III. De Overdekkende Cherub.
Ezechiël 28.
Vorst-Koning. We slaan voorlopig Jes. 14 over en handelen eerst over Ez. 28.
Ez. 28 vormt voor vele uitleggers een grote moeilijkheid. Waarom? Omdat het niet in hun systeem past. Orthodoxe uitleggers kunnen hier Satan niet in vinden, wijl deze dan niet eindeloos gepijnigd zou worden, daar hij, volgens dit hoofdstuk, tot as op de aarde wordt. Andere, meer vrije uitleggers, die menen dat God Satan als zondaar geschapen heeft, willen er Satan niet in zien, wijl dan de zonde uit hem is. Nog anderen onthouden zich van een verklaring.
Wat wij geloven? Dat met de Overdekkende Cherub van Ez. 28 Satan wordt aangeduid al moge het dan ook gezegd worden van en tot de « Koning van Tyrus ». We zullen dat nagaan.
Eerst de structuur.
 |
| G1 |
 |
H1 |
 |
1 — 2 De Vorst van Tyrus. Opdracht tot hem te spreken. |
|
 |
|
I1 |
 |
2 — 6 Beschrijving. Het type: een mens (vs. 2,9). |
|
 |
|
J1 |
 |
7 — 10. Ondergang van deze Vorst. |
| G2 |
 |
H2 |
 |
11, 12. De Koning van Tyrus. Opdracht om tot hem te spreken. |
|
 |
|
I2 |
 |
13 — 16 Beschrijving. Het Anti-type: Satan. |
|
 |
|
J2 |
 |
17 — 19 Ondergang van deze Koning. |
|
Men moet er wel op letten, dat hier sprake is van twee verschillende personen. Het tweede gedeelte, vs. 11 — 19, is geen blote herhaling van het eerste, vs. 1 — 10, maar handelt over een ander. Eerst is er sprake van de Vorst van Tyrus, dan van de Koning.
In het Hebreeuws staan twee verschillende woorden (nagied en mèlek), Het eerste woord komt het eerst voor in 1 Sam. 9:16: Saul werd gezalfd ten « voorganger » over Israël. Zo ook 10:1. e.a. In 1 Kron 9:11 is het vertaald door « overste », in vs. 20 weer door « voorganger », en 13:1 door « vorst ». Men ziet de nuanceringen. Een « voorganger » is een die voorgaat. We zouden tegenwoordig zeggen: een leider, Een « vorst » is een voorste, een eerste. Een « overste » is een die over anderen staat. In 2 Kron 32:21 vinden we een tekst die het verschil tussen « vorst » en « koning » aangeeft. Daar lezen we: « en de Heere zond een engel die alle strijdbare helden en vorsten in het leger des Konings van Assyrië verdelgde ». De vorsten blijken zo ondergeordend te zijn aan de koning. Al waren Saul en David ook « voorgangers » of « vorsten », boven hen stond de Heere, de Koning Israëls. (1 Sam. 8:7). Wel heten ook zij koningen, maar van Gods zijde waren zij slechts vorsten, leiders. We zullen dat verschil tussen vorst en koning ook in Ez. 28 in het oog moeten houden. We willen nu zien wat er van hen staat.
De Vorst. Vers 1 — 11 handelen over de vorst van Tyrus. « Mensenkind, zeg tot den Vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Gods stoel in het hart der zeeën; terwijl gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart als Gods hart; … door uw wijsheid en door uw verstand hebt gij vermogen voor u verkregen … uw hart verheft zich vanwege uw vermogen; … omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart, daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de geweldigste der Heidenen, die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid en zullen uw glans ontheiligen, ter groeve zullen zij u doen neerdalen en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeën. Zult gij dan wellicht voor het aangezicht uwer doodslagers zeggen: Ik ben God?, daar gij een mens zijt en geen God in de hand desgenen die u verslaat », vs. 2 — 9.
Hier staat duidelijk dat de vorst van Tyrus een mens is geweest, geen God. Wel verhief zijn hart zich; hij waande zich een god, omdat hij zo wijs en verstandig meende te zijn en zoveel vermogen van goud en zilver en schatten had verkregen, maar hij zou ter groeve neerdalen door in de strijd te sneuvelen. Zijn stad, Tyrus, werd, na 13 jaar belegerd te zijn, door Nebukadnezar verwoest. Later werd het op een eilandje gebouwde nieuwe Tyrus door Alexander de Grote ook verwoest. (Ez. 26 en 27).
De Koning. Vers 12 — 19 spreken over de Koning van Tyrus. « Mensenkind, hef een klaaglied op over den Koning van Tyrus en zeg tot hem: zo zegt de Heere: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid. Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel; sardisstenen, topazen, diamanten, turkooizen, sardonyxstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen en smaragden en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werd, waren zij bereid. Gij waart een gezalfde overdekkende cherub en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg, gij wandelde in het midden der vurige stenen, Gij waart volkomen in uw wegen van den dag af dat gij geschapen zijt totdat er ongerechtigheid in u gevonden is. Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg en zal u, gij overdekkende cherub, verdoen uit het midden der vurige stenen. Uw hart verheft zich over uw schoonheid, gij hebt uw wijsheid bedorven vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde heengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld om op u te zien. Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde voor de ogen aller dergenen die op u zien, Allen die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet, gij zijt een grote schrik geworden en zult er niet (meer) zijn tot in eeuwigheid ».
Hierin worden ons heel andere dingen gezegd en het is ons een raadsel hoe Schrift onderzoekers kunnen beweren dat dit op een mens slaat. We wijzen om te beginnen op het volgende voor de hand liggende. Ten eerste wordt gezegd, dat deze Koning geschapen is, vs. 13. Ten tweede, dat hij een overdekkende cherub was, vs. 14. Ten derde, dat hij op Gods heilige berg was, vs. 14. Ten vierde, dat hij volkomen was in zijn wegen vanaf zijn schepping, vs. 15. Ten vijfde, dat hij op de aarde geworpen wordt, vs. 17. Ten zesde, dat hij tot as wordt op de aarde, vs. 18. We noemden de markantste (meest in het oog vallende) punten. Betreft dit nu een bloot sterfelijk mens? Vers 2 zegt, dat de vorst van Tyrus een mens is. Dit neemt men letterlijk. Vers 14 en 16 zeggen, dat de Koning van Tyrus een cherub is. Waarom aanvaardt men dit dan ook niet letterlijk? Vers 2 zegt dat de vorst zit in het hart der zeeën. « Hart der zeeën » is een Hebr. uitdrukking voor: midden in het water, geheel door water omgeven. (Zie Spr. 30:19) Voor de val der oude stad hadden de Tyriërs het grootste deel hunner schatten overgebracht naar een eilandje dat een kleine kilometer van de kust lag. Daar werd het nieuwe Tyrus gebouwd, in het hart der zeeën. De term is dus Hebreeuws letterlijk. Van de cherub staat dat hij in Eden, Gods hof, was. Waarom neemt men dit ook niet letterlijk? Tyrus was toch niet Eden Gods hof? Wie voor het Woord buigt, houdt deze verschillen in het oog en verdoezelt ze niet. We willen nu een en ander nog nader beschouwen.
