Voorwoord Voorwoord (Top)
De ervaring van het kind Gods wordt in Galaten 5:17 in de volgende woorden beschreven: "want het begeren van het vlees gaat in tegen de geest en dat van de geest tegen het vlees - want deze staan tegenover elkaar — zodat gij niet doet wat gij maar wenst." In elk opzicht behalve in dit, kan de mens die alleen maar met de mond belijdt, het ware kind van God imiteren; en dit is het wat de alleen maar godsdienstige mens van de werkelijke gelovige onderscheidt. Ieder waar kind van God heeft een blijvende ervaring van strijd in zijn binnenste, zoals beschreven in Galaten 5:17. Maar niet ieder kind van God begrijpt wat de Schrift ons hier over leert. De ervaring te hebben zonder het onderwijs van de Schrift er over te kennen, is een vruchtbare bron van verwarring, onrust en ontmoediging. Te weten wat de Schrift leert en de ervaring niet te hebben, is fataal en betekent een volledige ramp. De enige oplossing hiervoor is regelrecht uit het Woord van God alles te leren begrijpen wat er gezegd wordt over de natuur zoals overgeërfd door afstamming van Adam, en de natuur die geschonken wordt door de inwerking van God. Alleen dit kan de gelovige de juiste kennis geven betreffende "Gods handwerk"; alsmede de sleutel tot zijn ervaringen die anders voor hem onbegrijpelijk zijn. Wanneer het onderwijs betreffende de twee naturen duidelijk wordt begrepen, dan wordt niet alleen uit de weg geruimd wat eens een bron van twijfel was, maar wordt het een bron van zekerheid. En het is inderdaad de grootste zekerheid die iemand ooit kan hebben dat hij Gods handwerk is en dat God inderdaad een goed werk in hem begonnen is, dat Hij Zelf zal voortzetten en volmaken (Fil. 1:6). Het doel van de volgende bladzijden is, de gelovige in kennis te stellen van dit onderwijs, zodat de ervaring die twijfel en vrees veroorzaakt; de bron van vreugde en blijdschap en vrede mag worden. E.W. BULLINGER.
Mei, 1906. 1. "Het vlees" We lezen in Joh. 3:6: "Wat uit het vlees geboren is, is vlees". Het ontstaat door geboorte en wordt verwekt door een gevallen mens. Betreffende dit vlees wordt ons gezegd: het "kan God niet behagen" (Rom. 8:8); het "doet geen nut" (Joh. 6:63); er "woont geen goed in" (Rom. 7:18). Dit nu is een hoogst belangrijke en principiële waarheid. De vraag is: geloven we het? Geloven we God of de mens? Indien we God geloven, zullen we inzien dat vrijwel alles wat onder de naam van openbare eredienst" doorgaat, ijdelheid is. Ware eredienst moet geheel die van de geest zijn, of van de nieuwe natuur. We moeten in staat zijn met Maria te zeggen: "mijn ziel maakt groot de Here, en mijn geest heeft zich verblijd over God". Alleen als verlosten kunnen wij in waarheid aanbidden. Indien het vlees van zichzelf "geen nut doet", dan is het duidelijk dat wij God niet kunnen dienen met de zintuigen (die alle deel uitmaken van het vlees). We kunnen niet aanbidden door met onze ogen te kijken naar een sacrament. We kunnen niet aanbidden door met onze neuzen wierook te ruiken. We kunnen niet aanbidden door met onze oren te luisteren naar muziek. Alles wat van het vlees afkomstig is "doet geen nut". God "ziet het niet aan" en het is vergeefse moeite. Protestantse christenen zullen het met ons eens zijn als we spreken over het staren naar een sacrament, of het ruiken van wierook; maar hoe staat het met de andere zintuigen van het vlees? Hoe staat het met de oren en de kelen? De kerken schijnen allemaal enthousiast over muziek te zijn; en gelet op de kerkkoren, solo"s en koorzang, gezangen, en zelfs string bands en andere moderne ritmiek en muziek, en niet te vergeten de "prediking van het woord in lied", zijn we in een tijd terechtgekomen, waarin het "vlees" oppermachtig schijnt te zijn in alles wat nog de naam draagt van eredienst en verkondiging. Maar helaas! het "doet geen nut". Deze vloedgolf rukt op, zij aan zij met een andere waarvan de leuze is "wordt vervuld met de Geest". Maar het Woord der Waarheid wordt verkeerd gesneden, want er wordt een punt gezet achter het woord Geest. En zodoende ziet men niet dat, als we vervuld worden met de Geest, dit in het resultaat te zien is, nl. "en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt in uw hart (en niet alleen maar in uw keel, en ook niet voor een of ander publiek of vergadering, maar) den Here." Een "muzikaal gehoor" wordt niet verlangd, maar een muzikaal hart. Uit deze naam voor de oude natuur leren we dat "het vlees geen nut doet". Dit belangrijke feit is principieel voor het christelijk geloof, terwijl het tegendeel waar is voor godsdienst. Godsdienst is een zaak van het vlees, christelijk geloof is een zaak van Christus en de nieuwe natuur (die pneuma-Christou, of Christus-geest, is). Daar zullen we nog over spreken. De oude natuur wordt verder genoemd: 2. "De natuurlijke mens" Aard en einde van de oude natuur We lezen: "maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden." (1 Cor. 2:14). In de structuur van dit gedeelte van 1 Corinthiërs correspondeert vers 14 met vers 8, waar we lezen dat "niemand van de oversten dezer eeuw van de verborgen wijsheid Gods wist", want dan zouden zij Hem niet gekruisigd hebben. En zelfs nu deze "geopenbaard" is (1 Cor. 2:10), kan de natuurlijke mens er geen weet van krijgen, omdat deze wijsheid alleen onderscheiden wordt door de geest, ofwel de nieuwe natuur in ons, geschapen en verlicht door de Heilige Geest. Dit is beslissend wat betreft aard, invloed, neiging en toestand van "de natuurlijke mens" betreft; wat betekent een mens van nature, zoals hij in de wereld geboren wordt. Verder wordt hij genoemd 3. "De oude mens" En wat wordt er van hem gezegd? We leren dat hij "ten verderve gaat, door zijn misleidende begeerten" (Ef. 4:22). De oude mens is vol begeerten en lusten. Deze begeerten zijn vol bedrog en misleiding. Zij zijn in elk opzicht in strijd met God, in strijd met Zijn Geest en Zijn Woord; en met de nieuwe natuur, de geest, wanneer deze eenmaal in ons ingeplant is. In verband hiermee wordt hij genoemd 4. "De uitwendige mens" Daar hij dat is wat gezien wordt en wat in feite aan verval onderhevig is (2 Cor. 4:16), en dit van dag tot dag. Dit leert ons dat wij, zolang wij in het vlees zijn, deze "last" moeten dragen; en dat geen instelling die verband houdt met wat vervalt, zelfs maar van het geringste nut kan zijn op dat gebied waar alles is en moet zijn geestelijk, d.w.z. van de Geest. 5. "Het hart" D.w.z. het natuurlijke hart, dat "arglistig is boven alles, ja, verderfelijk" (Jer. 17:9), zo arglistig dat het ons voortdurend bedriegt en verraadt: zo arglistig dat alleen God het werkelijk kan kennen. In Matth. 15:19 leert de Here Jezus ons ook het een en ander aangaande het hart van de natuurlijke mens: "want uit het hart komen de slechte gedachten, de moorden, echtbreuken, diefstallen, valse getuigenverklaringen en godslasteringen." Men spreekt wel eens over "verandering van hart", maar dit wordt niet veranderd. Er moet een "nieuw hart" gegeven worden. Men mag dan al spreken over verbetering van het hart of de natuur van de mens, maar het oude hart kan niet verbeterd worden; en het nieuwe hart heeft geen verbetering nodig. Spiritisten en theosofen spreken over "het goddelijke in de mens" en tonen hoe deze "oude gedachte uit het Oosten, de wieg van alle wijsheid, doordringt in de godsdiensten van het Westen". Dit is maar al te waar, maar het is een leugen van de Satan, waar we Gods waarheid tegenover willen stellen. Zelfs de mens is soms gedwongen deze te beamen en te erkennen dat al zijn pogingen om "het hart" van de mens te verbeteren tot mislukking gedoemd zijn. Een andere naam die in het Woord van God aan de oude natuur gegeven wordt, luidt: 6. "de gezindheid van het vlees" Dit aspect van de oude natuur is zelfs nog ernstiger. Die hebben meer betrekking op daden, en toestand, en aard; maar deze heeft betrekking op de gedachten; op de verstandelijke bezigheden, en de overleggingen en verbeelding van de natuurlijke mens (Rom. 8:7). Dat deze tegengesteld zijn aan Gods gedachten, bleek reeds heel vroeg: "al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten was te allen tijde slechts boos" (Gen. 6:5).En God heeft van deze overleggingen van het vlees duidelijk gezegd dat "Mijn gedachten niet uw gedachten zijn en uw wegen niet Mijn wegen" (Jes. 55:8). Deze "gezindheid van het vlees" is "vijandschap tegen God". "Want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens het kan dat ook niet." En het kan "God niet behagen". De "gezindheid" is de bron van de gedachten, en de gedachten zijn de bron van de daden. "De gezindheid van het vlees" is dan ook dat deel van het vlees dat denkt — en de gedachten er van zijn altijd tegengesteld aan God en hebben de "aard van zonde". Dit brengt ons tot de laatste van de namen die in de Schriften aan de oude natuur gegeven worden: 7. "zonde" We moeten onderscheid maken tussen "zonde" en "zonden". "Zonde" is de wortel, "zonden" zijn de vruchten. In Romeinen, van hoofdstuk 1:16 tot hoofdstuk 5:11, wordt gesproken over "zonden", beschouwd als het resultaat van de oude natuur; en de apostel toont ons hoe zij weggedaan worden en hoe God rechtvaardig kan zijn en toch de zondaar kan rechtvaardigen, die behouden is op grond van geloof in plaats van op grond van wetsbetrachting. Van Rom. 5:12 tot 8:39 wordt over "zonde" gesproken: de oude natuur. Want hoewel de zondaar in Christus gerechtvaardigd wordt, gevoelt hij nog altijd de werking van de oude natuur, en ondergaat hij de strijd tussen de oude natuur en de nieuwe natuur. Het doel van dit gedeelte van Romeinen is ons te leren dat, al zien we nog altijd de vruchten, we de oude boom moeten beschouwen alsof hij dood was en het er voor te houden dat we in Christus" dood gestorven zijn. Er heeft geen verandering plaats gevonden. De wortel blijft nog altijd staan. De verandering ligt in onze positie ten opzichte van God. We leven op een hoger plan: "we wandelen door geloof"; en door geloof houden wij het er voor dat we, hoewel het vlees nog in ons is, "niet in het vlees" zijn; en ondanks de vruchten die we van tijd tot tijd zien, geloven we God wanneer Hij ons zegt dat de boom, in Zijn ogen, verdoemd is. Een nieuwe loot is ingeënt, die slechts vruchten "Gode waardig" kan voortbrengen, terwijl alles wat door de oude stam voortgebracht wordt (onder de plaats waar de nieuwe loot is ingeënt) waardeloos is en door de hand van de grote Landman weggesnoeid wordt. Wij zijn Zijn "kweek". Hij ent de nieuwe natuur op ons in; en wij geloven Hem als Hij ons vertelt over alle grote dingen van het werk dat Hij gewrocht heeft. Nadat we de verschillende namen gezien hebben die in de Schriften aan de oude natuur gegeven worden, zullen we nu zien wat over de natuur zelf en over het einde ervan gezegd wordt. Het eerste wat we leren is: 1. Het kan niet veranderd worden "Wat uit het vlees geboren is, is vlees" en blijft vlees. Geen macht ter wereld kan het in geest veranderen. De mensen praten over verandering van de gezindheid, maar dat is ijdel gepraat. Het verandert niets aan het feit. De mensen raken het nooit moe pogingen tot verbetering te ondernemen, maar krijgen alleen maar teleurstellingen te verwerken: het blijkt overduidelijk dat noch beter onderwijs noch godsdienst de oude natuur kan veranderen, of een nieuwe kan geven. Het vlees kan buitengewoon beschaafd en ontwikkeld worden. Dit is de verfijnde "wil van de gedachten" (Gr. dianoia), maar ook de grove "begeerten van het vlees" (Ef. 2:3); beide zijn evenzeer "verre van" (vers 13) God, en in gelijke mate voorwerp van Zijn "toorn" (vers 3). Het vlees kan heel godsdienstig gemaakt worden, want godsdienst bestaat uit voorschriften, plechtigheden en ceremoniën. Al deze dingen zijn uitwendig en dienen het vlees. Al deze dingen kan het vlees verrichten. Het kan dagen, feesten en vasten houden (Col. 2:16, 20, 21; Rom. 14:5, 6). Het verlustigt zich in "Regels voor het dagelijks leven", het schept behagen in voorschriften. Al deze dingen dienen het vlees, en godsdienstig vlees is erg gesteld op deze dingen, net zoals ongodsdienstig lees op andere genoegens gesteld is. Vandaar het gevaar van ieder soort zogenaamde godsdienst, waarin iets is dat vlees dient. Meeslepende muziek, aangrijpende verhalen, vurige smeekbeden kunnen allemaal "bekeerlingen" maken, maar kunnen die niet vasthouden, als ze eenmaal gemaakt zijn. Dat is de oorzaak dat er zoveel bezorgdheid is over hoe velen van zulke "bekeerden" zullen kunnen stand houden. Misschien houden ze enige dagen stand, enige maanden of zelfs enige jaren, maar zullen ze stand kunnen blijven houden? Al deze uitwendige dingen "gaan door het gebruik te loor" (Col. 2:22). Zij zijn geboren uit het vlees. Alleen "wat uit de Geest geboren is, is geest" (Joh. 3:6). "Al wat God doet, is voor eeuwig" (Pred. 3:14); en "Elke plant die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden" (Matth. 15:13). Deze worden werden door de Heer gesproken tot hen wier godsdienst uit het vlees was en bestond uit wassingen en lange gebeden uitspreken; tot hen die God met de lippen eerden en meenden dat de mens verontreinigd werd door wat de mond binnengaat" (vers 11). Zij werden gesproken betreffende Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem, de plaats waar de godsdienst in acht genomen werd (vers 1); en ze worden ook niet gesproken tot allen die "leringen leren die geboden van mensen maken", die de mensen godsdienstig willen maken door te werken op gevoelens van het vlees en trachten hen heilig te maken door te zeggen "raak niet, smaak niet, roer niet aan" (Col. 2:21); en die meer rekening houden met "wat de mond binnengaat" (Matth. 15:11) dan met wat "uit het hart voortkomt", alsof het een bovennatuurlijke macht bezat die het ander zou kunnen beïnvloeden. Neen! De natuur van de oude mens kan niet veranderd worden. Deze "onderwerpt zich niet aan de wet van God, kan dat trouwens ook niet". Dit doet de zaak eens en voor altijd af voor hen die zich onderwerpen aan het Woord van God in Romeinen 8:7. Wanneer we dit eenmaal goed beseffen, wordt het ons onmogelijk om te bidden "Reinig onze harten", want dan rijst vanzelfsprekend de vraag; welk "hart"? het oude of het nieuwe? Het oude kan niet gereinigd worden en het nieuwe behoeft niet gereinigd te worden. David kon bidden: Schep mij een rein hart, o God (Ps. 51:12), maar dat is iets anders. Dat simpele feit en waarheid uit Gods Woord is een bijl die aan de wortel gelegd is van alle "reine-harten"-lering van hen die, hoewel gerechtvaardigd uit genade, geheiligd willen worden uit de werken. Al deze mensen vallen onder de terechtwijzing van Gelaten 3:3: "zijt gij zo onverstandig? Gij zijt begonnen in de geest (of: de nieuwe natuur), wordt, gij nu volmaakt (of" volmaakt gij Uzelf nu) in het vlees?" Het is dit belangrijke onderwijs aangaande de twee naturen in het kind van God, dat al het onderwijs van deze tijd waardoor zo velen in geestelijke nood komen, terechtwijst. In plaats van in de strijd waar zij over treuren nu juist een bron van zekerheid te zien, pogen zij er van af te komen door te trachten dat tot stand te brengen dat absoluut onmogelijk is, door de oude natuur te reinigen en te verbeteren. Over al zulk onderwijs en al zulke pogingen luidt de doodsklok de plechtige woorden: "Kan dat trouwens ook niet." Het tweede dat wij leren is dat de oude natuur maar één einde heeft: 2. Het einde is de dood! Het vlees en alles wat daar toe behoort, zijn godsdienst en zijn zondigheid, zijn deugden en zijn ondeugden, alles loopt uit in de dood Alles is maar van tijdelijke aard en houdt geen stand. "In Adam sterven allen" (1 Cor. 15:22)-De gezindheid van het vlees is de dood" (Rom. 8:6). Daar dit verband houdt met het lichaam wordt het genoemd "dit lichaam van (of: bestemd voor) de dood " (Rom. 7:24). Niets anders dan de dood kan het einde zijn van alles wat uit het vlees is, Het is geboren uit het vlees. De "eerste Adam" werd geformeerd uit het stof der aarde en al zijn nakomelingen keren terug tot stof (Gen. 3:19). 