Inleiding
Tot heden ontbrak een meer stelselmatige uiteenzetting van wat de Schrift ons leert over de Satan, de Mens der zonde, het eerste Beest, en de Valse Profeet, het tweede Beest van Openb. Een bijdrage hiervoor werd ons wel gegeven in de brochure van J. DE HEER, De Antichrist in zijn drievuldige openbaring, een werkje dat voor velen wel van nut kan zijn daar het tot dieper inzicht voert, maar dat, behalve dat het enkele onjuistheden bevat, zeer beknopt is in punten die voor ons meer overweging verdienen in verband met de mening van sommige gelovigen, die aannemen, en dit uit de grondtekst menen te kunnen bewijzen, dat God Satan als zondig wezen geschapen heeft. We meenden daarom aan de lezers een nieuwe korte leidraad over de drie hierboven genoemde wezens in handen te moeten geven, waarbij we tevens na zullen gaan of de leer, dat God Satan als Satan geschapen heeft, houdbaar is. We willen daarbij ook zijn invloed bezien die hij heeft op de wereld en op het terrein der gelovigen. Een en ander moge verhelderend werken en opbouwen in de kennis der Schrift, zodat men tot groter vastheid komt en niet meer door allerlei invloeden heen en weer bewogen wordt. Voor kritiek, verbetering en uitbreiding houden we ons aanbevolen. Het geheel zij boven alles tot verheerlijking van God Die ons door de zending en het werk van Zijn Zoon verlost heeft, nog telkens wil verlossen en eenmaal door het tenietdoen van de dood zal verlossen uit Satans grote macht en in de toekomst Israël en, de wereld zal bevrijden van het onheilig anti-goddelijk trio dat Hem weerstaat.
I. Benamingen.
Opsomming. Het geestelijke onzichtbare wezen dat meestal Duivel of Satan genoemd wordt, draagt in de Schrift meerdere namen. In het O.T. vinden we behalve Satan naar ons inzicht verder nog: Slang, Morgenster, Zoon des dageraads, Hoge, Verzegelaar der som en Overdekkende Cherub. In het N.T. vinden we in Openbaringen 12:9 deze vier: Draak, Oude Slang, Duivel, Satan, terwijl hem verder toegekend worden de namen Beelzebul, Verzoeker, God dezer eeuw, Overste van de macht der lucht, Geest, Boze en Apollyon. In het O.T. zijn sommige titels aanduidingen van hem. Zo vinden we b.v. Koning van Babel, Koning van Tyrus. Verder is hij te vinden in andere aanduidingen die meer op de achtergrond blijven, maar waaruit zijn macht blijkt. Zo b.v. in Ps. 22 (leeuw). Ook nog wel in andere plaatsen.
1. Satan
O.T. De naam « Satan » is oorspronkelijk geen eigennaam. Hij betekent: tegenstander en wordt niet uitsluitend van de Duivel gebezigd. Er zijn ook anderen aan wie die benaming wordt toegekend. De Heere heet zo en ook de mens. In Num. 22:22 lezen we: « En de Engel des Heren stelde zich in den weg, hem (n.l. Bilieam) tot een tegenpartijd ». Voor « tegenpartijd » staat in het Hebr. « Satan ». Zo ook in vs. 32: « Zie, Ik ben uitgegaan u tot een tegenpartijd », Hebr. « satan ». De Filistijnse vorsten noemden David in de strijd tegen Saul een « satan »; zij zeiden: « opdat hij (David) ons niet tot een tegenpartijder worde in den strijd », 1 Sam. 29:4. In 2 Sam. 19:22 liet de St. V het woord onvertaald en lezen we: « Maar David zeide: « Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja, dat gij mij heden ten satan zoudt zijn. Zou heden iemand gedood worden in Israël ». De zonen van Zeruja traden op als Davids tegenstanders, zij verzetten zich tegen hem. Salomo zei tot Hiram, de koning van Tyrus: « daar is geen tegenpartijder (satan) en geen bejegening van kwaad », 1 Kon. 5:4b. Uit vs. 4a blijkt wat er bedoeld wordt: « Maar nu heeft de Heere mijn God mij van rondom rust gegeven ». Er waren geen met Israël oorlogvoerende vorsten meer. Later echter verwekte de Heere Salomo een satan, een tegenpartijder in Hadad de Edomiet, 1 Kon.11:14 en in Rezon, vs. 23 en 25. Ps. 109:6 had de St. Vert. het woord « satan » ook zo moeten vertalen. Nu staat er: « Stel een goddeloze over hem en de satan sta aan zijn rechterhand ». Men leze: « en een tegenstander (of wederpartijder) sta aan zijn rechterhand ». Uit deze teksten blijkt de grondbetekenis van het woord.