« De verzegelaar ». « De Koning van Tyrus », is voor ons Satan. Hij heet in Jes. 14 de « Koning van Babel ». Dit zijn geen beperkingen van zijn koningschap, maar tonen de uitgebreidheid aan. Hij is de werkelijke « koning ». De aardse z.g. koningen zijn « vorsten » die onder hem staan. Hij beheerst ze en door hen leidt hij de volken. Dat de Schrift hem hier « koning van Tyrus » noemt en in Jes. 14 « koning van Babel », bewijst, dat ze tot de diepere achtergrond der dingen doordringt en hem overal herkent. En tevens, dat zijn regering uitgaat van de centra der landen.
Deze Koning van Tyrus was eenmaal iets anders. Hij was de « verzegelaar der som ». In het Hebr. Staat, « zegel van het bestek ». Het woord « som » is in Ez. 43:10 vertaald door « bestek ». Dit « bestek » is de toenmalige wereld van 2 Petr. 3:6 ¹, de wereld die er was voor Adam geschapen werd. Van die wereld was Satan het eind- en sluitstuk, het kroonstuk. Ze vond in hem haar schoonste sieraad. Een zegel is een sierlijk ingesneden voorwerp, iets waarmee men de dingen waarde geeft, iets waardoor men gezag heeft, iets waarin de naamletters van iemand vervat zijn. Dit alles was Satan in die toenmalige wereld. Ze had in hem haar eindpunt, hij had het gezag er over, hij droeg de tekenen van Gods vertegenwoordiger, hij gaf waarde aan de dingen. Het hele bestek culmineerde in hem, d.i. had in hem zijn hoogte- en eindpunt. Hij was dan ook vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid.
De plaats waar hij was, wordt ook aangegeven. Hij was in Eden, Gods Hof. Dit was niet het Eden waarin Adam gesteld werd. Deze had een hof in Eden, Gen. 2:8. Uit Eden ging een rivier uit om de hof te besproeien, vs. 10. Het Eden van Ez. 28 waarin later de hof
van Eden geplaatst werd, was een gebied vol van kostelijk gesteente; er worden er negen genoemd, vs. 13. De Septuaginta geeft er elf. Wellicht is er een regel weggevallen. Mogelijk moeten het er zelfs twaalf zijn. Alles waaruit men muziekinstrumenten maken kan als goud, zilver, koper was er toen reeds, vs. 13.
De overdekkende cherub. Satan was daar een gezalfde overdekkende cherub. In Gen. 3 komen voor het eerst de cherubs voor. God stelde cherubs tegen het oosten van de hof van Eden, Gen. 3:24. Deze cherubs, zeiden we reeds, staan tegenover de Nachash, de Slang. Dit wordt nu begrijpelijk: de latere Slang was eenmaal de overdekkende cherub. Hij was boven de andere.
Die andere zijn de vier dieren van Ez. 1:5. Dat blijkt uit Ez. 10:1,4. Dieren moeten zijn: levende (wezens) Het zijn wonderlijke wezens: elk had vier aangezichten, ook vier vleugels. Hun voeten glinsterden als de kleur van glad koper, vs. 7. Hier vindt men de reden waarom de Slang de glanzende heet. Hun aangezichten hadden de gelijkenis van dat van een mens, van een leeuw, van een os en van een arend. Zie ook 10:14. Het zijn dezelfde als de vier dieren van Op. 4:6, 7. Hier worden ze gezien met zes vleugels, vs. 8. Ze riepen steeds: Heilig, heilig, heilig is de Heere God de Almachtige die was en Die is en Die komen zal. Dit vereenzelvigt hen o.i. met de serafs van Jes. 6, de brandenden.
Een der serafs vloog tot Jesaja en had een gloeiende kool in zijn hand. In Ezechiël lezen we ook dat er vuur bij hen is. 10:6,7. Hieruit blijkt dat we ze wel voor identiek kunnen houden.
De cherubs zijn de troondragers Gods. « En over de hoofden dezer vier dieren was de gelijkenis eens uitspansels … En boven het uitspansel hetwelk was boven hun hoofden, was de gelijkenis eens troons … en op de gelijkenis des troons was de gedaante eens mensen daarboven zijnde dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des Heren », Ez. 1:22 — 28. Daarna zag ik en zie, boven het uitspansel hetwelk was over het hoofd der cherubs, was de gedaante van de gelijkenis eens troons en Hij verscheen daarop, 10:1. Men ziet, zo dat de cherubs de troon dragen. Om nu in het beeld te blijven, kan men Satan, als de overdekkende cherub, de figuurlijke baldakijn van de troon noemen, de symbolische troonhemel. Hij overdekte de troondragers en stond nog hoger dan de cherubs. Echter? hij was dienaar, hij zat niet op de troon. Hij was wel het sluit- en pronkstuk der oorspronkelijke schepping, maar niet de ontwerper en uitvoerder van het bestek. Hij was geen Schepper. De afstand tussen Deze en Satan was die welke er is tussen meester en dienaar, tussen God en schepsel. Hij was wel een hoog schepsel, maar niet de Allerhoogste. Hij was zelfs niet het hoogste schepsel. Hij was echter wel het hoogste der toen bekende schepselen.
Deze overdekkende cherub was gezalfd, d.i. hij was tot zeker ambt ingezet. In Israël werden profeten, priesters en koningen gezalfd. Hiermee werden ze ambtsdragers ook de overdekkende cherub is tot ambtsdrager aangewezen. God had hem daarvoor gesteld. In vs. 18 is sprake van zijn heiligdommen. Dit wijst er op, dat hij ook een priesterlijke bediening had: hij stond tussen God en het schepsel in en moest hen tot God leiden. Waar hij zo’n hoge plaats innam, mogen we in hem zeker ook wel een koning zien. Satan is dus, zo genomen, tot priester-koning der voorwereld gezalfd.
