 aangehaald wordt: dat betreffende de Koning en niet dat betreffende de Heiland.
Mat. 21:12-13 De reiniging van de Tempel (Jes. 56:7; Jer. 7:11).
Mat. 21:14 De laatste tekenen.
Mat. 21:19 « In de eeuwigheid » is de vertaling van « eis ton aioona ». Men kan schrijven: « gedurende de eeuw ». De vijgeboom stelde Israël voor (Jer. 8:13). Die werkelijke vijgeboom zou geen vrucht dragen gedurende de tijd vóór het koninkrijk. Zie opmerking: blz. 95 en Mat. 6:13.
Mat. 21:33-44 De Israëlieten van toen gaven geen vrucht en zouden de landheer (Christus), die voor hen een struikelsteen was, doden. Het overblijfsel zal vrucht dragen en het koninkrijk ingaan. Zie ook Luk. 20:16 waar « anderen » de vertaling is van « allos », dus anderen van dezelfden aard: Joden, niet volken.
Mat. 22:3, 4 « De genoden ». Israël was reeds door de profeten genood. « Dienstknechten » dat waren Joh. de Doper en de 12. « Andere dienstknechten » waren Paulus, toen hij zijn eerste opdracht uitvoerde, en de discipelen.
Mat. 22:6-8 « Smaadheid » en dood. Zie Hand. « Doodslagers vernield, en hunne stad in brand » is de verwoesting van Jeruzalem en verspreiding van Israël. De bruiloft met de ondertrouwde, d.i. Israël (Jer. 2:2; 3:14; Ezech. 16:8-13) had moeten beginnen, doch is nu uitgesteld. De vervulling van verzen 9 en 10 (Mat. 24:14) ligt in de toekomst. Deze gelijkenis heeft geen betrekking op onze bedeling.
Mat. 22:12 Het bruiloftskleed is het fijn lijnwaad van de rechtvaardigmakingen der heiligen (Op. 19:8), gegeven aan hen die « bereid » zijn. Het is het genadeloon voor het opvolgen der geboden door de « volmaakten » (zie bergrede, Hebr. enz.). De bruid (het overblijfsel van Israël) viert haar bruiloft gedurende het koninkrijk (Ef. 5:22-33 noot).
Mat. 22:36-40 Het betreft hier niet iets nieuws, dat de « evangeliën » onderscheidt van het O. T. De Heere Jezus haalt Deut. 6:5; 10:12; 30:6; Lev. 19:18 aan en zegt dat hieraan de gehele wet en de Profeten hangt. Zoals op andere plaatsen is « Wet » gebruikt voor de 5 eerste boeken en « Profeten » voor: Jozua, Richteren, Samuel, Koningen, Jesaja, Jeremia, Ezechiël, en de kleine profeten. De Hebreën verdeelden het O. T. namelijk in de drie grote delen: Wet, Profeten, Psalmen. Zie Luk. 24:44.
Zo bevestigt ook Mark. 12:33 wat de profeten zo dikwijls gezegd hadden.
Mat. 23:3-29 Het Grieks kan evengoed vertaald worden: « al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt en doet (gij) »; de overige verzen laten zien dat Christus het hun niet gebood te doen. Zij legden allerlei lasten op die nooit door God gegeven waren.
Mat. 23:13 Het achtvoudige « wee u » in verband met het verwerpen van het koninkrijk, tegenover de 8 zaligverklaringen van Mat. 5.
Mat. 23:23 Het zwaarste der Wet (oordeel, barmhartigheid, geloof d.i. de geest der Wet) moesten zij doen, maar daarom de andere dingen (de vormen, het uitwendige) niet nalaten. Geen jota noch tittel der Wet zou voorbijgaan (Mat. 5:17-19). Dat uiterlijke had echter geen kracht noch waarde op zichzelve, maar het moest het teken zijn van hetgeen er in het hart omging. Zie b.v. 1 Kron. 29:17-19; 2 Kron. 16:9; Jes. 1:11-18; Hos. 6:6; Am. 5:21-24; Mich. 6:6-8. Er was niet de minste reden om te veronderstellen dat de Joden nu niet meer de vormen moesten in acht nemen. Anders zou men dit evengoed van de vroegere tijden kunnen zeggen, toen de profeten hetzelfde vroegen.
Mat. 23:34 Ook na Christus waren er profeten. Een profeet is iemand die Gods woorden spreekt.
Mat. 23:36 « Dit geslacht ». Zie Mat. 11:16 en 24:34. Het was het geslacht dat de Messias verwierp.
Mat. 23:39 « Gezegend is Hij, die komt in de naam des Heeren! » Ps. 118:26 (Mat. 21:9). Het betreft het begin van het koninkrijk.
Mat. 24:3 « Uwe toekomst » vertaling van « parousia »; « wereld » is eeuw. Zie vers 37.
Mat. 24:4-14 « Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. En dit evangelie des koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen ».
Zie ook bl. 58 in verband met de profetieën van Dan. Valse Messiassen, oorlogen, hongersnood, pestilentieën, verdrukking om Christus wil (vooral Israël), valse profeten, de liefde verkoelt, prediking van het evangelie des koninkrijks in de gehele wereld en dan het einde (der eeuw). De « voleinding » van vers 3 is het samentreffen van alles wat tot het « einde » voert.
Mat. 24:15-28 De grote verdrukking voor de gelovige Israëlieten (zie vers 15: Daniël; vers 16:
Judea; vers 20: sabbat die nog steeds gehouden wordt, ook door de christen Joden; vers 21: Daniël 12:1; vers 27: toekomst (parousia) van de Zoon des mensen). Die gelovigen vormen wel een gemeente en zelfs gemeenten (zie Op. 2 en 3), maar zijn geen leden van de Gemeente die het lichaam van Christus is, en eerst veel later door Paulus geopenbaard werd. Voor « Zoon des mensen » zie ook Mat. 8:20 noot.
Uit vers 24 bemerkt men wederom dat de grootste wonderen op zichzelve genomen geen bewijs zijn, dat zij die ze doen, in Gods kracht werken.
Mat. 24:29-31 Het is de tijd van Jes. 13:10; 34:4, de dag des Heeren. Zie ook Zach. 12:12; 14:4, 5; Deut. 30:4; Joël 2:28-32; Op. 6:12-14. De bazuin: zie 1 Kor. 15:52 noot. « Uitverkorenen » namelijk het overblijfsel van Israël (Jes. 10:20-22; 11:11-16; 27:6 en veel andere plaatsen). « Terstond », dus geen koninkrijk vóór de komst van de Heer. Deze gebeurtenissen van Mat. 24:4-31 komen overeen met de 7 zegelen van Op. 6:1-17.
Mat. 24:32 De vijgeboom teder: het overblijfsel van Israël dat zich bekeert. Jer. 8:13; Joël 1:7, 12; Hab. 3:17.
Mat. 24:34 « Dit geslacht » zie Mat. 23:36. Zoals in Mat. 16:28 is « totdat » voorwaardelijk. Het bijzonder geslacht van Israël, dat de Messias verwierp, zou dit alles hebben zien geschieden indien het zich bekeerd had.
Mat. 24:37, 39 Het woord « parousia » komt 24 maal voor en is 18 maal vertaald door « toekomst » (16 maal van Christus, 1 maal van de « ongerechtige » en 1 maal van de dag Gods), 3 maal door « tegenwoordigheid » (van Paulus), 2 maal door « komst » (van Titus), 1 maal door « aankomst » (van Stefanas enz.).
Het werd in dien tijd, volgens de Papyri, in het bijzonder gebruikt voor de komst van voorname personen, b.v. van de Egyptische koningen.
Uit de lijst der 16 teksten waar parousia gebruikt wordt voor de toekomst van de Heere Jezus Christus (Mat. 24:3, 27, 37, 39; 1 Kor. 15:23; 1 Thes. 2:19; 3:13; 4:15; 5:23; 2 Thes. 2:1, 8; Jak. 5:7, 8; 2 Pet. 1:16; 3:4; 1 Joh. 2:28) bemerkt men dat dit woord alleen voorkomt in die delen van Gods Woord geschreven vóór het einde der Handelingen.
Men kan verder opmerken dat:
de toekomst in Matheus plaats heeft na de grote verdrukking (Mat. 24:21) als de dagen zijn als die van Noach.
de toekomst in 2 Thessalonicensen plaats heeft na de Antichrist (2 Thes. 2:8), die Christus' toekomst nabootst (2 Thes. 2:9).
de toekomst van 1 Thessalonicensen in verband staat met den archangel en de bazuin Gods (1 Thes. 4:15, 16). Slechts één archangel wordt in de Bijbel vermeld: Michaël de archangel (Judas 9). Deze is de « grote vorst, die voor de kinderen uws volks (Israël) staat » (Dan. 12:1) en hij wordt hier ook genoemd in verband met de benauwdheid en de opstanding.
De bazuin vinden wij ook terug in 1 Kor. 15:52 en in Op. 11:15 als « de koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als koning heersen ».
Niets laat daarom toe de parousia toe te passen op een gebeurtenis vóór de grote verdrukking en die in het bijzonder de Gemeente der verborgenheid zal betreffen. Altijd staat zij in verband met Israël, de dag des Heeren, het koninkrijk. Die toekomst, zelfs als men ze in een reeks feiten kan ontleden, is de hope van het overblijfsel der Joden en de met hen gezegende gelovigen uit de volken. Terwijl Petrus en Jakobus in hun brieven aan de 12 stammen dan ook natuurlijk van deze « hope Israëls » spreken (jak. 5:7, 8; 2 Pet. 1:16; 3:4), zegt Paulus er geen woord over in zijn brieven aan de leden der Gemeente der verborgenheid (Ef. Fil. Kol.). Zie ook 1 Kor. 15:23, 24 noot.
Mat. 24:42 « Waakt » zoals in 1 Thes. 5:1-10.
Mat. 24:47 « Zetten over al zijne goederen » in het koninkrijk.
Mat. 25:1 « Alsdan » namelijk juist vóór het einde en niet in onzen tijd. Voor « lampen » lees « toortsen »; zij werden van olie voorzien uit de vaten van vers 4. « Tegemoet » wijst, zoals in Hand. 28:15 en 1 Thes. 4:17, op een tegemoet gaan en mede terugkomen.
Mat. 25:1-13 De gelijkenis der 5 wijze en 5 dwaze maagden zet aan tot waakzaamheid en kan dus toegepast worden bij elke gelegenheid waar gewaakt moet worden. De rechtstreekse bedoeling was echter dat de « toekomst » (parousia) van de Heere nabij was en dit bijzonder geslacht van Israël Hem elk ogenblik moest verwachten. Die « toekomst » hing af van het zich bekeren of niet bekeren, als gevolg op de verkondiging der 12 apostelen in het bijzonder (Zie Hand. 3:19-26 noot). Deze en de andere gelijkenissen hebben als hoofdgedachte het ingaan in het koninkrijk en betreffen niet de Gemeente die het lichaam van Christus is. De « bruidegom » is de voorstelling van Christus in verband met het gelovige Israël, dat als bruid gedurende het koninkrijk bruiloft viert. Zie EL 5:22-33.
Mat. 25:31-34 « En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijne heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijner heerlijkheid; en voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt; en Hij zal de schapen tot Zijne rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijne linkerhand. Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns vaders! Beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is VAN de grondlegging der wereld ». De volken worden volgens Joël 3:2 in het dal van Josafat (dus op aarde) vergaderd en geoordeeld volgens de wijze waarop zij Gods volk, Israël, behandeld hebben. Verzen 35-46 tonen dit ook. De « broeders » zijn de Israëlieten. Christus vereenzelvigt zich met hen (zoals in Hand. 9:4). De beloning is: het beërven van het koninkrijk. Dit alles geschiedt juist vóór het koninkrijk. Na het 1000 jarig rijk komt het oordeel van Op. 20:11-15.
Mat. 25:46 Merk op dat het « eeuwige » leven hier uitdrukkelijk opgegeven wordt voor het beërven van het koninkrijk (vers 34). Het betreft namelijk de volken (zie vers 32). Van mensen zou overigens niet gezegd worden dat zij op grond van hun werken (40, 45) rechtvaardig zijn. Het is het leven en het afsnijden (pijn) in verband met de eeuw en op grond van werken, niet het leven in Christus.
Mat. 26:2 « Zal overgeleverd worden » is letterlijk « is overgeleverd » (tegenwoordige tijd). Het is een der talrijke stijlfiguren (zie Comp. Bible) en zij spreekt van de toekomst als zijnde tegenwoordig. Zie ook Mat. 28:18.
Mat. 26:11 « Mij hebt gij niet altijd ». Dit zou voldoende moeten zijn om alle gedachte aan transsubstantiatie de kop in te drukken. Ook Mat. 28:20 is nog niet begonnen.
Mat. 26:26 Het brood had de vorm van dunne koeken en werd gebroken vóór het eten. « Dit is mijn lichaam » of « dit stelt voor mijn lichaam », de welbekende stijlfiguur o.m. gebruikt in Mat. 13:38, 39; Op. 5:8 (welke zijn) enz. « Dit » is overigens onzijdig en kan niet slaan op brood dat mannelijk is. Wel op de handeling van het breken of op het gebroken stuk. Zo ook vers 28 waar de drinkbeker het bloed « is » d.w.z. voorstelt. Overigens is het waarschijnlijk dat de woorden door de Heer Jezus in het Aramees werden uitgesproken, en in deze taal bestaat het woordje « is » niet.
Mat. 26:28 « Des Nieuwen Testaments » of « van het Nieuwe Verbond ». Er is geen reden om het Grieks door « testament », een betekenis die er later aan gehecht werd, te vertalen. Hier wordt het nieuwe verbond gesloten van Jes. 55:3; Jer. 31:31-34; Ezech. 37:24-28. Door dit verbond werden de geloften der « vrouw » teniet gedaan (zie bl. 39) en zouden de zonden van het huis van Israël en van het huis van Juda niet meer gedacht worden. Zie ook Heb. 8:8-12; 10:16, 17. Men lette er op dat dit verbond alleen gesloten is met Israël en Juda (Jer. 31:31). De gelovigen uit de volken zouden er ook deel aan hebben, doch slechts in de tweede plaats (Rom. 11:17), als ingeënten.
Dit verbond is overigens nog niet « voleindigd » (sunteleia). Zie Heb. 8:8 waar « oprichten » de vertaling van « sunteleo » is.
Bij elk verbond moest bloed gestort worden (Ex. 24:8; Heb. 9:20) en de vergeving van zonden in het bijzonder geschiedde niet zonder bloed (Lev. 17:11; Heb. 9:22). Dit verbond van Jer. 31 moest dus noodzakelijk toen gesloten worden, later zou er geen bloed van Christus meer gestort worden. De verkondiging van Petrus en Paulus steunde op dit verbond, de vergeving der zonden en de verzoening der wereld (Hand. 2:38; 3:19-26; 5:31; 13:38 enz.)
« Voor velen ». De dood van Christus is voor allen, het vergieten van het bloed voor velen. « Vergoten wordt » tegenwoordige tijd, alhoewel het slechts daarna zou geschieden, zoals in Mat. 26:2; 28:18.
Dit avondmaal had plaats op de avond van de « eerste der ongehevelde » (Mat. 26:17) d. i. de 14den der eerste maand (Lev. 23:5). Op de 15den dier maand begon het FEEST der ongezuurde (broden), doch daar men ook de 14e (Pascha) geen dergelijk brood at, werd deze dag de « eerste der ongezuurde (broden) » genoemd.
Mat. 26:64, 65 « De Zoon des mensen... komende op de wolken des hemels » Dan. 7:13. De Heere Jezus verklaart openlijk dat Hij de Messias is; de Joden verwerpen Hem als zodanig.
Mat. 27:11 De Heere Jezus noemt zichzelf de Koning der Joden.
Mat. 28:1 « De eersten dag der week »; letterlijk « een der sabbatten ». Zo ook in Mark. 16:2; Luk. 24:1; Joh. 20:1, 19; Hand. 20:7; 1 Kor. 16:2. Zie ook « de eersten (dag) der ongehevelde (broden) » Mat. 26:17 en Lev. 23:6.
Het feit dat bij al de teksten waar « een der sabbatten » vermeld is, het Pinksterfeest kort daarop volgt, maakt het duidelijk, dat hier sprake is van een der zeven sabbatten van Lev.. 23:15, 16. « De anderen dag na de sabbat, van de dag, dat gij de garf des beweegoffers zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn; tot de anderen dag, na de zevenden sabbat, zult gij vijftig dagen tellen. »
In de Evangeliën betreft het de dag der opstanding, en volgens de Griekse tekst van Mark 16:9 is het « de eerste (prote) sabbat ». Vijftig dagen later heeft men het Pinksterfeest. In Handelingen is het een der zeven sabbatten begrepen tussen de dagen der ongehevelde broden (Hand. 20:6) en het Pinksterfeest (Hand 20:16). In 1 Korinthe is het kort vóór Pinksteren.
Het is hier niet de instelling van een nieuwe feest- of rustdag, maar eenvoudig de oude « eerste sabbat » der Joden, die voor de gelovigen onder hen nu zijn ware betekenis kreeg: de Heere was de Eersteling (1 Kor. 15:23) van Gods opstandingsoogst. Die dag komt slechts éénmaal per jaar en niet éénmaal per week voor. De zondag staat in verband met het feest der Heidenen voor hun zonnegod.
Men vraagt zich af, hoe het mogelijk is, dat onze vertalingen de Griekse tekst zó verminken. Het antwoord is ongetwijfeld, dat zij, die Gods Woord in onze moderne talen overgezet hebben, onder de last van minstens 1500 jaar overlevering werkten.
Mat. 28:18-20 Volgens Jes. 49:6 en 66:19, zou het gelovige overblijfsel van Israël aan alle volken de blijde boodschap van het koninkrijk brengen. Zie ook Mat. 24:14; Luk. 2:32; Hand. 13:47. Hier vinden wij hetzelfde.
« Mij is gegeven ». Dezelfde stijlfiguur van Mat. 26:2, 28; Heb. 2:8 enz. die iets dat in de toekomst moet gebeuren als tegenwoordig aangeeft. In elk geval is die macht nu niet gebruikt: « doch nu zien wij nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn » (Heb. 2:8). Dit gebeurt wel in de toekomst (Op. 5:12 enz.).
« gaat dan heen », als namelijk van die macht zal gebruik gemaakt worden, in het koninkrijk.
« volken », dus niet Israël, dat niet onder de volken gerekend wordt (Num. 23:9). Het was integendeel Israël dat de opdracht ontving.
« al de volken ». Wat nooit geheel gedaan is, ook niet in het begin der Handelingen, waar de apostelen zich juist alleen tot Israël keerden. Gods voornemen zou dan mislukt zijn. In onzen tijd is de blijde boodschap gericht tot personen, die uit de volken geroepen worden.
« dezelve », niet enkele personen.
« in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes ». Het woordje « en » is met opzet herhaald om de nadruk op de drievoudige naam te leggen. Het is niet meer in de naam van de komenden Messias. De verlichte apostelen doopten nooit « in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes ». Zie Hand. 2:38; 8:16; 10:48; 19:5; Rom. 6:3; 1 Kor. 1:17. Men zegt wel dat « in de naam van de Heere Jezus » de aard van de doop aangeeft en niet de woorden, die werden uitgesproken. Er is echter geen reden om hetgeen in Mat. 28:19 staat als een formule aan te zien en hetgeen elders staat als geen formule te beschouwen. Zie verder Joh. 1:25.
« lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb ». Dit wordt nu niet geleerd, alleen geloof wordt gevraagd in geheel Gods Woord en een wandel in overeenstemming met de positie, waarin de gelovige door Gods genade geplaatst is (Zie Fil. 3:11-14; Kol. 1:9, 10).
« Ik » de Heere Jezus zelf, niet de Heilige Geest. Dit zal ook letterlijk het geval zijn gedurende het koninkrijk. Ezech. 43:7; 48:35; Zef. 3:15-17.
« voleinding der wereld » lees « voleinding der eeuw ».
De vervulling ligt geheel in de toekomst, gedurende het koninkrijk op aarde. Ten gevolge der verschrikkelijke verwarring die er heerst tussen Israël, het koninkrijk, de Gemeente, past men in veel gevallen op onzen tijd toe wat onder de Wet of gedurende het koninkrijk geldig is en doet men afstand van de grote voorrechten die aan de Gemeente aangeboden zijn.
In het gehele evangelie wordt geen woord gezegd over de Gemeente der verborgenheid.
Kortheidshalve slechts een paar opmerkingen aangaande:
Mark. 16:15-18 Deze opdracht werd niet gegeven bij dezelfde gelegenheid als Mat. 28:18-20. Deze laatste werd uitgesproken op de berg te Galilea (Mat. 28:16), terwijl die van Markus gegeven werd toen « zij aanzaten » (Mark 16:14). In beide gevallen zegt de Schrift uitdrukkelijk dat zij alleen tot de 11 apostelen gericht waren. Opdracht uit te voeren vóór de verwoesting van de Tempel en van Jeruzalem.
Mark. 16:15 « Predikt » is, zoals in veel andere gevallen, « verkondig ». Het woord duidt aan de wijze waarop iets medegedeeld wordt en kan allerlei betreffen. Hier gaat het over « het Evangelie » d.i. de blijde boodschap. Uit het verband blijkt dat deze « blijde boodschap » het koninkrijk betreft.
« Aan alle creaturen » of aan het geheel mensdom. Gedurende de tijd der Handelingen is dit begonnen, zie Rom. 10:18.
Mark. 16:16 « Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd (veroordeeld) worden ». Het geloof is uit het gehoor (Rom. 10:17). Deze woorden zijn dan ook niet van toepassing op hen die de blijde boodschap, onder enigen vorm, niet gehoord hebben.
Mark. 16:17, 18 « En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken; slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden »; « degenen die Hem gehoord hebben » (Heb. 2:3) volgden deze opdracht onmiddellijk, zoals ook uit vers 20 blijkt, en die tekenen werden door hen gedaan (Heb. 2:4). Zie ook b.v. Hand. 2:4-11; 3:7, 8; 5:16; 8:7; 28:5 enz. Dit alles geschiedde gedurende de tijd der Handelingen, als het koninkrijk als nabij zijnde verkondigd werd. Zie ook 1 Kor. 12:9, 28; 1 Kor. 14; jak. 5:14. Het waren de « krachten der toekomende eeuw » (Heb. 6:5), behorende namelijk tot het koninkrijk, tot de « toekomende wereld » (Heb. 2:5) en die een teken waren dat de Messias gekomen was en het koninkrijk nabij was. Na de volkomen verwerping van Hand. 28:24-28 waren er geen krachten meer om de eenvoudige reden dat het koninkrijk niet meer verkondigd werd. Mark. 16:15-18 is dus evenmin toepasselijk op onze bedeling, die der Gemeente door Paulus 30 jaar later geopenbaard, als Mat. 28:18-20. Zie ook Luk. 24:47 voor de derde opdracht.
Luk. 1:3 Lees: « Hebbende alle dingen, die van boven gegeven zijn, nauwkeurig opgevolgd, dit in geregelde orde aan u te schrijven ». Lukas had alles door ingeving « van boven ». Het Griekse « anothen » is zo vertaald in Mat. 27:51 enz. Zie ook Joh. 3:3. Hij schreef ook alles in geregelde orde, terwijl bij de andere evangeliën de tijdsorde niet altijd betracht is.
Luk. 1:32 « Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijnen Vader David geven ». Hij was als Koning der Joden geboren en stierf als Koning der Joden.
Luk. 1:67-79 De lofzang van Zacharias, vervuld met heilige geest (kracht uit de hoogte), betreft Israël en niet de volken:
68, 77:God Israëls, verlossing voor Zijn volk.
69: hoorn der zaligheid ons (Israël) opgericht in het huis van David (Ps. 132:17; 1 Sam. 2:1, 10; Ezech. 29:21).
71, 74: verlossing van onze (Israëls) vijanden.
72, 73: onze vaderen; Zijn heilig verbond (met (Israël); eed van Abraham (Gen. 12:3; 17:4; 22:16, 17).
Luk. 2:11, 26 « Christus, de Heere »; « de Christus des Heeren » Jehova's gezalfde.
Luk. 2:25 « Verwachtende de vertroosting Israëls ».
Luk. 2:32 Voor de volken verlichting; voor Israël heerlijkheid. Zie Ps. 98:2, 3; Jes. 25:7; 42:6; 49:6; 52:10 enz. Men bemerkt dat de volken niet op gelijken voet staan met Israël. In de Gemeente is er geen onderscheid, ja er zijn geen Israëlieten of geen volken, maar leden der Gemeente uit Israël en uit de volken.
Luk. 4:18, 19 Aanhaling van Jes. 61:1, 2; 58:6. De Heere Jezus hield op midden in de zin omdat toen nog niet te zien was of Israël de Messias zou aannemen of verwerpen. De dag der wrake Gods zou spoedig gekomen zijn indien zij Hem hadden aangenomen; nu ligt die dag nog in de toekomst. Zie bl. 101.
Luk. 10:24 « Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien; en te horen hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord. » Zie b.v. Gen. 49:18; 2 Sam. 23:1-5. Zij verwachtten de komst van de Messias.
Luk. 11:41 Een duidelijker vertaling zou zijn: « Doch (gij zegt) geeft aalmoezen voor hetgeen in het binnenste is, en ziet, alles is rein ». Hunne inwendige boosheid dachten zij goed te maken met aalmoezen, God ziet echter op het hart, zoals de profeten uitdrukkelijk verkondigden (Jes. 1:11-18, enz.).
Luk. 13:6-9 Vijgeboom in wijngaard. Israëls nationale voorrechten. Jer. 24:3; Hos. 9:10; Mat. 21:19; Ps. 80:8-17; Jes. 5:2, enz. De 3 jaar stellen mogelijk de tijd der bediening van de Heere voor.
Luk. 17:20 « Het koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat ». « Uiterlijk gelaat » is de vertaling van een woord dat nergens anders voorkomt. Onze persoonlijke meningen over de betekenis hebben geen waarde. Zoals in alle andere gevallen zegt Gods Woord zelf hoe wij dit moeten opvatten. Het verwante werkwoord « paratereo » komt voor in Luk. 6:7; 14:1; 20:20; Mark. 3:2; Hand. 9:24; Gal. 4:10. Men ziet dat het meestal een vijandelijk waarnemen, of in elk geval een waarnemen in slechten zin aanduidt. Zo ook hier: het koninkrijk komt niet als het zo slecht ontvangen wordt als de Farizeën het doen.
Luk. 17:21 « Het koninkrijk Gods is binnen ulieden ». Er is niet veel aandacht nodig om te zien dat deze woorden gericht zijn tot de vijandelijke Farizeën, die Hem zeker niet in hun hart droegen. « Binnen » staat hier voor « in uw midden » in de zin van Mat. 12:28; Joh. 1:26. De Koning was in hun midden, maar zij namen Hein als zodanig niet aan en al was het koninkrijk zo nabij, toch zou het niet komen onder die omstandigheden. Als het koninkrijk er is, zal het ook « binnen » hen zijn, in de zin dat zij een nieuw hart zullen hebben.
Luk. 17:24 Het koninkrijk wordt niet verkregen door een geleidelijke ontwikkeling. maar komt als de bliksem.
Luk. 17:26-30 Bij de openbaring van de Zoon des mensen (begin koninkrijk) zal het zijn als in de dagen van Noach en Lot (Gen. 6:4-7, 11-13; 19:15- 26; Jes. 13:19; Ezech. 16:46-56; Amos. 4:11; Juda 7). Niet alleen voor wat betreft de toestanden op aarde (zie ook Luk. 18:8), maar ook in verband met de plotselinge komst van het oordeel.
Luk. 18:30 « In de toekomende eeuw het eeuwige leven ». Men ziet ook hier hoe het « eeuwig leven » het leven is gedurende het koninkrijk op aarde. Dezen hebben geen deel aan hetgeen de leden der Gemeente gegeven is: « mede gezet in de hemel » (Ef. 2:6).
Luk. 20:35, 36 « Die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden ». « Eeuw » is wederom gebruikt voor de 1000 jaar van het koninkrijk. Er is sprake van de opstanding juist vóór dat koninkrijk. Zie ook Luk. 21:36; 2 Thes. 1:5, waar hetzelfde woord vertaald door « waardig geacht De grote verdrukking 145
acht » gebruikt is. Zij die deze opstanding waardig zijn (tussen de gelovigen die niet tot de Gemeente behoren), zullen de engelen volkomen gelijk zijn (zie Fil. 3:21 noot). Voor hen is er geen dood noch huwelijk. Voor hen die zonder verandering van hun lichaam gedurende het koninkrijk leven is er geen ziekte (Jes. 33:24), geen geween (Jes. 65:19), doch wel dood (Jes. 11:4; 65:20; zie ook Hand. 5 en 13:11). Na het koninkrijk is er geen dood meer (Op. 20:14; 21:4), noch rouw, noch gekrijt, noch moeite, en dit betreft dan alle schepselen.
Luk. 21:8-27 Profetische rede. Vers 8 tot 11 komt overeen met Mat. 24:4-8 en Mark. 13:5-8 en vers 25 tot 27 met Mat. 24:29-30 en Mark. 13:24`26. Bij vers 12 gaat de Heere Jezus echter terug: « maar vóór dit alles » en Hij spreekt tot vers 24 van de verwoesting van Jeruzalem (20, 24) en de gebeurtenissen van dien tijd en van de grote verdrukking, beschreven in Mat. 24:9-28 en Mark. 13:9-23. Als Israël zich bekeerd had, dan zou het toen levende geslacht al die zaken gezien hebben (Mat. 24:34; Mark. 13:30; Luk. 21:32). Nu is alleen vervuld wat vóór de verdrukking moest plaats grijpen (Luk. 21:12-24) en het overige moet nog vervuld worden vóór het koninkrijk en na de Gemeente der verborgenheid. Men kan spreken van een begin van vervulling, doch de volledige vervulling ligt in de toekomst. Tussen vers 24 en 25 ligt de gehele tegenwoordige bedeling der Gemeente, die van alle eeuwen verborgen was in God en ook in de vier « evangeliën » niet vermeld wordt.
Luk. 21:29 De vijgeboom Israël.
Luk. 21:33 De hemel en aarde zullen voorbijgaan. Ps. 102:27; Jes. 51:6; 2 Pet. 3:7, 10.
Luk. 21:36 Ook andere delen duiden aan dat, buiten de Gemeente der verborgenheid, nog andere gelovigen niet door de gehele verdrukking zullen gaan.
Luk. 23:34 « Vader! vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen ». Die bede is zeker verhoord en Israël zou niet de gevolgen dragen van zijn verwerping van de Messias. Nu kon de boodschap van het komende koninkrijk opnieuw gebracht worden door de apostelen. Zie b.v. Luk. 24:47; Hand. 2:38; 3:19; 10:43; 13:38, 39. De leden der Gemeente hebben veel meer dan « vergeving der zonden ». Deze boodschap, alhoewel ze in de eerste plaats Israël betreft, heeft ook belang voor de volken, zoals reeds lang gezegd was door de profeten. Zie b.v. Jes. 2:3; Micha 4:2, enz.
Luk. 24:25 « En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de Profeten gesproken hebben! » De Joden verwierpen hun Messias omdat zij niet alles geloofden, wat God hen door middel der profeten had gezegd en zij hun eigen meningen en overlevering gedeeltelijk daarvoor in de plaats hadden gesteld. Een ernstige waarschuwing voor alle gelovigen.
Luk. 24:44 « De Wet van Mozes, en de Profeten en Psalmen » d.i. het ganse O. T. (zie Mat. 22:3640 noot). Wie een deel van het O. T. verloochend, verwerpt ook Christus. Men lette er op dat al hetgeen gebeurd was de vervulling was van het hetgeen in het O. T. geschreven stond. Daar de Gemeente, door Paulus later geopenbaard, van alle eeuwen verborgen was in God (Ef. 3:9), kan hier niets betrekking hebben op die Gemeente.
Luk. 24:45 « Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden ». Petrus wist dan ook wat hij deed in Hand. 1:15-26.
Luk. 24:47 Hier vinden wij een derde opdracht. (Voor de twee eerste zie Mat. 28:18-20 en Mark. 16:15-18). Deze is gegeven te Jeruzalem, op de avond van de opstandingsdag en niet alleen tot de 11, maar ook tot « die met hen waren » (vers 33). Het nieuwe verbond was gesloten en nu kon bekering en vergeving van zonden verkondigd worden, te beginnen met Jeruzalem (Jes. 2:3; Micha 4:2; Hand. 1:8). Wat dan ook gedaan werd (Hand. 2:38 enz.). Zij waren ook getuigen (Luk. 24:48) b.v. in Hand. 2:32 enz. en werden aangedaan met kracht uit de hoogte (Luk. 24:49) ter vervulling van Joël 2:28, Jes. 44:3; Ezech. 36:26.
Evenmin als de twee eerste opdrachten is deze tot de Gemeente gericht, alhoewel zij, evenals de gehele Schrift, is « tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing » (2 Tim. 3:16).
Luk. 24:49 « En ziet, Ik zend de belofte Mijns vaders op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte ». Zoals hierboven opgemerkt is het de vervulling van de oude belofte. De « kracht uit de hoogte » is de « heilige geest », namelijk de gaven van de Heiligen Geest, waarin ze gedoopt zouden worden (Hand. 1:4, 5).
Joh. 1:4 « Het licht » zie Jes. 9:1.
Joh. 1:9 « Hetwelk verlicht een iegelijk mens ». Nu was de tijd gekomen dat alle geslachten des aardrijks zouden gezegend worden (Gen. 12:3). Jezus Christus was een dienaar der besnijdenis, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen (Rom. 15:8-12).
Joh. 1:11 « Het Zijne » d.i. het land en de troon; « de Zijnen » d.i. Israël.
Joh. 1:12 « Kinderen Gods ». Begin van vervulling van Hos. 1:10, 11.
Joh. 1:17 Wat niet wil zeggen dat er in het O. T. geen genade was, zie b.v. Ex. 34:6, 7. In Christus had men nu de volledige openbaring der genade.
Joh. 1:25 Het niet onderscheiden der bedelingen en het niet aandachtig letten op de woorden, die door God gebruikt worden, heeft heel wat verwarring gebracht, ook voor wat betreft het dopen. Wij kunnen hierover slechts een kort overzicht geven.
Al de gebruikte Griekse woorden staan in verband met de wortel « bapto » (dopen). Dit woord komt voor in Luk. 16:23; Op. 19:13 (geverfd); Lev. 16:24 (Griekse vertaling). Het duidt in de eerste plaats een indompelen aan. Het heeft echter niet altijd deze letterlijke betekenis, zoals b.v. aangetoond wordt in 1 Kor. 10:2. Zij werden « in » de zee gedoopt « tot » Mozes; doch het water raakte hen zelfs niet aan.
« Baptizo », iets gedoopt maken, wordt zowel vertaald door « dopen » (Joh. 10:40, enz.) als door « wassen » (Mark. 7:4; Luk. 11:38).
« Baptismos », de daad, wordt ook vertaald door « doop » (Heb. 6:2) en door « wassing » (Heb. 9:10, enz.).
« Baptisma », het gevolg, is vertaald door « doop » (Mat. 3:7, enz.).
Nu kan men opmerken dat er voor « wassen » nog drie andere Griekse woorden zijn. Gaat het hier dan over een bijzondere wassing? Dit is inderdaad het geval. « Bapto » enz. duiden iets meer dan een stoffelijke reiniging aan. Hier bestaat een geestelijke achtergrond: het is een godsdienstige, uiterlijke vorm van een geestelijke werkelijkheid. Met dit voorbehoud, kan men dan evengoed « wassen » als « dopen » gebruiken.
Men bemerkt nu echter het verband met de wassingen van het O. T. (Exod. 29:4, enz.). De toegang tot de tabernakel mocht alleen geschieden na een doop of wassing (Lev. 8:6, enz.). Zij die God naderden, moesten dus zowel besneden als gedoopt zijn. Die wassing geschiedde door Mozes (als type van Christus). Zie Exod. 29:4. Doch verder doopte ieder zichzelve (Lev. 11:40 enz.). De ware wassing verwachtten zij bij de komst van de Messias (Jes. 4:4; Ezech. 36:25). Hij zou hen reinigen met rein water en hun een nieuwe geest en een nieuw hart geven. Daarom vroegen de Farizeën aan Johannes waarom hij anderen doopte, als hij toch de Messias niet was.
Verder dient men rekening te houden met het verschil tussen het dopen « in » iets en « tot » iemand of iets. In 1 Kor. 12:13 hebben wij beide gevallen: Wij allen zijn in één geest tot één lichaam gedoopt » (letterlijke vertaling). Zo is er dan sprake van de doop in water; in geest; in de naam des Heeren (Hand. 10:48); in de wolk en de zee (1 Kor. 10:2). En er is ook de doop tot de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes (Mat. 28:19), tot de naam van de Heere Jezus (Hand. 8:16; 19:5); tot Christus Jezus en tot Zijn dood (Rom. 6:3); tot Mozes (1 Kor. 2); tot één lichaam (1 Kor. 12:13), tot Christus (Gal. 3:27); enz. Het woordje « tot » duidt op een verband tussen hem die gedoopt is en de aangeduiden persoon of zaak. Zo ziet men dat de doop van Mat. 28:19 het koninkrijk betreft, als alle volken tot de Vader kunnen naderen, door de verzoening bewerkt door de Zoon. Ook de vermelding van de Heiligen Geest is hier geheel gepast, omdat dan heilige geest op alle vlees zal uitgestort zijn (Hand. 2:17). Die volken worden niet « tot Christus » gedoopt, want dat zou hen in verband brengen met de Messias: iets dat alleen aan Israël voorbehouden is dat met de Messias het beheer der aarde delen zal. Die beide dopen gaan gepaard met « kracht uit de hoogte » of « heilige geest ». De doop « tot de naam van de Heere Jezus » gaat echter niet gepaard met dergelijke bovennatuurlijke werkingen. Het kwam overeen met de doop van Johannes (Hand. 8:16; 19:2-5, zie noot).
Het dopen had voor gevolg een groep mensen van anderen af te scheiden en ze in verband te brengen met de Messias, de Heere Jezus enz. Paulus wenste geen groep te vormen, die « tot » zijn naam gedoopt was (1 Kor. 1:15).
De doop van Johannes moest een uitwendig teken zijn dat zij beleden een innerlijke reiniging nodig te hebben. Als zij hun zonden beleden werden deze ook vergeven. Die doop staat in verband met het zich bekeren van Israël van Satan tot God en was dus nodig voor de komst van het koninkrijk. Voor Israël en de door middel van hen gezegende volken, die steeds in verband staan met de aarde, was een dergelijke uitwendige waterdoop geheel gepast.
Later komt de doop in heiligen geest meer op de voorgrond dan die in water; beide bestaan echter te zamen. Dit is b.v. het geval gedurende de tijd der Handelingen, die een overgang tot het koninkrijk had moeten zijn. Ook gedurende het koninkrijk zelve bestaan beide dopen (Mat. 28:19; Joël 2:28; Ezech. 47).
Na de volledige verwerping van het koninkrijk (Hand. 28:28), als er een nieuwe groep gevormd wordt, de Gemeente der verborgenheid, die alleen in verband staat met de « opperhemelse », verdwijnt de doop in water en blijft er slechts één doop over (Ef. 4:5 en zie Ef.1:13). Onze tegenwoordige tijd is in zekere opzichten een voorafschaduwing van hetgeen bestaat bij of na de nieuwe hemel en aarde, als er geen uiterlijke vormen, dus ook geen wassingen, meer zijn. Als er een tabernakel of tempel bestaat, blijkt hieruit dat een toenadering tot God mogelijk is, doch ook dat er geen volkomen gemeenschap met God is. Bij de nieuwe hemel en aarde is er geen tempel meer (Op. 21:22) en is God alles in allen. Zo zijn ook de leden der Gemeente, die na Handelingen begint, nu reeds (nu er ook geen tempel bestaat) beschouwd als zijnde in de meest innige gemeenschap met God: leden van het lichaam van Christus, met Hem geplaatst boven alles (Ef. 1:20-23; 2:6). Doch al is er in Gods Woord geen sprake van uitwendige besnijdenis, noch waterdoop voor de leden dier Gemeente, allen zijn in werkelijkheid besneden (Kol. 2:11) en gedoopt (Kol. 2:12). Zij worden niet alleen gerekend als hebbende uitgedaan de ouden mens, doch ook als mede opgewekt en mede gezet in de opperhemel in Christus (Kol. 2:11, 12; Fil. 3:2, 3; Ef. 2:6).
Wij kunnen hier niet verder over de doop uitweiden, en vermelden nog slechts dat Paulus zich zelve doopte (Hand. 22:16 Griekse tekst) en aldus reeds van de beginne van alle gelovigen, die door een andere persoon gedoopt werden, onderscheiden werd.
Het in water dopen had ook tot doel de Messias te openbaren (Joh. 1:31), het was een teken dat Hij gekomen was. Andreas en Filippus hadden dan ook de messias gevonden (Joh. 1:42, 46) en Nathaniël herkende Hem als de koning israels (Joh. 1:50).