Afzonderlijke bespreking vraagt 1 Kron. 21:1. Daar lezen we in de St. Vert.: « Toen stond de Satan op tegen Israël en hij porde David aan dat hij Israël telde ». In 2 Sam. 24:1 staat, dat de Heere David aanporde om het volk te tellen. Meestal wordt dit zo verklaard, dat de Satan het deed en de Heere het toeliet. We hebben dit eerst ook zo gemeend. Verder onderzoek heeft ons hier van teruggebracht. Wat is ons n.l. gebleken? Dat in de overige teksten van het O.T. waarin de naam « Satan » nog voorkomt, overal het bepaalde lidwoord staat: de Satan. Die teksten zijn Job 1:6, 7, 8, 9, 12, 12;2:1, 2, 2, 3, 4, 6, 7 en Zach. 3:1 en 2. Hier blijkt duidelijk dat Satan bedoeld wordt. De Schrift geeft dit aan door het lidwoord. Dit staat in geen der andere teksten. Ook niet in 1 Kron. 21:1. Overal wordt daar alleen bedoeld te zeggen, dat er 'n tegenstander is, hetzij dat dit de Heere is of een mens. Als het dè bepaalde tegenstander dè Satan is, zet de Schrift het lidwoord. Dit is een aanwijzing voor de verklaring van 1 Kron. 21:1. Deze tekst is geheel in overeenstemming met 2 Sam. 24:1. Daar staat, dat de Heere David aanporde, in 1 Kron. 21 niet dat Satan het deed, maar: een Tegenstander. Deze Tegenstander is dan de Heere Zelf. Wie let op de nauwkeurigheid der inspiratie, zal dit toestemmen.
Het O.T. schrijft alle dingen aan God de Heere toe. Die verwekt vijanden, die doet kwaad in de stad, die schept het kwaad, enz. Volgens 1 Kon. 11:14 verwekte hij Salomo een tegenstander en volgens 1 Kron. 21:1 port Hij, als Tegenstander, David aan. Is Hij hiermee de auteur van het kwaad, beter: van de zonde? We moeten hier een punt dat later nog terugkomt, vooruitnemen. We merken op, dat alles aan Hem toegeschreven wordt, omdat het O.T. leert, dat niets buiten Hem is of omgaat (het N.T. zegt dat we allen in Hem leven, ons bewegen en zijn, Hand. 17). Het noemt de tussenschakels niet. Vandaar zulke uitspraken. Ze tekenen Zijn opperhoogheid, Zijn albestuur. Later laat de Schrift zien dat er tussenoorzaken zijn die God bestuurt en overheerst. Het O.T. schrijft deze oorzaken ook aan God toe. Ze zijn evenwel niet rechtstreeks uit Hem, ze worden alleen geleid door Hem. Als de Heere David aanport wil dat alleen zeggen, dat Hij Davids hoogmoed openbaart. De zonde ontvangt en baart begeerlijkheid. God remt dit niet, Hij laat die ontwikkeling haar gang gaan. Het niet verhinderen van het opspuiten van de bron van wanbedrijf (David zegt immers in vs. 8 van hetzelfde 1 Kron. 21: Ik heb zeer gezondigd) noemt het O.T. het aanporren zelf, het verwisselt gevolg met oorzaak. Daar moeten we oog voor leren krijgen.
De andere teksten noemden we reeds. Er nog een kort woord over. In Zach. 3:1 lezen we: « En de Satan stond aan zijn (d.i. Jozua's) rechterhand ». En in vs. 2: « Doch de Heere zeide tot den Satan: De Heere schelde u gij Satan ». Hier geldt het bepaald de grote tegenstander Gods. In Job 1 en 2 in de genoemde verzen vinden we de bekende beschrijving, waarin Satan zich stelt in het midden der kinderen (lees: zonen) Gods en beluisteren we een gesprek tussen de Heere en Satan over Job. Dit wordt in hoofdstuk 2 herhaald, terwijl we Satan daar Job lichamelijk zien slaan. De term: de Satan komt in deze twee hoofdstukken 13 maal voor. In Zacharia 3 maal. In al deze 16 teksten wordt steeds het lidwoord gezet. In de overige tien niet.
N.T. In het N.T. vinden we de naam « satan » 17 maal in de Evangeliën en in Handelingen. Als volgt. In Mt. 4:10, Mk. 1:13, Luk. 4:8 in de verzoeking in de woestijn. In Mt. 12:26, Mk. 3:23 in de tekst: « Hoe kan de satan den satan uitwerpen? ». In Mt. 16:23 en Mk. 8:33 in de tekst: « Ga weg, achter mij satan ». In Mk. 3:26 en Luk. 11:18 vinden we dat, indien de satan tegen zichzelf opstaat of verdeeld is, hij en zijn rijk niet kunnen bestaan en hij een einde heeft. Mk. 4:15 leert, dat de satan het woord wegneemt bij de bij de weg bezaaiden. Christus zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen, Luk. 10:18. De satan bond een dochter Abrahams achttien jaar, Luk. 13:16. Hij voer in Judas' hart, Luk. 22:3, Joh. 13:27 en begeerde de discipelen te ziften als de tarwe, Luk. 22:31. Hij vervulde Ananias' hart, Hand. 5:3. Heel het Heidendom ligt onder zijn macht, Hand. 26:18.