3. Wie er op bouwt, zal verderf oogsten Het derde feit is een gevolg van het tweede: Want wie op (de akker van) zijn vlees bouwt, zal uit zijn vlees verderf oogsten" (Gal. 6:8). Alle pogingen het vlees te verbeteren, alle voorschriften die betrekking hebben op het vlees, elke voorziening die voor het vlees gemaakt wordt, alles eindigt in verderf en dood: alles "gaat door het gebruik te loor" (Col. 2:22). Maar ons onderwerp heeft een gelukkiger en meer gezegende kant. Er is zoiets als een nieuwe natuur, zoals we in het volgende hoofdstuk zullen zien. Het is een groot en gezegend feit, dat er zowel iets Goddelijks is als iets menselijks; zowel iets dat verwekt is door God, als door de mens. Er is "geest" zowel als "vlees". "Wat uit de Geest geboren is, is geest" (Joh.3:6). Deze nieuwe natuur heeft, evenals de oude, verschillende namen. Deze vormen een tegenstelling met elkaar. 1. Hij heet "Geest". Dit is het tegengestelde van "vlees", de naam van de oude natuur; en hij wordt zo genoemd omdat hij geboren of verwekt is door de Heilige Geest (Joh. 3:6). Zoals "vlees" deel heeft aan de natuur van Adam, daar het van hem afstamt, zo heeft de geest deel aan de natuur van de Heilige Geest, daar hij ek tou pneumatos geboren is. 2. De Goddelijke natuur Vandaar dat deze nieuwe natuur, daar hij goddelijk van oorsprong is, theia phusis, Goddelijke natuur (2 Petrus 1:4) heet. Dat is de reden dat er van gezegd wordt dat deze "volmaakt" is en niet in staat een zonde te begaan. 1 Joh. 3:9: "een ieder die uit God (Gr. ek tou Theou) geboren is (gr. gegennemenos, voltooid deelwoord lijdende vorm), brengt geen zonde voort (als vrucht), want Zijn zaad (de nieuwe natuur) blijft in hem en hij (de nieuwe mens) kan niet zondigen, want hij is uit God geboren (gegenetai, voltooid tegenwoordige tijd lijdende vorm)". 1 Joh. 5:18, 19: "wij weten dat een ieder die uit God (Gr. ek tou Theou) geboren is (Gr. gegennemenos, voltooid deelwoord lijdende vorm), niet zondigt; want hij (d.w.z. de nieuwe mens) die uit God (Gr. ek tou Theou) geboren werd (Gr. gennetheis, aorist, lijdend deelwoord) bewaart hem en de boze heeft geen vat op hem. Wij weten (als vaststaand feit) dat we uit God (ek tou Theou) zijn en de gehele wereld in (de macht van) de boze ligt". De nieuwe natuur wordt verpersoonlijkt en er wordt in het mannelijk over gesproken. Dit kan niet doelen op de gelovige als geheel, want als we zeggen, dat "wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot leugenaar en Zijn woord is in ons niet" (1 Joh. 1:10): en voor onze zonden is gezorgd in 1 Joh. 2:1 en 2. Maar de nieuwe natuur is uit God geboren en zondigt niet en ligt niet in (de macht van) de boze. De nieuwe natuur dan, die "geest" is en in de gelovige verwekt of voortgebracht wordt door de inwerking van de Heilige Geest, is Goddelijk. Vandaar dat hij heet 3. De nieuwe mens (Ef. 4:24; Col. 3:10). Dit is het tegengestelde van "de oude mens", wat, zoals we gezien hebben, één van de namen van de oude natuur is. Omdat hij geheel nieuw is, heet hij " een nieuwe schepping" (2 Cor. 5:17; Gal. 6:15). En we lezen dat hij " naar het beeld van Zijn Schepper is" (Col. 3:10). Niets wat minder is, baat in Gods ogen. Hoewel de mens "heel wat kan lijken in het vlees", "doet het geen nut" (Joh. 6:63); "want in Jezus Christus betekent noch de besnijdenis iets, noch de voorhuid, maar een nieuwe schepping" (Gal. 6:15; Col. 3:10,11). In dit verband wordt de nieuwe natuur genoemd 4. "De inwendige mens" (Rom. 7:22, 2 Cor. 4:16, Ef. 3:16). Deze staat in tegenstelling tot "de uitwendige mens", die van dag tot dag aan verval onderhevig is, terwijl deze "inwendige mens van dag tot dag vernieuwd wordt". In 2 Cor. 4:16 gebruikt de N.Vert. "de innerlijke", maar het Grieks en de betekenis zijn dezelfde. In plaats van aan verval onderhevig te zijn, wordt deze voortdurende vernieuwd en van dag tot dag door de Heilige Geest opnieuw gevuld met genade en kracht; zodat Christus op deze wijze door het geloof in het hart woont (Ef. 3.16); en wij iets van Zijn liefde leren kennen, die het verstand te boven gaat, en wordt gevuld met al de volheid Gods (vers 19). Dit verklaart Ef. 1:23 en toont hoe de gemeente die het lichaam van Christus is, "de volheid is van Hem die alles (de noodzakelijke geestelijke genade en sterkte) in allen (alle leden van Zijn lichaam) vervult." De inwendige mens verheugt zich in de wet van God (Rom. 7:22). De andere "onderwerpt zich niet aan de wet van God" (Rom. 7:22). Vandaar het conflict tussen deze twee, dat door zal gaan tot de dood een einde maakt aan de worsteling. Dit maakte dat de apostel Paulus (en allen die gelijk kostbaar geloof hebben) uitroept: "Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam des doods." De genitief "des doods" is waarschijnlijk de genitief van betrekking, zoals in Rom. 8:36, waar het Grieks "schapen van slachting" betekent en vertaaldis als "schapen ter (d.w.z. bestemd voor) slachting". Zo ook hier is "het lichaam des doods" "het lichaam bestemd voor de dood" (Rom. 5:12; Hebr. 9:27): en de kreet is: "wie zal mij hiervan bevrijden?", maar het zegevierend antwoord is: "Ik dank God (dat Hij mij bevrijdt) door Jezus Christus, onze Heer!" (Rom. 7:24). Het volgende vers verschaft ons de volgende benaming. 5. Het verstand (Rom. 7:23, 25) Het woord dat hier voor "het verstand" gebruikt wordt, is nous en geeft de nieuwe natuur aan. Het wordt (zoals "geest") gebruikt in tegenstelling tot vlees, omdat het aangeeft wat inwendig en onzichtbaar is. Dit "verstand" dient, de wet Gods (7:25) en verheugt zich in die wet Gods (vers 22). Vandaar dat "de wet van het verstand" in vers 23 gebruikt wordt voor "de wet Gods". 6. Pneuma-Christou Een andere benaming is pneuma-Christou, geest van Christus of Christusgeest (Rom. 8:9). Er is geen lidwoord in het Grieks. Dit is niet een andere naam voor de Heilige Geest, want de "geest van Christus", als mens, was psychologisch en werd als zodanig bij Zijn dood aan de Vader bevolen (Lukas 23:46). Er is geen andere geest van Christus . Maar deze pneuma-Christou is de nieuwe natuur, die ons tot "zonen van God" maakt, zoals Hij "de Zoon van God" is. In Galaten vinden we aanvulling op dit onderwijs uit Romeinen; en in Galaten 4:6 vinden we de uitleg van Romeinen 8: "Er overmits gij zonen zijt, zo heeft God de pneuma van Zijn Zoon uitgezonden in uwe harten, die roept: Abba, Vader!" Pneuma-Christou is derhalve een andere naam voor de geest van het zoonschap, die we vinden in Rom. 8:15), pneuma huothesis. De nieuwe schepping in ons binnenste wordt zodoende pneuma Christou genoemd, omdat "de Heilige Geest Zelf getuigt met onze geest (of nieuwe natuur), dat wij zonen Gods zijn; "en indien wij zonen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen Christus" (Rom. 8:16, 17) Vandaar dat terecht gezegd kan worden: "indien iemand geen pneuma-Christou (of: de nieuwe natuur) heeft, die behoort Hem niet toe" (Rom. 8:9). Want Christus is de Zoon, Gods en alle zonen Gods bezitten de kostbare gave van een "geest van zoonschap". Daarom word deze pneuma-Christou of Christusgeest genoemd. Indien we dan, met Christus, zonen Gods zijn, zijn wij ook erfgenamen; niet alleen erfgenamen Gods, maar ook mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden" (Rom. 8:17). Dit is het belangrijke feit dat aangetoond wordt door deze naam die aan de nieuwe natuur gegeven wordt. Deze heet pneuma Christou, omdat deze het teken is dat deze Christusgeest is en dus zoonschapsgeest; omdat "wie Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broederen" (Rom. 8:29). Welk een gezegend lot is het onze als "zonen Gods"! Beseffen wij dat pneuma-Christou (of: de nieuwe natuur) ons het recht verschaft op deze verheven benaming? Dat wij niet slechts dienstknechten zijn, maar zonen? niet slechts volk van God, maar de Zonen van God"? En delen in alle zegeningen van Zijn geliefde Zoon? Ja, delen in Zijn zoonschap (Joh. 1:12; 1 Joh. 3:1-3); Zijn volmaakte rechtvaardigheid (Fil. 3:9); Zijn heiligheid (1 Kor. 1:30); Zijn vrede (Fil. 4:7); de verborgen wil van Zijn Vader (1 Joh. 3:1); Zijn heerlijk opstandingslichaam (Fil. 3:21), Zijn komende heerlijkheid (Rom. 8:17; Kol. 3:14; 1 Joh. 3:2); Hemzelf (l Thess. 1:17). En dit alles onder God in ons een nieuwe natuur geschapen heeft, die Hij pneuma-Christou noemt. Maar ondertussen is het, hier op aarde, ons voorrecht in Zijn verwerping te delen. "De wereld kent ons niet, omdat zij Hem niet kent" (1 Joh. 3:1). Laten we niet morren of terneergeslagen zijn. Laten we ons er liever over verheugen dat we een zo verheven lot waardig geacht worden. Juist in verband hiermee komt het rekenen van geloof en hoop en liefde in. "Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden" (Rom. 8:18) Deze volgorde van Griekse woorden toont ons waar de nadruk gelegd moet worden. In ditzelfde vers (Rom. 8:9) en in verband met deze nieuwe natuur wordt een andere naam gegeven. 7. Pneuma-Theou of Goddelijke geest (Rom. 8:9, 14). Het Grieks is letterlijk "geest van God". Niet "de Geest" (want er is geen lidwoord), "Gods geest", of, zoals we ook mogen vertalen, Goddelijke geest. De tweemaal dat deze uitdrukking in dit hoofdstuk voorkomt, tonen ons alles wat we kunnen weten over dit aspect van de nieuwe natuur. Hij wordt zo genoemd omdat de gedachte die er zo aan verbonden wordt is, dat hij van God komt. God is schepper en gever van de nieuwe natuur. Hij is nieuw in tegenstelling tot de oude. Hij is "geest" omdat hij staat tegenover het "vlees". Hij is "inwendig" in tegenstelling tot "uitwendig". Hij is "verstand" in tegenstelling tot lichaam. Hij is pneuma-Christou of zoonschapsgeest omdat hij staat tegenover geest der slavernij. En hij is pneuma-Theou of Goddelijk geest omdat hij van boven, van God is; en is verwekt: "niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren" (Joh. 1:13). Zij die zo verwekt zijn, hebben het recht genoemd te worden "zonen van God". De twee verzen in Romeinen 8 waarin deze naam voor de nieuwe natuur gebruikt wordt (9 en 14), geeft ons alles wat we over dit aspect er van kunnen leren: Vers 9 "gij zult niet in vlees, maar in pneuma, althans, indien pneuma-Theou in U woont". Vers 14 "Zovelen als er geleid worden door pneuma-Theou, zijn zonen Gods" (als in Joh. 1:12, 13). Dit voltooit de namen voor de nieuwe natuur en van die namen leren we de kostbare waarheden die er in geopenbaard worden. Iedere naam heeft zijn eigen aspect en toont een of ander bijzonder onderwijs dat er mee verbonden is. Zoals we eerst de namen en eigenschappen van de oude mens gaven en vervolgens zijn aard en einde, zo hebben we nu de namen en eigenschappen van de nieuwe natuur gegeven en bewaren onze opmerkingen over zijn aard en einde voor het volgende hoofdstuk. We kunnen nu aandacht schenken over wat ons geleerd wordt over de nieuwe natuur zelf. We hebben zijn verschillende namen en eigenschappen gezien en wensen nu te leren wat er gezegd wordt over zijn aard en einde. 1. Hij kan niet veranderd worden. In dit opzicht is hij als de oude natuur: "Wat uit de Geest geboren is, is geest" en blijft geest (Joh. 3:6). Geen macht ter wereld kan hem ooit in vlees veranderen, of zijn aard wijzigen. Hij is goddelijk van oorsprong en volmaakt van aard (1 Joh. 3:9; 4:18). Zijn oorsprong is de Geest van God (Joh. 6:63). Zijn instrument is het Woord van God (1 Petr. 1:22, 23; Joh. 6:63). Hij wordt niet gewijzigd noch beïnvloed door welke ook van de zwakheden, tekortkomingen of zonden van het vlees. Door hem zijn wij gemaakt tot zonen Gods; en hij is voor ons het bewijs dat God onze Vader is. De gave van deze nieuwe natuur, of geest, heet onze "verzegeling", die onze is als wij geloven (Ef. 1:13). Eens dat we dit gezegende feit leren kennen en geloven, wordt het moeilijk, zo niet onmogelijk, voor ons te bidden; "Neem Uw Heilige Geest niet van ons." Neen! God zal nooit die nieuwe geest die Hij in hun binnenste geplaatst heeft, van Zijn kinderen wegnemen, want "de genadegaven en roeping Gods zijn onberouwelijk" (Rom. 11:29). Indien Israël, hoewel voor een tijd verstoten (niet weggeworpen), "geliefden om der vaderen wil" zijn (Rom. 11:28), zijn de zonen van God Zijn geliefden ter wille van Hemzelf. Want, zoals geschreven staat in Rom. 8:30: "Wie Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en wie Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en wie Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt". Genade geeft de verzekering van heerlijkheid, want "de Here zal genade en heerlijkheid geven" (Ps. 84:11). Indien Hij de genade geeft, is dit het onderpand dat Hij de heerlijkheid zal geven. Dit volgt noodzakelijkerwijs. Hij zal ons niet "volmaakt in Jezus Christus" (Kol. 1.28) maken en dan als onvolmaakt beschouwen. Hij zal niet Christus onze rechtvaardigheid en heiligheid maken (1 Kor. 1:30) en dan Zijn eigen werk ongedaan maken. Eens dat wij "volkomen" zijn in Christus (Kol. 2:10), kunnen we niet onvolkomen worden. Hij zal het werk van Zijn eigen handen niet verloochenen of in de steek laten (Ps. 138:8). Deze verborgenheid of geheim was "door God bepaald voor de wereld", en er wordt nog speciaal van gezegd dat het was "met het oog op onze heerlijkheid" (1 Kor. 2:7). We kunnen er zodoende volmaakt zeker van zijn dat Zijn voornemen niet kan en zal mislukken; en dat het zal eindigen in "onze heerlijkheid". De nieuwe natuur, gegeven door louter genade van God, zal noodzakelijkerwijs eindigen in de eeuwige heerlijkheid Gods. Hij kwam van God en moet tot God terugkeren. Deze nieuwe natuur kan niet verbeurd worden — neen, zelfs niet door de zonde, want zelfs in deze mogelijkheid is voorzien in 1 Joh. 2:1, 2: "En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den rechtvaardige; en Hij is (en blijft) een verzoening voor onze zonden". In dit verband, wanneer we zondigen, worden we er aan herinnerd dat God nog steeds onze "Vader" is en dat we nog steeds Zijn kinderen zijn: de verbinding is niet verbroken. "Indien iemand zondigt"; wat dan? In dat geval wordt ons niet gezegd wat wij zijn, maar wat Christus is. We worden niet herinnerd aan wat wij gedaan hebben5 maar aan wat Hij gedaan heeft. We worden niet naar onszelf verwezen en naar onze belijdenis, maar onze aandacht wordt gericht op Christus en Zijn positie. Onze gedachten worden niet in beslag genomen door onze vernedering, maar door Christus "" verzoening": dat is altijd voor de ogen van de Vader, want Christus is daar en wij zijn daar in Hem. Onze belijdenis werd eens voor altijd gedaan toen wij, door genade, de plaats van de verloren zondaar innamen (1 Joh. 1:9); en toen we, door geloof, onze hand legden op Christus als het zondoffer en daar erkenden dat we verloren zondaars waren. Toen werden wij "verzegeld" (toen we dit geloofden); en onze positie en stand voor God werd verzekerd en veilig gesteld door de gave van de nieuwe natuur. Zo zeker is onze stand in Christus dat er twee Voorspraken, of Troosters, gegeven zijn. Het woord is Parakletos en betekent iemand die te hulp geroepen is om hulp, troost, voorspraak, of wat ook nodig mocht zijn, te geven. Het komt alleen voor in de geschriften van Johannes en wordt in zijn evangelie vertaald met "Trooster" en met "Voorspraak" in zijn brief. Maar het feit blijft dat Christus ons in het evangelie vertelt dat wij een Voorspraak (de Heilige Geest) bij ons hebben, opdat we niet zullen zondigen: en de Heilige Geest vertelt ons in de brief dat we een andere Voorspraak (Jezus Christus de Rechtvaardige) hebben bij de Vader voor het geval dat we zondigen. Zo is alles tevoren geweten, tevoren gezien en geregeld, en niets kan deze heerlijke gave van God verbeuren. Evenmin zal God ooit Zijn gave herroepen, of die geest of nieuwe natuur van ons nemen, die Hij in ons, Zijn zonen, geplant heeft, toen Hij ons op deze wijze verzegelde als Zijn kinderen. 