De Valse Profeet
Benamingen.
In O. en N.T. De derde persoon, die we willen bespreken is, de « Valse Profeet ». Deze term komt alleen in de Openbaring voor, zie 16:13, 19:20 en 20:10. In hfdst. 13 van dat boek zien we hem aangeduid als het « andere Beest ». Verder menen we, dat hij in 1 Johannes voorkomt als de Antichristus. Dit wat het N.T. betreft. In het O.T. schijnt het niet zo gemakkelijk om hem te vinden. Satan vonden we daar o.a. als Slang, Morgenster en Overdekkende Cherub, de Mens der zonde o.a. als Kleine Hoorn. Maar nu de Valse Profeet? We geloven, dat hij in Zacharia voorkomt als de « Nietige herder », Zach. 11. Is dit zo, dan wordt reeds in het O.T. van alle drie iets gezegd. Van de Valse Profeet wel het minst, maar hij wordt toch aangeduid. Het N.T. geeft dan uitbreiding of aanvulling.
Zoals reeds gezegd wordt in Openbaring 13 de Valse Profeet aangeduid met de woorden « een ander Beest ». Dat hij daarmee identiek is, volgt uit Openbaring 19:20: « En het Beest werd gegrepen en met hetzelve de Valse Profeet die de tekenen in tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had die het merkteken van het Beest ontvangen hadden en deszelfs beeld aanbaden ». Dit vers wijst terug naar hfdst. 13:12 e.v. wordt hij daar naar zijn natuur aangeduid, in de naam « Valse Profeet » ligt een aanwijzing van zijn werk: hij speelt een rol op godsdienstig terrein en staat het ware woord Gods tegen.
De valse profeten in Israël zijn bekend. Zij zeiden ook een roeping en zending te hebben, maar konden die alleen door leugen trachten aan te tonen. De Heere liet telkens tegen hen waarschuwen door Zijn profeten. (Zie ook Luk. 6:26 en 2 Petr. 2:1).
Ook in het N.T. wordt voor hen gewaarschuwd. De Heer Jezus doet dit in Mt. 7:15. « Maar wacht u van de valse profeten die in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven ». In de toekomst zullen in grote getale optreden. « En vele valse profeten zullen opstaan en zullen er velen verleiden ». Mt. 24:11. Zij zullen dat doen in bond met de valse christussen. « Want daar zullen vele valse christussen en valse profeten opstaan en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden », Mt. 24:24, Mk. 13:22. Ook 1 Joh. 4:11 voorspelt hun optreden. Eén hunner, in de tijd van Handelingen, was Elymas, Handelingen 13:6.
We zullen nu de benamingen bespreken.
XII. Het Andere Beest.
Openbaring 13.
De bondgenoot van het eerste Beest. Openbaring 13, eerste helft, handelt over het Beest. In de tweede helft, vs. 11-16 wordt gesproken van een « ander Beest ». Dit is de trouwe bondgenoot van het eerste. Om hem te leren kennen, zetten we de bespreking van Openbaring 13 voort.
« En ik zag een ander Beest uit de aarde opkomen en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk en het sprak als de Draak. En het oefent al de macht van het eerste Beest in tegenwoordigheid van hetzelve en het maakt dat de aarde en die daarin wonen, het eerste Beest aanbidden welks dodelijke wonde genezen was. En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen voor de mensen en het verleidt degenen die op de aarde wonen door de tekenen die aan hetzelve te doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het Beest, zeggende tot degenen die op de aarde wonen, dat zij voor het Beest, dat de wonde des zwaards had, een beeld zouden maken. En aan hetzelve werd macht gegeven om het beeld van het Beest een geest te geven, opdat het beeld van het Beest ook zou spreken en maken, dat allen die het beeld van het Beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden », vs. 11-16.
