Dit boek is onderdeel van de UDS omnibus
Inleiding. (Top)
De leer der onsterfelijke ziel die bij de dood het lichaam verlaat om in een hemel van gelukzaligheid op te varen of in een hel van rampzaligheid neer te dalen, in een plaats van loutering te komen of in andere gewesten haar leven voort te zetten, over te gaan in een plant of dier of in welke andere vorm ook haar bestaan te vervolgen, is algemeen verbreid. In wezen verschillen hierin Christen- noch Heidendom van elkaar, al is de voorstellingswijze verschillend.
De Schrift neemt te dezen opzichte een andere positie in. Ze spreekt anders en geeft tegenover al deze menselijke opiniën de leer der opstanding. Zij kent geen directe voortleving evenmin als ze een later voortleven ontkent. Ze is hierin uniek en spreekt van de opstanding der doden. Waar dit punt van steeds meer betekenis wordt, willen we er in deze brochure een verhandeling over schrijven waarin we tevens bezwaren er tegen willen ondervangen of weerleggen. Bijzonder in het licht der grote verborgenheid aan Paulus geopenbaard, is de leer der opstanding van de allergrootste betekenis.
Het onderwerp bestrijkt een uitgebreid veld van onderzoek. In kort bestek bezien, kan de uiteenzetting niet dan zeer beknopt zijn. Met dat al zijn de hoofdlijnen duidelijk aan te geven en als deze eenmaal getrokken zijn, zal men inzien, dat de moeilijkheden, vaak nog veelal schijnbaar, vanuit de hoofd en grondlijnen moeten opgelost worden en men ze niet tot uitgangspunt moet nemen. De regel die men hier moet nemen is deze: men heeft de Wet, de Profeten en de Psalmen, daarnaar moet men horen. Achtereenvolgens willen we nagaan:
1° De betekenissen van ziel en geest.
2° Vanwaar is de mens.
3° Waarheen gaat de mens.
4° Wat leert de Schrift over dood en graf.
5° Bezwaren en moeilijkheden.
6° De leer der opstanding.
Voor een bredere uitwerking verwijzen we naar ons grotere werk: « Van Dood en Opstanding » dat we D. V. later hopen uit te geven. Hierin wordt de stof uitgebreider behandeld. (Niet in ons bezit)
I. Betekenis van Ziel en Geest. (Top)
Ziel. Het woord « ziel » komt in de Schrift in méér dan een betekenis voor. We gaan er enkele na.
Ten eerste heten dieren, zielen, Gen. 1:20, 24; 2:19; 9:10 e.a.
Ten tweede heet de mens in zijn totaliteit een ziel, Gen. 12:5; 14:21; 36:6; 46:15 e. v., Ex. 1:5; Hand. 2:41; 27:37. Ziel betekent hier: persoon, mens. Er zijn zegenende, vermoeide, hongerige zielen, Spr. 11:25; 25:25; 27:7. Zielen der mensen, 1 Kron. 5:21 of: mensenzielen, is een Hebr. uitdrukking voor: mensen, de persoon des mensen. Als zodanig is ook op te vatten: de ziel des vaders, Ez. 18:4.
Ten derde duidt het woord « ziel » de persoon aan, staat dus voor een persoonlijk of ander voornaamwoord: mijn ziel = ik, Gen. 27:4, uw ziel = gij, 27:19, een ziel = iemand, Lev. 2:1. Zie ook Mt. 12:18 (= Ik), Joh. 10:24 (= ons) enz. Hiervan zijn vele voorbeelden. Vaak wordt het voornaamwoord in het verband genoemd of ligt er in opgesloten.
Ten vierde drukt het woord « ziel » de lichamelijke begeerten uit. De Israëliet kon eten naar de lust zijner ziel, Deut. 12:15, 20. Zie 23:24 (lust = Hebr. ziel).
Ten vijfde duidt het woord « ziel » de hogere vermogens aan als liefde, Gen. 34:3, 8, benauwdheid, 42:21, walg, Lev. 26:11, verdriet, Num. 21:4, haat, 2 Sam. 5:18, angst, Job. 30:25, blijdschap, Ps. 34:3, droefheid, Mt. 26:38 enz.
Ten zesde betekent « ziel » leven, Gen. 9:5. De St. V. vertaalt het dan ook vaak door « leven »: Gen. 19:17 (om uws levens wil, Hebr.: om uwer ziel wil), Ex. 4:19; 21:23; Mt. 6:25; Joh. 13:37.
Ten zevende is de ziel de vergankelijke mens die aan allerlei gevaren blootstaat, Gen. 12:13; 19:19, 20. Zielen kunnen sterven, Num. 23:10, Richt. 16:30, 1 Kon. 19:4, van de dood gered worden, Ps. 66:9, uit het graf worden opgevoerd, Ps. 30:4, uitgestort worden in de dood, Jes. 53:10-12, gezocht worden om te doden, Mt. 2:20, behouden worden, Mk. 3:4 (mens, Gr.: ziel) uitgeroeid worden, Gen. 17:14, Ex. 12:15, 19; 31:14 Enz.
De Westerse Leer en de Schrift. Men ziet hoe veelvoudig het begrip in de Schrift is. Het is daarbij veel concreter dan het Westerse begrip. Hetzij dat de Schrift de persoon zelf aangeeft, hetzij de werkingen van lagere of hogere aard, steeds is de ziel zo nauw aan het lichaam verbonden, dat ze een eenheid vormen. De mens in zijn totaliteit heet ziel. Leert het Plato-ianisme en ook de Kerktheologie, dat de mens een tweeheid is en bestaat uit ziel en lichaam, waarvan de eerste bij de dood het lichaam verlaat en voortleeft, terwijl het lichaam vergaat, de Schrift leert wat anders. Ze kent deze scheiding niet. Ze maakt de ziel niet los van het lichaam. Ze spreekt ook van doden nog als zielen, of als dode zielen. Lev. 21:11 dode lichamen, Hebr.: dode zielen, Num. 6:6: lichaam eens doden, dode ziel. Volgens Westerse leer zou men moeten spreken van stoffelijk overschot, zielloos of ontzielde lichaam. Niet aldus de Schrift. Ook de dode is voor haar een ziel, bewijs dat ze geen scheiding kent van ziel en lichaam.