2. Het einde is eeuwig leven De nieuwe natuur is Leven en vrede" (Rom. 8:6). Het lichaam is dood (d.w.z. gerekend als gestorven) omwille van de zonde, maar de geest (of nieuwe natuur) is leven omwille van de rechtvaardigheid. De gave van de nieuwe natuur aan hen die, nadat ze gestorven zijn met Christus, voortaan rechtvaardig zijn in Zijn rechtvaardigheid, is "eeuwig leven". Dit is de reden dat de Here Jezus zegt: "zij zullen nimmermeer verloren gaan en niemand zal ze uit Mijn hand rukken" (Job. 10:28). Dit wordt gezegd omdat ze de gave van eeuwig leven ontvangen hebben. Zoals het einde van de oude natuur de "dood" is, zo is het einde van de nieuwe natuur het "leven", — "eeuwig leven" dat geen eind heeft. Vandaar dat er geschreven staat: "Want wie op (den akker van) zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op (de akker van) de geest zaait, zal uit de geest eeuwig leven oogsten" (Gal. 6:8). Dit is het wat een derde waarheid met zich brengt en een feit met betrekking tot het einde van de nieuwe natuur die het grootste en gezegendste resultaat zal zijn van het bezitten van deze onschatbare gave, n.1.: 3. De uitkomst: Opstanding De uitkomst en het einde van de nieuwe natuur zal de opstanding zijn (Rom. 8:11). Want "Indien de pneuma (d.w.z. de gave van de geest, of nieuwe natuur) van Hem, die Jezus uit (de) doden heeft opgewekt, in U woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit (doden opgewekt beeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken vanwege Zijn pneuma (of geest, d.w.z. de nieuwe natuur), die in u woont." Let er op dat in dit ene vers de opstanding van de Heer twee maal genoemd wordt: eerst het feit van Zijn eigen opstanding als "Jezus" (de nederige, vernederd in de dood); vervolgens het leerstuk dat Hij opgewekt werd als "Christus" de Verheerlijkte, het Hoofd van het Lichaam (1 Kor. 12:12), en op deze wijze de opstanding nodig makend van alle leden van dat Lichaam. Het is omdat deze leden "Goddelijke geest" bezitten, of pneuma-Christou (Rom. 8:9), dat zij gerekend worden als te zijn opgestaan, toen Hij, het Hoofd van het lichaam,"verrees. Dit is kennen "de kracht van Zijn opstanding" (Fil. 3:10). Dit is heel verschillend van weten wat tegenwoordig door de traditie geleerd wordt. Het bezit van de nieuwe natuur is, indien we het maar goed willen begrijpen, het stellig en zeker onderpand dat we weer zullen leven; en dat deze sterfelijke lichamen van onze vernedering gelijk gemaakt zullen worden aan het verheerlijkte lichaam van die verrezen Christus (Fil. 3:21). Geen wonder dat zij die het onderwijs aangaande de twee naturen niet begrijpen, ook het onderwijs aangaande de opstanding niet begrijpen. Geen wonder dat zij misleid worden door valse verwachtingen, zowel met betrekking tot dit leven als het komende. In dit leven hebben zij de valse hoop dat te kunnen verbeteren dat nooit verbeterd kan worden: en voor het komende leven hebben ze de valse hoop op heerlijkheid zonder opstanding, wat nooit werkelijkheid kan worden. Het ene is een vruchteloze taak, en het andere een ongegronde hoop. Tezamen maken zij de zekere en stellige woorden van de Schrift waardeloos: want alleen doordat wij "met onze woonstede (of geestelijk lichaam) uit de hemel overkleed worden, zal het sterfelijke door het leven verslonden worden" (2 Kor. 5:2-4). En pas in de opstanding, niet eerder, en dus niet bij de dood, zal "dit vergankelijke (lichaam) onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke (lichaam) onsterfelijkheid aandoen" (1 Kor. 15:54). Door de traditie wordt deze kostbare waarheid verdraaid; en wil men ons de zekerheid geven dat dit bij de dood plaats vindt. Zodoende beroven zij het onderwijs betreffende de nieuwe natuur van zijn heerlijke kroon, de gezegende hoop dat Hij die Christus deed opstaan uit de doden, ook onze sterfelijke lichamen weer levend zal maken dank zij Zijn Goddelijke natuur die in ons woont (Rom. 8:11). Zo wordt de gezegende hoop van de opstanding praktisch opzij gezet door te zeggen "dat de opstanding al plaats gevonden heeft" (2 Tim. 2:18). In plaats dat de taal van de Schrift voldoende is voor de leraren van deze tijd, wordt de hulp ingeroepen van de taal van de heidenen en spiritisten. Hun terminologie wordt aangenomen in plaats van de zekere en stellige woorden van God. Zo wordt het menselijke woord "heengaan" gesteld voor het Schriftuurlijke "ontslapen". "Geen dood" in plaats van Gods woord "dood". En een tegenwoordige "overgang" in plaats van de toekomstige "verandering". Het is wat de Schrift noemt "het Woord Gods bedrieglijk hanteren" (2 Kor. 4:2). De tekst wordt gebruikt: "bij was niet meer, want God nam hem weg". Maar deze woorden worden in de Schrift gebruikt van Henoch, die nooit stierf en dus ook nooit een opstanding nodig kon hebben. Henoch werd "opgenomen opdat bij de dood niet zou zien" (Hebr. 11:5); en dit wordt (in Gen. 5:24) met andere woorden gezegd: "hij was niet meer, want God nam hem weg". Maar deze woorden worden nu gebruikt van iemand die wel gestorven is. Wat is dit anders dan zeggen dat de overledene door de dood verkreeg wat Henoch alleen maar door wegneming verkreeg? Wat is dit anders dan de volledige ontkenning van de opstanding? En betekent dit anders dan praktisch te zeggen (althans voor de gestorvenen) dat "de opstanding reeds heeft plaats gevonden" (2 Tim. 2:18)? Wat is dit anders dan lering van hen wier "woord doorvreet als de kanker . . . die betreffende de waarheid gedwaald hebben . . . en het geloof omvergeworpen", niet van enkelen, maar van velen? Een eminent Amerikaans geleerde sprak eens over het "artikel des doods" — een korte kritiek er op in een godsdienstig tijdschrift eindigde aldus: "Een ziel die bewust is moet in de dood het ogenblik van afrekenen met een rechter vinden, of het ogenblik om zich naar een Zaligmaker te spoeden. Dit mag ouderwets zijn, maar het is een waar woord." Ja, het is "oud": zo oud als Gen. 3:4; maar het is niet "waar". Het mag dan een "leerstelling" zijn, en het mag dan "theologie" zijn, maar het is niet "de Schrift". De Schrift geeft ons de zekerheid (van een van deze twee groepen in ieder geval) dat "wij die levend overblijven tot de toekomst des Heren, in geen geval de ontslapenen zullen voorgaan" (1 Thess. 4:15). Maar volgens bovengenoemde "ouderwetse leer", zullen wij hen voorgaan; want zonder opstanding zullen wij ons "naar een Zaligmaker spoeden"; maar volgens deze opvatting is dat door te sterven en niet door levend over te blijven tot de toekomst des Heren. Volgens deze "leer" had 1 Thess. 4:15 als volgt geschreven moeten zijn: "wij die levend overblijven . . zullen hen volgen die ons voorgegaan zijn". Maar zo staat het niet geschreven. En zij die tevreden zijn met het Woord Gods zullen aan "die gezegende verwachting" vast houden en "Gods Zoon verwachten van de hemel" (1 Thess. 1:10). Wij willen "die gezegende hoop", die God ons in Zijn Woord gegeven heeft, niet ruilen voor deze valse en ongegronde hoop, die uitgedacht was door de grote vijand van die waarheid, geboren in Babylon, gevoed door de overlevering en geloofd door godsdienstigen van allerlei aard. Een valse hoop gelijkelijk te vinden onder de heidenen, de spiritisten, en ieder groot vals godsdienstig systeem, maar die onbekend is aan het stellige Woord Gods. Terecht zei de Zaligmaker van deze leer der opstanding: "Gij dwaalt, niet kennende de Schriften, noch de kracht Gods" (Matth. 22:29). Neen! Wij zouden, evenmin als de apostel Paulus, niet "naakt" in de dood willen zijn (2 Kor. 5:4), maar willen wachten op onze opstanding, wanneer "de Heer Zelf zal nederdalen van de hemel". Indien we geroepen worden "in te slapen", zullen we dit doen in de zekere en stellige verwachting van de opstanding, "ernstig verlangende overkleed te worden met onze woonstede (of lichaam) uit de hemel (vers 2), opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden" (2 Kor. 5:4): en wij zullen, in onze opstandingslichamen, gelijk gemaakt worden aan des Heren eigen verheerlijkte lichaam (Fil. 3:21) en "tegenwoordig (thuis) zijn met de Heer". Dit is in 2 Kor. 5:1-9 (dat begint met het woord "want") de conclusie van de verklaring die in 2 Kor. 4:14 begon met de woorden: "Wetende dat Hij, die de Here Jezus opgewekt heeft, ook ons met Jezus zal opwekken en met U voor Zich stellen." Dit is het heerlijke einde van de tweede natuur. Zoals de oude natuur eindigt in dood en verderf, zo zal de nieuwe eindigen in verandering of opstanding. Want "het loon der zonde is de dood, maar de genadegave Gods is eeuwig leven, door Jezus Christus onze Heer" (Rom. 6:23). Het ene is Gods veroordeling, het andere is Gods genade. De ene is het "loon" der zonde; het andere is de "gave" van de genade. Deze gave is uitsluitend in het bezit van en zal alleen genoten worden door hen aan wie hij "gegeven" wordt. De Here Jezus verklaarde in Zijn laatste gebed dat de Vader Hem macht gegeven had "eeuwig leven te geven aan zovelen als Gij mij gegeven hebt" (Joh. 17:2, 6, 9, 11, 24). Daarom staat er geschreven: "Dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet" (1 Job. 5:11, 12). Deze woorden geven uitdrukking aan een Goddelijke waarheid van algemene aard; en zij zijn waarheid niet alleen van de Gemeente, maar van allen aan wie deze "gave" zal worden "gegeven". In het bijzonder is dit waar van hen die "in Christus" zijn, zonen Gods, erfgenamen Gods, mede-erfgenamen met Christus. Nu we zoveel geleerd hebben over de kenmerken van de twee naturen uit Romeinen 6-8, moeten we nu ook de ervaring en het onderwijs er over leren, daar ze bestaan in de ene persoonlijkheid. Dit onderwijs wordt voornamelijk gegeven in Romeinen 7. leder kind van God heeft de ervaring, maar niet ieder dergelijk kind kent het onderwijs. Dit betekent niets dan narigheid, verwarring, twijfel en zorg. Geen rust kan gevonden worden, geen vrede genoten worden, tenzij we zelf uit Gods Woord leren wat Zijn eigen uitleg is betreffende de strijd tussen de twee naturen. De ervaring van deze strijd is narigheid en onrust; en alleen maar de kennis van het ware onderwijs er over kan die narigheid verwijderen; en niet alleen verwijdert het die, maar tegelijkertijd verschaft het ons de grootste zekerheid die we op aarde met mogelijkheid kunnen hebben dat we kinderen van God zijn. De ervaring van dit conflict is het ene ding, waarin het ware kind van God verschilt van de alleen maar godsdienstige mens. Deze laatste weet er niets van; noch van een blijvend gevoel van inwendig bederf dat deze ervaring altijd schept. Het feit zelf van deze ervaring van de strijd is dan ook de beste en inderdaad de enig werkelijke verzekering die we kunnen hebben dat we "uit God geboren" zijn (1 Joh. 3:9); dat we Zijn maaksel" zijn (Ef. 2:10); en dat Hij in ons dat goede werk begonnen is dat Hij zal voortzetten, uitvoeren, voleindigen en vervolmaken betreffende ons (Fil. 1:6). Het juiste begrip van het onderwijs betreffende deze ervaring kan ons alleen maar vrede en gerustheid geven: en zonder dit moet alles wel narigheid, onrust en verwarring zijn. Dit is het nu wat het onderwerp is van Romeinen 7. Laten we eens zien hoe dit past in de algemene structuur van de Brief. Het maakt deel uit van een groter onderdeel, dat begint bij hoofdstuk 5:12 en doorgaat tot het einde van het achtste hoofdstuk (8:39). Het onderwerp is zonde (of: de zondige natuur). De structuur van Romeinen 5:12-8:39. Uit de structuur van dit gedeelte zien we dat het conflict ontstaat door de zonde (d.w.z. de oude, zondige natuur) in ons, hoewel we met Christus opgestaan zijn. Dit is het onderwerp van hoofdstuk 7, vanaf het zevende vers (niet van het hele hoofdstuk). De eerste zes verzen van hoofdstuk 7 behoren bij hoofdstuk 6; en het doel in onderdeel B (6:7-7:6) is aan te tonen dat we niet in, of niet langer beschouwd worden te zijn onder, de veroordeling van de zonde, aangezien we in Christus gestorven zijn. Het doel van hoofdstuk 7:1-6 is aan te tonen hoe de heerschappij van de wet alleen gedurende het leven uitgeoefend kan worden (vers 1). De dood bevrijdt ons van de eis tegen ons (vers 2). Dit wordt verduidelijkt met het geval van een getrouwde vrouw, die opnieuw wettig mag trouwen als haar man overleden is (vers 3). De gevolgtrekking is dat wij die met Christus gestorven zijn (vers 4), dan ook vrij zijn van de wet en met Christus verenigd kunnen worden in een totaal nieuwe sfeer — in het opstandingsleven (vers 4); en dat wij, daar we met Christus gestorven zijn, volledig vrij zijn van het gezag en de macht en de eisen van de wet. Deze laatste paragraaf kan in de volgende structuur getoond worden: Romeinen 7:1-6. De weg is nu vrij om te leren dat, al zijn we niet langer in onze zonden, de zonde in ons is; en vanaf het ogenblik dat de nieuwe natuur in ons geplant is, openbaart hij de aanwezigheid van de oude natuur; en de strijd tussen hen begint. "Deze strijden tegen elkaar, zodat gij niet de dingen kunt doen die gij zoudt willen" (Gal. 5:17). De twee naturen wonen naast elkaar in de ene persoonlijkheid. Zoals de ent van de roos op een wilde stam, of van een appel op een wilde stam, is het een boom; maar alles wat boven de ent groeit, is een nieuw soort vrucht, terwijl alles wat vanuit de oude stam groeit, onder de ent, tot de natuur van de oude boom hoort en zorgvuldig en voortdurend met het snoeimes weggesnoeid wordt. De ervaring is zo dooreengestrengeld, dat het moeilijk is voor menselijke woorden om te beschrijven of uit te leggen. Alleen "het Woord van God" kan dit doen, niets anders. "Het gaat door tot de verdeling der ziel (d.w.z. ziellijk of natuurlijk, de oude natuur) en des geestes (d.w.z. de nieuwe natuur); en is een oordeler (en zelfs een veroordeler) der gedachten en der overleggingen des harten (d.w.z. de oude natuur) (Hebr. 4:12). En het is juist uit het hart (of de oude natuur) dat boze gedachten voortkomen (Matth. 