Hij vertoefde toen op Gods heilige berg, Hebr. Gods berg der heiligheid, vs. 14. Deze naam komt slechts hier voor. Een andere veel er op gelijkende is: de berg Mijner heiligheid. Dit is Sion. Zie Ps. 2:6, 48:2, Dan. 9:16. Als we het goed inzien, is vroeger de berg waarop later Sion gebouwd is, Gods heilige berg geweest en de zetel van de overdekkende cherub en zeker ook van de andere cherubs. Daar wandelde hij in het midden der vurige stenen, d.w.z. er was een en al blinkend en schitterend edelgesteente. God heeft Satan volkomen geschapen. Hij was van meetaf geen zondaar zoals sommigen willen. Hij was volkomen in zijn wegen van de dag dat hij geschapen werd, vs. 15.
Satans zonde. Wat nu is Satans zonde geweest? Zijn hart verhief zich over zijn schoonheid. Zijn wijsheid werd bedorven vanwege zijn glans, vs. 17. Hij werd hoogmoedig (zie ook 1 Tim. 3:6) en wilde aan God gelijk worden, zoals we uit Jes. 15:14 leren. Toen kwam er ongerechtigheid in hem en begon hij te zondigen, vs. 15 en 16. De woorden door de veelheid uws koopshandels kunnen verwarrend werken. De vertaling is hier niet juist. Het Hebr. Werkwoord heeft twee betekenissen: koophandel en lastering. Het laatste betekent dan: als een koopman overal met laster te koop lopen. Hierin vindt de naam duivel: lasteraar, zijn oorsprong. Het gevolg is geweest, dat deze laster, zeker omtrent God bij anderen wortel heeft geschoten en er andere wezens mee getrokken zijn. Zij zijn de Lasteraar gevolgd. Dat maakte hem nog hoogmoediger. Nu hij trawanten kreeg, wilde hij gaarne van zijn macht gebruik maken en de baas over hen blijven en begon hij te onderdrukken: geweld is onderdrukking, knevelarij gepaard gaande met wreedheid, valsheid, enz. In uw midden betekent hier: in uw innerlijk. Satans hoogmoed had uitwerking op anderen. Dit had weer terugkaatsing op hem en zo ontstond in zijn binnenste de gedachte aan geweld. We lezen dus vers 16 aldus: « Door de veelheid van uw (of door uw vele) lastering hebben zij uw binnenste met geweld (hier: lust tot onderdrukking) vervuld en gij hebt gezondigd ». We zien hier zo een soortgelijk proces als in de mens: « de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde ». Jak. 1:15. Vers 18 moet men, in overeenstemming hiermee, dus aldus lezen: Vanwege de veelheid van uw lastering hebt gij uw heiligdommen — de heilige plaats waar hij woonde — ontheiligd. Men moet dus tweemaal « koophandel » vervangen door laster of lastering.
Het oordeel van Satan. Wat er verder staat is in vs. 17, 18 en 19 is toekomstig. Satan is nog niet op de aarde geworpen, vs. 17, dat geschiedt eerst in Op. 12:9 als Michaël tegen hem strijdt. Hij is nog niet voor het aangezicht der koningen gesteld om op hem te zien. Dat is eerst bij het begin van de 1000 jaar als hij in de afgrond gaat. Hij is nog niet tot as op de aarde gemaakt, vs. 18, dat kan eerst na in alle eeuwigheid dat is: gedurende de aionen, gepijnigd te zijn. Geen dergenen onder de volken is nog over hem ontzet, vs. 19. Hij is er nog steeds, zodat nu niet geldt: gij zult er niet zijn tot in eeuwigheid, d.i. de duur der toekomende aioon. Dit alles is dus ook nu nog profetie. De voltooide tijden mogen gebruikt of bedoeld zijn om de daarmee de gewisheid van de profetie aan te geven, vervuld is ze nog niet.
In Ez. 28:11 — 19 vinden we zo veel van Satans levensloop. Hij werd volkomen geschapen, maar verviel tot hoogmoed. Dit stak anderen ook aan. Dit maakte hem weder tot geweldenaar en groter zondaar. Zijn lot is om eenmaal verworpen ja zelfs verbrand te worden en tot een smaad en ontzetting te worden voor de volken. We kunnen er nog wat aan toevoegen. Satan komt niet alleen in de vuurpoel, maar wordt door een inwendig vuur verteerd: daarom heb Ik een vuur uit midden van u doen voortkomen, dat heeft u verteerd. Ook hier weer de voltooide tijd vanwege de zekerheid en het reeds nu ingegaan zijnde oordeel: dat van de inwendige gloed die hem verteert.
Wie dit alles nu onbevangen naleest, zal tot de slotsom moeten komen, dat dit zeker van geen bloot mens staat geschreven. Het geldt een geestelijk wezen dat cherub wordt genoemd. Nimmer heet een mens zo. Reeds daaruit blijkt, dat het niet dezelfde persoon is als de vorst van Tyrus. Dit blijkt nog nader uit beider oordeel: de laatste sterft in de krijg, door het zwaard, de eerste word eerst te kijk gesteld, daarna — en dat is veel later — tot as gemaakt op de aarde. Reeds hierom kunnen beide personen niet vereenzelvigd worden. Ez. 28, het tweede gedeelte, spreekt van een cherub. Wie deze cherub is, staat er niet rechtstreeks bij. Het is o.i. af te leiden uit Gen. 3 en verder uit de woorden, dat hij was in Eden Gods hof en dat hij er was voor de mens geschapen was. Dan blijft er geen andere conclusie dan dat het Satan was, welke conclusie we reeds hier boven trokken, nodig als ze was voor de uiteenzetting.
IV. De Morgenster.
Jesaja 14.
Tijd en omstandigheden. Nu nemen we Jesaja 14. Naar ons inzicht vinden we Satan ook hier besproken. We lieten Ez. 28 voorop gaan omdat dit èn nauwer aansloot bij Gen. 3 door het noemen van de hof van Eden èn een breed overzicht geeft van Satans begin en einde voor zoover de profeet dit mocht zien. We kregen er een heel overzicht door. Hiermee is Jesaja 14 gemakkelijker te benaderen. Dit geeft andere bijzonderheden en staat meer stil bij een deel van Satans lot, n.l. als hij in de afgrond komt (Openb. 20). We geven eerst de structuur. We moeten echter opmerken, dat dit deel feitelijk met Jesaja 13 één geheel vormt.