In Paulus' Brieven wordt hij 9 maal vermeld. Satan wordt eens onder de voeten der gelovigen verpletterd, Rom. 16:20. Gelovigen kunnen aan hem overgegeven worden, 1 Tim. 1:20, zelfs tot verderf des vleses, 1 Cor. 5:5. satan kan hen door vleeselijke begeerten verzoeken, 1 Cor. 5:5 Satan kan hen door vleeselijke begeerten verzoeken, 1 Cor. 7:5. De gelovigen moeten waken, dat hij geen voordeel over hen verkrijgt, 2 Cor. 2:10. Hij verandert zich in een engel des lichts, 2 Cor. 11:14. Hij kan veel verhinderen, 1 Thess. 2:18. Hij bewerkt de komst van de mens der zonde, 2 Thess. 2:9. In Paulus' dagen hadden enigen zich achter hem gewend, 1 Tim. 5:15. In de Openbaring vinden we hem 8 maal genoemd. Er is een synagoge, een troon en diepten des satans, Op. 2:9, 13, 13, 24; 3:9. Hij wordt eenmaal uit de hemel geworpen 12:9, gebonden, 20:4 en weer ontbonden, 20:7. Totaal komt de naam in het N.T. 34 maal voor.
2. Duivel.
Het woord « duivel(en) » komt in de St. V. en O. en N.T. voor. De betekenis in het oorspronkelijk loopt echter ver uiteen.
In het Hebr. is « duivel » de vertaling van twee woorden; het ene is « sair ». het andere « shed ».
Het woord sair is verschillend vertaald, n.l. door « harig » in Gen. 27:11 door « geitenbok » in Gen. 37:31 en Lev. 4:23, 16:5, door « bok » in Lev. 4:24, 16:7 e.v. en door « duivel(en) » in Lev. 17:7, 2 Kron. 11:25, Jes. 13:21 en 34:14. Lev. 17:7 luidt: « en zij zullen ook niet meer hun slachtoffers offeren den duivelen »; 2 Kron. 11:15: « en hij (Jerobeam) had zich priesters gesteld voor de hoogten en voor de duivelen en voor de kalveren die hij gemaakt had ». De Septuaginta vertaald hier in beide teksten « ijdelheden », waarmee ongetwijfeld afgoden worden aangeduid. De eerste tekst wijst op het offeren aan afgoden die Israël in Egypte aangeleerd had, de tweede op het invoeren van afgodendienst door Jerobeam na zijn terugkeer uit Egypte. Het woord « sair » betekent oorspronkelijk « bok »; het schijnt, dat de Egyptenaars een afgod onder deze vorm aanbaden, zoals ze trouwens veel dierenafgoden vereerden.
In Jes. 13:21 wordt gezegd, dat in Babel eenmaal, naast de jonge struisen, de « duivelen » zullen huppelen. Eveneens zullen daar de wilde dieren en de draken elkaar toeroepen, terwijl in Jes. 34:14 staat, dat de wilde dieren der woestijn die der eilanden, en de « duivel » zijn metgezel zal toeroepen. Dat zal zijn in Edom, zie vs. 6. In deze teksten wordt de « duivel » gezien in gezelschap van struisen en wilde dieren. Wie deze teksten wel naleest, zal tot de conclusie moeten komen, dat de St. V. hier wel een vreemde overzetting geeft. Er is hier ongetwijfeld van geen « duivelen » sprake maar van bokken. De St. Vertalers hebben hier de Septuaginta gevolgd die in de eerste tekst « demonen » zet. De mening dat boze geesten woeste plaatsen bewonen, is zeer oud en zonder dat de Schrift dit zegt, door de mensen maar in de vertaling neergelegd.
Het woord « demonen » is van een Hebr. wortel die « schudden « of « schokken » betekent, n.l. door vrees. De demonen die wij satirs noemen, hadden in de verbeelding der oude mensheid de vorm half van een mens, half van een bok. Deze voorstelling treffen we ook nog in de Middeleeuwen in het Christendom aan; men stelde zich de Duivel voor als een man met bokshorens en bokspoten!
Het tweede woord « shed » komt voor in Deut. 32:17: « Zij hebben den duivelen geofferd, niet Gode » en in Ps. 106:37: « Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen opgeofferd ». Paulus zegt, dat, wat de Heidenen aan de afgoden offeren, zij het de demonen offeren, 1 Cor. 10:20. Het woord « shed » wordt meestal afgeleid gezien van « shid » heersen. Men kan hier aan heersende macht denken.
