V. De N.T. Namen.
1. Beëlzebul, de overste der demonen.
Over de naam. We behandelen ook enkele N.T. namen. Ten eerste Beëlzebul. De naam Beëlzebul (spreek uit Beël Zeboel) is een wat vergriekste vorm van het Hebr.: Baäl Zeboel. « Baäl » betekent: « heer », « zeboel » betekent: « woning, woonstede », (o.a. 1 Kon. 8:13). Baäl zebul is dus: « Heer van de woning ». Hierbij moet men bij denken: « der onreine geesten ». Sommigen houden deze naam voor een omvorming van Baäl Zebul, die in 2 Kon. 1:2,3,6 en 16 genoemd wordt; dit woord betekent echter: « Heer der vliegen » en was de in Ekron vereerde zonnegod die in de zomer de plaag der vliegen verwekte en ook weer wegnam, naar heidensch inzicht. Vliegen beschouwde men als de dragers van ramp en ziekte (zie Jes. 7:18, Pred. 1:10). In Ahazia’s ogen had deze Baäl geneeskracht, niet alleen voor besmettelijke ziekten maar ook voor kneuzingen zoals hij opgelopen had. Vandaar dat hij tot hem zond om te vragen of hij genezen zou. Mogelijk is deze naam onwillekeurig omgevormd tot Beël zeboel zoals b.v. van Sichem Sichar werd gemaakt (Joh. 4). Anderen zien er een opzettelijke verandering in waaronder de Israëlieten dan verstonden de Heer van de mest, aangezien vliegen veel verontreiniging geven. Het eerste is de meest natuurlijke verklaring en we willen die aanvaarden. Beël zeboel betekent dus: Heer van de woning der onreine geesten. Christus spreekt in dit verband dan ook van het huis van de sterke, Mk. 3:27.
De persoon. Wie is nu onder deze Beëlzebul te verstaan? Volgens sommigen is het niet Satan maar een onderleider. Deze is dan voor hen Abaddon of Apollyon, Openbaring 9:11, die de engel des afgronds heet. De naam Abaddon of Apollyon betekent « verderver ». Op zichzelf genomen bestaan zulke onderleiders. Of echter Beëlzebul er een is, geloven we niet. We zien in hem Satan zelf. Wat we willen aantonen uit de volgende teksten.
Mt. 12:24. « Maar de Farizeërs dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de demonen (niet duivelen, zie hieronder) niet uit dan door Beëlzebul den overste der demonen. »
Mt. 12:26 « En indien de Satan den Satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelven verdeeld. »
Hier wordt door de Farizeeërs de naam Beëlzebul gebruikt, terwijl Christus van Satan spreekt. We geloven dat dit er op wijst dat beiden identiek zijn, dezelfde personen. We merken hierbij nog op, dat de Farizeeërs geen kennis hadden van de rangorden in de geestenwereld, iets dat wij alleen weten uit N.T. boeken (b.v. Efeze en Colosse). En indien ze die al hadden, dan zouden ze zeker aan Christus niet die van een onderleider uit die wereld toegekend hebben, maar Hem ongetwijfeld die van de opperleider hebben gegeven. Verder is er duidelijk Schriftbewijs. Men zie de volgende teksten.
In Mk. 3:22 en 23. En de Schriftgeleerden zeiden: « Hij heeft Beëlzebul en door den overste der demonen werpt hij de demonen uit. En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de Satan den Satan uitwerpen »? Hier noemde de Farizeeërs Beëlzebul de overste der demonen. Hij is dus geen onderleider. Verder krijgen we weer een aanwijzing dat Beëlzebul dezelfde is als Satan. Zo ook in Luk. 11:15 en 18.
De lichtvaardige spot der Farizeeërs en Schriftgeleerden moet in bitter haat verkeerd zijn toen Christus — en dat terecht — hun vroeg: « Indien Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp, door wie werpen ze dan uw zonen uit? », Mt. 12:27, Luk. 11:19. Geen wonder, dat Hij door hen Beëlzebul zelf werd genoemd, Mt. 10:25.
Dat Beëlzebul Satan zelf is, blijkt zijdelings uit Handelingen 10:38, waarin gezegd wordt, dat de Heer Jezus genezen heeft « allen die van den duivel overweldigd waren ». Voor « duivel » staat Diabolos. Dit ziet ongetwijfeld op de uitwerping van demonen. Hier wordt Satan aangewezen als het rechtstreekse hoofd. Waar in de Evangeliën Beëlzebul de overste der demonen is, volgt heruit dat ze identiek zijn, dezelfde in persoon.
Het volgt ook zijdelings uit Luk. 13:11 en 16. Een vrouw had een geest der krankheid, vs. 11. Een geest is hier wel een demon (zie hieronder). Christus zegt, dat Satan haar gebonden had. Door middel van die geest, die demon dan. Ook hier wordt Satan als hun hoofd gezien. In Mt. 12:24 is het Beëlzebul. We geloven dat ook hieruit weer volgt, dat Beëlzebul Satan zelf is. En geen onderleider.
De demonen en geesten. We spreken in dit verband ook over de demonen en de geesten. We hebben reeds bij het woord « duivel » opgemerkt, dat de St. V. een ander woord, demon, ook zo vertaald heeft en dat dit verwarrend is. We zullen hieronder al de teksten met « demon » opgeven, dan kan ieder dit in zijn bijbel veranderen. Deze demonen heten op andere plaatsen « geesten ».
In de dagen van Christus op aarde, vinden we allerwegen onder Israël allerlei soort bezetenen. Niet door de Duivel maar door demonen. Van de Duivel staat slechts éénmaal dat hij in iemand gevaren is. Dat was in Judas. En ook hier zullen we ons nog moeten hoeden om dit letterlijk op te nemen, daar Satan een vormelijk wezen is zoals we zagen.