Joh. 2:7 Het eerste teken. Wonderen worden door drie namen aangegeven in het N. T.: kracht, wonder, teken (semeion). Die laatste alleen wordt gebruikt in Johannes (uitgezonderd 4:48) om de nadruk te leggen op de betekenis van het wonder: het is een teken dat Jezus God is, de beloofde Messias (Joh. 20:31). Joh. geeft er 8 aan die op wonderlijke wijze met elkander in verband staan en allen op Israël betrekking hebben. Ziehier een beknopt overzicht van hetgeen de Companion Bible hierover zegt:
I |
 |
VIII |
De bruiloft te Kana 2:1-11
Galilea (1)
De derde dag (1)
Geen wijn (3)
Vult de watervaten (7)
Gevuld tot boven toe (7)
Heerlijkheid geopenbaard (11)
|
 |
De visvangst 21:1-14
Galilea (1)
De derde maal (14)
Geen toespijs (5)
Werpt het net (6)
Vol (11)
Jezus geopenbaard (14)
|
II |
 |
VII |
De Zoon v. d. hoveling 4:46-50
Na de twee dagen (43)
Lag op sterven (47)
De dienstkn. komen Hem tegem. (51)
|
 |
De broeder der zusters 11:1-44
Nog twee dagen (6)
Lazarus is gestorven (14)
Martha ging Hem tegem. (20)
|
III |
 |
VI |
De Lamme 5:1-47
Jeruzalem (1)
Badwater (2)
Jezus zag hem (6)
Jezus vindt hem (14)
lk werk (17)
Mozes (45, 46)
|
 |
De blinde 9:1-41
Jeruzalem (8:59; 9:1)
Badwater (7)
Jezus zag hem (1)
Jezus vindt hem (35)
Ik moet werken (4)
Mozes (28, 29)
|
IV |
 |
V |
De voeding der 5000 6:1-44
Jezus ging op de berg (3)
Daarna een toespraak (26-35)
Vele disc. gaan terug (66)
De getuigenis van Petrus (68, 69)
|
 |
Het wandelen op de zee 6:15-21
Jezus wederom op de berg (6:15)
Daarna een toespraak (hoofd. 7)
Velen geloofden (7:31)
De getuigenis van Nicod. (7:50)
|
In I en VIII wordt aangetoond dat alleen de Messias aan de behoeften van Zijn volk kan voldoen (volle netten en watervaten). Aangaande de 153 vissen, zie « Number in Scripture » door E. W. Bullinger bl. 258 en 273.
Volgens II en VII kan het volk Israël alleen leven hebben door Christus. De 2 dagen kunnen de 2 duizendtallen jaren voorstellen van het einde der Handelingen tot op het koninkrijk, dat waarschijnlijk het 7e duizendtal van af de schepping is. Zie ook Hos. 6:1-3.
III en VI tonen ons Israël lam en blind. Al is de ziekte oud (38 jaar; van de geboorte) Jezus vindt en wast de zonden. De 38 jaar stemmen overeen met de 38 jarige omzwerving van Israël in de woestijn.
IV en V tonen hoe de Schepper het nodige geeft en macht heeft over de elementen. Men denke aan het koninkrijk.
Joh. 2:13 « Het Pascha der Joden ». Niet meer genoemd « de hoogtijden des Heeren » zoals in Lev. 23:2. (Zie ook Joh. 5:1; 6:4; 7:2). In plaats van God te dienen zoals Hij het vroeg, had zich de Joodse religie, het Jodendom ontwikkeld, die menselijke overleveringen en uiterlijke vormen op de voorgrond plaatste. Zoo heeft men nu ook de Christelijke religie of Christendom. Beide Jodendom en Christendom zijn, zowel als andere « godsdiensten » grotendeels het werk van de god dezer eeuw.
Joh. 3:3 « Wederom geboren ». Het Griekse woord hier door « wederom » overgezet, is ook gebruikt in Joh. 3:7, 31; 19:11; Jak. 1:17; 3:15, 17. In de meeste gevallen is het vertaald door « van boven » en er is geen reden om het hier ook niet op dezelfde wijze te vertalen. Het is de geboorte door goddelijke kracht of « kracht uit de hoogte » of door « heiligen geest ».
« Zien » is niet alleen er op kijken, het Griekse « eidon » bedoelt het werkelijke zien. De volle betekenis omvat ook het « ingaan » (vers 5).
Joh. 3:5 « Uit water en geest » de welbekende stijlfiguur, waar twee zaken genoemd worden als er slechts één bedoeld is; de tweede meer op te vatten als een hoedanigheidswoord, dat het karakter van de eerste bepaald. Hier dus: « uit geestelijk water ». Hetzelfde water van Joh. 7:38, 39; Ef. 5:26; Ezech. 36:25- 27. Gereinigd en een nieuw hart gegeven zodat zij in Gods instellingen kunnen wandelen en Zijne rechten bewaren en doen. Zie ook Jes. 4:4.
Joh. 3:6 « Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest. » Hier is de natuurlijke geboorte in contrast met de geboorte van boven. « Vlees » (of oude hart, oude mens, uitwendige mens) tegenover « geest » (of nieuwe hart, nieuwe mens, inwendige mens). Die geboorte van boven is niet iets nieuws, Nicodemus, als leraar van Israël, had deze dingen moeten weten (vers 10). In Deut. 30:6; Ps. 51:12; Jer. 24:7; 31:33; 32:39; Ezech. 11:19; 18:31; 36:25 — 27 enz. zien wij inderdaad dit alles reeds uiteengezet. Het was overigens een « aards ding » (vers 12), betreffende het koninkrijk op aarde en nodig om dat koninkrijk in te gaan (vers 5). De leden der Gemeente hebben ook deze geboorte, maar nog veel meer dan deze grote gave van de Heiligen Geest.
Het is niet iets dat de Gemeente kenmerkt. Boven zijn (Ef. 2:6) is nog beter dan van boven geboren zijn. Maar als wij de profeten niet geloven als zij van aardse dingen spreken, zoals het koninkrijk (alhoewel het een hemels karakter draagt), hoe zullen wij dan Paulus geloven als hij van de hemelse (letterlijk: « opperhemelse » — epourania) dingen spreekt? (Joh. 3:12).
Joh. 3:15, 16 Eeuwig leven door middel van het geloof. Hab. 2:4.
Joh. 3:29 De bruidegom was gekomen en de bruiloft met Israël had moeten volgen, doch de bruid was niet bereid. Jes. 49:18; 54:4-10; 62:4, 5; Jer. 3:14; Hos. 2:18.
Joh. 4:10 « Levend water ». De Israëlieten konden weten wat dit was. Zie Jer. 2:13; 17:13; Zach. 14:8.
Joh. 4:23 « De ure komt, en is nu » of « is nabij ». De Messias stond inderdaad reeds voor haar. Maar door de verwerping ligt dat uur nu nog in de toekomst. Zie ook dezelfde uitdrukking gebruikt in verband met de opstanding uit de doden (Joh. 5:25; Ezech. 37; les. 26:19). Het betreft hier overigens niet « geestelijke » doden. Het Griekse woord duidt dode lichamen aan, zoals in 1 Kor. 15:35.
Joh. 5:36 « Deze werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft ». De tekenen waren Israël gegeven om hen te laten erkennen, dat de van God gezalfde, de Messias, gekomen en het koninkrijk nabij was.
Joh. 5:37-38 De Joden verwierpen Hem omdat zij niet de gehele Schrift geloofden. Zie ook verzen 46 en 47. Een ernstige vermaning ook voor onzen tijd.
Joh. 6:53 « Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven. » « Vlees » en « bloed » gebruikt voor de gehelen persoon, zoals in Mat. 16:17; 1 Kor. 15:50; Gal. 1:16; Ef. 6:12; Heb. 2:14, enz. « Eten » en « drinken »: Hebreeuws spraakgebruik voor het ontvangen en genieten. Zie b.v. Pred. 5:18; 6:2; Deut. 8:3; Jer. 15:16; Ezech. 2:8, enz. In Hem geloven (Joh. 6:47, 48) was hetzelfde als Zijn vlees eten en bloed drinken (Joh. 6:53, 54). Dit alles heeft niets te maken met het nieuwe verbond (Mat. 26:28) dat eerst later gesloten werd.
Joh. 7:39 « De Heilige Geest » is hier de gave, de kracht van boven.
Joh. 10:11 De goede Herder, zie Jes. 40:11; Ezech. 34:12-16, 22-24; Ps. 23. Hij wordt genoemd de grote Herder in Heb. 13:20 en de overste Herder in 1 Pet. 5:4. Van een herder der volken werd nooit gesproken.
Joh. 10:16 De andere schapen betreffen ook de gelovigen uit de volken niet. « Andere » is de vertaling van « allos », niet « heteros »; het zijn andere schapen maar van dezelfde soort. « Stal » is plaatselijk en wijst op Jeruzalem. Daarbuiten waren nog veel Israëlieten, vooral van de 10 stammen. Zie Joh. 11:51, 52. Petrus richt zich tot die verstrooide schapen in zijn beide brieven.
Joh. 10:24, 25 Hier zien wij wederom dat het hoofddoel der wonderen was: tonen dat Jezus was de Christus (Messias). Zijn schapen zouden Zijn stem horen (vers 27), doch voor zuivere ongelovigen werden geen tekenen gedaan (Mat. 13:58).
Joh. 10:30 « Ik en de Vader zijn één ». « Eén » is onzijdig in het Grieks (hen) en dit toont dat niet één persoon bedoeld is, maar één van aard, d. w. z. dat Jezus God is. (Zie vers 33). Dit werpt ook licht op vers 38 « dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem » en ook op Joh. 14:10, 11, 12, 20 en 17:11, 21. In beide laatste verzen heeft men hetzelfde onzijdige « één ». Door de goddelijke natuur (2 Pet. 1:4) is de gelovige die van boven geboren is (Joh. 3:3) van denzelfden aard als de Vader en de Zoon en wel degelijk een « kind van God ». Er is echter niet de meer organische eenheid van Ef. 5: 30 enz. Zie ook 1 Joh. 3: 24.
« In Christus » is alzo in tegenstelling met « in Adam » (1 Kor. 15:22). Dit laatste is ieder mens door de natuurlijke geboorte. Hij is « in het vlees » terwijl een gelovige « in de geest » is, door geboorte van boven. Voor hen die « in Christus » zijn is er dan ook geen verdoemenis (Rom. 8:1), zij wandelen niet meer naar het vlees, maar naar de geest.
Joh. 11:25, 26 « Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven; en een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid ». Hier hebben wij juist hetzelfde onderscheid tussen de gelovige doden en levenden als in 1 Thes. 4:16, 17en 1 Kor. 15:52. De Israëlieten waren zeer goed bekend met de opstanding der doden (b.v. Jes. 26:19; 27:13), doch dat niet allen zouden ontslapen, was een verborgenheid. Die opstanding heeft plaats als de Messias Zijn koninkrijk opricht.
Joh. 11:27 « Gij zijt de Christus ». De woorden van Martha in vers 22, namelijk « begeren » (dat nooit gebruikt wordt van de Zoon ten opzichte van de Vader, maar altijd van mensen ten opzichte van God), laten zien dat zij tot dan toe de betekenis van Joh. 10:30 niet had gevat. Voor haar was Jezus tot nu toe niets meer dan een mens.
Joh. 11:48 « Onze plaats en volk ». Het woordje « ons » toont de geestestoestand van het Sanhedrin: zij beschouwden als het hunne wat van God was. Daarom zeide de Heere Jezus dan ook « uw huis » (Mat. 23: 38), en werden de « hoogtijden des Heeren » (Lev. 23:2) de feesten der Joden genoemd (Joh. 11:55; 5:1; 6:4; 7:2. Zie ook de gelijkenis der wijngaardeniers. (Mat. 21:33-41).
Joh. 11:51, 52 Niet alleen de Israëlieten te Jeruzalem, maar alle gelovige Joden, die onder de natiën (volken) verstrooid waren (Lev. 26:33; Deut. 28:64; Jen 9:16; Ezech. 12:15; 22:15) zouden tot één kudde vergaderd worden (zie Joh. 10:16 en Jer. 23:3; 31:10 enz.).
Joh. 12:13-18 Het wonder van de opwekking van Lazarus was een teken voor het volk dat Jezus de Koning van Israël was. Zij worden niet berispt omdat zij een koninkrijk op aarde verwachten. Evenmin als de Priesters en Farizeën geloofden zij al wat de profeten gezegd hadden en de komst in vernedering en het kruis konden zij natuurlijk met hun mensenverstand niet uitleggen. Tekenen zijn niet voldoende als men Gods Woord niet gelooft (vers 37). Door het verwerpen van de Messias vervullen zij aldus zelve de profetie (Jes. 6:9, 10; 53:1). Blindheid volgt op ongeloof (Rom. 1:21).
Joh. 13:3 « Van God uitgegaan » zie Joh. 17:3 « dien Gij gezonden hebt »: Jezus als de Apostel (Heb. 3:1). « Tot God heenging » zie Joh. 17:11. « Ik ben niet meer in de wereld... Ik kom tot U »; Jezus als de Hogepriester (Heb. 3:1). Dit is een samenvatting van het evangelie van Johannes: Jezus Christus de gezondene. Dit te geloven betekent het « eeuwige » leven hebben (Joh. 17:3). Zie ook Jes. 48:16; 61:1.
Joh. 14:10-12 Zie 10:30.
Joh. 14:12 « Die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meer doen dan deze ». Meer wonderen en een meer uitgebreide werkkring; zie Handelingen. Evenmin als Mark. 16:17, 18 enz. is dit toepasselijk op onzen tijd. Evenals de verzen 13 en 14 zijn overigens deze woorden gericht tot de 11 apostelen en moet men voorzichtig zijn als men ze wil toepassen op anderen.
Joh. 14:27 De vrede door Jezus Christus, in het bijzonder gedurende Zijn koninkrijk op aarde.
Joh. 15:1 « Ik ben de ware wijnstok ». Israël was des Heeren wijngaard (Ps. 80:9-20; Jes. 5:1-7; Jer. 2:21; 8:13; Ezech. 19:10-14). De wijnstok stelt voor de geestelijke en stoffelijke zegeningen (zie Psalm HO). Deze zegeningen zijn nu uitgesteld tot het ware IsraëI (Jes. 49:3) d.i. dus de ware wijnstok, komt. Men zij ook hier voorzichtig met het uitleggen dezer verzen; zij kunnen wel toegepast worden op alle gelovigen.
Joh. 15:4-7 « In Mij » en « Ik in hem » zie Joh. 10:30.
Joh. 15:22, 24, 26 « Gene zonde ». De zonde is hier het verwerpen van de Messias. De werken waren een teken dat Hij de Messias was, en door het niet aannemen overtuigden deze werken hen van zonde. Nieuwe tekenen zouden komen door de kracht van boven, gegeven door de Heiligen Geest om opnieuw voor Hem te getuigen (zie geheel Handelingen): het is een nieuwe aankondiging van het koninkrijk, ditmaal door de Heiligen Geest.
Joh. 15:27 « Van de beginne » en konden dus getuigen van dood en opstanding, die de grootste tekenen waren dat Hij de Messias was en alles vervuld was wat de profeten en Hijzelve van te voren gezegd had dat geschieden zou. Paulus was niet van de beginne met Hem en kon dan ook niet tot de 12 apostelen behoren (Hand. 1:21, 22).
Joh. 16:2 De « gods-dienst » der wereld!
Joh. 16:9 De Heilige Geest zou de wereld overtuigen van zonde, omdat zij niet geloven dat Jezus is de Christus. Zie ook Joh. 15:22, 24, 26 en 1 Kor. 14:21, 22. Dit kan ook beschouwd worden als de zonde tegen de Heiligen Geest. In plaats van de wonderen aan te nemen als een teken, dat de Messias gekomen was, beweerden zij dat het de macht van Satan was, die door Hem werkte (Mat. 12:24, 32; Luk. 11:17-20; 12:10).
Joh. 16:12, 13 Vele dingen konden zij nog niet verdragen, maar de Heilige Geest zou in al de waarheid leiden. Zie verder de openbaring der verborgenheden.
Joh. 16:23 Zie 14:12-20. « Die dag » is de dag des Heeren (Jes. 2:11-22 enz.). Eerst moet « de vrouw » (vers 21) d.i. Israël (Jes. 66:7-11; Micha 5:2; Op. 12) in benauwdheid zijn (Jer. 30:7 en zie ook de smarten van Mat. 24:8).
Joh. 17:11, 21, 22 Zie Joh. 10:30.
Joh. 18:22, 23 Toen de dienaar aan de Heere Jezus een kinnebakslag gaf, volgde Hij zelf zijn eigen gebod van Mat. 5:39 niet. De tijden waren veranderd: in Mat. 5 werd het koninkrijk aangekondigd doch in Joh. 18 vinden wij de verwerping van de Messias te Jeruzalem. Zoals zo menig ander geval, moet ons dit tot voorzichtigheid aanzetten bij het gebruik van teksten en ons beletten te vermengen wat niet samen behoort. Zie ook Mat. 10:9, 10.
Joh. 18:36 « Jezus antwoordde: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijne dienaars gestreden hebben, opdat Ik de Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn koninkrijk niet van hier ». « Van » is letterlijk « uit ». Zijn koninkrijk zou wel over de wereld en over de aarde zijn, maar niet ingesteld worden door enige macht uit de wereld. God zelve zou het oprichten en het is dan ook genoemd koninkrijk der hemelen.
Joh. 19:37 « Zij zullen zien, in Welken zij gestoken hebben ». Deze profetie van Zach. 12:10 is nu slechts voor eenigen vervuld geworden, de volle vervulling had moeten volgen, doch door de verwerping ligt zij nog in de toekomst. In dit vers is dan ook voor « ander » het Griekse « heteros » gebruikt: het is een profetie van een anderen aard dan die van vers 36, welke toen geheel vervuld werd. Dit laatste vers zegt dan ook dat zij « vervuld » is, terwijl in vers 37 dit niet gezegd wordt; er staat: « en wederom zegt ene andere Schrift ».
Joh. 20:1 « Op de eersten dag der week ». Lees: « op een der sabbatten ». Zie Mat. 28:1.
Joh. 20:7 « In ene andere plaats samengerold ». Alle doeken lagen er zoals zij om het lichaam van Christus gewikkeld waren. Het lichaam was er uit verdwenen, zonder ze los te maken.
Joh. 20:21 Zoals altijd gebruikt God de juiste voorden. « Gezonden » en « zend » zijn niet van hetzelfde werkwoord. Het eerste bevat in zich de gedachte dat de gezondene niet begeleid is. Het tweede duidt op een begeleiding. De apostelen werden begeleid door de Heiligen Geest, zij waren slechts mensen.
Joh. 20:22 « Ontvangt de Heiligen Geest ». Geen lidwoorden gebruikt in het Grieks. Lees: « ontvangt heiligen geest » d.i. kracht uit de hoogte (Luk. 24:49). Men lette er op dat dit vóór Pinksteren is en een der redenen is waarom men niet kan aannemen dat Petrus zich vergiste bij de keuze van Matthias. (Hand. 1:15-26).
Joh. 20:23 Zie Mat. 16:19.
Joh. 20:30, 31 De tekenen gegeven om te tonen dat Hij de Messias was. Zij werden niet gedaan om een nieuwe « godsdienst » te stichten of alleen uit liefde tot de mensen. Het « leven » is in het bijzonder het leven gedurende het koninkrijk.
Joh. 21:23 Maant ons tot voorzichtigheid in het uitleggen van Gods Woord.
Uit dit alles bemerkt men dat ook het « evangelie » van Johannes niet over de Gemeente der verborgenheid spreekt, doch Israël en het koninkrijk betreft. Het feit dat het geschreven is na de brieven van Paulus, toont dat het vooral bestemd is voor de gelovigen die niet tot de Gemeente behoren, doch na de bedeling der Gemeente leven. Dit belet weer niet dat het ook voor de leden der Gemeente zeer grote waarde heeft, zoals alle Schrift, die door God is ingegeven.
De « evangeliën » geven de woorden van Christus in verband met het koninkrijk en de zegeningen door middel van Israël uitgestort. Nu echter in onze bedeling Israël tijdelijk verworpen is, hebben wij in de geschriften van Paulus Zijn woorden die ons rechtstreeks betreffen.
17. de aankondiging en verwerping van het koninkrijk na het kruis  D e H a n d e l i n g e n d e r A p o s t e l e n. Top
Schrijver: Lukas. De Messias was gekomen, het nieuwe verbond gesloten, doch Israël had de Messias verworpen en hun huis zou woest gelaten worden (zoals het vroeger meermalen aangekondigd was) tot zij zouden zeggen: « gezegend is Hij, die komt in de naam des Heeren » (Luk. 13:35; Ps. 118:26). Doch Christus had voor hen gebeden: « Vader! vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen » (Luk. 23:34) en Zijn gebeden worden zonder twijfel verhoord. Gods uitverkoren volk kreeg vergiffenis en wij mogen verwachten dat de zegeningen, door de profeten beschreven, wederom in hun bereik zouden liggen; dat hun wederom bekering gevraagd zou worden opdat het koninkrijk, van de hemel gegeven, mocht komen. Maar intussen is er veel veranderd. De Messias heeft voor de zonde betaald aan het kruis. Nu komt het er op aan in dien gekruisigden Christus en in Zijn opstanding te geloven. Zij worden aangedaan met kracht uit de hoogte (Luk. 24:49). De opdrachten van de Heere Jezus worden gevolgd (Mark. 16:15- 18; Luk. 24:47). De profetieën worden vervuld. Wij kunnen hier steeds verder de ontwikkeling volgen van Gods plan en de geleidelijke openbaring van de verborgenheid van Christus.
Bij het onderzoek der Handelingen komt het er meer dan ooit op aan, het Woord der waarheid recht te snijden en zich met de gedachte in dien tijd en in die omstandigheden te verplaatsen en geen rekening te houden met hetgeen slechts later zou geopenbaard worden in de brieven van Paulus. Als men tenminste bereid is voortdurend de waarheid aan te nemen boven de overlevering en deze zo nodig prijs te geven. Vooropgezette meningen en persoonlijke gedachten zijn de grootste hinderpalen om te begrijpen en zich te verlustigen in hetgeen God ons te zeggen heeft.
Hand. 1:1 « Al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leren ». Nu zou de Heere voortgaan als « dienaar... der besnijdenis... opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen » (Rom. 15:8). Het is niet een begin van iets nieuws, maar de ontwikkeling, de vervulling van het vroegere.
Hand. 1:2 De opdrachten worden in herinnering gebracht.
Hand. 1:3 Gedurende 40 dagen sprak Hij van het koninkrijk Gods, dat alle gelovige Israëlieten met spanning verwachten. Vele gewisse kentekenen dat Hij de Messias was. Over de Gemeente wordt geen woord gezegd. Zij was nog altijd verborgen in God (Ef. 3:9).
Hand. 1:4, 5 De belofte des Vaders was de kracht uit de hoogte (Luk. 24:49) d.i. de doop in heiligen geest (zonder lidwoord in het Grieks). Hier is het duidelijk dat niet de persoon (de Heilige Geest) maar de gave (heilige geest, of kracht uit de hoogte) aangeduid is. Die gaven ontvangen alleen zij die « van boven » geboren zijn. Die doop is de werkelijkheid, de waterdoop is slechts de uitwendigen vorm, passende aan een aards volk als Israël. Beide dopen vinden wij gedurende de tijd der Handelingen.
Zie ook Ef. 4:4-6. De doop in heiligen geest heeft hier voor gevolg o.m. talen, tekenen en is geheel te onderscheiden van het vervullen « met » de geest van Ef. 5:18 waar geen uitwendige tekenen met gepaard gaan.
Hand. 1:6 « Heere! zult Gij in dezen tijd aan Israël het koninkrijk wederoprichten? » Als men rekening houdt van Luk. 24:45: « Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden » is het niet mogelijk aan te nemen dat zij na 40 dagen persoonlijk onderwijs van de Heere iets zouden verwachten dat niet volgens de Schrift was. Zij drukten de verwachting uit van alle gelovige Israëlieten: de komst van het koninkrijk op aarde voor Israël.
Hand. 1:7 Zij worden dan ook niet berispt aangaande hun vraag. Het gaat alleen over de woorden « in dezen tijd » en niet over hun « opvatting » van het koninkrijk. De tijd konden zij in Gods handen overlaten, zij hadden slechts het hun toevertrouwde werk te volbrengen. Men begrijpt waarom de Heere hen niet kon antwoorden: Hij wist dat, niettegenstaande de nieuwe aankondiging, het koninkrijk weer zou verworpen worden.
Hand. 1:8 « Aarde » kan evengoed door « land » vertaald worden. Dat « land » hier de juiste uitdrukking is, ziet men uit een algemeen onderzoek. Gedurende het eerste gedeelte der Handelingen lezen wij over de bediening der 12 apostelen in een beperkten kring. Het tweede deel spreekt over de bediening van Paulus en de andere discipelen in een veel wijderen kring.
Hand. 1:11 De persoonlijke komst van de Heere Jezus in Zijn verheerlijkt lichaam op de Olijfberg (Zach. 14:4). « Gelijkerwijs » d.i. even onverwacht en op dezelfde plaats.
Hand. 1:20-22 Bij het lezen dezer verzen bedenke men dat: 1° Petrus heiligen geest ontvangen had (Joh. 20:22); 2e dat zijn verstand door Christus geopend was, opdat hij de Schriften verstond (Luk. 24:45); 3° dat hij 40 dagen persoonlijk onderwijs van de Heere had ontvangen (Hand. 1:3). Als Petrus zich in die omstandigheden « vergiste », en dit verder in Gods Woord niet gezegd wordt, dan kunnen wij ook de gehelen Bijbel ter zijde leggen. Uit de Schrift toont hij eerst de noodzakelijkheid Judas door een anderen apostel te vervangen. De voorwaarde waaraan voldaan moest worden is: al de tijd met de 11 omgegaan hebben, beginnende van de doop van Johannes tot de dag toe, in welken Christus opgenomen is (zie ook Joh. 15:26, 27). Paulus voldeed natuurlijk niet aan deze voorwaarde.
Hand. 1:23 Niets laat toe te veronderstellen dat er buiten de twee: Barsabas en Matthias, die zij « stelden » (niet « verkozen »), anderen aan de voorwaarde der vorige verzen voldeden.
Hand. 1:24-25 De apostelen wachtten er zich wel voor zelf een uit te kiezen.
Hand. 1:26 « Zij wierpen hunne loten », zoals dat door God zelve in zo vele gevallen opgegeven was als zij zelf niet mochten beslissen. Zie b.v. Lev. 16:8, 9, 10; Num. 26:55; Neh. 10:34 enz. Het lot viel op Matthias. Deze is dus de twaalfde apostel en niet Paulus, zoals de overlevering leert. « Met gemene toestemming gekozen » is in het Grieks « medegerekend ». Zij sloten zich natuurlijk met geheel hun hart aan bij Gods keuze, in tegenstelling met hen die beweren de apostelen na te volgen.De Heilige Geest bevestigt die keuze van Matthias nog meermalen: b.v. in Hand. 2:14 « Petrus staande met de elven »; Hand. 6:2 « de twaalven ». Paulus werd pas later bekeerd (Hand. 9). Het getal dezer apostelen, die een heel bijzondere roeping hebben (zie b.v. Mat. 10:1-10; 19:28), is strikt begrensd tot 12. Er kunnen dan ook geen « opvolgers » zijn van Petrus. Buiten deze 12 spreekt het N. T. van andere apostelen (d.i. gezondenen; nu in een meer algemene zin), die een andere roeping hadden. Zoo b.v. Paulus, Barnabas, Apollos, Silvanus, Timotheus, Andronicus, Junius (zie Ef. 4:11, 12). Deze werden na de opstanding geroepen, zie Ef. 4:10 « opgevaren... boven al de hemelen... en deze heeft gegeven sommigen tot apostelen ». Paulus in het bijzonder had een veel grotere en schonere taak dan enig ander der 12 apostelen. Hem bij de 12 voegen is hem, tegen Gods Woord in, op een lagere rang stellen en vermengen wat gescheiden is.
Hand. 2:1 « Pinksterfeest » letterlijk: « vijftigste ». Het is de vijftigste dag van af de garf des beweegoffers (Lev. 23:15, 16), de oude feestdag der Israëlieten die hier een begin van vervulling heeft.
Hand. 2:4 In dit vers heeft men beide de gave en de Gever. De gave: « ze werden allen vervuld met de Heiligen Geest (letterlijk « met heiligen geest ») en begonnen te spreken met andere talen ». De Gever: « zoals de Geest hun gaf uit te spreken ». Anderen ontvingen reeds vóór Pinksteren de heiligen geest (b.v. Luk. 1:67; 4:1; Joh. 20:22).
Hand. 2:14 Zie Hand. 1:26.
Hand. 2:16-21 Petrus zegt duidelijk wat dit spreken in talen betekende: het was het begin der vervulling van de profetie van Joël 2:28-31. (Zie ook Jes. 32:15 enz.). Zij betreft « het land » en « het volk » (Joël 2:18) van Jehovah en de zegeningen (Joël 2:23-27) na de bekering (Joël 2:12, 13). Nu echter werd heilige geest (de kracht) nog niet uitgestort op alle vlees. Dit had moeten volgen indien het volk Israël zich als geheel bekeerd had en dan zouden ook de « laatste dagen » toen spoedig gekomen zijn. De volledige vervulling ligt dan ook in de toekomst, bij de « dag des Heeren ». De uitstorting OP alle vlees volgt (Joël 2:28 « daarna ») op de stoffelijke zegeningen (Joël 2:19-25).
Het bijzondere van Pinksteren was de uitstorting van heilige geest in meerdere mate dan vroeger. Is dit nu een kenmerk van de Gemeente der verborgenheid? Het was reeds voorspeld door Joël, en wat heeft Joël met de Gemeente te maken? Overigens was het geen verborgenheid vermits Joël er van spreekt en Paulus zegt juist van de Gemeente, dat zij van alle eeuwen en geslachten verborgen was in God.
Hand. 2:22 Krachten, wonderen, tekenen betoonden dat de Nazarener God was en de koning van Israël gekomen was. Ook de bij Pinksteren uitgestorte kracht behoorde bij wat het begin van het koninkrijk had moeten zijn. Die krachten worden gedaan, zolang het koninkrijk aangekondigd wordt, d.i. tot op het einde der Handelingen (Hand. 28:28). Dit koninkrijk op aarde wordt in onzen tijd niet verkondigd en het is dan ook de tijd niet van een « pinkstergemeente ». Zie ook de drie opdrachten der apostelen (Mat. 28:18, enz.).
Hand. 2:30 De Christus verwekt om op Gods troon te zitten (1 Kron. 29:23; Ps. 2:6).
Hand. 2:31 « Christus », letterlijk: « de Christus » d.i. de gezalfde, de Messias, de Koning. Telkens als de naam « Christus » vermeld is in Handelingen, zonder bijvoeging van « Jezus » of « Heere », is hij gebruikt met het lidwoord en heeft dan ook steeds de bijzondere betekenis « Messias ».
Hand. 2:38 « En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in de naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen ». Dezelfde uitnodiging als bij de profeten (Jer. 3:7, 14, 22; 4:1; 18:11; 25:5; Ezech. 14:6; Hos. 14:2; Joël 2:12, 13), Johannes de doper en Jezus Christus. Zie ook Hand. 3:19. Petrus maakt hier gebruik van de « sleutels » des Koninkrijks. Deze tijd is dan ook een overgang tot het koninkrijk en niet het begin der gemeente. De bekering van hun zonden tegenover God, had voor dit verbondsvolk een heel bijzondere betekenis. Men herinnere zich wat wij in het begin van de ontwikkeling van Gods plan gezien hebben over de strijd tussen Satan en Christus. Telkens werd aan Gods volk gevraagd zich van de afgoden af te wenden en zich tot God te keren. Petrus spreekt niet van de doop in (tot) de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes (Mat. 28:19). Zie Joh. 1:25 noot. Deze laatste doop betreft alleen de volken.
Hand. 2:39 « U komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen, die daar verre zijn. » De Israëlieten te Jeruzalem en de verspreiden. Het zijn beloften uit het O. T. en betreft in niets de Gemeente, die nog steeds verborgen is in God.
Hand. 2:42-46 Gemeenschap in alles, zoals alleen mogelijk gedurende het koninkrijk en de tijd die er onmiddellijk aan voorafgaat. Men merke op dat zij nog steeds naar de Tempel gaan. De « breking des broods » was de gewone maaltijd (verzen 42 en 46; Mat. 14:19, enz.).
Hand. 2:47 « De gemeente » bevindt zich niet in de tekst. Men kan lezen: « De Heere voegde dagelijks de geredden te zamen ». Men kan hier natuurlijk van een gemeente (in algemene zin: vergadering) spreken, juist als in Ps. 22:23. Mat. 18:17, enz.
Hand. 3:2-11 Het wonder van de kreupele is niet alleen een teken dat het koninkrijk nabij is, maar tevens een symbool van de herstelling van Israël. (Zie volgende verzen).
Hand. 3:18 De Messias is gekomen en heeft de ongerechtigheid gedragen, al deze profetieën zijn vervuld. Opdat het koninkrijk kome blijft er slechts over de bekering van Israël.
Hand. 3:19 De statenvertaling is hier niet getrouw. Men weet dat « wanneer » (Grieks: opoos) moet vertaald worden « opdat » (zie Hand. 8:15, 24; 9:2, 12, 17, 24, enz.). Men leze dan: « Bekeer u dan en keer u (terug tot Mij) voor het uitwissen uwer zonden, opdat tijden van verkwikking (zie 2 Tim. 1:16 « verkwikt ») mogen komen van het aangezicht (of de tegenwoordigheid) des Heeren ». Het onnauwkeurige vertalen dezer woorden heeft waarschijnlijk een groot deel der tegenwoordige verwarring gesticht. De komst van het koninkrijk op aarde hing alleen af van de bekering van Israël (Jer. 3:7, 14, 22; 4:1; 18:11; 25:5; Ezech. 14:6; Hos. 14:2; Joël 2:12, 13). Het aankondigen van het koninkrijk op voorwaarde van bekering door de apostel Petrus, wiens verstand geopend was opdat hij de Schriften verstond, toont duidelijk dat de Gemeente der verborgenheid niet met Pinksteren begon. Door middel van Israël zouden alle volkeren gezegend worden, daarom moest dit uitverkoren volk zich eerst bekeren.
Hand. 3:20 Zoals in het vorige vers « zullen gekomen zijn » moet zijn: « mogen komen », is hier ook « gezonden zal hebben » te vervangen door « zenden moge ». Men leze dan: « en Hij zenden moge Christus Jezus die u te voren verordend is » (niet « gepredikt »; Grieks procheirizoma, volgens de beste handschriften; zoals in Hand. 22:14).
Hand. 3:21 « Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijne heilige profeten van alle eeuw ». Zie Mat. 19:28. Alle profeten spreken inderdaad zeer uitvoerig over het koninkrijk op aarde en de verlossing der schepping. Dat ze die tijden spoedig mochten verwachten blijkt uit Jes. 32:15; Zach. 12:10, enz.
Hand. 3:24 Wat in die dagen geschiedde, werd te voren verkondigd door de profeten. Als men Israël niet met de Gemeente verwart, ziet men dat ook hier, evenmin als bij de profeten, sprake is van de Gemeente der verborgenheid.
Hand. 3:25, 26 Het verbond met Abraham van Gen. 22:18 wordt hier aangehaald. Voor « geslachten » zie Ef. 3:15 (hier betreft het de aarde). Zoals alle profeten het schreven, worden ook de volken gezegend gedurende het koninkrijk. Maar vers 26 herinnert er aan, dat eerst Israël zich moest bekeren, niet enkelen, zoals het toen was, maar: « een iegelijk van u ». Die nationale bekering ligt in de toekomst.
Hand. 4:1 Het is goed op te merken dat « volk » de vertaling is van « laos », dat in alle plaatsen, ook in Hand. 15:14 menen wij, betrekking heeft op Israël. Het woord « ethnos » is « volken » in het algemeen en gewoonlijk door « Heidenen » vertaald. Beide komen voor in vers 27. In de zeven eerste hoofdstukken wordt geen woord gericht tot niet-Joden (behalve de proselieten). De twee « beweegbroden » van het Pinksterfeest (Lev. 23:17) betreffen dan ook Israël en Juda, niet Israël en de volken.
Hand. 4:4 Zoals altijd komt het geloof door het gehoor. Dat geloof betreft ook slechts het gehoorde en niet andere zaken die nog niet gesproken zijn. Hier is het geloof in de Messias, die onze zonden gedragen heeft en uit de doden is opgestaan.
Hand. 4:7, 8 De vraag « door wat (soort) kracht? » is voor ons onmiddellijk beantwoord: « vervuld zijnde met heiligen geest » d.i. kracht uit de hoogte. (Hand. 1:4, 5; Luk. 24:49).
Hand. 4:26, 27 Het is geen opstand tegen de prediker van een nieuwe « godsdienst », maar tegen de Messias, de Gezalfde.
Hand. 4:29-31 Vrijmoedigheid Gods Woord te spreken op grond van tekenen en wonderen. Geheel verschillend van onzen tijd.
Hand. 4:32-35 Zie Hand. 2:42, 45.
Hand. 5:5 Zoals de leer verkondigd vóór het koninkrijk volledige gerechtigheid vroeg (Mat. 5:26; 26:52; Mark. 4:24; 9:41, 42) en gedurende de wederaankondiging van het koninkrijk er volkomen gemeenschap, ook van goederen, was, zo heeft men hier ook onmiddellijk oordeel. Zie ook vers 10; Hand. 12:23; 13:11. Wie durft dit op onzen tijd toepassen ? Dit alles, met de tekenen, kenmerkt de voorbereiding van het koninkrijk op aarde, maar past niet bij de Gemeente der verborgenheid. De « gemeente » van vers 11 is de algemene uitdrukking voor « vergadering » en betreft niet wat nog niet geopenbaard is.
Hand. 5:19 De schaduw van Petrus is voldoende om zieken te genezen (vers 15). Hijzelve wordt door een engel verlost uit de gevangenis, enz. De wonderen door de profeten te voren aangekondigd blijven in overvloed geschieden zolang het koninkrijk aangekondigd is. Men bedenke zich die toestanden in om het verschil met onzen tijd duidelijk in te zien. Na de volkomen verwerping van de Messias (Hand. 28:28) gebeurt er geen enkel wonder meer en Paulus zelve blijft in de gevangenis te Rome gedurende enige jaren.
Hand. 5:20 « In de Tempel ». Zij behoorden steeds tot Israël en ook de Tempel en de dienst werd door hen niet verwaarloosd (Hand. 2:46). Nu zagen zij de volle betekenis van al de ceremoniën en bleven geen slaven van het uitwendige. Niets kan ons doen veronderstellen dat zij de wet niet onderhielden. Zie verder Hand. 21:21-26. Tempel is hier meer in het bijzonder « tempelhoven ».
Hand. 5:42 « Jezus Christus te verkondigen » kan men lezen: « de blijde boodschap te brengen dat Jezus de Christus (Messias) is ». « Verkondigen » is de vertaling van « euangelizo » (evangeliseren) d.i. een blijde boodschap brengen. Het ging hier om de Messias en het koninkrijk.
Hand. 6:1 « Grieksen » waren Joden die Grieks spraken en de Joodse gebruiken gedeeltelijk niet meer volgden. Er is nog steeds geen sprake van de volken. Zie bl. 99.
Hand. 6:3 « Broeders » is niet een kenmerkende naam der tegenwoordige Christenen. Hij was steeds in gebruik bij de Israëlieten, zelfs in Egypte (Hand. 7:26) en in de woestijn (Hand. 7:37).
Hand. 6:6 Voor de handenoplegging zie Num. 27:18-23. Die vorm werd gebruikt om een opdracht te geven.
Hand. 7:38 « De vergadering des volks » is de vertaling van « ekkleesia », dat meestal op andere plaatsen door « gemeente » wordt weergegeven. Als men de « gemeente » met Pinksteren wil laten beginnen, kan men even goed teruggaan tot Israël in de woestijn, en zouden alle Israëlieten er deel van uit maken.
Hand. 8:5 Letterlijk: « verkondigde hun de Christus » d.i. de Messias. Zie de tekenen die deze boodschap begeleiden.
Hand. 8:12 Koninkrijk-doop-tekenen.
Hand. 8:15, 16 Geen lidwoord in het Grieks. Er is sprake van « heiligen geest », de kracht uit de hoogte. Zij waren alleen met water gedoopt, maar de gave hadden zij nog niet ontvangen. Zie Joh. 1:25 noot.
Hand. 8:18 Simon zag dat « heilige geest » gegeven werd.
Hand. 8:22 De gelovige en gedoopte Simon (vers 13) moest zich bekeren.