In het N.T. is het woord « duivel « de vertaling van Diabolos. Dis is afgeleid van « diaballoo » wat eigenlijk betekent: door werpen en verder: overbrengen; vervolgens: aanbrengen, dan: aanklagen, beschuldigen. Het komt alleen voor in Luk. 16:1: de rentmeester werd bij zijn heer verklaagd.
Het woord diabolos is ook weer niet uitsluitend eigennaam. Het wordt in het enkel- en meervoud gebruikt. In 't enkelvoud één maal: Judas wordt een duivel genoemd, Joh. 6:70. In het meervoud drie maal en wel in 1 Tim. 3:11 en Tit. 2:3, waar het vertaald is door « lasteraars » en 2 Tim. 3:3, waar de St.V. « achterklappers » zet. Overigens staat het verder overal in het enkelvoud en kan dan als eigennaam van Satan aangemerkt worden. Men kan die beter vertalen door: aanklager of lasteraar.
Als zodanig komt hij voor in Mt. 4:1, 5, 8, 11 en in Luk. 4:2, 3, 5, 6, 13 in het verhaal van de verzoeking van Christus. Hij komt ook voor in de gelijkenis van de goede en de slechte tarwe; de vijand die het slechte zaad zaaide is de duivel, Mt. 13:39. Hij is ook die het zaad des woords wegneemt, bij de bij de weg bezaaiden, Luk. 8:12. Hij overweldigde er velen, Hand. 10:38. Hij gaat om als een brieschende leeuw om te verslinden, 1 Petr. 5:8. Hij zondigt van den beginne, 1 Joh. 3:8. Hij werpt in de gevangenis, Op. 2:10. Men moet hem geen plaats geven, Ef. 4:27, maar weerstaan, 6:11, Joh. 4:7. Hij spant strikken, 1 Tim. 3:7 en velen slapen daarin zelfs, 2 Tim. 2:26. Hij heeft verder het geweld (d.i. de macht) van de dood, Heb. 2:14. Michaël twistte daarom eens met hem over het lichaam van Mozes, Jud.: 9. Echter, hem is een oordeel bereid, 1 Tim. 3:6. Hij wordt eerst uit de hemel geworpen, Op. 12:10 en 12, daarna gebonden, Op. 20:2. Eenmaal komt hij in de poel des vuurs, Op. 20:10, het vuur dat de duivel en zijn engelen bereid is. Mt. 25:41. Zijn andere namen vinden we in Op. 12:9 en 20:2. Velen waren uit de duivel. Zo de Farizeën, Joh. 8:44. Uit de duivel is hij die de zonde doet, 1 Joh. 3:8, 10. Elymas heet een kind (Gr.: zoon) des duivels, Hand. 13:10. Christus moet alle werken des duivels verbreken, 1 Joh. 3:8.
Slechts eenmaal staat, dat de duivel in iemand gevaren is. Dat woord geldt Judas, Joh. 13:27. Men zal opmerken, dat er toch zo vaak in de Evangeliën staat, dat iemand van de duivel bezeten was, dat van iemand duivelen uitvoeren, dat Christus « de duivel » uitwierp (Mt. 9:33), enz. We merken op, dat in al deze teksten een ander woord staatn, n.l. daimonion, wat de St. Vertalers ook door duivel(en) vertaald hebben. Jammer genoeg. Want nu gaat er weer veel van de oorspronkelijke Schrift verloren. Overal waar « duivel » of « duivelen » staat buiten de hier boven bij diabolos genoemde teksten, zette men « demon » of « demonen ». Deze groep boze wezens is onderscheiden van de eigenlijke diabolos.
3. Slang.
Met het woord « Slang » zien we o.i. reeds in Genesis 3 Satan aangeduid. Verder komt het in die zin niet meer voor in het O.T. In het N.T. vinden we het in 2 Cor. 11:3: « Doch ik vrees, dat enigszins, gelijk de Slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft » en in de Openbaring. In Op. 12:14 is er sprake van, dat de Vrouw (Israël) gevoed wordt buiten het gezicht der Slang, in 12:15 wordt gezegd, dat de Slang water uit zijn mond werpt. In 12:9 en 20:2 heet hij de Oude Slang; dit is een verwijzing naar Gen. 3, waarover we nader behandelen.
4. Draak.
De term « draak » komt wel in het O.T. voor maar daarin zien wij voor ons geen aanwijzing van Satan. De enige tekst die daarvoor, oppervlakkig bezien, in aanmerking zou kunnen komen, is Jes. 27:1. We zullen uiteenzetten waarom we daarin Satan niet zien aangeduid. In het N.T. komt de term alleen voor in de Openbaring. In 12:3 wordt een grote rode Draak gezien. De Draak (Satan) stond voor de Vrouw (Israël) om haar Kind (niet Christus, maar een groep van gelovigen), te doden, vs. 4. Deze, de manlijke zoon van vs. 5, worden weggerukt. De Vrouw vlucht nu. Michaël krijgt tegen de Draak, vs. 7. De grote Draak wordt uit den hemel geworpen, vs. 9. Dan gaat hij de Vrouw vervolgen, vs. 13. Later de overigen van haar zaad, vs. 16. Van die Draak ontvangt het Beest kracht, troon en grote macht, 13:2. Hij wordt aangebeden, vs. 4. Het andere Beest met de twee hoornen spreekt als de Draak, vs. 11. Later zien we heem weer optreden met Beest en Valse Profeet, 16:13. Eindelijk wordt hij in de afgrond gesloten, 20:2.