|
K1 |
 |
L1 |
 |
14:1 — 3. Profetie. Israëls herstel. |
|
|
 |
M1 |
 |
c1 |
 |
14:4 — 8. De verdrukker houdt op. |
|
|
 |
|
 |
|
d1 |
 |
14:9 — 11. Hoon van de doden. |
|
|
 |
|
 |
c2 |
 |
14:12 — 15. De verdrukker gevallen. |
|
|
 |
|
 |
|
d2 |
 |
14:16 — 20. Hoon van de levenden. |
|
|
 |
|
N1 |
 |
14:21,22 Ontvolking. |
|
|
 |
|
O1 |
 |
14:22. Verwoesting. |
Elk der delen correspondeert met een deel uit Jes. 13. Dit handelt over Babels verwoesting. Het reikt echter ver heen over de inneming door de Meden en Perzen en spreekt over de dag des Heren, vs. 9 die nog toekomstig is (zie Op. 1:9, 10. Jesaja 13:10, 11). Nimmer is Babel omgekeerd als Sodom en Gomorra, 13:19. Dat is eerst als het met vuur verbrand wordt door het Beest en zijn vorsten, Openbaring 17:16. Jes. 13:20 — 22 is nog onvervuld. Nu gaat hoofdstuk 14 verder met de profetie, dat God Zich over Israël zal ontfermen en het weer in zijn land zal zetten, waarbij dan de vreemdeling zich tot hen zal vervoegen en hen zal aan hangen, vs. 1. De volken zullen hen in hun land brengen, vs. 2. Dan zal Israël hen erfelijk bezitten in het land des Heren tot knechten en tot maagden, zij zullen gevangen houden die hen gevangen hielden en heersen over hun drijvers, vs.2. Dat is vanzelf alles toekomstig, Jesaja 49:23, 60:9 — 14, 61:5. En eerst dan, ten dage als de Heere hun rust zal hebben gegeven, van smart en van beroering, en van de harde dienstbaarheid, dan zullen zij deze spreuk opnemen tegen de Koning van Babel: « Hoe houdt de drijver op, hou houdt de goudene op. De Heere heeft den stok der goddelozen gebroken, den scepter der heersers, die de volken plaagde in verbolgenheid met een plaag zonder ophouden; die in toorn over de heidenen heerste, die wordt vervolgd zonder dat het iemand afweren kan. De ganse aarde rust, zij is stil, zij maken groot geschal met gejuich, ook verheugen zich de dennen over u en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds gij daar neerligt, komt niemand tegen ons op die ons afhouwe », vs. 4 — 8.
Enkele aantekeningen: Voor « spreuk » kan men lezen: uiting, weergave wat in het gemoed leeft (zie Num. 23:7, 18, 24:3, 15, 20, 21, 23 Mich. 2:4, Hab. 2:6, Job. 27:1, 29:1). Voor goudene kan men, als men aanneemt, dat de Hebr. R eigenlijk een D moest zijn — ze gelijken veel op elkaar — lezen: de verdrukking, wat in deze zin logischer is te noemen. Voor de stok der goddelozen kan men als men het meervoud goddelozen opvat als een intensiteitmeervoud, d.w.z. een meervoudsvorm die eigenlijk sterk de goddeloosheid wil uitdrukken, lezen: de stok des goddelozen. Bedoeld is dan de Koning van Babel. Zo ook voor: « scepter der heersers »: « de scepter des heersers ». Dit vraagt het vervolg want in: « die de volken plaagde » staat « plaagde » in het enkelvoud en ziet dus terug op één goddeloze en heerser. Zo ook met: die over de heidenen heerste. Ook hier de enkelvoudvorm. Voor: « die wordt vervolgd zonder dat het iemand afweren kan » is te lezen: die vervolgde met een niet sparende vervolging. Vers 8 betekent vanzelf, dat de drijver nu geen hout meer afkapte voor krijgsdoeleinden en de bomen verder liet staan. Zij worden sprekende ingevoerd, zonnebeeld dat de mens zich er over verheugde nu ook het geboomte bleef staan.
Hiermee is men enigszins georiënteerd (op de hoogte gesteld) onder welke omstandigheden en op welke wijze Israël zich eens zal uiten. Men ziet tevens, dat dit veel verder reikt dan Nebukadnezar. Het is nog geheel onvervuld en heeft eerst plaats in de toekomst. Met de « Koning van Babel » kan dus niet Nebukadnezar aangegeven zijn. Het moet een ander zijn. Sommigen menen, dat het de Antichristus is; anderen, dat het de toekomstige koning van Babel in de eindtijd is. We geloven, dat beide onjuist is en zullen dit hier eerst aantonen.
De Antichristus — men bedoelt het eerste Beest van Openbaring 13, de Antichrist is eigenlijk het tweede — zal met tien koningen tegen Babel, de grote Hoer oprukken en het verbranden, Openbaring 17. Hij kan het niet zijn want hij komt niet in de sheool maar in de vuurpoel. De toekomstige koning van Babel in de eindtijd is het ook niet, want hij is een der zeven hoofden van Openbaring 13 en hem treft geen apart lot buiten de anderen. Zo gaan beide niet op.
De hoon der doden. Vs. 9 — 11 geeft de hoon der doden weer. « De hel (sheool) van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, de bokken der aarde, zij doet al de koningen der Heidenen van hun tronen opstaan. Die altegader zullen antwoorden en tot u zeggen: Gij zijt ook krank geworden gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden. Uw hovaardij is in de hel (sheool) neergestort met het geklank uwer luiten, de maden zullen onder u gestrooid worden en de wormen zullen u bedekken ».
De profeet stelt in deze woorden zinnebeeldig de ontvangst van de « Koning van Babel » voor in de « hel ». De « hel » is de sheool, de hades, de grote verblijfplaats der doden. We zien, hoe hij zinnebeeldig met schimp ontvangen wordt. Evenals op aarde een vorst tegemoet wordt gegaan, zo zien we dat hier. De doden, hebr.: de Rephaim, mogelijk de grote reuzen van Deut. 2:11, 20; 3:11, 33. Joz. 12:4, 13:12, 15:8; 17:15; 18:16 en andere tijden (zie Jes. 26:14: overleden Hebr. Rephaim) en 26 (overledenen) worden met de bokken der aarde — eenmaal de trotse, zelfzuchtige, harde heersers op aarde alsook de overige koningen opgewekt om de Koning van Babel te ontvangen. De koningen der Heidenen worden nog op hun tronen gezien, wat zinnebeeldig hun praalgraf uitdrukt en hun koninklijke eretekenen die met hen mee ten grave zijn gebracht. Zij allen ontvangen de « Koning » met schimp en hoon en zeggen: « Gij zij ook krank, d.i. zwak, mat, geworden, gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden ». Ook hij is in de Sheool gekomen. Al zijn hovaardigheid ligt ter neer, al zijn heerlijkheid is vergaan; de muziek die hem vervrolijken moest, heeft opgehouden en nu is hij in een plaats waar de maden en wormen heerschappij voeren en de doden doorgraven en verteren.