We vinden hier een ander Beest, het tweede. Het verkeert steeds bij het eerste Beest en is daarvan als ‘t ware de tweelingbroeder. Het is de uitvoerder van al zijn macht. Zelf heeft het ook macht zoals blijkt uit vs. 13. De werkzaamheid van dit Beest ligt allereerst op godsdienstig gebied. Het maakt, dat allen het eerste Beest gaan aanbidden. Dit heeft nog niet plaats als het eerste Beest optreedt als Mens der zonde; het geschiedt eerst dan, als het van de dodelijke wonde genezen is, dat is, als het weer uit de afgrond opgekomen is, als het van zevende achtste koning geworden is. Dit heeft plaats in de tweede helft van de 70ste jaarweek van Daniël 9, dus gedurende 3½ jaar. Dan openbaart het Beest zich bijzonder als de Wetteloze en woedt tegen Israëls heiligen. Zeker mede omdat zij hem niet willen aanbidden.
Om tot aanbidding van het eerste Beest te nopen, doet het tweede Beest grote tekenen. Het doet zelfs vuur van de hemel afkomen op de aarde voor de mensen. Hiermede wil het zijn Goddelijke zending bewijzen. Velen zullen hierin geloven, zij zullen de bewijzen er voor voorhanden menen. Dat het door de macht van de Draak is, ontgaat hun. Zij worden er door verleidt en gaan het Beest en in hem de Draak aanbidden.
Christus heeft die tijd voorzegd en er voor gewaarschuwd. « Alsdan, (dan is in de tijd als de gruwel der verwoesting er is, zie vs. 15), zo iemand tot u lieden zal zeggen Zie hier is de Christus of daar, gelooft het niet. Want daar zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo, dat zij, indien het mogelijk waren, ook de uitverkorenen zouden verleiden. Zie, ik heb het u voorzegd », Mt. 24:23-25. Hieruit blijkt, dat het tweede Beest nog meerdere helpers zal hebben en velen in die tijd mee zullen doen aan de verleiding. Dit alles heeft dan plaats onder opperleiding van Satan, want Openbaring 12:9 zegt, dat hij de gehele wereld (de geordend bewoonde wereld) verleidt.
‘t Is nu te begrijpen, waarom het eerste Beest, de Mens der zonde, zich in de tempel Gods zet. Het is om Goddelijke eer en aanbidding te ontvangen.
Het beeld van het Beest. Het tweede Beest doet nog meer. Waar het eerste Beest nog steeds in de tempel Gods kan vertoeven om Goddelijke eer in ontvangst te nemen, waar het niet steeds kan klaar staan zich als God te vertonen, omdat het ook nog andere dingen te doen heeft, daar bedenkt het tweede Beest iets: men moet een beeld voor het eerste Beest maken. Mogelijk een uitbeelding van hem. Dan komt de Draak en geeft het tweede Beest de macht om aan dat beeld een geest te geven, waardoor het kan spreken. Die « geest » is mogelijk een of ander boze persoonlijkheid die in het beeld gaat zetelen en nu spreekt in de plaats van het Beest en onder inspiratie van het tweede Beest of van Draak zelf. Zo is het eerste Beest dus steeds vertegenwoordigd.
In die tijd zullen velen verleid worden. Een deel werd door de tekenen en wonderen verleid om het Beest in persoon te aanbidden. Eenmaal zover, worden ze verleid een beeld voor hem te maken. Dit wordt door een geest bezield en spreekt. Dit is een nieuwe attractie en moet tot verleiding voeren. Het is een der tekenen en wonderheden van Mt. 24. Schier allen worden meegetrokken.
Het gemaakte en sprekende beeld moet ergens een plaats hebben. Welnu, het zal in dezelfde tempel Gods zijn als waar de Mens der zonde zich van tijd tot tijd zal vertonen. Dat beeld is gruwel der verwoesting waarvan door de Heere in Mt. 24:15 gesproken wordt: « Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël den Profeet, staande in de heilige plaats (die het leest, die merke daarop), dat alsdan die in Judea zijn vlieden op de bergen… », enz. Het beeld voor het Beest heet de gruwel der verwoesting. Hiervan is, zegt de Heer Jezus, reeds door Daniël gesproken.
