De Plaats van de Natie Israël
in de Verwezenlijking
van Gods Voornemen

door

S. Van Mierlo
( Download Installer)

Voorwoord van de Uitgever ↑

Voor zover ons bekend is dit werk nooit eerder uitgegeven, het werd ons ter hand gesteld door een kleinzoon van dhr. Van Mierlo. Mochten er nog andere nooit eerder uitgegeven werken boven water komen, dan zullen wij die ook publiseren. Wanneer dit geschift is geschreven is niet bekend.
Uit de Schriften — 2017
1. Israël in het Verleden ↑

Mat. 25:34 leert ons dat sinds de « grondlegging » (beter: « nederwerping ») der wereld, het Gods voornemen was een Koninkrijk te stichten op de aarde. Dit zou de eerste stap zijn tot het herstel der ganse schepping. Het mensdom zou hiertoe het middel zijn en zou heersen over de zee, de hemel en de aarde (Gen. 1:26 — 28). Adam ontving bijzondere geestesvermogens om die opdracht uit te voeren, doch hij maakte zijn uitverkiezing niet vast. Slecht gebruik makende van zijn vrijheid, nam hij een houding van onafhankelijkheid aan ten opzichte van zijn Schepper. Zo werd de komst van het Koninkrijk dan uitgesteld.
De gevolgen der geestelijke scheiding tussen God en Adam en zijn kinderen kon niet uitblijven. Na een korte tijd ontstond een nagenoeg algemeen verderf (Gen. 6:5 — 12), zodat een afdoende reiniging door de zondvloed noodzakelijk werd om de middelen tot herstel te behouden. Noach en zijn zonen werden verkoren als nieuwe instrumenten, en de aarde en de zee werd in hun handen geleverd (Gen. 9:1, 2).
Later werden de 70 volken, die uit Noach ontstonden, over de aarde verspreid, en Gods bijzondere zegen ging over tot Sem en dan tot Abraham. Uit hem zou een grote natie voortspruiten, en in hem zouden al de geslachten der aarde gezegend worden. Nadat Abraham het bewijs geleverd had van zijn gehoorzaamheid aan al wat God van hem verlangde, kreeg hij een meer bepaalde belofte: « Want al dit land, dat gij ziet, zal ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid ». (Gen. 13:15). Laat er ons nota van nemen dat de Hebreeuwse tekst niet zegt « tot in eeuwigheid », doch « voor de aioon », dat is de aioon of « wereldontwikkelingsgang » waarin die belofte zal verwezenlijkt worden (1). Deze aardse belofte stond in verband met zijn zaad dat is « als het stof der aarde » (Gen. 13:16) en niet met het zaad dat is « als de sterren des hemels » (Gen. 15:5), dat een hemelse roeping heeft.
De belofte van het land is onvoorwaardelijk, en zal daarom zeker vervuld worden. Als zegel van dit verbond met Abraham en zijn aardse zaad, werd de besnijdenis des vleses ingesteld. Men lette er op dat God tot Abraham zei: « Mijn verbond zal in uw vlees zijn voor een eeuwig (aionisch) verbond » (Gen. 17:13).
Daarna lezen we dat de belofte kwam tot Izaak (Gen. 21:12, 13), Jakob (Gen. 18:3, 4) en Juda (Gen. 49:10). De hongersnood die de kinderen van Jakob uit het land en naar Egypte dreef, de verdrukking van de Farao, de hindernissen bij het verlaten van Egypte, de verdrukking van Farao, de hindernissen bij het verlaten van Egypte en de moeilijkheden in de woestijn konden niet beletten dat het aardse zaad bleef bestaan.
Met het oog op de vorming eener natie die tot zegen van het ganse mensdom zou zijn, ontving Mozes Gods Wet, omvattende algemene geboden en sociale en ceremoniële inzettingen. De basis dezer Wet was: liefde tot God en tot de evennaaste. De volledige Wet vormde een vast geheel: de uiterlijke vormen waren niets zonder de algemene geboden, doch aan de andere kant waren deze geboden alleen niet voldoende. Het volk had een behoefte aan zichtbare voorstellingen van geestelijke waarheden. De ganse Wet, inbegrepen de sabbat en de offeranden, zou van kracht blijven gedurende de ganse toekomende aioon (zie b. v. Ex. 31:16 en Lev. 6:18, 22).
Zo waren de kinderen Israël's dus onderwezen door de Wet, kennende Gods wil. Ze hadden zich bewust moeten zijn van het feit dat ze onmogelijk alle dingen die de Heere gevraagd had konden doen en aldus hun zondige staat erkennen, die ze van Adam hadden geërfd. Ze namen echter een geheel andere houding aan, bewerende alles te doen in eigen kracht en dus rechtvaardig te zijn voor God. Ze sloten een verbond met God, aannemende vervloekt te zijn indien ze al de woorden der Wet niet zouden bevestigen (Deut. 27:26), noch al de geboden doen. Zo stonden ze dan « onder » de Wet, als slaven. Dit verbond werd door bloed verzegeld (Ex. 24:8)
.
Het is van belang er op te letten:
|
1. |
Dat dit verbond geheel onafhankelijk is van al de vorige, en dat het een voorwaardelijk verbond is: ze zouden leven indien ze al de vereisten der Wet in praktijk brachten. |
|
2. |
Dat de Wet voor dit verbond gegeven werd, en er niet onafscheidelijk aan verbonden is. |
|
3. |
Dat, terwijl dit Oude Verbond zou vervangen worden door het Nieuwe Verbond, de Wet zou blijven gedurende de toekomende aioon. |
De intrede in het beloofde land werd van ongeveer 40 jaren vertraagd door hun gebrek aan geloof, en zo vonden ze het land bezet door de Kanaänieten en andere volken. Deze moesten uitgeroeid worden om het verderf van het uitverkoren volk te beletten.