Met uitzondering van dit geval staat er nimmer dat Satan in iemand gevaren is. Dat deden wel de demonen of geesten. Dat is het « van de duivel bezeten zijn » van de St. Vert. Deze bezetenheid beperkte zich niet tot één demon. Iemand kom er meer dan één hebben. Maria Magdalena had er eenmaal zeven, Mk. 16:19, Luk. 8:2. Een man had er zelfs een legioen. Een legioen, een Romeinse legerafdeling, telde in vredestijd ± 6.000 man, in oorlogstijd soms 10.000 à 12.000. Nemen we 6.000, dan is dit nog een verschrikkelijk getal: 6.000 demonen in iemand. Hoe we een en ander in hebben te denken, zullen we hieronder zien. De demonen worden op andere plaatsen ook geesten genoemd, ook wel: onreine geesten. Volgens Mt. 10:1 gaf Christus Zijn discipelen macht om de onreine geesten uit te werpen, volgens vs. 8 is dit: « werpt de demonen uit ». Zo ook in Mk. 6:7 en 13. In Mk. 5:11 bij de man met het legioen, vragen de demonen om in de zwijnen te mogen varen; in vs. 13 staat, dat de onreine geesten uitvoeren. In hun geheel genomen vormden ze één geest, want vs. 2 zegt, dat de man een onreine geest had; en de Heer Jezus zegt: « Gij onreine geest, ga uit van den mens ». Op zichzelf bezien zijn het er een legioen. De veelheid ging op in de eenheid van handelen. Zo ook Luk. 8:27 en 29. In Luk. 10:17 zijn de discipelen verblijd, dat de demonen hun onderworpen zijn, in vs. 20 zegt de Heere: « Verblijdt u daarin niet dat de geesten u onderworpen zijn ». Uit al deze teksten blijkt, dat deze geesten demonen zijn en de demonen ook geesten heten.
We wezen er reeds op, dat men veelal van geesten een verkeerde voorstelling heeft. Men kent ze geen lichaam toe. Dit is zeer onjuist. Ze hebben plaatselijkheid, anders zouden ze niet in en uit kunnen varen, ze gingen uit de man in de zwijnen, verplaatsten zich dus. Alles wat zich verplaatst, is lichamelijk. Het geest zijn wil niet zeggen: geen lichaam hebben, maar: geen aards, grof stoffelijk lichaam hebben. Vele demonen of geesten zijn voor ons vormelijke, lichamelijke wezens die iemand kunnen beheersen.
Hoe deze beheersing of, zoals we meestal zeggen bezetenheid, plaats heeft, is moeilijk te zeggen. Soms zou men het best kunnen denken aan als ‘t ware microscopisch kleine wezens die zich in de hersencellen nestelen en van daaruit de zenuw banen in hun macht hebben. Sommigen werden immers met stomheid geslagen, Mt. 9:32, Mk. 9:17; anderen met blindheid, Mt. 12:22. In andere gevallen gaven zij de bezetene ontzettende kracht; de man die het legioen had, was zelf met geen ketenen te binden, Mk. 4:4. In weer andere gevallen wierpen, zij de bezetenen telkens neer om hen te verpletteren en vielen dezen daardoor in het vuur of het water, Mt. 17:15, Luk. 9:39. Zeer waarschijnlijk zijn er nog meer andere vormen geweest waarin de demonen zich openbaarden en waaruit bleek, dat de bezetenen de macht over hun wil verloren hadden omdat de demonen hen in de zenuwcentra aangrepen en van daaruit beheersten.
Echter, niet alle demonen schijnen kleine wezentjes te zijn. In Openbaring 16:14 en 15 is sprake van onreine geesten, geesten der demonen, die de vorsen gelijk zijn, Gr. als vorsen. Deze doen tekenen en gaan tot de koningen om die te vergaderen tot de krijg van de grote dag des almachtige Gods. Hoe we ons dit hebben voor te stellen, is niet te zeggen. Er staat niet, dat het vorsen zijn, er staat alleen, dat zij als vorsen waren. Mogelijk bewogen zij zich sprongsgewijze voort om zich zo te verplaatsen. Eén ding is er wel uit af te leiden, n.l. dat zij weer lichamelijk waren: zij gaan uit van de ene plaats en komen tot de andere. Zij komen voort van Draak, Beest en Valse Profeet: « uit de mond » betekent hier: op bevel van, en gaan tot de koningen. Elke verplaatsing veronderstelt lichamelijkheid. Demonen hebben dus ook een zeker lichaam, hetzij klein of groot.
Weer een andere soort demonen zijn zij die Paulus bedoeld in 1 Cor. 10:20 en 21. Hij leert ons hier, dat de Heidenen de demonen offeren. Dit zijn de afgoden, vs. 19, de goden der Grieken en Romeinen en van andere volken. Nu moet men in deze niet zo zeer zien de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgodsbeeldjes, die de doorsnee heiden vereerde. Openbaring 9:20 toch maakt in dezen verschil en spreekt van het aanbidden der demonen en der afgoden. Demonen zijn hier meer zinnebeelden van krachten, geen afbeeldingen. De « wijze » Griek en de « beschaafde » Romein wist wel, dat de afgodsbeeldjes geen macht hadden. Hij zocht een hoger wezen. En dat zijn de goden en heren, waarvan Paulus in 1 Cor. 8:5 en 6 schrijft: « Want hoewel daar ook zijn die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en heren zijn) nochtans hebben wij maar één God,... en één Heere ». Paulus erkent dat er goden en heren zijn. Daarmee bedoelt hij niet de afgodsbeeldjes, maar de demonen. We kunnen hierbij nog opmerken, dat, toen hij in Athene kwam, men meende, dat hij vreemde demonen (grondtekst) verkondigde. De St. V. zegt hier: goden; ‘t is de enige keer dat zij « demonen » door een ander woord dan « duivelen » vertaalt. Deze soort demonen zijn mogelijk Satans engelen, Mt. 25:41.
Uit een en ander blijkt, dat de naam demonen een samenvatting is van de verschillende soorten trawanten van Satan, van de kleinste demon die in een mens de functies van geest, ziel en lichaam verstoort tot de goden en heren die de volken aanbidden toe.