Als we Daniël naslaan, blijkt er sprake van te zijn in hfdst. 9:27b. De Leidse vertaling zet hier: « en in de plaats daarvan (n.l. van het slacht- en spijsoffer van vs. 27a) komt een ontzettende gruwel ». Van der Palm zet:
« En op de tinne (des tempels) zal de verwoestende gruwel staan », De Companion Bible: « en in plaats er van (n.l. van het offer) zal de gruwel der verwoesting zijn ».
Deze gruwel der verwoesting, het beeld van het Beest, wordt gesteld in de tempel Gods, staat, volgens Mt. 24:15, in de heilige plaats. Volgens Mk. 13:14 is « dat waar het niet behoort ». Terecht. En dat beeld nu wordt aangebeden. Wie het niet doet, wordt gedood.
Merkteken, naam, getal. De macht van het tweede Beest reikt nog verder. Het heeft niet alleen macht om hen te doden die het beeld niet aanbidden, het maakt ook, dat iedereen kleur moet bekennen. Immers anders konden zij die veraf woonden en niet in aanraking kwamen met het Beest of zijn beeld en dat niet wilden aanbidden verborgen blijven. Het tweede Beest weet allen te treffen.
« En het maakt dat het aan allen, kleinen en groten en rijken en armen en vrijen en dienstknechten, een merkteken geeft aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden en dat niemand mag kopen of verkopen dan die het merkteken heeft of den naam van het Beest of het getal zijns naams. Hierin is de wijsheid: die het verstand heeft berekend het getal van het Beest, want het is het getal eens mensen en zijn getal is zes honderd zes en zestig. » Openbaring 13:16-18.
Hiermee worden allen maatschappelijk geboycot die met de Beest eredienst niet van doen willen hebben. Niemand kan kopen of verkopen. Iedereen die een der kentekenen niet heeft, moet zo doende ondergaan. Zij die voor Beest of beeld gebracht ze niet aanbidden, worden gedood; zij die er niet mee in aanraking komen, veraf wonende, eenvoudige en stillen in den lande, enz.; worden op andere wijs getroffen: ze moeten verhongeren. Wie het merkteken of de naam of het getal niet heeft, wordt buiten het maatschappelijke leven gesloten. Hiervoor is geen uitzondering. Allen vallen daar onder. Hiermee begint de grote verdrukking.
Er wordt drieërlei kenteken gegeven: een merkteken, een naam, een getal. Dit zijn bijzondere « stempel », ter kentekening. Ze worden aangebracht op voorhoofd of rechterhand. De een begeert dit, de ander dat kenteken. Het eenvoudigste is mogelijk het merkteken. Wat anders is de naam van het Beest. Weer wat anders is het getal van zijn naam. Het merkteken zal een zeker symbool kunnen zijn van Satan of van het Beest, een teken, waarmee hij iets uitdrukt. Zijn naam is zijn in stempel neergelegde handtekening. Het getal van zijn naam is een zekere cijferwaarde door zijn naamletters vertegenwoordigd.
Over de naam en het getal van de naam is verschillend gedacht. Een zekere groep van belijders meent daarmee het Pausdom te zien aangeduid. De Paus zegt, dat hij de plaatsvanger van de Zoon Gods is, zeggen zij. Dit is in het Latijn Vicarius Filii Dei. Als men daarvan de letters V, I, C, I, U, I, L, I, I, D, I neemt en als Romeinse cijfers beschouwt, komt men tot 5 + 1 + 100 + 1 + 5 + 1 + 50 + 1 + 1 + 500 + 1 = 666. Dit schijnt te kloppen. De fout hierbij is echter dat men dit getal vormt met Latijnse woorden en letters overslaat b.v. a, r, s, f. Zo krijgt men een scheef geknutsel om een systeem op te houden. We moeten met het Grieks of het Hebreeuws rekenen. Hierin heeft elke letter een getalwaarde. Het getal 666 zal de getalwaarde vormen van de naam van het Beest. Dat zal zeer waarschijnlijk of ook een Griekse naam dragen; in die taal kan de getalwaarde van elke letter opgegeven worden; geen enkele letter zal dan overgeslagen behoeven te worden. De Schrift zegt verder dat het een naam zal zijn, geen titel dus. De naam van het beest zal de getalwaarde 666 hebben. D.w.z. vertegenwoordigende de waarden van alle letters. Opgeteld zullen ze tot som 666 geven.