Een belangrijke stap was nu gedaan tot de verwerkelijking der beloften. Gods natie was nu gevormd: er was een volk, ze waren in het land, ze hadden een Wet en een bestuur. De komst van het Koninkrijk werd hun steeds voor ogen gehouden: als ze aan Samuel vroegen hen een koning te geven zoals de andere volken er een hadden, zegde de Heere tot hen dat ze aldus Hem als Koning verwierpen (1. Sam. 8:7). David was een type van de komende Koning, en toen hij zich te Jeruzalem vestigde, was men wederom een stap nader gekomen: de natie had nu een Koninklijke stad en een type van de goddelijke Koning. De regering van Salomo scheen een verdere vooruitgang, doch steeds werden de afgoden nog aangebeden en de kinderen Israëls werden er zeer ernstig voor gewaarschuwd dat ze uit het land zouden gedreven worden en ophouden Gods volk te zijn, indien ze zich niet afkeerden van de afgoden en zich tot de God levenden zouden wenden.
Dan volgt een lange, treurige geschiedenis, waar Satan schijnt te triomferen en er in te gelukken de komst van het Koninkrijk te beletten. Na herhaalde verwittigingen door de profeten, kwam het oordeel van Jes. 6:9, 10: « Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet; maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart verstaat en Hij het geneze ».
De 10 stammen werden naar Assyrië ontvoerd, dan de 2 andere naar Babylon. Jeruzalem en de tempel werden verwoest en Israël werd voor een tijd « Lo-Ammi » (niet-mijn-volk). Dan herbouwden Esdras en Nehemia de stad en de tempel en velen waren in de verwachting van hun Messias, die hen beschreven was als:
|
• |
Koning (Jer. 23:5, 6; Zach. 9:9) |
|
• |
Knecht (Jes. 42:1; Zach. 3:8) |
Toen de volheid der tijden aangebroken was, zond God zijn Zoon, de ware Koning. In wezen God, nam hij de gestaltenis eens dienstknecht aan en was gemaakt in gelijkenis van een mens. Indien Israël zich bekeerd had zou het Koninkrijk aangevangen kunnen hebben, want alles was nu bereid: de Koning, het land, het volk, de Wet. De geslachtslijst van « Jesus » bewees dat hij was: de zoon van David, van Abraham, van Adam, het beloofde Zaad der vrouw. Velen erkenden hem als de Koning der Joden. De tekenen, wonderen, krachten en gaven van de Heilige Geest (Heb. 2:4, 5), de krachten der toekomende aioon (Heb. 6:5) toonden dat het Koninkrijk nabij was.
Jesus, de Zoon van God, kwam, niet om een « nieuwe godsdienst » te stichten, doch Hij en de Apostelen waren gezonden tot de verloren schapen van Israël (Mat. 10:5, 6; 15:24). Hij was een bedienaar der besnijdenis, om de beloften te bevestigen die aan de vaderen gedaan werden (Rom. 15:8). De volken zouden daarn gezegend worden (Mark 7:27). Hij kwam niet om de Wet te niet te doen, doch om toe te laten de Wet te volbrengen door genade. Zelfs de kleinste letter of het geringste teken der Schriften werd niet weggedaan en het minste gebod moest nog steeds waargenimen worden (Mat. 5:17 — 19).
Hij koos 12 Apostelen, die de nabijheid van het Koninkrijk aan Israël moesten prediken en het volk tot bekeren uitnodigen. Zodra dit zou verkregen zijn, zouden ze de natie besturen (Mat. 19:28). Door hun bekering en geloof konden de kinderen Israëls vergeving ontvangen, zoals door de profeten gezegd was, en tot de geestelijke wedergeboorte komen (Joh. 3:36). Door geloof tot-in Christus zouden ze aionisch leven hebben (Joh. 6:47) op aarde, in de toekomende aioon (Luk. 18:30).
Doch elk verbond moest door bloed verzegeld worden (Ex. 24:8; Heb. 9:20). Voor het Nieuw Verbond moest Christus zijn eigen bloed vergieten. Na de maaltijd van het laatste Pascha (Luk. 22:20; 1 Kor. 11:25) nam de Heere de beker der dankzegging (1 Kor. 10:15), dat is de derde beker van dit feest (1), en verklaarde dat deze beker het bloed van het Nieuwe Verbond voorstelde (1 Kor. 11:25), hetwelk verbond met het huis van Israël en het huis van Juda gesloten werd. Kort daarop? Werd het ware bloed aan het kruis gestort, verzoening makende.
Slechts een tamelijk gering aantal Joden bekeerden zich. De Messias werd verworpen en gekruisigd. Doch door de opstanding werd Hij met kracht verklaard de Zoon van God te zijn.
Hield Israël toen op Gods volk te zijn? Neen, Christus zelf bad om hun vergeving, omdat ze niet wisten wat ze deden (Luk. 23:34). De Wet verklaarde dat zij, die in onwetendheid zondigden, vergiffenis konden ontvangen (Num. 15:28). Het gebed van Christus kon dus verhoord worden.