De overste der demonen. Van al die demonen, hetzij klein of groot is Satan de Overste, de Heer der woning. Die woning is thans nog de lucht. Vandaar dat hij ook heet: « de overste van de macht der lucht ». Door de demonen werkt hij in op de mensen. Hij doet dit echter niet steeds op dezelfde wijze. In Christus’ dagen op aarde deed hij het door bezetenheid. Toen gebruikte hij de kleine wezens, laat ons zeggen: de geestelijke bacillen. Deze besmetten de mens en beheersten hem lichamelijk. Dit had ook nog plaats in de Pinkstertijd, zie Hand. 5:16, 8:7, 19:12 Hij doet het ook anders en wel door afgodendienst. De afgodendienst is demonenverering. Nog een andere vorm is het door demonen in laten werken op de mensen tot opstand en afkeer van God. Vandaar heet hij: « de geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid ». In de tijd van de Openbaring gebruikt hij weer andere demonen. Men ziet zo zijn verscheidenheid in methode. Overal is hij er op uit het leven der mensen te verstoren, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk. We zullen over zijn macht nog nader spreken. In dit verband kon dit reeds genoemd worden. Uit een en ander blijkt, dat de naam: « overste der demonen » een ruime betekenis heeft en we daarom mede niet moeten denken aan een of andere geestelijke onderleider, maar aan Satan zelf.
Satan heeft de kleine demonen gebruikt om de mensen bezeten te maken, zij voeren in hen. Hij deed dit nimmer zelf persoonlijk, om de eenvoudige reden, dat hij dan maar in één mens had kunnen zijn. Waar zij velen in aantal zijn, kon hij door hen velen knechten. Slechts eenmaal vinden we, dat Satan zelf in iemand gevaren is. Dat was in Judas nadat deze de bete ontvangen had. « En na de bete, toen voer de Satan in hem », Joh. 13:27 In vs. 2 lezen we « toen nu de Duivel in het hart van Judas Simons zoon Iskarioth gegeven had, dat hij Hem verraden zou ». Eerst gaf hij het Judas dus in, toen voer hij in hem. We geloven dat we hier moeten denken aan een algehele beheersing door Satan. Waar deze, zoals we zagen, een vormelijk wezen is, en wel mensvormig, is Joh. 13:27 niet geheel letterlijk te nemen alsof Satan geheel in Judas zou zijn ingekomen. We zullen hier meer aan een sterke beïnvloeding moeten denken, aan een geheel onder leiding van Satan staan. Voor voer in staat in het Gr.: « ging in ». dit ingaan behoeft geen letterlijk ingaan te zijn. Openbaring 3:20 zegt:« Indien iemand Mijn stem zal horen en de deur open doen, Ik zal tot hem inkomen en Ik zal avondmaal met hem houden ». Dit is ook niet letterlijk te nemen, want Christus is lichamelijk. Het betekent: volle gemeenschap verkrijgen. Judas hoorde eerst naar Satan, Joh. 13:2, hiermee opende hij de deur van zijn hart. Toen kreeg Satan volle gemeenschap met hem en ging in hem in, beheerste hem geheel. Openbaring 3:20 verklaart Joh. 13:27.
Uitwerpen en lot der demonen. Nog een enkel woord over de demonen. Demonen konden ook door mensen uitgeworpen worden. De zonen der Farizeën althans hielden zich daarmee bezig, Mt. 12:27, Luk. 11:19. Dit schijnt niet steeds gelukt te zijn. De zonen van een Joodse Overpriester konden een boze geest niet uitwerpen, Handelingen 19:13-16. Of zulke uitwerpingen daarbij blijven waren, is ook onzeker. De onreine geesten keerden soms terug, Mt. 12:43, Luk 11:24. Het waren dus vaak slechts tijdelijke verlatingen. Het laatste was soms erger dan het eerste.
Van geheel andere aard waren de uitwerpingen door Christus en Zijn discipelen verricht. Hij deed het door de Geest Gods en gaf Zijn discipelen daartoe kracht en macht, Mt. 12:28, 10:1, Luk. 9:1. Paulus had later ook die macht. Hij beval de waarzeggende geest in de naam van Jezus Christus uit de dienstmaagd uit te gaan. Handelingen 16:16-18; later voeren de boze geesten zelfs uit als de bezetenen de zweetdoeken (hoofddoeken) of gordeldoeken (voorschoten bij het tenten maken) die Paulus gedragen had, aanraakten, Handelingen 19:11,12.
Een merkwaardige openbaring in dezen over de demonen vinden in Mk. 5 en Luk. 8 bij de man die het legioen had. Als de demonen horen, dat zij moeten uitgaan, bidden zij de Heere hen niet in de afgrond te zenden, Luk. 8:31 (volgens Markus; niet buiten dat land). De afgrond is de Hades (zie Rom. 10:7). Zij willen niet naar die plaats. Zij mogen nu in de zwijnen varen, Mk. 5:13; deze storten zich in de zee. Het schijnt dus, dat de demonen óf vrezen voor de afgrond, óf voorliefde hebben tot het water. Is dit laatste zo, dan is het te verstaan dat zij geen rust hebben in dorre, Gr. waterloze, streken, Mt. 12:43.
Eenmaal zal de plaats waar Babel gelegen heeft, de woonplaats zijn der demonen, de bewaarplaats van alle onreine geesten, Openbaring 18:2. « Bewaarplaats » betekent hier: kerker, gevangenis. Zo is het b.v. vertaald in Mt. 5:25, 14:3, 18:30, Handelingen 12:4, e.a. Zij zullen daar dus moeten verblijven en niet weg kunnen. Babel zal worden tot « eeuwige (aionische) woestheden », Jer. 51:62; het zal zijn tot steenhopen, 51:37. Het zal Babel vergaan als Sodom en Gomorra, 50:40. Deze zijn geworden een land van zwavel en zout der verbranding, niet bezaaid, zonder spruit of kruid, Deut. 29:23. Zo wordt ook Babel. En daar, in het dorre, waar zij geen rust zullen hebben, zullen de demonen moeten wonen, daar zal hun gevangenis zijn. Dit is het laatste wat we in de Schrift er van horen. De demonen krijgen op het gebied van Babel eenmaal hun kerker. Hun verder lot wordt niet vermeld.
En thans? Men kan vragen of bezetenheid thans, in onze dagen, ook nog voorkomt, Velen menen dat men die terug vindt in krankzinnigheid of andere geestesstoringen, ja zelfs in andere ziekten. We geloven dat men om te beginnen met de Schrift moet onderscheiden tussen krankheden en bezetenheid. Christus immers genas allen die kwalijk gesteld, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen en hen die van demonen bezeten waren, Mt.4:24; de discipelen moesten o.a. zieken genezen en demonen uitwerpen, Mt. 10:8. De ziekte in Israël werd dus onderscheiden van bezetenheid.