Het merkteken, de naam of het getal worden nu nog nergens gegeven om de eenvoudige reden, dat het Beest, de Mens der zonde, nog moet verschijnen. Die zal een naam dragen of aannemen, waarvan de waarde der letters tot som heeft het getal 666. Dat getal zal eenmaal echter wel te berekenen zijn « want », zegt vs.-8, « het is het getal eens mensen ». Het Beest is een mens, de Mens der zonde en zijn naam zal een menselijke naam zijn, dat is: liggen in de menselijke sfeer. Hij komt niet tot de naam van een of ander hoger wezen, hij blijft op het menselijk gebied. Mede hieruit blijkt, dat hij geen god is. Al kunnen wij dus nu de berekening niet maken, ze is eenmaal wel uit te voeren. Wij kunnen het nog niet, omdat de naam ontbreekt. God heeft die opzettelijk niet willen geven om hem niet openlijk aan te duiden. Zij die Zijn Woord geloven, zullen eenmaal de proef op de som kunnen maken en kunnen controleren wie het is.
XIII. De Antichristus.
1 Joh. 2, 4, en 2 Joh.
Nabootsing en loochening. Als we inzien, dat het tweede Beest, in tegenstelling met het eerste dat een politieke figuur is, een godsdienstige functie vervult en optreedt op religieus gebied, kunnen we Johannes’ zendbrief in dezen verstaan en de naam Anti-christus begrijpen. We wijzen hierbij eerst nog op Openbaring 13:1: « En ik zag een ander Beest...en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk ». Hier wordt een vergelijking gemaakt met het Lam, Christus. Dit geschiedt bij het eerste dier niet. Het tweede Beest wil Christus nabootsen en wel als het Lam. Het Lam is er om de zonde der wereld weg te nemen, Joh. 1:29, 36, is dus een naam die aan een verhouding tot God doet denken; het herstelt de verhouding tussen God en de mens en dient ter verzoening. Het tweede Beest nu wil de verhouding tussen de wereld en het eerste Beest op godsdienstig terrein regelen. Allen moeten het eren. Het spreekt daarbij vanzelf niet de woorden des Vaders, maar die van de vader der leugen en, als de Draak. Het wil zijn in de plaats van het Lam en heet daarom ook Anti-Christus, want anti wil hier niet allereerst zeggen: « tegen », maar: « in de plaats van ».
Johannes voorspelt reeds dat er zo’n figuur komen zal. En nog iets. Men zie « Kinderkens, het is de laatste ure en gelijk gij gehoord hebt, dat de Antichristus (grondtekst) komt, zo zijn ook nu vele anti-christussen (grondtekst) geworden, waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is. Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet, want, indien zij uit ons geweest waren, zou zouden zij met ons gebleven zijn... », 1 Joh. 2:18, 19. Hieruit leren we ten eerste, dat eenmaal de Antichristus komt; ten tweede, dat er meerdere voorlopers of begeleiders zijn; ten derde, dat dit een kenmerk is van de laatste ure; ten vierde, dat de anti-christussen opkomen uit de gelovigen.
Letten we op dit laatste: de anti-christussen komen op uit de kringen der gelovigen; « zij zijn uit ons gegaan », zegt Johannes. Het zijn vanzelf geen ware gelovigen, maar alleen blote belijders: « zij waren uit ons niet want... zo zouden zij met ons gebleven zijn ». Met dit al blijkt het, dat we de anti-christussen op godsdienstig gebied moeten zoeken. En dit doen we ook met de Antichristus. Deze heeft Lamshoornen en treedt op om de hele wereld tot aanbidding van het Beest te brengen.