We zien dan ook dat gedurende de gehele periode der Handelingen der Apostelen het Koninkrijk nog steeds « nabij » was, en Israël tot bekering werd uitgenodigd opdat het een aanvang moge nemen (Hand. 3:19; 20:21). De 12 Apostelen konden met recht dat Koninkrijk verwachten na het kruis, doch hun kon geen antwoord gegeven worden op de vraag wanneer het zou beginnen (Hand. 1:6, 7). Ze moesten het verkondigen zonder te weten of het spoedig zou aanvangen of niet.
Met Pinksteren was er een begin van vervulling van de oude beloften aangaande uitstorting van geestelijke gaven op het zaad van Jakob (Joël 2:28, 29; Jes. 44:3 enz.). En de krachten der toekomende aioon waren in overvloed aanwezig tot op het einde van die periode (Hand. 28:4–9).
Steeds waren de Christen-Joden nog getrouw aan de inzettingen der Wet. Ook Paulus bewees dit voor hem zelf toen sommige valse broeders het in twijfel trokken (Hand. 21:21 — 26). (1)
Doch, niet tegenstaande deze nieuwe periode van genade en de verkondiging en de verkondiging van het Koninkrijk in de bijzonderste steden (Jeruzalem, Antiochië, Korinte, Rome), kwam Israël als natie niet tot bekering en zo werden dan Jesaja's woorden vervuld (Hand. 28:26, 27). Paulus voegde er bij: « Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is ». Dan werd het uitverkoren volk Lo-Ammi, niet-mijn-volk. De verwoesting van Jeruzalem en van de tempel bevestigden dit oordeel op zichtbare wijze in het jaar 70 en de Joden werden verstrooid.
Van toen af begon de tegenwoordige « bedeling », die als het ware een onderbreking vormt in de normale verwezenlijking van Gods voornemen.
Voetnoten:
(1) Zie de Mishnah, Pesahim 10:7.
(2) Zie ook het Aanhangsel.
2. Israël in de Toekomst. ↑

Het is ons doel niet hier een min of meer volledig overzicht te geven van Israëls toekomende geschiedenis. Een overgroot aantal inlichtingen hierover zijn verspreid in de Schriften. We willen slechts enkele bijzondere punten vermelden.
Mat. 24:4 — 31 bevat meerdere belangrijke gebeurtenissen die gedurende de eindperiode der tegenwoordige aioon zullen geschieden: de verzen 15 en 21 verwijzen naar Dan. 12 (de gruwel der verwoesting zal zich in de heilige plaats bevinden en Israël zal door een grote verdrukking gaan); in de verzen 29, 30 en 31 vinden we aanhalingen van Jes. 13 en 34; Zach. 12 en Dan. 30 aangaande de tekenen in de hemel en de komst van de Zoon des mensen in kracht en grote heerlijkheid, als de bewoners van Jeruzalem Hem zullen zien, die ze doorstoken hebben en zullen zeggen: « Gezegend is Hij die komt in de naam des Heeren » (Mat. 23:39). Met deze komst en de eerste opstanding eindigt de tegenwoordige aioon. De laatste zeven jaren vormen de 70ste jaarweek van Dan. 9:27.
In de volgende aioon is de Zoon des mensen gezeten op zijn troon der heerlijkheid (Mat. 19:28; 25:31) en heersen de 12 Apostelen der besnijdenis over de 12 stammen van Israël. Het is de tijd van de wederoprichting van alle dingen, die God gesproken heeft door de mond van al zijn heilige profeten (Hand. 3:21).
De nationale en godsdienstige herstelling van Israël vindt men in talrijke Schriftplaatsen. We vermelden er hier slechts enige: Lev. 26:38 — 45; Deut. 30:1 — 5; Jes. 11:11 — 16; Jer. 23:3 — 8; 30:3 — 11; 31:35 — 37; Ezech. 11:17 — 20; 16:60 — 63; 36:24 — 29; 37; Zach. 8; 12:1 — 10. De verstrooiden zullen van uit alle volken vergaderd worden, ze zullen in hun eigen land wonen en Gods volk zijn. De Heere zal in het midden van Jeruzalem wonen, herders zullen voor hen zorgen, David zal hun koning zijn. Ze zullen een besneden hart krijgen en een nieuwe geest. Het aionisch verbond zal met hen gesloten zijn.
Jer. 31:35 — 37 zegt dat Israël alleen dan zou ophouden Gods natie te zijn, indien de wetten van de cosmos zouden ophouden te bestaan, en dat het zaad van Israël niet zal verworpen worden voor al hetgeen ze gedaan hebben. Volgens Lev. 26:38 — 45 zal de Heere zijn verbonden niet breken, en in het Nieuwe Testament bevestigt Rom. 11:29 dat de gaven en roepingen van God onberouwelijk zijn.
In de toekomende aioon zal Israël heersen over al de natieën en door hen gediend worden (Jes. 14:1, 2 enz.). Namelijk om hen tot zegen te zijn (Jes. 2:2, 3; Zach. 8:13 — 23). De opdracht van Mat. 28:19 zal dan uitgevoerd worden. Israël zal een priesterlijk koninkrijk zijn (Ex. 19:6; Jes. 61:6; 66:21; 1 Petr. 2:9; Op. 1:6) en door hen zal de aarde vervuld worden met de kennis des Heeren (Jes. 11:9; 29:24).
Al de inzettingen der Wet, aangepast aan de nieuwe omstandigheden, zullen waargenomen worden (Ezech. 40 — 46) in een nieuwe geest van genade, onder het Nieuw Verbond. De vreemdelingen kunnen delen in de zegeningen van dit verbond (Jes. 56:6). Het zal een regering van ware vrede zijn (Lev. 24:6; Jes. 2:4), en ook van overvloed (Lev. 24:4, 5; Jes. 30:23 — 25).