Is krankzinnigheid dan soms geen bezetenheid? We geloven van niet. We houden krankzinnigheid en geestesstoringen meer voor ziekten die of berusten op fysieke, d.i. lichamelijke natuurlijke afwijkingen, waarbij de geest zich als ‘t ware door verkeerde en gebrekkige ordening der hersencellen of door onvolkomenheden een afwijkende baan boort en zich daarin voorstuwt óf op waandenkbeelden die door veelal onpersoonlijke uitwendige invloeden veroorzaakt worden (b.v. allerlei waanzin). Er zijn geneeslijke gevallen van krankzinnigheid zonder dat er een of andere demon uitgeworpen wordt, bewijs, dat ze geen bezetenheid is. Bij bezetenheid neemt een of ander zeer klein maar persoonlijk en bewust wezen plaats in een der hersencentra en beheerst van daaruit ‘s mensen doen en wezen. Bij krankzinnigheid is ‘s mensen natuur in de war, niet door een inwendige persoonlijke invloed, maar door lichamelijke of geestelijke invloeden. Lichtelijk kan de geest, die bezit is van de persoon, zich door een kleine afwijking in de hersencellen fantasiebeelden en banen scheppen die wij geestesziekten noemen, maar waarvan de basis een fysieke, lichamelijke is. Ook kan er door uitwendige invloeden, b.v. door onschriftuurlijke menselijke leerstellingen (de Schrift maakt wijs tot zaligheid) een waandenkbeeld ontstaan, dat bedenkelijke afmetingen kan aannemen. Geen van beide is bezetenheid.
Maar komt de echte bezetenheid dan thans niet meer voor in onze dagen? We durven hierop niet met een beslist: « neen » te antwoorden, we achten het zeer wel mogelijk, dat er b.v. bij spiritisten bezetenen voorkomen, bij wie een « geest » geheel bezit genomen heeft van een mens, hem geheel regeert. Mediums laten zich telkens tijdelijk beïnvloeden; het kan ook zeer wel voorkomen, dat men blijvend beïnvloed wordt; dan is men bezeten. We geloven dat nog door gebed hiervoor genezing mogelijk is, Mk. 9:29. Christus kan hen ook thans nog uitwerpen.
De mogelijkheid en feitelijkheid der bezetenheid achten we zo in onze bedeling voorhand of aanwezig. We wijzen er echter op, dat Satan daar thans in hoofdzaak niet mee tegen God in werkt. Thans verblindt en verleidt hij meer en werkt de verborgenheid der ongerechtigheid. Vroeger demoniseerde hij, thans verleidt hij meer. Het eerste was een uitdaging van Gods Zoon, hij daagde Deze uit te doen blijken, dat Hij de demonen kon uitwerpen. Het tweede is een uitdaging van Gods Geest, die hij verzoekt om te zien of Hij alle dingen in het juiste licht kan doen zien. Satans aanval op Gods werk is dus van karakter veranderd, omdat de bedeling veranderd is. We achten bezetenheid nog mogelijk maar zoeken daarin thans Satans voornaamste aanvalswapen niet. Dit is te zoeken in allerlei misleiding en verlokking.
Satans engelen. In dit verband moet nog een categorie wezens genoemd worden, n.l. Satans engelen. Hiervan is slechts enkele malen sprake. Er is een aionisch vuur voor de Duivel en zijn engelen bereid, Mt. 25:41. Paulus had een engel des Satans die hem met vuisten sloeg, 2 Cor. 12:7. De Draak krijgt eenmaal met zijn engelen, Openbaring 12:7 en wordt met hen uit de hemel geworpen, vs. 9. Deze engelen staan in tegenstelling met Christus’ engelen, Mt. 16:27, 24:31, 25:31, Mk. 13:27, met de heilige engelen, Luk. 9:26, de engelen Zijner kracht, 2 Thess. 1:7, de uitverkoren engelen, 1 Tim. 5:21. Satan zelf heet de engel des lichts en ook de engel des afgronds. Waar hij staat over de demonen, is het niet onmogelijk dat zijn engelen dat ook doen en aanvoerders zijn van het demonenheer. Dat kunnen echter ook zijn de overheden en machten. We weten dit niet. God licht de sluier van die boze geestelijke wereld slechts zeer weinig op. Het zou ook niet goed zijn. We zouden wellicht door vrees verteerd worden als we zagen, welke Satanische machten ons omringen en hoe zij ageren. Er wordt alleen kort aangegeven dat ze er zijn en ook gezegd, dat God ze soms gebruikt om de gelovigen te slaan. Het hoe verbergt Hij zelfs zo, dat we nu nog niet weten, wat die doorn in het vlees van Paulus is geweest. Eén ding is zeker: buiten Gods wil kan geen schepsel zich roeren of bewegen.
2. Abaddon-Apollyon, de engel des afgronds.
De verderver. Het woord Abaddon betekent: verderver. In het Hebreeuws wordt het gebruikt in Job 26:6, 28:22, Ps. 88:12, Spr. 15:11, 27:20 waar er « verderf » en in Job 31:12 waar er « verderving » vertaald is. In Job 26:6 wordt het in verbinding gebracht met sheool, zo ook in Ps. 88:12; in Spr. 15:11 27:20 en Job 28:22 staat bij elkaar: verderf en dood. Het woord heeft dus te maken met dood en graf. In Openbaring 9:11 is het de naam van een persoon. Het Gr. woord « Apollyon » betekent verdervende of verderver. In Openbaring 9:11 heet deze verderver de engel des afgronds. Hij is koning over geweldige sprinkhanen die mensen vijf maanden pijnigen.
Wie is nu deze verderver? We geloven dat we ook hier aan Satan moeten denken. ‘t Is hij die het geweld des doods heeft. Wel worden er hier geen mensen gedood, maar dat neemt niet weg, dat zijn wezen daarmee niet verandert en hij de verderver blijft. Hij is er steeds op uit om mensen te vermoorden, te pijnigen, hen lichamelijk en zedelijk te verderven en hen verloren te doen gaan.
3. De andere namen.
T.o.v. de andere namen kunnen we kort zijn.