We zeiden reeds dat dit veel verder reikt dan Nebukadnezar. Het kan naar we reeds aanwezen, niet op de mens der zonde slaan. Deze toch is het (eerste) Beest van Openbaring 13 en dit wordt bij ‘s Heren wederkomst in de poel des vuurs geworpen, Openbaring 19:20. Het kont niet in de sheool of hades. Dit is wel het geval met Satan. Hij immers wordt in de afgrond gesloten, Openbaring 20:3. De afgrond is de Hades. Christus is in de afgrond geweest, Romeinen 10:7. Dis is de Sheool, Handelingen 2:27 en 31. En in die Hades, het rijk der doden, wordt nu ook Satan geworpen na vooraf gebonden te zijn. Daarna wordt de afgrond boven hem verzegeld, Openbaring 20:3. Het inkomen daarin nu ziet Jesaja en hij laat hem, in dichterlijke verbeelding, ontvangen door hen die reeds daarin zijn. Nu moet Satan die het geweld des doods heeft gehad onder de doden vertoeven; duizend jaar zit hij daar. Hij is niet dood, maar wordt bij de doden gebonden gehouden; zelf zwak en machteloos gemaakt, vertoeft hij daar bij hen die hij eenmaal ten grave deed neerdalen. De hoon en spot wordt niet ten onrechte gehoord.
Satans uitwerping en binding. In vs. 12 — 15 wordt ons nog verder de toekomst van Satan beschreven. Daarin is de beschrijving van zijn val verweven. « Hoe zijt gij uit den hemel gevallen ». Dit kan niet van een mens gezegd worden. Geen mens is ooit nog uit de hemel gevallen of zal daaruit vallen, want geen natuurlijk mens is ooit in de hemel opgeklommen. Men kan eerst door uitopstanding naar het overhemelse varen en door opstanding en verandering in een punt des tijds naar het Vaderhuis in de hemelen. Maar geen zal ooit uit een van beide sferen uitgeworpen worden. Van Satan staat wel dat hij uit de hemel geworpen wordt. Ook Christus heeft dit voorzien, als we tenminste Lukas 10:18. Ik zag den Satan als een bliksem uit den hemel vallen op zijn toekomstige uitwerping mogen toepassen. Die uitwerping geschiedt, als Michaël tegen hem krijgt. Dan is de afloop deze: « En de grote Draak is geworpen, namelijk de Oude Slang welke genaamd wordt Duivel en Satan die de gehele wereld verleidt, hij is (zeg ik) geworpen op de aarde en zijn engelen zijn met hem geworpen ». Dan wordt Jesaja 14:12 werkelijkheid en is het: « Hoe zijt gij uit den hemel gevallen »: En ook de volgende verzen: « O Morgenster, gij Zoon des Dageraads! Hoe zijt gij ter aarde neergekomen, gij die de Heiden krenktet en zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden. Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden. Ja, in de hel (sheool) zult gij neergestoten worden, aan de zijden van de kuil ».
De naam Morgenster komt alleen hier voor. We zeiden reeds, dat sommige uitleggers menen, dat hiermee de afnemende maansikkel bedoeld is. Het kan alleen de àfnemende sikkel zijn, omdat de wassende maan alleen ‘s afvond of in de voornacht aan de hemel staat. In het Hebr. Is het één woord. Het woord « ster » komt er in het geheel niet in voor. Toch komt het ons aannemelijker voor hier aan de morgenster te denken. De afnemende maansikkel is geen verheven beeld om de schoonheid van Satan te beschrijven. Ook de bijvoeging « Zoon des dageraads » wijst daar o.i. op. De morgenster kondigt niet alleen de morgen aan, de dageraad brengt hem als ‘t ware voort. Vanzelf, van de aarde uit bezien. Dat is niet het geval met de maansikkel. Deze staat reeds de gehele nacht of de nanacht aan de hemel en kan zeer moeilijk « zoon des dageraads » heten. Veel beter: « zoon des nachts » We geloven daarom dat de Staten Vertaling juist is.
Niet alleen Satan heet « Morgenster ». Ook Christus draagt die naam. In Open. 22:16 zegt Hij zelf: « Ik ben de wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster ». En 2 Petr. 1:19 zegt tot een groep gelovigen: « En wij hebben het profetische woord dat zeer vast (Gr.:vaster) is en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt (als op een licht schijnende in een duister plaats — n.l. in de duistere tegenwoordige wereld — totdat de dag aanlichte — dit is dan de toekomende eeuw — en de Morgenster — Christus — opga in uw harten ». Men leze: het middengedeelte als een tussenzin. De Morgenster gaat niet op in de harten, maar men moet in zijn hart acht nemen op het profetische woord.
Het is opmerkelijk dat èn Satan èn Christus de naam « Morgenster » dragen. Echter — Christus heeft meerdere namen met anderen gemeen. Hij heet ook « Satan » d.i. Tegenstander (Num. 23) Hij heet Engel des Heren en des Verbonds. Hij noemt zichzelf een mens, Hij heet Zoon des mensen evenals Ezechiël (want Mensenkind is in het Hebr.: Zoon des mensen) Hij heet God, Satan heet god dezer eeuw, enz. Zo deelt Hij meerdere namen met zondige schepselen. Ook die van Morgenster. Zijn meerderheid wordt hier aangegeven door het woord, « de » ; Hij is dè Morgenster, d.i. bij uitnemendheid.
Sommige uitleggers willen voor « Morgenster » wat anders lezen. Zij zeggen dat het een gebiedende wijs is van het werkwoord « huilen » en er dus moet staan: « Huil gij zoon des dageraads ». Nu is het waar dat de vormen van beide woorden gelijk zijn, maar het is geheel tegen de zin ingaande hier te lezen: « huil ». Men probere slechts: « Hoe zijt gij uit den hemel gevallen. Huil, Zoon des dageraads. Hoe zijt gij ter aarde neergekomen, gij die de Heidenen krenkte ». Dit klopt niet. Het woord « huil » is niet op zijn plaats. Het is pure inlegkunde dat hier te plaatsen. Zij die dit voorstaan, willen in de Morgenster niet Satan zien maar een toekomstig « Koning van Babel ». Al aangenomen dat het moest zijn « Huil, Zoon des dageraads », dan nog moet de laatste term verklaard worden en uit het geheel bewezen, dat het hier een letterlijke koning van Babel betreft.