De Westerse leer van een zelfstandige buiten het lichaam om voort kunnende bestaande ziel, is afkomstig van Plato, een Heidens wijsgeer. Hij meende, dat de zielen een vóórbestaan hadden, dat bij de verwekking telkens weer een dier zielen in een lichaam ingeplaatst werd, dat het lichaam de kerker der ziel was en dat de dood de verlossing bracht. De mens was dus een tweeheid. Deze leer is in de Kerktheologie overgenomen en zó algemeen geworden,dat elke afwijking ervan beschouwd wordt als afwijking van de waarheid! De Schrift weet van deze dingen echter niets. Zij leert geen zelfstandig voortbestaan der ziel zonder het lichaam. Zonder lichaamsorganen kan de
« ziel » niet denken, voelen, zich uiten, enz. Ze bestaat niet buiten, maar in het lichaam. Adam kréég geen levende ziel maar is geworden tot een levende ziel, zegt de Schrift. Hiermee duidt ze een ontwikkeling aan, waarbij ook het lichaam betrokken was, zodat de eenheid reeds direct op de voorgrond staat. We komen hierop nog terug. Eerst bespreken we iets van het begrip « geest ».
Geest. Ook het woord « geest » heeft meerdere betekenissen. De oorspronkelijke betekenis is de in beweging zijnde lucht, daarna de onzichtbare werking er van, daarna onzichtbare kracht, voorts onzichtbare wezens, verder: mensen in een geestelijke bestaanswijze.
« Geest » wordt gebruikt ter aanduiding van Gods onzichtbaar Wezen, Joh 4:24a (God is Geest). Verder ook als aanwijzer voor de Derde « Persoon » d. i. zelfstandigheid en openbaringswijze van Gods wezen. Ps. 139:7, Neh. 9:20, Mt. 12:31, 32, Joh. 3:8, 1 Cor. 12:4, enz. Hierbij sluit zich nauw aan de uiting en werking van die Geest die uitkomt in de werkingen in de natuur; Ps. 33:6; 104:30; Ez. 37:5 enz.
« Geest » betekent ook de natuurlijke en geestelijke gave die de mens gegeven wordt. Er kan geest der wijsheid zijn, Gen. 41:38; Ex. 28:3. Van Mozes geest kregen ook anderen, Num. 11:17, 25, de Geest des Heeren toog de richters aan, Richt. 3:10; 6:34; 11:29; 13:25 enz. Ook Saul ontving die, 1 Sam. 10:6, 10. Zo ook David, 16:13, 14. In het N. T. worden geestesgaven gegeven; deze heten veelal: heilige geest, d. i. kracht van Boven, Mt. 3:11; Joh. 1:33 b; Luk. 1:15, 35; Hand. 2:38, enz.
« Geest » duidt ook geestwezens aan. Engelen heten geesten, Ps. 104:4; Heb. 1:7. Job zag een geest ,Job. 4:15. Er zijn boze geesten, 1 Sam. 16:14 b. v., leugengeesten, 1 Kon. 22:21; onreine geesten, Mk. 7:24, geesten in de gevangenis, 1 Petr. 3:19. Satan is een geest, Ef. 2:2.
« Geest » is ook de onzichtbare levenskracht in de mens die hem, bij de verwekking gegeven wordt en zich bij de dood terugtrekt, Ps. 146:4; Pred. 12:7; Ps. 104:30; Hand. 7:59; Mt. 27:50; Op. 11:11.
« Geest » duidt ook de hogere vermogens en onzichtbare eigenschappen in de mens aan die zich openbaren in verstand, wil, strevingen, geweten, en die hem verheffen boven het dier. De geest kan verslagen zijn, Gen. 41:8; Ps. 34:1,9; smart hebben, Gen.26:35 benauwd worden, Ex. 6:8, bezwaard zijn, 1 Sam. 1:15, verbrijzeld zijn, Jes. 57:15. toornig zijn, Richt. 8:3 (toorn = Hebr. geest). De geest kan zich verheugen, Luk. 1:47, verkwikt worden, 1 Cor. 16:18; 2 Cor. 7:13. Men kan arm van geest zijn, Mt. 5:3. Johannes werd gesterkt in de geest, Luk. 1:80. Paulus' geest werd ontstoken, Hand. 17:16. Hij nam zich iets voor in de geest, Hand. 19:21, was gebonden in zijn geest, Hand. 20:22, diende God in zijn geest, Ram. 1:9. Men kan vurig van geest zijn, Hand. 18:25, heilig naar geest, 1 Cor. 7:34, bevlekt van geest, 2 Cor. 7:1, vernieuwd worden in de geest, Ef. 4:23. Christus was bewogen in de geest, Joh. 11:33.
Al deze sferen behoren tot de geest des mensen die in hem is, 1 Cor. 2:11. Deze geest vormt met ziel en lichaam de totale mens, 1 Thess. 5:23.
« Geest » is ook de nieuwe inwerking die God geeft in de wedergeboorte en die staat tegenover de verdorven werking van het vlees. Men kan naar de geest wandelen, Rom. 8:4, Gal. 5:16, 25.
« Geest » betekent ook: « verheerlijkt opstandingslichaam », en duidt zo de mens aan naar zijn geestelijke bestaanswijze. De laatste Adam is geworden tot een levendmakende geest, 1 Cor. 15:45. Hij is levend gemaakt in de geest, 1 Petr. 3:18. De gestorven gelovigen zullen eenmaal leven in de geest, 1 Petr. 4:6.
Men ziet, dat ook aan dit woord velerlei inhoud wordt toegekend en dat men wèl na moet gaan, voor men in dezen beslist.
Ziel en Geest. Ziel en geest zijn niet identiek, niet hetzelfde. Ze grijpen wel in elkaar, maar
daarom vallen ze nog niet samen. Reeds in het O. T. is het onderscheid in beginsel gegeven en in het N. T. wordt het duidelijk aangegeven in 1 Thess. 5:23. « En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam warde onberispelijk bewaard in de toekomst onzes Heeren Jezus Christus ». Ook in Hebr. 4:12 « Want Gods Woord is levend en krachtig en schérpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard en gaat door tot de verdeling der ziel en des geestes, der samenvoegselen en des mergs ».
In 1 Thess. 5 is sprake van uw geest en ziel en lichaam. Deze tekst wijst dus op drie delen. Zo leert ook Hebr. 4:12 onderscheid te maken tussen ziel en geest, want evenmin als de samenvoegselen het merg zijn, evenmin is de ziel de geest. Zij zijn twee onderscheiden sferen.
Een beeld kan een en ander ophelderen. Den Haag is Rijk der Nederlanden, Zuid-Holland is Rijk der Nederlanden, Nederland zelf is Rijk der Nederlanden. Volgt hieruit nu dat Den Haag = Nederland? Men weet beter. Zo nu ook met lichaam, ziel en geest. Elk heeft een eigen sfeer. Zoals Den Haag ligt in Zuid-Holland en dit weer in Nederland, zo is dit ook met de geest, de ziel en het lichaam van de mens. Alle drie samen vormen de mens. Beter nog alle drie liggen samen in een centrum, de ikheid van de mens, de mens achter de mens, de diepere ondergrond en de hogere samenvatting.