15:18-20). Het Woord Gods is in staat deze gedachten en overleggingen" te "oordelen" en maakt het ons mogelijk die te oordelen en te veroordelen; wat meer is, maakt het ons mogelijk te onderscheiden en scheiding te brengen tussen wat behoort tot de oude en wat behoort tot de nieuwe natuur. Zoals de twee naturen zich in de ene persoon bevinden, zo heeft de "ik" in Romeinen 7 nu eens betrekking op de een, dan weer op de ander. Vandaar dat we lezen: "Want ik weet (als een vanzelfsprekende zaak uit Gods Woord) dat in mij, dat is in mijn vlees (mijn oude natuur) geen goed woont. Want het willen (om goed te doen) is wel bij mij, maar het uitwerken van dat goede willen vind ik niet. Want het goede dat ik wil (doen), breng ik niet in praktijk; maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik. Maar indien ik in praktijk breng wat ik niet wil, ben ik het niet langer die het uitwerkt, maar de zonde die in mij woont. Ik vind dan deze wet in mij die het goede in praktijk wil brengen, dat het kwade altijd bij mij aanwezig is. Want ik verheug mij in de wet Gods naar de inwendige mens (de nieuwe natuur): maar ik zie een andere wet in mijn leden, die strijd voert tegen de wet van mijn gemoed (of nieuwe natuur), en mij gevangen leidt onder de wet der zonde die in mijn leden is". Hier vinden we dus een zeer duidelijke verklaring dat de nieuwe natuur (genoemd de "inwendige mens" en het "gemoed") zich verheugt in Gods wet; terwijl daar terzelfdertijd de oude natuur is (genoemd "het vlees"), die zich er over verheugt zijn eigen wet te gehoorzamen, en een voortdurende strijd voert tegen de nieuwe natuur. Het resultaat van deze nimmer eindigende strijd is de ellendigheid die het ego er toe leidt in het volgende vers te stamelen: "0 ellendige — ik -mens," wat vertaald is "0 ellendig mens (die) ik (ben), wie zal mij verlossen van dit lichaam (bestemd tot de) dood? Maar Gode zij gedankt, (Hij zal mij verlossen) door Jezus Christus onze Heer". Ja, Hij zal allen verlossen die dit conflict kennen, op de enig mogelijke manier: alleen door de opstanding zal de dood "verslonden worden in overwinning". Dan zullen we niet langer uitroepen "0 ellendig mens", maar "0 dood, waar is uw prikkel? 0 graf waar is uw overwinning?" Dat zal het einde zijn van deze strijd. Zo iemand kan heel goed uitroepen "Gode zij gedankt, (Hij zal mij verlossen) door Jezus Christus." Dit is nu onze uitroep in geduld en geloof. Maar het ogenblik komt dat we inderdaad zullen uitroepen: "Dank zij aan God, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus" (1 Kor. 15:54-57). Met het oog op deze gezegende hoop kan deze openbaring heel goed eindigen met de aansporing: "Weest gij standvastig, onbewogen, altijd overvloedig in het werk van de Heer". Weest niet bewogen door de wisselvalligheden en ervaringen van het conflict. Wees verheugd in de tegenwoordige verzekering van genade met betrekking tot onze volmaking in Christus Jezus; weest verheugd in de belofte van de toekomstige overwinning, wanneer Hij ons gelijk zal maken aan Zijn eigen lichaam in heerlijkheid. Dan zullen wij vrij zijn om bezig te zijn in het werk des Heren, wat meer is, om er "overvloedig" in te zijn. Niet langer er naar streven de vijand te verdelgen, of van een tijdelijke overwinning te genieten die wij over hem zouden mogen behalen; maar vooruit zien naar die grote uiteindelijke overwinning die Hij beloofd heeft te "geven". Een zekere soort van hedendaagse heiligingsleer in deze sfeer van waarheid, berooft deze van al zijn schoonheid en macht. Deze leer beseft wel het conflict in ons binnenste, maar zou ons graag bezig zien in de hopeloze taak de oude natuur te verbeteren of uit te roeien. Het maakt dat wij zodoende op zijn allerbest met onszelf bezig zijn, en dat wij voorbijgaan aan de nadrukkelijke verzekering in Gods Woord dat de oude natuur, of het vlees, nooit in geest veranderd kan worden. En gesteld dat deze uitgeroeid moet worden, waar moet hij heen? Wat moet er van hem worden? Hij is "vlees"; en niets kan de last van het "vlees" beëindigen dan dood en opstanding. Geen overgave, hoe totaal ook, geen geloof kan het "vlees" kwijt raken. Hij is geboren uit vlees en is vlees. Het is zoveel kilo in gewicht. Hoe kan dit uitgeroeid worden? En uitgeroeid waar uit? We raken alleen maar in verwarring van deze soort, zodra we niet-schriftuurlijke termen gebruiken; maar in dit geval is de term "uitroeiing" niet alleen niet-schriftuurlijk, maar zelfs onschriftuurlijk. Het woord van de Schrift is "verlossing" en "overwinning", en dit is niet overwinning over "zonden" als zodanig, maar over de "zonde" zelf, over dit tot de dood bestemde "lichaam. Deze "verlossing" zal alleen in de opstanding ervaren worden. We worden verlost van onze "zonden" hier en nu. Onze behoudenis door, en in, Christus verzekert ons hier van. Voor die zonden werd Hij overgeleverd (Rom. 4:25). Deze heeft God vergeven (Rom. 3:25). Deze worden alle vergeven en bedekt (Rom. 4:7; Kol. 2:13). Wij zijn niet langer in onze overtredingen en zonden. Daar waren wij eens in, zoals geschreven staat in Efeze 2:1-3: "en u (heeft Hij opgewekt) daar gij dood waart door de misdaden en zonden, in welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar de overste van de macht der lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid (of: ongeloof), onder welke ook wij eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vlezes (of: oude natuur), doende de wil des vlezes en der gedachten (of ons hart, of oude natuur) en wij waren van nature kinderen bestemd tot toorn, gelijk ook de anderen" (Ef. 2:2,3); want "om deze dingen komt de toorn Gods over de zonen der ongehoorzaamheid (of ongeloof)" (Ef. 5:6). Maar van al deze zonden zijn wij verlost; van al die "ver weg" afstand zijn wij "nabij gebracht door het bloed van Christus" (Ef. 2:13). Het is nu niet meer een kwestie van "zonden", maar van "zonde". Wij zijn niet meer in onze zonden; maar de "zonde" is in ons. Dit is het grote onderwerp in Romeinen 7; en we voelen de bewegingen en aandrijvingen van de "zonde", ja, wij voelen die het meest wanneer we goed zouden willen doen. Droevig is deze ervaring. Ja, de oude natuur schijnt veel boosaardiger door de aanwezigheid van de nieuwe. De nieuwe natuur schijnt de oude te prikkelen en de tegenstand ervan zoveel verbitterder te maken. Het is alsof het de oude natuur helemaal niet aanstaat dat een nieuwe huurder zijn intrek neemt. Pas als de nieuwe huurder zijn gezegend licht binnen rond straalt, zien we of beseffen we de diepte en de macht van de oude. Er zijn mensen die er over verbaasd gestaan hebben neigingen en verlangens in zich zelf te ontdekken waarvan zij het bestaan tevoren niet kenden. "In het verleden" voerden zij deze verlangens eenvoudig uit, daar zij "dood" waren voor ieder besef van hun ware natuur en afschuwelijk karakter. Maar nu is er een nieuwe wil die de leden richting geeft. De leden waren eens volledig onder de overheersing van de oude wil; maar zij zijn nu vrijgemaakt van hun onderhorigheid. De oude wil heeft niet langer heerschappij over hen (Rom. 6:14). De oude wil is in ons en doet alle mogelijke moeite onze leden te beïnvloeden; maar hij heeft niet langer de macht. Het conflict tussen de twee naturen kan vergeleken worden met een schip waarop een nieuwe kapitein is aangesteld door de reders. De oude kapitein heeft zo lang het commando gehad en zijn vijandschap jegens de reders is zo groot, dat hij het vaartuig praktisch als zijn eigendom beschouwd heeft en de bemanning in volledige slavernij gehouden heeft. De bemanning heeft zich daaraan onderworpen omdat ze geen enkel ander gezag kenden, noch begrepen wat werkelijke vrijheid was om dienst te nemen. Maar nu de nieuwe kapitein het gezag heeft gekregen, beginnen ze tot de ontdekking te komen wat het verschil is. De nieuwe kapitein heeft voortaan altijd het gezag over het roer en over het hele schip. Het schip is hetzelfde, de bemanning is dezelfde. Zelfs de oude kapitein blijft aan boord. De lastgeving die de nieuwe kapitein aan boord heeft gebracht, zegt dat de oude kapitein beoordeeld en veroordeeld is; maar het vonnis kan alleen uitgevoerd worden door daartoe aangestelde wettige gezagsdragers, zodra ze de haven bereiken. Ze kunnen hem niet aan wal zetten, noch hem over boord werpen. Maar bij "staat niet langer aan het roer, noch leidt hij de koers van het schip". Hij tracht van tijd tot tijd het roer in handen te krijgen, maar tevergeefs. Hij slaagt er soms in zijn oude invloed uit te oefenen door ontevredenheid te verwekken in sommige leden van de bemanning; want hij kent hen en hun zwakheden maar al te goed uit de tijd dat hij nog het volledig gezag over hen uitoefende. Van tijd tot tijd koopt hij sommigen van hen om of verleidt ze tot daden van ongehoorzaamheid, waar ze later ernstig spijt over hebben. Maar de oude kapitein kan niet aan de "scheepspapieren" komen. Die zijn nu volledig buiten zijn bereik gebracht, waar hij ze niet kan aanraken. Hij kan er niet in slagen de koers van het schip te wijzigen; of de haven waarheen het nu op weg is. Hij leest de lastgeving niet; en als hij er al een blik in zou werpen, begrijpt hij die niet (1 Kor. 2:14). De bemanning stond hem eertijds ten dienste en voerde uitsluitend zijn wil uit: maar nu is er geen enkele verplichting voor wie ook om zijn bevelen te gehoorzamen of zijn gezag te erkennen. Zij zijn daarvan vrijgemaakt en staan voortaan onder de bevelen van een nieuwe commandant. Zij moeten de oude kapitein als reeds veroordeeld "beschouwen"; alleen het vonnis moet nog uitgevoerd worden. Wat betreft zijn macht over hen, moeten zij zichzelf "zo goed als dood beschouwen" voor zover het hem betreft. Dit is waar Rom. 6:17-19 over handelt. "Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten (of slaven) der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer, tot hetwelk gij overgegeven zijt, en vrijgemaakt zijnde van (de heerschappij van) de zonde, zijt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid. Ik spreek op menselijke wijze, om der zwakheid uws vlezes wil; want gelijk gij (eens) uw leden gesteld hebt dienstbaar aan (het werken van) onreinheid en der ongerechtigheid tot (het werken van) ongerechtigheid, alzo stelt gij nu uwe leden dienstbaar aan de gerechtigheid tot (het werken van) heiligmaking." We zijn niet alleen bevrijd van onze zonden, maar ook gebracht tot deze vorm van onderwijs, indien wij "zo Christus geleerd hebben" (Ef. 4:20). Maar de vraag is: hebben wij "Christus zo geleerd"? en hebben wij de heerlijke verlossing leren kennen die we in Hem en door Hem verkregen hebben? Dit is de toepassing die de apostel maakt van deze "vorm van onderwijs" gegeven in Romeinen 6. Na er over te spreken hoe "andere heidenen wandelen", die deze verlossing niet kennen, wendt hij zich tot deze heiligen in Efeze en zegt (Ef. 4:20): "Doch gij hebt Christus alzo niet geleerd, indien gij maar Hem gehoord hebt en door Hem geleerd zijt (gelijk de waarheid in Jezus is), te weten dat gij afgelegd hebt, aangaande de vorige wandel, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding, en dat gij zoudt vernieuwd worden in de geest, dat wil zeggen in uw gemoed (of nieuwe natuur), en de nieuwe mens aangedaan hebben, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Daarom afgelegd hebbende de leugen, spreekt de waarheid een iegelijk met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden" (Ef. 4:20-25). Dit gedeelte spreekt over wat zij hadden gedaan als gevolg van het ontvangen van de nieuwe natuur. Het vertelde hen niet wat zij moesten doen. Zij moesten de oude mens niet afleggen, dat was reeds gebeurd. Zij worden herinnerd aan wat zij reeds geleerd hadden van, of over, Christus, en de gezegende positie van de gelovige met betrekking tot het conflict tussen de twee naturen. Dit is de "waarheid" waar de leden van het lichaam met elkaar over moeten spreken (vers 25). We moeten elkaar er aan herinneren dat de oude mens uit zijn heerschappij gestoten is en dat we onder de heerschappij van de nieuwe mens gebracht zijn. Op de wijze en tijden van de werkwoorden in dit gedeelte dient nauwkeurig gelet te worden. Want tenzij we het onderwijs over de twee naturen kennen, zullen we de draagwijdte van dit gedeelte missen. En indien we de draagwijdte niet onderscheiden, kunnen we de wijzen en tijden van de werkwoorden niet begrijpen. Het zijn alle voltooide onbepaalde wijzen en niet gebiedende wijzen. Het zijn geen bevelen die ons opdragen iets te doen wat al gedaan is. Deze heiligen in Efeze krijgen niet het bevel iets "af te leggen" of iets "aan te doen", maar aangezien alles voor hen en voor ons door God gedaan is, wordt alleen maar bevel gegeven te "spreken" over deze kostbare "waarheid" met de andere leden van het ene lichaam. En indien we "alzo Christus geleerd hebben" en "Hem gehoord hebben" en "door Hem onderwezen zijn", is dit wat we zullen doen. We zullen dit niet doen indien we geluisterd hebben naar de mens en door de mens onderwezen zijn. De mens zal ons leren en vertellen dat we ons leven er aan moeten besteden om "de oude mens af te leggen", en te zwoegen om "de nieuwe mens aan te doen". Hij zal ons deze hopeloze taken opleggen en ons zodoende in een nieuw soort slavernij brengen: zoveel te bedrieglijker en gevaarlijker omdat het een goed werk schijnt te zijn. Maar het is evengoed slavernij. Het is niet de "waarheid" die we van Christus leren. Het is niet de "vorm van onderwijs" waartoe we gebracht zijn. Wij zijn niet uit de ene s lavernij verlost om aan de andere uitgeleverd te worden; hoe schoonschijnend dit ook mag lijken. Het onderwijs van de mens gaat volledig voorbij aan het onderwijs aangaande de twee naturen en is gewijd aan regels en voorschriften om de oude natuur (de enige die hij kent) in bedwang te houden. Of ook, waar het onderwijs bekend is, wordt het krachteloos gemaakt door niet alles te weten wat "door Hem onderwezen" wordt aangaande onze tegenwoordige verlossing van de oude mens nu, door het rekenen van het geloof (Rom. 6:11); en de toekomstige en volmaakte verlossing er van in de opstanding (Rom. 7:24; 1 Kor. 15:57). Vandaar dat het onderwijs van de mens de gezegende leer verdraait door ons te beloven dat we, indien we de voorschriften ervan opvolgen, de oude natuur nu kwijt kunnen raken door onze eigen daden van "overgave" en zodoende maakt het de weg vrij voor het volledig voorbijgaan en verwaarlozen van de enige verlossing die God beloofd heeft door middel van de opstanding "door onze Here Jezus Christus"; en door de dood er voor in de plaats te stellen als onze hoop. Dat is dan ook de reden dat "de hoop van de Opstanding" is verdrongen door de Babylonische overlevering van de dood en een "tussentoestand", die zo algemeen in de plaats van het Woord Gods gesteld wordt. Er zijn verantwoordelijkheden die de leer van de twee naturen ons oplegt; en er zijn praktische voorschriften, verbonden met de beide naturen: maar deze zijn volledig in overeenstemming met de grote lessen die we leren in de school der genade, waar de genade zelf tegelijkertijd onze Behouder en onze Leraar is (Titus 2:11-13). We hebben gezien dat, hoewel de twee naturen naast elkaar wonen in de ene persoonlijkheid, het duidelijk is dat we zekere verant-woordelijkheden hebben met betrekking tot elk van hen, geheel afgezien van voorschriften, regels en "geboden van mensen". 