Hand. 8:26-40 De eerste gelovige uit de volken die vermeld wordt in Handelingen. De Moorse kamerling was een afstammeling van Cham (Gen. 10). Cornelius was een afstammeling van Jafeth. De zegeningen in verband met het komende koninkrijk beginnen zich nu tot alle volken uit te strekken en dit was een nieuw teken voor Israël. Tussen de geschiedenis van deze twee vinden wij de bekering van Paulus, de apostel der volken. Nu begint een nieuwe periode, het is om zo te zeggen de laatste poging van God om Israël tot bekering te brengen: hen tot ijver te verwekken door diegenen die geen volk zijn (Deut. 32:21). Zie Rom. 11:5-16.
Als men meent dat de Gemeente der verborgenheid men Pinksteren begint en men gelooft, dat er in de Gemeente geen verschil is tussen Jood en niet-Jood, hoe kan men dan genoegen nemen met het feit dat in de 7 eerste hoofdstukken der Handelingen geen sprake is van gelovigen uit de volken? Als de volkomen gelijkheid een kenmerk der Gemeente is, zou dit juist het sterkst op de voorgrond moeten komen bij haar begin.
Hand. 9:4 De Heere Jezus vereenzelvigt zich met de gelovige Israëlieten, zoals in Mat. 25:40 b.v. De gemeenschap met de Gemeente der verborgenheid gaat veel verder.
Hand. 9:23 « Vele dagen » d.i. ongeveer 3 jaar. Zie Gal. 1:18. Paulus had alles door openbaring, uit de mond van de Heere (Hand. 22:14), en niet van de 12 apostelen of andere mensen. Slechts na deze 3 jaar ging hij tot de 12 apostelen (vers 27).
Hand. 10:2 In verband met het volgende merke men op wat Cornelius was: 1° godzalig (vroom), 2°
vrezende God, 3° vele aalmoezen doende, 4' God geduriglijk biddende.
Hand. 10:14-33 Petrus had tot dan toe, dus een 10 tal jaren na Pinksteren, strikt de wet gevolgd. Het is zeer nodig met dergelijke gegevens in de hand, zich in dien tijd en omstandigheden terug te denken. Het « volharden in de leer der apostelen » (Hand. 2:42) was dan ook iets geheel anders dan hetgeen men er nu van maakt. Een gezicht, drie maal herhaald, en de tegenwoordigheid van een engel (verzen 3 en 19) waren nodig om Cornelius, de godzaligen en biddenden gelovige, niet gelijk te stellen met het onrein gedierte. Als de Gemeente met Pinksteren begint, zou Petrus, wiens verstand geopend was (Luk. 24:45), en die met heiligen geest gedoopt was, dan aldus gehandeld hebben?
« Gij weet, hoe het enen Joodsen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot enen vreemde » (vers 28). Hier noemt Petrus zichzelve een Jood; in de Gemeente der verborgenheid zijn geen Joden, wel leden uit Israël.
De engel verscheen aan Cornelius in de vorm van een « man » (Hand. 10:31).
Hand. 10:34-43 Wij hebben hier een reeks getuigenissen en daartussen het werk van de Heere Jezus in het verleden, het heden en de toekomst.
| 34, 35 |
Getuigenis van Petrus. « In allen volke, die Hem vreest en gerechtigheid werkt, is Hem aangenaam ». |
| 36-38 |
Het leven van Christus op aarde. |
| 39 |
Getuigenis (wij). |
| 39, 40 |
Dood en opstanding van Christus. |
| 41 |
Getuigenis (ons). |
| 42 |
Christus rechter van levenden en doden. |
| 43 |
Getuigenis der profeten « dat een iegelijk die in Hem geloof, vergeving der ontvangen zal door Zijn naam ». |
Nu God Petrus getoond heeft dat hij geen mens zou onrein heeten (Hand. 10:28), begrijpt hij, dat de tijd gekomen is, dat de profetieën aangaande de zegeningen der volken in verband met het koninkrijk ook in vervulling treden. Zie Ps. 2:12 enz.: « Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen »; Jes. 30:18: « Welgelukzalig zijn allen die Hem verwachten »; Hab. 2:4: « De rechtvaardige zal door zijn geloof leven »; Joh. 3:16 enz. Nu was het ook de tijd om de opdrachten des Heeren volledig uit te voeren: « predikt aan alle creaturen », « die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn », « en degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen » (Mark. 16:15-18). Petrus bracht echter nog altijd de boodschap dat « Hij is degene, die van God verordineerd is tot een Rechter van levenden en doden ». Het was Paulus voorbehouden een twintigtal jaar later te openbaren dat Hij was het Hoofd der Gemeente.
Hand. 10:44-48 « Heilige Geest » is hier ook wederom de « kracht uit de hoogte », de gave (Hand. 11:17), niet de Gever. Door deze kracht konden zij de tekenen doen, die volgen moesten volgens Mark. 16:17. De gelovige Joden waren ontzet, dat dit nu ook met de volken het geval was, zij waren niet door een engel verwittigd en dachten misschien niet dat het koninkrijk zó nabij was. Hun verwondering toont ook wederom de tweede plaats, die de volken nog steeds innamen.
Volgens de opdracht van Mark. 16:16 werden zij ook gedoopt, « in de naam des Heeren », niet echter « in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes » zoals dat later, na de oprichting van het koninkrijk op aarde zal geschieden (Mat. 28:18, 19 noot). Die waterdoop was het uitwendige teken van de inwendigen, werkelijken doop, die des geestes, en verschilde daarom in zekeren zin van de doop van Johannes (Hand. 11:16), waar geen inwendige kracht aanwezig was (zie Joh. 1:25, noot). Die vormen waren geheel gepast voor dien tijd, waar Israël nog stipt de wet nakwam (Hand. 10:14 en zie verder). Petrus gebruikt hier ook de « sleutels » om het koninkrijk te ontsluiten. Van de Gemeente der verborgenheid is nog steeds geen sprake.
Hand. 11:1-18 De gelovige Joden waren zeer voorzichtig in hun geloof. Zij moesten ten volle verzekerd zijn, dat het Gods wil was, dat zij nu ook de gelovigen uit de volken broeders konden noemen, dat deze ook gereinigd waren (vers 9), gereinigd namelijk door het geloof in de gekruisigden Messias der joden (Hand. 15:9) en dat de tijd gekomen was dat de Christus een verzoening was voor de gehele wereld (1 Joh. 2:2).
Vroeger was de boodschap « bekeer u » alleen gericht tot Israël, nu is zij ook de volken aangeboden (vers 18). « Ten leven is hier het « eeuwige » leven, d.i. het leven onder het koninkrijk in het bijzonder.
Dit laatste vers toont ook weer hoe ver hun gedachten waren van de Gemeente der verborgenheid.
Hand. 11:26 De gelovigen worden voor het eerst « Christenen » genoemd, te Antiochië.
Hand. 12:1-11 Petrus wordt door een engel uit de gevangenis verlost (zie Heb. 1:14).
Gedurende de gehelen tijd der Handelingen, zowel als er vóór en als na de tijd der Gemeente der verborgenheid, is er een zichtbare, hoorbare, tastbare tussenkomst der engelen. Zie b.v. Hand. 5:19; 8:26, 29, 39; 10:3, 19, 22; 11:12, 13; 12:7-10, 23; 16:16, 18; 19:12- 16; 27:23; 1 Kor. 12:10; 2 Kor. 11:4, 14; 12:7; Gal. 1:8; 2 Thes. 2:2; 1 Tim. 4 :1, Heb. 1:14; 1 Joh. 4:1-6.
Men merke op dat voor « engel » soms het woord « geest » gebruikt is. In geen geval worden mensen, levend of gestorven, op deze wijze aangeduid. In de brieven, geschreven na de tijd der Handelingen, komt « geest », op deze wijze gebruikt, nooit voor, en « engelen » slechts eenmaal (Kol. 2:18). Er is dan geen sprake meer, dus ook niet in onzen tijd, van een dergelijke, door God gewilde, tussenkomst die wij met onze zinnen zouden kunnen waarnemen. Zij die de « doden vragen » (zie Lev. 19:31; 20:27; Deut. 18:10-12; 1 Chron. 10:13, 14; Jes. 8:19), de spiritisten, kan het min of meer gelukken hunne praktijken uit de Bijbel te wettigen door te wijzen op die menigvuldige tussenkomst van geesten. Dit is echter onmogelijk als men de tegenwoordige bedeling der Gemeente duidelijk onderscheidt. Als zij tegen Gods wil een tussenkomst verlangen, worden ze echter wel door demonen gediend en misleid.
Hand. 12:23 Onmiddellijk gericht (zie Hand. 5:5, 10; 13:11).
Hand. 13:2 « En als zij de Heere dienden en vastten ». Het ware vasten (Jes. 58:2-14) sluit het uitwendige vasten niet uit. Beide behoren te, zamen voor die bedeling.
Hand. 13:3 De handenoplegging in de zin van goedkeuring of iets dergelijks is te onderscheiden van de handenoplegging die gaven voor gevolg had.
Hand. 13 :11 Onmiddellijk oordeel. In Hand. 5:5, 10 waren het gelovige Joden, in Hand. 12:23 was het een uit de volken; hier is het een Jood (vers 6).
Hand. 13:14, 15 Een der vele gevallen waar de Christen Joden naar de Synagoge gaan (niet eenvoudig aan de uitgang om de blijde boodschap te brengen).
De overste overhandigde een deel uit de « wet » d.w.z. de vijf boeken van Mozes, en daarna een deel der « profeten », om voor te lezen. « Volk » is de vertaling van « laos » en duidt de Joden aan. Verzen 16 en 26 wijzen ook op de aanwezigheid van niet-Joden, doch volgens vers 43 zijn het waarschijnlijk proselieten.
Hand. 13:32 De belofte aan de vaderen (Israël) geschied, was toen vervuld. Zij predikten niet een nieuwe godsdienst of een verborgenheid.
Hand. 13:46 De Joden eerst. Eerst na de verwerping van de Joden te Antiochië, keert Paulus zich tot de niet-Joden dier plaats. « Des eeuwigen levens » is het leven gedurende het koninkrijk.
Hand. 13:47 Aanhaling van Jes. 49:6. Zegening der volken door Israël gedurende het koninkrijk. De Joden, als geheel genomen, hadden de Messias nog niet volkomen verworpen en het koninkrijk kon nog steeds als nabij zijnde verkondigd worden.
Hand. 13:50 Officiele verwerping van de Messias en Zijn gezondenen te Antiochië. Van nu af geschieden er in deze plaats geen wonderen (tekenen van het komende Rijk) meer.
Hand. 13:51 Paulus en Barnabas doen wat de Heere aan de 12 gezegd had (Mat. 10:14; 6:11) voor het geval de boodschap van het koninkrijk niet zou ontvangen worden: zij schudden het stof hunner voeten af. Zie ook later te Korinthe (Hand. 18:6).
Hand. 14:19 « Menende » is de vertaling van een woord, dat gebruikt wordt in alle gevallen waar er sprake is van een gedachte die steunt op een nauwkeurig onderzoek. Zoo was het ook hier het geval en niets zegt ons dat Paulus niet werkelijk dood was. Er was in elk geval goddelijke kracht nodig om op te staan en de anderen dag naar Derbe te gaan.
Hand. 14:22 De gelovigen van dien tijd zouden door vele verdrukkingen het koninkrijk ingegaan zijn had Israël zich bekeerd. Nu moet het grootste deel dier verdrukking nog komen.
Hand. 15:1-6 Moesten de gelovigen uit de volken besneden worden en de wet van Mozes volgen om behouden te zijn? Konden de volken behouden worden door geloof alleen, zonder het zegel der rechtvaardigheid? (Rom. 4:11). Dat was de kern der zaak.
Moesten zij niet als « vreemdelingen » ingelijfd worden door de besnijdenis? (Ex. 12:43-49). Dat de kinderen der Joden nog moesten besneden worden sprak van zelve. De vraag in vers 5 werd gedaan door gelovige Farizeën, die zelf alle voorschriften (evenals Paulus) volgden. Hadden die vormen niet meer gevolgd moeten worden door de Christen Joden, dan was het antwoord zeer eenvoudig geweest. Maar waar de gezondenen van Christus zelve, zoals alle Joden, de vormen waarnamen en niets hun toeliet het niet te doen, daar was het antwoord niet zo eenvoudig en moesten de apostelen en de ouderlingen tezamen vergaderen.
Hand. 15:9, 11 Natuurlijk was er geen onderscheid tussen Jood en niet-Jood voor wat betreft de gave van « kracht uit de hoogte » en de behoudenis door genade, door middel van het geloof. De volken worden echter in die zelfde verzen steeds in de tweede plaats vermeld.
Hand. 15:14-21 Jakobus verwijst naar de woorden die Simeon (Petrus) juist heeft uitgesproken (7-11) en toont dat de profeten over de zegeningen der volken gesproken hebben en haalt Amos. 9:11, 12 aan, een tekst die zeker niet spreekt van de gemeente die in God verborgen was, maar wel van de herstelling van Israël (zie verzen 14 en 15). Die profetieën lieten zien dat zij als volken zouden gezegend worden en niet als tot de Joden gevoegde mensen. Daarom was voor hen dan ook besnijdenis en het volgen der wet (die alleen aan Israël opgelegd was, zie Rom. 3:19) uitgesloten (vers 19). In de omstandigheden van toen, te midden van afgodendienaars en zwakke broeders, werd hun echter een en ander opgelegd (Zie verzen 20, 29 en 1 Kor. 8:10; 10:19, 28).
Dit alles nu op de Gemeente der verborgenheid toepassen is dubbel onjuist: 1° die voorschriften waren tijdelijk; 2° zij werden gegeven aan de pinkstergemeente en niet aan de Gemeente der verborgenheid, waar geen verdeling in volken en Israël bestaat.
De gelovigen uit de volken waren niet meer « onrein », maar gereinigd door hun geloof in de Messias. Zij waren Abraham's zaad (Gal. 3:29) ook zonder de vormen der wet.
Hand. 16:3 Timotheus door Paulus besneden. Dit toont vooreerst dat Paulus de uiterlijke vormen waarnam. In het geval van Timotheus was, volgens de Wet, de besnijdenis misschien niet noodzakelijk. Paulus had de keuze hem met zich te nemen als een niet besneden of besneden proseliet. Het laatste was verkieslijker om de Joden voor zich te winnen. Die handelwijze had geen verdere strekking, terwijl die van Petrus in Gal. 2:11-15 in tegenspraak was met het feit dat ook de volken door genade behouden werden (Hand. 15:9, 11), dat de verzoening had plaats gehad. Door het niet omgaan met de volken, loochende hij aldus feitelijk de betekenis van de dood en de opstanding van de Heere en nog meer de nabijheid van het koninkrijk. Tegelijk gaf het de indruk dat Petrus nog niet vrij was in Christus (Gal. 5:1), maar nog « onder » de wet.
In andere omstandigheden was het verkieselijker niet te besnijden (Gal. 2:3), als men er b.v. uit zou afleiden, dat de gelovigen nog « onder » de wet waren (zie Rom. 7:4).
Wij kunnen hierbij opmerken dat de waterdoop de besnijdenis niet verving, maar beide tezamen bestonden (ook onder het koninkrijk, Ezech. 44:9). Voor de gelovige Joden de besnijdenis en de waterdoop, voor de gelovigen uit de volken alleen de waterdoop.
Hand. 16:16-18 Paulus werpt demonen uit volgens de opdracht van Mark. 16:17.
Hand. 16:26 Paulus door een aardbeving uit het gevang verlost.
Hand. 17:3 Lees « Messias » voor « Christus », dus: « De Schriften... openende, en voor (ogen) stellende, dat de Messias moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is de Messias ». Als de Messias gekomen was, dan moest het koninkrijk natuurlijk nabij zijn. Al was het nauwelijks nodig er aan te herinneren, want het was hun voortdurende hoop, toch zal Paulus er wel over gesproken hebben (zie b.v. vers 7).
Hand. 17:4, 11 Sommigen werden overtuigd uit de Schrift (verzen 2, 3). Zie 1 Thes. 1:7; 2:13. De Bereërs onderzochten dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren. Hoe kan het ook anders als men gelooft, dat de Schrift Gods Woord is? Maar het laat ons ook zien, dat Paulus hun niets nieuws verkondigde, zij konden het alles nazien in het O. T. De grote verborgenheid, die ze niet in de Schrift zouden gevonden hebben, was nog altijd niet geopenbaard, d. w. z. zij wisten niets van de Gemeente der verborgenheid, en dit ongeveer 25 jaar na Pinksteren!
Hand. 17:30 « God... verkondigt nu allen mensen, dat zij zich bekeren ». Zie 2 Kor. 5:19. Paulus is heel in het bijzonder de apostel der verzoening. Die nieuwe wereldtoestand, waar de genade overvloedig is, past in de geleidelijke ontwikkeling van Gods Raad: de wereld verzoend, de bekering van Israël en der volken, het koninkrijk op aarde. De verzoening en de overvloedige genade is echter geen kenmerk van de Gemeente, alhoewel deze op denzelfden grond steunt: het offer van Christus.
Hand. 18:5 « Dat Jezus is de Messias ». Het koninkrijk aangekondigd.
Hand. 18:6 « Wederstonden en lasterden ». Het koninkrijk verworpen te Korinthe. Als gevolg schudde Paulus zijn klederen af; zie Mat. 10:14; Luk. 9:5. Van nu af geschieden er ook geen tekenen meer te Korinthe en Paulus gaat tot de volken.
Hand. 18:11 De brieven aan de Thessalonicensen geschreven.
Hand. 18:18 « Zijn hoofd te Kenchreeën geschoren hebbende, want hij had ene gelofte gedaan ». De vormen, die hiermee gepaard gingen moesten te Jeruzalem geschieden (zie vers 21). Paulus volgde dit alles zeer getrouw, zoals alle Joden. Die gelofte kon het volk Israël aan zijn belofte tegenover de Heere: « Al wat de Heere gebiedt, zullen wij doen » (Ex. 19) herinneren. Zie bl. 39.
Hand. 18:28 « Dat Jezus is de Messias »
Hand. 19:2 Voor « de Heiligen Geest », lees « heiligen geest », d.i. de kracht uit de hoogte (zie vers 6: « talen », « profeteerden »). Zij hadden nog niet gehoord dat er « heilige geest » (de kracht) gegeven was.
Hand. 19:5 Dit vers betreft niet de discipelen te Efeze, maar het volk, dat naar Johannes hoorde (vers 4). Onder meer, wordt dit aangeduid door het feit, dat zij gedoopt werden « tot de naam van de Heere Jezus », een doop, die niet met « kracht uit de hoogte » gepaard ging (zie Hand. 8:16 en Joh. 1:25 noot). De discipelen van Efeze werden dan ook niet tweemaal in water gedoopt. De « heiligen geest » ontvingen zij door handenoplegging, evenals in Hand. 8:17.
Hand. 19:10 Allen die in Azië woonden hoorden het woord. Zie 2 Tim. 1:15.
Hand. 19:12 Zieken werden genezen, boze geesten voeren uit. God werkte « door de handen van Paulus » (vers 11) als teken van het komende rijk.
Hand. 19:32 « Vergadering » is de vertaling van « ekkleesia », dat in de meeste gevallen door « gemeente » vertaald is.
Hand. 20:7 « En op een der Sabbatten (tè mia toon sabbatoon-genitief meervoud). Zie Mat. 28:1. Kort daarna is het dan natuurlijk « Pinksterdag » (vers 16). De Christen Joden volgden steeds de hoogtijden des Heeren. Er is nergens sprake van een nieuwen « christelijken » feestdag.
Zij hadden hier een algemene maaltijd (« om brood te breken » — zie ook vers 11 en Mat. 14:19).
Hand. 20:21 Eerst de Joden, dan de volken.
Hand. 20:23 Het koninkrijk toeft door het zich niet bekeren der Joden (zie ook verzen 19, 25); de banden en verdrukking komen nader.
Hand. 20:25 Het koninkrijk gepredikt. « Gods » staat niet in de beste handschriften.
Hand. 20:27 « Al de raad Gods », namelijk voor dien tijd, toen het koninkrijk aangekondigd werd. Later, gedurende een nieuwe bedeling, maakte Paulus de grote verborgenheid bekend. Gods Woord is uiterst nauwkeurig in de keuze der woorden, de « raad Gods » heeft betrekking op Israël en de volken, terwijl het « voornemen » alleen in verband staat met de Gemeente der verborgenheid (Ef. 3:11).
Hand. 20:28 De opzieners zijn dezelfde als de « ouderlingen » van vers 17 (vergelijk Titus 1:5, 7).
Hand. 20:29-31 « Wolven », « uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen ». Maant tot grote voorzichtigheid ten opzichte van al hetgeen gedurende de eerste eeuwen geschreven is en wat van de « apostolische opvolging » gezegd wordt. Gods Woord (vers. 32 « de woorde ») is de leiddraad, niet de overlevering. Drie jaar lang vermaande Paulus hen, nacht en dag. Die vermaning richt zich ook tot ons.
Hand. 20:38 « Zeer bedroefd ». Niet alleen Paulus weg, maar de toekomst scheen uiterst donker: het koninkrijk verworpen. Wat zou er nu met hen geschieden? Paulus had hen nog wel getroost met over hun erfdeel te spreken (vers 32), maar ze hadden toch heel wat anders verwacht. En die Paulus, die op dit alles geen acht geeft! (vers 24).
Hand. 21:9 Vier dochters die profeteerden. Zie Hand. 2:17.
Hand. 21:20 Vele duizenden Joden, gelovende in de Christus, waren ijveraars der wet. Niets en niemand had hun gezegd dat zij de wet niet meer moesten volgen, maar daarom moesten zij geen « ijveraars » zijn en voor hen was de brief aan de Hebreën zeer nodig.
Hand. 21:21-25 « Mozes » is hier geschreven voor de wet, zoals b.v. in Hand. 15:21. Wij lezen hier van twee beschuldigingen:
1. Men zei, dat Paulus leerde de kinderen der Joden (die onder de volken zijn) niet te besnijden.
2. Dat die Joden niet naar de wijze der Wet moesten wandelen. Jakobus en de ouderlingen willen dat « allen mogen weten, dat er niets is aan hetgeen, waarvan zij, aangaande u bericht zijn, maar dat gij alzo (volgens godsdienstige voorschriften) wandelt, « dat gij ook zelf de wet onderhoudt ». De zaak is zo duidelijk mogelijk voor wie niet door de overlevering verblind is. Jakobus, wiens verstand ook geopend was, en de ouderlingen wandelden, evenals alle Joden, volgens de wijze der Wet. Zij vonden het gans nodig de menigte te doen samenkomen om elke gedachte te verwijderen, dat Paulus zou leren, dat de gelovige Joden de Wet niet zouden moeten volgen. Het gaat niet over iets te doen om de Joden niet te kwetsen, ze zo verre mogelijk tegemoet te komen om ze te winnen (1 Kor. 9:20), maar er dient duidelijk aangetoond dat paulus zelf de wet onderhoudt.
Voor wat de volken betreft, dat was wel begrepen, deze moesten niet besneden worden (Hand. 15:1-24).
Wat zou Paulus nu doen? Hen met volle bewustzijn iets doen geloven wat niet waar was Dat is onmogelijk. Als Paulus de Wet niet meer volgt, dan kan hij op hun voorstel niet ingaan.
Hand. 21:26 Paulus, die zelf een gelofte gedaan heeft (Hand. 18:18), gaat echter met de mannen in de Tempel, en blijft er « totdat voor een iegelijk van hen de offerande opgeofferd was ». Zie Num. 6:14- 20. Geen vergissing is hier mogelijk: Paulus wil openbaar bewijzen dat hij er nooit aan gedacht heeft de uitwendige vormen te verwaarlozen en kon dan later ook met volle recht zeggen: « ik heb noch tegen de wet der joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets gezondigd » (Hand. 25:8).
Natuurlijk kunnen wij deze zaak niet begrijpen als wij de periode van af Pinksteren tot het einde der Handelingen verwarren met de tegenwoordige bedeling, of anders uitgedrukt, als wij de Gemeente der verborgenheid laten beginnen met Pinksteren. Men is dan geneigd te zeggen dat Paulus verkeerd handelde ! De Schrift zegt dit echter niet en het is een ernstige beschuldiging, nodig om de zwakheid van een theorie te bedekken.
Zie verder de brief aan de Romeinen enz. aangaande het niet meer « onder » de Wet zijn der gelovigen.
Hand. 21:39; 22:3 Paulus noemt zichzelve nog steeds een Jood.
Hand. 24:14 Paulus deed niet aan Schriftkritiek, maar geloofde alles wat in de Wet en de Profeten geschreven is.
Hand. 24:17-19 Hij herinnert aan zijn offeranden, enz. van Hand. 21:26. Volgens de overlevering zou dus Paulus nog steeds in zijn verkeerde handelwijze volharden!
Hand. 25:8 « Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de Keizer iets gezondigd. »
Hand. 26:6 Paulus geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is. Hij predikte niet een nieuwe « godsdienst » en zei nog niets over de grote verborgenheid.
Hand. 26:18 Bekering van de macht des Satans tot God zoals altijd gevraagd was geweest.
Hand. 26:22, 23 Paulus zei niets « buiten hetgeen de Profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou: namelijk dat de Messias lijden moest, en dat Hij, de eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke (de Joden), en de volken. » Eerst later schreef Paulus van de verborgenheid, « die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijne heiligen » (Kol. 1:26). Dan zou er niet een zegening zijn voor de volken na de Joden, zoals door de profeten voor het koninkrijk aangekondigd; dan zouden er niet zijn gelovige Joden naast gelovigen uit de volken, maar er zou zijn één samengevoegd lichaam, één nieuwe « man », één Gemeente, bestaande uit leden uit de volken en de Joden zonder onderscheid.
Hand. 28:4-6, 8-9 De laatste tekenen door middel van Paulus gedaan.
Hand. 28:17 Paulus had niets gedaan tegen het volk of de « vaderlijke gewoonten ». Zie Hand. 6:14 waar « zeden » de vertaling is van het Griekse woord dat hier door « gewoonten » is weergegeven. Het ging over de inzettingen door middel van Mozes ontvangen, niet over menselijke dingen die er bijgevoegd waren.
Hand. 28:20 Paulus geketend wegens de « hope Israëls » (de toekomst van de Messias en de oprichting van het Koninkrijk).
Hand. 28:23 Het koninkrijk Gods uitgelegd uit de Wet en de Profeten. Koninkrijk Gods is een algemene uitdrukking die vele dingen omvat. Hier betreft het in het bijzonder het koninkrijk der hemelen, zoals in Mattheus. Alleen dit Messiaans rijk kon uitvoerig uit het O. T. uitgelegd worden. De Gemeente was nog steeds verborgen in God. (Ef. 3:9).
Het is de laatste maal dat in deze tijdsperiode het koninkrijk op aarde verkondigd wordt. Ook hier te Rome wordt het verworpen en nergens geschieden van nu af de kenmerkende tekenen.
Men kan het gebruik van de naam « Jezus », die kenmerkend is van de tijd vóór de Gemeente, vergelijken met het gebruik van de titel « de Heere Jezus Christus » in vers 31.
Hand. 28:26 Aanhaling van Jes. 6:9 zoals bij de vroegere verwerpingen van het koninkrijk, zowel vóór de verbanning der 10 stammen naar Assyrië (zie bl. 46) als in Mat. 13:14 en Joh. 12:40. Nu zou Israël ook weer uit het land gedreven worden. Het was niet genoeg dat « sommigen » geloofden, het had een nationale bekering moeten zijn.
Hand. 28:28 « Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods de VOLKEN gezonden is, en deze zullen horen ». « Zaligheid » is de vertaling van « sotérion » dat ook b.v. voorkomt in Luk. 2:30; 3:6; Ef. 6:17 en niet zozeer de zaligheid zelve, maar Hem die de zaligheid geeft, aanduidt. Dit blijkt ook uit Jes. 62:11, waar het woord « Heil » gebruikt is. Zie verder Heb. 2:3, 4.
Nu zou een geheel nieuwe bedeling beginnen. Israël is nu « uitgehouwen » (Mat. 3:10), voor een tijd niet meer als Gods volk aangemerkt. De Israëlieten hebben als zodanig geen voorrechten meer, doch worden aangemerkt als deel uitmakende van de volken. Van zelve vervallen nu ook alle inzettingen, rechten en geboden, die alleen aan Israël gegeven waren. En het nieuwe verbond, dat met Israël gesloten was, is nog niet van kracht.
Wij geven hier de korten inhoud der Handelingen 1 die ook weer aantoont hoe stelselmatig dit boek, evenals de gehele Bijbel, geschreven is.
Het eerste boek van Lukas (Hand. 1:1).
A1 |
 |
B1 |
 |
1:1 Wat de Heere begonnen heeft beide te doen en te leren. |
 |
 |
 |
D1 |
 |
1:2 Bevelen aan de apostelen. |
 |
 |
B2 |
 |
1:3 Wat de Heere verder deed. |
 |
 |
 |
C2 |
 |
1:3 Gedurende 40 dagen. |
 |
 |
 |
D2 |
 |
1:4-9 Bevelen aan de apostelen. |
Het tweede boek: de Handelingen.
A2 |
 |
B1 |
 |
1:15-2 :13 Te Jeruzalem. De Heilige Geest. Uitzending der 12. |
 |
 |
 |
C1 |
 |
2:14-8:1 Bediening van Petrus en anderen aan het volk in Jeruzalem en het land. |
 |
 |
 |
D1 |
 |
8:1-11:30 Bediening van Petrus en anderen in het land (ook aan de volken). |
 |
 |
 |
E1 |
 |
12:1-23 Te Jeruzalem. Petrus gevangen. Einde van de bediening onder die bedeling. Caesarea. |
 |
 |
B2 |
 |
12:24-13:3 Te Antiochië. De Heilige Geest. Uitzending van Paulus en Barnabas. |
 |
 |
 |
C2 |
 |
13:4-14:28 Bediening van Paulus en anderen aan de verstrooiden, buiten Jeruzalem en het land. |
 |
 |
 |
D2 |
 |
15:1-19:20 Bediening van Paulus in samenwerking met de 12. |
 |
 |
 |
E2 |
 |
19:21-28:31 Efeze, Jeruzalem. Paulus gevangen. Einde van de bediening onder die bedeling. Rome. |
eerste samenvatting betreffende de
verwerping van het koninkrijk
gedurende de tijd der handelingen. Top
Wij kunnen nu de toestand in het kort als volgt weergeven: De Joden, die al zo lang op hun Messias hadden gewacht, hebben Hem gekruisigd. Enkelen hebben in Hem geloofd. Na de opstanding wordt Israël een nieuwe kans gegeven, hen wordt wederom gevraagd zich te bekeren opdat het koninkrijk kome. Die verkondiging geschiedt vooral door Petrus en de andere 11 apostelen, later ook door Paulus en die met hem waren. In de tweede plaats richten zij zich tot de volken die moesten deel hebben aan de zegeningen gedurende het koninkrijk op aarde. Paulus in de eerste plaats is de apostel der volken en hij verkondigt de verzoening der wereld door het kruis.
Intussen onderhouden de Joodse « Christenen » de wet en alle uitwendige instellingen die er bij behoren, sommigen zelfs met overdreven ijver, alsof ze nog onder het oude verbond waren. Zij beginnen nu de ware betekenis der vormen in te zien en hechten, behalve talrijke uitzonderingen, geen waarde meer aan het uiterlijke alleen. De Tempel bestaat steeds, de dienst, de offeranden enz. gaan steeds door, het waren « eeuwige » inzettingen. De oude hoogtijden des Heeren worden steeds in acht genomen, zo b.v. de « eerste der Sabbatten » en 50 dagen later het Pinksterfeest. Ook deze feesten hadden nu hun ware betekenis verkregen.
Gedurende deze voorbereidingsperiode van het koninkrijk was er ook reeds een en ander dat dit rijk ken- merkt: volledig en onmiddellijk gericht, gemeenschap van goederen, krachten en gezichten, zichtbare, hoorbare en tastbare tussenkomst der engelen, enz. Dit alles was in volkomen overeenstemming met het O. T. Het enige nieuwe was, dat de tijd der vervulling gekomen was.
Overal hebben zich vergaderingen of gemeenten van gelovige Joden gevormd en later ook van gelovigen uit de volken. Zij worden gesterkt en opgeleid door de apostelen en hebben als hoop in de eerste plaats de terugkomst van Christus tot het oprichten van het koninkrijk. Die hope omvat ook de opstanding uit de doden en het « eeuwige » leven. De kans op de vervulling dezer hoop schijnt echter van dag tot dag te verminderen, want overal is het slechts een overblijfsel van Israël dat de Messias aanneemt, zich van Satan tot God bekeert. De koning wordt inderdaad door de officiele vertegenwoordigers van het volk verworpen, niet alleen te Jeruzalem, maar te Antiochië, Korinthe en tenslotte te Rome.
Nu keert God zich als het ware van Zijn volk af en het herstel der aarde wordt onderbroken. Nu zwijgt God en dit zwijgen is dikwijls zeer drukkend voor de zijnen. Israël is dan tijdelijk niet meer Gods volk, zoals dat vroeger reeds menigmaal geschied was. Nu zou de zaligheid Gods tot de volken gezonden worden. Israël zou nu geen voorrechten meer hebben boven de andere volken, maar uit al de volken zou nu een nieuwe groep gekozen worden, die God zou gebruiken in ver-band met het herstel der hemelse dingen. Als men duidelijk het verschil ziet tussen de positie van Israël gedurende de tijd der Handelingen (die dezelfde is als vóór het kruis, behalve dat dan de verzoening nog niet voltrokken is) en de positie na het einde der Handelingen, zal men ook beter de bijzondere positie der Gemeente der verborgenheid inzien.
Van af het einde der Handelingen begint dus een nieuwe bedeling. Het koninkrijk wordt niet meer aangekondigd; er zijn geen tekenen meer, geen waterdoop of andere vormen, enz. Een lichaam wordt nu geschapen; niet de ontwikkeling van de vroegere pinkstergemeente, maar een volwassen « man » uit de volken (waarbij ook Joden) zonder onderscheid. De Gemeente staat niet in verband met de aarde, het land, de stad, de troon, de Koning. Haar positie is in de « opperhemelse » . De voorstelling bl. 200 kan de lezer helpen zich een duidelijke gedachte te vormen hoe de Gemeente der verborgenheid een onderbreking is in de ontwikkeling van Gods raad tot herstel der aarde.
Paulus heeft sommige brieven vóór, en sommige nà het einde der Handelingen geschreven. Het onderzoek dezer brieven, zonder vooropgezette mening, zal nu uitwijzen of deze conclusies juist zijn ofwel enigszins moeten gewijzigd worden. Indien juist, dan zullen er bij dit kort overzicht nog heel wat bijzonderheden kunnen gevoegd worden.
D e B r i e v e n v a n P a u l u s g e s c h r e v e n
v ó ó r H a n d. 28:28 Top
Wij zullen eerst de brieven onderzoeken, die gedurende de tijd der Handelingen geschreven zijn: Gal. Thes. Kor. Rom.
De eerste zou geschreven zijn in de tijd van hoofdstukken 15 tot 16. De tweede van 18 tot 20. De derde van 19 en de vierde van 20:2, 3 (zie « The Apostle of the Reconciliation » door Ch. H. Welch). Wij voegen er ook de brief aan de Hebreën bij, die volgens de inhoud ook gedurende dezen tijd moet geschreven zijn. Het is overigens voor ons doel niet nodig de juiste datums dier brieven nader te onderzoeken.
De brieven worden hier hoofdzakelijk onderzocht met het oog op het onderscheid der bedelingen; het spreekt van zelf, dat in andere opzichten deze aantekeningen zeer onvolledig zijn.
Rom. 1:1, 2 Het Evangelie Gods tevoren beloofd door de profeten. Zie Hand. 20:24 « Evangelie der genade Gods ». Het is niet in het bijzonder het « Evangelie des koninkrijks » zoals gepredikt werd, toen de Heere op aarde was en ook later door Petrus en in de toekomst ook weer verkondigd zal worden (Mat. 24:14), maar nu wordt meer de nadruk gelegd op de verzoening der wereld. Het is nooit verborgen geweest, maar is de vervulling van wat « in de heilige Schriften » staat.
Rom. 1:3 « Zaad van David ». Petrus vooral stelde de Heere Jezus voor als het zaad van David, uit de doden opgewekt om op Davids troon te zitten; Paulus toont Hem meer als de opgestanen Verlosser voor Israël en de volken.
Rom. 1:16 De Jood eerst, dan die uit de volken. Zie ook Rom. 2:9, 10; 3:1, 2.
Rom. 1:17 « De rechtvaardige zal uit het geloof leven ». Zie Hab. 2:4; Gal. 3:11; Heb. 10:38. Leven in de opstanding (het « eeuwig » leven). In Rom. ligt de nadruk op « de rechtvaardige », in Gal. op « het geloof », in Heb. op « leven ».
Rom. 2:12 De niet-Jood zal niet geoordeeld worden volgens de Wet van Mozes. Zie ook Gal. 5:2-11 noot.
Rom. 2:25-29 De waarde der besnijdenis. (Zie Deut. 10:16; 30:6; Jer. 4:4; Ezech. 44:9). Deze verzen zeggen niet dat de gelovige Joden niet uitwendig besneden moesten zijn, maar zij leggen, evenals de profeten, er een sterken nadruk op dat het bijzonderste de besnijdenis des harten is en het andere slechts een uitwendig teken, dat op zichzelve geen waarde heeft. De Christen Joden lieten zich, evenals vroeger, uitwendig besnijden. Paulus zelve duldde niet, dat van hem bericht werd, dat hij zegde, dat de kinderen der Joden niet moesten besneden worden (Hand. 21). Ook gedurende het koninkrijk op aarde zullen alleen in het heiligdom gaan, zij die besneden van hart en besneden van vlees zijn (Ezech. 44:9). De uitwendige besnijdenis was een teken van het eeuwig verbond van God met Abraham en zijn zaad. (Gen. 17:13).
« Jood » (van Juda) kan hier ook genomen worden in de letterlijke betekenis van de naam: « God-lover ». Zie verder Gal. 5:2-11 noot.
Rom. 3:1, 2 De vele voordelen der Joden (voor dien tijd). Voor wat betreft de zonde en de behoudenis door het geloof, staan de Joden op denzelfden voet als de volken (vers 9).
Rom. 3:19 Het is zeer belangrijk op te merken dat « onder » niet hetzelfde woord is als « onder » in Rom. 6:14; 7:4 enz. Hier is het letterlijk: « in ». Er is sprake van de Joden. De volken waren noch « in » noch « onder » de wet.
Rom. 3:31. Zie Gal. 5:2-11.
Rom. 4:10-12 Abraham, gerechtvaardigd door het geloof toen hij in de voorhuid was, heeft als zegel de besnijdenis ontvangen. Hij is de vader van alle gelovigen die in de voorhuid zijn en van allen die, besneden zijnde, ook wandelen in de voetstappen des geloofs van Abraham. Allen tezamen zijn Abrahams zaad (vers 16). Abraham tot vader hebben is geen kenmerk der Gemeente; of anders uitgedrukt: alle zaad van Abraham behoort niet tot de Gemeente.
Rom. 5:9 « Toorn » is niet de grote verdrukking, maar die van Mal. 4 :1. (Zie ook vers 10, waar « behouden » betrekking heeft op het opstandingsleven).
Rom. 5:12 Van hier af spreekt Paulus niet meer over de zonden, maar over de zonde d.i. de oorzaak, de wortel der zonden.
Rom. 6:3, 4 De meeste uitleggers denken hier aan de waterdoop. Er is sprake van de waren doop, die des geestes, die alleen ons in gemeenschap met Christus kan brengen. Van de uitwendigen vorm, die gewoonlijk overschat wordt, is hier niets gezegd, alhoewel die vorm toch nog voor een tijd bleef bestaan. Zie Ef. 4:4-6.
Rom. 6:4-13 Met Christus gestorven en begraven, zullen wij ook deel hebben aan Zijn opstanding, en daar onze oude mens met Hem gekruisigd is, behoeft dit sterfelijke lichaam de zonde niet meer te dienen en kan reeds in dien zin gerekend worden als uit de doden levend geworden (als opstandingslichaam). Zie Ef. 2:5, 6.
Rom. 6:14 Zie Rom. 7:4.
Rom. 6:22, 23 « Eeuwige », zoals in 5:21, enz., is de vertaling van « aioonios » en duidt in de eerste plaats aan het leven met betrekking tot het koninkrijk op aarde. Zie bl. 95, 108.
Rom. 7:1 Paulus spreekt tot gelovigen die de wet verstaan.
Rom. 7:4 Niet meer « onder » de Wet (Rom. 6:14) omdat wij der Wet gedood zijn. « Onder » bedoelt hier volledige onderwerping, slavernij, zoals in Mat. 8:9 « onder de macht »; Rom. 7:14 « onder de zonde »; 1 Tim. 6:1 « onder het juk ». Al volgen zij de voorschriften der Wet, ook betreffende de uitwendige vormen, daarom zijn zij niet « onder » de Wet en zijn ook geen « ijveraars » voor de Wet. Nu dienen zij in nieuwigheid des geestes en niet in de oudheid der letter (vers 6 en zie Rom. 2:29). Zie ook Gal. 4:1-5.