Satan heet de god dezer eeuw. Men weet, dat deze eeuw (aioon) loopt vanaf de Zondvloed tot Christus’ wederkomst. Hoewel Satan reeds in de Hof van Eden zijn rol speelde, is hij na de Vloed de God dezer eeuw geworden, omdat alle afgoderij — en daarin ligt tot nu het grootste deel der mensheid verzonken — Satanverering is. Ze is demonendienst en hij is de overste der demonen. Vanaf Babel hebben de volken zich van God afgewend, hebben Hem niet verheerlijkt. Satan heeft hen toen verleid en nu dienen zij hem.
Hij is ook de Overste der lucht. Door zijn demonen, overheden, machten, geweldhebbers der wereld, duisternissen dezer eeuw en geestelijke boosheden oefent hij zijn macht van boven uit. Velen menen, dat Satan in de « Hel » is. De Schrift zegt, dat hij nog in de hemel is, Openbaring 12:9. Hiertoe behoort ook de lucht waar Satan met zijn boze heermacht zetelt en van waaruit hij de wereld beheerst.
Hij heet Geest omdat hij een niet grof stoffelijk aards lichaam heeft. Hij kan verschijnen en weer heengaan. Hij verscheen b.v. tijdens Christus’ verzoekingen. Als geest heeft hij echter wel een lichamelijke vormelijke gestalte. Deze is mensvormig. Hij verandert zich in een engel des lichts en engelen verschijnen steeds als mannen (Gen. 19:26, Hand. 1:10).
Hij heet de Boze omdat zijn werken boos zijn. Men moet bidden om verlossing van de Boze, Mt. 6:13. Hij houdt de hele wereld omkneld. 1 Joh. 5:19. Voor verdere uitwerking van een en ander zie men het hoofdstuk over Satans macht.
Teksten met « demon » en « geest ». Tot slot van dit hoofdstuk geven we de plaatsen op, waar demon of demonen kan vertaald worden. Dit zijn er totaal 565. Strikt genomen heeft het Grieks twee woorden, daimonion en daimon (beiden in het enkel- of meervoud) Het eerste komt 60 maal voor en wel 11 maal in Mt., 13 maal in Mk, 22 maal in Luk., 6 maal in Joh. En verder nog 8 maal in andere N.T. boeken.
Matthéüs. Velen zullen eenmaal zeggen in ‘s Heren naam demonen uitgeworpen te hebben, Mt. 7:22. Christus wierp een demon uit, bij een stom mens, 9:33. Hij wierp de demonen uit door de overste der demonen, zei men, Mt. 9:34,34. De apostelen konden ook demonen uitwerpen, 10:8. Ook Johannes had een demon, zei men, 11:18. In 12:24, 24 staat voor de overste der demonen de naam Beëlzebul. Niet door hem, maar door de Geest Gods wierp Christus ze uit, 12:27, 28. Een maanzieke had ook een demon, 17:18.
Markus. De demonen die Christus uitwierp, mochten niet spreken, 1:34, 34, 39. Verder vinden we de herhaling van Matthéüs 9, 10 en 12 in 3:15, 22, 22 en 6:13. De Heere wierp ook een demon uit bij de dochter van de Syro-Fenische vrouw, 7:26, 29, 30. Ook anderen wierpen demonen uit, 9:38; Maria Magdalena had 7 demonen gehad, 16:9. Zij die geloofden, konden later ook demonen uitwerpen, 16:17.
Lukas. In de synagoge te Nazareth was een mens met de geest van een onreine demon, 4:33. Deze voer uit, vs. 35. Ook bij anderen, vs. 41. 7:33. Als Mt. 11:18, 8:2 als Mk. 16:9. In 8:27, 30, 33, 35 en 38 wordt gesproken van het legioen demonen. 9:1 als Mk. 3:15. In 9:42 wordt een jongen genezen die bezeten was. 9:49 als Mk. 9:38. De discipelen waren er over verblijd, dat de demonen hun onderworpen waren, 10:17. Christus genas een stomme met een demon, 11:14, 14 11:15, 15, 18, 19 en 20 als Mt. 12 Verder nog 13:32.
Johannes. Hier vindt men het woord 6 maal. Telkens zei men van de Heren, dat hij een demon had, 7:20, 8:48, 49, 52; 10:20, 21.
In andere N.T. boeken. Paulus was een verkondiger van vreemde demonen (de St. Vert. goden) Hand. 17:18. Hij schrijft echter dat de heidenen aan de demonen offeren, 1 Cor. 10:20. Dat moesten de Corinthiërs niet (meer) doen, vs. 20. Er is een drinkbeker en een tafel der demonen, vs. 21, 21.
In de laatste tijden zullen sommigen zich begeven tot verleidende geesten en leringen der demonen, 1 Tim. 4:1.
De demonen geloven ook en sidderen, Jak. 2:19.
Vele aanbidden de demonen, Openbaring 19:20. Het tweede woord, daimon komt 5 maal voor. Demonen vroegen de Heere in iets, Mt. 8:31, Mk. 5:12. Een man werd door een demon in de woestijnen gedreven, Lk. 8:29. Uit de mond van Draak, Beest en Valse Profeet komen eenmaal onreine geesten; het zijn geesten der demonen, Openbaring 16:14, d.i. ze zullen zich openbaren als drie groepen demonen. Babylon zal eenmaal de woonstede der demonen zijn, Openbaring 18:20.
4. Demonisch, van demonen bezeten, geesten.
Het bijvoeglijk naamwoord demonisch vinden we in jak. 3:15: wijsheid kan aards, natuurlijk (ziellijk) demonisch zijn. Het werkwoord: van demonen bezeten vinden we in Mt. 4:24; 8:16; 28, 33; 9:31; 12:22; 15:22; Mk. 1:32; 5:15, 16, 18: Luk. 8:36, Joh. 10:21.
Het woord geesten voor onreine of boze geesten vindt men in Mt. 8:16; 10:1; 12:43; 45; Mk. 1:23, 26, 27; 3:11, 30; 5:2, 8, 13; 6:7; 7: 25; 9:17, 20, 25; Luk. 4:33, 36; 6:18; 7:21; 8:2, 29; 9:39, 42; 10:20; 11:24, 26; 13:11; Hand. 5:16; 8:7; 16:26, 18; 19:12, 13, 15, 16; 1 Tim. 4:1; Op. 16:13, 14; 18:2. In Hand. 23:2 (engel noch geest) is het neutraal, kan het goede of boze geest betekenen.