Meerdere schriftonderzoekers vinden het moeilijk al dergelijke aanduidingen zo letterlijk mogelijk te aanvaarden. Dit kan te wijten zijn aan het feit dat de toekomende aioon min of meer aangezien wordt als een verdere ontwikkeling van de tegenwoordige. Dit is echter geenszins het geval. De ganse tegenwoordige beschaving en kultuur hebben als centrum de mens, en Satan is de god dezer aioon. Men tracht door menselijke middelen tot een zekere volmaking te komen. Doch de gevallen mens beschikt niet over de geestelijke vermogens van een perfecte mens: hij kent niets rechtstreeks, doch alleen door middel zijner zintuigen, en hij kan dus enkel de uitwendige verschijnselen waarnemen. Hij kan de kringen niet leren kennen zoals ze in hun volle werkelijkheid zijn. Ten einde zijn oppervlakkige kennis uit te breiden, moet hij steeds over meer ingewikkelde instrumenten en laboratoria beschikken. Daarbij blijft hij onderworpen aan ruimte en tijd. Zijn macht over de natuur is begrensd en geen rechtstreekse.
Verder bevindt zijn lichaam zich nog steeds in een onvolmaakte en zwakke toestand, onderworpen aan de stoffelijke begrenzingen en het verderf.
De tegenwoordige wetenschappelijke en technische ontwikkelingen zijn een poging om zich van die zwakheid en begrensdheid vrij te maken. Doch al dergelijke vooruitgang wordt een gevaar in de handen van niet-geestelijk-wedergeboren mensen.
In de toekomende aioon zullen al de stoffelijke en geestelijke omstandigheden gans anders zijn. Satan is dan gebonden en het leven op aarde zal God als centrum hebben en zeer eenvoudig zijn. De mensen zullen dan onze huidige technische ontwikkelingen niet nodig hebben. Daarbij moet men niet vergeten dat op aarde alleen diegenen zullen wonen, die tot de aardse sfeer van zegening behoren. Die van de hogere roepingen (1) hebben dan door opstanding of verandering een geestelijk lichaam en zullen een rechtstreekse kennis hebben van het wezen aller dingen, zonder de hulp onzer laboratoria. Daar ze ook zullen beschikken over de krachten der toekomende aioon, zullen ze allerlei kunnen uitwerken dat nodig is voor hen die op aarde wonen, zonder onze tegenwoordige ingewikkelde techniek. Het leven op aarde zal dus geheel anders zijn.
Ook het waarnemen der inzettingen der Wet is voor velen een moeilijkheid. Hoe zou het mogelijk zijn b.v. terug te gaan tot de bloedige offeranden? Hier ook moeten we niet denken in termen onzer tegenwoordige cultuur in de beschaafde landen. De mensen die dan op aarde leven zullen, in het algemeen, zeer « eenvoudig » zijn. De meesten, vooral degenen die tot de onbeschaafde volken behoren, zullen een behoefte hebben aan indrukmakende voorstellingen van de geestelijke werkelijkheden, juist zoals 3000 jaren geleden, toen de Heere dergelijke schaduwen aan Israël gaf. Velen zullen ze niet nodig hebben voor zichzelf, doch ze zullen uitgenodigd worden ze te houden ter wille van de anderen. Hoe het ook zij, de Schriften leren duidelijk dat de ganse Wet moet waargenomen worden. We zullen dit op meer uitvoerige wijze aantonen in het Aanhangsel, waar we ook zullen zien dat Paulus zich nooit verzet heeft tegen het houden der Wet door de Joden, onder voorwaarde dat het niet was om alzo rechtvaardig te blijken voor God.
Voetnoot:
(1) Zie verder, Deel 3.
3. De Tegenwoordige Bedeling der Verborgenheid. ↑

De periode van Israëls verwerping, beginnende einde Handelingen en eindigende met het godsdienstig herstel van dit volk, is als het ware een onderbreking in de « normale » uitwerking van Gods voornemen, waar Israël de uitverkoren natie is om de wedergeboorte op aarde tot stand te brengen. De profeten hebben alleen gesproken over de tijden gedurende welke Israël Gods volk is. Misschien hadden ze een vaag vermoeden van het bestaan der tegenwoordige bedeling, waar Israël Lo-Ammi is, doch deze periode valt buiten hun profetische visies. Dit feit heeft men dikwijls vergeleken met het geval waar iemand, in een bergachtig land, in de verte een reeks bergtoppen ziet, die elkander schijnen te raken, en die misschien wel veronderstelt dat ze door valleien gescheiden zijn, doch die deze laatste niet kan zien. De profeten handelen dus, zonder onderbreking, over gebeurtenissen die, feitelijk, door de tegenwoordige bedeling gescheiden zijn. Voorbeelden hiervan vindt men b.v. in Jes. 9:5, 6; Amos 9:10, 11; Mic. 5:2 — 4; Zef. 3:7, 8; Zach. 9:9, 10. Doch het meest treffende geval is dat van Jes. 61:1, 2. In Luk. 4:18, 19 haalt de Heere het eerste deel aan, eindigende met de woorden: « Om te verkondigen het aangename jaar des Heeren » en dan sluit Hij het Boek midden in de zin. Waarom? Omdat het verdere gedeelte luidt: « en de dag der wrake van onze God », die nu nog in de toekomst ligt.