5. De Morgenster.
Deze naam voor Satan vindt men alleen in Jes. 14:12. In het N.T. wordt hij aan Christus gegeven, Zie 2 Petr. 1:19 en Op. 22:16. Sommigen willen in Jes. 14:12 wat anders vertalen. Zie hieronder.
6. Zoon des Dageraads.
Deze naam komt slechts éénmaal voor en wel in Jes. 14:12.
7. De Hoge (in de hoogte).
Zie Jes. 24:21.
8. Verzegelaar der som.
Alleen in Ez. 28:14. In het Hebr. staat: « zegel van het bestek ». Het woord door « som » vertaald, is in Ez. 43:10 door « bestek » overgezet. Men kan hier wat vrijer lezen: « zegel op het bestek » of nog vrijer: « hoogtepunt van het bestek ».
9. Gezalfde Overdekkende Cherub.
Alleen in Ez. 28:14.
10. Beëlzebul.
Deze naam vinden we alleen in de Evangeliën. Beëlzebul is de overste der demonen. Zie hieronder. De teksten waar Beëlzebul voorkomt, zijn: Mt. 10:25, 12:24 en 27; Mk. 3:22; Luk. 11:15, 18, 19.
11.Verzoeker.
Zie Mt. 4:3 en 1 Thess. 3:5.
12. God dezer eeuw.
Alleen in 2 Cor. 4:4. Deze term is niet identiek met « Overste dezer wereld ». Zie hieronder.
12. Overste van de macht der lucht.
Alleen in Ef. 2:2. Loopt parallel met Jes. 24:21.
14. Geest.
Ook alleen Ef. 2:2.
15. Boze.
Zie Mt. 5:37; 6:13; 13:19; 38; Joh. 17:15; Ef. 6:16; 2 Thess. 3:3; 1 Joh. 2:13, 14; 3:12; 5:18, 19 voor « in het boze » kan men o.i. beter vertalen: « in den boze ». Men moet bidden om verlost te worden van de Boze, Mt. 6:13. Christus bidt daar ook om, Joh. 17:15. De Boze rukt het woord weg, Mt. 13:19. Er zijn kinderen des Bozen, waarin hij bijzonder inwerkt, vs. 38, 1 Joh. 3:12. De Boze schiet vurige pijlen op de gelovigen, Ef. 6:16. Zie verder 2 Thess. 3:3. Men kan hem overwinnen, 1 Joh. 2:13, 14 en niet van hem gevat worden, 1 Joh. 5:18. De wereld ligt in hem, vs. 19.
16. Abaddon-Apollyon
Alleen in Op. 9:11. Apollyon betekent evenals Abaddon: Verderver.
II. DE (OUDE) SLANG.
Genesis 3.
Historie. De eerste naam die de Schrift aan de grote tegenstander van God toekent is: Slang. Dit is een zinnebeeldige naam, die ons een van Satans karaktertrekken openbaart. Gaandeweg wordt meer van hem meegedeeld en het is bijzonder het O.T. dat ons het hoge maar gevallen wezen uitbeeldt. In Gen. 3 lezen we slechts iets van zijn toekomst, niet van zijn verleden. Het zegt iets van zijn valsheid en leugenachtigheid, niet van de oorzaak ervan. Dit behoeft ook niet; de Schrift is zeer aanschouwelijk, ze geeft eerst de feiten en er dan meer licht over.
We vinden in Gen. 3 het bekende verhaal van de verleiding der eerste mensen tot positieve zonde. Echter, hoe eenvoudig het ook schijnt, het heeft al eeuwen lang aan de uitleggers moeilijkheden gegeven die de grond legden voor verschil van mening. Sommigen hebben het voor een fabel gehouden, anderen voor een mythe. Weer anderen hebben gemeend, dat Satan zich geïncorporeerd heeft in een letterlijke slang en door deze gesproken heeft. Ja men gaat hierbij zo ver, dat men zegt, dat God aan Satan de macht gegeven heeft om het dier te doen spreken. Deze laatste mening is uitvloeisel van de starletterlijke opvatting van vs. 16: het op uw buik gaan en stof eten.