VI. Dingen die Verschillen.
Jesaja 27:1. In het voorafgaande hebben we de O. en N.T. namen behandeld. We willen nu enige teksten bespreken, waarin we menen, dat Satan niet aangeduid wordt. De eerst vindt men in het O.T., de andere in het N.T.
1. Slang en draak.
De eerste tekst die we bedoelen, is Jesaja 27:1. Daar lezen we het volgende: « Te dien dagen (n.l. van 26:21) zal de Heere met zijn hard en groot en sterk zwaard bezoeken den leviathan, de lang wemelende slang, ja den leviathan, de kromme kronkelende slang, en Hij zal den draak die in de zee is, doden ». Velen menen dat ook hiermee Satan wordt aangeduid. Wij voor ons menen van niet. Wat we zullen nagaan. Vooraf een vooronderzoek.
Het woord « leviathan » is eigenlijk een onvertaald Hebreeuws woord. Het komt vijf maal voor en wel in Job 3:8 (St. V. rouw, grondtekst: een leviathan, hier staat het woord voor het misbaar, dat vergeleken wordt met het geluid van een leviathan); 40:20 (hier is de krokodil bedoeld); Ps. 104:26 (hier duidt het een groot zee dier aan); in 74:14 ( hier kan men het figuurlijk nemen voor Egypte’s macht) en dan Jesaja 27:1 waar het op iets toekomstigs ziet.
Het woord draak komt in twee vormen voor, « tannin » en « tannim ». De eerste staat in Job 30:29 (den draken een broeder geworden); Ps. 44:20, Jes. 13:22, 34:13, 35:7, 43:20, Jer. 9:11, 10:22, 14:6, 49:33, 51:37 en Mich. 1:8, waar de St. V. overal draken zet. Verder staat het in Ez. 29:3; die grote zeedraak, Eng. Bijbel: de grote draak, Hebreeuws: draken; dit is een majesteitsmeervoud. Het gaat over Farao: « Zie Ik wil aan u, o Farao, Koning van Egypte, dien groten zeedraak dien in het midden zijner rivieren ligt ». Er was hier geen noodzaak om af te wijken en zeedraak te zetten. Verder nog in Ez. 32:2. Hier handelt het ook over de koning van Egypte: « Mensenkind, hef een klaaglied op over Farao den Koning van Egypte en zeg tot hem: Gij waart als een zeedraak in de zeeën », Hebr.: als draken, majesteitsmeervoud.
De andere vorm staat in Gen. 1:21: « God schiep de grote walvissen ». Verder Ex. 7:9. Aarons staf zou tot een draak worden, zie vs. 10, 12; Deut. 32:33 (hun wijn is vurig drakenvenijn); Neh. 2:13 (Drakenfontein); Job. 7:12 (Ben ik dan een walvis); Ps. 74:13 (Gij hebt de koppen der draken in de wateren verbroken); 91:13 (den draak vertreden); 148:7 (gij walvissen); Jes. 27:1; 51:9 zijt Gij het niet die Rahab (d.i. Egypte) hebt uitgehouwen, die den zeedraak (draak) verwond hebt ?; Jer. 51:34 (hij — Nebukadnezar heeft mij verslonden als een draak); Klaagl. 4:3 (zelfs laten de zeekalveren de draken de borsten neer, zij zogen haar welpen).
Uit deze teksten blijkt, dat een « draak » een groot op het land levend dier is, een soort slang of een langgerekt waterdier. In Jes. 27:1 is het een parallellisme van slang.
Is dit nu Satan? Neen, hebben we reeds gezegd. Dit kan niet krachtens het verband en de verdere Schrift. Jes. 27:1 is voortzetting van 26:21. Daar lezen we: « Want zie, de Heere zal uit Zijn plaats uitgaan om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken...» En dan gaat 27:1 voort: « Te dien dage zal de Heere...bezoeken de..slang.. en Hij zal den draak die in de zee is doden ». Nu wordt Satan noch bij Christus’ wederkomst, noch zelfs duizend jaar later gedood. Bij de wederkomst wordt hij gebonden en in de afgrond gesloten, Openbaring 20:2,3, duizend jaar later wordt hij in de vuurpoel geworpen om in de aionen gepijnigd te worden. Van een doden lezen we bij die twee momenten niet. En verder reikt Jes. 26 en 27 niet. Hier kan Satan dus niet bedoeld zijn.
Wat we er dan van denken? We geloven dat die leviathan, die slang en die draak de lange stoet van legers aanduiden die op zullen trekken tot de slag van Armageddon. Openbaring 16:13 en 14 zegt: « En ik zag uit den mond des Draaks en uit den mond van het Beest en uit den mond van den Valse Profeet drie onreine geesten gaan,...en zij doen tekenen; welke uitgaan tot de koningen der gehele wereld om die te vergaderen tot den krijg van dien groten dag des almachtige Gods ». Waar de zee volken en scharen en natiën en tongen zijn, Openbaring 17:15, is deze slang een macht in die natiën en volken die zich voortbeweegt naar zeker punt. We weten wat er mee geschiedt: ze worden gedood bij Christus’ wederkomst, Openbaring 19:21, Zach. 14:12: « Te dien dage », wordt deze « slang » en « draak » en « leviathan » gedood. Maar dat geschiedt met Satan niet.
2. De Overste dezer wereld.
Drie teksten. We vonden in 2 Cor. 4:4 de naam: « god dezer eeuw ». Velen menen dat dit een andere betiteling is voor: « Overste dezer wereld ». We moeten dit ten sterkste ontkennen. We weten wel dat men algemeen meent, dat Satan ook de Overste dezer wereld is en dat men deze term vanaf Augustinus tot op onze tijd zo verklaart, maar voor ons ten onrechte. Voor ons geeft men hiermee Satan een titel die hem niet toekomt, waarop hij geen recht heeft en die hij ook niet waardig is. Men maakt hiermee een treurige vergissing, want — niet Satan is de Overste dezer wereld, maar Christus. We zullen dit aantonen. Vooraf schrijven we de teksten af: Ze komen alleen voor in het evangelie van Johannes.
Joh. 12:31, 32. « Nu is het oordeel dezer wereld, nu zal de Overste dezer wereld buiten geworpen worden. En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot Mij trekken ».
Joh. 14:30. « Ik zal niet veel meer met u spreken, want de Overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets ».