Waaraan is hij echter duidelijk te herkennen? Hieraan: « Wie is de leugenaar dan die loochent dat Jezus is de Christus. Deze is de Antichristus die den Vader en den Zoon loochent », 1 Joh. 2:22. Dit zal het tweede Beest doen, want hij spreekt als de Draak. En die zal ook Vader en Zoon loochenen anders kan de Mens der zonde zich niet als God vertonen.
In Johannes’ dagen was er reeds de geest van de Anti-christus. Die geest kwam uit in de valse profeten. Hiervan schrijft Johannes: « Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn, want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld. Hieraan kent gij den geest Gods: alle geest die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God; en alle geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet, maar dat is de geest van den Antichristus, welken geest gij gehoord hebt dat komen zal en is nu alreeds in de wereld. » 1 Joh. 4:1-3.
Hier vinden we een dubbele schakel. Ten eerste wordt er verband gelegd tussen de valse profeten en de geest van de Antichristus, en blijkt, dat men in de Valse Profeet de Antichristus mag zien. Ten tweede zien we een schakel met 2 Thess. 2; de verborgenheid der ongerechtigheid die reeds ingewrocht werd. Dat was door de vele valse profeten van die dagen die loochenden dat Christus in het vlees gekomen was. Hiermee loochent men Vader en Zoon want dan is God niet Christus’ Vader en is Deze niet door God verwekt. Hiermee wordt ook het hele werk der verlossing geloochend en wordt de mens die voelt dat hij verlossing nodig heeft, op de weg der zelfverlossing gedreven.
In de toekomst zal de loochening van Vader en Zoon weer in kracht toenemen. Men zie in dat het hier geen blote ontkenning is van de zijde der wereld maar dat ze op godsdienstig terrein valt, bij hen die uit de kring der gelovigen voortkomen. In die dagen zal men niet alleen de vleeswording loochenen, maar ook ontkennen dat Jezus Christus andermaal in het vlees komende is. Wie het eerste doet, moet ook het tweede leren. Deze noemt 2 Joh.:1 verleiders. « Want daar zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees komende is (grondtekst). Deze is de Verleider en de Antichristus ». We zien hieruit dat de Valse Profeet ook loochent dat Christus andermaal in het vlees wederkomt, dus ontkent, wat Hand. 1:11 leert: « Deze Jezus die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien henenvaren ». Hij zal ontkennen, dat de Zoon des mensen zal zitten op de troon Zijner heerlijkheid, Mt. 25:31. Voor hem bestaat dit alles niet. Er is slechts één verlosser — de Mens der zonde. Hem moet men Goddelijke eer bewijzen. Vader en Zoon worden geloochend, het Beest en de Draak worden aanbeden, Openbaring 13:4 en 12. Dat alles is het werk van de Antichristus, de valse Profeet.
XIV. De Nietige Herder.
Zacharia II.
De verlater der kudde. Voor de behandeling van de Valse Profeet gaan we van achteren naar voren én komen we nu tot het O.T. We menen, dat hij hier voorkomt in Zach. 11 en getekend wordt als « de Nietige Herder ».
Zacharia moet het gereedschap van een herder nemen. Dit was een stok, een staf en een slinger met tas. Terloops geven we aan welk gebruik de Oosterse herder hiervan maakte.
De stok was een dikke knuppel van ongeveer twee voet lang, meest van eikenhout. Hij had een ronde kop die met een groot aantal zware ijzeren spijkers beslagen was. Het andere einde was doorboord en door het gat werd een touw gestoken waarmee hij aan de gordel van de herder hing.
De staf was ongeveer zes voet (2 m.) lang. Hiermee werden de schapen geweid, voor afdwalen behoed en bij onwilligheid met een tik er mee tot gedweeheid aangezet.
De slinger deed gewoonlijk de dienst die bij ons de herdershond verricht: hij diende om de schapen bijeen te houden. De herder slingerde er de stenen mee die het schaap als het ver afdwaalde, deed schrikken en terugkeren.
Zacharia moet deze symbolen van het herdersambt nemen en een dwaze d.i. nietige herder voorstellen. Waartoe? De Heere zegt het hem:
« Want zie, Ik zal een herder verwekken in dit land: wat gereed is om afgesneden te worden, zal hij niet bezoeken; het jonge zal hij niet zoeken en het verbrokene zal hij niet helen en het stilstaande zal hij niet dragen; maar het vlees van het vette zal hij eten en hun klauwen zal hij verscheuren ».