Is er nog geen andere verklaring? Zeer zeker. En daarvan zijn wij voorstander. Wij menen, dat de Slang die in Gen. 3 optreedt, niet het slangdier tot medium gebruikt heeft, maar Satan zelf is geweest. Daarom spreekt de Openbaring van: de Oude Slang. We willen dit trachten aan te tonen. Als inleiding daarvoor is het gewenst de structuur, de bouw, van dit hoofdstuk te geven. Deze is aldus:
 |
| A1 |
 |
1-5. De Slang, Hebr.: Nachash. Aanleiding tot het oordeel des doods. |
|
B1 |
 |
6. De boom der kennis. Het eten er van. |
|
C1 |
 |
a1 |
 |
7. Uitwerking op man en vrouw. |
|
 |
|
b1 |
 |
7. Menselijke voorziening: schorten van bladeren. |
|
D1 |
 |
8-12. God ondervraagt de man. |
|
E1 |
 |
13. God ondervraagt de vrouw. |
|
F1 |
 |
14. Oordeel over de Slang. |
|
F2 |
 |
15. Belofte van het Zaad. |
|
E2 |
 |
16. Gods oordeel over de vrouw. |
|
D2 |
 |
17-19. Gods oordeel over de man. |
|
C2 |
 |
a2 |
 |
20. Uitwerking op man en vrouw. |
|
 |
|
b2 |
 |
21. Goddelijke voorziening: rokken van vellen. |
|
B2 |
 |
22-24. De Boom des levens. De verdrijving er van. |
| A2 |
 |
24. De Cherubs. Bewaren de weg naar de boom des levens. |
|
Men ga de evenredigheid van een en ander voor zover we er niet op wijzen, na en zie wat tegenover elkaar staat.
In Gen. 3 hebben we noch een allegorie d.i. een verhaal dat op vergelijkingen berust, noch mythe, een soort verdichting, noch legende, een verminkte overlevering, noch een fabel, een verhaal waarin redeloze wezens spreken, maar een letterlijk verhaal met historische feiten, dat door het aanwenden van stijlfiguren te meer beklemtoond wordt. De verwarring van gedachten en de tegen elkaar strijdende exegese zijn ontstaan doordat men letterlijk genomen heeft wat door figuren is uitgedrukt of figuurlijk wat letterlijk is bedoeld. Een stijlfiguur, d.i. een figuurlijke uitdrukking of zegswijze, wordt nimmer gebruikt, dan om de aandacht te vestigen op de werkelijkheid van de letterlijke betekenis, om die te meer te beklemtonen, ze intenser te maken en te meer als waarheid voor te stellen. Hoewel de gebruikte woorden dus strikt genomen niet waar zijn naar de letter, zijn ze te meer waar naar de waarheid die ze door hun betekenis en door de historische feiten er aan geven.
De Glanzende. Het Hebr. woord voor « Slang » is « Nachash ». Dit betekent: de schijnende, de glanzende. In het Chaldeeuws is het de naam voor koper vanwege de glans van dat metaal. Hiskia noemde de koperen slang een nehustan, een stuk koper, 2 Kon. 18:4. Zo betekent « seraf » een « brandende », Jes. 6:2, 6 en omdat de slangen die Israël in de woestijn beten « vurig » waren, d.w.z. brandende beten gaven, heten ze letterlijk nacheshim (slangen) saraphim (brandende), Num. 21:6. Hier heet een slangdier een Seraf, in Jes. 6 duidt het een redelijk bewust wezen aan. In Num. 21:8 zegt de Heere: « Maak u een vurige slang »; letterlijk: een seraf. Mozes deed dit en maakte een koperen slang, een nachash van koper. Als nu seraf gebruikt wordt om een slangdier aan te duiden, dat een brandende beet kan toebrengen en ook een redelijk wezen uit hoger sfeer aangeeft omdat dit een vuurgloed uitstraalt, waarom kan dan ook nachash geen dubbele betekenis hebben, n.l. van slangdier en slangwezen (Satan), omdat beide schijnende wezens zijn.
De Schrift later verder zien, dat er ook overeenkomst is in zekere trekken die beide gemeen hebben. Daarop wijst 2 Cor. 11. In vs. 3 daarvan lezen we « Doch ik vrees, dat enigszins gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, alzo ook uw zinnen bedorven worden om af te wijken van de eenvoudigheid die in Christus is ». Dit geschiedde door valse apostelen. Daarvan zegt vs. 13 en 14: » Want zulke valse apostelen zijn bedrieglijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus. en het is geen wonder, want de Satan zelf veranderd zich in een engel des lichts ». Hier vindt men twee dingen: de schijnende en glanzende engel die Eva geïmponeerd heeft en zijn arglistigheid waarmee hij haar bedrogen heeft. Eva kwam door zijn verschijning zo onder de indruk, dat zij gaarne gehoor gaf aan zijn listige woorden. In Gen. 3:1 vinden we de glans en de listigheid aangegeven door de woorden: « Slang » en « listig ». Voor ons bewijst zo o.a. 2 Cor. 11, dat de Slang van Gen. 3 geen slangdier maar een slangwezen is dat enige overeenkomst had met het bijzonder aan Israël bekende dier; uiterlijk door een zekere glans, innerlijk door arglistigheid.