In enkele teksten komt ziel en geest in parallelvorm voor b. v. in Jes. 26:9: « Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest die in het binnenste van mij is U vroeg zoeken. » Zie ook Job. 7:11 ;12:10; Luk. 1:46, 47; 1 Sam. 1:15; Ps. 77:3, 4. Men wil daaruit concluderen dat geest en ziel identiek zijn. We vinden echter ook in parallelvorm hart en ziel (zie Spr. 2:10; Ps. 13:3; 78:18; Jer. 4:19) ook vlees en ziel (Ps. 63:2; Spr. 11:17) ook buik en ziel (Ps. 44:26) ook hart en geest (Deut. 2:30; Ps. 34:19; Jes. 57:15). Indien men nu wil beweren, dat ziel = geest, moet men consequenter wijze ook aanvaarden, dat hart = ziel, dat ziel = vlees, dat hart = geest. Uit Ps. 63:2 zou voortvloeien, dat ziel = vlees, dus precies het tegenovergestelde van wat men wil beweren n. l. dat ziel = geest. Men behoeft deze parallelismen niet op te vatten als zuivere parallelismen, ze kunnen zeer wel elk een zijde ener zaak aangeven en de zijden in elkaar doen grijpen zonder dat ze samenvallen.
Het Hart. We spraken reeds van een hogere eenheid achter ziel en geest, van de ikheid, de mens achter de mens. Die wordt in de Schrift vaak aangeduid door het hart. Daarin vinden ziel en geest ja ook het lichaam, zijn centrum. Het is dan ook wel eigenaardig en opmerkelijk, dat de Schrift nergens het dier een hart toekent, zelfs niet in lichamelijke zin.
Afgezien van de letterlijke betekenis als hart des lichaams (2 Sam. 18:14 a; 2 Kon. 9:24) van de betekenis: midden (Deut. 4:11, Spr. 30:19, Mt. 12:40) van lichaam of lichaamsdeel, Gen. 18:5; Richt. 19:5, 8; Ex. 28:29, 30, komt het hart voor in de betekenis van verstand, centrum der gedachten, Gen. 6:5; 8:21, wijsheid, Ex. 28:3; 31:6; Job. 8:10, geheugen, Spr. 3:1. Zie ook Pred. 1:13; 8:16; 7:2, 21. Enz. Ook is het de zetel van het gevoel, heeft blijdschap, Ex. 4:14, droefheid, Spr. 14:10, 13, vrolijkheid, Spr. 15:13 a, nijdigheid, Spr. 23:17. Enz. Tevens is het, de zetel van de wil, Ex. 25:2; 35:5, onwil, Deut. 15:7, boosheid van hart, Jer. 3:17; Jes. 6:10. Enz. In het N. T. ga men na Mt. 9:4; 15:19; 12:34; 13:15; Mk. 3:5; Hand. 7:51.
De Schrift schrijft aan het hart alle werkingen toe, die ze ook aan lichaam en ziel en geest toekent. Uit het hart zijn de uitgangen des levens. In elk opzicht. Een gezond hart is het leven des vleeses zegt Spr. 14:30. De reinen van hart zullen God zien, Mt. 5:8. Hier hebben we de fysieke (natuurlijke) en geestelijke zijde. God moet een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ez. 36:26, de innerlijke kern en de gesteldheid van de mens veranderen.
Hart en geest zijn onderscheiden zoals o. a. blijkt uit Ez: 36:26. Ziel en geest zijn eveneens onderscheiden. Ziel en lichaam evenzo. Hiermee komt veel anders te staan. De ikheid rust in het hart, heet vaak in het O. T. het hart en heeft geest, ziel en lichaam. Deze ikheid kan wel eens door ziel aangeduid worden, Mt. 10:28, maar dit is geen regel. Voor ons onderzoek komt nu de vraag naar voren: Wat geschiedt er met de ikheid des menschen als dit de eigenlijke kern is waarin de andere vast liggen. Hiermee komt alles in ander licht. Voor we daarover handelen spreken we over de schepping van de mens.
II. Vanwaar is de Mens?. (Top)
Uit de Aarde. De vraag: vanwaar is de mens is in de loop der tijden op velerlei wijze beantwoord. We gaan hier vanzelf niet op in, maar willen alleen uit de Schrift nagaan vanwaar de mens is.
Joh. 3:31 « Die van boven komt, is boven allen, die uit de aarde is, spreekt uit de aarde, die uit den hemel komt, is boven allen ».
Joh. 8:23 « Gijlieden zijt van beneden ». (Gr.: uit beneden).
1 Cor. 15:47 « De eerste mens is uit de aarde aards, de tweede mens is (de Heere) uit den hemel ».
Velen menen, dat alleen 's mensen lichaam uit de aarde is, en de ziel door God is ingeblazen. Dit is onjuist. Vooreerst staat nergens, dat de ziel is ingeblazen. Gen. 2:7 spreekt alleen van de adem des levens. Ten tweede blijkt uit 1 Cor. 15, dat 's mensen wezen uit de aarde is. Immers, daar wordt een tegenstelling gemaakt tussen de eerste en de Tweede Mens. De Tweede Mens is uit de hemel, zegt vs. 47. Die Tweede Mens is de Ikheid, de Persoon des Zoons. Niet zijn vlees. Dat heeft Hij uit Maria aangenomen, is in haar schoot ontwikkeld, het Woord is vlees geworden. Het is alleen de Ikheid, Die uit de hemel kwam.
Men ga dit wèl na. Christus had voor Zijn vleeswording reeds een lichaam. Dit nam Hij maar niet tijdelijk aan zoals de Theologie leert, maar bezat Hij. Daarin verscheen Hij, Gen. 18, Richt. 6 of werd er in gezien, Jes. 6, Dan. 10. Zie ook Zach. 14:3, 4. Hij heet dan ook: de geformeerde God, Jes. 43:10. Het lichaam Zijner heerlijkheid nu heeft Hij bij de vleeswording afgelegd, Hij heeft Zichzelf ontledigd, Fil. 2:7 grondtekst, heeft een andere « gestaltenis », d. i. bestaanswijze aangenomen, is tot menselijke kiem getransformeerd en in Maria ontvangen. Als zodanig nu is Hij « uit de hemel ». Zijn gehele Wezen, getransformeerd in een andere bestaanswijze, is van Boven. Maar daar volgt uit, dat, zal hier een tegenstelling zijn tussen Adam en Christus, de eerste naar zijn wezen dus uit de aarde moet zijn. Zoals de Ikheid van Gods Zoon getransformeerd tot menselijke kiem uit de hemel is, zo is de ikheid van Adam uit de aarde. En zoals de Zoon Gods in Maria's schoot vlees werd, zo is Adam in de aardschoot een mens geworden. Adam kreeg geen ziel, hij wèrd een ziel. Het Woord kreeg geen vlees, maar wèrd vlees. Hij was van boven, Adam van beneden, Hij was uit de hemel, dus Adam. uit de aarde. Naar « lichaam en ziel ». God blies geen ziel in, na eerst een vorm geboetseerd te hebben, van binnenuit ontwikkelde zich de mens tot levende ziel evenals een kind zich uit een kiem tot klein mens ontwikkelt. En evenals het kind daarna uit de moederschoot voortkomt, zo is de mens uit de aarde voortgekomen om daarna te gaan ademen en de adem des levens door zijn neusgaten te blazen. Indien de ziel is ingeblazen, dan is de mens — want de ziel houdt men voor de eigenlijke mens — ook van boven.