Rom. 7:22 Naar de inwendigen mens had de gelovige dier bedeling een vermaak in de wet Gods.
Rom. 8:4 Het recht (de rechtmatige eisen) der wet, werd vervuld in hen, die naar de geest wandelden.
Rom. 8:15-23 In de plaats van « Geest der aanneming tot kinderen », lees « geest van zoonschap ». Zo ook in vers 23; 9:; Gal. 4:5; Ef. 1:5. Het betreft hier niet een aanneming, maar een geboorte uit de Geest (Joh. 3:6). De positie is: « kinderen » of « zonen » Gods, niet meer slaven. De wandel moet er mede overeenstemmen. De volle werkelijkheid komt slechts bij de verheerlijking van het lichaam (vers 23). « Openbaring » is de vertaling van « Apokalupsis ». De zuchtende schepping wacht op dit ogenblik (vers 19), want dan zal zij vrijgemaakt worden (21). Wat hier gezegd is, betreft dus de opstanding uit de doden, juist vóór het koninkrijk op aarde. Deze verzen betreffen niet de Gemeente, die overigens in dien tijd ook wordt « geopenbaard » (Kol. 3:4, Grieks: « phaneroó »).
Rom. 9:3-5 De voorrechten van Israël.
Rom. 9:6 Alleen zij die wandelen in de voetstappen van het geloof van Abraham (4:12) zijn ware Israëlieten. Niet alle afstammelingen van Abraham zijn kinderen Gods, maar alleen zij die door het geloof van boven geboren zijn.
Rom. 10:2 Het is niet voldoende een ijver tot God te hebben, hij moet zijn met verstand. Daarentegen kan ons gevoel ons heel wat parten spelen. Zie Kol. 1:9, 10.
Rom. 10:4 « Want het einde der Wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft. » « Einde » is de vertaling van « telos », dat niet zozeer het einde aanduidt voor wat betreft het begrip tijd, maar wel het bereiken van het doel. Christus heeft de Wet vervuld tot gerechtigheid voor een iegelijk die gelooft en Zijn offer stelt de gelovigen Israëliet in staat de wet te vervullen (Zie Gal. 5:2-11). Dit doet echter de vormen niet weg.
Rom. 10:12 « Want er is geen onderscheid, noch van Jood, noch van Griek ». Het betreft hier de rechtvaardigheid door het geloof (zie ook Rom. 3:22). In dit opzicht is er geen onderscheid; in andere opzichten echter wel. Israël neemt nog steeds de eerste plaats in.
Rom. 10:14-17 Het Woord, de gezondenen, de prediking, het gehoor, het geloof, het aanroepen van de Heere.
Rom. 10:19, 20 « Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn » (Deut. 32:21). « Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden tiengenen, die naar Mij niet vraagden » (Jes. 65:1). Dit alles was geen verborgenheid. Men bemerkt dat het « inenten » niet zozeer tot doel heeft de zegeningen der volken, maar het prikkelen van Israël opdat zij Gods genadegiften zouden aannemen. Het is een inenting « tegen nature » (Rom. 11:24) waar niet alleen de ingeënte tak, maar de boom moest vrucht dragen.
Rom. 11:5-16 Israël heeft de Messias verworpen. Een overblijfsel verkrijgt door genade, wat Israël als volk, verloren heeft. Door hun zonde is de behoudenis tot de volken gekomen om het volk Israël tot jaloersheid te verwekken. Als zij zich in massa zullen bekeren, dan komt ook de volle zegening tot de volken want dan begint het koninkrijk (zie ook de verwijzing naar de opstanding uit de doden, vers 15).
Zij worden behouden door genade, niet uit de werken; maar door werken, uitgevoerd in Gods kracht na de behoudenis, worden zij « volmaakt » (Heb. 6:1; Jak. 2:22; 2 Pet. 1:11 enz.).
In onzen tijd is er geen « overblijfsel ». De Jood heeft als zodanig geen voorrecht.
In de verzen 11 en 12 hebben wij de uitdrukkingen « vallen » en « val ». Vers 11 schijnt zich zelf tegen te spreken, vermits het eerst zegt dat zij niet zouden vallen en verder dat zij gevallen zijn. De oorspronkelijke tekst maakt alles duidelijk: « vallen » is de vertaling van « pipto » d. i. een werkelijk vallen, zoals hetzelfde woord aanduidt in Mat. 7:25, 27 (gevallen); Rom. 11:22; 1 Kor. 10 :12 enz. dus een vallen van een hogere plaats tot een lagere, hetzij letterlijk, hetzij geestelijk. Daarentegen is « val » in Rom. 11:11, 12 de vertaling van « paraptooma » d.i. een afwijken van plicht, waarheid, recht enz. zoals aangeduid in Mat. 7:27 (val); Luk. 2:34 (val); Mat. 6:14, 15 (misdaden); Rom. 5 :15-16, 20 (misdaad); Gal. 6:1 (misdaad); Rom. 4:25 (zonden); 2 Kor. 5 :19 (zonden). Israël, als volk, was niet « gevallen », de olijfboom stond nog steeds recht in dien tijd, alhoewel er reeds enige takken « gevallen » waren (Rom. 11:22). Er was nog steeds een onderscheid tussen Israël en de volken, tussen de boom en de ingeente takken. Doch zij hadden gezondigd en hun misdaad was groot. Als volk wou Israël zich niet tot God heren en de Messias aannemen. Het zou later (einde der Handelingen) blijken dat, indien ze die houding volhielden, niettegenstaande al wat God medegetuigde, zij werkelijk zouden « vallen » d. i. tijdelijk niet meer als Gods volk aangezien zouden worden.
Rom. 11:17 De olijfboom is Israël (Zie Richt. 9:8; Jer. 11:16; Hos. 14:6, 7; Hab. 3:17) en meer in het bijzonder de godsdienstige voorrechten van Israël waaraan de volken (vers 13) nu deel hebben (Rom. 15:27). Hier is geen sprake van individuele gelovigen die zouden verloren zijn (afgebroken worden). Dit beeld laat ook weer duidelijk zien hoe de volken slechts in de tweede plaats komen (ingeënt) en slechts zegeningen ontvangen door Israël. De boom (Israël) zou eerst later uitgehouwen worden (Mat. 3:10) en het volk dan verspreid worden ten gevolge der volledige verwerping, einde Handelingen. In dien tijd waren slechts sommige takken afgebroken. Zie ook vers 25 « een deel ». De schets op de volgende pagina stelt dit alles overzichtelijk voor.
Rom. 11:23 Het koninkrijk wordt nog altijd aangekondigd en zou na korten tijd gekomen zijn waren zij niet in het ongeloof gebleven.
Rom. 11:25, 26 Jesaja wist dat Israël geheel zou verlost worden (Jes. 59:20), maar het was een verborgenheid (geheim) dat zij verhard zouden worden tot de volheid der tijden der volken zou ingegaan zijn (zie ook Luk. 21:24). Het betreft hier niet de Gemeente, waar noch Jood, noch Heiden is, maar het einde der wereldheerschappij van Satan en de volken, juist vóór het koninkrijk op aarde. (Dan. 2:45).
Rom. 11:29 « Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwlijk ». Ook voor Israël. Al is het tijdelijk niet meer Gods volk na het einde der Handelingen, in de toekomst worden alle beloften vervuld en gedurende het koninkrijk zal Israël aan het hoofd der volken staan.
Rom. 12:5, 6 Het gaat over de verschillende gaven (waarbij profetie) van de gelovigen, wat niet belet dat zij allen te zamen horen, één lichaam vormen. Zij behoren allen tot dezelfde goddelijke natuur (zie Joh. 10:30; 14:11, 17, 20; 17:11, 21-23). Paulus zegt hier niets over een verborgenheid.
Rom. 13:11 « Want de zaligheid (behoudenis) is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben ». Het koninkrijk was dichter bij dan vroeger, en dus ook de opstanding uit de doden (de volheid der behoudenis). Zie Heb. 2:3, 4. Nu is dit alles teruggeweken omdat Israël zich niet bekeerd heeft. Zie ook de « dag » van vers 12 d. i. de welbekende « dag des Heeren » tot oordeel voor de ongelovigen, maar tot zegen voor de gelovigen en ter verheerlijking van de Heere. (Jes. 2:11-22; 10:20-24; 13:3-18; 25:9 enz.).
Rom. 14:6 « Waarnemen » heeft de betekenis van « de voorkeur geven », « liefhebben »; zie Rom. 8:5 « bedenken » wat ook de vertaling van « phroneo » is.
Rom. 15:4 Al is geheel Gods Woord niet tot ons gericht, daarom is het toch geheel tot onze leering.
Rom. 15:8, 9 « En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis... opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen; en de heidenen... ». Men ziet steeds de ondergeschiktheid der volken ten opzichte der Joden, en dat er niets geschied is buiten hetgeen aan de vaderen beloofd was. Alles vervulde zich regelmatig zoals voorzien en geschreven werd door de profeten (zie verzen 9-12). Gods raad wordt steeds verder uitgewerkt, na de profeten was het Christus en dan de apostelen, doch steeds is het doel: het koninkrijk op aarde.
Rom. 15:19 Het was de tijd van tekenen, die zoals wij zo dikwijls hebben kunnen opmerken, in verband staan met de verkondiging der blijde boodschap aangaande de Messias en het koninkrijk op aarde.
Rom. 15:20 Christus was nog niet genoemd te Rome. Petrus was er nooit geweest.
Rom. 15:27 De volken hebben deel aan de geestelijke dingen. (Rom. 11:17).
Rom. 16:20 Dit kon toen gezegd worden, daar het koninkrijk nog in het zicht was.
Rom. 16:21 Hier begint het eerste postscriptum dat de persoonlijke groeten van Tertius bevat.
Rom. 16:25 Hier begint een tweede postscriptum en sommigen denken dat het er later door Paulus is bijgevoegd, toen hij te Rome gevangen was, dus na de tijd der Handelingen. « Mijn evangelie... naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest » is in contrast met « het evangelie Gods, hetwelk Hij tevoren beloofd had door Zijne profeten » (Rom. 1:1, 2). Het eerste betreft wat in Rom. 5:12 tot 8:31 gezegd is over Adam's val, de zonde en het werk van Christus hiermede in verband staande (de tweede Adam) 1. Het tweede betreft de Messias, de waren David, de opstanding, het koninkrijk. Zie ook Ef. 3:2-6 de verborgenheid van Christus.
De groote verborgenheid, waarover Paulus later schreef, wordt in elk geval hier nog niet bekend gemaakt.
« Tijden der eeuwen » is letterlijk « eeuwige tijden » en dit laat weer zien dat « eeuwig » niet wil zeggen « zonder eind ». Dezelfde uitdrukking vindt men ook in 2 Tim. 1:9 en Tit. 1:2. 1 KOR. 1:2 « Gemeente Gods » ook gebruikt in 2 Kor. 1:1; Gal. 1:13; 1 Tim. 3:5; 1 Thes. 2:14; 2 Thes. 1:4 en Hand. 20:28. Nooit gebruikt in de brieven geschreven na de tijd der Handelingen. Zie ook « gemeenten van Galatië » (Gal. 1:2), « gemeente der Thessalonicensen » (1 Thes. 1:1; 2 Thes. 1:1). Ef. Fil. Kol. zijn gericht aan personen die lid zijn der Gemeente der verborgenheid.
1 Kor. 1:7 Het ontbrak de Korinthiërs niet aan de gaven van Mark. 16:17, 18, die behoorden tot de tijd vóór en gedurende het koninkrijk. Vergelijk het bevestigen van vers 6 met het bevestigen van Mark. 16:20. « Verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus ». « Openbaring » is de vertaling van « apokalupsis » dat alleen hier en in 2 Thes. 1:7 en 1 Pet. 1:7, 13 gebruikt wordt in verband met de Heere. In Rom. 8:19 voor de kinderen Gods.
Ook « parousia » (tegenwoordigheid) en « epiphaneia » (verschijning) worden gebruikt in verband met de tweede komst van Christus op aarde. Geen dezer drie woorden komt voor in Ef. Fil. Kol. Zie Mat. 24:37, 39. (Wij herinneren er de lezer aan, dat wij bij het verwijzen naar een vers, ook gewoonlijk de aandacht willen vestigen op de bijgevoegde aantekening).
1 Kor. 1:14, 16, 17 Paulus had alleen Crispus, Gajus en het huisgezin van Stefanas gedoopt. Hij was niet gezonden om te dopen en hechtte geen overdreven belang aan het uitwendige zoals nu dikwijls het geval is. « Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen » dat kon geen enkel der 12 apostelen zeggen.
1 Kor. 1:23 Paulus predikte een gekruisigden Messias, inderdaad een ergenis voor de Joden.
1 Kor. 2:6, 7 « En wij spreken wijsheid onder de volmaakten... wij spreken de wijsheid Gods, in verborgenheid, die bedekt was, welke God tevoren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was (vóór de eeuwen) ». Verborgenheid is onzijdig, wijsheid en « welke » zijn vrouwelijk. « Welke » heeft dus betrekking op de wijsheid en niet op de verborgenheid. Christus is de wijsheid Gods en is vóór de eeuwen verordineerd. Christus wordt gepredikt in verborgenheid tot de Korinthiërs omdat zij vleselijk zijn (1 Kor. 3:1-3). Over een verborgenheid wordt hier niet gesproken.
1 Kor. 3:8 « En die plant, en die nat maakt zijn één ». Hier is natuurlijk geen organische eenheid bedoeld. Allen vormen één groep arbeiders, onder één meester; allen zijn van dezelfde soort (Joh. 10:30). Loon naar arbeid.
1 Kor. 3:16, 17 De Heilige Geest woont in de tempel gevormd door de gezamenlijke gelovigen; dit is ook het geval bij de leden der Gemeente (Ef. 2:22). Door tempel wordt de eenheid der gelovigen aangeduid. Die eenheid was bedreigd door de twisten (1 Kor. 1:12).
1 Kor. 4:20 « Want het koninkrijk Gods is niet (gelegen) in woorden, maar in kracht ». In plaats van het toegevoegde woord « gelegen » kan men lezen « opgericht ». Het betreft het koninkrijk op aarde.
1 Kor. 5:5 Onmiddellijk oordeel (1 Tim. 1:20). « Dag des Heeren Jezus » d.i. bij de opstanding.
1 Kor. 5:7 Christus ons Pascha. Mat. 26:26-30 en 1 Kor. 11:23-26.
1 Kor. 6:9, 10 Hier, zowel als in 1 Kor. 15:50 en Gal. 5:21 is er sprake van het beërven van het koninkrijk Gods, bij de opstanding uit de doden. Mat. 5:3, 5, 10; Luk. 20:35; 21:36; 2 Thes. 1:5. Het is niet het koninkrijk Gods in het algemeen, dat alles omvat, maar wordt hier gebruikt in meer beperkten zin: het koninkrijk der hemelen van Mattheus.
Het beërven staat in betrekking tot « volmaaktheid » en is meer een prijs verkregen door werken, nadat men zonder werken gerechtvaardigd is.
1 Kor. 6:15 De lichamen der Korinthiërs behoren de Messias toe (vers 13). Er wordt niet gezegd dat de Korinthiërs leden van Zijn lichaam zijn.
1 Kor. 7:26 Het koninkrijk was nabij, doch ook hetgeen moest geschieden vóór het koninkrijk (Luk. 21:12 en 23) en de nood zou groot zijn.
1 Kor. 8:13 « In eeuwigheid » is letterlijk « gedurende de eeuw ».
1 Kor. 9:20-22 Hier wordt alleen gezegd dat Paulus zoveel mogelijk alles vermeed wat de Joden, ijveraars voor de wet, en die uit de volken, zou hebben kunnen verwijderen vóór zij de hoofdzaak zijner boodschap hadden vernomen. In Hand. 21:21-25 was het doel te laten zien dat hij zelf de wet volgde, maar niet dat hij « onder » de wet was. Zie ook Rom. 7:4. Dit laatste zou hij nooit door een openbare daad hebben willen bewijzen. Over het « onder » de wet zijn als een slaaf, en het zuiver waarnemen der uitwendige vormen, sprak hij in het begin niet ten opzichte van een Jood die « onder » de wet was en werd dan voorlopig door dezen aangezien als zelf « onder » de wet zijnde. Door de prediking der verzoening zou dit van zelf wel in orde komen als zij slechts in Christus geloofden.
1 Kor. 10:1-14 De vaderen en Mozes. Voorbeelden en waarschuwingen voor alle gelovigen. In de gehele geschiedenis van Israël vinden wij een reeks typen van de geestelijke dingen. Deze kunnen het best begrepen worden door middel van een stoffelijke voorstelling, die onder het bereik van ons klein verstand valt. Het komt er echter op aan de typen niet verkeerd uit te leggen en er geen voorstelling in te zoeken van iets dat verborgen is in God (b.v. de Gemeente geopenbaard in Ef. Fil. Kol.).
1 Kor. 10:11 « Ons, op welke de einden der eeuwen gekomen zijn », het koninkrijk werd nog steeds beschouwd als nabij zijnde.
1 Kor. 10:16, 17 Alle gelovigen die met Hem gekruisigd waren en aldus gemeenschap hadden met het bloed en het lichaam van Christus, waren als teken hiervan ééns broods deelachtig. Zij vormden één lichaam, één groep, die de Messias toebehoorde. Geen verdeeldheid was toegelaten, zoals dat bij de Korinthiërs het geval was. Zie verder 1 Kor. 11:26; 12:12, 13, 27.
1 Kor. 10:20 Men herinnert zich de voortdurende strijd van Satan tegen de uitvoering van Gods plan tot het herstel der aarde.
1 Kor. 10:32 Joden, Grieken en gelovigen in Christus. Er wordt hier niet gezegd: « Israël, de volken en de gemeente Gods ». De Joden waren de godsdienstige Israëlieten, de « Grieken » waren de godloochenaars. « Gemeente Gods » wordt nooit gebruikt in Ef. Fil. Kol. Gedurende de bedeling der Gemeente der verborgenheid wordt Israël niet meer als een afzonderlijk volk aangezien, de olijfboom is tijdelijk uitgehouwen. Voor onzen tijd zou dan ook alleen gezegd kunnen worden: de volken en de Gemeente, of: de volken, de gelovigen en de Gemeente (zie Ef. 2:12-14; 4:11, 12, 17), want alle gelovigen behoren niet noodzakelijk tot de Gemeente.
1 Kor. 11:10 In dien tijd was er nog altijd een tastbare tussenkomst der engelen. Ook van de gevallen engelen kon dit verwacht worden. Men denke aan Gen. 6:2; Mat. 24:37 en de antichrist.
1 Kor. 11:26 De gelovigen hadden gemeenschap met de gekruisigden Christus: « tot Zijn dood gedoopt », « met Hem begraven door de doop tot de dood », « met Hem een plant geworden in de gelijkenis Zijns doods », « met Hem gekruisigd », « met Christus gestorven ». Doch dit alles gaat niet verder dan de dood. Bij de leden der Gemeente is er een gemeenschap die veel verder gaat, zie Ef. 2:5, 6.
De gemeenschappelijke maaltijd der Korinthiërs, gevolgd door het avondmaal, was een teken hunner gemeenschap met de Heer. Omgekeerd was het tonen dier gemeenschap dus ook een verkondiging van de dood des Heeren, zonder dewelke de gemeenschap niet had kunnen bestaan.
Zie Mat. 26:28 voor het nieuwe verbond dat met Israël gesloten was (Jer. 31:31).
« Totdat Hij komt » verwijst naar de hope Israëls, de parousia. Zie Mat. 24:37, 39 noot en 1 Thes. 4:15-17 noot.
1 Kor. 11 :29 « Niet onderscheidende het lichaam ». Door hun verdeeldheid (11:18) zagen zij niet in dat zij allen bij elkander en de Heere toebehoorden.
1 Kor. 12:1-11 Verscheidene gaven (ook gezondmaking, krachten, talen), doch slechts één Gever: de Heilige Geest. Het geloof is ook een gave (zie ook Fil. 1:29).
1 Kor. 12:12 Vergelijking met een menselijk lichaam, gevormd door de gezamenlijke leden, om de gedachte van eenheid te doen uitkomen.
1 Kor. 12:13 « Door één Geest tot één lichaam gedoopt ». Lees: « in één geest tot één lichaam gedoopt ». Allen zijn « van boven » geboren, zijn van denzelfden aard, vormen in dit opzicht één groep, één lichaam al zijn ze Jood (en hebbende als zodanig zekere voorrechten) of van de volken, (en dus slechts « ingeënt » ). Alleen de geestesdoop kan een dergelijke gemeenschap voortbrengen. De waterdoop was er toen het uitwendige teken van. In onze bedeling toegepast, zal deze laatste veeleer scheiding ten gevolge hebben.
De Israëlieten vormden bij hun uittocht uit Egypte ook één groep, gedoopt in de wolk en de zee, gevoed en gedrenkt met dezelfde spijs en drank: Christus (1 Kor. 10:1-4).
1 Kor. 12:27 « Gijlieden zijt het lichaam van Christus ». Men merke op dat « het » niet in het Grieks gebruikt is. Moest het wel gebruikt zijn, dan zouden eigenlijk alle gelovigen buiten de Korinthiërs uitgesloten zijn.
Het woord « lichaam » duidt op gemeenschap, zoals Joh. 1:1 « het woord was God » (niet « een » God) de goddelijkheid doet uitkomen. Zie ook Joh. 1:14 « Het Woord is vlees geworden » (niet « een » vlees).
Het lichaam, waarvan hier sprake is, heeft wel enige overeenkomsten met het lichaam der verborgenheid, doch moet er zorgvuldig van onderscheiden worden. Dit laatste was nog niet bekend en de Korinthiërs zouden er niets van begrepen hebben. De « middelmuur » bestond nog (Ef. 2:14). Zij behoorden echter allen Christus toe en vormden door hun gemeenschap (in de dood, zie Rom 6:2-7) één groep al waren er verschillende gaven. Zie ook Gal. 3 :29: « indien gij van Christus zijt ». Het gehele hoofdstuk heeft inderdaad als onderwerp de gaven en de bedoeling is niet iets te openbaren, doch te doen uitkomen dat er een eenheid is niettegenstaande het verschil in die gaven.
In de vergelijking met een menselijk lichaam wordt verder gesproken van het gehoor, het oog, de reuk, het hoofd en ook van « onsierlijke leden » (vers 23). In de Gemeente der verborgenheid is Christus het hoofd ( en zijn er geen onsierlijke leden.
« In het bijzonder » is letterlijk « ten dele », zoals in 1 Kor. 13:9-12, waar hetzelfde griekse woord gebruikt is. Plaats hier tegenover de volmaking van Kol. 2:10.
Als er echter nog enige onzekerheid overblijft dat hier geen sprake is van de Gemeente der verborgenheid, zal het voldoende zijn met zorg na te gaan welk groot verschil er is tussen de positie van Israël en de volken in dien tijd (toen er nog geen « samengevoegd » lichaam kon bestaan) en de positie na Hand. 28:28 (zie b.v. Rom. 11; Ef. 2). Als men twee zaken wil onderscheiden, die zekere dingen gemeen hebben, vestigt men zijn aandacht op de dingen waarin ze verschillen.
1 Kor. 12:28 In deze pinkstergemeente waren « krachten », « gaven der gezondmakingen » en « talen ». In de Gemeente der verborgenheid zijn geen dezer aanwezig (EL 4:11). Juist de Korinthiërs waren het meest vleselijk en toch hadden vooral zij deze pinkstergaven. De gedachte dat de « gemeente » die gaven nu niet meer heeft omdat zij ze niet waardig is, kan dus onmogelijk volgehouden worden.
1 Kor. 13:1-3 De liefde door God gegeven is de grootste gave, zonder welke al het overige niets is. Een wenk voor hen die naar die andere gaven ijveren.
1 Kor. 13:8, 10 De talen enz. zouden ophouden als het volmaakte zou gekomen zijn d. i. als alle dingen Hem onderworpen zijn, na het 1000 jarig koninkrijk. Van dien tijd is de Gemeente nu reeds een type en in die Gemeente zijn dan ook geen talen.
Nu was de verzameling der gelovigen nog in haar kindsheid (vers 11), maar later (gedurende het koninkrijk) zou zij zich ontwikkelen tot een man, en als het koninkrijk aan de Vader zou overgegeven zijn (1 Kor. 15:24), zou al hetgeen ten dele is ophouden. De gemeente der verborgenheid is « tot enen nieuwen mens » geschapen (Ef. 2:15) en is nu reeds « in Hem volmaakt » (Kol. 2:10). Hier heeft men de schepping van iets volmaakts, niet de ontwikkeling van iets onvolmaakts. Dat de leden der Gemeente echter niet volgens hun positie wandelen, en in zekeren zin kinderen kunnen zijn, is een geheel andere zaak. Hun wandel moet overeenstemmen met hun positie en zij behoren te komen tot « enen volkomenen man » (Ef. 4:13).
1 Kor. 14:21, 22 De talen waren een teken van de komst van het koninkrijk voor de ongelovigen. Niet om ze te doen geloven, want de Heere wist dat zij toch niet zouden horen, maar opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn en met volle bewustheid zouden verwerpen, wat God liet verkondigen. Het gehele hoofdstuk is alleen van toepassing op de pinkstergemeente, niet op de Gemeente die later zou geopenbaard worden en waar geen talen meer waren (Ef. 4:11).
1 Kor. 15:5, 8 Paulus rekent zichzelve niet bij de 12 Apostelen.
1 Kor. 15:22 De dood van Christus betreft allen, het kruis en het bloed « velen ». Wij kunnen hier niet verder op in gaan.
1 Kor. 15:23, 24 « In Zijn toekomst », vertaling van « parousia » (zie Mat. 24:37, 39 en 1 Kor. 1:7) d. i. de komst op aarde bij het begin van het koninkrijk. Daarna komt het « einde »; hier het einde van het koninkrijk. Het betreft evenmin de Gemeente der verborgenheid als het overige van dezen brief. Zie ook vers 54, waar verwezen wordt naar Jes. 25:8 en dus dit deel van Jesaja betreffende de opstanding doet overeenkomen met de parousia waarvan hier sprake is, de « hope Israëls ».
1 Kor. 15:51, 52 Zie Joh. 11:25, 26. Dat sommigen levend zouden veranderd worden was een geheim. De « laatste bazuin » stemt heel goed overeen met de « grote bazuin » (Jes. 27:13); de « bazuin van groot geluid » (Mat. 24:31); de « bazuin Gods » (1 Thes. 4 :16); en met « de zevende engel heeft gebazuind... de koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren... de tijd der doden om geoordeeld te worden » (Op. 11:15, 18). Verder denke men aan de bazuin van Lev. 23:24 (waar « des geklanks » wijst op het geklank der bazuin); van Lev. 25:9; Jes. 27:13 enz. die in verband staan met de verlossing van Israël en de val hunner vijanden, zoals in Jos. 6:16. Vergelijk ook het « geroep » van 1 Thes. 4:16 met het « gejuich » van Jos. 6:5, 20.
1 Kor. 16:2 « Op eiken eersten (dag) der week ». « Eiken » vinden wij niet in het Grieks, noch b.v. in de engelse vertaling. Het is dezelfde uitdrukking « op een der sabbatten » als in Mat. 28 :1; Luk. 24:1; Mark. 16:2; Joh. 20:1; Hand. 20:7. Er is sprake van de dag van af welken vijftig dagen geteld werden (Lev. 23:15, 16) tot het Pinksterfeest. Wij mogen dan ook verwachten dat er, zoals in de Evangeliën en de Handelingen, een weinig verder over Pinksteren zal gesproken worden. Dit is inderdaad het geval in vers 8. En toch zal de overlevering meest alle gelovigen in de waan houden dat er gesproken wordt van een gewone « zondag », die 52 maal per jaar terugkomt. Wij weten dat toen door alle christen Joden de hoogtijden des Heeren, en ook de Sabbat, getrouw waargenomen werden, want het was een « eeuwig » verbond (Ex. 31:16). Het wegleggen op dien dag komt overigens overeen met de « vrijwillige schatting » bij het feest der 7 weken (Pinksteren) van Deut. 16:10. Men bemerkt hoe dit alles niet het minste verband heeft met de Gemeente der verborgenheid.
1 Kor. 16:22 Maranatha is het Arameense « Máraná' thá » d. i. « Onze Heere, kom ». Voor de bijzondere verwachting van de leden der Gemeente zie Fil. 3:20. Deze staat niet in verband met een vervloeking.
2 Kor. 1:14 « Roem... in de dag van de Heere Jezus » d. i. bij de opstanding, juist vóór het begin van het koninkrijk.
2 Kor. 1:20 « Zo vele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen ». Zowel de beloften aan Israël als aan de volken. Van beloften aan de Gemeente in het bijzonder kan geen sprake zijn, want deze was van alle eeuwen verborgen in God.
2 Kor. 3:3 Geschreven in het hart. Zie Jer. 31:33.
2 Kor. 3:6 Zoals op alle andere plaatsen, is het griekse « diatheekee » te vertalen door « verbond ». Paulus was hier nog een dienaar des nieuwen verbonds (Mat. 26:28; Jer. 31:31); niet der « letter » d. i. het oude verbond van Sinaï, dat geen leven kon geven (vers 7). Christus is de geest des nieuwen verbonds (vers 17). Zie ook Gal. 5:2-11. Men denke er aan dat het nieuwe verbond met Israël gesloten was (Jer. 31:31).
2 Kor. 5:1, 2 « Wij... hebben... een huis... in de hemelen », « uit de hemel ». Dit zegt niet dat ze nu reeds « in de hemel » geplaatst zijn (Ef. 2:6). Na de opstanding of bij de verandering zullen zij met een hemels lichaam overkleed zijn, niet met het natuurlijke lichaam van vlees en bloed. Men verlieze niet uit het oog dat het gehele hoofdstuk, ook vers 8, betrekking heeft op de opstanding.
2 Kor. 5:17 « Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel », zie Joh. 3:6; 10:30; 15 :4-7 enz.
2 Kor. 5:18, 19 « God, die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende ».
2 Kor. 6:16 « Ik zal in hen wonen ». « In » is hier « in hun midden » of « onder hen » (koninkrijk). Zie Luk. 17:21.
2 Kor. 7:1 « Dewijl wij dan deze beloften hebben » verwijzende naar hetgeen in Lev. 26:12; Jes. 52:11 en 2 Sam. 7:14 tot Israël gezegd is. 2 Sam. 7:13 verwijst duidelijk naar het koninkrijk op aarde. In die beloften worden ook de volken vermeld in verband met Israël (b.v. Jes. 52:10), zij zouden ook het heil onzes Gods zien.
2 Kor. 8:14 « Gelijkheid », gemeenschap der goederen. Zie Hand. 2:42-46.
2 Kor. 11:2 « Want ik heb ulieden toebereid, om u als ene reine maagd, aan enen man voor te stellen, namelijk aan Christus ». Zie Jes. 54:5-7; Jer. 3:14; 31:32; Hos. 2:15 en Ef. 5:22-33. De bruiloft moest volgen gedurende het koninkrijk. Dan is Israël de bruid.
2 Kor. 11:13, 14 « Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus, en het is geen wonder; want de Satan zelf verandert zich in enen engel des lichts ». Als dit toen reeds gebeurde, hoe gevaarlijk is het dan nu, iets te geloven buiten de Schrift. Hieruit begrijpen wij ook de ontwikkeling en de macht der overlevering. Men weze op zijn hoede voor de « engelen des lichts » in onze bedeling.
2 Kor. 12:2, 4 Paulus « opgetrokken... tot de derden hemel ». « Harpazo » hier vertaald door « opgetrokken » is meer letterlijk « weggenomen » of « weggerukt » (zie Mat. 13:19 « rukt weg »; Hand. 8:39 « nam weg »).
Wij kunnen hier niet uitvoerig onderzoeken welk de betekenis is van de « derden hemel », dit zou op zichzelve stof geven voor een klein boekdeel en wij vergenoegen ons met een kort overzicht.
In de tegenwoordige eeuw (aioon) zijn er drie hemelen: 1. De « lucht » van Ef. 2:2; 2. De « middenhemel » van Op. 8:13 (Griekse tekst); 3. De derde hemel van 2 Kor. 12:2. Boven alles zijn de « opperhemelsche » van Ef. 1:3 enz., die hier nog niet in het zicht zijn.
Zoals wij verder in de brief aan de Hebreën zullen zien, kan men die drie hemelen doen overeenstemmen met: 1. Het Voorhof; 2. Het Heilige; 3. Het H. d. H. van de tabernakel. Tot elken hemel behoort ook een groep gelovigen.
Vóór onze « tegenwoordige booze aioon » (Gal. 1:4), kan men er nog twee tellen: 1. Vóór de « nederwerping » der wereld; 2. Van Gen. 1:2 tot de tegenwoordige aioon.
Nà onze eeuw komen er ook nog twee: 4. Het koninkrijk en tijden die er op volgen; 5. Gedurende de nieuwe hemelen en aarde (2 Pet. 3:13; Op. 21:1).
Bij de eerste en de vijfde aioon schijnt alleen één hemel te behoren, namelijk de derde hemel onzer eeuw, die dan ook in Op. 2:7; 22:2, zowel als in 2 Kor. 12:4 met het « paradijs » in verband staat, en in Ezech. 28:13 met « Eden, Gods hof » (vóór de val van Satan). Bij de tweede en vierde aioon schijnen twee hemelen te behoren: één die overeenkomt met de tegenwoordige middenhemel, en in Gen. 1:8 het « uitspansel » genoemd wordt; en één die overeenkomt met de derden hemel van onze eeuw.
De « hemelen en aarde die nu zijn » van 2 Petr. 3:7 (en die drie aionen omvatten) zijn gescheiden van de « hemelen en aarde die geweest zijn » (2 Petr. 3:5) door de nederwerping der wereld in verband met water en van de « nieuwe hemelen en nieuwe aarde » (2 Petr. 3:13) door de herstelling in verband met vuur.
Nu spreekt Paulus nog maar van de derden hemel, later echter van de « opperhemelse », die niet tot de aionen behoren, waar de aardse tijd niet toepasselijk is en die in betrekking staan met de Gemeente der verborgenheid, zowel in het verleden (vóór de nederwerping der wereld) als tegenwoordig (Ef. 2:6) en in de toekomst, als God zal zijn « alles in allen » (1 Kor. 15:28).
2 Kor. 12:7 « De uitnemendheid der openbaringen » van Paulus.
2 Kor. 12:12 « De merktekenen van enen apostel... met tekenen, en wonderen en krachten ».
Geen apostelen meer in latere tijden als er geen tekenen meer zijn. Paulus en de andere apostelen, geroepen na de opstanding des Heeren en vóór de tijd der Gemeente als apostel gekenmerkt, hadden hun taak in de Gemeente (Ef. 2:20; 3:5, 4:11). Evenmin als de 12 konden zij opvolgers hebben. Na hen heeft men alleen evangelisten, herders en leraars (zie Ef. 4:11). Zie ook 1 Kor. 4:9.
2 Kor. 13:3 « Christus, die in mij spreekt ». Zie ook 1 Kor. 4:1 en 2 Kor. 5:20, enz. Een waarschuwing voor hen die de woorden van Paulus in strijd en ondergeschikt achten aan die van Christus in de evangeliën. Christus spreekt in heel de Bijbel en is er een verschil, dan ligt de oorzaak in een verandering van bedeling.
2 Kor. 13:3 « Christus, die in mij spreekt ». Zie ...zullen met Hem leven », namelijk bij de opstanding uit de doden. Zie ook Rom. 6:4-13. Van de leden der Gemeente wordt heel wat meer gezegd, zie b.v. Ef. 2:5, 6.
« Jezus Christus in U », zie Joh. 10:30.
Gal. 1:12 « Want ik heb het (evangelie) ook niet van een mensch ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus ». Niet geleerd bij de 12 apostelen (vers 17); drie jaar later eerst zocht hij Petrus op (18); 14 jaar later stelde hij hun het evangelie dat hij predikte voor (Gal. 2:1, 2).
Gal. 1:13, 14 « Jodendom »: de vervorming van de enigen Godsdienst door God zelven gegeven. Nu heeft men ook het « christendom ». Hiermede staat in verband het ijverig zijn voor de « vaderlijke inzettingen » in plaats van Gods Woord te volgen en te onderzoeken. De God dezer eeuw, Satan, zorgt er voor dat alle mensen een « godsdienst » hebben, maar zonder het bloed van Christus, zonder zonde, zonder Gods Woord. De voornaamste werkkring van Satan ligt op dit gebied en staat niet in betrekking met de zonden, die uit het hart voortkomen (Mat. 15:19; Gal. 5:19-21).
Gal. 2:3-5 Titus niet besneden (zie Hand. 16:3). Het had de indruk gegeven in die omstandigheden, dat Paulus nog « onder » de Wet was, in dienstbaarheid en alzo te kort gedaan aan zijn evangelie der genade.
Gal. 2:7 Het evangelie der voorhuid aan Paulus toebetrouwd, dat der besnijdenis aan Petrus. Al had Israël voorrechten, voor wat betreft de verzoening in Christus waren allen gelijk.
Gal. 2:11-15 Zie Hand. 16:3.
Gal. 3:5 « Geest » is hier weer de gave: de krachten. Men bemerkt het verband tussen die gaven en het geloof gedurende dien tijd. Als de gemeente der verborgenheid met Pinksteren was begonnen, zou ook elk lid die krachten moeten bezitten, zoals overigens in Mark. 16:17, 18 gezegd was.
Gal. 3:9 In die bedeling waren de gelovigen « gezegend met de gelovigen Abraham ». De Gemeente is gezegend « met alle geestelijke zegeningen in de opperhemelse in Christus ».
Gal. 3:1.4 Nu is het de tijd dezer zegeningen niet, wel in het koninkrijk. De « ons » van vers 13 zijn de Joden die het kanaal zouden zijn van de zegeningen van Abraham tot de volken. Eerst moest de vloek van hen weggenomen worden.
Gal. 3:27-29 « Want zo velen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare, noch vrije: daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus ». Zie Joh. 10:30 en 2 Kor. 13:4, 5. Allen zonder onderscheid gerechtvaardigd uit het geloof. Er was toen echter nog altijd onderscheid in andere opzichten tussen Israël en de volken. Later eerst, na het einde der Handelingen, zou Israël tijdelijk terzijde gesteld worden en geen voorrechten meer hebben.
« Abrahams zaad » en « naar de beloftenis erfgenamen » is wel toepasselijk op alle gelovigen, maar geen kenmerk der Gemeente.
Abraham staat in verband met de rechtvaardigmaking der gelovigen, Adam met de verzoening der wereld, David met het koninkrijk. De Gemeente was steeds verborgen in God.
Gal. 4:3 Nu niet meer « dienstbaar gemaakt » (letterlijk: « verslaafd »), « onder » de eerste beginselen (vormen). Zie Rom. 7:4 en Gal. 5:2-11.
Gal. 4:5 « Aanneming tot kinderen » lees « zoon-schap ». Rom. 8:15. Zij zijn geen slaven meer, maar zonen.
Gal. 4:9 « Beginselen... wilt dienen » d.i. als slaven dienen, niet een eenvoudig waarnemen der uitwendige vormen.
Gal. 4:10 « Onderhoudt » (paratêreô) altijd in een ongunstige zin gebruikt: Mark 3:2; Luk. 6:7; 14:1; 20:20 (waarnemen); Hand. 9:24 (bewaren). De betekenis is: alle aandacht er op vestigen. In dien geest moesten de feestdagen niet gevierd worden. Daarom echter mochten ze toen niet veronachtzaamd worden. Kol. 2:14-23 gaat echter veel verder.
Gal. 4:25, 26 « Jeruzalem dat nu is » in verband met de Joden onder de Wet. « Jeruzalem dat boven is » in verband met de gelovige Joden en in de tweede plaats die uit de volken. Zie de hemelse stad (Heb. 11:16; 12:22), die uit de hemel nederdaalt (Op. 21:10).
Gal. 5:1 Vrijheid-slavernij. Men kan de vormen der Wet (b.v. de offeranden zoals Paulus in Hand. 21, d.i. nadat de brief aan de Galaten geschreven was) in vrijheid volgen; zoals later ook gedurende het koninkrijk op aarde (Ezech. 40-45).
Gal. 5:2-11 De besnijdenis beschouwd als een teken van rechtvaardiging door de Wet, maakt het werk van Christus natuurlijk ijdel. Een die « onder » de Wet is, is van de genade vervallen. De besnijdenis heeft op zichzelve geen kracht en hij die zich laat besnijden moet de gehele wet doen. De gelovige Joden lieten zich nog steeds besnijden (de kinderen natuurlijk) en daartegen wacht Paulus zich iets te zeggen, hij had nooit tegen de Wet gezondigd (Hand. 25:8), onderhield zelf de Wet (Hand. 21:21-25), had niets gedaan tegen het volk of de vaderlijke gewoonten (Hand. 28:17).