Wie de structuur nagaat, ziet nog iets: de Slang van vs. 1 staat tegenover de Cherubs van vs. 24. Ook dit wijst er op, dat zal er balans zijn, de Slang geen slangdier is maar een redelijk wezen dat gesteld wordt tegenover andere redelijke wezens. Deze zijn van hoger orde; hij ook. We zullen bij Ez. 28 zien, dat hij de overdekkende Cherub heet. Zo staan deze cherubs in Gen. 3 tegenover een andere cherub. die in Gen. 3 door « Slang » wordt aangeduid. Men ziet, zo is er ook een aanwijzing in de structuur.
Listig. Enige moeilijkheid geven de woorden: « listiger dan al het gedierte des velds ». Onder gedierte des velds verstaat de Schrift letterlijke dieren, zie Gen. 1:25 (St.V. wild gedierte, wild staat er niet bij, dus: gedierte) 1:30 (gedierte), 2:19 (gedierte), 3:1, 14; 9:2, 10, enz. Het woord « listig » is hetzelfde woord als in Job 5:12 (arglistig), 15:5 (arglistig) en Spr. 12:16, 23; 13:16; 14:8, 15, 18; 22:3 en 27:12 waar overal « kloekzinnig » staat. Het heeft dus een neutrale betekenis, kan iets slechts of goeds uitdrukken. In het Hebreeuws is het woord een homoniem van naakt (aroem). Een homoniem is een woord dat gelijk gespeld wordt als een ander maar dat een andere betekenis heeft. (Denk aan onze woorden: haan (dier) en haan (van een geweer), portier (bediende) en portier (van een rijtuig), week (7 dagen) en week (zacht), enz. In Gen. 2:25 nu vinden we: « En zij waren beiden naakt » (aroem). Nu gaat 3:1 voort: « En de nachas was listig (aroem) boven de dieren des velds ». We kunnen het nu zo lezen: « En zij (de man en de vrouw) waren beiden naakt (aroem) en zij schaamden zich niet (wijl zij nog geen positieve ongehoorzaamheid kenden). Maar de Slang die wijzer (aroem) was dan enig levend wezen van het veld, dat de Heere God gemaakt had en die positief het kwaad kende (maar zich niet schaamde) zeide tot de vrouw », enz. Ook als men het woord « beest » hier behoudt, staat er nog niet, dat de slang een dier was, maar alleen dat hij arglistig (kloekzinnig) was boven al het andere dat God gemaakt had.
Wie de slang tot een slangdier maakt, moet aannemen of dat Satan er in gevaren is en door dat dier sprak of dat hij zijn bek opende zoals de Heere dat later deed met Bileams ezel. Het laatste is God tot medewerker maken. Het eerste wordt weerlegd door 2 Cor. 11, waaruit naar we menen duidelijk af te leiden is, dat hij als een engel des lichts is verschenen en Eva door zijn glans betoverd heeft.
Dat een schepsel een diernaam heeft, is niet vreemd in de Schrift. Juda heet een leeuwenwelp, Gen. 49:9, Issasar een sterk gebeende ezel, vs. 14, Dan een slang, vs. 17, Naftali een hinde, vs. 21 Herodus een vos, Luk. 13:32, Christus een Lam, Joh. 1:29, een Leeuw Op. 5:5. Waartoe zou Satan dan geen slang kunnen heten?
Vers 15. Zij die in de Slang een slangdier zien, beroepen zich verder op vs. 14. Zij lopen echter vast met vs. 15. Vers 14 zegt: « dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee en boven al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten al de dagen uws levens ». Dat wijst voor hen op een slangdier dat eerst poten heeft gehad, maar nu die of verloren heeft of ze verder heeft moeten mee slepen. In vs. 15 komen zij voor moeilijkheden. « En ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, tussen uw zaad en haar zaad, datzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen ». Hierin moet men ineens van het slangdier dat Satan dan gebruikt heet te hebben, overgaan op hemzelf; anders loopt alles vast. Immers zal Christus toch geen letterlijke slang (welke dan?) de kop vermorzelen en heeft geen letterlijke slang aan Christus de verzenen (d.i. hielen) vermorzeld. Dit gaat beslist niet op. En waarom het nodig is een dier dat aan Satan generlei weerstand kon bieden — de redelijke mens kan het meestal niet eens — te straffen door het voortaan op de buik te laten gaan, iets waarvan het als dier toch ook weinig besef zal gehad hebben, is ons een raadsel.