Adam is een voorbeeld Desgenen Die komen zou. Daaruit volgt ook, dat zijn ontwikkeling gelijkt op die van Christus. Omdat Adam zich organisch ontwikkeld heeft van klein tot groot, daarom is ook Christus als Kindeken geboren en verder opgewassen.
De Schrift zegt, dat Adam van beneden is, uit de aarde. Men zegge nu niet, dat dit betekent, dat zijn bestanddelen uit de aarde zijn. Wel zegt 1 Cor. 15:47, dat de eerste mens aards, van aardse substantie is, wil men: van lemen substantie, zoals een vat van leem is, maar als men dit alleen op het lichaam toepast, gaat de tegenstelling van 1 Cor. 15 niet op. Christus is getransformeerd uit de hemel gekomen. Zo zullen we moeten aannemen, dat de eerste mens, eveneens getransformeerd, uit de aarde is. Hij is uit de aarde.
'S Mensen Wording. Men sta hier wèl bij stil. De Schrift zegt dat alle dingen door het Woord geworden zijn, Joh. 1:3. Ook dus de mens. Dat sluit zijn schepping niet uit maar wel de mechanische daarstelling die ons geleerd werd. Men meent veelal, dat scheppen op eenmaal iets kant en klaar dààr stellen is. Dat nu is niet zo.
Schepping en wording gaan samen. God schept om te doen worden. We geloven niet aan de evolutie theorie alsof de mens verschillende dierenstadiums heeft moeten doorlopen om mens te worden. Wel geloven we aan de ontwikkeling van een oerkiem waaruit God de mens heeft, .doen voortkomen. Zoals de Tweede Adam vlees (mens) gewórden is, zo is ook de eerste Adam tot levende ziel geworden. Door een ontwikkelingsproces heen. Hoe lang dit geduurd heeft, zegt de Schrift niet. Maar dat het een wording geweest is, staat vast. Op grond van Joh. 1:3. Alle dingen zijn door het Woord gewórden. Ook dus de mens. Hiermee vervalt de idee van het dualisme van ziel en lichaam. Uit een kern, een « ongeformeerde klomp », een oerkiem, is ziel en lichaam ontstaan. Want de ziel is evenals het lichaam een bezit van de Ikheid.
Men wijze niet op Gen. 2:7, dat God de mens formeerde, dus dat Hij eerst een leemvorm daargesteld heeft. Jer. 1:5 zegt: « Eer Ik u in den moederschoot formeerde, heb Ik u gekend ». Denkt men hier ook aan dat mechanische formeren dat men in Gen. 2:7 legt? God heeft Jeremia geformeerd. Organisch. En deed dat ook zo met Adam. God formeert ook Israël, Jes. 43:7. Ook dit gaat organisch. In Gen. 2:19 staat, dat God al het gedierte des velds gemaakt had. In het Hebr. staat: geformeerd, zelfde woord van Gen. 2:7. Denkt men hier ook aan een mechanische boetsering van de dieren? Dan moet ook bij hen een ziel ingeblazen zijn, want ook zij heten levende zielen, Gen. 2:19.
's Mensen formering is voor ons langs de weg van organische ontwikkeling gegaan, ontwikkeling van binnen uit. De mens is uit de aarde gewórden tot een levende ziel, toebereid in de benedendste delen der aarde om daarna daaruit voort te komen. De naïeve voorstelling die door ons in de jeugd of door de traditie opgedaan is, zal ook hier gewijzigd moeten worden en we zullen tot een andere, betere, moeten komen, n.l. de organische ontwikkeling uit de aarde. De mechanische van thans is o. i. voor de Schrift niet houdbaar. Adam is ook in zijn ontwikkeling tot mens voor ons een type van Christus. Het enige verschil is, dat Adam de aarde en Christus Maria tot moeder had. Maar in hun ontwikkeling tot mens zien wij geen verschil.
In de Benedendste Delen der Aarde. David zegt in Ps. 139 zeer opmerkelijke woorden. Hij is als een borduursel gewrocht in de benedenste delen der aarde, vs. 16. Men heeft dit opgevat als te zijn de moederschoot. We menen dat dit onjuist is. Onze mening berust op de andere teksten waarin sprake is van de benedenste delen der aarde. Deze zijn Ps. 63:10; Jes. 44:23; Ez. 26:20; 31:14, 16, 18; 32:18,24. Steeds betekenen « benedenste delen » in deze teksten het onderaardse. Waarom Ps. 139 hierop een uitzondering zou maken, is niet in te zien. Men zal ons er op wijzen, dat David zelf in vs. 14 zegt, dat hij in zijn moeders buik bedekt is, dus dat de moederschoot de benedenste delen der aarde is. We menen, dat David hier op twee dingen doelt, n. l. de moederschoot en de aardschoot. Van het ene blikt hij profetisch terug op het andere. Zoals bij eenmaal in de moederschoot gevormd is, zo is zijn voorvader Adam, en hij tevens in hem, in de benedenste delen der aarde toebereid.
Job heeft een soortgelijke uitspraak. « Naakt ben ik uit den moederschoot voortgekomen en naakt zal ik daarheen wederkeren », 1:21. Nu moet het een of het ander niet opgaan of Job moet wat anders bedoelen. Hij gaat niet naakt terug naar de lijfelijke moederschoot waaruit hij voortkwam. Zo genomen gaat zijn woord niet op. Wel als men het dieper profetisch beziet en zegt, dat Job zich in Adam in ziet liggen. De moederschoot is dan de aarde. En daarheen gaat hij na het sterven terug. Om weder te keren, moet hij er vandaan gekomen zijn. Job vereenzelvigt zich met Adam. In Adam lag hij in de schoot der aarde. Na, de dood keert hij daarheen weder.