Joh. 16:8-11. « En Die (n.l. de Trooster) gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel. Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heen ga en gij zult Mij niet meer zien; en van oordeel, omdat de Overste dezer wereld geoordeeld is. ».
Joh. 12:31, 32
In Joh. 12:31 is er sprake van, dat de Overste dezer wereld buiten zal geworpen worden, Gr. uitgeworpen buiten. Is dat toen met Satan geschied? 2 Cor. 4:4 noemt hem de overste dezer eeuw (aioon), Ef. 2:2 de overste van de macht der lucht. Hij wordt eenmaal wel uit de hemel geworpen, Openbaring 12:9, maar nergens staat dat hij buiten geworpen is. Veelal leest men, alsof er staat: nu wordt het oordeel over de wereld uitgesproken. Dit laat het Grieks niet toe: er staat niet « krima » (oordeel) maar « krisis » (krisis, beslissende punt). Christus kwam niet om de wereld te oordelen maar om die te behouden, vs. 47. Er werd geen oordeel uitgesproken en Satan werd nergens buiten geworpen. Het oordeel komt pas in de toekomst. (2 Thess. 1:5, Op. 14:7, 19:2, en v.v.). Indien hier Satan bedoeld is, dan had de wereld Satan moeten oordelen. Immers God oordeelde de wereld toen niet. Waar lezen we daar iets van? Wel lezen we, dat hij na 1000 jaar gebonden te zijn geweest, de volken weer verleidt. Deze volgen hem dus dan nog, in stee dat hij reeds in Christus’ tijd door hen veroordeeld zou zijn. Men ziet, dat de dingen zo niet opgaan. Er had geen oordeelsuitspraak plaats (krima), maar de wereld kwam tot een krisis, een beslissend ogenblik of tijd, een keerpunt. En toen wierp ze Satan niet uit, de overste dezer eeuw, maar Christus, de Overste van de wereld, de Overste van de Koningen der aarde, Openbaring 1:21.
Men lette er op, dat er « nu » staat. « Nu » kan niet betekenen: na 20 of meer eeuwen. Het woord komt 28 maal in het evangelie van Johannes voor en heeft bij tijdsbepalingen nergens anders betrekking op dan op de tegenwoordige tijd, op het heden dat bedoeld is of op de vlak bij zijnde toekomst. Zie Joh. 28 (schept nu); a4:18 (dien gij nu hebt); 4:23 (de ure komt en is nu); 5:25 (als 4:23); 9:21 (hoe hij nu ziet); 11:22 (ook nu weet ik); 12:27 (nu is Mijn ziel ontroerd); 13:31 (nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, n.l. na het uitgaan van Judas); 13:36 (Waar Ik henen ga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij zult Mij namaals volgen); 16:5 (en nu ga Ik henen); 16:22 (gij dan hebt nu wel droefheid); 17:13 (nu kom Ik tot U); 21:10 (brengt van de vissen die gij nu gevangen hebt).
Men ziet, dat er een heden of een vlak op dat heden volgende toekomst mee bedoeld wordt. Indien de Heere een periode bedoeld had in de verre toekomst, dan had Hij gesproken van een « namaals », zoals in 13:36. In 12:31 slaat het op de vlak bijzijnde toekomst. De evangelist zet het er zelfs bij: vs. 33: En dit zeide Hij, betekende hoedanigen dood Hij — de Overste der wereld — sterven zou. Er is dus geen twijfel mogelijk: de Overste der wereld Die buiten geworpen werd, is Hij die van de aarde verhoogd werd. Men kan vragen waarom de Heer Jezus hier ineens overgaat van de derde naar de eerste persoon. In vs. 31 zegt Hij: « de Overste dezer wereld », in vs. 32 « Ik ». Laat ons opmerken, dat dit telkens weer gebruikelijk is in de Evangeliën. De Heer Jezus zegt in plaats van « Ik » Zoon des mensen in b.v. Mt. 9:6. Daarmee bedoelt Hij toch geen ander dan Zichzelf. Zo ook 12:32. Hij zegt in 11:27: « Niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon en dien het de Zoon wil openbaren ». En vlak daarop: « Komt allen Mij...Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u », enz. Ook hier deze overgang. Zo ook 16:28: « Voorwaar Ik zeg u tot zij den Zoon des mensen zullen hebben zien komen ». In het evangelie van Johannes vinden we die wisselingen b.v. in Joh. 1:52: « Voorwaar, voorwaar, zeg Ik ulieden, van nu aan zult gij den hemel zien geopend en de engelen Gods opklimmende en neerdalende op den Zoon des mensen », in 2:19: « breekt dezen tempel en in drie... dagen zal Ik hem oprichten ». Zie ook 5:22-24; 5:25: « Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: de ure komt en is nu, wanneer de doden zullen horen, de stem van den Zoon Gods. » Zie ook 6:33-35. Men ziet dat deze vorm van spreken telkens weer voorkomt. Wij Westerlingen zouden het voornaamwoord eerst herhalen: Dit doet de Oosterling niet. Het verband laat de bedoeling echter voldoende uitkomen.
Joh. 14:30
In Joh. 14:30 staan we weer voor hetzelfde: overgang van de ene persoonsvorm in de andere. Hier juist andersom: nu staat de eerste persoon voorop.
Joh. 12:31, 32. De Overste dezer wereld — Ik.
Joh. 14:30. Ik — de Overste dezer wereld.
Dit geeft geen moeilijkheid. Er is iets anders dat het doet, n.l. dit: « de Overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets ». Hieruit volgt toch duidelijk genoeg, zal men zeggen, dat het Satan is. Die had aan Christus niets. In Hem toch is geen zonde, daarom kon Satan Hem niet vatten. Zo is de mening.