Voor wat de gelovigen uit de volken betrof, die moesten zich geenszins laten besnijden want dan moesten zij ook heel de Wet (als proselieten) doen. Was het echter wenselijk, om der Joden wil, ten einde dezen, zonder aanstoot te geven, het evangelie te brengen, dan kon ook zelfs een niet-jood besneden worden (Hand. 16:3). Kon een dergelijke handelwijze de mensen doen denken dat Paulus leerde « onder » de wet te zijn, dan was het weer beter de besnijdenis niet toe te passen (Gal. 2:3-5).
In geval Paulus nu nog zou verkondigen dat de besnijdenis rechtvaardig maakt, dan zou hij niet de verzoening der wereld door een gekruisigden Messias kunnen verkondigen en dan zou er geen ergenis meer zijn voor de Joden en Paulus niet meer vervolgd worden (Gal. 6:12, 13).
Wij hebben vroeger reeds meermalen de gelegenheid gehad te onderzoeken wat het « onder de wet » zijn wil zeggen, doch het is nodig er nu wat uitvoeriger op terug te komen om de zaken duidelijk te maken.
Er was een tijd toen de wet nog niet gegeven was alhoewel er toch reeds offeranden waren (denk b.v. aan Kaïn en Abel en zie b.v. Gen. 8:20; 26:25; 31:54), zowel als priesters, voorschriften, besnijdenis enz. De zonde werd niet toegerekend toen er geen wet was (Rom. 5 :13).
Door middel van Mozes werd aan Israël (niet de volken) de wet gegeven, d.i. een volledige reeks Goddelijke voorschriften. Zij kenden aldus Gods wil, waren onderwezen (Rom. 2:18) zoals geen ander volk. Die wet stopte aller mond (Rom. 3:19), door de wet was de kennis der zonde (Rom. 3:20), werd de misdaad te meerder (Rom. 5:20; 7:13; Gal. 3:19). Nu kon Israël tweeërlei houding aannemen: Gods wil trachten te doen in eigen kracht, of erkennen dat zij van zichzelve aan Gods eisen niet konden voldoen. Zij kozen het eerste en beweerden alles te kunnen doen wat de Heere zei, deden alzo een gelofte (zie bl. 39), stelden zich onder de vloek (Gal. 3:10), waren in slavernij (Gal. 4:3). Het oude verbond moet men niet verwarren niet de wet. Deze laatste bestaat onafhankelijk van het verbond. Het oude verbond bestond hierin dat Israël de gelofte deed de wet uit eigen kracht te houden, dat zij dachten rechtvaardig te kunnen zijn op grond van de werken der wet (Rom. 10:5). In dat geval waren zij van de genade vervallen (Gal. 5:4).
Het nieuwe verbond komt Israël de mogelijkheid aanbieden van de gelofte verlost te worden. (Wij zien hier dat dit nieuwe verbond dan ook alleen Israël betreft en niet de Gemeente der verborgenheid, zie ook Mat. 26:28; Jer. 31:31). Christus had alles gedaan om hen vrij te maken van de vloek der wet (Gal. 3:13). Zij waren nu vrijgekocht, niet meer in slavernij, kregen het zoonschap (Gal. 4:3-24). Ieder die in de Messias geloofde, was met Hem gestorven (Rom. 6), der wet gedood, van de wet ontbonden (Rom. 7:4, 6). Christus was aldus het « einde » der wet (Rom. 10:4). Zij waren slaven eens nieuwen verbonds (2 Kor. 3:6), niet meer « onder » de wet, maar onder de genade (Rom. 6:14). Hun werd voortdurend voorgehouden, dat uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd wordt (Rom. 3:20), dat het is door geloof, zonder de werken (Rom. 3:28).
Maar al was dan het eerste verbond ten einde en het tweede gesloten, de wet bleef in stand. De Heere Jezus had zelf gezegd: « Want voorwaar zeg Ik u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het koninkrijk der hemelen ». (Mat. 5:18, 19). De Heere zelf, de apostelen en discipelen (uit Israël) volgden steeds de wet, alleen de menselijke inzettingen kwamen ze niet na. De wet bleef dan ook steeds van kracht, zoals wij reeds herhaalde malen gezien hebben, geen enkele Christen-Israëliet kon er zich aan onttrekken. Doch zij dienden in nieuwigheid des geestes (Rom. 7:6; 2 Kor. 3:6), hadden vermaak in de wet Gods, naar de inwendigen mens (Rom. 7:22), zij die naar de geest wandelden vervulden het recht (dat zijn de rechtmatige eisen) der wet (Rom. 8:4). Zij hadden deel aan het nieuwe verbond, dat hen toeliet de wet te vervullen omdat zij niet meer op hun eigen kracht steunden; de wet werd in hen vervuld. Zij dachten er niet meer aan, dat de werken hen rechtvaardigden, maar gerechtvaardigd zijnde konden zij de werken doen.
Maar verder zagen zij ook de vormen niet aan als op zichzelve kracht hebbende, maar enkel als een voorstelling, als een schaduw van het ware. Door alle verlichte gelovigen werden alzo b.v. de offeranden zowel vóór de wet, als gedurende het oude verbond en het nieuwe verbond (inbegrepen het koninkrijk) beschouwd als heenwijzende naar de werkelijkheid, naar het offer van Christus. De wet zou aldus blijven zelfs na het einde van het koninkrijk, de besnijdenis des vleses (Ezech. 44:9; Gen. 17:13) evenals de offeranden enz. (Ezech. 40-45) zouden blijven bestaan tot op de nieuwe hemel en aarde. Doch het oude verbond was slechts voor een betrekkelijk korten tijd, tot het nieuwe verbond gesloten werd (Mat. 26:28). Wij spreken hier natuurlijk niet van het genadeverbond met Abraham.
Na het einde der Handelingen verandert echter alles: daar Gods volk terzijde gesteld is voor een tijd, komt er een onderbreking. Geen wet, geen vormen meer voor de leden der Gemeente der verborgenheid, zelfs al zijn ze uit Israël.
De schets kan bovenstaande op een overzichtelijke wijze voorstellen.
Gal. 5:18 « Maar indien gij door de Geest geleid wordt, zoo zijt gij niet onder de Wet ». Letterlijk: « door geest geleid », »d.i. de geest, ontvangen bij de geboorte « van boven » (Joh. 3:6). Men is dan « met Christus gestorven » en « der Wet gedood » (Rom. 7:4), van de gelofte ontbonden (zie bl. 39), geen slaven meer.
Gal. 5:21 Zie 1 Kor. 6:9, 10.
Gal. 5:25 Als wij dan door de geest het eeuwige (behorende tot de eeuw) leven hebben (Gal. 6:8), laat ons dan ook in overeenstemming met dien geest wandelen en ons lichaam reeds rekenen als een opstandingslichaam, zonder zonde (Rom. 6:4-13). Voor de Gemeente is nog een hogere levensstandaard gegeven:als hemelburgers wandelen (Ef. 2:6, 19; Fil. 3:20).
Gal. 6:8 Maar die in de geest (zie 5:18) zaait, zal uit de Geest (den Heiligen Geest) het eeuwige (dat behoort tot de eeuw) leven maaien.
Gal. 6:16 « Israël Gods » d.i. die van boven geboren zijn. Gesteld tegenover « Israël, dat naar het vlees is » (1 Kor. 10:18) d.i. zij die « onder » de Wet zijn. Zie ook Rom. 9:6.
1 T h e s s a l o n i c e n s e n Top
1 Thes. 1:5 Het evangelie van Paulus was in dien tijd verkondigd in kracht, ja kracht uit de hoogte (heilige geest). Vele tekenen werden gedaan.
1 Thes. 1:10 Zie Mat. 3:7. De beste teksten geven « uit de toekomenden toorn ». Het woordje « ek » is gebruikt, niet « apo » dat zou zeggen « weg van ». Zij gaan in « de toorn », doch worden er uit gered.
De tijd van dit oordeel was toen eigenlijk reeds begonnen en betrof in de eerste plaats het « huis Gods » (1 Petr. 4:17).
1 Thes. 2:12 De roeping tot het koninkrijk der hemelen.
1 Thes. 2:19 De toekomst des Heeren (parousia) zie Mat 24:37; 1 Kor. 1:7 en 15:23.
1 Thes. 3:13 De toekomst des Heeren met al Zijne heiligen. Zie Mat. 25:31: « Wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijne heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem » en 2 Thes. 1:7. Zie ook voor het gebruik van « heiligen » Job. 5 :1; Ps. 89:6, 8; Dan. 4:13; 8:13; Zach. 14:4, 5; Judas 14.
1 Thes. 4:15-17 De toekomst des Heeren. De archangel, verder alleen gebruikt in Judas 9, waar de naam gegeven wordt: Michaël. Van dezen aartsengel zegt Dan. 12:1, 2 dat hij zal opstaan in de tijd der benauwdheid (Mat. 24:21), als Israël zal verlost worden (Rom. 11:15) en velen (niet allen) zullen ontwaken (1 Kor. 15:23) ten eeuwigen leven (leven behorende tot de eeuw).
De bazuin, zie 1 Kor. 15:52. « Tegemoet » (zoals in Hand. 28:15) d. i. gaan en terug mee komen. Voor die opstanding zie ook Joh. 11:25, 26. « Wij » d. i. inbegrepen Paulus, indien namelijk Israël het koninkrijk niet verworpen had tijdens de « Handelingen ».
1 Thes. 5:1.6 Tijden en gelegenheden. Zie Hand. 1:7 betreffende dezelfde komst om het koninkrijk op te richten. De dag des Heeren, zie Jes. 2:12; Joël 1:15; Mat. 24:29; Hand. 2:20; 2 Thes. 1:8-10; 2 Thes. 2:2; 2 Petr. 3:10; Op. 1:10 enz. Deze dag moest de gelovigen niet als een dief overvallen, al kwam hij als een dief, omdat zij verlicht waren en moesten waken. Deze « dag » staat overal in verband met oordeel, de komst van de Messias, de verhoging van Jehova en de vernedering van de mens. Het is geen dag van 24 uren, maar een tijdperk zoals de « dag des mensen » (1 Kor. 4:3); « de dag van Jezus Christus » ( Fil. 1:6); de « dag Gods » (2 Pet. 3:12). Openbaring spreekt uitvoerig over dezen « dag », die in niets de Gemeente betreft.
1 Thes. 5:23 De toekomst des Heeren. Men bemerkt hoe in elk hoofdstuk die komst op een bijzondere wijze beschouwd wordt. Israël en de gelovigen uit de volken hadden, vóór het einde der Handelingen, steeds dien dag voor ogen: het was het begin van het koninkrijk. De verwachting der Gemeente is verschillend. « Bewaard » drukt de hoop uit niet te sterven vóór de opname.
2 T h e s s a l o n i c e n s e n Top
2 Thes. 1:4 Volharding en verdrukking. Gemeenten Gods. (1 Kor. 10:32).
2 Thes. 1:5-10 « Opdat gij waardig geacht wordt het koninkrijk Gods ». Een uitdrukking die niet toepasselijk is op de Gemeente die in de opperhemelse gewesten gezet is. Zie ook Luk. 20:35; 21:36. Vers 7 en volgende laten wederom zien dat het hier het koninkrijk op aarde betreft. « In de openbaring (zie 1 Kor. 1:7) des Heeren Jezus van de hemel met de engelen Zijner kracht » (zie 1 Thes. 3:13). « Met vlammend vuur wraak doende » — « dien dag » (zie 1 Thes. 4:15-17; 5:1-6 ) .
2 Thes. 1:11 De hemelse roeping (1 Thes. 2:12).
2 Thes. 2:1 De toekomst des Heeren.
2 Thes. 2:2 « De dag van Christus » in de beste teksten staat: « de dag des Heeren ». « Aanstaande » is de vertaling van « enisteemi » (tegenwoordig), ook gebruikt in 1 Kor. 3:22 (« tegenwoordige » in tegenstelling met toekomende); 1 Kor. 7:26 (« aanstaande », lees ook hier « tegenwoordige » ); Gal. 1:4 (tegenwoordige); Heb. 9:9 (tegenwoordigen); 2 Tim. 3 :1 (ontstaan zullen, lees « zullen tegenwoordig zijn » of « zullen wezen »).
2 Thes. 2:4 De tempel bestond toen dit geschreven is. Zo ook na de Gemeente, als deze brieven weer letterlijk en in alle onderdelen op de dan levende gelovigen zullen toepasselijk zijn. Mat. 24:15; Op. 11:1, 2; Ezech. 40-46. De onderbreking der Gemeente is dan geëindigd. In dien tijd komt dan ook de verdrukking waardoor Israël en de gelovigen uit de volken doorgaan.
2 Thes. 2:6-8 « Wat wederhoudt » of « wat vasthoudt », namelijk de put des afgronds (Op. 9:1; 11:7; 13:1-10) die de mens der zonde vasthoudt. « Wat » is onzijdig. Dan zal de ongerechtige (de wetteloze) geopenbaard worden (zie ook vers 9).
Lees in de plaats van « die hem nu wederhoudt » enz.: « hij die nu vasthoudt »; namelijk Satan aan de plaats in de hemelse gewesten, Ef. 6:12, waaruit hij door Michaël zal geworpen worden, Op. 12:7-9.
Van de Gemeente der verborgenheid is nog niets geopenbaard.
De toekomst (parousia) des Heeren heeft plaats na de komst van de antichrist (vers 8). « Verschijning » is de vertaling van « epiphaneia ».
2 Thes. 2:9-11 Krachten, tekenen, wonderen zijn op zichzelve geen bewijs dat zij van God zijn. Voor hen, die Gods Woord geloven en onderzoeken zijn ze een teken, dat toelaat zekere personen te erkennen, b. v. de Messias, de apostelen en ook de ongerechtige.
De tijden en omstandigheden in Gods Woord aangegeven en de Heilige Geest verlichten hem, die de waarheid lief heeft. Het acht geven op wonderen zonder kennis van Gods Woord is uiterst gevaarlijk.
2 Thes. 2 :13 « Van de beginne ». Niet vóór de nederwerping der wereld zoals dit met de leden der Gemeente het geval is (Ef. 1:4).
2 Thes. 2:15 en 3:6 « Inzettingen » (paradosis) komt in de latere brieven niet voor dan in Kol. 2:8 (overlevering) om er juist tegen te waarschuwen. Zelfs Gods inzettingen worden « overleveringen der mensen » als zij niet in de juiste bedeling worden toegepast.
2 Thes. 3:3 « Bewaren van de booze » zal in de toekomst een heel bijzondere betekenis hebben voor hen, die onder de antichrist leven (zie 1 Joh. 5:18).
Er is geen opgave in dezen brief die toelaat de datum met enige waarschijnlijkheid vast te stellen. De inhoud echter laat zien, dat hij moet gerangschikt worden bij de brieven aan de Rom. Kor. Gal. Thes. Hij is gericht aan Israël (zoals de titel het zegt) en in het bijzonder aan hen die zoals de « vele duizenden van Joden » (Hand. 21:20) ijveraars der Wet waren. Het is op zichzelve moeilijk aanneembaar dat vele jaren zouden voorbijgegaan zijn zonder, dat hun die vermaningen zouden toegezonden zijn. Zie ook Heb. 12:4.
Heb. 1:2 Voor « wereld » lees « eeuwen ». Zie Heb. 11:3.
Heb. 1:8 « In alle eeuwigheid » is letterlijk: « tot de eeuw der eeuw ».
Heb. 2:3, 4 « Dewelke (zaligheid), begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben; God bovendien medegetuigende door tekenen en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijnen wil ». De tekenen dat het koninkrijk nabij was. Zie ook Mark. 16:17-20 en Heb. 6:5 « krachten der toekomende eeuw ».
Het griekse woord voor « zaligheid » is « sooteeria ». Een nauwkeurige studie van het gebruik en de betekenis van dit woord is zeer belangrijk, doch kan hier niet ondernomen worden. De statenvertaling gebruikt, behalve « zaligheid » en « zalig » ook « behouden », « verlossing », « heil ». Voor de gelovige betreft het behouden zijn, het verleden (vergeving van zonden, zie b. v. Luk. 1:77 en heeft dan een individuele betekenis, Rom. 1:16), het tegenwoordige (van boos werk b. v. 2 Tim. 4:18), maar vooral de toekomst. Voor dit laatste geval zie: « wie volharden zal tot het einde (zie ook Mat. 10:22), die zal zalig worden » Mat. 24 :13; « in hope zalig geworden » (Rom. 8:24); « de zaligheid is ons nu nader » (Rom. 13:11); « behouden worden » (1 Kor. 1:18); « opdat de geest behouden moge worden » (1 Kor. 5 :5); « de hoop der zaligheid » (1 Thes. 5:8): « verkrijging der zaligheid » (1 Thes. 5:9); « tot de zaligheid » 1 Pet. 1:5, 9, 10). Een dergelijk onderzoek duidt aan dat die toekomstige behoudenis betrekking heeft met de opstanding, de tweede komst van Christus, dus de oprichting van het koninkrijk. Zij heeft ook een meer collectieve betekenis. Zie Hand. 28:28, en Jes. 25:9.
In de brief aan de Hebreën wordt zaligheid altijd in de laatsten zin gebruikt (b. v. Heb. 1:14; 2:3 — zie het verband met de tekenen vers 4 en de toekomende wereld vers 5; Heb. 9:28 — zie het verband met de tweede komst voor hen die Hem verwachten). Het verband tussen die toekomende zaligheid en het koninkrijk vindt men ook voortdurend in het O. T. Zie b. v. Ps. 14:7 (verlossing); Ps. 98:2, 3 (heil); Jes. 11:11 en .12:1-6 (heil); Jes. 52:9, 10 (heil) enz. Deze zaligheid is dus niet een vergeving van zonden, de gewone behoudenis; hier is het een behoudenis tot heerlijkheid die door werken verkregen wordt.
Heb. 2:5 « Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken ». Men ziet dat de schrijver spreekt over het koninkrijk, niet onderworpen aan engelen, maar aan de Heere Jezus Christus. « Wereld » is de vertaling van « oikouménee », de bewoonbare wereld.
Heb. 2:8 « Doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn ». Zie Ef. 1:22, 23 en Op. 11:15.
Heb. 3:1 De hemelse roeping (1 Thes. 2:12). In verband met « hemelse gaven » (Heb. 6:4), krachten der toekomende eeuw, het « hemels Jeruzalem » (Heb. 12:22) en de vele duizenden engelen. De Gemeente is met Christus « verre boven » alle Overheid enz. (Ef. 1:21). Zie ook Ef. 1:3.
Christus Jezus Apostel en Hogepriester (Joh. 13:3).
Heb. 3:18-4:11 Door ongeloof kon Israël niet in het beloofde land gaan. Nu worden ze terug uitgenodigd in de rustdag, het koninkrijks tijdperk, te gaan, door middel van David aangekondigd (zie Ps. 95 en Ps. 97), als « Hij zal Priester zijn op Zijnen troon » (Zach. 6:13). Het is de grote Sabbat.
« Van al Zijne werken gerust ». Het Hebreeuwse « sabbat » en het Griekse woord door « gerust » vertaald, drukt uit een ophouden. God ruste niet (Joh. 5:17), maar hield op te scheppen. Ook de gelovige Israëlieten worden niet zozeer uitgenodigd in de « rust » te gaan, dan wel op te houden in eigen kracht te werken. (Zie vers 10).
Heb. 4:12, 13 Zie de overeenkomst met Op. 2:12-16. In Openbaring is Christus in werkelijkheid, op zichtbare wijze, de Hogepriester naar de ordening van Melchizedek. Dan is het de ingang in de rust van Gods volk. De gemeenten van Op. 2 en 3 zullen bestaan na de Gemeente der verborgenheid. Deze heeft geen plaats in de « dag des Heeren » waarover Openbaring handelt. (Zie de aantekening bl. ***). Het is Gods Woord dat de mens oordeelt, niet omgekeerd. Zie ook Joh. 12:48.
Heb. 5:6 « Priester in der eeuwigheid » d.i. « voor de eeuw ». Daarna, als het koninkrijk aan de Vader overgegeven is, is er ook geen tempel meer (Op. 21:22) en geen priester, noch offerande zoals gedurende het koninkrijk (Ezech. 40-46). Hetzelfde is waar voor de tegenwoordige tijd der Gemeente, die een type is van de tijd als God alles in allen is. Het priesterschap naar de ordening van Melchizedek zegent de overwinnaar, de rechtvaardige, de volmaakte, gedurende het koninkrijk op aarde.
De brief aan de Hebreën drukt op het priesterschap; Openbaring op het koningschap van de Heere Jezus.
Heb. 6:1 Een juistere vertaling zou zijn: « Daarom, het woord (verhaal) van het begin van de Christus daarlatende, laat ons tot het einde (de volmaking) voortvaren ». « Volmaking » is een der hoofdgedachten van dezen brief. Zie ook 2 Pet. 1:11. Het verhaal van het begin vinden wij in de evangeliën, (zie Hand. 1:1, waar « boek » hetzelfde woord is als « leer » in Heb. 6:1). De volmaking moeten wij er niet zoeken. Voor alles wat het koninkrijk betreft, ligt die volmaking in het nieuwe verbond; voor de Gemeente der verborgenheid ligt zij in wat Paulus openbaarde in Ef. Fil. Kol.
Heb. 6:5 « De krachten der toekomende eeuw ». Wij hebben inderdaad gezien dat de krachten een teken waren, dat het koninkrijk nabij was. Die krachten zullen in die eeuw (aioon) de regel, maar daarom niet ophouden wonderen te zijn.
Heb. 6:6 Dit vers is evenmin gericht tot de Gemeente der verborgenheid, als de gehele brief, maar wij kunnen er veel uit leren. Het betreft hier gelovigen, behoudenen, zoals blijkt uit Heb. 10:26-39, die gedurende het koninkrijk het genadeloon, toegekend volgens werken, kunnen verliezen. Men denke aan het niet gaan in het beloofde land van een volk dat verlost en vergeven is (Num. 14:19, 20). Zie ook 1 Kor. 3:15. In de volgende verzen is er ook geen sprake van zaligheid (of behoudenis) maar van betere dingen die met de zaligheid gevoegd zijn. (Heb. 6:9).
Heb. 6:18 « De voorgestelde hoop » d.i. de opstanding en het koninkrijk.
Heb. 7:1-10:18 Wij geven hier aan hoe deze verzen kunnen verdeeld worden en het onderwerp « volmaaktheid » doen uitkomen. (Volgens « The Berean Expositor » Vol. XV p. 86).
A1 |
 |
7:1-10 Melchizedek. « Deze » (vers 4). Een priester. Zonder onderbreking (vers 3). |
 |
B1 |
 |
7:11 Geen volkomenheid door het levietische priesterschap. |
 |
C1 |
 |
7:12-18 Wel door het priesterschap naar de ordening van Melchizedek. |
 |
B2 |
 |
7:19 Geen volmaaktheid door de Wet. |
 |
C2 |
 |
7:20-9:8 Wel door de eedzwering aan de Zoon. |
 |
B3 |
 |
9:9, 10 Geen volmaaktheid door vleselijke inzettingen. |
 |
C3 |
 |
9:11-28 Wel door volmaakteren tabernakel en latere offerande. |
 |
B4 |
 |
10:1-4 Geen volmaaktheid door de offeranden der Wet. |
A2 |
 |
10:5-18 Christus. « Maar deze » (vers 12) . Als priester gezeten. Zonder onderbreking (verzen 12 en 14). |
Heb. 7:3 « In eeuwigheid » letterlijk: « zonder onderbreking ». Zie vers 23. Vers 24 « onvergankelijk » geeft aan dat het niet van de een op de ander overgaat.
Heb. 7:18 Voor « vernietiging » lees « verwerpen »; het kon op zichzelve de mens niet redden en nog minder « volmaken ».
Heb. 8:1-13 De hoofdsom dezer dingen: de ware tabernakel is in de hemel; die op aarde is een schaduw en de offeranden, die herhaald worden hebben op zichzelve geen waarde, maar zijn slechts een beeld van de ware offerande. Nu hadden zij een beter verbond (vers 6 en Mat. 26:28) dan het eerste, dat de mens « onder » de Wet stelde. De « vrouw » is nu van haar gelofte ontbonden (zie bl. 39). Aanhaling van Jer. 31:31 en 34 (verzen 8-12). Dit alles betreft in de eerste plaats Israël. Wat verdwijnt (vers 13) is het « onder » de Wet zijn, het Oude Verbond, niet daarom de vormen; doch deze worden op een geheel anderen grond uitgevoerd, in nieuwigheid des geestes, als een herinnering aan het volbrachte.
Voor het nieuwe Verbond zie ook Mat. 26:28 en Gal. 5:2-11.
Heb. 9:8-10 Lees: « De Heilige Geest dit aanduidt, dat de weg van de heilige (plaatsen) nog niet openbaar gemaakt is, zolang de eerste tabernakel nog stand houdt; die een gelijkenis is voor den tegenwoordige tijd, waarin zowel gaven als slachtoffers geofferd worden, welke hem, die de dienst pleegt, niet kunnen volmaken naar geweten ». Men herinnere zich Heb. 2:5; de schrijver spreekt van dien tijd alsof het koninkrijk feitelijk reeds begonnen was. De tempel bestond, de slachtoffers werden geofferd. (Zodra de tegenwoordige Gemeente weg is, zal de tempel overigens opnieuw gebouwd worden en de offeranden en tempeldienst zullen hersteld worden). Vers 9 zegt « die een gelijkenis is voor de tegenwoordige tijd ». Vers 7 vergeleken met 11, 12 en 24 toont dat het Heilige der Heiligen de gelijkenis is van de hemel.
De gelovigen uit Israël waren toen feitelijk in het Heilige geplaatst, en werden uitgenodigd tot volmaaktheid voort te varen en het Heilige der Heiligen in te gaan (Heb. 10:19). Als men het gaan van Christus in het Heiligdom vergelijkt met het gaan door de hemelen (Heb. 4:14), kan men ook het H. d. H. beschouwen als een voorstelling van de derden hemel (2 Kor. 12:2, 4) en het Heilige als een voorstelling van de « middenhemel ».
Volgens de opvolging der aionen beschouwd, kan men het Heilige doen overeenstemmen met het koninkrijks-tijdperk en het H. d. H. met de nieuwe hemelen en aarde, als de troon van God (niet des Heeren) op aarde zal zijn (Heb. 1:8, waar « in alle eeuwigheid » letterlijk is: « in de aioon van de aioon » ). Men herinnere zich de tabernakel Gods van Op. 21:3 en het Nieuwe Jeruzalem van Op. 21:2, dat overeenkomt met het hemels Jeruzalem van Heb. 12:22.
Als het koninkrijk aan de Vader is overgegeven, isHeb. — De Hoogepriester in het Heilige der Heilig. 247
het de tijd der « verbetering » of « herstelling » of « rechtzetting » of « in orde brenging » van vers 10. Ook in de volgende verzen wordt de nadruk gelegd op het feit dat Christus ingegaan is in de Heilige plaatsen en ons daardoor verlost heeft, wat niet door het bloed der dieren kon geschieden. De vormen waren er om dit werkelijke voor te stellen en ter gedachtenis der zonden (Heb. 10:3), zoals bij het nieuwe verbond het avondmaal ook was ter gedachtenis van de Heere (1 Kor. 11:24).
« Wassingen » is de vertaling van hetzelfde woord als « dopen » in Heb. 6:2. Zie ook Joh. 1:25 noot.
Heb. 9:11 « Dit maaksel » lees « deze schepping ».
Heb. 9:12 « Eeuwige verlossing » d.i. « verlossing in betrekking met DE eeuw ».
Heb. 9:15-17 Voor « testament » lees « verbond ». Verzen 16 en 17 kan men lezen « want waar een verbond (gemaakt) is, daar is het nodig dat de dood des verordineerden (offers) tussenkome; want een verbond is van kracht, alleen over de dode (offers), dewijl het nimmer kracht heeft, zolang het verordineerde (offer) leeft ». Zie Mat. 26:28.
Heb. 9:24 De ware Hogepriester was in het ware Heilige der Heiligen (de « derde hemel ») gegaan en Israël kon Hem elk ogenblik terug verwachten; « ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid » (vers 28). Die tweede komst van Christus is gedurende de tijd der Gemeente uitgesteld. Als Hij komt, breekt de zevende maand van Lev. 23:24 aan met de drie laatste « hoogtijden des Heeren »: 1° het feest des geklanks (der bazuin) d.i. de opstanding en terugkeer van Israël, 2° de verzoendag, 3° het feest der loofhutten (zie Zach. 14:16-21). Tussen de 4 eerste hoogtijden en deze drie laatste liggen ongeveer 3 maanden die overeenstemmen met de tijd tussen Pinksteren (Hand. 2) en de tweede komst op aarde van de Heere Jezus Christus.
Heb. 10:1 « Hebbende ene schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken ». Men bemerkt de 3 dingen: schaduw, beeld, zaak. De schaduw was er, toen de vormen nog onderhouden werden door hen, die « onder » de Wet waren; het beeld was er na het kruis toen deze brief geschreven werd en de tabernakel nog bestond (Heb. 9:8-10) doch de vormen door de gelovige Joden in een nieuwen geest gebracht werden. Ook na de Gemeente zal dit « beeld » er zijn (Ezech. 40-46). Israël is dan een koninklijk priesterdom. De zaken zelve echter zijn in de hemelen.
Heb. 10:2 « Die de dienst pleegden », lees « die de dienst plegen ».
Heb. 10:12, 14 « In eeuwigheid » lees « zonder onderbreking » of « voor altijd » (in betrekking met de offerande).
Heb. 10:16 Het nieuwe verbond met Israël. Zie Mat. 26:28.
Heb. 10:18 « Gene offerande meer voor de zonde » namelijk geen werkelijke offerande, wel offeranden ter nagedachtenis.
Heb. 10:19, 22 « Vrijmoedigheid... om in te gaan in de heiligen » « zo laat ons toegaan ».
De gelovigen vóór en na de Gemeente zijn priesters in betrekking met het koninkrijk (gereinigd en gewassen Heb. 10:22) volgens de profetie: Ex. 19:6; Jes. 61:6, enz. Zie ook 1 Pet. 2:5 (tot de verspreide Joden) en Op. 1:6; 5:9, 10; 20:4-6. Buiten dit algemeen priesterschap is er nog een bijzonder priesterschap (zie Jes. 66:21 en de verwezenlijking in Ezech. 44:10-15).
Heb. 10:25 « De dag ». De welbekende dag des Heeren. Jes. 2:12 enz. Dit is niet de verwachting der Gemeente. Het is de dag des oordeels van vers 27.
Heb. 10:36, 37 « De belofte » d.i. de opstanding en het koninkrijk, als Hij die toen nog steeds « de komende » was, zou komen.
Heb. 10:38 Zie Rom. 1:17. Betreft het leven gedurende het koninkrijk.
Heb. 11:3 De wereld (lees « eeuwen ») door het woord Gods toebereid. Elke eeuw (aioon) heeft haar doel en is door God toebereid. De ene aioon volgt niet door ontwikkeling, buiten God om, uit de andere, zoals de gnostieken leerden.
Heb. 11:40 De gelovigen van het O. T. ontvingen de vervulling der belofte niet, bij de opstanding zullen zij met de gelovige Hebreën het koninkrijk ingaan.
Heb. 12:4 « Gij hebt nog ten bloede toe niet tegengestaan ». Dit toont ook dat deze brief vroeg geschreven is, vóór de vervolging der Christenen.
Heb. 12:28 « Alzo wij een onbewegelijk koninkrijk ontvangen ». Het is niet zonder einde, maar het kan niet door Satan bewogen worden. Vers 26 is een aanhaling van Hag. 2:7 en grijpt plaats bij de komst van Christus en het oprichten van het koninkrijk.
Heb. 13:20 « De groten Herder der schapen ». Zie Ps. 23; Jes. 40:11; Ezech. 34:12-16, 22-24; Mat. 9:36; 15:24; 18:11; Joh. 10:11; 1 Pet. 5:4.
Het bloed « des eeuwigen testaments ». Betreft het nieuwe verbond, dat tot op het einde der toekomende eeuw (of aioon) geldt en met het huis van Israël en het huis van Juda gesloten is (Jer. 31:31), niet met de volken. Deze genieten natuurlijk van de zegeningen die uit dit verbond, zowel als dat met Abraham voortspruiten.
|
tweede samenvatting betreffende de verwerping van het koninkrijk gedurende de tijd der handelingen. Top
Wij zien hoe Gods plan steeds verder uitgevoerd wordt. Na de profeten was Johannes de Doper gekomen en had evenals de anderen gezegd: « Bekeert u; want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen » (Mat. 3:2). Toen was de Koning zelve gekomen en sprak hun uitvoerig over de toestanden in het koninkrijk en de vereisten om er deel aan te hebben. Christus was een dienaar geworden der besnijdenis, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen (Rom. 15:8). Door Zijn dood op het kruis werd Satan's heerschappij over de mens vernietigd Voortdurend had Satan al zijn macht tegen Jezus beproefd: de kindermoord te Bethlehem, de verzoekingen in de woestijn enz. tot het tenslotte bij het kruis scheen te gelukken. Maar Satan kende de verborgenheden van Christus niet, juist die dood zou zijn nederlaag zijn. Had hij die verborgenheden gekend, zoo zou hij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben (1 Kor. 2:7, 8). Juist nu kon het koninkrijk met volle kracht gepredikt worden en toen kwamen inderdaad de 12 apostelen de grote zaligheid bevestigen (Heb. 2:3) en « de Heer wrocht mede en bevestigde het woord door tekenen, die daarop volgden » (Mark. 16:20). En nog steeds was dit alles in verband met de aarde, de troon van David enz. zoals in Ps. 110 en Dan. 7. Het is een doorlopende geschiedenis, alleen zijn wij nu in de tijden der vervulling getreden. Men denke er ook steeds aan, dat Israël nog altijd voorrechten had en van de volken afgescheiden was. Deze laatste konden hoogstens als « ingeënten » aangezien worden.
Van Pinksteren tot het einde der Handelingen wordt dus het koninkrijk op aarde verkondigd en de bekering van Israël als volk, gevraagd. Het was de eis, die reeds zoo dikwijls bekend gemaakt was. Men herleze Deut. 30:1-5; Hand. 3:19-26 enz.
Paulus, die zich in het bijzonder richt tot de volken en hun spreekt over de verzoening der wereld verkregen door de dood, de opstanding en het ingaan van de waren Hogepriester in de hemelse gewesten, legt natuurlijk minder nadruk op dit koninkrijk, dat in de eerste plaats Israël betreft. Al was de jood nog steeds de eerste, ook de volken hadden deel aan de zegeningen.
Gedurende dien tijd werd de Wet gevolgd in haar vormen door de gelovige Joden. Door het offer van Christus en door middel van hun geloof waren zij nu allen priesters en gereinigd, zoals de profeten het hun voorspeld hadden. Zij waren niet meer « onder » de Wet, als slaven, die niet anders dan de zonde konden dienen. Met Christus gekruisigd, gestorven en begraven, was niet alleen voor hun zonden betaald, doch zij waren vrijgemaakt van de macht der zonde en konden nu dienen (ook de vormen waarnemen) in nieuwigheid des geestes en naar volmaaktheid streven. Zij moesten natuurlijk op dit alles opmerkzaam gemaakt worden en de brieven doen dit dan ook. De genade wordt in scherpe tegenstelling geplaatst met het « onder » de Wet zijn. Niets konden zij zelf doen. De vormen, die ze nog onderhielden, hadden ook geen kracht op zichzelve, maar werden alleen ter nagedachtenis der zonde en van het volbrachte werk des Heren gevolgd. Zij waren « in Christus », in gemeenschap met de Messias, voor zoo ver het betrof de dood van de ouden mens, en de geboorte van boven. In dien zin vormden zij één lichaam, één groep die de Christus toebehoorde en van Zijn goddelijke natuur was. Maar zij waren nog niet zó met Hem verenigd dat zij, zoals de leden der Gemeente, in de « opperhemelse », in Christus, gezet waren. Er was nog geen « samengevoegd » lichaam.
Aangaande de volken, deze hadden niets met de Wet te maken, zij moesten niet besneden worden, noch iets anders volbrengen. Voor wat de rechtvaardigheid uit het geloof betreft, stonden zij op dezelfde lijn als Israël, doch « in het vlees » kwamen zij eerst in de tweede plaats. Na de gedeeltelijke verwerping van de Messias door de Joden, hadden zij dezen tot jaloersheid moeten verwekken, opdat geheel Israël zich zou bekeren en het koninkrijk zou komen. En dan zou de volle zegening ook tot de volken gekomen zijn. De olijfboom stond nog steeds recht; de volken waren als takken ingeënt, als een prikkel, opdat de gehele olijfboom vrucht zou dragen. Doch dit geschiedde niet en de olijfboom werd uitgehouwen, Israël verspreid, de tempel verwoest.
Gedurende dezen tijd vinden wij steeds wonderen, krachten en tekenen als bewijs, dat het koninkrijk nabij was. De opstanding, de komst van Christus tot het oprichten van het koninkrijk waren nog steeds de verwachting en welgelukzalige hope der gelovige Israëlieten en na hen ook van de gelovigen uit de volken. Hun wordt nu bekend gemaakt, dat niet allen zullen sterven, maar dat de levenden zullen veranderd worden en met de opgestane doden de Heere zullen tegemoet gaan en dan met Hem op aarde terugkeren (zij zullen dus niet in de « opperhemelse » zijn). Voor die komst des Heren moesten zij waken, om niet zoals de ongelovigen als door een dief verrast te worden.
Intussen worden zij voortdurend met nadruk gewaarschuwd tegen de bedriegelijke arbeiders, die zich in apostelen van Christus veranderen, zoals Satan zich als een engel des lichts voordoet. Welk een waarschuwing ook voor ons om voorzichtig te zijn met al wat van de eerste eeuw af geschreven is geweest buiten Gods Woord! Hoe wantrouwend moeten wij zijn tegenover de overlevering, al komt zij van « kerkvaders »! Een treffend voorbeeld is dat van de « eerste dag der week ». Drie maal wordt van dien dag gesproken en telkens volgt kort daarop het Pinksterfeest. En toch heeft het ganse « christendom » zich aan de overlevering onderworpen en heeft er een nieuwe « christelijke » feestdag, een wekelijkse zondag van gemaakt en heeft dien dag zelfs « de dag des Heren » genoemd; een uitdrukking, die door God alleen gebruikt wordt voor de dag der wrake en des oordeels. De gedachte dat de « gemeente » met Pinksteren begint, dat Paulus de twaalfde apostel is, dat de vormen der Wet niet meer door de christen-Joden gevolgd moesten worden, het verwarren van « onder » de Wet zijn en onder de genade zijn, van Gemeente en koninkrijk, enz. zijn nog enige gevallen waar de overlevering nu nog steeds zegeviert.
Laat ons kalm verder de andere brieven nagaan; zonder vooropgezette mening Gods Woord met zorg onderzoeken, al doet het ons soms pijn van een lang gekoesterde gedachte te moeten scheiden en al is onze natuurlijke hoogmoed nog zoo onwillig te erkennen dat wij gedwaald hebben.
Intussen mene de lezer niet, als wij besluiten dat de Gemeente der verborgenheid eerst na Hand. 28 geopenbaard is, en al hetgeen vóór dien tijd geschreven is zich dus niet rechtstreeks tot de Gemeente richt, dat daarom al deze van God ingegeven Schriften voor ons geen waarde hebben. Nu neemt toch wel geen ernstig gelovige elk woord van het O. T. als letterlijk tot hem gericht? Daarom zijn elk van die woorden niet minder belangrijk, wij hebben het alles tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing. En wat zouden wij doen zonder Rom. Kor. Gal. Thes. Heb. waar de verzoening door Christus, de vrijmaking van de zonde als een grondsteen in is neergelegd? De bedoeling is aan te tonen dat alles niet tot ons gericht is en God ons veel meer te geven heeft dan hetgeen in de Schriften vóór Hand. vervat is. Als wij geen onderscheid maken tussen de positie der gelovigen in het algemeen en de leden der Gemeente, dan verliezen wij juist de grote voorrechten, het kenmerkende onzer bedeling.
18. de openbaring der gemeente der verborgenheid. D e b r i e v e n v a n P a u l u s g e s c h r e v e n n a H a n d. 28:28. E f e z e. Top
Geschreven door Paulus in de gevangenis te Rome. De aanduiding « te Efeze » komt niet voor in sommige handschriften en de brief was daarom misschien niet in het bijzonder tot de Efeziërs gericht, maar zoals de brief aan de Kolossensen (Kol. 4:16), bestemd om ook in andere plaatsen gelezen te worden.