Deze teksten bewijzen het voorgaande: de mens uit de aarde aardsch, toebereid in het onderaardse. Bij de dood keert hij daarheen weder, zegt Job. Eenmaal lag de oerkiem der mensheid in die schoot in en ontwikkelde zich tot de mens Adam. De ontwikkeling van het kind in de moederschoot is een uitbeelding in wat andere vorm van die van de eerste mens in de aarde. De moederschoot en de aardschoot zijn niet identiek maar er ligt een zekere parallel tussen die David dan ook trekt in Ps. 139.
De Adem des Levens. Algemeen meent men, dat de adem des levens die de mens ingeblazen werd, de ziel is. Dit is slechts blote traditie die geen steun vindt in de Schrift, maar deze slechts verkeerd gebruikt om er heidense leer op te baseren.
Het woord adem dat in Gen. 2:7 voorkomt, komt nog 24 maal voor in het O. T. Men vindt het verder in Deut. 20:16; Joz. 10:40; 11:11, 14; 1 Kon. 15:29; 17:17; Jes. 2:22; Dan. 5:23; 10:17 waarin het ook door adem vertaald is. Dat de « adem » niet ziel is, blijkt uit Dan. .10:17: in Daniël bleef geen adem over. Toch was hij niet dood, dus zijn ziel was nog in hem. Jes. 2:22 zegt dat de adem in 's mensen neus is. Is deze de zetel der ziel?
Het woord adem wordt ook in verband met God gebruikt, 2 Sam. 22:16; Ps. 18:16; Job. 4:9; 37:10; Jes. 30:33. De adem Gods. is de wind. Maar niet de « ziel » Gods. Soms duidt adem de hele persoon aan, is. dus gedeeltelijke aanduiding, Jes. 57:16 (de zielen, Hebr.: de adems). Zie ook Gen. 7:22; Job. 26:4 (geest, Hebr. adem), Ps. 150:6. In enkele teksten staat adem in parallelisme met geest, zie Job. 27:3; 33:4; Jes. 42:5. In het N. T. vinden we het woord in Hand. 2:2 (wind) en 17:25 (adem).
Wie deze teksten nagaat, zal zien, dat we hier niet aan ziel kunnen denken. Het is de luchtstroom die bedoeld wordt, hetzij deze de gewone adem is of de storm. Dat de adem niet de ziel is, bewijst ook Job 34:4, waar sprake is van adem en geest. Beide worden tot God vergaderd. Hieruit blijkt duidelijk het verschil tussen beide. Al aangenomen, dat de geest de ziel is (wat nog niet het geval is), dan kan de adem, toch ook de ziel niet zijn. Dat volgt ook uit Hand. 17:25: God geeft het leven en de adem. Als het leven de ziel is, dan is de adem wat anders.
De vertaling: « ... en had in zijn neusgaten geblazen de adem des levens » is niet beslissend. Er kan beter gezet worden: « En de Heere God formeert de mens uit het stof der aarde en hij (de mens) is blazende door zijn neusgaten de adem des levens ». Het werkwoord in Gen. 2:7 in onvoltooide vorm staande en vertaald door « had geblazen », is in Hag. 1:9 in de voltooide vorm staande, door: « blaas » vertaald, zodat de onvoltooide vorm in Gen. 2:7 zeer wel weergegeven kan worden door: is blazende, wat dan op Adam betrekking kan hebben en de gewone ademhaling aanduidt.
De Eerste Mens. Het daarstellen van de eerste mens heeft meer dan een werk omvat. Het was een schepping, een in oerkiem daarstellen, een formeren, wat organisch plaats had van binnen uit, een maken, een tot volle wasdom brengen. Deze laatste processen omvatten zijn wording. Toen trad hij uit en onderhield zijn leven door de ademhaling, door de in- en uitblazing van de adem des levens.
Adam is levende ziel geworden. We kunnen niet bewijzen, dat dit proces negen maanden geduurd heeft zoals bij de gewone menselijke ontwikkeling. Wel geloven we dat het een proces geweest is, dat uit een oerkiem begon en deze tot basis had. Zoals de tweede mens uit de hemel in oerkiem indaalde in Maria, heeft God Adam eerst in oerkiem in de aarde geschapen. Dat is de ongeformeerde klomp, beter vertaald, de ingewikkelde kern, waar David over spreekt in Ps. 139. Deze ontwikkelde zich door de Geest Gods. Wat reeds in kiem ingeschapen was, ging zich nu ontplooien. Uit de windingen en ingelegde potenties (ontplooiïngsmogelijkheden) wies lichaam en ziel op en de geest vulde steeds weer wat opgebouwd was. Die geest werd in hem ingeformeerd, Zach. 12:1 zonder dat deze nu de persoonlijkheid zelf was. Deze lag in de oorspronkelijke kern.
Mens en dier heten beide levende zielen. Waarin ligt nu het verschil tussen mens en dier. Dat ligt in de hogere eenheid die bij de mens gevonden wordt, in de persoonlijkheid, de ikheid. Hierin ligt de concentratie van lichaam, ziel en geest. De mens is zelfbewuste natuur.
De eerste mens is gemaakt naar Gods Beeld. Gods Beeld is Christus, 2 Cor. 4:4; Col. 1:15; Heb. 1:3. Adam had de vorm van Christus vóór Zijn vleeswording. Beeld en gelijkenis betekent: welgelijkend beeld. Dit gaat niet zover dat Adam alle Christus' eigenschappen bezat, maar betekent dat hij innerlijk een zelfbewust wezen kon zijn en uiterlijk het beeld van de gedaante had die Christus had, de Oermens, Ez. 1:5; Dan. 10. Adam had niet de volle kennis, gerechtigheid en heiligheid die Christus verworven heeft door Zijn leven, lijden en sterven. Hij stond in oorspronkelijke rechtheid, maar had nog lang niet het einde bereikt. Ook was hij niet onsterfelijk. Want hij kon nog sterven, wat de historie bewijst. En zolang het sterfelijke geen onsterfelijkheid heeft aangedaan, is de dood niet verslonden tot overwinning. Adam was levende ziel en had geest. Door de geest stond hij in kontakt met God. Hij had de onsterfelijkheid echter nog niet. Hij had geen onsterfelijke ziel maar was levende ziel.