1. Gods beoordeling ervan accepteren Onze eerste verantwoordelijkheid is Gods beoordeling er van te accepteren. Het Woord Gods openbaart ons het onderwijs niet zonder ons de nodige lessen te geven. De Heilige Schrift is "nuttig voor beide" (2 Tim. 3:16); zodat we met de "lessen" mogen weten hoe we het "onderwijs" moeten gebruiken; en hoe we onze verantwoordelijkheden zullen kennen en er tot ons nut en onze vrede aan kunnen beantwoorden. Indien we dit dan als onze eerste verantwoordelijkheid erkennen, dan zullen we onze oude natuur beschouwen als "gestorven in Christus" (Rom. 6:11). We worden niet in het onzekere gelaten over de betekenis hiervan. Het vers begint "Alzo ook gijlieden": alzo wat? De voorgaande verzen vertellen het ons: "Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem leven zullen, wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft: de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levend zijt in Christus Jezus, onze Heer" (Rom. 6:7-11). Let er wel op dat niet gezegd wordt dat we ons als dood moeten voelen, of dat we dit moeten beseffen; maar te "beschouwen" als werkelijk zo in Gods gezicht, alsof dit een voldongen feit zou zijn. Deze vier verzen (Rom. 6:8-11) worden er aan toegevoegd als een uitleg en illustratie van het stellen van het feit in het voorafgaande vers (vers 6). "Dit wetende dat onze oude mens gekruisigd werd met (Christus). "We vinden hetzelfde feit in Romeinen 7:6: "Maar nu zijn we bevrijd (of ontslagen) van (de eisen van) de wet, daar we gestorven zijn ten opzichte van dat waarin we gehouden waren." We vinden hetzelfde getuigenis in Galaten 2:20, waar de apostel de nadruk legt op een belangrijke, onafhankelijke en dogmatische verklaring door het gebruik van de stijlfiguur Epanadiplosis, die de zin in het Grieks begint en afsluit met hetzelfde woord "Christus" en zo de nadruk legt op de verklaring en hem apart zet, waardoor het duidelijk gesteld wordt en onze aandacht er op richt en die vasthoudt. "Christus ik ben gestorven met; toch ik leef, (en toch) niet langer ik, maar Hij leeft in mij, Christus." Dit is hoe de apostel "beschouwde" dat hij ten opzichte van de wet gestorven was. Daarom zegt bij ook dat hij in feite een overtreder zou zijn indien bij nu zocht "gerechtvaardigd te worden door Christus" (vers 17); omdat hij, indien hij gestorven is met Christus, bevrijd is van de wet. Zijn pogingen daarna om tot rechtvaardigheid te komen, zouden dan ook niet anders zijn dan een ontkenning van het geopenbaarde feit dat al voltooid was. Op dezelfde wijze hebben wij in de eerste plaats de dure plicht te beschouwen dat wij (voor zover betreft de wet en zijn aanspraken op ons) zijn alsof we dood waren. Dat is niet een zaak van het gevoel, maar van het geloof. Indien we geleid worden door onze gevoelens, zullen we nooit de vreugde er van beleven. Het is onze plicht "God te geloven". "Het geloof komt door het horen, en het horen door het spreken van God" (Rom. 10:17). God heeft dit grote feit in Zijn Woord te kennen gegeven; het geloof aanvaardt dit en verheugt zich over wat het hoort en gelooft God, geheel afgezien van de kwestie van het gevoel. Zodat onze eerste verantwoordelijkheid met betrekking tot de oude natuur is Gods beoordeling er van te aanvaarden en het te beschouwen (zoals Hij het ook doet) dat deze gestorven is met Christus toen Hij gekruisigd werd. 2. Hem beschouwen als dood voor wat goed is en ook voor wat slecht is Onze tweede verantwoordelijkheid is dat wij hem beschouwen als dood voor wat goed is en ook voor wat slecht is. Wanneer we "goed" zeggen, bedoelen we natuurlijk goed voor God; goed in Gods ogen; goed voor de eeuwigheid; goed in Gods beoordeling, goed wat betreft waar Hij naar uitziet en dat Hij kan accepteren. In Zijn ogen is er in de oude natuur (zoals we geleerd hebben) "niets goeds". Zodat we, wanneer we zeggen dat we het goed daarin niet moeten aankweken, niet bedoelen wat de mens "goed" zou willen noemen, maar wat God als "goed" beschouwt. We moeten de oude natuur als dood beschouwen in al zijn goedheid, maar ook in al zijn slechtheid: en afgedaan hebben met alle verwachting daar voor God iets goeds uit voort te brengen, daar het iemand betreft die dood en begraven is. Wanneer God zegt dat hij dood is, verwacht Hij van ons dat we geloven dat hij dood is, omdat Hij het zegt. Hij verwacht dat wij zullen erkennen dat hij begraven is. In de natuurlijke mens kunnen van nature godsdienstige en beminnelijke eigenschappen gevonden worden: en hij zal daar misschien aan verder werken om die te verbeteren. Maar het kind Gods behoeft en mag ze niet aankweken. Want als iemand wandelt volgens de nieuwe natuur en er door geleid wordt, welke noodzaak heeft hij het vlees te koesteren? Geleid door de nieuwe natuur, hebben we Christus in plaats van "godsdienst"; en hebben we "de geest "van Christus". Dit gaat oneindig ver uit boven alles wat we ooit zouden kunnen voortbrengen door een of andere poging de oude natuur te verbeteren. Dit brengt ons tot 3. Er geen zorg aan wijden Een derde verantwoordelijkheid, die is "geen voorziening voor het vlees te maken" (Rom. 13:14), maar altijd in gedachten te houden dat het vlees van geen nut is" (Job. 6:63). Dit is het wat de mens noemt "het onderwijs van Jezus", onze aanbidde1ijke Heer en Meester. Maar hoewel de mens het zo noemt, wenst hij het niet en wil er niets mee van doen hebben. In ieder geval zoekt hij heel kieskeurig uit welk onderwijs" bij hem in de smaak valt. Niettemin is dit wat de Here leerde: "het vlees (of de oude natuur) is van geen nut". Als wij zijn mening er over aanvaarden, zullen we nooit proberen het te dwingen iets voor God te doen, ook niet in aanbidding of dienstbetoon; we zullen nooit proberen het zover te krijgen dat het iets doet om aan Gods eisen van rechtvaardigheid te voldoen. We zullen moeten bedenken dat dergelijke rechtvaardigheid "als smerige vodden" is (Jes. 64:6). Het vlees kan heel godsdienstig gemaakt worden. En dat is het nu juist wat "godsdienst" onderscheidt van Christendom. Godsdienst heeft uitsluitend te maken met het vlees. Al de voorschriften gaan over of hebben betrekking op, het vlees. Het zijn allemaal dingen die het vlees kan verrichten. In Jes. 1 vinden we een beeld van wat godsdienst" is. Toen onze Heer op aarde verscheen, was dit vertoon van godsdienst op zijn hoogtepunt. Nooit werden de voorschriften en ceremoniën er van nauwkeuriger in acht genomen. Maar dat deze nooit een nieuwe natuur kunnen geven, of de oude veranderen, wordt aangetoond door het feit dat het juist het godsdienstige deel van het volk was dat Jezus aan het kruis nagelde. Dat is waar de godsdienst, zelfs wanneer deze door God gegeven is, op uit liep, toen deze verdraaid en misbruikt werd door de oude natuur. Daar spreken zulke teksten over als deze: "Heeft de HERE lust aan brandofferen en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des HEREN. Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen" (1 Sam. 5:22). "De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in bun verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld" (Jak. 1:27). Dit wil zeggen dat, indien het een zaak van godsdienst is, van uitwendige handelingen en ceremoniën, dan zijn handelingen van goedgunstigheid en vriendelijkheid veel zuiverder dan alle uiterlijke godsdienstige handelingen van eredienst, buigen en knielen, waarnemen van dagen en houden van feesten. Dit is het wezen van de boodschap in de brief aan de Kolossenzen, die deze hele kwestie in het kort samenvat: "Indien gij dan met Christus gestorven zijt van de godsdienstige voorschriften van de wereld, wat wordt gij, alsof gij in de wereld leefdet, onderworpen aan voorschriften ("Raak nier, en smaak nier, en roer niet aan" welke dingen alle verderven door het gebruik); naar de geboden en leringen der mensen?" (Kol. 2:23). Het vlees kan deze verordeningen begrijpen en er zich aan onderwerpen, want zij behoren tot de "aardse dingen", terwijl "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Zet uw gedachten op de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God" (Kol. 3:1-3). Aldus wordt ons geleerd, als bezitters van de nieuwe natuur, geen voorzieningen te treffen voor de oude natuur; hem niet te voeden met voedsel waar hij op gesteld is, niet te proberen hem te behagen of te strelen, zelfs niet in dingen die in het oog van de mensen "goed" schijnen. De oude natuur is vol trots. Dat is de reden dat die vergaderingen en bijeenkomsten druk bezocht worden, waar het onderwijs is wat "praktisch" genoemd wordt; en de hoorders verteld wordt dit of dat te "doen" (niet dat zij er later noodzakelijkerwijze over denken het te doen); maar toch schenkt dat de oude natuur van de godsdienstige mens voldoening: en de oude natuur, zelfs in het kind van God, hoort graag "voorschrift op voorschrift, voorschrift op voorschrift". Maar laat God de eer ontvangen en Christus verheerlijkt worden, Zijn woord verhoogd en de mens vernederd worden, dat is het wat de oude natuur niet verdraagt. Dan liever de kerken en vergaderzalen leeg waar deze leer gepredikt wordt en de aanbidding geestelijk van aard is. Dit alles haat hij; en hij zal ronduit zeggen hoe grondig dit alles hem tegenstaat. Maar waar iets voor hem gedaan wordt; waar er veel muziek is, liefst met een koor, en "voorschrift op voorschrift" op de kansel, wereldsheid in de consistorie, daar kan hij gevonden worden, met de menigte. Er schuilt meer gevaar voor het kind van God in de dingen die bij de "godsdienst" horen, en in de verfijnde verlangens van het vleselijk verstand, dan in de grove en platvloerse "lusten des vlezes". Het kind van God zal niet zo gemakkelijk op dergelijke wijze aan het vlees tegemoet komen. Zijn werkelijke valstrik is, wanneer door anderen voorzien wordt in wat niet openlijk te maken heeft met ondeugd en ongodsdienstigheid, wereldsheid en immoraliteit. 4. Onze leden doden Het vijfde vers voegt er nog een verantwoordelijkheid aan toe: "doodt dan uwe leden, die op de aarde zijn" (Kol. 3:5). Dit klinkt op het eerste gezicht erg vreemd, daar ons immers herhaaldelijk gezegd is dat wij "gestorven zijn met Christus". Het klinkt ook wel praktisch. Maar eer iets praktisch is, moet het toch ook in prakrijk gebracht kunnen worden. Het moet iets zijn dat we kunnen doen. Het woord "doodt" is nekroo; doden; vandaar behandelen als dood geworden. Het Schriftuurlijk gebruik van het woord hier, kan geleerd worden uit het gebruik. De twee andere plaatsen waar het voorkomt, tonen duidelijk hoe het gebruikt wordt: — Romeinen 4:19. Van Abraham staat geschreven: "Niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft bij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alrede verstorven was, alzo hij omtrent honderd jaar oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was." — Hebreeën 11:12. "Daarom zijn ook van enen, en dat een verstorvene, zovelen in menigte geboren". Het gaat er niet om wat het woord betekent in het woordenboek; noch hoe het door de Grieken gebruikt werd; het gaat er om hoe de Heilige Geest het gebruikt. En we zien uit de twee zo juist geciteerde teksten dat het gebruikt wordt van iemand die in werkelijkheid in leven was; maar "verstorven", d.w.z. onmachtig om leven voort te brengen en voor ieder ander praktisch doeleinde. Bovendien wordt het woord in Kolossenzen 3:5 niet gebruikt van de oude natuur zelf, maar van zijn "leden" (zoals van Abrabams en Sara"s leden); en de aansporing is een logisch gevolg van het onderwijs in de voorgaande verzen. Het begint met "dan ook" en de redenering is: Aangezien gij dan met Christus gestorven zijt, houdt u bezig met hemelse dingen en niet met aardse dingen; zet uw gedachten op Christus en op het gezegende feit dat gij "in Hem volkomen" zijt, en dat gij, wanneer Hij in heerlijkheid verschijnt, met Hem in heerlijkheid geopenbaard zult worden. Wees niet verzwakt in het geloof: let niet op uw leden die op de aarde zijn; maar beschouw hen zo goed als dood, "dewijl gij uitgedaan hebt de oude mens met zijn werken, en aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot bovenkennis, naar het evenbeeld Desgenen die hem geschapen heeft" (Kol. 3:1-10). Gezien het feit dat wij met Christus gestorven zijn en als gevolg daarvan de oude mens afgelegd en de nieuwe aangedaan hebben, moeten wij dan ook de "leden" van ons lichaam "als zo goed als dood" "beschouwen" en hen onmachtig weten en niet in staat enig "leven" of "goede werken" voort te brengen. Alle zogenaamde "goede werken" worden gedaan door de oude natuur en zijn "dode werken". Zij worden tot stand gebracht door onze leden, die in Gods oog "zo goed als dood" zijn. Alleen dit zijn "goede werken" die God zelf voor ons heeft "klaar gemaakt voor ons om in te wandelen" (Ef. 2:10); en die gedaan worden in de geestelijke kracht van de nieuwe natuur. 0h, dat Gods opvatting ook de onze mag zijn! Dat wij, evenals Abraham, niet "zwak in het geloof" zijn in deze belangrijke kwestie; maar sterk, om God te geloven; en zodoende vrijgemaakt om al onze gedachten te richten op de dingen die boven zijn, waar Christus zit aan de rechterhand Gods; en te wachten op onze openbaring met Hem in heerlijkheid. Onze verantwoordelijkheden met betrekking tot de nieuwe natuur zijn precies de tegenovergestelde van die met betrekking tot de oude natuur. Onze eerste verantwoordelijkheid met betrekking tot de oude natuur was die te beschouwen als gestorven met Christus. Onze eerste grote verantwoordelijkheid met betrekking tot de nieuwe natuur is dan ook 1. Ons levend te beschouwen in een nieuw soort leven (Rom.6:11). Deze nieuwe natuur is het leven — nieuw leven, geestelijk leven, eeuwig leven (Rom. 3:6). En wij moeten er van uit gaan dat wij nu "levend" zijn en in dit nieuwe leven leven, d.w.z een nieuw levenspeil bereikt hebben en leven tot en voor God; en dat dit leven "in Christus Jezus" is. We staan niet in een dode Jezus, maar in een opgestane en levende "Christus". En we moeten nu door het geloof (niet door het gevoel) "rekenen"" dat we werkelijk voor God staan in dit nieuwe soort leven. Zo lang wij op onszelf zien, zullen we nooit in staat zijn dit te "rekenen"; want wij zullen geen reden zien waarom Hij ons ooit deze heerlijke "gave" geschonken heeft. Wij zullen er geen reden voor zien in iets dat wij ooit gedaan hebben. Indien we deze opvatting willen uitvoeren, zullen wij "God moeten geloven. In Efeze 2:4-6 heeft Hij ons alle aanmoediging gegeven dat te doen; want Hij brengt ons in herinnering dat, toen wij nog kinderen des toorns waren en niet in staat een goede gedachte te denken of een goede daad te doen, dat toen: "God, die rijk is aan erbarming, heeft, om Zijn grote liefde waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus — door genade zijt gij behouden — en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in het overhemelse in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Jezus Christus. Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat (behoud is) niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme" (Ef. 2:4-9). Indien het niet uit "werken" is, dan is het beslist ook niet uit gevoel. Alleen door het rekenen van het geloof kunnen wij daar in binnen gaan en ons verheugen over deze kostbare afkondiging van een voltrokken behoudenis. Maar dit brengt ons tot een andere verantwoordelijkheid, die in het volgende vers (Ef. 2:10) gegeven wordt. "Want Zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen tot goede werken, die God tevoren bereid heeft, opdar wij daarin zouden wandelen." Dus — 2. Wandelen in het nieuwe leven Dus moeten wij wandelen in dit nieuwe leven (Rom. 6:4). Het Grieks heeft hier voor "nieuw" kainotes, nieuwheid. Het komt van kainos, nieuw (niet in de betekenis van jong, of fris, of pas gemaakt; dat is neos; maar als opnieuw gemaakt en verschillend van wat geweest is; nieuw in de zin van in de plaats komen van wat vroeger geweest is). Kainotes komt alleen voor in Romeinen 6:4 en 7:6, maar in beide gevallen wordt het woord in een verschillend verband gebruikt. In Romeinen 6:4 spreekt het over onze wandel (en in 7:6 over onze dienst). Wat betreft onze wandel, deze dient te zijn in nieuwheid des levens", d.w.z. als levend op een nieuw en verschillend levenspeil; niet alleen maar het natuurlijke, fysieke leven, maar nu het geestelijke leven. Niet langer het leven zoals ontleend aan de eerste Adam, maar het leven als ontleend aan de laatste Adam, ja Christus. Een totaal nieuwe levenssfeer. De vroegere was uit de aarde, aards: de latere is hemels van oorsprong, van levensloop, en in zijn afloop. Onze regeringszetel is nu in de hemel, en onze "wandel" is geregeerd te worden door deze hemelse regering en niet door een gezag dat zijn oorsprong op aarde heeft. Als we in deze wereld leven, moeten we er altijd aan denken en voor ogen houden dat we er wel in verkeren, maar er niet toe behoren. En zoals allen die lopen er voor verantwoordelijk zijn hun ogen te gebruiken en op te letten waar zij gaan, zo moeten ook wij "uitzien naar de Behouder, de Here Jezus Christus" (Fil. 3:20, 21): en dit dient ons lopen te richten. In Romeinen 7:6 wordt deze nieuwe levenssfeer gebruikt in verband met dienst — "maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij (nu het voorrecht hebben te) dienen in nieuwheid des geestes (in de nieuwe sfeer van de nieuwe natuur) en niet in de oude sfeer der letter (van de wet)". Dit vertelt ons dat onze dienst niet langer geregeerd moet worden door de "letter" van de wet, maar door de "geest" er van; en onze dienst moet ontspringen uit een totaal nieuwe beweegreden; de andere is oud en verouderd en nabij de verdwijning. Nu dient dit niet zo te zijn omdat de plicht ons roept, maar uit liefde; niet uit het waarnemen van regels en voorschriften, maar uit genoegen; niet uit beloften, maar in volmaakte vrijheid van handelen; niet als slaven, maar als zonen. Een volkomen nieuwe dienstsfeer is tot ons gekomen met de nieuwe natuur; en onze verantwoordelijkheid is voortaan God te dienen langs deze lijn en peil van dienst. Tenzij we goed opletten, zullen we voortdurend merken dat we in de slavernij van de verouderde letter vervallen en handelen in een slavengeest in plaats van in een zoonschapsgeest. Maar er is een derde wandel verbonden met deze "nieuwheid" of nieuwe sfeer, waar de nieuwe natuur ons in brengt; en dat is in verband met aanbidding. Er wordt over gesproken in Galaten 5:25 en het volgt daarop als een extra gedachte om te leven in deze nieuwe geestelijke sfeer. Het heeft te maken met onze wandel en aanbidding, als zijnde "in Christus", en niet volgens de godsdienstige voorschriften van de wereld. "Indien wij door (volgens) de geest (of nieuwe natuur) leven, laten wij ook door (volgens) deze geest het spoor houden" (Gal. 5:25). D.w.z. dat wij, die deze nieuwe natuur hebben, daarmee in overeenstemming dienen te wandelen; en het woord dat hier met "wandelen" is vertaald, is een ander woord dan we vinden in Rom. 6:4 en 7:6. Het is stoicheo, en het berekent altijd wandelen volgens godsdienstige regels en voorschriften; en heeft betrekking op uiterlijke godsdienstige rites, verordeningen en ceremoniën. Het zelfstandig naamwoord stoicheion komt niet meer dan twee maal voor in de zeven gemeentebrieven, nl. Galaten en Kolossenzen, die beide leerstellige dwalingen corrigeren, die ontstaan uit het onbekend zijn met het onderwijs van Romeinen en Efeze. Het komt in elke brief twee maal voor (Gal. 4:3, 9 en Kol. 2:8, 20). Drie van de vier maal houdt het verband met het woord "wereld", kosmos, en verwijst zodoende naar wat uiterlijk en materieel is, in tegenstelling tot met wat innerlijk en geestelijk is. Het woord heeft betrekking op alles wat uitwendig is in godsdienstige beleving; alle godsdienstige handelingen die te maken hebben met het vlees, of de oude natuur. Zodat de verantwoordelijkheid die ons in Gal. 5:25 getoond wordt, zegt dat wij, daar wij nu in een nieuwe levenssfeer verkeren, wij ook dienen te wandelen overeenkomstig de nieuwe geestelijke natuur; en niet de uitwendige godsdienstige ceremoniën van de wereld dienen te volgen, of daarin te wandelen: evenmin volgens de heidense instellingen, of Joodse rites en voorschriften betreffende eren, drinken en wassingen; dagen en maanden en seizoenen en jaren (Gal. 4:10, 11; Kol. 2:16, 17; Rom. 13:1-9); of volgens Babylonische overleveringen. Er zijn zodoende drie verschillende verantwoordelijkheden met betrekking tot onze wandel overeenkomstig de nieuwe natuur: het zijn Leven, Dienst, en Aanbidding; en hebben respectievelijk betrekking op wat Inwendig, Uitwendig, en Opwaarts is. Met betrekking tot de inwendige sfeer, moeten wij dienen overeenkomstig de nieuwe levenssfeer waarin de nieuwe natuur ons invoert (Rom. 6:4). Met betrekking tot de uitwendige sfeer, moeten wij dienen volgens de nieuwheid van de geestelijke of nieuwe natuur (Rom. 7:6). Met betrekking tot de opwaartse sfeer, moeten wij "God aanbidden in (volgens) geest", en niet volgens de godsdienstige tradities en verordeningen en bevelen van mensen (Gal. 5:25; Kol. 2:20-22). Dit zijn dezelfde drie sferen die alle samengevat worden in Titus 2:11-13; en dit zijn dezelfde drie lessen die de genade onderwijst. Want de genade brengt ons niet alleen redding, maar onderwijst ons dat wij "de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende (d.w.z. alle producten van de oude natuur), bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven: verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus). Hier wordt ons geleerd hoe wij moeten leven in onze nieuwe levenssfeer. Wat de inwendige wereld betreft, moet onze wandel "bezadigd" zijn. Het Grieks is sophronos, met zelfbeheersing van al onze verlangens en een waardige bedwinging van al onze leden. Dit alleen, en niets minder dan dit, "evangelische onthouding". Deze zelfbeheersing te beperken tot niet meer dan één van onze verlangens, die veroorzaakt is door dorst, betekent het hele punt van de waarschuwing te missen, en al onze andere verlangens van het vlees, en van de geest, zonder bedwinging en zonder beheersing; of in ieder geval te handelen alsof ze zo wel gelaten mogen worden. Maar het meerdere sluit het mindere in zich. En werkelijk evangelische onthouding sluit in zich zelfbeheersing van niet alleen drinken, maar ook eten, kleden, lezen, geld besteden, sparen, reizen, spreken, bezienswaardigheden bezoeken, zingen, mensen bezoeken, enz.; en strekt zich uit over de hele grond van wat "reinheid" genoemd wordt. Dit omvat elke afdeling van ons dagelijks leven; niet alleen de grove lusten van het vlees, maar ook de verfijnde verlangens van de geest. Het beheerst niet alleen wat geoorloofd is, maar ook wat nuttig is. Des mensen perversie van "onthouding" is het resultaat van wandelen volgens het vlees, en niet volgens de geest. Het zou graag een van de lusten bedwingen en de deur wijd open laten voor alle andere. Geld dat niet besteed wordt aan drank, zal misschien besteed worden aan immoraliteit. Geld dat gespaard is door niet drinken, kan verloren worden in gokken. En wie alleen maar de ethiek wil hervormen, neemt hier en daar een dood blad of rotte vrucht weg, terwijl het kwaad in de wortel ligt. Het is niet hervorming die nodig is, maar wedergeboorte. Een "hervormd karakter" is er verre van een gered zondaar te zijn. Zulk werk is goed voor de wereld om in bezig te zijn: maar het is niet het werk van de gemeente Gods om te zwoegen om hervormde karakters te maken. Een dienaar van het evangelie kan daar niet in bezig zijn zonder het hogere te verwaarlozen, en alleen maar werken waarvoor hij aangesteld is. Neen! De wandel, volgens de nieuwe natuur, beantwoordt al dergelijke vragen voor het kind Gods en sluit het geheel in zich; terwijl een wandel volgens het vlees alleen maar met een deel van het geheel bezig is. Wat betreft de inwendige wereld dient onze wandel dan ook te zijn met zelfbeheersing in alle dingen. Wat betreft de uitwendige wereld dient onze wandel dikajos, rechtvaardig, te zijn. En dit niet alleen voor rechtvaardigheid, maar ook vanuit rechtvaardigheid. Niet omdat dit geëist wordt door de wetten en de geboden van mensen, maar omdat dat het verlangen is van de nieuwe natuur. Niet uit plichtsgevoel, maar uit de macht der liefde. Niet als dienstknechten, maar als zonen. Niet als gedwongen door beloften of eden, maar als gedwongen door de goddelijke natuur in ons om rechtvaardig te wandelen tegenover de uitwendige wereld. Wat betreft de opwaartse wereld, moet onze wandel "godvruchtig" zijn, d.w.z. deze moet God als zijn ene en enige voorwerp hebben. Hij zal dan ook niet bestaan uit de verordeningen en ceremoniën van "s mensen godsdienstige tradities, maar uit de bezigheden van de nieuwe natuur. In een woord, het is Christus alleen, in plaats van alles wat doorgaat onder de naam van godsdienst. Het is Christus, en zelfs niet eens "Christelijke godsdienst", daar dit maar een van de vele godsdiensten is; maar Christus, maar werkelijk christendom. Zo en zo alleen zullen we deze verantwoordelijkheid met betrekking tot onze nieuwe natuur vervullen en tot hen behoren "die door (volgens, overeenkomstig) de geest (of nieuwe natuur) God aanbidden (of dienen); en roemen in Christus Jezus; en niet op het vlees vertrouwen" (Ef. 3:3). 3. Deze voeden met het Woord Gods De derde verantwoordelijkheid met betrekking tot de nieuwe natuur is deze te voeden en te koesteren met zijn eigen voor hem geschikte voedsel. Met betrekking tot de oude natuur, het vlees, wordt dit gevoed door wat van buiten komt (hij kan niet van zichzelf leven); zo ook met de nieuwe natuur. Het voedsel er voor moet van buiten af komen. Hij verlangt voortdurend voorzien te worden van het voedsel dat voor hem verschaft is en geschikt is. Dat voedsel is het Woord van God. Vandaar dat ons gezegd wordt dat wij, als pasgeboren zuigelingen, de oprechte en zuivere melk moeten verlangen van het Woord, opdat wij daardoor zullen groeien (1 Petr. 2:2). Het Woord van God is het voedsel van de nieuwe natuur. "De mens zal niet leven bij brood alleen, maar bij alle woord dat de mond Gods uitgaat, zal de mens leven" (Deut. 8:3). Er is voedsel van alle soorten in te vinden. Melk voor zuigelingen en vlees voor de sterken: troost voor de treurenden, hulp voor de zwakken. Zoals pasgeboren zuigelingen melk verlangen, zo heeft het pasgeboren kind van God de melk van het Woord nodig en verlangt er naar. Dat is het enige voedsel voor de nieuwe natuur; maar het moet "zuiver" zijn: het levende Woord, de Here Jezus Christus; en het geschreven Woord, "de schriften der waarheid". De een niet zonder de ander. "Ik ben het brood des levens", d.w.z. het brood dat het leven onderhoudt. "Het brood van God is Hij die van de hemel nederdaalt", Joh. 6:33, 35, 48-51. En van het geschreven woord Gods kon Jeremia zeggen: "Uw woorden werden gevonden en ik heb ze gegeten, en uw Woord was mij de vreugde en genieting van mijn hart" (Jer. 15:16). Indien dit gezegd kon worden door iemand onder het oude verbond, hoeveel te meer moet dit zijn voor hen die onder het nieuwe verbond zijn, en voor de bezitters van de "goddelijke natuur". Indien het manna van de hemel "engelenvoedsel" genoemd wordt, hoeveel te meer kan het Woord "het brood van God" genoemd worden. Alleen door zijn voedsel uit het Woord te halen, kan de nieuwe natuur deugdelijk gevoed worden. Hij kan niet groeien en bloeien op de woorden der mensen, noch op al zijn "grote en verheven gedachten". Zij zijn van geen nut in de geestelijke sfeer. De nieuwe natuur zou van honger omkomen op menselijke redenering en wereldlijke literatuur. Al deze dingen kunnen op zijn best een "mens der mensen" maken; maar hij die gevoed wordt door de van God ingegeven Schriften, zal een "mens van God" worden (2 Tim. 2:17), grondig uitgerust voor iedere noodsituatie, beveiligd tegen ieder gevaar; gewapend tegen iedere verleiding; voorbereid voor iedere beproeving. De Zoon Gods viel, wanneer Hij beproefd werd, terug op het Woord Gods. Zijn eerste woorden in Zijn openbaar optreden waren "Er staat geschreven"; en Zijn eerste uiting was in de woorden van de Schrift (Deut. 7:3). Drie maal sprak de Heer bij die plechtige gelegenheid, en iedere keer was het met woorden van de Schrift. In Zijn laatste uitingen (Joh. 17), verwees Hij weer drie maal naar dit Woord. "Uw woord is de waarheid" (vers 17). "Ik heb hen Uw woord gegeven" (vers 14). "Ik heb hen gegeven de woorden die Gij Mij gegeven hebt" (vers 8). Hier vinden we weer de "woorden" en het "Woord"; want het Woord is gevormd door woorden; en het is onmogelijk het een te hebben zonder het ander. Indien er met woorden wordt geknoeid, wordt het Woord als geheel van kracht beroofd. Geen wonder dat de gelovigen zo zwak en machteloos zijn zowel als het er op aan komt weerstand te bieden aan het kwaad als wanneer het er om gaat iets goeds voort te brengen. Zo duidelijk is deze zwakheid dat er bijzondere bijeenkomsten, en "zendingen" en "landdagen" ingevoerd zijn met het uitdrukkelijk doel "het geestelijk leven te verdiepen". Deze verschaffen het bewijs van het lage peil van het geestelijk leven en de onbevredigende omstandigheden waarin heel veel christenen verkeren. Deze zijn de erkende gronden voor de noodzaak van dergelijke speciale inspanningen. Maar de uitdrukking zelf is niet-schriftuurlijk. We zullen niet zeggen onschriftuurlijk, omdat de bedoeling goed is. Maar het toont een vergeten van het Woord dat verklaart dat deze nieuwe natuur "volmaakt" is, en "goddelijk", en dus niet "verdiept" kan worden, of vermeerderd. Hij kan gevoed worden, en gesterkt, maar dit kan alleen gedaan worden door voeding uit Gods Woord, en niet door te luisteren naar de woorden van mensen. Het is door "uitleg" van het Woord, en niet door de aansporing van mensen, dat de nieuwe natuur sterk kan worden en in goede geeste1ijke gezondheid gehouden kan worden. Het is door de geest te richten op de dingen die boven zijn, en niet door de aandacht te vestigen op iets op aarde. Het is door het onderzoek van de Schrift, niet door zelfonderzoek. Alle andere en lagere middelen die misschien aangenomen zullen worden hebben alleen maar de neiging het vlees te voeden en op te blazen; en de strik is des te subtieler en gevaarlijker, omdat hij zo "goed" lijkt en klinkt, zowel in inhoud, vorm en manier, als in motief. Bovendien worden deze landdagen met redelijke tussenruimtes gehouden; en van hen afhankelijk te zijn is alsof men een tijd lang op een zeer spaarzaam dieet leeft, om dan zijn schade in te halen door een overdadig feestmaal. Op die manier wordt het op zijn best een heel onregelmatige, om niet te zeggen ongezonde, levenswijze. Er waren heiligen Gods, en een edel leger martelaren en reuzen in de dienst van het Woord van God, en een massa werkelijke getrouwe getuigen lang voor de dagen van "zendingen", en "landdagen" en verenigingen. Het waren protestanten als deze die voor ons grote en onschatbare vrijheden verwierven, lang voor de dagen van moderne protestantse verenigingen, die alleen maar uitgevonden werden met het doel te verdedigen en te bewaren wat anderen voor ons verworven hadden. Al deze moderne uitvindingen zijn een erkenning en een bewijs van de ellendige toestand waarin wij vervallen zijn. De massa wil, in plaats van zelf voedsel te vinden in het Woord, liever de resultaten horen van de studie van andere mensen daarover. Het is alsof iemand lezingen over dieet zou bijwonen, en de chemie van het voedsel zou bestuderen, in plaats van het eten en het te verteren, en sterkte en kracht te verzamelen voor zijn dagelijkse plichten. Te leven op opwindende literatuur, hetzij gewijd of werelds, is alsof iemand zou proberen te leven op koekjes en zoetigheid in plaats van op krachtgevend, levengevend gezond voedsel. Dat is waarom zo velen niet zijn opgewassen tegen de gelegenheden en verantwoordelijkheden van het christelijk leven. Dit is waarom zo velen machteloos zijn als de verzoeking komt. Zij geven de nieuwe natuur zo weinig voedsel. Zij zoeken voedsel in de ongezonde voeding van hun eigen ervaringen, of in de ervaringen