Voor ons staat de zaak anders. Geen enkel menselijk wezen in de Schrift heeft ooit geuit wat deze Zoon des dageraads wenst. De wereldveroveraars hebben wel de wereld willen beheersen, maar zelfs Nebukadnezar, de koning van Babel, komt in zijn droom niet verder dan een hoge boom die tot aan de hemel reikt, en die gezien wordt tot aan het einder der ganse aarde, Dan. 4:11. De mens is tevreden met de aarde. Hij komt niet verder omdat hij als natuurlijk wezen in het aardse staat. De koning van Babel van Jesaja 14 gaat veel, veel verder. Hij wil niet alleen tot aan de hemel reiken, maar zijn troon boven de sterren Gods verhogen. Hij wil boven de wolken klimmen, ja de Allerhoogste gelijk worden. Over het uit de hemel vallen spraken we reeds. Dat is ook met geen mens het geval geweest, merkten we op. Wie dus bij de letter van Jesaja 14:14 blijft staan en zegt: dit betreft de koning van Babel, moet dezelfde letter van vs. 12 en 13 verkrachten. Beter is het meerdere, het getuigenis van deze verzen, ook het meerdere te laten en in de koning van Babel de opperkoning Satan te zien. Dan komt men tot een veel beter geheel.
Nog een enkel woord over vers 12. De nederwerping van Satan wordt in twee trekken beschreven: hij valt uit de hemel en wordt ter aarde neer gehouwen. Dit wijst op twee zijden van één zaak: van uit de aarde bezien, is het een vallen, vanuit de hemel bezien een neerhouwen. Jes. 14 zinspeelt hier op Openbaring 12:7. Daarin zien we Michaël tegen de Draak krijgen. Hij wordt overwonnen, vers 8 en op de aarde geworpen, vers 9. De voltooide tijd die we in Jes. 14 vinden, is de profetisch voltooide. In werkelijkheid moet het nog plaats hebben.
Men zou kunnen vragen: Hoe kan Satan, een geestelijk wezen — hij heet immers geest in Efeze 2:2 — plaatselijk zijn. We antwoorden hierop dit: men heeft een verkeerde voorstelling van geesten. Men meent veelal, dat ze overal tegenwoordig zijn. We achten dit beslist onjuist. Een redelijk geestelijk wezen heeft als schepsel een zekere vorm en is daarmee plaatselijk. Het heet geen geest omdat het overal tegenwoordig is, maar omdat het een andere bestaanswijze heeft: het kan verschijnen en verdwijnen. Engelen heten ook geesten (Ps. 104), maar niettemin hebben ze toch wel een lichaam. Echter, geen aards, stoffelijk, maar een geestelijk. Zo menen we ook, dat Satan een lichaam heeft, geen aards stoffelijk, maar van een andere soort. We komen hierop nog nader terug.
Satans zonde. In vers 13 en 14 vinden we Satans zonde beschreven. 1 Tim. 3:6 spreekt over « in het oordeel des duivels vallen ». Dit kan geschieden met een die opgeblazen wordt. Dat is: hoogmoedig. Hierin ligt een aanwijzing welke Satans eerste zonde geweest is. In Jesaja 14 vinden we die uitgewerkt. Satan was niet tevreden met het wandelen te midden van de vurige stenen, op Gods heilige berg, Ez. 28. Hij wilde ten hemel opklimmen en zijn troon hoger maken dan de sterren Gods. De sterren zijn de engelen. Job. 38:7 zegt: « toen de morgensterren tezamen vrolijk zongen en al de kinderen (zonen) Gods juichten ». (Voor « morgensterren » staat in het Hebr. « sterren des morgens », hier wordt dus wel het woord sterren gebruikt). Satan nu wilde boven hen verhoogd worden.
Nu moeten we toegeven dat hij in wezen boven de engelen stond. Als zodanig is er dus iets voor zijn voornemen te zeggen. Alleen, het was Gods tijd er nog niet voor. God had hem die plaats wel gegeven als hij slechts op Hem had gewacht. Eerst moest hij wandelen op Gods heilige berg en dienen in Zijn heiligdommen (Ez. 28) Hij wilde echter nu al opstijgen naar de berg der samenkomst in het noorden. Dit is een figuurlijke term, evenals de andere in deze verzen (opklimmen, sterren, samenkomst), het ook zijn; hij wijst op een bepaald centrum waar God Zijn tegenwoordigheid in de hemelen het meest openbaart. De cherubs waren de vertegenwoordigers van Zijn troon op aarde. Satan weet dat Hij ook een troon in de hemelen heeft en dat Hij daar Zijn tegenwoordigheid luisterrijker openbaart. Daarheen wil hij nu opstijgen, daar, in het Noorden, wil hij in de samenkomst der goden Gods komen. Daar immers staat God in de vergadering Gods, Ps. 82:1. Daar zijn de kinderen (Hebr.: zonen) der sterken, Ps. 89:1, daar is de raad der heiligen, vs. 8. Maar ook dat is hem nog niet genoeg: hij wil nog verder en de Allerhoogste gelijk worden!
Hier vinden we in opklimmende reeks het proces der zonde in Satan. Begonnen met hovaardij, vs. 11. Omdat zijn hart zich over zijn schoonheid verhief (Ez. 28:17), wil hij eerst ten hemel opklimmen, dan zich boven de engelen verhogen, in de vergadering Gods komen en eindelijk aan God de Allerhoogste gelijk worden.
De zonde van hoogmoed begon met niet te blijven in de sfeer waarin hij geplaatst was. Hij wilde zichzelf verhogen. Daaruit vloeide een tweede voort: Hij wilde de grens tussen Schepper en schepsel uitwissen: hij wilde God gelijk worden. Hier gaat de afhankelijkheid te loor. Niemand kan God gelijk worden; Hij is boven allen. Satan was echter zo grenzeloos hoogmoedig dat hij zich dat toch voornam. Hiermee randde hij Gods majesteit en troon aan: hij de dienaar, wil de heerser worden; van overdekkende cherub op aarde, wil hij gebieder worden op de troon der Majesteit in de hemelen.
Men denke zich de gang van zaken nogmaals in. Satan was een voortreffelijk wezen op aarde. Hij was op Gods heilige berg in Eden (Ez. 28). Daar stond hij te midden van de schoonste pracht der oorspronkelijke schepping, welker toppunt hij was. Hij was het schoonste wezen. Dit vervoerde hem tot hoogmoed. Hij wilde hoger op. Hij zag waarschijnlijk engelen neerkomen en opvaren, hij sprak met hen en hoorde dat zij een plaats van samenkomst hadden in het noorden die op een berg geleek. Hij vernam, dat daar rijksgroten waren die goden genoemd werden. Nu ontwaakte in zijn hart een hoger begeerte: daar ook te kunnen komen. Op zichzelf was daar niets tegen: God had hem zeker verhoogd als hij hier op aarde zijn taak volbracht had. Hij was in wezen óf hoger dan die vorsten óf kon althans als huns gelijke optreden. Maar — hij had Gods tijd moeten afwachten. Evenals een vorstezoon moet wachten totdat hij meerderjarig is om met de rijksgroten te verkeren en in alle zaken des rijks ingeleid en ingewijd te worden, had ook Satan dit moeten doen en willen; hij was nu nog slechts op aarde waar God een troon had. Hoewel hij geschapen was na de engelen (want hij behoorde tot de aarde en toen deze neerzonk op haar grondvesten, waren zij er reeds, Job. 38:6,7), had hij toch hoger bestemming: zij waren en zijn troonboden, hij was troonoverschaduwer. Echter, de tijd voor een hogere bestemming was nog niet aangebroken; hij was nog dienaar op aarde. Dit nu heeft hij niet kunnen verdragen, hij moest en zou hoger en wilde zelfs Gods plaats innemen.