Zo bemerken we ook dat in het beeld van Dan. 2 de gehele tegenwoordige bedeling moet ingeschoven worden tussen de benen van ijzer (het 4de rijk) en de voeten van ijzer en leem (het 5de rijk), dat nog in de toekomst ligt. Voor de profeet was er echter geen onderbreking.
Verder weten we dat, in de profetie der 70 jaar-weken van Dan. 9:24, de 69 eerste weken, die eindigen in de loop der eerste eeuw onzer tijdrekening, afgescheiden zijn van de laatste week, waarmede de tegenwoordige aioon zal eindigen. De tweede helft dezer 70ste week vinden we terug in de 3½ tijden van Dan. 7:25; 12:7; Op. 12:14, in de 42 maanden van Op. 11:2; 13:5 en de 1260 dagen van Op. 12:6.
Uit dit alles volgt dat we geen ware vervulling der profetie moeten verwachten zolang Israël niet hersteld is als Gods volk. Natuurlijk kan er veel geschieden dat moet dienen als voorbereiding tot de voorspelde gebeurtenissen, doch de ware verwezenlijking zal slechts later komen.
Laat ons nu teruggaan tot het jaar 70, na de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel. Sinds 2000 jaar was het ganse voornemen voor de komst van het Koninkrijk op aarde gesteund op het volk Israël, dat eerst zelf moest komen tot de wedergeboorte. Aan dat volk behoorde de aanneming, de verbonden, de Wet, de beloften, de Messias (Rom. 9:4, 5). Van welk overgroot belang was dan de verwerping van dat volk voor de wereldgeschiedenis! Was dit het einde van alles? Was God er niet in geslaagd zijn voornemen uit te voeren?
Gedurende het laatste gedeelte van de periode der Handelingen, werd Paulus, de Apostel der volken, na het kruis geroepen, door God gebruikt om een nieuwe sfeer van zegening te openen, reeds voorzien in de beloften die aan Abraham werden gedaan voor de besnijdenis, en betreffende het hemelse zaad. Degenen uit Israël en de volken die door bekering wedergeboren waren, konden nu deel hebben aan de verzoening en de rechtvaardiging, door geloof in Christus. Op « normale » wijze zou deze hemelse sfeer eerst bereikbaar geweest zijn na de toekomende aioon, voor het mensdom in het algemeen. Doch, om reden van Israëls ongeloof, en ten einde hen jaloers te maken, werd deze sfeer toen reeds geopend voor allen, op individuele wijze, door de bijzondere boodschap die Paulus rechtstreeks van de Heere ontvangen had.
En toen Israël verworpen werd, ontving Paulus nog andere openbaringen, die hij bekend maakte in zijn gevangenschap brieven. Daarbij werd toegang geopend tot een derde sfeer van zegening: die der volmaaktheid in Christus. Deze betreft een nieuwe groep: de Gemeente der Verborgenheid, het Lichaam waarvan Christus zelf het Hoofd is. De leden, uit Israël en de volken, zijn in Christus geplaatst « over » al de hemelen, en daarom gebruikte Paulus een nieuwe uitdrukking: « in de overhemelse » (Ef. 1:3, 20; 2:6; 3:10; 6:12).
Met deze openbaring van de Grote Verborgenheid, die in alle aionen verborgen was geweest in God (Ef. 3:9), vervolledigde Paulus Gods geschreven Woord (Kol. 1:25) en de « weg der behoudenis ». Deze omvatde volgende trappen:
|
1. |
De « natuurlijke » mens, als zondaar geboren en in vijandschap met God, kan door genade een « kind van God » worden. (Aardse sfeer van zegening). |
|
2. |
Het « kind » kan, door de dood t.o.v. de zonde (Rom. 6:2) en geloof in Christus, komen tot het « zoonschap » en alzo, van de positie van zondaar, overgaan tot die van gerechtvaardigde voor God (Gal. 3:24 — 26). (Hemelse sfeer van zegening). |
|
3. |
De « zoon van God » kan, door de dood t.o.v. de zonde (Ef. 2:1, 5; Kol. 2:13 Griekse tekst) komen tot de positie van « een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus » (Ef. 4:13). (Overhemelse sfeer). |
Terwijl het mensdom, in zijn geheel, de ganse toekomende aioon der wedergeboorte moet doorlopen om tot de eerste trap van de weg der behoudenis te komen, en terwijl de volgende aioon, die der nieuwe schepping, nodig is om de tweede trap te bereiken en alzo ten slotte het einddoel waar God alles in allen is (1 Kor. 15:28), kan ieder mens, individueel, door Gods genade reeds nu deze weg doorlopen en komen tot het in-Christus-volmaakt-zijn. De tegenwoordige bedeling is er daarom één van overvloedige genade. En ook van zuiver geloof. Want God « zwijgt » nu, daar Hij alles gedaan en gezegd heeft. Er zijn geen zichtbare, publieke tekenen zijner macht in onze tijd. Al de tekenen van het komende Koninkrijk op aarde, die gedurende de periode der Handelingen nog aanwezig waren, hebben opgehouden, omdat dit Koninkrijk niet langer nabij is, ten gevolge van Israëls verwerping. In zijn gevangenschapsbrieven (Efeze, Filippi, Kolosse, 2 Timotheus) worden ze niet meer vermeld en Paulus kan zelfs zijn beste vrienden niet meer genezen.