Wij geven hier de bouw weer volgens « The Berean Expositor » bl. 93 Vol. 2-3 :
A |
 |
a |
 |
1:1, 2 Genade en vrede aan heiligen en gelovigen van God onzen Vader en van de Heere Jezus Christus. |
 |
 |
 |
b |
 |
1:3-14 « Gezegend zij God »; alle geestelijke zegening in de hemel. |
 |
 |
 |
B |
 |
1:15 Paulus heeft gehoord aangaande de geestelijke zaken der Efeziërs gevolg: dank. |
 |
 |
 |
 |
 |
C |
 |
c |
 |
1:15 Liefde tot al de heiligen. |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
d |
 |
1:16-19 Het gebed van Paulus voor de heiligen. « Opdat God... u geve »; « opdat gij moogt weten ». |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
D |
 |
1:20-23 De Overheid, en Macht, en Kracht, en Heerschappij. Onderwerping. |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
E |
 |
2:1-18 (1) Dood en leven. (2) Verre en nabij. (3) Vrede en vijandschap. De oude en nieuwe schepping. « Goede werken ». |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
F |
 |
2:19-22 De tempel « bekwamelijk samengevoegd » (sunarmologouménee). Het fundament der Apostelen en Profeten-Jezus Christus zelf. |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
G |
 |
e |
 |
3:1-13 De gevangene van Christus Jezus. |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
f |
 |
De bedeeling der verborgenheid. « Hetzelfde lichaam » (3:6). |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
H |
 |
3:14-21 Het gebed van Paulus. « De liefde van Christus die de kennis te boven gaat ». « De volheid Gods ». « Hem zij de heerlijkheid in de gemeente, door Christus Jezus » |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
G |
 |
e |
 |
4:1-6 De gevangene in de Heere. |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
f |
 |
De eenheid des Geestes. « Eén lichaam ». |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
F |
 |
4:7-16 Het lichaam « bekwamelijk samengevoegd » (sunarmologoumenon). De bediening der Apostelen en Profeten. De Zoon Gods. |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
E |
 |
4:17-6:9 (1) Zonde en liefde. (2) Licht en duisternis. (3) Wijsheid en onverstandigheid. De twee wijzen van wandelen. De oude en nieuwe schepping. « Goede werken ». |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
D |
 |
6:10-17 De sterkte Zijner macht. Overheden enz. Strijd. C c 6:18 Gebed voor al de heiligen. |
 |
 |
 |
 |
 |
C |
 |
c |
 |
6:18 Gebed voor al de heiligen. |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
d |
 |
6:19, 20 Gebed der heiligen voor Paulus. « Opdat... gegeven worde »; « bekend te maken ». |
 |
 |
 |
B |
 |
6:21, 22 De Efeziërs horen aangaande de zaken van Paulus; gevolg: vertroosting. |
A |
 |
a |
 |
6:23 Vrede en liefde met geloof de broederen van God de Vader en de Heere Jezus Christus. |
 |
 |
 |
b |
 |
6:24 Zegening voor allen, die de Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid. |
Ef. 1:3 « Die ons gezegend heeft (of: « die ons zegent » ) met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus ». Geestelijke zegeningen in tegenstelling met natuurlijke, aardse, zoals voor Israël. Die zegeningen ontvangen wij, als wij ze door het geloof in deze bijzondere openbaringen aannemen. « In de hemel » is de vertaling van « en tois epouraniois » d. i. « in de opperhemelse » (of « bovenhemelse ») en komt alleen voor in dezen brief (Ef. 1:20; 2:6; 3:10; 6:12). Al deze uitdrukkingen zijn in de datief. Zie ook 2 Kor. 12:2-4 noot.
Het gaat hier over de plaats zelve, in tegenstelling met de volgende verzen, waar ook « epouranios » gebruikt is, doch door het gebruik van de genitief op de herkomst of het karakter gewezen wordt: Mat:18:35; Joh. 3:12; 1 Kor. 15:40, 48, 49; Heb. 3:1; 6:4; 8:5; 9:23; 11:16; 12:22. Van geen andere gelovigen, dan van de leden der Gemeente, wordt gezegd, dat zij in deze « opperhemelse (gewesten) » geplaatst zijn. De gelovigen, buiten de Gemeente, hebben echter, na de opstanding, wel een plaats in andere delen van de hemel.
Men weet inderdaad dat « hemel » (ouranos) een uitdrukking is die veel omvat. Behalve de dampkring rond de aarde en het « uitspansel », drukt dit woord ook de plaatsen uit, waar zich de geestelijke wezens bevinden. Op. 8:13 enz. spreekt van een « middenhemel » (Griekse tekst) en de hierboven vermelde teksten van « opperhemelse ». Van de Heere Jezus wordt gezegd, dat Hij door de hemelen is doorgegaan (Heb. 4:14), dat Hij opgevaren is verre boven al de hemelen (Ef. 4:10) en dat Hij nu is geworden « hoger dan de hemelen » (Heb. 7:26); dat Hij gezet is « in de hemel verre boven alle Overheid en Macht, en kracht en heerschappij, en allen naam die genoemd wordt » (Ef. 1:21), dat Hij nu aan Gods rechterhand zit (Ef. 1:20; Kol. 3:1; 1 Pet. 3:22).
Er is dus een deel der hemelen « boven alles », waar de Gemeente medegezet is in Christus. En er is een ander deel, dat nog onrein is door de geestelijke boosheden (Job. 15:15; Ef. 6:12 voor « lucht » lees « opperhemelse »). De hemelse dingen moeten daarom ook gereinigd worden (Heb. 9:23). Hier speelt ook de Gemeente haar rol.
2 Tim. 4:18 spreekt over het « opperhemels koninkrijk » (zie Kol. 1:13).
Ef. 1:4 « Uitverkoren... vóór de grondlegging der wereld ». Men weet, dat grondlegging beter door « nederwerping » wordt weergegeven. Hier is bedoeld Gen. 1:2 (zie bl. 21). Als het gaat over iets op aarde, zoals Israël en het koninkrijk, dan vindt men steeds « van de grondlegging (nederwerping) der wereld » (zie Mat. 13:35; 25:34; Luk. 11:50; Heb. 4:3 en verder Heb. 9:26; Op. 13:8; 17:8). Het betreft dan de « raad » Gods (Hand. 20:25-27). Als er daarentegen sprake is van de opperhemelse dingen (waarbij de Gemeente), dan is het « voor de grondlegging » (nederwerping) (zie Joh. 17:24; Ef. 1:4; 1 Pet. 1:20). En het betreft dan het eeuwig « voornemen » Gods (Ef. 3:11). Wij zien de Gemeente in verband met dit voornemen der eeuwen: 10 in het verleden « in Hem uitverkoren » (Ef. 1:4), 2° in het heden « mede gezet in de hemel » (Ef. 2:6) en 3° in de toekomst als Christus niet alleen het hoofd der Gemeente is, maar over alle dingen (1 Kor. 15:28).
« Voor Hem » wil zeggen in Zijn tegenwoordigheid.
Ef. 1:6 Uitverkoren en verordineerd, niet om gezegend te worden, maar « tot prijs der heerlijkheid Zijner genade »; de zegeningen volgen dan.
Ef. 1:7 De leden der Gemeente zijn evengoed verlost door Zijn bloed, als alle andere gelovigen. Ook hier kan men echter een verschil bemerken. « Lutroosis » (verlossing) wordt nooit gebruikt in Ef. Fil en Kol. doch wel « apolutroosis ». Als dit laatste woord in Rom. Kor. of Heb. gebruikt wordt, betreft het niet iets, dat die gelovigen reeds verkregen hadden.
Ef. 1:9, 10 « De verborgenheid van Zijnen wil ». Een verborgenheid is iets dat niet bekend gemaakt was, een geheim (zie ook Dan. 2:18, 19, 27 enz.; 4:9). Het woord werd in het Latijn vertaald door « sacramentum » en kreeg in latere tijden een heel andere betekenis onder de invloed der overlevering. Als een geheim bekend gemaakt is, dan is het geen verborgenheid meer, ten minste voor hem, die de openbaring gelooft. De volle betekenis begrijpen wij daarom nog niet met ons klein mensenverstand, evenmin als wij gelijk welke zaak volledig kunnen begrijpen. Paulus openbaarde verschillende geheimen.
Ef. 1:12 « Wij, die eerst in Christus gehoopt hebben ». De « wij » zijn de gelovige Israëlieten, die nog leefden toen de Gemeente geopenbaard werd, d.i. na de verwerping van Hand. 28 en die, door het geloof in die openbaring, lid der Gemeente werden.
Ef. 1:13, 14 De « gij » zijn zij uit de volken (Ef. 2:1 1 ), die al het geopenbaarde geloven. Zij werden ook verzegeld door het ontvangen van een nieuwen geest, de grootste gave van de Heiligen Geest. Die gave was een onderpand van toekomende geestelijke gaven en dus wel een « geest der belofte ». Zie verder de ééne doop in Ef. 4:4-6.
De « waarheid » is hier de bijzondere waarheid betreffende de Gemeente en men moet dan ook de nadruk leggen op « uwer ».
Wij hebben in verzen 3 tot 14:
De wil des Vaders: tijd, plaats, positie.
Het werk van de Zoon: verlossing, hoofd, erfenis De getuigenis van de Heiligen Geest: zegel, onderpand.
Ef. 1:18-21 Er zijn verlichte ogen des verstands nodig, om te weten de grootheid Zijner kracht aan ons, naar de werking, die Hij gewrocht heeft in Christus: opstanding en verplaatsing in de opperhemelse. Ef. 2:6 zegt uitdrukkelijk dat die kracht ons ook in die gewesten gezet heeft, verre boven alle Overheid, en Macht, en kracht en heerschappij, enz.
Moge de God van onzen Heere Jezus Christus de lezer geven de Geest der wijsheid en der openbaring in Zijne kennis, opdat hij ook als een wijze moge wandelen (Ef. 5:17; Kol. 4:5; 1:9, 10).
Ef. 1:22, 23 « En heeft Hem der Gemeente gegeven tot een hoofd boven alle dingen ». De Gemeente is medegezet in de « opperhemelse » in Christus, en heeft Hem als Hoofd (niet als Koning). De Gemeente is alzo in Hem boven alle dingen. Hij is nu ten opzichte der Gemeente wat Hij later ten opzichte van alles zal zijn.
Israël en de Abrahamietische gelovigen zullen de heerschappij over de aarde hebben, de Gemeente over de « opperhemelse ».
Hier is de meer volledige naam der Gemeente gegeven: « de Gemeente... welke Zijn lichaam is ». Zie ook Ef. 3:2-9 (noot): « samengevoegd lichaam ». De Gemeente is de vervulling (volheid) van Christus, en kan alzo nu reeds dienen om aan de overheden in de hemel bekend te maken de veelvuldige wijsheid Gods (Ef. 3:10).
Ef. 2:1 Lees: « Daar gij dood waart voor uwe (d.i. ten opzichte van uwe) misdaden en zonden ». Zoo ook in vers 5 en Kol. 2:13. Het is in overeenstemming met Rom. 6; Kol. 3:3; 1 Pet. 2:24. Het woordje « in » is niet gebruikt in het Grieks. Het gaat hier ook verder dan in Rom.: de leden der Gemeente, tot wien hier het woord gericht wordt, waren niet alleen dood ten opzichte der zonde (de wortel), doch ook ten opzichte der zonden (de daden); zij worden aanschouwd als hebbende niet alleen de « ouden mens » uitgedaan, maar ook zijn werken (Kol. 3:9).
Ef. 2:5, 6 De leden der Gemeente zijn mede levend gemaakt, mede opgewekt, mede gezet in de « opperhemelse » (gewesten) in Christus. Zie ook Kol. 2:12 en 3:1. Dit gaat alle gedachte te boven en toch is dit alles een volbrachte zaak en evenals onze rechtvaardiging niet door onze verdiensten, maar uit genade verkregen, door middel van het geloof. Wij worden uitgenodigd ons zelve te zien zoals God ons ziet, in de positie waarin Hij ons geplaatst heeft. De gemeenschap is niet alleen die van Rom. 6:4-13, waar de gelovigen van de macht der zonde verlost zijn, en zich moeten rekenen als gestorven en begraven, voor wat de ouden mens betreft. In dien toestand konden zij als priesters beschouwd worden, gereinigd en gewassen (Heb. 10:19-22) en toegang hebbende tot de Heiligen. De tegenwoordige gemeenschap gaat veel verder, en was nooit eerder voorzien, noch door de profeten, noch door de 12 apostelen.
Ef. 2:8 Zoals alle gelovigen zijn de leden der Gemeente behouden door Gods genade. « Door » is eigenlijk « door middel », het geloof zelf behoudt niet, maar als er geloof is kan de genade toevloeien. Beide genade en geloof zijn gaven. Deze tekst is misschien niet voldoende om in te zien, dat het geloof een gave is, men leze echter Fil. 1:29; Rom. 12:3 en 1 Kor. 12:8, 9. Alle roem, desnoods in ons geloof, is uitgesloten (vers 9).
Ef. 2:10 Zoals alle gelovigen zijn de leden der Gemeente nieuwe schepselen. De oude mens (door de ziel beheerst) moet als dood aangemerkt worden, er is niets aan te verbeteren. De nieuwe mens (door de geest beheerst) moet de overhand hebben en door zijn Goddelijk karakter kan de kracht uit de hoogte in hem werken en de gelovigen in staat stellen de goede werken te doen, die God voor hem bereid heeft.
Men kan echter dit vers ook opvatten in de zin, dat God ons bereid heeft tot goede werken, in overeenstemming met 2 Tim. 3:17 en Titus 3:1.
Ef. 2:11 Volken... « in het vlees » . Met het oog op het vlees, van de aardse dingen, was er tot nu toe (einde Hand.) een groot verschil tussen Israël en de volken. « In het vlees » was Israël Gods volk. Doch buiten de natuurlijke dingen was er reeds vroeger geen onderscheid (Gal. 3:27-29).
Nu echter alle aardse dingen voor een tijd wegvallen, zal er ook in geen enkel opzicht meer enig verschil zijn tussen de leden der Gemeente.
Ef. 2:12-14 « Zonder Christus » is beter « gescheiden van Christus ». Zij hadden geen gemeenschap met de Messias, zoals Gods volk ze had.
Hier wordt met nadruk gewezen op de positie der volken, zelfs der gelovigen uit de volken, tot op het einde van de tijd der Handelingen. Zij staan in scherp contrast met Israël. Zonder Messias, vervreemd van het burgerschap Israëls, vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld. Wel hadden ze reeds deel aan de zegeningen, doch dit waren kruimels die de hondekens werden toegeworpen (Mat. 15:27). De volken waren wel « zonder Christus (Messias) », maar niet zonder Heere (Hand. 10:36). Men herinnert zich ook, dat de volken niet « tot Christus » gedoopt werden (Joh. 1:25, noot).
De gelovigen uit de volken hadden nooit toegang tot het deel van de tempel, dat niet voor hen was ingericht. Zie b.v. Hand. 21:28. Tot het einde der Hand. bleef er aldus een scheidsmuur tussen de gelovige Joden en de gelovigen uit de volken, een muur die ook stoffelijk voorgesteld was in de tempel. Nu echter is deze muur verbroken en staan alle leden der gemeente ten opzichte van God, en ook in het « vlees », op volkomen denzelfden voet.
Het gaat in deze verzen niet over de behoudenis, maar over het feit, dat de gelovigen uit de volken, die vroeger, al waren zij behouden, in het « vlees » verre waren, nu nabij geworden zijn. Men bemerkt wederom, dat hetgeen de Gemeente kenmerkt, niet met Pinksteren begon, doch wel na het einde der Handelingen (Hand. 28:28). Dit nabij worden was ook gegrond op het bloed van Christus, doch begon niet onmiddellijk na het kruis. Gedurende een 30-tal jaren was Israël nog Gods volk en volgden de Christenen uit Israël zorgvuldig de wet.
Nu had voor geen der leden der Gemeente de tempel nog een betekenis. De gelovigen uit Israël hadden er niets meer te doen. Hun plaats was, met die uit de volken, in de waren tabernakel, in de opperhemelse gewesten. De Tempel werd dan ook kort daarop verwoest. Deze toestand is echter tijdelijk. Na de Gemeente, komt de vorige toestand met Tempel en offeranden terug, tot het Koninkrijk aan God wordt overgegeven (1 Kor. 15:24-28).
« In de wereld« (vers 12) is in contrast met « in de opperhemelse » gewesten (Ef. 2:6).
Ef. 2:15 Terwijl vóór Hand. 28 de Christen-Joden nog getrouw alle inzettingen volgden, alhoewel in een nieuwe geest, zijn deze inzettingen in dezen tijd TE NIET gedaan. Nu zijn er geen offers, geen Tempel meer, geen scheiding tussen een uitverkoren volk en andere volken. « Die twee » (Joden en Volken) worden nu in Christus tot een nieuwe mens geschapen. « Nieuw » is de vertaling van « kainos » d.i. nieuw van aard, iets dat verschilt van het vroegere (zie b.v. Mat. 26:29 — wijn van een anderen aard; Mark. 1:27 — leer; Luk. 22:20 — verbond; 2 Kor. 5:17 — schep sel; 2 Pet. 3:13 — hemel en aarde, enz.). De Gemeente is een nieuwe schepping, een nieuwe mens, maar ook elk lid is een nieuwe schepping en mens (Ef. 4:24). Zie ook het verband tussen Christus en de « nieuwe mens » uit Rom. 13:14 en Ef. 4:24.
Ef. 2:16 « Verzoenen » is de vertaling van « apokatallassoo », dat nog alleen voorkomt in Kol. 1:20, 21 en verder gaat dan « katallassoo » d.i. de verzoening zoals ze vóór de Gemeente bestond (Rom. 5:10; 1 Kor. 7:11; 2 Kor. 5:18, 19, 20). Nu reeds heeft de Gemeente deel aan die volledige verzoening.
Katallassoo betreft alle mensenkinderen (1 Kor. 15:22) en staat in verband met de dood van Christus.
Apokatallassoo betreft sommigen en staat meer in verband met het bloed (Ef. 2:13) en het kruis (Ef. 2:16) .
Wij kunnen echter hierover niet verder uitwijden en herinneren er aan, dat deze studie noodzakelijk zeer onvolledig is in verschillende opzichten, die beter afzonderlijk behandeld worden.
Ef. 2:19 De gelovigen uit de volken staan niet meer in de tweede plaats. Zij zijn nu huisgenoten Gods en medeburgers der heiligen (d. i. te zamen burgers der heilige plaatsen of gewesten van Ef. 2:6; Fil. 3:20; « der heiligen » is de vertaling van « ton hagiôn », dat denzelfden vorm heeft in het mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. De tekst waar het gebruikt is moet beslissen. Hier is het veeleer de hemel dan de heilige personen. De ene opvatting sluit overigens de andere niet uit). De volken zijn niet BIJ Israël gevoegd. Vroeger hadden de gelovige Israëlieten evenmin plaats in de « opperhemelse » als de gelovigen uit de volken. Zie ook Ef. 3:6.
Ef. 2:20 Het fundament der Gemeente is gelegd door de apostelen en profeten (men weet dat profeten mensen zijn die Gods woord spreken; hier zijn vooral de N. T. profeten aangeduid). Dit fundament vinden wij b.v. in de brief aan de Romeinen: de rechtvaardiging uit het geloof, door genade.
Ef. 2:22 « Mede gebouwd » komt evenals « mede gezet » (vers 6) nergens anders voor. Voor nieuwe dingen heeft men nieuwe woorden nodig. Volledige gelijkheid wordt hier uitgedrukt.
Ef. 3:2-9 « Bedeling » is de vertaling van « oikonomia », dat nog voorkomt in Luk. 16:2, 3, 4 (rentmeesterschap); 1 Kor. 9:17 (uitdeling); Ef. 1:10; 3:2, 9 (gemeenschap); Kol. 1:25. Zoals Petrus het rentmeesterschap had betreffende het koninkrijk op aarde (Mat. 16:19), heeft Paulus, en hij alleen, dat betreffende de genade Gods, en in het bijzonder de Gemeente. Zie ook vers 9 en Kol. 1:24-26. Buiten deze laatste brieven van Paulus moeten wij dan ook niet zoeken naar deze verborgen bedeling.
In vers 5 is « eeuwen » eigenlijk « geslachten », zoals in Kol. 1:26.
Het is nodig hier onderscheid te maken tussen de verborgenheid en de meer algemene « verborgenheid van Christus ». De verzen 4 en 5 zeggen: « Mijne wetenschap in deze (de) verborgenheid van Christus, welke in andere geslachten de kinderen der mensen niet is bekend gemaakt gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijne heilige Apostelen en Profeten ». Daarentegen zeggen de verzen 8 en 9: « mij... is deze genade gegeven, om... allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap (de beste handschriften lezen « bedeling » ) der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God ».
Die teksten spreken elkander tegen, tenzij men onderscheidt tussen: 1° Hetgeen vroeger min of meer bekend was, en nu vollediger geopenbaard was aan de Apostelen en Profeten, en waarvan ook Paulus op de hoogte was; 2° Hetgeen vroeger nooit bekend was, maar verborgen in God en nu alleen aan Paulus geopenbaard was (en door middel van hem aan de gelovigen). Van deze grote verborgenheid spreekt ook b.v. Kol. 1:25, 26:
« Welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeling van God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het woord Gods, namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van (alle) eeuwen en van (alle) geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijne heiligen ».
Van Christus (afgezien van de Gemeente) was vroeger nog heel wat verborgen, dat nu ook in de N. T. geschriften werd geopenbaard (zie b.v. Fil. 2:9-11; Kol. 1:16-18). Wij hebben in het begin dezer studie de geleidelijke openbaring van de « verborgenheid van Christus » gevolgd en gezien hoe God ook tegenover Satan aldus Zijn plan tot herstel der aarde bekend maakte. Gods Woord heeft ons aldus gevoerd van de belofte van het zaad tot het plaats nemen van Christus in de opperhemelse gewesten. Jes. 53 en Ps. 22 waren onder meer ook duidelijke wenken aangaande de verborgenheid van het lijden van de Messias. De volledige openbaring der verborgenheid van Christus vinden wij in het boek der « Openbaring van Jezus Christus ».
Van de grote verborgenheid (Ef. 5:32) werd echter nooit een woord, zelfs niet in de vorm van een type, gezegd en deze was nooit, zelfs ten dele bekend. De verzen 4 en 5 zijn klaarblijkelijk een tussenzin, zoals Paulus ze zo dikwijls gebruikt. Men weet overigens dat « namelijk », waarmede vers 6 begint in de Statenvertaling, niet in de grondtekst staat. De « verborgenheid van Christus » is een algemene uitdrukking, die de grote verborgenheid in zich kan sluiten en om deze laatste in het volle licht te stellen was het nodig, dat ook Paulus eerst de onnaspeurlijke rijkdom van Christus verkondigde (vers 8).
De verzen 8 en 9 doen de tweezijdige roeping van Paulus ook uitkomen: 1° Onder de volken de onnaspeurlijke rijkdom van Christus verkondigen (dit gedurende de tijd der Handelingen en het betreft de « verborgenheid van Christus » ) en 2° Onder ALLEN (Joden en Volken) te tonen, wat de bedeling der verborgenheid is (na de tijd der Handelingen en het betreft de grote verborgenheid).
Vers 6 zegt, waarin de grote verborgenheid bestaat: mede-erfgenamen, leden van een samengevoegd lichaam (sussômos, dat nergens anders gebruikt is, en de Gemeente kenmerkt), mededeelgenoten der belofte in Christus door het evangelie, dat aan Paulus gegeven was (vers 7). Het betreft hier de bijeenvoeging der gelovigen; niet de bijeenvoeging van de volken en de Joden, nog veel minder het voegen van de volken bij de Joden. Deze laatste hebben als zodanig tijdelijk opgehouden te bestaan; de olijfboom is uitgehouwen. Israël wordt gerangschikt onder de volken. Alle gelovigen, leden der Gemeente, worden alzoo op drievoudige wijze samengevoegd. Dit is dus geheel verschillend van de inenting der volken op de « boom » Israël (Rom. 11).
De woorden « door de geest » (letterlijk: « in geest » ) van vers 5, behoren eigenlijk tot vers 6. In geest zijn de volken... Men herinnert zich Ef. 2:11, dat zegt, dat zij « in het vlees » niets waren.
De « belofte », waarvan hier gesproken wordt, betreft het leven in Christus. Zie Titus 1:2, 3 en 2 Tim. 1:1. Zij waren « vreemdelingen van de verbonden der belofte » (Ef. 2:12), ook het nieuwe verbond was niet met hen, maar met het huis van Israël en Juda gesloten. Maar de belofte die hier vermeld is, werd gedaan voor de tijden der eeuwen. Dit alles kwam door het evangelie, waarvan Paulus een dienaar was. Ook hetgeen hij gedurende de tijd der Handelingen leerde, was echter voor hen van grote waarde.
Ef. 3:10 Toen het tot op het einde der Handelingen bleek, dat Israël zich beslist niet van Satan tot God wou keren, scheen er een belemmering te komen in het uitvoeren van Gods raad. Nu kon ook het koninkrijk niet beginnen, alhoewel alles bereid was van Gods kant. Wat zou er nu geschieden ? Niet alleen de gelovigen zullen zich dit afgevraagd hebben, doch ook Gods schepselen in de hemel. En toen kwam door middel van Paulus de openbaring van Gods grootste genade en wijsheid. De schepping der Gemeente was het antwoord en door deze zou Hij nu aan alle wezens Zijn voornemen bekend maken. Het door mensen misprezen lid der Gemeente is medegetuige voor die Overheden en Machten, laat hij dit toch geen ogenblik vergeten. De Gemeente heeft haar taak in het herstel der hemelse gewesten en is niet zozeer, als Israël, het « zout der aarde ».
Ef. 3:11 « Eeuwig voornemen » is letterlijk « voornemen der aionen ». Voor aioon » hebben wij gewoonlijk « eeuw » gebruikt. Voor « dat », leze men « die ». Zie Heb. 1:2, waar « wereld » eigenlijk « eeuwen » is. Ook de bedeling der Gemeente lag in Gods plan opgesloten. Men weet dat « voornemen » in verband staat met de Gemeente en « raad » met Israël en de aarde (zie Ef. 1:4).
Ef. 3:15 Voor « al het geslacht » lees « alle geslacht » (patria). Een geslacht is een groep schepsels, die van denzelfden « vader » afstammen. Buiten de Gemeente der verborgenheid heeft men vele andere « geslachten »: Israël, de gemeente Gods, « overheden », « machten », « krachten », « heerschappijen » (Ef. 1:21; 3:10) enz. Sommige behoren tot de hemelse gewesten, sommige tot de aarde (Hand. 3:25).
Ef. 4:3 Men kan opmerken dat wij uitgenodigd worden de eenheid te behouden, en niet te maken, zoals nu in de « christelijke » wereld getracht wordt. De geestelijke eenheid die God gemaakt heeft is de Gemeente; die welke de mensen willen maken, is de eenheid, die onder de Antichrist haar eindrol zal spelen.
Ef. 4:4-6 Gedurende de tijd der Handelingen waren er verschillende lichamen, hopen, geloven en doopen (zie Joh. 1:25), doch nu:
| 1. |
Eén lichaam — de Gemeente (Ef. 2:15, 16). |
| 2. |
Eén geest — de nieuwe mens (zie b.v. Ef. 4:24). |
| 3. |
Eén hoop — de verandering van ons lichaam (Fil. 3:21), de openbaring met Hem in heerlijkheid (Kol. 3:4). |
| 4. |
Eén Heere — het Hoofd. |
| 5. |
Eén geloof — d.i. wat wij te geloven hebben, b.v. « mede gezet in de hemel ». |
| 6. |
Eén doop — de geestelijke doop. (Zie Ef. 1:13, 14). |
| 7. |
Eén God en Vader — tot Wien de « beiden » in één lichaam verzoend zijn (Ef. 2:16). |
Men ziet het verband tussen 1 en 7, 2 en 6, 3 en 5. De Heere staat natuurlijk in het midden. De éne doop sluit de waterdoop uit de bedeling der Gemeente (zoals het ook het geval is met alle andere inzettingen). De waterdoop, door de verdeeldheid en strijd die hij zaait, voortkomende uit de onmogelijkheid iets uit een andere bedeling in de tegenwoordige te doen passen, is een der faktoren die de gelovigen belet heeft de eenheid te behouden (vers 3). De door de ziel beheerste mens heeft steeds de neiging de vormen te dienen en aan dit uitwendige op zich zelve een waarde te hechten, hetzij nodig geacht tot de behoudenis, hetzij als genademiddel. Het is droevig te zien hoe ernstige gelovigen het water in plaats van de geest zetten. Zie ook Joh. 1 :25 (noot) en Rom. 6:3, 4.
Ef. 4:10 Opgevaren « boven al de hemelen ».
Ef. 4:11, 12 Apostelen, profeten, evangelisten, herders, leraars. Een vergelijking met 1 Kor. 12:28 laat duidelijk zien dat krachten, gaven der gezondmakingen en talen niets met de Gemeente te maken hebben. Hier is het zuiver geloof en er is geen rechtstreekse tussenkomst der engelen, noch zijn er wonderen, die een teken zijn van een komend koninkrijk. Zij, die naar die dingen nu nog trachten, gaan terug naar de pinkstergemeente, nemen hun positie « in de opperhemelse » gewesten niet in en zullen hierin door Satan wel wat geholpen worden.
De apostelen duiden niet de 12 apostelen aan (Hand. 1:13 en 26, die geroepen waren gedurende de aardse bediening van de Heere Jezus Christus), maar de apostelen na de opstanding geroepen (zie vers 8). Tot deze behoorden: Paulus en Barnabas (Hand. 14:14); Apollos (1 Kor. 4:6-9); Silvanus en Timotheus (1 Thes. 1:1 en 2:6); Andronicus en Junias (Rom. 16:7). Met deze apostelen werden de profeten van het N. T. door God gebruikt om de Gemeente op te bouwen (zie ook Ef. 2:21). Nadat ook voor de gelovigen uit de volken de hoop van het koninkrijk voor goed verdwenen was (einde Hand.) en er nu een nieuw lichaam geschapen werd, was het natuurlijk nodig dat sommigen in het bijzonder door God gelast werden de gelovigen te wijzen op dit nieuwe bewijs der genade Gods en de geheel bijzondere positie waarin zij nu geplaatst waren.
« Volmaking » is niet de vertaling van « teleoo », dat zou gebruikt zijn, als er gesproken werd over het brengen ener vroegere « gemeente » tot een meer volmaakten staat. Het is hier « katartismon » (opnieuw toebereiden).
Evenmin als er opvolgers kunnen zijn van de 12 apostelen, is dit het geval met de apostelen en profeten, die het fundament der Gemeente waren (Ef. 2:20).
De tegenwoordige werktuigen in Gods dienst zijn de « evangelisten, herders, leraars ». Zie ook 2 Kor. 12:12. In zijn laatsten brief, noemt Paulus Timotheus dan ook « evangelist » (2 Tim. 4:5). Zie ook 2 Tim. 2:2 « leraar ».
Het ligt voor de hand te veronderstellen, dat voornamelijk, of alleen, zij die min of meer bewust zijn van de bedeling waarin ze leven, kunnen gebruikt worden tot volmaking der heiligen.
Het is verder bijna onvermijdelijk de Gemeente te beschouwen als een uitverkiezing van tussen de uitverkiezing der gelovigen in het algemeen, m. a. w. alle gelovigen van onzen tijd behoren niet noodzakelijk tot de Gemeente en zullen niet vóór de verdrukking uit de doden opstaan. Wie er wel, en wie er niet toe behoort is niet aan ons uit te maken. Er is ook niet meer verdienste (d.w.z. er is er absoluut geen) tot de Gemeente te behoren, als er niet bij te behoren. Van ons wordt overigens vrede gevraagd met allen, die de Heere aanroepen uit een rein hart (2 Tim. 2:22), al zijn wij het niet in alles met hen eens en behoren wij misschien tot een anderen groep gelovigen.
Het is bekend dat zij, die geen onderscheid maken tussen de pinkstergemeente, de Gemeente der verborgenheid en andere gemeenten, niet beslist kunnen uitmaken of wat zij « gemeente » noemen wel of niet door de verdrukking gaat (zie b.v. Mat. 24). De oplossing is heel eenvoudig: de Gemeente gaat niet door de verdrukking, de andere gelovigen, die b.v. de gemeenten van Op. 1-3 vormen, gaan wel door de verdrukking. Voor deze laatste zullen de brieven aan de Thes., en die van Jak., Pet. en Joh. heel in het bijzonder toepasselijk zijn. Jak. en Pet. zijn overigens gericht tot de 12 stammen, die in de verstrooiïng zijn (Zie ook Gal. 2 :9). Israël zal dan inderdaad weer op de voorgrond komen en gedurende het koninkrijk heel de wereld « evangeliseren ».
Ef. 4:13 « Kennis van de Zoon Gods ». Zie ook Kol. 1:9, 10; 2:2. Kennis is de vertaling van « epignoosis » dat is de volle, ware kennis, die wij nu alleen hebben, door te geloven wat God ons zegt en niet door wat wij door middel onzer zinnen menen te « weten ». Het is ook niet wat wij denken of menen. De overlevering is de vijand der ware kennis.
« Allen... tot een volkomen man ». In Ef. 2:15 werd de Gemeente een « mens » genoemd (« anthroopos »), hier een « man » (« aneer »), dat is een volwassen persoon van het mannelijk geslacht. Men lette er op dat de Gemeente nooit « vrouw » of « bruid » genoemd wordt.
Ef. 4:17 « Andere Heidenen ». Het woord « andere » staat niet in de beste teksten. De leden der Gemeente worden nooit meer Heidenen (of volken) of Joden genoemd. Wel wordt gezegd, dat zij eertijds Heidenen waren, b.v. in Ef. 2:11.
Ef. 3:1 zegt « van de Heidenen » (toon ethnoon), niet « die Heidenen zijt ». Zij kwamen er uit, maar behoorden er niet meer bij.
Ef. 4:22-24 Het afleggen van de ouden mens en het aandoen van de nieuwe mens is zowel toepasselijk op de leden der Gemeente, als op de andere gelovigen. Allen hebben inderdaad nog hun vernederd lichaam. Zie Rom. 13:14 en Kol. 3:1-17. Nu is onze geest, ons gemoed reeds vernieuwd, later ook ons lichaam.
Ef. 4:30 De dag der verlossing, als ons vernederd lichaam zal veranderd worden. Zie Ef. 1:13, 14.
Ef. 4:32 « Vergevende elkander, gelijkerwijze ook God in Christus ulieden vergeven heeft ». Zie kontrast met Mat. 6:12.
Ef. 5:2 Hier wordt een liefde gevraagd, zoals die van Christus; dit is meer dan de liefde tot de evennaaste van de vroegere bedeling.
Ef. 5:3-8 Verzen 3, 4, 7, 8 betreffen de leden der Gemeente, verzen 5 en 6 betreffen de kinderen (letterlijk « zonen ») der ongehoorzaamheid. De « ongehoorzaamheid » is een der kenmerken van Satan en men kan hier heel wel lezen: « zonen van Satan ». Het zijn zij, die het koninkrijk van Christus en van God niet ingaan. Aan de leden der Gemeente wordt niet gezegd dit alles niet te doen, maar dat het zelfs niet genoemd zou worden. Men bemerkt het onderscheid met Gal. 5:16-21, waar staat: « volbrengt de begeerlijkheid des vleeses niet » (zie ook 1 Kor. 6:9, 10). Vóór de tijd der Gemeente besliste de levenswijze, als uiting van de neiging des harten, over het wel of niet ingaan in het koninkrijk op aarde; een zifting zou plaats grijpen tussen de zonen Gods en de zonen des duivels. De leden der Gemeente worden echter uitgenodigd over die dingen zelfs niet te spreken (zie ook vers 12), of hun medegenoten te zijn en de schijn te hebben er zelf iets mee te maken te hebben. Bij hen gaat het niet over het beërven van het koninkrijk. Zij zijn in de opperhemelse gewesten, zij zijn licht (niet alleen in het licht) en moeten als kinderen des lichts wandelen. Dit kunnen zij alleen dan, als zij bewust zijn van hun positie en hier ziet men weer het belang van een zorgvuldig onderzoek der Schriften.
Ef. 5:18 « Wordt vervuld met de Geest ». « En Pneumati » staat in de datief en duidt alzo aan, niet hetgeen waarmede wij vervuld worden, maar de Vuller. Men kan dus vertalen: « wordt vervuld door de Geest ». Wij moeten vervuld worden met de gaven (liefde, geloof, kracht, en hier in het bijzonder: spreken, zingen, danken over alle dingen, elkander onderdanig) van de Gever d.i. de Heilige Geest. Zie Kol. 3:16 en Ef. 3:19. De hoofdzaak is dat het « woord van Christus » in ons wone, het overige is meer een gevolg. In Hand. 2:4; 4:31 is het « vervuld met heiligen geest » d.i. met « kracht uit de hoogte » en heeft meer betrekking op talen enz.
Ef. 5:22-33 De nauwe gemeenschap tussen Christus en de Gemeente wordt als voorbeeld genomen van de verhouding, die er zou moeten bestaan tussen man en vrouw. Niets laat ons toe de zaak om te keren en te zeggen, dat zoals de vrouw met de man gehuwd is, de Gemeente de vrouw van Christus is. En nog veel minder dat zij de « bruid » is. Want Gods Woord is niet slordig in het gebruik van woorden, en « bruid » wordt, strikt genomen, alleen gebruikt voor een ondertrouwde maagd gedurende de huwelijksplechtigheid. Christus-Jehova wacht op een bruid, doch het is niet de Gemeente, maar Israël. « Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (d.i. wachten)... en Ik ook na u » (Hos. 3:3). Israël wordt voortdurend als de vrouw van Jehova aangeduid (b.v. Jes. 54:5-7; Jer. 3:14; 31:32; Hos. 2:15), een vrouw die « verlaten » is, de « huisvrouw der jeugd », « versmaad », « voor een kleinen ogenblik verlaten », maar: « te dien dage » zal Israël de Heere « Mijn Man » noemen. Die vrouw vinden wij terug in Op. 19:7 op de bewuste « dag » als de bruiloft des Lams gekomen is. Er wordt nooit gesproken over de bruid van Christus, maar over de bruid des Lams. In Op. 21:9 is het huwelijk voltrokken en de bruid nu ook vrouw genoemd. Er is geen moeilijkheid in het feit, dat Israël reeds vroeger « getrouwd » is en « vrouw » heet, terwijl de bruiloft toch nog in de toekomst ligt. Israël was namelijk slechts « ondertrouwd » (Jer. 2:2) en uit Deut. 22:23, 24 en Mat. 1:18, 20 zien wij dat een ondertrouwde maagd ook wettelijk « vrouw » genoemd werd. Israëls bruiloft heeft plaats gedurende het koninkrijk op aarde, en dan zal het letterlijk de « bruid » zijn volgens de strikte betekenis van het woord (zie ook Jes. 62:4, 5). Nu is er geen bruiloft en kan noch Israël, noch de Gemeente de bruid zijn. Als de Messias zich aan Israël aankondigt, noemt Hij zich de Bruidegom (Mat. 9:15) en toen het koninkrijk nog door de apostelen aangekondigd werd, zei Paulus tot de gelovigen, dat hij ze als een reine maagd aan een man, namelijk Christus, zou voorstellen (2 Kor. 11:2). In de gelijkenis van Mat. 22, betreffende het koninkrijk der hemelen, vinden wij ook die bruiloft beschreven.
Het huwelijk is een aardse zaak en kan wel een beeld zijn in betrekking met Israël, maar past niet als men de opperhemelse positie der Gemeente in het oog houdt.
Ef. 5:28 zegt, dat de mannen schuldig zijn hun eigen vrouw lief te hebben gelijk hun eigen lichamen, beiden zijn wel één vlees, maar niet één lichaam. Men kan niet zeggen dat de vrouw het lichaam van de man is, zoals de Gemeente het lichaam van Christus is. Al zijn man en vrouw tot één vlees, beide lichamen zijn volmaakt op zichzelve. De man blijft een volkomen man zonder de vrouw, b.v. na de dood der vrouw; doch de Gemeente (het lichaam) is niets zonder Christus (het Hoofd). De eenheid van man en vrouw is geen verborgenheid, deze was gekend van af Gen. 2:24; de eenheid van Christus en de Gemeente is de grote verborgenheid.
Ef. 6:1-3 Is een aanhaling van Ex. 20:12. Een wenk voor de opvoeding der kinderen. Zij moeten gehoorzamen omdat het « recht » is. Men moet hen geen uitvoerige en voor hen dikwijls onverstaanbare redenen opgeven. Zij staan meer op een « wettisch » standpunt, dan op een van genade. Het gebod wordt in herinnering gebracht, al is de belofte, die er aan verbonden is, niet noodzakelijk geldig in onze bedeling.
Ef. 6:10 « Wordt krachtig » lees « wees bekrachtigd », dat is: neem kracht aan van de Gever, wordt vervuld door de Heiligen Geest.