Mislukking. Tegenstelling. Is dit gelukt? Satan heeft wel de grenzen overschreden. Uit Job 1 en 2 weten we, dat hij in de vergadering der zonen Gods kwam, Ef. 2 noemt hem de overste van de macht der lucht. Hieruit zou af te leiden zijn, dat God hem betrekkelijk zijn begeerte heeft doen verkrijgen: hij kon zich in hogere sferen verplaatsen. Maar, wie zich verhoogt zal vernederd worden. Toen Satan zag, dat het toch niet werd zoals hij wilde, toen hij zag dat God Zich niet van Zijn troon liet verdringen, toen mogelijk de cherubs ook hem hadden afgeweerd, toen begon hij God te lasteren. (Ez. 28:16, 18 koophandel: laster) dit ontstak een vuur in hem dat hem langzaam verteert: evenals de zon zichzelf letterlijk opbrandt, zo geschiedt dit met Satan figuurlijk. Het duurt echter lang. Eenmaal wordt hij uit de hemel op aarde geworpen, hij wordt gebonden en in de afgrond geworpen en daar zal hij aan de zijden van de kuil neergestoten neerliggen temidden der doden. Echter als een levend begravene. Wormen zullen om hem heen wroeten, maden zullen hem bedekken, krank, d.i. verzwakt zal hij het moeten verdragen, dat hij door hen doorwoeld en dooreten wordt. Van Herodus staat, dat hij levend van de wormen gegeten werd. Hij stierf al spoedig, Hand. 12:23. Satan wordt duizend jaar met maden overdekt. Welk een diepe vernedering, welk een zware straf. Maar —- onrechtvaardig is ze niet. Hij kan nu zelf zien wat voor onheil hij heeft aangericht.
We maken hier drie tussenopmerkingen.
Welk een tegenstelling is er tussen hem, de overdekkende cherub die een taak op aarde kreeg maar die niet vervulde en Hem Die door de Vader uitgezonden was om het onheil, mede door Satan veroorzaakt, te herstellen. Christus heeft Zich volkomen aan Gods wil onderworpen. Hij heeft Zich diep vernederd, tot de dood, ja de dood des kruises, maar week niet af van de opdracht Hem gegeven. Hij heeft Gods wil volbracht en daarmee een wereldheil bewerkt, dat het onheil verre overtreft. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem gezet in Zijn Rechterhand. Dit als eerste opmerking.
De tweede is deze. Satan wilde de Allerhoogste gelijk worden en zich daarmee ongetwijfeld zetten op de troon van Christus. Dit was echter onbereikbaar voor hem. Aan Gods rechterhand zal Satan nimmer plaats nemen, omdat dit hem niet bereid is. Maar wel zal daar zetelen het Lichaam van Christus. Zoals Deze gezet is aan Gods rechterhand, Ef. 1:20, zo wordt het Lichaam daar mede gezet, Ef. 2:6. Dit alles wordt nu uit genade geschonken.
De derde is: God wederstaat de hovaardigen. De hele wereldgeschiedenis vanaf Satans val is Gods wederstand tegen de hoogmoedige cherub. Deze worsteling is nog niet ten einde. Zijn kop is nog niet vermorzeld. Dit verhindert echter niet, dat God naar Zijn eigen voornemen en genade roept en de eeuwen uitwerkt. We kunnen dit veilig aan Hem overlaten, ondanks Satans woede en lastering. God heeft Zijn troon behouden en werkt het plan uit naar de raad van Zijn wil.
Satans toekomstige werk en lot. In vs. 16 — 20 horen we de levenden honen. « Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten zeggen: Is dat die man die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven, die de wereld als een woestijn stelde en haar steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet losgaan naar huis toe? Al de koningen der Heidenen, zij allen liggen neer met ere, een iegelijk in zijn huis. Maar gij zijt verworpen van uw graf als een gruwelijke scheut, als een kleed der gedoden die met het zwaard doorstoken zijn, als zij die neerdalen in een steen kuil, als een vertreden dood lichaam. Gij zult bij dezelven niet gevoegd worden in de begrafenis, want gij hebt uw land verdorven en uw volk gedood; het zaad der boosdoeners zal in eeuwigheid niet genoemd worden ».
Aan deze « Koning van Babel » wordt elk graf ontzegd. Hij ligt niet neer in « zijn huis », in een graftombe of mausoleum; hij is als een in de strijd gedode die niet begraven wordt, als een verworpen scheut, als een onrein kleed dat men ver in een of andere put werpt, als zulken die na hun dood in een steengroeve worden geworpen en met stenen worden bedekt, als een vertreden dood lichaam. Alle begrafenis wordt hem dus ontzegd.
Men lette er op, dat het gaat over de wijze van begraven, over de eer een luisterrijke begrafenis te hebben ontvangen voor een koning van Babel die in de sheool te vinden is. Het behoeft niet in te sluiten, dat hij dood is. Hij mist de eer van een koningsbegrafenis. Daar gaat het over. Vorsten worden met koninklijke eer begraven; hem de « koning van Babel is deze ontzegd ».
De profetie openbaart hier niet alles. Ze zegt niet wat Openbaring 20 leert, n.l. op welke wijze hij in de afgrond wordt gesloten. Vs. 9 — 11 zeggen wel, dat het zonder begrafenis is, maar niet hoe het wel is.
Dit alles kan niet gelden van Nebukadnezar. Deze is ongetwijfeld met alle pracht en praal begraven; hem is ongetwijfeld een grootse begrafenis ten deel gevallen. Het kan ook niet gelden van het Beest, want dit komt niet in de sheool maar in de vuurpoel. Het betreft ook niet een toekomstig koning van Babel uit de eindtijd, want allen die met het Beest krijg voeren tegen het Lam, worden gedood. Openbaring 19:21. Nergens staat dat een hunner of een ander koning van Babel is. Zo rest dus maar een conclusie: Deze koning van Babel is Satan zelf.