Ook werden er geen nieuwe ceremoniën door God voorgeschreven voor de tegenwoordige bedeling. Er is dan ook geen goede reden voor de christenen uit de volken om te veronderstellen dat het naar Gods wil is de ceremoniën der Joden en der christen-Joden van de tijd der Handelingen over te nemen. Alleen zuiver geloof in al wat de Heere geopenbaard heeft moet ons leiden naar Gods wil te handelen. Christenen behorende tot gelijk welke der drie sferen van zegening, die nu op aarde leven, kunnen natuurlijk vergaderen, doch God heeft niets voorgeschreven aangaande een door Hem gewilde zichtbare organisatie of Kerk. De Joden die nu geloven dat Jezus hun Messias is, moeten dus niet ingelijfd worden in een aardse organisatie, in een Kerk die vooral uit christenen uit de volken zou bestaan.
Laat ons nu terugkeren tot de tijd van Israëls verwerping. Het is een feit dat de hierboven vermelde bijzondere openbaringen die Paulus alleen ontving, slechts door enkelen werden aanvaard. In Schriftplaatsen zoals Fil. 2:20, 21; Kol. 4:11; 2 Tim. 1:15; 4:15 lezen we dat de christenen in het algemeen Paulus hadden verlaten. En de geschriften der eerste eeuwen bevestigen dat zijn bijzonder onderwijs, uitgaande boven de aardse sfeer van zegening, onbekend was. Men sloeg alleen acht op hetgeen de Heere en de Apostelen der besnijdenis geleerd hadden over het leven op aarde. Doch op aarde was alleen Israël het uitverkoren volk, wat dan als dit volk verworpen was? De geschiedenis leert ons dan ook dat er gedurende de drie eerste eeuwen een volledige chaos heerste in de christene wereld. Slechts zeer geleidelijk kwamen meerderen tot de gedachte dat een nieuwe, christelijke « Kerk » met Pinksteren, of kort daarna, begonnen was. Dit was het « geestelijke » Israël. Het oude volk werd aangezien als een schaduw, de Kerk was de werkelijkheid. Al de goede beloften aan Israël gegeven werden dus overgebracht naar deze Kerk, alle vloeken liet men aan Israël. Zo werd dan ook het Nieuwe Verbond aangezien als zijnde met die Kerk gesloten.
Toen vormde zich een organisatie, steunende op die der Synagoge en der christen Joden. De meeste feesten en ceremoniën door de Heere ingesteld voor Israël, voor zijn aards volk, werden « gechristend » en aangepast aan de Kerk. De leer der 12 Apostelen der besnijdenis, die niet verder voert dan de wedergeboorte, en de aardse sfeer van zegening, werd aanvaard als de basis der kerktheologie. De bijzondere openbaringen die Paulus ontvangen had, als Apostel der volken, werden eeuwen lang verwaarloosd. Daar echter een dergelijke aanpassing op de Kerk van hetgeen aan Israël gegeven werd op allerlei wijzen kan geschieden, daar de Heere geen wel bepaalde aanduidingen gegeven had betreffende organisatie of ceremoniën, kon er slechts scheiding en strijd zijn, tot op heden toe. Sinds 2000 jaren is men er niet in geslaagd een voldoeninggevende, Schriftuurlijke theologie te ontwikkelen. De gedachte, afgeleid van het vervangen van Israël door de Kerk, dat het Koninkrijk zich langzamerhand over de aarde zou uitbreiden door middel dezer Kerk, weerstaat niet aan de harde werkelijkheid. De hoop alle volken te bekeren werd niet verwezenlijkt. In tegendeel de meeste volken verwerpen nu de missionarissen. Allerlei moeilijkheden die zich voordeden bij de uitleg der Schriften, als gevolg van het « vergeestelijken » en het toepassen op de Kerk, hebben er toe geleid dat de waarde van het Boek werd betwijfeld. Het princiep der volledige ingeving der Schriften wordt nu door de meeste theologen prijs gegeven, en eens wanneer de mens Gods geschreven Woord kritiseert, blijft er geen vaste basis meer voor de inhoud van het geloof.
Deze mislukkingen en ook het nationaal herstel van Israël heeft er menig christen in alle kerken en groepen toe gebracht opnieuw meer aandacht te schenken aan de profetie en haar letterlijke vervulling. Er bestaat dus een neiging om iets aan Israël terug te geven van wat aan dit volk behoort.
We moeten echter niet te zeer optimistisch zijn. Het grote probleem blijft voor de meesten de verhouding tussen Israël en de Kerk. In het algemeen houden zij die geloven in een zeker herstel van Israël nog vast aan de oude overleveriing dat wanneer een Jood in Christus gelooft, hij ophoudt een Jood te zijn en dat hij zich moet voegen bij een Kerk of Gemeente. De overlevering, die in de eerste eeuwen van verwarring ontstond, dat de Kerk Israël vervangt of dat het « natuurlijke » Israël met het « geestelijke » Israël (doelende op de christenen uit de volken) nu één volledig « Israël » vormen, oefent zulk een sterke macht uit op de theologen dat het uiterst moeilijk voor hen is een meer Schriftuurlijke oplossing in overweging te nemen. En toch zou het nodig zijn alle opvattingen weer aan de Schrift alleen te toetsen, en deze als enige norm te aanvaarden.