III. Waarheen gaat de Mens. (Top)
Velerlei Mening. T. o. v. de dood en de toestand daarin, heersen velerlei meningen. Heidense volken geloven in de zielsverhuizing: de zielen der gestorven gaan in voorwerpen, planten, dieren of mensen over. Spiritisten geloven, dat de geest voortleeft en zich vertonen kan. De Theosofie meent dat het Ego, de kern, zich ontdoet van verschillende bolsters en in hogere sfeer opstijgt om eenmaal weer een lichaam aan te nemen. Het Rooms-Katholicisme gelooft, dat de onsterfelijke ziel naar hemel, hel of vagevuur gaat. Het Protestantisme leert, dat ze naar hemel of hel gaat. Ziehier enkele hoofdstromingen. Alle baseren zich op de onsterfelijkheid. Hier tegenover staat het Materialisme, dat meent dat dood dood is en dood blijft, d. w. z. na de dood is het uit.
In het Adventisme wordt een nieuwe visie geopend. Dat leert geen onsterfelijkheid maar wel opstanding. Het houdt hierbij bijna het midden tussen de twee hoofdstromingen van Spiritualisme (directe voortleving na de dood) en Materialisme, (algehele opheffing van het bestaan). Bijna, want het ziet in de dood een vernietiging, dus trekt teveel naar het Materialisme. Bij het Adventisme heeft zich ten dele aangesloten het Russellisme, dat evenwel niet consequent aan de opstanding vasthoudt.
Men ziet welk een verscheidenheid er is en dat ook hier een nieuw onderzoek alleszins gewenst en nodig is. We willen dat instellen na eerst nog op een en ander gewezen te hebben.
Er is hier een breed terrein. We hebben dat reeds door een vooronderzoek enigermate betreden. Immers, om hier tot een bepaalde opinie te komen, moet men enigszins inzien, wat Gods Woord ons leert over de mens. Dan kan men juister aangeven wat de dood is. Waar we vonden dat er onderscheid is tussen de ziel en de geest, en ook nog tussen de geest en de ikheid, zal men inzien,dat de zaak maar niet zo uitgemaakt is. De vraag is: Wat geschiedt met de geest, met de ziel, met de ikheid zelf. We willen daar nader op terugkomen. Vooraf geven we de Schriftgegevens die onwrikbaar vast staan als waarheid Gods.
Naar het Graf. De eerste mens is uit de aarde aards De dood is een wederkeer tot de aarde. Hij gaat naar het graf.
Gen. 3:19 « In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt, want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren » Zie ook Job 10:9.
Er zijn velen blijde als zij het graf vinden, Job. 3:22. Daarin daalt men neer, Job 7:9. Dan ligt men in het stof, 7:21. Job wenste van de moederschoot naar het graf te zijn gebracht, 10:19. Hij vraagt om in het graf verstoken te mogen worden, 14:13. Het graf zal zijn huis zijn, Job 17:13. Zie ook Job 21:13: 24:19.
In de Psalmen vinden we dezelfde lijn. Men looft God niet in het graf, Ps. 6:6. De mens vergaat en wordt in het graf gezet, Ps. 49:13-15. Wie bevrijdt zijn ziel va.n het graf, Ps. 89:49. Prediker 9:10 leert evenzo: « Alles wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht, want daar is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf waar gij henengaat ».
Dan. 12:2 spreekt van de doden die in het stof der aarde slapen.
En Christus Zelf betuigt: Verwondert u daar niet over, want de ure komt, in welke allen die in de graven zijn Zijn stem zullen horen en zullen uitgaan ». Joh. 5:28
We menen dat deze uitspraken voldoende zijn om te bewijzen, dat de doden niet naar hemel of hel gaan, maar naar het graf. We zullen hieronder nog nader over de woorden die de Schrift hiervoor gebruikt spreken, maar daarmee wordt het feit niet weggenomen, dat de doden in de graven zijn. Het graf is het huis der samenkomst aller levenden.
Vanzelf geldt dit de begravenen. Er zijn ook verdronkenen, verbranden, vermorzelden, enz. Zij komen niet in een graf. Maar uit de plaats waar zij komen, komen zij bij de opstanding weer te voorschijn. Zo leert Op. 20, dat de doden komen uit de zee, uit de dood (de overige plaatsen). Hiermee wordt dus de leer bevestigd, dat de doden niet naar hemel of hel gaan, maar naar het graf, de zee, de doodsplaatsen. Eerst de opstanding brengt dan in het leven terug. Er is dus geen onmiddellijk voortleven na de dood. De dood is een onbewuste staat. We zullen dat nader uit het volgende bewijzen.
Onbewuste Toestand. Dat de doden onbewust zijn, bewijzen tal van Schriftplaatsen. We noemen er enkele.
Ps. 6:6 « Want in den dood is Uwer geen gedachtenis, wie zal U loven in het graf ».
Jes. 38:18 « Want het graf zal U niet loven... die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen ».
Ps. 115:7 « De doden zullen den Heere niet prijzen ».
Job 14,12 « Alzo ligt de mens neder en staat niet op totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet uit hun slaap opgewekt worden ».
Pred. 9:5, 6, 10 « Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten nietmetal, zij hebben geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten. Ook is alrede hun liefde, ook hun haat, ook hun nijdigheid vergaan en zij hebben geen deel meer in deze eeuw, in alles dat onder de zon geschiedt... daar is geen werk noch verzinning noch wetenschap noch wijsheid in het graf waar gij henengaat ».
Job 3:13 « Want nu zou ik nederliggen en stille zijn, ik zou slapen, daar zou voor mij rust zijn ».
Job 3:17, 18 « Daar houden de bomen op van beroering en daar rusten de vermoeiden van kracht; daar zijn de gebondenen te samen in rust, zij horen de stem des drijvers niet... »
Van de, doden wordt, gezegd, dat zij slapen. « Lazarus onze vriend slaapt », zei de Heere eerst. Daarna: « Hij is gestorven », Joh. 11:11, 14. Evenzo nu als de natuurlijke slaap een toestand van onbewustheid is, zo ook de dood. Dromen is geen slapen, dromen is een grensgebied tussen de waak- en de slaaptoestand. De echte natuurlijke slaap is een onbewuste toestand. Zo is de dood ook een onbewuste toestand. We komen hierop terug. We merken hier reeds op, dat het zijn in het graf, in het stof der aarde een onbewuste toestand vraagt en de doden daarom mede nietmetal weten. Hen bewust eeuwenlang in het graf gesloten te zien, is ongerijmd. De Schrift zegt, dat de doden nietmetal weten. Noch iets van het natuurlijke, noch iets van het geestelijke; hun liefde en haat, hun verzinning en wetenschap zijn geheel vergaan.
Ontslapen. Thans een enkel woord over het ontslapen. Dit woord komt in de St. V. telkens voor. Ontslapen betekent in het Nederlands eigenlijk: beginnen te slapen zoals ontbranden is: beginnen te branden. In de Engelse bijbels staat: slapen. In Deut. 31:16 zet de St. V. ook slapen: « Zie gij zult slapen met uw vaderen. » Verder zet ze ontslapen.