Ook het andere wat er staat, geldt voor Satan. Deze zal eenmaal de aarde beroeren en de koninkrijken doen beven. Men denke aan het « Wee de aarde en de zee (grondtekst), want de duivel is tot u afgekomen », Openbaring 12:12.
Van hem staat nog iets: hij laat zijn gevangenen niet naar huis gaan. Men kan dit letterlijk nemen met het oog op de toekomst. We geloven dat er dieper zin in ligt en het betekent, dat hij die het geweld des doods heeft, het graf gesloten houdt en zij die er eenmaal in zijn gekomen niet weer laat gaan. Hij sluit ze allen op in de Hades, de Dood of de Zee. Alle doden zijn zijn gevangenen. Ze kunnen eerst door het ingrijpen van Christus uit hun graven uitkomen. Dit zal wel niet allemaal tegelijk zijn, maar Hij heeft toch de sleutels van Hades en Dood, Openbaring 1:18.
Satans gedaante. Is al het gezegde van vs. 17:20 nog toekomstig, vs. 16 is het ook. Eenmaal zal men Satan aanschouwen. « Die u zien, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten ». Dan zal men hem aandachtig gadeslaan, aanschouwen, en hem de woorden toevoegen die men hier in Jesaja vindt.
Wanneer zal dit zijn? Vers 15 geeft hierop o.i. het antwoord: als hij in de Hades neergestoten is. Dus als hij gebonden is en in de afgrond ingesloten, Openbaring 20:2,3 Zeer waarschijnlijk zal men hem dan toch kunnen zien. Hij is « aan de zijden van de kuil », een put die verzegeld wordt evenals de leeuwenkuil van Daniël (6:18). Met dit verschil, dat Satan zichtbaar blijft, Gebonden als hij is en verzegeld als de put is, kan hij er niet uit. Dan zal men zeggen: « Is dit de man die de aarde beroerde? »
Voor « man » staat in Jesaja 14:16 een woord dat in Jesaja 12:9 en 5:15 vertaald is door: « aanzienlijk man ». Daar staat het in tegenstelling met de « gemene man », de gewone doorsnee, niet regerende mens. Het wijst dus een man van rang aan een aanzienlijke. Het wordt hier gebruikt om satans voormalige positie aan te geven.
Het heeft nog iets anders in: het wijst er ook op, dat Satan een mensvormige gedaante heeft. Engelen worden steeds als « mannen gezien », zie b.v. Gen. 19:2. 5, 16 en Hand. 1;10. Gabriël, waarschijnlijk een aartsengel, heet een man, Dan. 9:21. Hier staat weer hetzelfde woord « man » als in Jesaja 14. We geloven dat al die hemelwezens de mensvormige gedaante hebben, omdat ook zij geschapen zijn naar het beeld van de Eerstgeborene der creaturen, Christus, en Deze ook mensvormig is. Ze hebben vanzelf geen aards menselijk lichaam, maar hun hemels lichaam is mensvormig. Satan heeft ook een mensvormige gedaante. Die heeft Eva gezien als engel des lichts en daardoor is ze verleid.
Als hij op aarde wordt geworpen, zal hij zeer waarschijnlijk ook in mensengedaante gezien worden. Hij mag dan de natuur van een draak, een slang, een duivel hebben, de vorm is een menselijke. En als mensvormig wezen wordt hij gegrepen en gebonden.
Door velen, waaronder ook veel kerkelijk-gelovigen, is vaak om aan te tonen, dat men het getal 1000 in Openbaring 20 niet letterlijk kan en moet nemen, gewezen op Openbaring 20:1: het binden van Satan met een grote keten. Dit kan niet, zegt men. Satan, een geestelijk wezen is met geen keten te binden. En evenmin als dit nu letterlijk is, is het getal 1000 letterlijk te nemen.
In het licht van Jes. 14, van de « man » met de mensvormige gedaante, willen we opmerken, dat deze weerleggers van de letterlijke opvatting in dezen, nog wel eens bedrogen konden uitkomen en het nog niet bewezen (wel beweerd) is, dat Satan, de « man », met geen letterlijke keten gebonden kan worden. De engel, een reëel wezen, kon wel eens een letterlijke keten slaan om de mensvormige gestalte van de Morgenster en hem daarmee gebonden in de afgrond werpen. Men spotte niet met Gods woord. Als men Satan ziet als een vormelijk wezen, kan het zeer wel, dat hij, mede door het werpen uit de hemel, een meer aards lichaam verkrijgt, dat grofstoffelijk is en met een letterlijke keten gebonden kan worden. God kan zeer wel Zijn Woord ook hier letterlijk bewaarheden. Men roepe niet te hard, dat dit niet kan. Als men in Jes. 14 Satan ziet, moet men ook geloven, dat hij eenmaal in de Hades komt, in een kuil. Hiermee is zijn vormelijk, ja aards lichaam reeds bewezen. ‘t Is beter de Schrift, waar mogelijk, letterlijk te nemen, dan de opinie van het verstand des vleses te aanvaarden. De Schrift heeft het laatste woord.
De Hoge. Tot slot bespreken we nog Jes. 24:21: « En het zal geschieden te dien dage, dat de Heere bezoeking doen zal over de heerscharen des Hogen in de hoogte en over de koningen des aardbodems op den aardbodem ». Sommige vertalingen zetten: « de heerscharen der hogen ». Het Hebr. heeft echter het enkelvoud zoals de St. V. We geloven dat hier met de « Hoge » Satan bedoeld wordt en deze tekst parallel loopt met Ef. 2:2: de Overste van de macht der lucht. God zal eenmaal bezoeking doen over zijn heer, evenals over de koningen des aardbodems.
Wat zal dan hun lot zijn? Dit vinden we in vs. 22 « en zij zullen samen vergaderd worden gelijk de gevangenen, in een put en zij zullen besloten worden in een gevangenis, maar na vele dagen zullen zij weder bezocht worden ». Satans heerscharen, zijn engelen, overheden en machten, komen in een put. Hun wacht hetzelfde oordeel als hem. Zoals hij en zijn engelen eenmaal in het aionische vuur komen. Mt. 25, zo komen zij ook in een put, evenals hij. (Jes. 14 en 24). Dit is het eindoordeel en de eindoplossing nog niet: na vele dagen worden zij weder bezocht, d.i. waarschijnlijk wordt het hemelse heerleger met Satan ontbonden, Openbaring 20, en de koningen des aardbodems opgewerkt om voor de witte troon te verschijnen.
Hiermee besluiten we het O.T. in dezen. Veel werd er ons reeds over Satan in gegeven: zijn schepping, zonde en toekomst. We gaan nu over tot het N.T.
|