Inderdaad, als we het ganse onderwijs van Gods geschreven Woord tot zijn recht laten komen, verdwijnen de meeste moeilijkheden. Laat ons in het bijzonder de toekomende aioon nagaan. Het uitverkoren volk, de heilige natie, zal dan aan het hoofd staan van alle volken en de opdracht kunnen uitvoeren waartoe het verkoren was: namelijk een zegen zijn voor alle natiën, door hen tot Christus en de wedergeboorte te brengen. Deze natie zal een nationale en godsdienstige organisatie vormen: Christus' Ekklesia. In deze zin zal er dus een scheiding zijn tussen Israël en de andere volken. Doch individueel beschouwd, kunnen alle wedergeboren mensen aanzien worden als vormende een geestelijke gemeenschap.
Zoals reeds gezegd, zullen zij, die deel hebben aan de hogere sferen van zegening hun normaal verblijf niet hebben op aarde. Van af de opstanding, hebben ze een geestelijk lichaam dat hen bevrijdt van alle stoffelijke begrenzing en hen toelaat wijdere opdrachten te vervullen. In deze sferen zijn geen naties, geen ceremoniën. Allen zijn één in Christus.
Er bestaat dus geen moeilijkheid alles aan Israël te laten wat hun toebehoort, inbegrepen het Nieuwe Verbond en al de zichtbare voorstellingen van geestelijke dingen.
Voor wat de huidige bedeling aangaat, is de toestand meer ingewikkeld. Israël is nog niet hersteld als Gods volk. Het bouwen en inwijden van de tempel zal hiervoor waarschijnlijk het teken zijn. Christen-Joden kunnen nu oude Joodse gebruiken houden, doch ze kunnen de Wet in al haar inzettingen nog niet houden. Het is aan elk hunner te beslissen, onder de leiding van Gods Geest, wat hij moet doen.
Doch eens dat het godsdienstig herstel zal gekomen zijn, schijnt het de normale weg voor alle christen-Joden te zijn op meer volledige wijze te wandelen in het waarnemen der ganse Wet, niet om alzo gerechtvaardigd te worden voor God, doch naar het Nieuwe Verbond, in een nieuwe geest van genade en liefde. Zelfs de Joden die menen tot een hogere roeping te behoren, zullen deze inzettingen moeten houden, zoals Paulus het deed. Ze zijn nog op aarde, met een « natuurlijk » lichaam, en moeten geen struikelblok wezen voor hun broederen der aardse roeping, die niet zouden begrijpen waarom ze die vormen niet waarnemen.
Doch voor de christenen uit de volken bestaan er geen door God ingestelde ceremoniën. Ze kunnen, natuurlijk, een zeker ritueel waarnemen in de zin van een eerbiedwaardige menselijke instelling, omdat de meeste mensen nog een behoefte hebben aan zichtbare voorstellingen van geestelijke werkelijkheden. Doch, daar het dan slechts menselijke gebruiken zijn, kunnen ze van plaats tot plaats verschillen zonder verdeeldheid te veroorzaken tussen christenen.
De tekenen der tijden wijzen naar het einde der tegenwoordige bedeling. Al is er heden nog geen ware vervulling der profetie, toch is er veel in de zin van voorbereiding. Israël wordt nu nationaal hersteld. De volken rond Israël komen terug in leven. De algemene wereld toestand is een voorbereiding voor de eind catastrofen der profetie. En, naar onze mening, is een der meest indrukwekkende gebeurtenissen de vorming van een Joods-Christen Gemeenschap die zich bewust is dat een Jood niet mag ophouden een Jood te zijn als hij in zijn Messias gelooft. Hier hebben we de eerste kern van het ware Israël, als het opnieuw Ammi zal zijn. Dit « overblijfsel » zal veracht en vervolgd worden, niet alleen door de volken, doch door de Joden die zich niet tot Christus keren en door de christenen die niet naar Gods Woord luisteren.
Wij, en anderen, hadden het voorrecht de Schriften te onderzoeken en alzo sinds meer dan 25 jaren te komen tot de visie die hierboven is beschreven. Er heeft zich alzo een « theologie » ontwikkeld die steunt op de volledige inspiratie der Schriften en die het ganse voornemen der aionen omvat, evenals de ganse weg der behoudenis. We menen dat deze « theologie » de Joods-Christen Gemeenschap zal kunnen helpen in haar strijd en allen die naar Gods Woord wensen te luisteren zal kunnen helpen in te zien dat deze Gemeenschap naar Gods wil is.
Aanhangsel Moeten de Christen-Joden de Wet nog houden? ↑

We vinden talrijke plaatsen in het O.T. die de waarneming beschrijven van zichtbare instelling van een « aionische » wet. Meestal word het woord « olam » (of andere die er mee in verband staan) gebruikt. De versies spreken van een « eeuwige » instelling. Het Hebreeuwse woord « olam » correspondeert met het Griekse woord « aioon » en duidt een periode van wereld geschiedenis aan van beperkte duur. Dit is duidelijk uit vele passages. Het meervoud (olamim) wordt 12 keer gebruikt, « aioon » wordt evenzo in het meervoud gebruikt. Andere passages gebruiken de uitdrukking « van olam tot olam » en « gedurende de olam en verder ».
Het klassieke voorbeeld om de betekenis van het woord « olam » en « aioon » laten zien is Lukas 20:34, 35 waar verschil word gemaakt tussen « deze aioon » en « die aioon ».