David ontsliep met zijn vaderen, 1 Kon. 2:10. Zo ook Salomo, 1 Kon. 11:1i3 en Hiskia, 2 Kon. 20:21. En zo telkens weer, zie 2 Sam. 7:12; 1 Kon. 1:21; 2:10; 11:21, 43; 14:20, 31. Hetzelfde woord wordt gebruikt van de natuurlijke slaap, zie Joz. 2:1, 8; Job. 11:18; Spr. 23:34. Het is ook vertaald door: zich leggen, liggen, te slapen leggen, zich te slapen leggen.
In het N. T. vinden we hetzelfde. Het woord « koimaomai » is vertaald door « slapen » en « ontslapen ». Luk. 22:45 zegt dat de discipelen sliepen, volgens Mt. 28:13 moesten de wachters zeggen, dat zij geslapen hadden, in Hand. 12:6 sliep Petrus in de kerker. Betekent dit nu een welbewust de dingen meemaken? Immers juist het tegendeel. De discipelen wisten van niets, de wachters moesten van niets weten, Petrus wist van niets. Slapen is het tegenovergestelde van waken.
We komen nu tot de teksten waarin hetzelfde woord door ontslapen is vertaald. Er waren heiligen ontslapen, Mt. 27:52; Stefanus ontsliep, Hand. 7:60; David is ontslapen, Hand. 13:36; er waren broederen ontslapen, 1 Cor. 15:6, 18; niet allen zullen ontslapen, vs. 51. Zie verder 1 Thess. 4:13-15; 2 Petr. 3:4. Zullen we nu het onderwijs, dat de Heilige Geest in de letterlijke betekenis over dit onderwerp geeft, veronachtzamen en beweren, dat, hoewel men in de natuurlijke slaap onbewust is, men dat in de doodsslaap niet is? Dat ware ingaan tegen alle logica en Schriftgebruik. God heeft opzettelijk het woord gebruikt om ons te leren, dat beide iets gemeen hebben: het onbewuste.
De doden slapen — weten nietmetal. Om tot het leven terug te keren, moeten zij gewekt worden. Dit geschiedt in de opstanding. Men staat op uit de slaap. Zo staat men op uit de dood. In de tussentijd tussen het sterven en de opstanding rust men (als regel) in het graf, onwetend van alles. Eerst door de opstanding kan men weer verkeren in het land der levenden.
De Geest Keert Weder. Men zal ons Pred. 12:7 tegenwerpen. Daar lezen we: « ... en dat het stof wederom tot de aarde keert als het geweest is en de geest weder tot God, Die hem gegeven heeft ». We geloven dit ook. Alleen, die geest is niet de ikheid, niet de persoon zelf. Hier komt het belang uit van de onderscheiding tussen lichaam, ziel, geest en ikheid. De geest is de algemene inwerkende kracht die lichaam en ziel vormt door in te werken op de oorspronkelijke kern, die daardoor tevens gedragen wordt. De verborgen mens zit dieper. De mens gaat naar zijn eeuwig huis, Hebr.: het huis zijner eeuw. En dit huis zijner eeuw is het graf. Zelfs voor de kanttekening der St. V. Pred. 12:5.
Men lette er op dat, evenmin als het stof dat tot de aarde keert, de persoon zelf is, de geest die tot God wederkeert de persoon is. Dan zou God elke seconde iemand moeten oordelen. Dit leert men wel, maar de Schrift zegt dat de Vader al het oordeel aan de Zoon gegeven heeft, Joh. 5:22 en dat de Zoon eerst gaat oordelen bij de aanvaarding van het Koninkrijk, Op. 11:18. De geest is niet de persoon zelf. Hij is slechts zolang « persoonlijk » d. i. behoort zolang de persoon toe, als als deze leeft.
God heeft de geest gegeven. Wie daaruit opmaakt dat God telkens een aparte ziel doet inkomen, moet komen tot de leer van Plato, het voorbestaan der zielen. Dan is het lichaam de kerker der ziel. En dat is niet het geval. God neemt de geest terug op dezelfde wijze als Hij hem gaf. Hij gaf hem, onpersoonlijk, Hij neemt hem onpersoonlijk terug.
Dat blijkt o. a. uit Op. 11:11. In de twee getuigen komt eenmaal de geest terug. Er staat niet dat hùn geest terug komt, hun ziel, maar dat de geest des levens terugkomt. Dat is de algemene, activerende kracht, werking of factor die doet leven. Die komt van God en keert bij de dood tot God. Maar dat is niet de persoonlijkheidskern, de eigenlijke persoon. Die vaart niet op. David heeft ook de geest gegeven, maar is niet opgevaren, Hand. 2:34. Zijn graf was nog daar, zegt Petrus. Hij was nog niet tot God gegaan. Dat doet de geest wel. Maar — als algemene levenskracht die zich aan de persoon onttrekt. Ps. 146:4 zegt daarvan: « Zijn geest gaat uit en hij keert weder tot zijn aarde ». Men ziet dat dit zeer duidelijk is.
De Ziel Sterft. Het lichaam keert tot de aarde weer, de geest tot God. Wat nu met de ziel, kan men vragen. De ziel is voor ons produkt van geest en stof. De ziel is èn de hoedanigheid van het lichaam èn de werkingen daarvan èn de sfeer der gevoelens. Deze houden alle op. De ziel sterft daarmee. Ez. 18:4 zegt: De ziel die zondigt zal sterven. Simson bad zijner ziel te mogen sterven, Richt. 16:30. Men zal zeggen: daarmee wordt de hele persoon bedoeld. We gaan hiermee akkoord. Maar dan is wat wij de ziel noemen, daarin begrepen. Alle gevoelens, werkingen en strevingen houden op. De ziel wordt van haar sfeer afgesneden en is daarmee dood. Christus stortte Zijn ziel uit in de dood, Jes. 53. De Schrift leert dus de sterfelijkheid der ziel. Men zal wijzen op Mt. 10:28 en zeggen, dat de mens wel het lichaam, kan doden, maar niet de ziel. We antwoorden hier op, dat daarmee niet bewezen is dat de ziel niet gedood kan worden. God kan ziel en lichaam verderven. De ziel is dus niet onverderfelijk. Alleen — de mèns kan haar niet verderven. Bovendien kan ziel hier een bijzondere betekenis hebben n. l. de eigenlijke kern. Die kan God alleen wegnemen. Niet de mens.