en levensbeschrijvingen van anderen. Zij lezen "goede" boeken, boeken van mensen, en liederenboeken, die alleen maar fermentatie veroorzaken in plaats van vertering. Is het dan verwonderlijk, dat op dit soort dieet, waarbij het Woord van God onregelmatig of alleen maar met grote tussenruimten gebruikt wordt, of soms zelfs nauwelijks, dat zo veel christenen geen erg hoge opvatting ten toon spreiden van de zoonschapsgeest, of de hoge en heerlijke voorrechten van de zonen van God; of een werkelijk besef tonen van hun verantwoordelijkheid in de wereld waarin zij terecht zijn gekomen? Laten we er dan om denken dat om het voorrecht te beseffen van het zonen Gods zijn, het woord van Christus: "rijkelijk met alle wijsheid in ons moet wonen" (Kol. 3:16). Het Geschreven Woord en het Levende Woord zijn het enige voedsel voor de nieuwe natuur, en ons voeden daarop moet niet onregelmatig of op goed gelijk zijn, met zo nu dan eens een mondvol. Onze fysieke lichamen behandelen we ook niet op deze manier, evenmin gebruiken we op deze wijze ons gewone lichamelijke voedsel; want we weten allen heel goed dat de juiste maaltijden met regelmatige tussenruimten genuttigd moeten worden, langzaam gekauwd, en grondig verteerd, zodat het geassimileerd kan worden en deel worden van onszelf. Zo moet het ook zijn met betrekking tot het nieuwe geestelijke leven, dat voor en van ons is in de gift van de nieuwe natuur. Wanneer onze geestelijke toestand zwak is door verwaarlozing van het noodzakelijke voedsel, dan komt het zover dat we in de verleiding komen onze toevlucht te zoeken in alle soorten remedies om de vereiste kracht en gezondheid te verkrijgen. Velen maken gebruik van kwakzalvers, die overvloedig aanwezig zijn in de godsdienstige zowel als in de natuurlijke wereld. Alle mogelijke nieuwmodische "behandelingen" worden aanbevolen door het "beroep", en alle soorten " voedsel" worden geadverteerd als de "beste". Gods "brood des levens", dat Hij voor ons verschaft heeft, bevat alles wat voor ons nodig is. Maar wij behandelen het zoals wij Gods "koren" behandelen, dat Hij verschaft heeft voor ons natuurlijke leven. Bij het malen van dit koren, heeft de mens zijn molens zo geconstrueerd dat hij er bij het malen automatisch bijna alles uit verwijdert dat God er in gelegd heeft. Wat overblijft is in hoofdzaak stijfsel (om maar niet te spreken van schadelijke bestanddelen die er aan toegevoegd worden); en daar dit stijfsel in geen enkele verhouding staat tot de diastase, wat dat deel is van de saliva dat alleen in staat is het te verteren, het fermenteert in de maag in plaats van te verteren en wordt een bron voor allerlei narigheid. Ondertussen wordt ons lichaam zo slecht gevoed dat onze algehele gezondheidstoestand er de gevolgen van ondervindt: we treuren over het verlies van haar of tanden; we voelen ons in het algemeen "niet lekker"; en dan gaan we ons heil zoeken bij op grote schaal geadverteerde medicijnen en "voedsels", totdat velen last krijgen van wat genoemd kan worden "verslaafdheid aan verdovende middelen" en het niet meer kunnen stellen zonder zulke steuntjes voor hun natuurlijke leven. In de kwestie van het brood (dat grotendeels praktisch niet meer verkrijgbaar is) begint de mens zijn vergissing in te zien en poogt hij er een geneesmiddel voor te vinden. Maar wat doet hij? In plaats van gebruik te maken van de voor de hand liggende middelen en terug te gaan naar wat God gegeven heeft in de graankorrel, die alles bevat wat nodig is, en dat in de juiste verhouding, stelt hij allerlei soorten "brood" samen, waar hij dan mooiklinkende namen aan geeft. Zij die niet op hun hoede zijn, proberen deze nieuwe soorten brood; en, hoewel hun voedsel hun meer kost, vinden zij niet het resultaat dat ze gehoopt hadden. Dit alles is een belangrijke werkelijkheid, die zich voor onze ogen afspeelt. En het heeft zijn tegenhanger in de geestelijke wereld. Het Woord van God wordt verwaarloosd of op allerlei vreemde manieren uitgedeeld. De melk van het Woord wordt in een "separator" gedaan en wat deze of gene sekte niet gelooft, wordt er zorgvuldig uit verwijderd. De vervangingsmiddelen van de mens worden gebruikt; en wanneer we beseffen dat we zwak zijn of ziek, dan gaan wij, in plaats van terug te gaan naar de oorzaak van alle kwaad (n.l. verwaarlozing van het eenvoudige dieet van het Woord Gods), voort in hetzelfde systeem dat al deze droevige resultaten heeft opgeleverd en proberen hulp te vinden door onze toevlucht te nemen tot de recepten en voorschriften van menselijke oorsprong en door de aanbevelingen van de mensen pasklaar te maken. De ene groep beveelt een nieuw soort "behandeling" aan; een andere geeft de voorkeur aan "retraites", die een soort van "rustkuur" zijn; sommigen maken gebruik van "opwekkende middelen" en terwijl ze zorgvuldig de materiële wereld mijden, strekken ze de hand uit naar de opwekkende middelen en opwinding van "campagnes" en "bijeenkomsten". Anderen zullen doen alsof de voortdurende "belijdenis" van al het kwaad dat zij betreuren, dit zou verwijderen of genezen; terwijl weer anderen doen alsof een "conferentie" over deze zaken de verlangde opluchting zou brengen. Intussen wordt door de bewerkers zelf van deze methoden openlijk erkend dat het christelijk leven op een heel laag peil staat, terwijl het geestelijk leven en de stoere protestantse kracht op een laag pitje brandt. Als een ondervoed paard, dat voortdurend opgezweept moet worden, zo zwiepen deze ondervoede gelovigen zich op; en ze gaan in grote menigtes bij elkaar zitten om zich door anderen op te laten drijven tot hun plichten; in plaats van een goed gevoed paard te zijn waar geen zweep over gelegd hoeft te worden en dat slechts geleid en bestuurd hoeft te worden. Maar dit alles is niet het enige kwaad of de slechtste kant er van. Want wanneer we op dit dieptepunt van geestelijke kracht, ons willen begeven in geestelijk werk voor de Heer, zijn we gedwongen dit werk te doen in de kracht van de oude natuur, het vlees. Dit leidt vanzelfsprekend tot nog grotere narigheid; totdat zij tenslotte "instorten" en "weggestuurd" worden, of ze gaan uiteen en alles breekt stuk en komt tot een einde. 0h, dat we hen konden doen zien de ene eenvoudige oorzaak van al dit kwaad, dat algemeen erkend wordt, toegegeven en betreurd. Van het bestaan van dit kwaad wordt getuigd door de pogingen die aan alle kanten gedaan worden om er een oplossing voor te vinden. De wortel van alle narigheid is het verwaarlozen van de door God aangewezen middelen, het voeden op het Woord van God. Dit is het instrument door middel waarvan de nieuwe natuur wordt ingeënt; en dit is het enige middel waardoor het onderhouden, gevoed en versterkt kan worden. Dit Woord Gods is alleen van waarde, als we er zelf van leven en ons voeden; en naarmate wij het op de juiste wijze verwerken en in ons stelsel opnemen. Niemand kan dit voor ons doen. Denk dan ook niet dat wij kunnen leven door toe te zien en andere mensen te zien eten of dat wij kunnen leven door hun werk in te kijken en na te volgen. We moeten ons eigen onderzoek van het Woord verrichten en onze eigen bijbel van tekens voorzien en onze eigen tabellen en analyses maken. We kunnen hier wel door anderen geleid en onderwezen worden en we kunnen aangespoord worden door hun werk en voorbeeld, maar we moeten het elk afzonderlijk voor onszelf doen en we moeten het zelf uit het Woord leren. Nadat we het misschien van anderen gehoord hebben, moeten we zelf daarop voeden om er kracht aan te ontlenen. Alles wat we nodig kunnen hebben voor onze geestelijke gezondheid en kracht is in het Woord van God en de Heilige Geest die het ingegeven heeft, is met ons om ons te onderwijzen en het in onze harten in te geven. Laat al onze afhankelijkheid geplaatst zijn in Hem. Laten we Hem niet kleineren door op de mens te leunen. Leun niet op onze geschriften. Luister er naar alleen in zoverre zij Christus verheerlijken en Zijn Woord groot maken. Alles wat we kunnen doen, is optreden als gids en wegwijzer, om u te vertellen waar het voedsel is, en waar de "grazige weiden" liggen; en om het nut, de liefelijkheid, de macht en de waarheid van dit hemels voedsel aan te wijzen; en om u te vertellen waar u kunt vinden wat past bij uw behoeften. We hebben hier niet het alleenrecht van. We hebben alleen maar hetzelfde Woord om op te voeden en van te leven. We kunnen het voedsel klaar maken, en het voor u snijden, maar we kunnen het niet voor u eten; u moet dit zelf doen. Het is per slot van rekening eenvoudigweg een kwestie van dieet in de geestelijke, net als zo dikwijls in de natuurlijk sfeer; en de gezondheid van beide kan vastgesteld en bekend worden door dezelfde proefneming, en dat is "eetlust". Eetlust in de natuurlijke wereld is het teken van gezondheid. De afwezigheid er van is het tegenovergestelde teken. Zo is het ook in de geestelijke sfeer. Onze eetlust of verlangen om op het voedsel van het Woord Gods te leven, geeft de maat aan van onze geestelijke gezondheid. Met deze maatstaf kunnen wij onszelf beproeven. Deze werkt als de koortsthermometer en stelt ons in staat onze werkelijke geestelijke toestand te constateren en aan te tonen. Alles is afhankelijk van onze geestelijke eetlust voor ons enige geestelijke voedsel, het Woord Gods. Alleen als we niet slechts leven van dit Woord, maar naarmate we het verteren en in ons stelsel opnemen voor onszelf, alleen in zoverre zullen we er nut van hebben. Net als geld, is het alleen van waarde naar verhouding van het plezier, voordeel en werkelijk geluk dat wij er uit halen. Al hadden we een miljoen gulden op de bank, maar we zouden nooit ons chequeboekje gebruiken of dat geld besteden, dan zouden de munten op zich niet meer waarde voor ons hebben dan even zo vele "fiches", of blijven ze alleen maar een rij cijfers in een boek. God verhoede dat het ook met ons zou gaan met betrekking tot Zijn Woord. We hebben daar alles wat ons in "nieuwigheid des levens" kan doen wandelen. Hier zullen we alle wapenrusting vinden voor ieder conflict, alle sterkte voor ieder dienstbetoon, alle troost voor ieder leed, alle hulpbronnen voor iedere behoefte. 0, dat dit kostbare woord niet alleen onze wapenrusting mag zijn, of onze voorraadschuur, maar onze tafel. 0, dat wij, door Gods genade, in waarheid zullen kunnen zeggen: "Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijne tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende." Er blijven nog enkele punten over met betrekking tot onze verantwoordelijkheid aangaande de twee naturen, die onder het hoofdstuk praktische conclusies vallen of advies, dat logisch volgt uit wat van de Schrift geleerd is. Niet dat we de lezers regels en voorschriften op willen leggen. Maar, nadat we uit het Woord Gods geleerd hebben, zijn er zekere verantwoordelijkheden die onvermijdelijk zijn, indien we de volle zegening en vruchten van deze leer in onze eigen ervaring willen genieten. Het is voor ons niet genoeg "de waarheid te hebben" met betrekking tot de twee naturen. De waarheid moet ons hebben, indien we de waarde en de macht er van zullen kennen. Indien de waarheid ons heeft, dan: 1. Voorbijgaan aan het vlees We zullen dagelijks voorbijzien aan het vlees, en geen gehoor geven aan zijn roepstem en eisen. We moeten er aan denken dat, al zijn wij "niet in het vlees", het vlees in ons is, en dat we er niet van af kunnen raken tot de dood en de opstanding. Indien we hier niet dagelijks aan denken, zijn we overgeleverd aan de genade van iedere valse leraar; geneigd in ieder dwaling te vervallen die maar ontstaat; en het spoor bijster raken in elke van de nieuwe modes en moderne methodes, de trucjes en handigheidjes van vleselijke godsdienst. Al deze dwalingen in leer en leven komen uit één bron. Deze bron is het erkennen van de eisen en mogelijkheden van de oude natuur. Het is het wezen en de grondslag van alle valse godsdiensten, zoals gezien in de kerk van Rome en elders. Het wordt in een enkele zin als volgt gezegd in een rooms boek (Faith of our fathers, p. 20, London, 1895): "Ons is door Jezus" lijden en dood opgedragen Hem na te volgen door het kruisigen van ons vlees en door daden van dagelijkse afsterving." Waarin verschilt dit van de populaire heiligingsleer van tegenwoordig? Weliswaar zal het misschien op een andere manier gesteld worden; het zal misschien vanuit een ander standpunt bezien worden; maar dit is het uiteindelijk doel van hen die de eisen van de oude natuur koesteren of er aandacht aan schenken. De middelen die gebruikt of aanbevolen worden zullen misschien verschillen; maar het verlangde resultaat is het een en hetzelfde, hl. een staat van meer of minder zondeloosheid te bereiken. Dit alles komt uit een wortel, het vlees, met al zijn verlokkingen en eisen, dat niet beschouwd wordt als "zo goed als dood". Indien niet op deze praktische plicht gelet wordt, staat de deur wijd open voor iedere vorm van dwaling die zich mag verkiezen voor te doen. Indien we deze verantwoordelijkheid dagelijks in herinnering kunnen houden, zal deze ons er van weerhouden pogingen te ondernemen of plannen te maken die tot doel hebben de koestering of verbetering van het vlees. Het zal ons bewaren voor iedere vorm van modern onderwijs die de hoop zou wekken dat het vlees, door het volgen van zekere voorschriften, uitgeroeid kan worden. Alle twee deze verwachtingen zijn ongegrond en kunnen alleen maar uitlopen in ernstige teleurstelling. Laten we ons niet vergissen met betrekking tot het eerste fundamentele feit en dan zullen wij niet misleid worden door valse verwachtingen dat we door geschikte voeding en training het vlees in geest kunnen veranderen; of dat we door het op een of andere manier te doen versterven, van bevrijd kunnen worden. 2. De oude natuur laten verhongeren De beste praktische manier om de oude natuur te behandelen is hem te doen verhongeren, door hem op een slecht dieet te laten staan. Maar dit kan niet rechtstreeks gedaan worden door dit tot doel te maken of tot "werk". Het kan alleen indirect gedaan worden door voortdurend te letten op de eisen en wensen van de nieuwe natuur en de steeds op de hemel gerichte verlangens te bevredigen. We hebben gezien dat het Woord Gods het voedsel is voor de nieuwe natuur. Zolang we daar rechtstreeks van leven, laten we de oude natuur indirect van honger omkomen. Want (en dit is belangrijk!) we kunnen beide naturen niet tegelijkertijd voedsel geven! De voeding waar de ene zich aan te goed doet, zal de ander om doen komen. En dit feit werkt in beide richtingen. Indien we de oude natuur voeden met menselijke boeken en menselijke leringen, zullen we de nieuwe ondervoed, verarmd en zwak houden. De oude natuur zal zich te goed doen aan algemene literatuur. Maar de nieuwe natuur zal zich alleen te goed doen aan het Woord van God. Zijn woorden "zijn geest, en zij zijn leven" (Joh. 6:63); en alleen wat geestelijk is, kan door geest verwerkt en opgenomen worden. Vele christenen zijn voortdurend bezig met menselijke gedachten en menselijke hoeken; en dan zijn ze verbaasd over de slechte staat van hun christelijk leven en wandel. Dan snellen ze weg om een of andere nieuwe mode aan te nemen (net als de oude natuur naar opwekkende en pijnstillende middelen grijpt), die belooft het gebrek en de leegte aan te vullen die geschapen is; terwijl het alleen maar een kwestie van dieet is. Indien de mensen, in ons lichamelijke leven, hardnekkig blijven eten en drinken wat slecht voor ze is. moeten ze daar de onvermijdelijke gevolgen van dragen. Precies zo gaat het in de geestelijke sfeer en indien de tastbare resultaten in onze wandel en verkeer gezien worden, is de enige oplossing de oorzaak weg te nemen. Dat zal veel minder kostbaar blijken; veel minder moeite veroorzaken; volkomen doeltreffend blijken; en zal geen teleurstelling met zich brengen. Onze praktische conclusie is dan ook: lees geen enkel boek, luister naar geen enkele spreker, onderwijzer of prediker, tenzij u er zeker van bent dat u meer van Gods Woord zult weten dan tevoren, nadat U dat gedaan hebt. Het maakt voor u niets uit wat een of ander sterfelijk mens denkt. Tenzij hij u kan helpen duidelijker te begrijpen wat God zegt, zal hij een hindernis voor u zijn in plaats van een hulp. U kunt niet gedijen op menselijke woorden. Alleen "bij ieder woord dat uitgaat uit de mond des Heren zal de mens leven" (Deut. 8:3). Indien u zich voedt met de woorden die uit de mond van de mens uitgaan, zult u van honger omkomen. Gods woorden zijn "geest en leven". Spreek niet zoveel over de Schriften. Wees meer bereid om deze tot U te laten spreken. In een gesprek er over, doe als Ezra de schriftgeleerde deed. In plaats van te proberen zich op onvolmaakte wijze te herinneren wat het Woord zegt en dus het vaak verkeerd te citeren, "open het boek" (Neh. 8:5). Laat het voor zichzelf spreken. De woorden ervan zijn belangrijker dan uw eigen, want God is met deze woorden om ze doeltreffend te doen werken. Bind het Woord op uw hart. Want: "als gij wandelt, zal dat U geleiden, als gij nederligt, zal het over U de wacht houden, als gij wakker wordt, zal hetzelve met U spreken. Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens" (Spreuken 6: 21-24). U zult merken dat de mensen altijd klaar staan om over ieder onderwerp te praten, behalve over God en Zijn Christus, en Zijn Woord. Zij zullen over de mens spreken en het nieuws van de wereld. Op zondag zullen ze dit afwisselen door te spreken over kerken en predikanten en preken en kerkdiensten, maar het is nog altijd de mens! Zij die de nieuwe natuur bezitten, constateren dat deze dingen niet bevredigen; zij laten een verlangen achter naar iets beters. Niets zal ooit bevredigen dan God Zelf, en het Levende Woord en het geschreven Woord. Indien de "lofzang Davids" (Ps. 145) waar was van hem, hoeveel te meer zal het waar zijn van ons. Hoe zullen wij dan niet zeggen: "0 mijn God, Gij Koning, ik zal U verhogen, en uw naam loven in eeuwigheid en altoos. Te allen dage zal ik U loven en uw naam prijzen in eeuwigheid en altoos . . . ik zal uitspreken de heerlijkheid der eer uwer majesteit, en uwe wonderlijke daden. En zij zullen vermelden de kracht uwer vreselijke daden; en uw grootheid die zal ik vertellen. Zij zullen de gedachtenis der grootheid uwer goedheid overvloediglijk uitstorten, en zij zullen uw gerechtigheid met gejuich verkondigen" (Psalm 145: 5-7). Dit zal blijken een heel andere praktische conclusie te zijn dan praten over de welsprekende woorden van iemand, of de inconsequente daden van een ander, of de grote werken van weer een ander. De eerste zaait naar de geest, de tweede zaait naar het vlees. Zal onze nieuwe natuur gedijen en zullen wij er "goed gevoed en welgedaan uitzien", dan moeten we ons voeden met de woorden Gods en zo de oude natuur de hongerdood doen sterven (Gal. 6:8). We moeten ofwel bezig zijn met het vlees, ofwel met de geest; met de oude natuur of met de nieuwe; en naarmate wij de ene zaaien of de andere, moeten wij oogsten. Dit is de onopgesmukte waarheid en leer ons gegeven in Galaten 6:7, 8, beginnend met de plechtige waarschuwing ""DWAALD NIET","
gegeven aan de heiligen in Galatië, die, nadat ze hun wandel in de geest (of nieuwe natuur) begonnen waren, proberen volmaakt te worden in het vlees (Gal. 3:3). Zij hadden "goed gelopen", maar er was iemand gekomen en had hen in de weg gelopen, zodat zij deze belangrijke waarheid en leer (Gal. 3:7) vergaten en er niet aan gehoorzaamden en die wij nu trachten uit te leggen. We verlangen allemaal (volgens het verlangen van onze nieuwe natuur) zo te wandelen dat wij "de lusten van het vlees niet voldoen" (de oude natuur). Wat moeten wij dan doen om aan deze verlangens van ons te voldoen? Velen plaatsen zich onder een juk van slavernij en proberen voorschriften te gehoorzamen en doen beloften en geven panden en dragen insignes. Maar het is allemaal tevergeefs. Dit alles, in plaats van het vlees te verzwakken, versterkt het alleen maar door het te bedienen en door onze gedachten er mee te vullen. Gods weg is veel eenvoudiger. Deze is: "Wandel (volgens) in (de) geest (of nieuwe natuur), en gij zult de begeerlijkheden des vlezes geenszins volbrengen" (Gal. 5:16). Dit is Gods belofte en Gods voorschrift. Probeer het maar! Het zal U geheel bevrijden van de handen der mensen. Het zal U verlossen van een verschrikkelijke slavernij. Het zal vrede en zegening brengen in uw leven. Het zal U verfrissing en rust geven. Wandel volgens de pneuma, houd U bezig met de nieuwe natuur; voorzie in zijn behoeften; verzorg het op iedere mogelijke manier en die alleen; en U hebt Gods woord er voor dat uw wens vervuld zal worden. Hij verzekert U dat "Gij geenszins de lusten des vlezes zult voldoen." Deze uitdrukking ou me, geenszins, is de allersterkste die gebruikt kan worden! Het is een dubbele ontkenning en legt de nadruk op en versterkt de bewering in zo grote mate dat zo vaak hij door een mens werd gebruikt, er niets van terecht kwam. Maar zo vaak dit woord door de Heer werd gebruikt, werd het op stellige en zekere wijze in overvloedige mate vervuld. Toen Hij zei "Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen" (Joh. 6:37), gebruikt hij de uitdrukking ou me, in geen geval, geenszins, zal Hij buiten werpen. Precies hetzelfde is het geval met de Goddelijke verzekering uit Galaten 5:16 "Gij zult geenszins de lusten van het vlees vervullen." Laten we vol dankbaarheid rust vinden in deze Goddelijke verzekering. 3. Onszelf nooit onder de wet brengen We moeten onszelf nooit onder de wet brengen (Rom. 7:6). Dit is iets anders dat we nooit moeten doen. Het ogenblik dat wij hier met meer aan denken, prikkelen wij het vlees tot activiteit. Het vlees is dol op de wet, zoals we zagen. De wet was bedoeld voor het vlees; maar dan wel, en dat met opzet, alleen maar om de "zwakheid" van het vlees aan te tonen (Rom. 8:3). De wet was nooit bedoeld voor een mens die "in Christus" is. Vandaar dat wij, zodra we onze hoge positie verlaten waar de genade ons geplaatst heeft, en wij ons weer onder de wet stellen, het vlees tot grotere activiteit en kracht prikkelen. Dit is wat de Schrift bedoelt met "vervallen van de genade" (de N.V. zegt: "buiten de genade staan", Gal. 5:4). Dit betekent niet zondigen of afvallig worden; maar het betekent wandelen volgens de oude natuur in plaats van volgens de nieuwe; zich daarmee bezig houden; daar aandacht aan besteden, in plaats van aan de nieuwe. "Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht" (Gal. 5:4). Geen wonder dan ook dat dit belangrijke hoofdstuk (Gal. 5) met de plechtige aansporing begint: "Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen." Stel U niet onder beloftes van welke aard ook. Laat U niet een of ander etiket opplakken. Dat zijn alleen maar etiketten van slavernij. Het zijn de tekenen van het "slavenjuk" waar U zich onder gesteld heeft. Zij geven aan dat de genade niet in staat is u vast te houden zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van menselijke hulp en steun. In de praktijk ontkennen zij de goddelijke zekerheid: "Mijn genade is U genoeg" (2 Kor. 12:9). Wel zullen we altijd onze zwakheid voelen, door het vlees dat in ons is; maar daar wordt voor gezorgd door "de God van alle genade"; want Hij heeft gezegd: "Mijn kracht wordt in uw zwakheid volbracht" (2 Kor. 12:9). Vermijd dan ook alle "regels voor het dagelijks leven", alle "richtlijnen", of gidsen voor het leven van "een vroom leven". Schuw ze zoals u een bedrieglijke vijand zou schuwen. Staak alle pogingen het vlees te verbeteren of dat kwijt te raken. Voed de nieuwe natuur regelmatig met het voedsel dat door God gegeven is en alle andere dingen zullen op de juiste plaats staan. Heb het volste vertrouwen in de genade van God en de macht van God (2 Kor. 12:9). En wees niet afhankelijk van hulp buiten het Woord van God. 4. Het verschil tussen godsdienst en het geloof in Christus Tenslotte, blijf letten op het verschil tussen godsdienst en het geloof in Christus. Godsdienst heeft te maken met het vlees; maar alleen Christus zorgt voor de nieuwe natuur. Het vlees weet niets van Christus, de Zoon van God, als ons nieuwe Leven. Het houdt zich alleen maar bezig met wat het kan zien en horen en begrijpen. Maar de nieuwe natuur kan niet tevreden zijn met iets wat minder is dan Christus Zelf. Zelfs niet met christendom of "christelijke godsdienst" buiten Hem om. In Filipp. 3 wordt deze grote tegenstelling duidelijk beschreven en geïllustreerd in de persoonlijke ervaring en het "voorbeeld" van de apostel Paulus. Zijn voorbeeld zal ons meer helpen dan een voorschrift. Hij vertelt hoe geweldig veel reden hij had om "te vertrouwen in het vlees", wat hij eens deed als een strikte godsdienstige Jood. Hoeveel vertrouwen in het vlees anderen ook mogen hebben, hij kon toch altijd zeggen: "1k nog veel meer": en dat noemt hij op in zeven bijzonderheden (Fil. 3:5, 6). Maar al die tijd was bij blind. Hij had nog geen nieuwe natuur ontvangen waardoor de oude en zondige (alhoewel godsdienstige) natuur aan het licht kwam. Maar toen bij die kostbare gave van de nieuwe natuur ontving, toen ontdekte hij dat bij in werkelijkheid al die tijd "een godslasteraar en een vervolger en een geweldenaar" geweest was, dat hij onder de zondaars "een eerste plaats innam" (1 Tim. 1:13-16). Op die manier kon hij, wat betreft godsdienst, zeggen: "1k nog veel meer"; en wat betreft zondaars, "ik de voornaamste". Maar toen zijn ogen geopend waren om de Here Jezus te kennen als zijn Verlosser en Heer, toen was hij alleen maar veel te dankbaar zodat hij al zijn godsdienst wegwierp die hij als Jood had, ter wille van de uitnemendheid van Christus Jezus zijn Heer (Fil. 3:8). Hij rekende dit alles alleen maar schade en vuilnis, in vergelijking met Christus. Hij ruilde niet de "Joodse godsdienst" om voor de "Christelijke godsdienst"; maar hij gaf uit dankbaarheid alle godsdienst op voor Christus. Wat betreft zijn plaats voor God, was hij er trots op dat hij nu "in Hem gevonden werd (vers 9). Zijn nieuwe doel als Christen was "Hem te kennen" (vers 10). Zijn hoop was "aan Hem gelijkvormig" te worden in de heerlijkheid van de opstanding (vers 21). Het gold alles "Hem". Als Jood had hij de hoop van de opstanding, maar hij gaf dat graag op voor de hogere hoop om deel te hebben in wat hij noemt "de uitopstanding van tussen de doden uit (vers 11), die hem ten deel was gevallen als lid van het ene geestelijke Lichaam van Christus. Dit betekent niet dat hij, als christen, hoopte dat hij door bepaalde inspanningen een of ander voordeel kon verkrijgen boven andere christenen. Maar wel dat bij als christen (d.w.z. een mens die in Christus is) al een hogere hoop had dan alles wat de "godsdienst der Joden" hem ooit kon geven. Hij spreekt niet over het opgeven van zijn zonden, maar over het opgeven van zijn "winst". Alles wat hij eens als godsdienstige winst beschouwde, beschouwde hij nu als vuilnis in vergelijking met de werkelijke "winst" die hij bad in de voortreffelijkheid van de kennis van Christus Jezus zijn Heer; want hij bad "de kracht van Christus" opstanding" leren kennen, en wat dat betekende voor de leden van het Ene lichaam: voor allen die deel hadden aan Zijn lijden en met Hem gestorven waren in Zijn dood (vers 10). Niets minder dan dit is het Christelijk geloof. Alles wat hierin tekort schiet is godsdienst. Het Christelijk geloof wordt niet gevormd door geloofsartikelen of belijdenissen; niet uit kerken, lidmaatschappen en wat al niet; maar uit een Persoon. God gave dat ieder van onze lezers door genade in staat gesteld moge worden van al hun veronderstelde voordelen in het vlees te zeggen: "Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus" wil schade geacht" (Filipp. 3:7). 5. De weg van verdriet en strijd Maar, tenslotte, vergeet niet dat dit de weg is van verdriet en strijd; niet van binnen uit, maar van buitenaf. Niet alleen maar strijd die ontstaat op grond van onze eigen oude natuur, maar van die van anderen. Het blijft waar, en we zullen altijd weer in onze ervaring ontdekken dat dit waar is, tot het einde toe: "Maar zoals destijds hij, die naar het vlees verwekt was, hem die naar de geest verwekt was, vervolgde, zo ook nu" (Gal. 4:29). De nadruk valt op de twee woorden "destijds" en "nu": het ene staat vooraan in de zin, het andere is het laatste woord. Dit is om ons ervan te doordringen dat we niet moeten uitzien naar verandering in de oude natuur; geen verandering onder de tegenwoordige omstandigheden. Alles waar we toe aangespoord worden is om voor ogen te houden dat wij zonen zijn van de vrije vrouw en niet van de slavin; en dat wij moeten "stand houden in deze vrijheid" (Gal. 5:1). Wat een heerlijke vrijheid! Het woord "destijds" in Gal. 4:9 wijst terug naar Ismaël en Izaäk, maar het wijst zelfs nog verder terug, helemaal naar Kaïn en Abel, en de godsdienstige haat die uitliep op, en die, als het maar even mogelijk is, altijd zal uitlopen op moord. Het wijst ook op het feit dat het de godsdienstige groep onder de Joden was, niet de schare, maar de "overpriesters", die besloten tot de kruisiging van de Here Jezus. En zo is het ook "nu". "Allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen (d.w.z. vastbesloten zijn te) leven, zullen vervolgd worden" (2 Tim. 3:12). En deze vervolging zal hoofdzakelijk komen van het godsdienstige vlees. Wie onder ons zal niet met droefheid moeten toegeven dat zijn voornaamste moeilijkheden hem overkwamen door de werkzaamheden van het vlees in zijn mede-gelovigen? In plaats dat de vervolgingen zoals vroeger van de wereld kwamen en iemands botten braken, komen ze nu van medegelovigen en breken de harten! Toen Saulus met grote ijver zijn godsdienst beleefde, was hij een ijverig vervolger (Fil. 3:6). Het is de godsdienst die het bloed van de heiligen vergoten heeft; het is de godsdienst die de rijen van dat "edele leger van martelaren" gevuld heeft. "Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij "kinderen Gods" genoemd worden. Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent." In verband hiermee krijgen we te horen: "Verwondert U niet, broeders, wanneer de wereld u haat" (1 Joh. 3:1, 13). "Indien de wereld u haat, weet dan dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar 1k u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld" (Joh. 15:18, 19, en 17:14). Als deze woorden "destijds" golden voor de apostelen tot wie ze gesproken werden, hoeveel te meer zullen ze "nu" in onze ervaring gelden. Laten we ons, als bezitters van de nieuwe natuur, dan ook niet verbazen over deze strijd met de oude natuur in ons, noch over de strijd met hen die ons omringen: maar laten we er veeleer blij over zijn dat wij juist door deze strijd zeker weten dat wij "zonen van God" zijn, en "Zijn maaksel". Dit is het zekerste bewijs dat wij kunnen hebben dat we, als kinderen van God uit deze wereld uitgekozen zijn. En laten "wij het voor enkel vreugde houden" als we het voorrecht ontvangen iets voor Hem te lijden, die alles voor ons heeft geleden — "om de vreugde, die voor Hem lag". |