In het O.T. vinden we dan « aionische » instellingen en beloften, voornamelijk in verband met de komende aioon, die van het Koninkrijk op aarde. Dus we lezen in Gen. 17:8: « En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot aionische bezitting » en in vs. 13: « De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een aionisch verbond ». In Exodus 12:14 vinden we dat Pasen een aionische instelling is. In Numeri 25:13 lezen we over het « aionische verbond » en in 2 Samuel 23:5 over het « aionische koningschap » van David. Het Nieuwe Verbond is « aionisch » (Jesaja 55:3 etc.). Het Heiligdom zal in hun midden zijn tot het einde van de aioon (Ezechiel 37:26). Dit heiligdom en alle ceremoniën, inclusief de verschillende offeranden, zijn gedetailleerd beschreven in Ezechiel 41 — 47.
Het verbond gemaakt in Sinaï was niet aionisch, en zou worden vervangen door het Nieuwe Verbond gemaakt met hetzelfde huis Israëls en hetzelfde huis Juda, maar de ceremoniële instellingen van de wet zijn aionisch (Exodus 29:28; Leviticus 6:18, 22; 7:34 etc. — offeranden; Exodus 31:16 — Sabbat; Leviticus 16:29, 34 — verzoening, etc.). Het verschil tussen het Oude en Nieuwe Verbond bestaat niet uit de aan- of afwezigheid van ceremoniën, maar in de geest waarmee ze waargenomen worden: In Sinaï deden de kinderen Israëls alsof ze zouden doen al hetgeen de Heere gesproken had, in hun eigen kracht en zo als rechtvaardigen voor God te verschijnen. In het Nieuwe Verbond zullen ze het door genade kunnen waarnemen. Dus Ezechiel 11:19, 20 zegt uitdrukkelijk dat na berouw, ze een nieuwe geest en een nieuw hart zouden verkrijgen zodat: « Opdat zij wandelen in Mijn inzettingen, en Mijn rechten bewaren, en dezelve doen ».
Onze Heere bevestigde met zekerheid dat het « minste gebod » nageleefd moest worden (Mattheus 5:17 — 19) en alle Apostels stemmen hier mee in. Petrus, 10 jaar na Pinksteren laat zijn trouw aan de wet zien in Handelingen 10, een driemaal herhaald gezicht en de tussenkomst van een engel was nodig om hem te laten communiceren met een onbesneden Christen. Het begrip « rein » en « onrein » van de Wet was niet verlaten, maar het bestaan van Christenen uit de naties was toen een nieuw fenomeen, nieuwe voorschriften moesten gegeven worden. De Wet gegeven door middel van engelen werd voltooid door een engel. Een onbesneden Christen was gereinigd door zijn geloof in de Messias (Handelingen 15:9).
Handelingen 15 bevestigt, dat 20 jaar na het kruis, alle Christen-Joden de Wet volgden. Het debat over de waarneming door die uit de naties zou inderdaad geen zin hebben als de Joden zelf de Wet niet zouden houden. Bij deze gelegenheid is het verschil tussen het evangelie der besnijdenis en dat van Paulus voor de voorhuid ook duidelijk gesteld. (Galaten 2)
Maar wat aangaande Paulus? Leerde hij dat de Wet niet langer gold voor de Christen-Joden? We willen een beknopt onderzoek doen naar een aantal uitspraken die zodanig worden begrepen.
Romeinen 6:14 zegt alleen dat ze niet onder (hupo) de Wet zijn als slaven, of (zoals in Galaten 3:10 — 15) onder de vloek. Dit was het geval in Sinaï waar ze de Wet waarnamen om zo gerechtvaardigd te worden.
Romeinen 10:4 zegt niet dat de Wet een eind heeft, ophoudt te bestaan. Het gebruikte woord is « telos » wat betekent dat in Christus de voleinding der Wet was. Ten eerste in de wijze dat het doel van de Wet was tot Christus te leiden en ten tweede in de wijze dat door middel van Zijn offer het Nieuwe Verbond was bevestigd, waardoor de rechtmatige eis vervuld kon worden door genade. Romeinen 10:3 laat zien dat het argument altijd tegen het idee was dat men door de werken der Wet gerechtvaardigd voor God kon worden en niet dat de Joden de Wet niet zouden waarnemen in een nieuwe geest van liefde en gehoorzaamheid.
Galaten 3:19 zegt niet dat de Wet was afgeschaft door de komst van het Zaad, maar dat het niet langer was « door de overtredingen ».
Hebreen 7:18 en 19 leert ons dat de Wet, de schaduwen, alleen afgeschaft word in de « tijden der hervorming », d.i. na het einde van de volgend aioon.
Ten slotte Hebreen 10:18 zegt niet dat er geen ceremoniële offeranden meer zijn, want dit is een citaat van Psalm 40:7 — 9, geschreven toen deze offeranden gedaan werden in overeenstemming met de voorschriften van de Heere. Doch er is geen ander echt offer dan dat van Christus.
En als er al enige twijfel overblijft, dan zijn daar de getuigenissen van Paulus in Handelingen 24:17 — 19; 25:8 en 28:17: « Mannen broeders, ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten » en zijn bewijs in Handelingen 21:17 — 21 dat hij zelf volgens de regels wandelde en de Wet hield.
Dus we geloven dat de situatie duidelijk is. De Christenen van de naties hoeven de ceremoniën niet waar te nemen, maar alle Christen-Joden moeten dat wel wanneer ze Gods volk zijn, tot aan het einde van het Koninkrijk — aioon. Niet om op deze wijze gerechtvaardigd te worden voor God, maar in gehoorzaamheid en liefde. Voor het kruis wezen alle schaduwen voorwaarts naar Christus, in de toekomst zullen deze terug wijzen naar Zijn genadige offerande dewelke is hoofdgebeurtenis op aarde voor alle tijden.
|