Laat ons eerst over dit komen een en ander zeggen. Ten eerste heeft het ruimer betekenis dan ons werkwoord. Het kan ook betekenen « optreden »: Elia zal komen d.i. weer optreden, Mt. 11:14; 17:10,11. De Zoon des mensen kwam etende en drinkende, Mt. 11:18. Ook « verschijnen »: de Zoon des mensen zal komen in de wolken, Mk. 13:26. Zo ook Mt. 25:31. Ook: in iemands naam optreden, Joh. 5:43. Ten tweede, wordt het, hoewel in de tegenwoordige tijd staande, gebruikt van iets toekomstigs: de ure komt in welke allen die in de graven zijn, Joh. 5:28. De nacht komt, 9:4, zie ook 4:35, 5:24, 16:2, 25, 32. « Maar de Christus, wanneer Hij komen zal », 7:27, Gr.: wanneer Hij komt. « Zal dan de Christus uit Galilea komen? », 7:41. Gr.: « komt dan », enz. Zo ook vs.42. In andere teksten is het woord door « kwam » vertaald. Zie b.v. Joh. 4:7; 6:5; 11:20, 38; 12:22; 13:6; 18:3; 20:2, 6; 21:13. In een paar teksten door « ging », Joh. 11:29; Maria ging tot Christus, Maria Magdalena ging tot de discipelen, 20:18. Men ziet dat men in deze niet al te strak op de tegenwoordige tijd van het werkwoord kan staan en dat het werkwoord ook ruimer begrip heeft. Als Christus dan ook zegt: « de Overste der wereld komt », kan dit zeer wel betekenen: « de Overste der wereld is gekomen ».
Nog lastiger schijnt het laatste deel: « en heeft aan Mij niets ». Het Grieks heeft: « en in Mij niet heeft iets ». Wat hier mee? Het werkwoord « hebben » komt vaak voor in Johannes (± 80 maal). Slechts een enkele maal wordt het gebruikt in verband met stoffelijke dingen. We noemen Joh. 2:3; zij hebben geen wijn, 4:11; gij hebt niet om mee te putten, 18:10; Petrus had een zwaard, 21:5; zij hadden geen toespijs. Verder wordt het merendeels gebezigd bij abstracte dingen. Men kan leven hebben, 5:26; 10:10; 20:31; aionisch leven hebben 3:15, 16; 5:24; 6:40, 47. De wereld ziet van dit alles niets. Ze zag geen gedaante noch heerlijkheid in Hem. Al wat ze in Hem zag was, dat Hij een demon had, 7:20; 8:48, 52; 10:20 en graag wilden ze iets hebben om Hem te beschuldigen, 8:6.
« Iets hebben in iemand » is een Hebreeuws idioom. Het kon gemakkelijk door de discipelen verstaan worden. Het betekent zoveel als: geen deel hebben aan, niets vinden in. Met een en ander voor ogen lezen we Joh. 14:30 b nu aldus: « want de Overste dezer wereld is gekomen en de wereld vindt niets in Mij ». Men denke aan Jesaja 53:3. Met Overste dezer wereld kan ook hier Satan niet bedoeld zijn, want nergens staat dat deze komt. Dat werd uitsluitend van Christus gezegd ¹. Het werkwoord « heeft » heeft zijn onderwerp niet in Overste maar in wereld. Ook deze gedachtesprongen zijn eigen aan de Schrift. De bepaling is dan het onderwerp van de bijzin. Zo hier. Niet Satan heeft iets aan de Overste der wereld, maar de wereld heeft niets aan Hem. Zij vindt in Hem niets begeerlijks.
Joh. 16:8-11
Ook in Joh. 16:8-11 heeft verwisseling van persoonsvorm plaats. Men lette op de rangschikking.
van zonde? in Mij niet geloven;
van gerechtigheid? Ik ga tot de Vader;
van oordeel? de Overste dezer wereld geoordeeld.
Eerst is het « Mij » en « Ik », dan: « de Overste dezer wereld ». Bezien we ook deze verzen nog nader. Het woord « overtuigen » is hier te sterk. In Mt. 18:15 is het vertaald door: « bestraffen ». Zo ook Luk. 3:19, Joh. 3:20, Tit. 1:13, 2:15, Hebr. 12:5, Jak. 2:9, Jud. 15. In Tit. 1:9 door « wederleggen ». Alleen in Joh. 8:46 en 16:8 door « overtuigen ». Het zelfstandig naamwoord staat in Hebr. 11:1: « bewijs » en 2 Tim. 3:16; « wederlegging ». Het werkwoord is beter te vertalen door: het bewijs leveren of: bestraffen. De Heilige Geest heeft de wereld tot heden toe in het algemeen niet « overtuigd ». Na bijna 20 eeuwen zijn er nog een betrekkelijk klein aantal « overtuigde » gelovigen. Wel heeft Hij door Christus’ opstanding de wereld het bewijs geleverd van of ze bestraft wegens haar zonde tegen Christus en haar van gerechtigheid en oordeel gesproken. Hij heeft Christus verheerlijkt en zo bewijst Hij de wereld haar misdaad. Die wereld omvatte wel allereerst Israëls wereld (zie Joh. 11:49, 50), maar ook de Heiden staat schuldig aan Christus’ dood (Pilatus, de Romeinen).
Christus zegt, dat Hij reeds geoordeeld is. Dit wijst er op, dat Zijn vonnis reeds bij voorbaat vaststaat en Hij sterven moest. Het besluit daartoe was reeds gevallen na Lazarus’ opwekking, Joh. 11:49-51.
Hiermee menen we voldoende onze mening toegelicht te hebben en we geloven dat er grond genoeg is om het volgende staande te houden:
1°. dat er, toen Christus dit zei, geen oordeel plaats had over Satan en deze toen niet buiten geworpen is, maar dat de wereld, bijzonder Israëls godsdienstige wereld, een uitspraak deed;
2°. dat de Overste dezer wereld niet Satan is maar Christus;
3°. dat het buiten werpen plaats vond door en in Zijn verwerping, kruisiging en dood;
4°. dat het nu vervuld werd op dezelfde dag dat het werd gezegd (naar Hebreeuwse dagrekening dan);
5°. dat de overgang in persoonsaanduiding niet vreemd is in de Evangeliën;
6°. dat de wereld in Christus niets gehad heeft dat haar begeerlijk voorkwam;
7°. dat de Heilige Geest de wereld niet overtuigd heeft, maar haar wel het bewijs geleverd heeft van haar onrechtvaardige beslissing door Christus’ opstanding.
Men noeme dus Satan niet (meer) de Overste dezer wereld maar de Overste dezer eeuw d.i. van deze wereldsontwikkelingsgang. Van de volgende is hij het niet meer. Ook daarom is hij niet de Overste dezer wereld. In de toekomende aioon heerst Christus als Overste over de Koningen der aarde.
|