Ef. 6:11-17 De strijd waartoe de gehele wapenrusting Gods moet aangedaan worden, is niet die tegen de zonde (wij zijn der zonde gestorven, Rom. 6; wij « leggen af » de ouden mens en « doen aan » de nieuwe mens Ef. 4:22-24). Het is hier een strijd, waar wij als wapen het « zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord » gebruiken. Het betreft hier het geloof, de kennis, het niet « omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen » (Ef. 4:13, 14). « Listiglijk » is de vertaling van « methodeia », dat nog alleen gebruikt wordt in Ef. 6:11 in verband met Satan. « Dwaling » is geen vergissing, maar DE dwaling, het satanisch stelsel dat zich stelt tegenover Gods Woord, al beweert het misschien zich erop te steunen. Nu wordt dit zwaard (Gods Woord) door Satan uit de handen der mensen gerukt door middel b. v. der overlevering, der moderne kritiek, der leringen van demonen. Satans invloed en werk moet men meer in de theologische scholen en kansels zoeken dan in de herbergen enz. Satan wil geen wereld van dronkaards en dieven, maar een beschaafde, uiterlijk volmaakte wereld zonder de levenden God der Schriften, zonder Christus en zonder Gods Woord.
« In de lucht » is « in de opperhemelse » (gewesten) waar ons burgerschap, maar ook onze strijd is.
Het evangelie des vredes. Zie vers 23 (noot).
Ef. 6:19, 20 Paulus zelf had het gebed zijner medeleden nodig om met vrijmoedigheid de grote verborgenheid bekend te maken. Het is Satan gelukt bijna 2000 jaar die bekendmaking te onderdrukken, zodat dit nu als iets nieuws voorkomt. Als hij het zwaard niet kan wegnemen, maakt hij het stomp, door ons arglistiglijk te doen geloven, dat wij in de bedeling der Wet, der pinkstergemeente, van het koninkrijk of van een verschrikkelijk mengsel van al deze leven, zodat wij niet, zoals het behoort, de heerlijkheid Zijner genade kunnen prijzen.
Verborgenheid is hier waarschijnlijk in de algemene zin gebruikt (zie Ef. 3:2-9; Kol. 4:3).
Ef. 6:23 « Vrede » wordt 8 maal in dezen brief gebruikt en wel als volgt (volgens « The Berean Expositor » bl. 178 Vol. X):
A1 |
 |
1:2 Groet: « vrede zij u ». |
 |
B1 |
 |
2:14 De Heer (het hoofd); « Hij is onze vrede ». |
 |
C1 |
 |
2:15 Een nieuw mens; « vrede makende ». |
 |
D1 |
 |
2:17 Tot hen die verre zijn « vrede verkondigd ». |
 |
D2 |
 |
2:17 Tot hen die nabij waren « vrede » verkondigd » (volgens de beste handschriften komt « vrede » tweemaal voor in vers 17). |
 |
C2 |
 |
4:3 Geestelijke eenheid; « band des vredes ». |
 |
B2 |
 |
6:15 De voeten; « Evangelie des vredes ». |
A2 |
 |
6:23 Zegening; « vrede zij de broederen ». |
« Vrede » heeft voor de Gemeente nog een diepere zin dan dien van Rom. 5:1 b.v. Het is niet alleen de vrede die volgt op de rechtvaardigmaking, maar die voortspruit uit de door God gemaakte eenheid.
F i l i p p e n s e n Top
Fil. 1:9, 10 Voor « erkentenis » lees « kennis » (epignoosis. Ef. 4:13; Kol. 1:9, 10; 2:2). Dit betreft in de eerste plaats Gods Woord. « Daarvan » is door de vertalers ten onrechte bijgevoegd, men leze: « opdat gij beproeft de dingen, die verschillen ». Dit komt overeen met 2 Tim. 2:15 « die het woord der waarheid recht snijdt ». Hij, die de waarheid oprecht lief heeft, ten koste van alle overlevering, zal het nodige inzicht krijgen om in Gods Woord de dingen te beproeven en als ze verschillen ze niet te mengen, doch het woord recht te verdelen. Laat ons denken aan de verwarring gesticht door het mengen van de bedelingen, de gemeenten, de Wet en de genade, de blijde boodschappen, de dopen, de opstandingen, de oordelen, Geest en geest, de positie en de wandel, de rechtvaardiging en het genadeloon, de verdelingen van Gods Woord, de uitleg en de toepassing van teksten enz.
Fil. 1:26 en 2:12 « Tegenwoordigheid » is de vertaling van « parousia » en nergens anders gebruikt in Ef. Fil. Kol.
Fil. 2:6 « Gestaltenis » (morphee) goed te onderscheiden van « gedaante » (eidos) in joh. 5:37 b.v. en van « gedaante » (scheema) als in Fil. 2:8.
Fil. 2:12, 13 « Werkt » is zoals « verricht » (Ef. 6:13), « bedrijvende » (Rom. 1:27) enz. letterlijk « uitwerken », d. i. hier door de kracht waarmede God in ons werkt (vers 13) doen, wat in overeenstemming is met onze positie. Het is natuurlijk niet gericht tot ongelovigen als middel om behouden te worden, maar tot leden der Gemeente, om onberispelijk te zijn (vers 15).
Fil. 2:20, 21 « Want ik heb niemand, die even alzo gemoed is... want zij zoeken allen het hunne ». Reeds toen was de toestand niet schitterend bij de gelovigen, vooral sinds de openbaring der grote verborgenheid: maar later zou het nog erger worden: « gij weet dat allen, die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben » (2 Tim. 1:15), « alzo staan ook deze de waarheid tegen » (2 Tim. 3:8), « allen hebben mij verlaten » (2 Tim. 4:16). En in de toekomst zou die toestand nog verergeren: « want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen en hun woord zal voort eten gelijk de kanker » (2 Tim. 2:16, 17), « en zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen » (2 Tim. 4:4). Dit is de geschiedenis van het « christendom » en moet ons tot grote voorzichtigheid aanzetten ten opzichte van al hetgeen van mensen komt, al leefden zij in de eerste eeuwen. Juist in verband met die toestanden zegt Paulus het Woord der waarheid recht te snijden (2 Tim. 2:15) en dat alle Schrift van God ingegeven is (2 Tim. 3:16). Terwijl Ef. Fil. Kol. aanduiden dat de eenheid gedeeltelijk behouden werd, zien wij in 2 Tim. (de laatste brief van Paulus), dat er toen van een uitwendige organisatie niet veel degelijks overbleef. Nu ook is het meer de tijd van individuele getuigenis (2 Tim. 2:2;
4:2), dan van een machtige « kerk ». In 2 Tim. is er ook nooit sprake van mede-arbeiders, mede-strijders enz., zoals dat nog het geval was in Kol. b. v.
Fil. 2:27 Paulus, die vroeger de kranken genas, zelfs met de eenvoudige aanraking van zweet- en gordeldoeken (Hand. 19:12), geneest zijn medearbeider Epafroditus niet, al is deze doodziek. Zoo ook met Trofimus (2 Tim. 4:20). De tijd, waar die krachten de regel waren, als teken van het nabijzijn van het koninkrijk, was voorbij. Dit wil niet zeggen dat er nu nooit « geloofsgenezingen » zijn.
Fil. 3:2, 3 « Versnijding ». De besnijdenis der Joden wordt nu door Paulus op gelijke lijn gesteld met hetgeen de volken deden en nu nog doen (zie Lev. 21:5; 1 Kon. 18:28). De gelovigen zijn de ware besnijdenis. Alle vormen hebben nu opgehouden. Zelfs gelovige Joden moesten zich nu niet meer laten besnijden. Zie Rom. 2:25-29 en Gal. 5:6. De ware betekenis der besnijding was dat men niet in het vlees betrouwde of door het vlees tot volmaking trachtte te komen (zie Gen. 17:1, waar « oprecht » dezelfde betekenis als « volmaakt » heeft). Alle leden der Gemeente zijn zowel besneden als gedoopt, niet uiterlijk, maar inwendig, in waarheid. Zie Kol. 2 :12, 13 en Joh. 1:25.
Fil. 3:8-10 « Opdat ik Christus moge gewinnen en in Hem gevonden worde... opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding... Zijnen dood gelijkvormig wordende », zie ook vers 21 « die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam ». Gemeenschap in dood, opstanding doch ook in het lijden: zie 2 Kor. 1:5-7; Kol. 1:24; 1 Pet. 4:13.
Fil. 3:11-14 « Wederopstanding der doden » lees « uitopstanding, die uit de doden » (tèn exanastasin tèn ek nekroon). Is nergens anders gebruikt. Het is niet de opstanding in het algemeen (anastasis nekroon), niet de « opstanding van tussen de doden » (anastasis tèn ek nekroon), waar sommigen nog dood blijven, en die in 1 Kor. 15 en 1 Thes. 4 is aangegeven, maar een opstanding die deze beide voorafgaat en de leden der Gemeente betreft. Van deze wordt niet gezegd, dat zij levend zullen veranderd worden, maar wel, dat zij de dood van Christus gelijkvormig kunnen worden (summorphoomai, alleen hier gebruikt).
De gelijkvormigheid aan de dood van Christus houdt in: 1° sterven in versmaadheid en liefde (Ef. 5:2); 2° het lichaam drie dagen in het graf; 3° de opstanding vóór die van de andere gelovigen d.i. de « uitopstanding, die uit de doden ».
Deze bijzondere opstanding is voorbehouden aan sommigen en schijnt af te hangen van hun geloof en wandel; zij maakt ook waarschijnlijk deel uit van de prijs, naar welken de gemeenteleden uitgenodigd worden te jagen. Juist zoals Mozes niet in het beloofde land kwam, niettegenstaande hij behouden was en een merkwaardig instrument was geweest in Gods handen, konden ook sommige leden, zelfs Paulus, geen deel hebben aan die opstanding. Men kan dan ook niet tegenwerpen, dat als Paulus zelf niet verzekerd was tot die opstanding te komen, wij dit zeker niet voor ons mogen verwachten. Het is een feit dat ieder verantwoordelijk is naarmate van hetgeen hem gegeven is. Men herinnert zich de gelijkenis der talenten van Mat. 25. Zie verder Ef. 4:7 en Rom. 12:6.
Intussen beweert Paulus niet volmaakt te zijn, maar hij wil komen tot dien wandel, waartoe hij door Christus gegrepen is. Daartoe vergeet hij hetgeen achter is (vooral hetgeen andere bedelingen betreft) en strekt zich uit (epekteinomai, hier alleen gebruikt) naar hetgeen vóór is, een wandel volkomen in overeenstemming met de roeping van boven in Christus d. i. met zijn positie in de « opperhemelse » en ondernomen in de « kracht Zijner opstanding ». De beloning uit genade staat in verhouding tot de wandel en Paulus jaagt naar de eersten prijs, het grootste loon, dat hij kan bereiken en dat toegekend wordt als de wandel volledig naar Gods wil is, ten koste van volharding, schade en lijden. Een dergelijk loon wordt door God toegekend, krachtens Zijn gerechtigheid (zie b. v. Heb. 6:10). Al krijgt de gelovige een loon, daarom werkt hij echter natuurlijk niet om het loon.
De « roeping Gods, die van boven is » wordt door sommigen aangezien als duidende op de opname der gemeenteleden. De Griekse tekst schijnt dit echter niet toe te laten.
Fil. 3:15 Voor « gevoelen » en « gevoelt » lees « bedenken », zoals in vers 19, of « in gedachte houden ». Het betreft het « gevoelen » of de « gezindheid » die ook in Christus Jezus was (nl. 2:5).
Fil. 3:17-20 Paulus nodigt ons uit zijn medenavolgers (summimeetai, alleen hier gebruikt) te zijn, dus ook naar een volledige overeenstemming van wandel en positie te jagen, naar de mate van hetgeen ons gegeven is, en te letten op hen, die dit doen, maar niet op hen, die anders wandelen en aardse dingen bedenken in plaats van hemelse. Want ons burgerschap behoort tot de opperhemelse (Ef. 2:6, 19).
Van een navolgen van Christus in het vlees is geen sprake voor wat betreft de gemeenteleden (wel voor Israël, zie 1 Pet. 2:21). In Paulus hebben wij een voorbeeld voor onzen wandel in de tegenwoordige bedeling.
In vers 20 is « hemelen » meervoud en « waaruit » (in het Grieks) enkelvoud en dit laatste woord moet dus betrekking hebben op wandel (of « burgerschap » ). Voor: « is » lees « behoort tot » (huparchei). Wij bevinden ons namelijk in de opperhemelse, daar is ons burgerschap, daar is het centrum van het land waarvan wij burgers zijn (politeuma). Men kan hier denken aan de positie der romeinse burgers. In dit land geplaatst, van hier uit, wachten wij nu met groot verlangen tot de Behouder (Ef. 5:23) des lichaams, op grond van ons burgerschap, ons lichaam zal veranderen. Dit zal geschieden vóór de Hogepriester UIT de hemel komt en vóór Hij gezien wordt door de gelovigen (buiten de Gemeente) die Hem verwachten, zoals dit getypeerd was bij de groten verzoendag (Heb. 9:24-28). Deze gelovigen wachten dus op Hem, buiten de « opperhemelse » zijnde, terwijl de leden der Gemeente van uit de « opperhemelse » wachten. De verandering van hun lichaam geschiedt vóór de verandering van het lichaam der gelovigen in het algemeen, vóór Christus nederkomt tot de lucht en de aarde (de parousia).
De leden der gemeente zullen met Christus heer- schen in de « opperhemelse », niet op aarde.
Men kan opmerken hoe de brief aan de Efeziërs meestal spreekt over de « hoop », waartoe alle leden der Gemeente komen zullen, terwijl de brief aan de Filippiërs vooral spreekt over de « prijs », die alleen aan sommigen ten deel valt, die gestreden en geleden hebben. Van de hoop moeten allen verzekerd zijn, naar de prijs moeten ze allen jagen.
Men bemerkt ook de bijzondere woorden, die in deze enkele verzen gebruikt zijn om dingen uit te drukken, die ook heel bijzonder zijn en waarvan vroeger niet gesproken is, omdat zij de Gemeente der verborgenheid betreffen.
Fil. 3:21 De hoop der Gemeente. Ons lichaam gelijkvormig aan Zijn heerlijk lichaam (of: lichaam Zijner heerlijkheid). Dit gaat verder dan Rom. 8:29, waar hetzelfde woord (summorphos) gebruikt is doch het de gelijkvormigheid betreft aan het beeld (of gelijkenis) des Zoons. Het woord, door beeld vertaald, « eikoon », komt ook voor b.v. in Kol. 3:10 in betrekking met de « nieuwe mens », in 1 Kor. 11:7 waar de man het beeld Gods genoemd wordt, enz. De Zoon als creatuur wordt ook het beeld Gods genoemd (Kol. 1:15), maar anders als God is Hij « evengelijk » (Joh. 5:18; Fil. 2:6).
1 Joh. 3:2 « Als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen », zou kunnen doen denken, dat hetzelfde als Fil. 3:21 bedoeld is voor de gelovigen, die niet tot de Gemeente behoren. Men lette er echter op dat hier het woord « homoioos » gebruikt is, dat niet volledige gelijkheid, maar slechts gelijkenis uitdrukt. Als de volledige gelijkheid bedoeld is, dan gebruikt Gods Woord « isoos », en de statenvertaling gewoonlijk « evengelijk », zoals in Hand. 11:17; Luk. 6:34; Joh. 5:18; Fil. 2:6; Op. 21:16, doch ook soms ten onrechte « gelijk », zoals in Mat. 20:12; Luk. 20:36.
In verband met het vorige is het ook duidelijk dat Luk. 20:36 zegt dat de gelovigen in het algemeen, na de opstanding uit de doden, de engelen volkomen gelijk (isoos) zullen zijn, ten minste voor wat betreft het onsterfelijk en het geslachtsloos zijn. De leden der Gemeente der verborgenheid zullen, daar zij gelijkvormig aan Zijn heerlijk lichaam zullen zijn (en niet slechts aan het beeld), ook zoveel treffelijker zijn dan de engelen (Heb. 1:4). Deze leden zijn overigens medegeplaatst « verre boven alle Overheid, en Macht enz ».
Fil. 4:6 Tot de gelovigen buiten de Gemeente der verborgenheid wordt gezegd: « Werpt al uwe bekommernis op Hem ». (1 Pet. 5:7). De leden der Gemeente moeten zelfs niet eens bekommerd zijn, want hen wordt voorgesteld: « Weest in geen ding bezorgd ».
K o l o s s e n s e n Top
Kol. 1:9, 10 « Kennis » is « epignoosis », de « bovenkennis », die alleen in staat stelt te wandelen waardiglijk de Heere en verkregen wordt door Gods Woord te onderzoeken en te aanvaarden. Velen hebben « gnoosis », zoals de Farizeën, maar geen « epignoosis; zij hebben een ijver tot God, maar niet met verstand (epignoosis, Rom 10:2).
Kol. 1:13 Het koninkrijk van de Zoon Zijner liefde. Dit is het koninkrijk, dat betrekking heeft op de Gemeente. In dit koninkrijk zijn wij overgezet (Ef. 2:6). Zie 2 Tim. 4:18 dat spreekt van « Zijn opperhemels (epouranios) koninkrijk », dat dan ook iets geheel anders is dan het koninkrijk der hemelen.
Kol. 1:18 Christus het Hoofd des lichaams, der Gemeente.
Kol. 1:20 De verzoening (apokatallassoo) van alle dingen (Ef. 2:16).
Kol. 1:22, 23 Onberispelijk en onbeschuldiglijk... indien gij maar blijft in het gegrond en vast geloof en niet bewogen wordt van de hope des Evangelies ». Zie Fil. 3:20, 21. Het betreft het evangelie aan Paulus toevertrouwd (alles aangaande de Gemeente) en in het bijzonder de verandering van ons vernederd lichaam (Fil. 3:21). Door dit geloof en die hoop vast te houden, kan men alleen wandelen in overeenstemming met zijn positie en aldus onberispelijk zijn, als men voor Hem zal staan in het opstandingslichaam.
Kol. 1:24 Ook gemeenschap in het lijden. Zie HL 1:29; 3:10, enz.
Kol. 1:25, 26 Paulus, dienaar der Gemeente, naar het rentmeesterschap door God gegeven, om het Woord Gods te vervullen (volledig te maken, niet omdat het de laatste geschriften zijn, maar omdat hij behalve van de aardse dingen nu ook van de « opperhemelse » spreekt). De openbaringen van Paulus waren het einde van hetgeen Jezus begonnen was te doen en te leren (Hand. 1:1). « De verborgenheid die verborgen is geweest van eeuwen en geslachten, maar nu geopenbaard is ». Hoe wil men dan de Gemeente in het O. T., Evangeliën en Handelingen zoeken? « Verborgen in God » (Ef. 3:9). Die verborgenheid, inhoudende de meest wonderbare en overvloedige uitstorting van Gods genade, kon alleen geopenbaard worden, na de door God voorgekende mislukking met het uitverkoren volk, op het einde der Handelingen. Toen het herstel der aarde voor een tijd onderbroken werd, begon het herstel der hemelse gewesten.
Kol. 2:1, 2 Strijd van Paulus voor de vertroosting en samenvoeging in liefde en de rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot de kennis (epignoosis) der verborgenheid. Nu echter is er soms een neiging het verstand en de kennis tot de tweeden rang te verschuiven en in tegenstelling met het « hart » te plaatsen. Die kennis neemt de gehelen persoon in beslag, zowel verstand als hart. Zie ook Kol. 1:9-11; 3:10; Ef. 1:17, 18; Fil. 1:9, 10; 3:8-10, enz.
In 2 Tim. lezen wij dat die boodschap van Paulus, juist zoals nu, door velen niet aangenomen wordt.
Kol. 2:4, 8 Paulus maakt een contrast tussen hetgeen hij verkondigt aangaande de grote verborgenheid en de leringen der mensen. Sinds dien tijd hebben zo velen zich laten vervoeren en verblinden door de overlevering enz. niettegenstaande al deze waarschuwingen. De « eerste beginselen » d.i. de inzettingen der vroegere bedelingen, worden op gelijken voet gesteld met de « philosophie » en « ijdele verleiding ».
Kol. 2:10 De leden der Gemeente zijn in Christus volmaakt, geheel vol gemaakt. Dit gaat ook weer veel verder dan van Zijn volheid te ontvangen (Joh. 1:16).
Kol. 2:11 De ware besnijdenis. (Fil. 3:2, 3). Men bemerkt ook hier, dat de waterdoop de besnijdenis des vleses niet vervangt. Zie ook Joh. 1:25 noot.
Kol. 2:12, 13 Begraven (Rom. 6:4). In plaats van « in welken gij ook met Hem » lees « in wien gij ook » (Ef. 2:5, 6). Van water is ook hier geen spoor. Als men voor « doop » de uitwendige vorm neemt, zou men dit ook moeten doen met de besnijdenis. (Zie Joh. 1:25).
Vroeger was de uitwendige besnijdenis een teken van de dood van de ouden mens en de waterdoop een teken van de begrafenis en de opstanding (Rom. 6:1-11).
Lees ook « als gij dood waart voor de misdaden, en voor de voorhuid ». Zie Ef. 2:1.
Kol. 2:14-23 De gelovigen, buiten de Gemeente, (b.v. tot op het einde der Hand. en gedurende het koninkrijk) waren met Christus gestorven en begraven, het handschrift was voor hen weggenomen, zij waren niet meer « onder » de Wet, daar zij van hun gelofte waren vrijgemaakt. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de leden der Gemeente. Voor die gelovigen buiten de Gemeente bestonden echter nog steeds de uitwendige vormen, de inzettingen (zie b.v. Hand. 21:21-26 en Ezech. 40-46). Vóór het koninkrijk was het een schaduw van hetgeen gedurende het koninkrijk zijn volle betekenis zou hebben (vers 17). Doch de gemeenschap van Christus met de leden der Gemeente gaat veel ver. der: ook mede opgewekt en mede levend gemaakt (verzen 12, 13 en Ef. 2:6). Zij zijn in Hem volmaakt (vers 10), zij leven niet meer in de wereld (vers 20), maar in de opperhemelse gewesten. Daar zijn zelfs geen vormen meer (Ef. 2:6, 15). Zij zijn met Christus de eerste beginselen afgestorven (vers 20) en moeten eenvoudig het Hoofd vast houden (vers 19). In de tijd der Gemeente is elke inzetting een gebod en leering van mensen, zonder waarde, tot verzadiging (plesmone, alleen hier gebruikt) van het vlees. Vroeger werd alleen gezegd dat de vormen op zichzelve geen kracht hadden, nu eerst wordt uitdrukkelijk gezegd dat er geen vormen meer zijn voor de leden der Gemeente. De Tempel wordt dan ook kort daarna (jaar 70) verwoest, Israël verspreid en zonder offer (Hos. 3:4). Israël hield op Gods volk te zijn. De Sabbat en alle andere dingen behorende tot Israël (zie b.v. Exod. 31:13) vielen dan vanzelve weg. Na de Gemeente nemen de vormen wederom hun plaats in en de Tempel wordt dan ook hersteld (Mat. 24:15; 2 Thes. 2:4; Op. 11:1, 2). Met de nieuwe hemel en aarde vallen weer alle inzettingen weg (Heb. 9:10; Mat. 5:18).
Uit verzen 16, 20, 21 en 22 zien wij ook, dat zelfs Gods inzettingen op gelijken voet gezet worden met menselijke geboden als zij voor een andere bedeling gegeven waren.
Kol. 3:1-17 Als wij met Christus opgewekt zijn (vers 1) en ons leven met Christus in God verborgen is (vers 3), is er ook een dubbele reden om de oude mens uit te doen (vers 9) en de nieuwe mens aan te doen (vers 10):1° dit gold reeds voor de gelovigen buiten de Gemeente; 2° hoeveel te meer voor hen die deel maken van het éne lichaam (vers 15). Een dubbele stap wordt aangegeven op de volgende wijze: In verzen 9 en 10 wordt het uitdoen van de oude mens en het aandoen van de nieuwe mens verondersteld reeds geschied te zijn. Vers 12 vraagt dan verder aan te doen, hetgeen in Ef. 4:1-6 bijzonder vermeld is in betrekking tot de zevenvoudige eenheid, en verder ook aan te doen de liefde, dat is de band der volmaaktheid (Ef. 4:3), die het middel is om de eenheid te behouden. Van de leden der Gemeente wordt méér verwacht dan van de andere gelovigen, omdat hun méér gegeven is.
Kol. 3:4 De Gemeente met Hem geopenbaard in heerlijkheid voor alle schepselen, bij het begin van het koninkrijk en vóór het nederkomen van de Heere tot de lucht en de aarde. De gelovigen buiten de Gemeente zullen zich dan verheugen, zij ontvangen de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid (1 Pet. 4:13; 5:4), zij zullen Hem gelijk zijn (1 Joh. 3:2, doch zie Fil. 3:21 noot, voor de betekenis van « gelijk » ). De leden der Gemeente hebben dus een opstanding, die plaats heeft vóór de opstanding der andere gelovigen en vóór de parousia.
Kol. 3:10 Men bemerkt het verband tussen de « kennis » (epignoosis), de nieuwe mens en de rechtvaardigheid en heiligheid (Ef. 4:24). Zie ook Kol. 2:1, 2.
Kol. 3:11 « Griek en Jood ». In alle vroegere teksten is de Jood eerst genoemd. Zie Rom. 3:9; 9:24; 10:12; 1 Kor. 1:24; 10:32; 12:13; Gal. 3:28.
Kol. 4:3 « De deur des woords ». « Deur » in dezen zin alleen gebruikt in betrekking tot de algemene boodschap der verzoening, die zich tot de gehele wereld uitstrekt (Hand. 14:27; 1 Kor. 16:9; 2 Kor. 2:12). Daarom was hij ook gebonden geworden (Hand. 22:21) en « de verborgenheid van Christus » is dan ook niet in het bijzonder de verborgenheid der Gemeente (Zie Ef. 3:2-9).
Kol. 4:14 Lukas wordt nog steeds « medicijnmeester » genoemd. In geval hij de mensen niet meer met natuurlijke middelen had genezen, maar door « krachten », had Paulus hem dien naam niet meer gegeven. En zeker niet, had Paulus geleerd, dat de gelovigen geen medicijnen mochten gebruiken of de hulp van een geneesheer inroepen.
samenvatting betreffende de gemeente der verborgenheidn Top
Een nauwkeurig onderzoek der brieven bevestigt alzo wat reeds afgeleid kon worden uit de studie der Evangeliën en der Handelingen. Wij zien dat Paulus een dubbele opdracht had: 1° de verzoening der wereld te verkondigen gedurende een tijd, waar echter de Jood nog de eerste plaats innam en het koninkrijk op aarde nabij was, 2° na de volledige verwerping van dit koninkrijk door geheel Israël, zowel te Jeruzalem, als te Antiochië, Korinthe en Rome, de grote verborgenheid te openbaren. De brieven laten, als men let op de tijd gedurende dewelke zij geschreven zijn, de scheidingslijn zien tussen de pinkstergemeente, die een voorbereiding tot het koninkrijk moest zijn, en de Gemeente der verborgenheid. Beide hebben veel gemeen, in dien zin dat alle gelovigen b.v. door genade gerechtvaardigd zijn, door middel van het geloof en vrijgemaakt zijn van de macht der zonde, enz. Voor allen bestaat er ook een gemeenschap met de dood van Christus en wordt hun voorgehouden de ouden mens af te leggen en de nieuwe mens aan te doen. Maar op dien grond wordt nu de Gemeente opgebouwd, niet als een ontwikkeling van het vroegere, maar als een nieuwe schepping, met heel bijzondere voorrechten. De leden der Gemeente hebben niets te doen met de aarde, noch nu, noch later; hun burgerschap is in de « opperhemelse » gewesten; zij zijn uitverkoren vóór de grondlegging (nederwerping) der wereld; hun gemeenschap met Christus, het Hoofd der Gemeente gaat veel verder en omvat de opwekking en plaatsing in de « opperhemelse » en het « opperhemelse koninkrijk ».
Van af het einde der Handelingen richt God nu Zijn aandacht op het herstel der hemelse gewesten. Tot nu toe was er niets van gezegd, noch geopenbaard. Maar nu zal, op grond van het bloed van de Heere Jezus Christus en Zijn aanwezigheid in de « opperhemelse », ook de verlossing komen tot hen die nooit deel gehad hebben aan de verbonden met Israël, maar die vóór de grondlegging of nederwerping der wereld waren uitverkoren. Het bloed had dus tot gevolg aan de ene zijde het nieuwe verbond met Israël, dat een deel vormde van Gods plan tot herstel der aarde, en aan de andere zijde de schepping der Gemeente, die haar taak zal hebben in het herstel der hemelse gewesten. Een belangrijke conclusie is, dat de Gemeenteleden, alhoewel verlost door het bloed, niets te doen hebben met het nieuwe verbond. Hun zegeningen, hun positie zijn geheel onafhankelijk van dit verbond.
Terwijl dus de verborgenheid van Christus, die vooral betreft het herstel der aarde, vroeger geleidelijk geopenbaard werd, was van de grote verborgenheid, die de Gemeente en het herstel der hemelse gewesten betreft, nooit een woord, zelfs niet in type, geopenbaard. Vóór die grote verborgenheid door Paulus kon geopenbaard worden, moest eerst de verborgenheid van Christus ver genoeg bekend zijn, opdat de mensen en de engelen b.v. zouden weten dat Christus boven alle hemelen had plaats genomen.
Een der bijzonderste kenmerken der Gemeente der verborgenheid, is het voorlopig ter zijde stellen van Israël en het gelijk stellen van alle volken. Met het oog op de ganse profetie is dit iets onvoorziens, iets ongehoords. Nooit was er ook slechts een bedekte heenwijzing naar het feit, dat mensen uit de volken een lichaam zouden vormen, dat geheel onafhankelijk van Israël (als uitverkoren volk) een buitengewone rol zou te vervullen hebben. En ook van de aard dezer opdracht, van de positie der Gemeente was nooit een woord uitgesproken. Het was inderdaad een verborgenheid, die van alle eeuwen en geslachten verborgen was in God. In dezen zin is er dan ook in onzen tijd geen vervulling der profetie. In Ef, Fil, Kol, vinden wij niets meer aangaande het land, de stad, het koninkrijk, de troon, enz. Het gaat niet meer over de zegeningen van Abraham, over de aarde, maar alleen over dingen in de « opperhemelse ». De strijd is niet meer tegen vlees en bloed, tegen aardse geslachten, tegen Enakieten en Refaïeten, maar tegen geestelijke boosheden in de opperhemelse, tegen hemelse geslachten.
Nu spreekt het van zelve dat hier een geheel nieuwe bedeling begint en dat deze ook weer moet eindigen, als de profetie (met de grote verdrukking b.v.) weer in vervulling treedt.
In verband met het vorige, loont het de moeite 1 Pet. 2:9, 10 met aandacht te herlezen. Gewoonlijk worden die verzen op de Gemeente toegepast. Doch alleen Israël zou een « koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk » zijn (Ex. 19:4-6). Gedurende het koninkrijk zouden zij inderdaad tegenover de volken als priesters dienst doen. Alleen Israël was langen tijd « Lo-Ammi » geweest, doch toen Petrus schreef, waren zij « kinderen des levenden Gods » en Zijn volk (Hos. 1:9-11; 2:22). Na de Handelingen zijn ze weer « niet Mijn volk » en de brieven van Petrus zijn weer ten volle van kracht als Israël zich in de toekomst tot God zal bekeren, onder de grote verdrukking.
Gedurende dezen wonderbaren tijd der Gemeente, nu de Joden als Gods volk, terzijde gezet zijn, worden ook alle inzettingen te niet gedaan. Wonderen, krachten als tekenen van het komende koninkrijk, bestaan niet meer; zuiver geloof wordt gevraagd. God heeft zijn vollen rijkdom van genade ten toon gespreid, Gods Woord is door Paulus voleindigd. God zwijgt nu en grijpt niet in tegenover de ongerechtigheid en zonden dezer wereld. Het is de tijd der amnestie, ja meer nog, nu wordt een plaats in de hemelse gewesten aangeboden. Als God weer zal spreken, zal het ten oordeel zijn, namelijk als de ongerechtigheid volkomen is.
De hoge positie der Gemeente heeft ook grote verplichtingen tot gevolg. De leden worden uitgenodigd zich niet alleen voor de zonde dood te houden, maar zelfs niet te spreken over de zonden der kinderen der ongerechtigheid, er zich geheel van afgescheiden te houden. Hun wordt gevraagd een wandel volkomen in overeenstemming met hun positie in de « opperhemelse ». Hun oog moet niet gericht zijn op het koninkrijk en andere aardse heerlijkheden, maar op de dingen die boven zijn (niet de dingen die van boven komen). Zij moeten aan de Overheden en Machten in de hemelse gewesten bekend maken de veelvuldige wijsheid Gods, nadat door de volledige mislukking met Israël, schijnbaar Gods plan aangaande het herstel der aarde door Satan verijdeld is. Dit alles is echter slechts mogelijk als men het onderscheid maakt tussen pinkstergemeente, koninkrijks gemeente en de Gemeente der verborgenheid.
Wij menen, dat uit dit onderzoek duidelijk moet blijken, dat de Gemeente der verborgenheid niet met Pinksteren begonnen is. Zij bestond toen in Gods voornemen, doch dit voornemen dagtekent niet van Pinksteren, maar van vóór de grondlegging (nederwerping) der wereld. Bij Pinksteren was er nog niets van geopenbaard, zelfs niet aan Paulus, die nog onbekeerd was. Toen werd het koninkrijk nog aangekondigd (een aardse zaak) ,de Jood kwam in de eerste plaats, ja gedurende enige jaren waren er niets dan Joden in de pinkstergemeente. Het kenschetsende der Gemeente: de schepping van een nieuw lichaam uit de volken (inbegrepen de Joden), dat een burgerschap in de « opperhemelse » heeft, is in strijd met de verkondiging van het koninkrijk op aarde. Beide boodschappen konden onmogelijk te gelijk gebracht worden. Vóór de volledige verwerping van het koninkrijk door Israël, kon dit volk niet ter zijde gezet en de grote verborgenheid geopenbaard worden. Voor hen die geloven aan een opname der Gemeente vóór het koninkrijk, kan er overigens geen moeilijkheid liggen hetzelfde onderscheid te maken tussen de gelovigen vóór de Gemeente en de leden der Gemeente als tussen de gelovigen na de Gemeente en de leden der Gemeente. Juist zoals de gelovigen, die op aarde zijn na de Gemeente (zie b. v. Op. 7:14) tot deze niet behoren, kunnen de gelovigen op aarde vóór de Gemeente er niet toe behoren. Het spreekt van zelf, dat sommige pinkstergelovigen die nog leefden toen Paulus de grote verborgenheid openbaarde, en deze boodschap geloofden, van af dit ogenblik ook lid werden der Gemeente, doch daarom begint deze niet vóór ze geopenbaard is. Een bedeling kan niet beginnen vóór de mensen weten in welke positie zij geplaatst zijn.
De vraag komt op of in onzen tijd allen die waarlijk geloven, dus verzekerd zijn, dat de Heere Jezus voor hunne zonden betaald heeft, wel lid der Gemeente zijn. Het is waarschijnlijk dat velen zich aan deze heerlijkheid onttrekken door niet alles te geloven wat God zegt, maar vast te houden aan de overlevering der mensen.
Men weet, dat het koninkrijk soms in tegenstelling geplaatst wordt met de Wet en de « genade ». Dit moet op een vergissing berusten, die voortvloeit uit het vermengen der bedelingen. Men kan wel het « onder »-de-Wet zijn tegenover het onder-de-genade-zijn stellen, doch van af het kruis, gedurende de aankondiging van het koninkrijk heerst de genade. Het onderscheid tussen de tijd vóór het kruis en de latere tijden is dat Israël van zijn gelofte ontbonden is, niet meer « onder » de Wet is, het nieuwe verbond gesloten is en de gehele wereld verzoend is met God door het offer van onzen Heere Jezus Christus. Al worden door de Joden, die in Christus geloven, de vormen der Wet, ook gedurende het koninkrijk, getrouw gevolgd, daarom zijn zij niet « onder » de Wet, doch wel onder de genade.
Als men een algemene studie heeft gemaakt over de bedelingen, kan men verder gaan en nauwkeurig onderzoeken wat God zegt over zonde, verzoening, geloof, oordeel, doop, avondmaal, wet, genade, enz. Men begrijpt tot welke verwarring men moet komen, als men tracht alles in één of een paar bedelingen samen te vatten en voor een bedeling toepast wat tot een andere behoort. Alleen door zó te handelen kunnen zowel kerken en sekten hun standpunt handhaven met gedeeltelijk onweerlegbare argumenten. Allen hebben gedeeltelijk gelijk en sommigen, al steunen zij op een onschriftuurlijke overlevering, voeren hun standpunt heel logisch door en trekken veel mensen, die de Schrift (in de oorspronkelijke talen) zelf niet onderzoeken tot zich. Die verwarring geeft ook aanleiding tot ongeloof en Bijbelkritiek, want men komt noodzakelijkerwijze tot moeilijkheden en schijnbare tegenspraken. Tenslotte kan een wandel naar Gods wil alleen ernstig betracht worden, als men juist weet in welke positie God ons geplaatst heeft.
Dit onderzoek toont ook duidelijk wat wij onder de Gemeente moeten verstaan en dat deze niet mag verward worden met de een of andere « kerk ». De Gemeente der verborgenheid zal slechts geopenbaard worden met haar Hoofd; nu bestaat zij niet als een zichtbare groep mensen op aarde. Wij weten verder dat Satan de god dezer eeuw is en zijn werking vooral te zoeken is op godsdienstig gebied. Het is voldoende in de geschiedenis na te gaan wat ook de « Christelijke godsdienst », zelfs van de eerste eeuwen, was, om in te zien dat Satan met vrucht op dit terrein werkte. Men leze Cyprianus, Chrysostomus en anderen over de toestand der « kerk » gedurende dien tijd, en zal erkennen hoe nodig het voor Paulus was, ernstig te waarschuwen tegen de « goddeloosheid », de booze mensen en bedriegers (2 Tim. 2:16; 3:13). En die verschrikkelijke toestanden waren niet een uitzondering, maar regel, zodat Chrysostomus zich genoodzaakt voelde, evenals Paulus, de gelovigen er op te wijzen dat zij zich alleen zouden richten tot de Schrift. Men kent ook de toestand der « kerk » in de tijd der hervorming en hoe dan een terugkeer naar de Schrift tijdelijk verbetering bracht. En wat is de toestand nu? Een deel laat de Bijbel geheel ter zijde ter wille van de overlevering, een ander deel beweert op die Schrift te steunen, maar vermengt er ook heel wat overlevering mede of vernietigt Gods woord openlijk door afbrekende schriftkritiek. Een ongelovige is in zekeren zin logisch als hij in dit alles niets bemerkt van God. Het beeld der « godsdienstige » wereld is ons door God zelve gegeven in Op. 17 en 18. De lezer overdenke deze dingen en neme een beslissing over zijn aan te nemen houding.
19. — na de gemeente der verborgendheid Top
Reeds gedurende de bedeling der Gemeente had God alles voorbereid om het uitwerken van Zijn plan tot herstel der aarde weer op te vatten. In onzen tijd ziet men inderdaad, hoe alles samenloopt tot het einde en een der bijzonderste tekenen der tijden is de terugkeer van Israël naar Palestina. Als de tegenwoordige bedeling, met het laatste lid der Gemeente, Beeindigd is, zal de profetie haar verdere vervulling krijgen. Ons doel is over deze zaken slechts een zeer beknopt overzicht te geven.
De tempel wordt herbouwd (2 Thes. 2:4; Op. 11:1, 2; Mat. 24:15). De uitwendige vormen der wet worden weer gevolgd, ook door de Christen-Joden. Al kan Israël misschien nog niet ten volle weer als Gods volk gerekend worden, de « middelmuur des afscheidsels » wordt hersteld. Dit geschiedt ook stoffelijk, zoals men kan zien uit Op. 11:2. De brieven aan de Rom. Kor. Gal. Thes. zijn weer volledig van toepassing op alle gelovigen; doch vooral het « Evangelie » van Johannes, Thes., Heb., Jak., Pet., Joh. en Judas zijn dan actueel. (Men vergete niet dat Jakobus, Petrus en Johannes geroepen waren om tot Israël te gaan. Zie Gal. 2:9). Het boek der Openbaring is de geschiedenis van dien tijd en reeds in het begin van dit boek vindt men dan ook de « gemeenten » waar de Joden en de Synagoge (Op. 2:9; 3:9) een hoofdrol spelen 1. Men leze ook Luk. 21:5-11 en 21:25- 27; Mat. 24:4-30; Mark. 13:5-26. Het is de tijd der verdrukking, der valse profeten (Mat. 24), der valse leeraars (2 Pet. 2; 1 Joh. 4; 2 Joh.; Judas), der antichristen (1 Joh. 2), der beproeving (Jak. 1) en van het lijden (1 Pet. 4). En dan komt ook de antichrist (2 Thes. 2).