Men verstaat nu waarom hier sprake is van een waardeloze herder. In plaats van als een ware herder de kudde te weiden, komt hij om te slachten en te verderven. Hij stelt zijn leven niet voor de schapen, maar doet als de dief, waarvan Christus spreekt in Joh. 10:10.
We menen, dat hiermee de Valse Profeet wordt aangeduid. Hij gelijkt op de ware, de goede Herder, Christus, maar is een dief. Hij bootst Christus na, maar ‘t is slechts om de kudde in handen te krijgen en dan te verderven. Hij gelijkt op het Lam zoals we zagen, heeft twee lams hoornen, maar is een verderver en begeert slechts te roven.
Sommigen menen, dat met deze nietige herder het Beest, de Mens der zonde bedoeld is. Wij menen dat hier de Valse Profeet bedoeld wordt, juist omdat hij het Lam als Herder nabootst, wat het Beest niet doet.
Dit blijkt ook uit het vervolg: « Wee den nietige herder, den verlater der kudde ». Hij verlaat de kudde en bewijst daarmee te zijn als zij, die uit de kring der gelovigen uitgaan en niet waarlijk uit hen zijn. Dat zijn de anti-christussen, 1 Joh. 2:18, 19. En zo zal ongetwijfeld ook de Antichristus doen. Hij gelijkt op een ware herder, hij is een waardeloze beheerder der kudde; hij lijkt een ware leidsman, hij is een dief. Hij doet als Judas, die wel tot de discipelen behoorde maar niet waarlijk Christus’ volgeling was. Vandaar Gods oordeel: « Wee den nietige herder ».
Het oordeel van de Nietige Herder vinden we in het vervolg van het vers. « Het zwaard zal over zijn arm zijn en over zijn rechteroog; zijn arm zal ten enenmale verdorren en zijn rechteroog zal ten enenmale duister worden ». We zullen hier aan het geestelijke zwaard van Openbaring 19:15 moeten denken, het zwaard des woords. Door het machtwoord van Zijn mond zal Christus ook de Valse Profeet te niet doen. Zach. 11:17 geldt mogelijk ook de Mens der zonde. Hem en de Valse Profeet kan hetzelfde oordeel treffen. Beiden worden machteloos gemaakt: de rechterarm verdort, valt slap neer, het rechteroog verduistert. Zij staan zo machteloos en kunnen in de vuurpoel geworpen worden.
Als we in Zach. 11 in de Nietige Herder de Valse Profeet mogen zien aangeduid, komen alle drie in het O.T. voor. Mogelijk is er in Zacharias’ dagen een type van de laatste geweest waarop de voorvervulling van Zacharias’ woorden betrekking heeft. Uit al het bovenstaande blijkt, dat de Valse Profeet of Antichristus of Nietige Herder een figuur is op godsdienstig terrein die in hoofdzaak twee dingen doet: hij verleidt en staat tegen en loochent vele dingen. Hij zal de grootste verleider zijn en de heftigste tegenstander van het woord der waarheid. Hij vindt zijn type in Elymas de tovenaar die een valse profeet heet, Hand. 13:6. Hij zal zoals deze weerstaan, vol zijn van alle bedrog en alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid en steeds trachten de rechte wegen des Heren te verkeren d.i. verdraaien, bederven, vs. 10. Is Elymas een geestelijk kind van Satan geweest, de Valse Profeet zal het ook lichamelijk zijn. Hij zal als de Nietige Herder zijn volgelingen geheel op verkeerde wegen leiden, ze niet weiden noch verzorgen. Hij zal doen als de dief van Joh. 10:10 stelen, slachten, verderven... (Zach. 11:16). De ware schapen zullen hem echter ontvlieden en hem als een vreemde beschouwen. Zij zijn de uitverkorenen die staande blijven en hem herkennen in zijn bedrog en leugen.
|