Hoe wij vers 15 verklaren? Het is niet letterlijk te nemen. Christus zal Satans letterlijk hoofd niet verbrijzelen om hem te doden. Ook heeft Satan Christus niet de letterlijke verzenen of hielen verbrijzeld, want geen been aan Hem zou gebroken worden, Joh. 19:36. Met het laatste wordt figuurlijk Christus' lijden uitgedrukt, waardoor Hij evenwel niet is ondergegaan: iemand wiens hielen verbrijzeld zijn, kan genezen, is althans niet dood. Het drukt hier uit, dat Christus niet overwonnen is, al moge Hij dan ook getroffen zijn. Hij heeft slechts tijdelijk geleden. Christus zal ook eenmaal niet letterlijk Satans schedel verpletteren om hem te doden. Het drukt Satans ondergang uit. Geen benen schedel wordt verbrijzeld, maar al Satans listen en aanslagen waarvan het hoofd de zetel is, worden vernietigd. Dat zal zijn als Satan onder de voeten zal verpletterd worden, Rom. 16:20. Dit zijn geen letterlijke voeten, maar betekent, dat de gelovigen volkomen macht over hem zullen hebben. Het verbrijzelen van Christus' verzenen is de welsprekendste en indrukwekkendste wijze om hier, in beeldvorm, Zijn lijden voor te stellen, doch tevens aan te wijzen, dat het van voorbijgaande aard zal zijn; het verpletteren van de kop drukt figuurlijk algehele ondergang uit. Wat letterlijke woorden hier nog niet mochten uitdrukken, althans niet duidelijk voorzeiden, dat geschiedde in figuurlijke taal. Het betekent van achteren bezien dit: door Christus' dood maar daarop gevolgde opstanding wordt aan Satan eenmaal finaal de macht ontnomen en worden al zijn werken verbroken.
Vers 14. Moet vs. 15 zo figuurlijk verklaard worden — letterlijk loopt men hopeloos vast — dan ook vs. 14: « op uw buik zult gij gaan ». Dit betekent heel wat meer dan op een letterlijke buik te gaan en zich op huid en vlees langs de aarde voort te bewegen. « Verzenen » en « kop » zijn figuurlijk, zo ook « buik ». Het gaan op de buik wijst op Satans uiteindelijke vernedering. Het zich op de grond moeten neerleggen was steeds teken van onderwerping. In Ps. 44:26 lezen we: « Want onze ziel is in het stof neergebogen, onze buik kleeft aan de aarde ». Dit behoeft ook niet letterlijk zo te zijn, het wijst op vernedering en onderwerping. In Gen. 3:14 wijst de figuurlijke taal veel meer de vernedering aan dan de letterlijke kan doen en verbergt tevens de wijze waarop het zal geschieden.
Zo ook met de woorden: « stof zult gij eten ». Dit is niet waar naar de letter, want slangen eten geen stof, maar waar naar het wezen. Het wijst op voortdurend falen, gedurige teleurstelling en achteruitgang en doding: Spr. 20:17 zegt: « Het brood der leugen is den mens zoet, maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden ». Dit is geen letterlijk brood en zijn geen letterlijke zandsteentjes, maar iets heel onaangenaams. Het elkaar bijten en vereten en daarna van elkaar verslonden worden van Gal. 5:15, is ook niet iets letterlijks. Ps. 72:9 zegt: « zijn vijanden zullen het stof lekken ». Ook dit is niet letterlijk op te nemen alsof zij met hun letterlijke tong het stof van de grond zullen gaan oplikken. 't Is diep vernederd worden voor Hem. En zo nu ook met de uitdrukking: « stof eten ». 't Is een diepe voortdurende vernedering.
Men ziet dat we zo een consequente verklaring krijgen die alle moeilijkheden overwint. Alleen zou men nog kunnen vragen, waarom de Slang hier steeds gezien wordt in verbinding met de dieren des velds. Hij was listiger dan zij en wordt nu meer vervloekt dan zij. 't Is waarschijnlijk om Israël te leren dat hij in wezen niet boven de mens staat. Hij moge dan wijzer zijn dan de dieren, hij wordt bij de mensen niet geteld. Hij is ook meer vervloekt dan de dieren en daarom te verachtelijker. God trekt hiermee zijdelings een veel scherper grens tussen hem en de mens dan letterlijk woorden konden doen. Hij moge een stralende engel geweest zijn, hij is in wezen meer vervloekt dan enig dier. Men zal tegen het bovenstaande, dat Satan in wezen minder is dan een mens, opmerken, dat hij eigenlijk toch veel machtiger is dan deze. We geven dit volmondig toe. Hier echter gaat het daar niet om. Een generaal in volle uniform is machtiger dan een kroonprinsje in de wieg. In rang staat deze echter boven hem als toekomstig vorst. Zo ook met Satan. In wezen d.i. als toekomstig heerser, staat de mens boven hem. De mens is heer van alles. Satan had een dienende functie moeten behouden. Zijn hoogmoed deed hem daaruit vallen en nu wacht hem de grootste vernedering tot ver beneden het dier zelfs.
|