Het is ook weer de tijd der tekenen van het komende koninkrijk, zowel als van de leugentekens en leugenwonderen van Satan (2 Thes. 2:9). Wij zien terug de strijd van Satan tegen
Christus zich ook stoffelijk uitwerken op aarde. Satan is inderdaad uit de hemel nedergeworpen op aarde. De « opperhemelse » zijn nu van alle zonde gereinigd en Satan doet een laatste poging op aarde, vooral tegen Israël. Tegenover de parousia van Christus, stelt hij de parousia van de ongerechtige (2 Thes. 2:8, 9). In onze dagen ziet men ook reeds hoe de komst van de antichrist voorbereid wordt door organisaties, welker werking zich over de gehele aarde uitbreidt. In dien tijd zullen de woorden van Johannes (b.v. 1 Joh. 4) ook beter begrepen worden, men zal dan zien hoe nodig het is de « geesten » te onderscheiden. Want alles duidt aan, dat er dan ook weer een zichtbare, hoorbare, tastbare tussenkomst der engelen (of « geesten ») zal plaats hebben, zoals vóór de Gemeente. Zie ook Op. 1:20; 12:4. En niet alleen van reine engelen, maar ook van andere. Hoe ver wij moeten gaan in de opvatting van « gelijk de dagen van Noach » (Mat. 24:37) valt af te wachten, doch een nieuwe inmenging van gevallen engelen met de dochteren der mensen is niet uitgesloten en de supermens, het reuzengenie, de antichrist kan hiervan een produkt zijn, zoals de mannen van naam van vroeger (Gen. 6:4). De verspreiding van het occultisme en al wat er mee samengaat is hiertoe ook een voorbereiding. Alle « kinderen des bozen » (Mat. 13:38) zullen slechts ten tijde des oogstes, bij de voleinding der eeuw, met vuur verbrand worden.
Satans troon wordt opgericht (Op. 2:13; 13:2; 16:10) en dit toont aan hoe ver Satan zijn doel: het oprichten van een koninkrijk vóór en in plaats van dat van Christus, heeft kunnen uitwerken. Gedurende enige jaren schijnt hij een kans te hebben om te slagen, daar God de ongerechtigheid tot rijpheid laat komen.
Sommige gelovigen ontvlieden deze zware tijden (zie b.v. Luk. 21:36), maar de meesten gaan er door. Hun hoop is nu weer in het bijzonder: de parousie van Christus. Tusschen dit alles in wordt in de gehele wereld het evangelie des koninkrijks gepredikt (Mat. 24:14).
Voor wat betreft de volken, hebben zich de 10 koninkrijken (Op. 17:12), de 10 tenen van het beeld van Nebuchadnezzar, gevormd en Babylon speelt weer zijn rol. Een aandachtig onderzoek van Dan. 7:24 en 2:42-44 zal laten zien, dat de « tenen » overeenkomen met de 10 koningen en dat deze in tegenstelling met het « menselijk zaad » genoemd worden. De 10 koningen zijn dus naar alle waarschijnlijkheid geen mensen, doch geesten in Satan's dienst, kinderen des duivels. De « tijden der Heidenen » lopen overigens ten einde, hun volheid is bijna ingegaan (Rom. 11:25).
Men heeft dan tenslotte al die grote gebeurtenissen, zoals de val van Babylon, de eindworsteling van Satan: Armageddon, zijn nederlaag, enz. Het beest en de valse profeet worden in de poel des vuurs geworpen (Op. 19:20) en Satan, de oude slang, gebonden en in de afgrond geworpen (Op. 20:1-3). Nu zal er ook geen Kanaäniet meer zijn (Zach. 14:21); het onkruid wordt verbrand.
De opstanding uit de doden, de opname en terugkomst op aarde der gelovigen, die niet tot de Gemeente behoren, doch deel hebben aan het koninkrijk, is dan geen hoop meer, maar een feit geworden (1 Thes. 4; 1 Kor. 15; Mat. 24:31). De parousia van de Heere Jezus Christus in heerlijkheid en de oprichting van het lang bereide koninkrijk is eindelijk verwezenlijkt, niettegenstaande de onwil der mensen en de tegenstand van Satan en der engelen. Ook het oordeel der werken der gelovigen (2 Kor. 5:10 enz.) en der volken (Mat. 25:31-46; Joël 3:2) wordt nu voltrokken. De tijd van Gods lankmoedigheid is voorbij (Op. 10:6). De spotters die zeiden: « waar is de belofte Zijner toekomst » (2 Pet. 3:4) zijn de mond gestopt. Nu ziet ieder, dat God lankmoedig over ons was, niet willende dat enigen verloren gaan (2 Pet. 3:9).
De koninkrijken der wereld zijn nu geworden onzes Heren (Op. 11:15). Hij is Koning over de ganse aarde (Zach. 14:9) en de schepping is vrijgemaakt (Rom. 8:19-23).
20. — het koninkrijk der hemelen Top
Terwijl de Gemeente der verborgenheid met Christus geopenbaard is (Kol. 3:4) en de leden met Hem heersen (2 Tim. 2:12) in het « opperhemels » koninkrijk (2 Tim. 4:18), zijn de gelovigen, die deel hebben aan de eerste opstanding, met Hem als koningen op aarde gedurende 1000 jaar (Op. 20:6). Hun domein strekt zich mogelijk wel uit tot het « uitspansel » en de « middenhemel », maar geenszins tot de « opperhemel » der gemeenteleden.
Israël is nu Gods gezuiverd en beproefd werktuig op aarde tot het « uitbreiden » van Zijn koninkrijk. Nu gaat de scepter van Juda uit tot al de volken (Gen. 49:10), Nu is Israël een priesterlijk koninkrijk (of beter een koninklijk priesterdom) en een heilig volk (Ex. 19:6; 1 Pet. 2:9; Jes. 61:6). Israël, of ten minste de Abrahamietische gelovigen, is nu de « bruid ». Zoals in de typerende geschiedenis van Ruth en Boaz, zien wij hier hoe de ware verlosser door het huwen, de verloren erfenis verlost. Hoe zij, die uit de doden zijn opgestaan, bezit nemen van de erfenis en hoe hun naam dus niet uitgeroeid wordt.
De opdracht van Mat. 28:19, 20 wordt getrouw uitgevoerd en heel de wereld geëvangeliseerd. De 12 Apostelen spelen nu hun hoofdrol, gezeten op de 12 tronen, oordelende de 12 geslachten Israëls (Mat. 19:28).
Ook de volken ontvangen de zegeningen waarvan de profeten spreken. De tempel van Ezechiël is gebouwd, de tempeldienst, offeranden enz. in voege (Ezech. 40-47).
Al deze dingen en toestanden moeten zorgvuldig in het O. T., in de evangeliën en geschriften van vóór Hand. 28:28 en in Op. nagegaan worden en deze studie valt geheel buiten ons plan, hoe belangrijk zij ook moge zijn om te onderscheiden tussen de Gemeente der verborgenheid en het koninkrijk.
21. — na het duizendjarig koninkrijk Top
Gedurende het koninkrijk is Satan gebonden, de aarde hersteld, verlost van de vloek; het zijn ideale omstandigheden voor de mens. Op allerlei wijzen was hij beproefd geworden, in allerlei toestanden geplaatst... en steeds heeft hij gefaald, het doel gemist, steeds heeft hij gezondigd. Ook in deze ideale condities. Nu vooral moest blijken hoe groot de satanische leugen was, dat de mens uit zichzelve goed is en slechts een goede omgeving nodig heeft om zijn eigen goedheid te doen uitkomen. Zodra hem de gelegenheid gegeven wordt, bij de ontbinding van Satan, om te tonen wat er in hem is, blijkt hoe het « oude hart » onverbeterlijk is. De onbekeerden laten zich door Satan verleiden en worden vergaderd tot de eindkrijg tegen God. Zijn het slechts enkelen, nu de wereld geëvangeliseerd is en het koninkrijk zich letterlijk over de gehele aarde heeft uitgebreid? Neen, hun getal is als het zand der zee (Op. 20:8). Vóór ze Jeruzalem kunnen genaken, worden zij door vuur verslonden. En de duivel wordt, nadat zijn zonde door God tot het laatste toe gebruikt is om Zijn plan uit te werken, in de poel des vuurs geworpen. Nu is de kop der « slang » verbrijzeld.
Het oordeel van de groten witten troon, waar de doden, die deel hebben aan de tweede opstanding, geoordeeld worden, is gekomen (Op. 20:11-13). De dood en het graf worden in de poel des vuurs geworpen en zoo ook degenen, die niet gevonden werden geschreven in het boek des levens (Op. 20:14-15).
22. de nieuwe hemelen en aarde Top
Bovenstaande geeft slechts een ruwe schets. Bij nader onderzoek kan blijken dat er nog verder onderscheid moet gemaakt worden tussen de verschillende delen dier « eeuw » of aioon en er b.v. tussen het 1000 jarig rijk en de nieuwe hemelen en aarde een grote tijdsruimte ligt.
Eindelijk is de gehele raad Gods uitgewerkt en is alles hersteld, nadat de hemelen « die nu zijn » en de aarde, door vuur zijn gereinigd (2 Pet. 3:7-12). De nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont, is begonnen (2 Pet. 3:13; Op. 21).
Het koninkrijk wordt door de Zoon aan de Vader overgegeven, want Hij heeft alle heerschappij, en alle macht en kracht te niet gedaan. Alle dingen zijn Hem onderworpen en God is nu alles in allen (1 Kor. 15:24-28) .
De bijgevoegde kaart geeft een blik over dit alles.
Wij eindigen nu dit kort overzicht met een vergelijking tussen Genesis en Openbaring (grotendeels volgens de Companion Bible App. 3):
| genesis |
 |
 |
 |
openbaring |
|
 |
 |
 |
|
| 1. De aarde en hemel « gemaakt » (1:3-31). |
 |
 |
 |
1. De aarde en hemel voorbijgegaan (21:1). |
| 2. Satans eerste opstand. |
 |
 |
 |
2. Satans laatste opstand (20:3, 7-10). |
| 3. Zon, maan en sterren tot heerschappij der aarde (1:14-16). |
 |
 |
 |
3. Zon, maan en sterren in verband met het oordeel der aarde (6:13; 8:12; 16:8). |
| 4. De zon en de maan gemaakt (1:14). |
 |
 |
 |
4. De zon en de maan niet meer nodig (21:23). |
| 5. De eerste nacht (1:4, 5). |
 |
 |
 |
5. Geen nacht meer (22:5). |
| 6. De zee gemaakt (1:10). |
 |
 |
 |
6. Geen zee meer (21:1). |
| 7. Een rivier voor de aarde (2:10-14). |
 |
 |
 |
7. Een rivier voor de nieuwe aarde (22:1,2). |
| 8. God's beeld en gelijkenis (1:26). |
 |
 |
 |
8. Satan's beeld (13). |
| 9. Het begin der zonde op aarde (3). |
 |
 |
 |
9. De eindontwikkeling der zonde (20). |
| 10. Vloek over de aarde (3:14, 17). |
 |
 |
 |
10. Geen vervloeking meer (22:3). |
| 11. De dood begint (3:19). |
 |
 |
 |
11. Geen dood meer (21:4). |
| 12. De Cherubijnen (3:24). |
 |
 |
 |
12. De Cherubijnen (4:6). |
| 13. De mens uit de hof van Eden verdreven (3:23). |
 |
 |
 |
13. De mens hersteld (22). |
| 14. De boom des levens « bewaard » (3:24). |
 |
 |
 |
14. De boom des levens toegankelijk (22 :14). |
| 15. De smart begint (3:17). |
 |
 |
 |
15. Geen smart meer (21:4). |
| 16. De eigengemaakte godsdienst, de kunst, wetenschap opgericht buiten God (4). |
 |
 |
 |
16. De eigengemaakte godsdienst, kunst, weelde, wetenschap in volle ontwikkeling door God geoordeeld en vernietigd (18). |
| 17. Nimrod, de grote rebel en koning, en verborgen antichrist, de stichter van Babylon (10:8, 9). |
 |
 |
 |
17. Het beest, de grote rebel en geopenbaarde antichrist, de hersteller van Babylon (13-18). |
| 19. De boog (9:13). |
 |
 |
 |
19. De boog (4:3; 10:1). |
| 20. Sodom en Egypte (13, 19). |
 |
 |
 |
20. Sodom en Egypte (11:8). |
| 21. Aanval op Abraham's volk verijdeld (14). |
 |
 |
 |
21. Aanval op Abraham's zaad verijdeld (12). |
| 22. Bruiloft van de eersten Adam (2:18-23). |
 |
 |
 |
22. Bruiloft van de laatsten Adam (19). |
| 23. Een bruid voor Abraham's zoon (24). |
 |
 |
 |
23. Een bruid voor Abraham's Zoon (19:9). |
| 24. Een beloofd zaad zou de poorten zijner vijanden bezitten (22:17). |
 |
 |
 |
24. Het beloofde zaad in het bezit der poorten (11:15). |
| 25. De heerschappij van de mens eindigt en die van Satan begint (3:24). |
 |
 |
 |
25. De heerschappij van Satan eindigt en die van de mens herstelt (22). |
| 26. De slang (3:1). |
 |
 |
 |
26. De slang gebonden (20:1-3). |
| 27. Oordeel over de slang uitgesproken (3:15). |
 |
 |
 |
27. Oordeel over de slang uitgevoerd (20:10). |
| 28. Zon, maan en sterren in verband met Israël (37:9). |
 |
 |
 |
28. Zon, maan en sterren in verband met Israël (12). |
Sommige lezers zullen zich afvragen: « Wat moeten wij nu geloven? » Het antwoord is: « Geloof wat God zegt ». Ja zegt men, maar dat is het juist, de ene meent, dat God dit zegt en de andere het tegenovergestelde. Het antwoord hierop is: « Onderzoek zelf ». Voor hem die in een levenden God gelooft, spreekt het van zelf, dat Hij elke oprechte zoeker naar waarheid zal helpen en ieder juist zoveel kennis der waarheid zal toedelen als hij liefde heeft voor de waarheid. Naar mensen of demonen luisteren en geloven is voor ieder gevaarlijk. Dit is de reden waarom zovele jong gelovigen verkoelen. Alleen door Gods Woord zelf te onderzoeken, en zoveel mogelijk in de oorspronkelijke talen, staat men op vasten grond, kan men een vast geloof hebben. Maar, zoals wij reeds opmerkten, staat men dan nagenoeg alleen in de wereld en behoort men eigenlijk niet meer tot het « Christendom », dat grotendeels Satan's godsdienstig stelsel is, dat van Christus alleen enige voorschriften en de naam heeft. Men moet zich dan tevreden stellen lid te zijn van de Gemeente der verborgenheid. Maar men kan zich dan ook verlustigen in Gods Woord en in het bewustzijn der innige gemeenschap waarin Hij ons geplaatst heeft, zonder verdienste van onze zijde.
Anderen zullen weerhouden worden onze gevolgtrekkingen te delen, niet omdat zij ze kunnen weerleggen uit Gods Woord, maar omdat zoveel mensen door God gebruikt geweest zijn terwijl zij toch een andere opvatting hadden en zij veronderstellen dat, als er iets niet in orde was met hun geloof, God hen ook niet zou gezegend hebben b.v. bij het verkondigen der blijde boodschappen. Als God echter moest wachten om iemand te gebruiken tot hij in niets meer dwaalt, dan zou nooit iemand als instrument kunnen dienen, zolang hij in dit lichaam verkeert. God ziet naar het hart (1 Sam. 16:7) en wil onvolmaakte mensen gebruiken. Doch de zegening verontschuldigt, noch rechtvaardigt de dwaling. Verder dient er onderzocht of alle vermeende zegeningen wel van God komen. Zo b. v. bij genezingen en krachten. Deze kunnen heel goed door Satan gewerkt worden, want wie weet of een lichamelijke genezing in alle omstandigheden werkelijk goed is? Wie zal kunnen onderscheiden wanneer het God is en wanneer het Satan is, als wij op ons aandringen genezen worden? Alleen Gods Woord is een zekere gids, niet de ondervinding, het gevoel, de gedachten der mensen, al zijn zij nog zo heilig en gezegend in hun arbeid. In Israël hebben wij een goed voorbeeld hoe vrome, godvruchtige mensen, die Gods Woord boven alles schatten (laat ons b. v. denken aan Paulus vóór zijn bekering), kunnen dwalen. Ook bij het zien van de machtigen invloed der overlevering, die hen er toe bracht Christus te kruisigen, zouden wij zeer voorzichtig moeten zijn. Nu ook hebben velen wel een ijver voor God, maar niet met verstand (Rom. 10:2).
De lezer late zich ook niet beïnvloeden door het feit dat sommige overleveringen door vele gelovigen gedeeld worden. Dit heeft absoluut geen waarde, ja men kan het meestal aanzien als een kenmerk, dat die dingen niet overeenkomen met Gods Woord. Nadat Paulus de grote verborgenheid der Gemeente geopenbaard had, stond hij nagenoeg alleen (zie 2 Tim. 1:15 en 4:16).
De schrijver, die als materialist is opgevoed (en zelf in dien gedachtenkring volhardde, gedeeltelijk omdat hij dacht dat het « Christendom » al was wat God hem kon aanbieden, tot hij in betrekking kwam met de Bijbel en toen zijn standpunt moest opgeven, wou hij oprecht en logisch zijn), had dus het voorrecht door geen bijzondere opvatting van de Bijbel beïnvloed te zijn. In de beginne moest hij zekere dingen voorlopig aannemen zonder zorgvuldig onderzoek, maar het viel hem betrekkelijk gemakkelijk alle vroegere gedachten los te laten, zodra ze vals bleken te zijn. Velen bevinden zich echter in een toestand, die het opgeven van lang verkondigde en verdedigde gedachten veel moeilijker maakt.
Sommigen zullen misschien ook terugschrikken voor het openbaar belijden hunner vergissingen uit vrees voor zwakke broeders. De waarheid kan echter nooit schaden; wel moet men soms voorzichtig te werk gaan als men van dwaling tot waarheid overgaat. Een uitgehongerde mag men niet plotseling een stevig maal geven. Gods Woord is geestelijk voedsel en er zijn veel uitgehongerden. Ieder moet zich in alle omstandigheden door God laten leiden. Volharden in een erkende dwaling is echter ontoelaatbaar voor een kind van God, lid der Gemeente, dat zich van zijn positie en verantwoordelijkheid ten opzichte van God en de mensen bewust is. Ook in betrekking met de zich meer en meer uitbreidende anti-christelijke stromingen, is het verkondigen der waarheid meer dan ooit een plicht. Bij het zien der waarheid valt namelijk al het overige vanzelf weg, zonder menselijke inspanning, zonder dat het nodig is die demonische stelsels afzonderlijk te onderzoeken en te weerleggen.
Wij hopen, dat de lezer bereid is alles te geloven wat God zegt en aan te nemen wat Hij aanbiedt en dan ook tijd zal maken om Gods Woord te onderzoeken en er zich mee te voeden. Menselijke gedachten kunnen soms aangenaam zijn, doch zijn geen voedsel voor de mens, die van boven geboren is. En dit voedsel moet zelf opgenomen en verwerkt worden. Het is niet voldoende anderen te zien eten. Moge de lezer leren Gods Woord recht te verdelen. Dan zal hij juist weten wat hij moet geloven en niet meer blootgesteld zijn menselijke leringen te volgen en niet meer op indrukken of gevoelens behoeven te steunen. Hij zal dan weten, dat hij alle geestelijke zegeningen ontvangt, dat hij inniger met Christus verbonden is dan een vrouw met haar man, dat hij in Christus in de « opperhemelse » geplaatst is, en zoveel andere heerlijkheden die alle verstand te boven gaan. Dit alles zijn dan voor hem feiten en geen indrukken. Hij behoeft dan niet steeds naar zijn zonden te zien, naar zijn zwakheid, naar hetgeen hij zou kunnen doen, naar meer heiligheid en overgave. Dit alles komt van zelve, als wij slechts eerst geloven al wat God ons zegt en ons zien in de positie waarin wij uit genade door Hem geplaatst zijn.
Vele ernstige Christenen hebben wel geleefd dat de rechtvaardigmaking niet uit te werken is maar omgekeerd, dat men goede werken kan en moet doen omdat men behouden is; maar op het gebied der toewijding en heiliging blijven zij de zaak verkeerd inzien. Door meer toewijding enz. trachten zij hun positie te verbeteren, terwijl ook hier de toewijding en heiliging in onzen wandel vanzelve moet volgen omdat onze positie in Christus volmaakt is.
Tenslotte is onze bede: « dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand; opdat gij moogt wandelen waardiglijk de Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God ». (Kol. 1:9, 10).
Samenvatting betreffende het verschil tussen de Gemeente der verborgenheid en de Pinkster- en Koninkrijkgemeenten en tussen de leden der Gemeente en de gelovigen in het algemeen.
A l g e m e e n e k e n m e r k e n d e r P i n k s t e r- e n K o n i n k r i j k g e m e e n t e n 1.
| 1. |
Naar de raad Gods, VAN de nederwerping der wereld. Zie bl. 21, Mat. 13:11, 35 ; 25:34 ; Luk. 11:50 ; Heb. 4:3; Hand. 20:25-27. |
| 2. |
Begint met Pinksteren. Zie Hand. 3:19-24. |
| 3. |
Vervulling der profetieën. Zie Mat. 16:21-23; Luk. 4:18, 19; 24:44; Joh. 1:9; Hand. 1:1; 2:16-21; 3:18; 13:32; 17:4, 11; 26:22, 23; 28:23; Rom. 1:1, 2; 15:8, 9; 2 Kor. 7:1. |
| 4. |
Christus de goede Herder en de Koning van Israël. Zie Mat. 2:2, 6; 9:36; 15:24; 18:11; 27:11; Luk. 1 :32 ; Joh. 1:25; 10:11, 16; 11:51, 52; Heb. 13:20. |
| 5.
|
Het koninkrijk, bereid van de nederwerping der wereld, zou komen, mits bekering van Israël. Zie Mat. 3:1-3; 4:17; 16:27, 28; Luk. 17:20, 21; 21:8-27, 34; Hand. 1:6, 7; 2:38; 3:19-21; 18:5, 6; 20:23-25; 26:18; 28:23; Rom. 13:11; 1 Thes. 1:9; 2 Thes. 1:5- 10; Heb. 2:5; 3:18-4:11. |
| 6.
|
Ingang tot het koninkrijk door volharding; de ingang rijkelijk toegevoegd door « volmaking ». Zie Mat. 5-7; 10:22; 18:3, 4; 19:16, 22; 24:13, 14; 25:31-34, 46; Luk. 20:35, 36; 2 Thes. 1:4-10. |
| 7.
|
Wonderen en krachten als teken van het komende rijk. Zie Mat. 4:23, 24; 8:1-16; 9:35; 10:8; 11:2-5, 20; 12:15-21, 28, 29; 13:58; Mark. 16:17, 18; Joh. 2:7; 5:36; 10:24, 25; 12:13-18; 14:12; 15:22, 24; 16:9; 20:30, 31; Hand. 2:16-22; 5:19; 8:5-12; 19:12; Rom. 15:19; 1 Kor. 1:7; 12:28; 14:21, 22; 2 Kor. 12:12; Gal:3:5; 1 Thes. 1:5; 2 Thes. 2:9-11; Heb. 2:3, 4; 6:5. |
| 8.
|
Onmiddellijk gericht. Gemeenschap in alles. Zie Hand. 2:42-46; 5:5, 10; 12:23; 13:11. 12. De Tempel bestaat, de Wet, de inzettingen en feestdagen getrouw gevolgd door de Christen- Israëlieten. Zie bl. 39; Mat. 5:17-19; 6:16-18; 15:2, 3; 23:23; 24:15-28; 28:1; Joh. 20:1; Hand. 2:1; 5:20; 10:14-33; 13:2, 14, 15; 16:3; 18:18; 20:7; 21:20-26; 25:8; 28:17; 1 Kor. 16:2; Gal. 4:9, 10; 5:1-11; 2 Thes. 2:4, 15; 3:6; Heb. 8:1-13; 9:8-10; 10:1, 18, 19, 20, 22. |
| 9.
|
Voortdurende, zichtbare en hoorbare tussenkomst der engelen. Zie Hand. 12:1-11; 1 Kor. 11:10. 13. Israël is een koninklijk priesterdom. Toegang tot het Heilige. Zie Ex. 19:6; Jes. 61:6; Heb. 9:8-10; 10:1, 19, 20, 22; 1 Petr. 2:5; Op. 1:6; 5:10; 20:4-6. |
| 10.
|
Israël, Gods volk, bekleedt de eerste plaats. De volken gezegend in betrekking met Israël. Israël de boom, de volken zijn ingeënte takken. Zie Mat. 8:11; 10:5, 6; 15:22-26; 18:17; 28:18-20; Luk. 2:32; Hand. 8:26-40; 10:4448; 15:9, 11, 14-21; 26:22, 23; 28:28; Rom. 1:16; 2:9, 10; 3:1, 2; 9:3-5; 10:12, 19, 20; 11:5-17; 15:8, 9; Gal. 3:14, 27-29 |
| 11.
|
De 12 Apostelen op de voorgrond. Mat. 10:1-9; 16:19; 19:28; Joh. 15:27; 20:22; Hand. 1:20-26. |
| 12.
|
De Tempel bestaat, de Wet, de inzettingen en feestdagen getrouw gevolgd door de Christen- Israëlieten. Zie bl. 39 ; Mat. 5:17-19; 6:16-18 ; 15:2, 3; 23:23; 24:15-28; 28:1; Joh. 20:1; Hand. 2:1; 5:20; 10:14-33; 13:2, 14, 15; 16:3; 18:18; 20:7; 21:20-26; 25:8; 28:17; 1 Kor. 16:2; Gal. 4:9, 10; 5:1-11; 2 Thes. 2:4, 15; 3:6; Heb. 8:1-13; 9:8-10; 10:1, 18, 19, 20, 22. |
| 13.
|
Israël is een koninklijk priesterdom. Toegang tot het Heilige. Zie Ex. 19:6; Jes. 61:6; Heb. 9:8-10; 10:1, 19, 20, 22 ; 1 Petr. 2:5 ; Op. 1:6; 5:10; 20:4-6. |
| 14.
|
Waterdoop en geestesdoop. Ook de uitwendige besnijdenis toegepast door de Christen-Israëlieten. Zie Mat. 3:6, 7, 11; 28:18-20; Joh. 1:25; 3:5; Hand. 1:4, 5; 2:38; 10:44-48; 15:1- 6; Hand. 16:3; 19:5; 21:20-26; Rom. 2:25-29; 6:3, 4; 1 Kor. 1:14, 16, 17; 12:13; Gal. 5:2-11; Ef. 4:4-6; Kol. 2:11-13. |
| 15.
|
Israël is Jehovah's vrouw en gedurende het koninkrijk de bruid. Zie Mat. 22:6-8, 12; 25:1- 13; Joh. 3:29; 16:23; 2 Kor. 11:2; Ef. 5:22-23. |
| 16.
|
De grote verborgenheid is niet geopenbaard. Zie Luk. 21:8-27; Hand. 17:4, 11; 28:23; Ef. 3:2-9; Kol. 1:25, 26. |
| 17.
|
Genoemd: gemeente Gods. Zie Mat. 18:17; 1 Kor. 1:2; 10:32; 2 Thes. 1:4. |
| 18.
|
De mensen verdeeld in het volk (Israël) en de volken. De « middelmuur » bestaat. Zie Hand. 10:14-33; 15:9, 11; 21:39; 1 Kor. 10:32; Ef. 2:11-15. |
| 19.
|
Verkondiging van het evangelie Gods, der genade Gods, van het eeuwige evangelie, van het evangelie des koninkrijks. Zie Mat. 4:23, 24; 9:35; 10:7; 24:4-14; 28:18-20; Mark. 16:15; Hand. 5:42; 20:24, 25; Rom. 1:1, 2; Op. 14:6. |
| 20.
|
De geschiedenis wordt ons gegeven: het verleden in de Handelingen, de toekomst in Openbaring. |
| 21.
|
Het oude en nieuwe verbond betreft alleen deze « gemeenten ». Zie Mat. 26:28; 2 Kor. 3:6; Gal. 5:2-11; Heb. 8:1-13; 13:20. |
| 22.
|
Bekering gevraagd, met het oog op het verbond door God gesloten. |
A l g e m e n e k e n m e r k e n d e r
G e m e e n t e d e r V e r b o r g e n h e i d.
| 1.
|
Naar het voornemen Gods voor de nederwerping der wereld. Zie bl. 21; Joh. 17:24; Hand. 20:27; Ef. 1:4; 3:11; 1 Pet. 1:20. |
| 2.
|
Begint bij de openbaring der grote verborgenheid door Paulus (in het jaar 60 ongeveer). Zie Mat. 16:18; Luk. 2:32; Hand. 1:3; 2:16-21, 22, 38, 39, 47; 3:19-24; 4:1; 5:5; 6:1; 7:38; 8:26-40; 10:14-33, 44-48; 15:14-21; 17:4-11; 21:26; Rom. 16:25; Gal. 3:5; 2 Thes. 1:5-10; Heb. 9:8-10; Ef. 3:2-9; 4:11, 12; Kol. 1:25, 26. |
| 3.
|
Onderbreking in de vervulling der profetie. Zie bl. 101; Luk. 4:18, 19; 2.1:8-27; Ef. 3:9; Kol. 1:25, 26. |
| 4.
|
Christus het hoofd der Gemeente. Zie Ef. 1:22, 23; Kol. 1:18. |
| 5.
|
Het koninkrijk op aarde tijdelijk niet aangekondigd. Het « opperhemels » koninkrijk. Zie Kol. 1:13; 2 Tim. 4:18. |
| 6.
|
Haar plaats is in de « opperhemelse » (gewesten), « verre boven » alles. Zie 2 Kor. 5:1, 2; 12:2, 4; Ef. 1:3, 20-23; 2:6; 3:10; 6:12; Fil. 3:17-20. |
| 7.
|
Geen tekenen. Zuiver geloof op de voorgrond. God zwijgt. Zie Ef. 4:11, 12; Fil. 2:27; Kol. 4:14. |
| 8.
|
Geen zichtbare en hoorbare tussenkomst der engelen. Zie Hand. 12:1-11. |
| 9.
|
Israël als Gods volk terzijde gezet. Geen onderscheid tussen de volken. De « middelmuur » gebroken. Zie Mat. 3:10; Hand. 28:28; Rom. 11:17; Ef. 2:11-15; 3:2-9. Kol. 3:11. |
| 10.
|
Paulus op de voorgrond. De 12 hebben geen bijzondere boodschap voor de Gemeente. Zie 2 Kor. 12:12; Gal. 1:12; Ef. 3:2-9; 4:11, 12; Kol. 1:25, 26. |
| 11.
|
De Tempel bestaat niet, de inzettingen voorlopig te niet gedaan. Geen vormen, feestdagen, priesters; geen aardse tabernakel. Ver boven alles. Geen verbonden. Zie 2 Thes. 2:15; Ef. 2:5, 6, 12-15; Kol. 2:14-23; Fil. 3:2, 3. |
| 12.
|
Geestesdoop alleen. De ware besnijdenis alleen. Zie Ef. 4:4-6; 5 :18 ; Kol. 2:11-13. |
| 13.
|
De Gemeente is een nieuw geschapen lichaam, niet de ontwikkeling van een vroegere gemeente. Zie 1 Kor. 13:8, 10 ; Ef. 2:15; 3:2-9. |
| 14.
|
De Gemeente is een eersteling ten opzichte van de toestand, waar geen zonde is (Ef. 1:4; 1 Kor. 15:28). Zie Joh. 1 :25 ; 1 Kor. 13:8, 10; Heb. 5:6; Ef. 1:22, 23; 2:16. |
| 15.
|
Overvloedige genade. Zie Ef. 1:7; 2:5, 6, 8. |
| 16.
|
Genoemd: de Gemeente die het lichaam van Christus is. Een samengevoegd lichaam. Zie Ef. 1:22, 23; 3:2-9; 4:11, 12. |
| 17.
|
De leden der Gemeente worden niet meer Jood en Heiden genoemd. Ook de niet-leden zijn niet verdeeld in Israëlieten en volken. Zie 1 Kor. 10 :32 ; Ef. 2 :12-14 ; 4 :17. |
| 18.
|
Verkondiging van het evangelie waarvan Paulus een dienstknecht is ; het evangelie des vredes. Zie Ef. 6:15, 23; 2 Tim. 2:8. |
| 19.
|
Geen geschiedenis, want zij behoort niet tot deze wereld. |
| 20.
|
Zuiver geloof wordt gevraagd. |
K e n m e r k e n d e r g e l o v i g e n b u i t e n
d e G e m e e n t e.
| 1.
|
Zij hebben geen plaats in de « opperhemelsche ». «In de wereld». Aardsch «geslacht». Zegeningen en koninkrijk op aarde. Zie bl. 41 ; Jes. 57:1318; Mat. 5:5; Joh. 18:36; Hand. 3:25; Ef. 1:3; 2:12-14; 3:15. |
| 2.
|
Hun hoop: de opstanding uit de dooden en de toekomst van Christus tot het oprichten van het koninkrijk. Zie Mat. 6:10; 16:27, 28; 24:2931, 37, 39; Luk. 20:35, 36; Joh. 4:23; 11:25, 26; Hand. 26:6; 28:20 ; 1 Kor. 1 :7 ; 6:9, 10; 11:26; 15:23, 24, 51, 52; 16:22; 2 Kor. 5:1, 2; 1 Thes. 2:19; 3:13; 4:15-17; 5:1-6, 23 ; 2 Thes. 2:8; Heb. 6:18. |
| 3.
|
Hun opstandingslichaam zal gelijkvormig zijn aan het BEELD des Zoons. Zie Rom. 8:29; Fil. 3:21. |
| 4.
|
Het «eeuwige» (aionios) leven op de voorgrond. Die uitdrukking komt niet voor in Ef., Fil., Kol., 2 Tim. Zie bl. 95 ; Mat. 6:13; 19:16-22 ; 21:19; 25:46; Luk. 18:30; 20:35, 36; Rom. 6:22, 23; Gal. 5:25; 6:8. |
| 5.
|
Zij gaan, ten minste gedeeltelijk, door de grote verdrukking. Zie Mat. 24:4-28; Luk. 21:36; Hand. 14:22; 1 Thes. 1:10. |
| 6.
|
Zij moeten volharden om het koninkrijk in te gaan. Zie Mat. 5 tot 7; 10:22; 24:13, 14 ; Luk. 20:35, 36 ; 2 Thes. 1:4, 5-10. |
| 7.
|
Voorwaardelijke vergeving der zonden. Zie Mat. 6:12; Mark. 11:25, 26. |
D i n g e n d i e g e m e e n z i j n a a n a l l e
g e l o v i g e n (i n b e g r e p e n d e l e d e n
d e r G e m e e n t e).
| 1.
|
Vrijgekocht, gerechtvaardigd, behouden door genade, door middel van het geloof in het volbrachte werk van Christus. Zie Heb. 2:3, 4; Ef. 1:7; 2:8. |
| 2.
|
Verzoening met God (katallassoo). Zie 2 Kor. 5:18, 19; Ef. 2:16. |
| 3.
|
De verlossing (lutroosis). Zie Ef. 1:7. |
| 4.
|
Vrijgemaakt van de macht der zonde. Zie Rom. 6:4-13; Ef. 2:1, 5; Kol. 2:13; 3:3. |
| 5.
|
Gemeenschap met Christus in dood, verdrukking en lijden. Zie Rom. 6:4-13; 1 Kor. 10:16, 17; 11:26; 12:27. |
| 6.
|
Geboorte van boven. Kinderen Gods. Nieuw hart. (De uitdrukking « van boven geboren » echter meer in het bijzonder gebruikt vóór de Gemeente). Zie Mat. 5:45; Joh. 1:12; 3:3-6; 10:30; Hand. 1:4, 5; Rom. 8:15-23; 1 Kor. 12:13; 2 Kor. 5:17; Gal. 4:5; 5:25; Ef. 2:10; 4:22-24; Kol. 3:1-17. |
| 7.
|
Niet « onder » de Wet. Zie Rom. 7:4; Gal. 4:3, 9, 10; 5:1-11; Kol. 2:14-23. |
| 8.
|
Genadeloon naar werken in Gods kracht volbracht. Zie Mat. 5 tot 7; 5:48; 6:1-7; 7:13, 14; 19:16-22; 25:31-34, 46; 1 Kor. 3:8; 6:9, 10; Heb. 6:6; Fil. 3:14. |
| 9.
|
Vrede bij God. Zie Rom. 5:1. |
| 10.
|
Van hen wordt gevraagd:
Volmaaktheid door werken. Zie Mat. 5 tot 7; 5:17-20, 21-48; 19:16-22; Heb. 6:1; 7:1- 10:18; Fil. 2:12, 13; 3:14, 17-20.
Liefde. Zie Mat. 22:36-40; Ef. 5:2.
Bescheidenheid. Zie Jak. 3:17; Fil. 4:5.
Geen bezorgdheid. Zie Mat. 6:27; Fil. 4:6.
Niet oordelen. Zie Mat. 7:1; Kol. 2:16.
Waakzaamheid. Zie Mat. 24:42; 25:1-13; 1 Thes. 5:1-10. |
Deze dingen die gemeen zijn aan alle gelovigen moeten ons niet doen vermengen wat God gescheiden heeft.
V o o r r e c h t e n d e r l e d e n d e r
G e m e e n t e.
| 1.
|
Geen aardse bestemming. hemels « geslacht ». Zie Ef. 3:15. |
| 2.
|
Gemeenschap met Christus in opstanding en hemelvaart. Zie Ef. 2:5, 6; 5:22-33. |
| 3.
|
Gezet in de « opperhemelse » (gewesten), waar hun burgerschap en hun strijd is. Zie Ef. 1:3; 2:6; 6:11-17; Fil. 3:17-20. |
| 4.
|
Met alle geestelijke zegeningen gezegend in Christus. Zie Ef. 1:3. |
| 5.
|
Voleindigd in Christus. Zie Kol. 2:10. |
| 6.
|
Volmaakte verzoening (apokatallassoo). Zie Ef. 2:16. |
| 7.
|
Volmaakte verlossing (apolutroosis). Zie Ef. 1:7. |
| 8.
|
Hun hoop: de verandering van hun lichaam, de openbaring met Hem in heerlijkheid. Zie Ef. 4:4-6, 30; Fil. 3:8-14; Kol. 3:4. |
| 9.
|
Bij de opstanding gelijkvormig aan Christus. Zie Fil. 3:21. |
| 10.
|
Gaan niet door de verdrukking. Zie Ef. 4:11, 12. |
| 11.
|
Worden met Christus in heerlijkheid geopenbaard. Zie Kol. 3:4. |
| 12.
|
Vrede ten opzichte van de eenheid in Christus. Zie Ef. 6:23. |
| 13.
|
Van hen wordt verwacht:
Het Hoofd vasthouden. Zie Kol. 2:19.
De geestelijke eenheid behouden. Zie Ef. 4:3.
Een wandel waardig aan hun roeping in de « opperhemelse ». Zie Fil. 3:11-14 ; Kol. 1:9, 10.
Vergeten wat achter is, naar de prijs jagen, de kroon. Zie Fit. 3:11-14.
Vervuld worden met kennis (epignosis) van God. Zie Kol. 1:9, 10.
De dingen die verschillen beproeven en het Woord der Waarheid recht snijden. Zie Fil. 1:9, 10; 2 Tim. 2:15.
Aan de overheden en machten in de hemel, de veelvuldige wijsheid Gods bekend maken. Zie Ef. 3:10. |
| 14.
|
Zij verwachten de Zaligmaker, die de volle behoudenis zal geven, van uit de hemelen. Zie Fil. 3:17-20. |
lijst van enige behandelde zaken.
| Het |
bijzonderste der Wet bestond niet in uitwendige vormen.
Zie bl. 38 en de teksten aangehaald bij Mat. 15:11, 18-20; 22:36-40. |
| De |
zegeningen der volken in verband met Israël.
Zie de teksten aangehaald bij Mat. 8:11; Luk. 2:32. |
| De |
belofte van de uitstorting van heiligen geest, de gave van een nieuw hart enz.
Zie de teksten aangehaald bij Mat. 3:11. |
| Israëls bekering gevraagd. |
| |
Zie de teksten aangehaald bij Mat. 3:1-3. |
| De |
Herder van Israël.
Zie de teksten aangehaald bij Mat. 9:36; Joh. 10:11; Heb. 13:20. |
Israël de wijngaard.
| |
Zie de teksten aangehaald bij Mat. 24:29-31 ; Joh. 16:23. |
A a n t e e k e n i n g e n o v e r:
« Eeuwig », « eeuwigheid » enz.
| |
Zie bl. 95 en Mat. 6:13 ; 19:16-22 ; 21:19; 25:46; Luk. 18:30; 20:35, 36; Rom. 6:22, 23; Gal. 5:25; 6:8; Heb. 5:6. |
De « dag des Heren ».
| |
Zie Mat. 24:29-31; Joh. 16:23. |
De « eerste dag der week ».
De drie opdrachten.
| |
Zie Mat. 28:18-20; Mark. 16:15-18; 24:47. |
Heilige Geest (de Gever) en heilige geest (de gave).
| |
Jes. 32:15; 44:3; Luk. 24:49; Joh. 7:39;; 2:4; 4:7, 8; 8:15, 16; Kor. 12:1-11; Gal. 3:5; Luk. 20:22; Hand. 1:4, 5 10:44-48; 19:2; 1 6:8; Ef. 5:18. |
|
|