Velen denken, dat wij voorstanders zijn van de zieleslaap. We menen, dat zij onjuist zien. Niet de zielen slapen, maar de doden. Dat maakt verschil. Soms kan een arm of been van ons « slapen », gevoelloos zijn door tijdelijke onderbreking van de bloedstroom. Maar daarmee slapen wij zelf niet. Als men met zieleslaap meent, dat de afgescheiden ziel in een onbewuste toestand verkeert, zijn wij even grote tegenstanders daarvan als onze tegenstanders zelf. Niet de « ziel » slaapt, de doden slapen. En dit reikt verder. Hiermee bedoelen we, dat een zeer waarschijnlijk onzichtbare maar daarmee niet onvormelijke, dus lichamelijke kiem of gefixeerde ikheid overblijft, geheel afgesneden van elke levenssfeer, onbewust. Het zichtbare lichaam vergaat, de ziel sterft, de geest ging tot God, de ikheid ligt in het stof des doods, Dan. 12:2. De dood is fixatie, kristallisatie der ikheid, neerliggen van de verborgen mens des harten in het stof. De ziel slaapt dus niet, maar de hele persoon, waarschijnlijk microscopisch onzichtbaar, ligt in de aarde. of waar dan ook. Christus' woorden zijn hierin afdoende: Allen die in de graven zijn. En: Lazarus slaapt
De Mens Ligt Neder. De mens keert weder tot de aarde, gaat naar het huis zijner eeuw. De ikheid zinkt hierbij in het stof. Deze ikheid is als we haar zo mogen noemen, de gekristalliseerde, in het stof vastgelegde persoon zoals men een stuk vastlegt op een gramofoonplaat.
« Maar een man sterft als hij verzwakt is en de mens geeft den geest; waar is hij dan. De wateren verlopen uit een meer en een rivier droogt uit en verdort. Alzo ligt de mens neder en staat niet op... » Job 14:10-12.
Dit is een duidelijke aanwijzing. Zoals een rivier zich een bedding baant, zo baant zich de mens een weg. Zijn weg is zijn levens historie. Wordt de water toevoer afgesneden, dan blijft weldra alleen de droge bedding over. Zo blijft van de mens na de dood de ingesneden maar droge levenswindingen over, er bruist geen geest meer in hem, hij zinkt terug in het stof. zijn levensgang is evenwel niet ongedaan gemaakt, de « bedding » blijft.
Job 14 zegt nog meer. « Alzo ligt de mens neder en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken noch uit hun slaap opgewekt worden. »
In de dood ligt de mens neder. Dat kan niet anders dan in de aarde. Daar blijft hij (in het algemeen genomen) liggen tot deze aioon uit is, tot er nieuwe hemelen en een nieuwe aarde komt. Eerst dan gaat zijn graf open en komt de opstanding der doden.
Op. 11.18 is hierin zeer duidelijk. De doden worden niet geoordeeld voor Christus wederkomt en het koninkrijk aanvaard heeft. Tot zolang zijn zij dus ongeoordeeld. Job zegt, dat zij nederliggen en niet opstaan. Hieruit volgt de rusttoestand. En wel in het graf. Het O. T. geeft ons hierin voldoende onderricht. En dat wordt door het N. T. niet krachteloos gemaakt. Dat leert de opstanding der doden. We zullen nader de moeilijke plaatsen onder het oog zien. Maar nu reeds kan opgemerkt worden, dat de brede grondlijn niet door schijnbare kruisende lijnen wordt weggenomen. De grondlijn is: de mens ligt neder en staat niet op. Die lijn moeten we vasthouden en van die lijn uit het andere eens bezien. Er zal blijken meer harmonie te bestaan met het andere dan men wel denkt.
O. T. Visie? Voor we dit hoofdstuk besluiten, moet nog een vraag onder het oog gezien worden, n. l. deze: Is de heele wijze van voorstelling en uitdrukking in het O. T. niet ontleend aan een toen heersende visie, die nog niet waarheid behoeft te zijn en zich slechts aansloot bij de beperkte kennis. M. a. w., leert de Schrift in het N. T. niet wat anders en geeft b. v. Luk. 16 daar geen bewijs voor? Voor velen staat zo de zaak. Zij zeggen: de O. T. gelovigen wisten niet beter. Zij zeiden, dat de mens nederlag, ten grave daalde, sliep, enz. Men bezag de dingen van uit het uiterlijke standpunt.
Wij geloven hierin tweeërlei. 1°, dat het O. T. in dezen evenzeer de waarheid openbaart als het N. T. 2°, dat het N. T. niet anders leert. Heel de Schrift leert, dat de doden naar de Sheool of Hades gaan, heel de Schrift zegt, dat ze slapen. Als men zegt, dat de O. T. gelovigen niet beter wisten en God dit zo maar liet, moet men hetzelfde van Christus zeggen. Hij leert immers, dat ze in de graven zijn en dat Lazarus sliep, Joh. 5 en 11. Verder leert het N. T. in het laatste boek dat de doden in de Hades, de zee of de dood zijn, en Paulus, dat de doden slapen.
Het een of het ander nu is waar. Of ze slapen en zijn dan onbewust, of ze zijn bewust en slapen niet. Nu leert de Schrift zeer overwegend, dat ze slapen. Men zie wat we hiervan opsomden. Paulus leert hetzelfde, 1 Thess. 4, 1 Cor. 15. En Christus Die toch zeker het eindwoord heeft, zegt, dat ze in de graven zijn. Hieruit volgt, dat men de andere plaatsen anders verklaren moet. Het mindere zal zeker voor het meerdere moeten wijken. Er kunnen geen twee elkaar tegensprekende verklaringen naast elkaar bestaan. Het N. T. leert, het ontslapen zijn der doden en hun opstanding uit de Hades, de zee en de dood, Op. 20. Hiermee bevestigt het de O. T. openbaring. Dit geeft geen blote menselijke visie maar een duidelijke openbaring van de toestand na de dood door God Zelf. Het O. T. is niet weifelend, maar poneert met stelligheid in dezen. En Christus bevestigt dit. Zo ook Paulus en Johannes. Paulus heeft hoop op de opstanding, Hand. 24:15. Hij noemt alle leer die zegt dat de opstanding alreeds geschied is, dus dat men die geestelijk moet verstaan, een afwijken van de waarheid, 2 Tim. 1:18. Hij leert, dat de doden niet direct geoordeeld worden, 2 Tim. 4:1, dat zij slapen, 1 Thess. 4:14. Hiermee bewijst hij, dat het O. T. geen toenmalig inzicht maar de waarheid zelf geeft. Hiermee vervallen alle leerstellingen over het bewust voortleven van de « onsterfelijke ziel ». Wie leert, dat de opstanding reeds heeft plaats gehad, wat dan niet anders kan betekenen dan dat men er iets geestelijks ,van maakt en zodoende op het terrein der onsterfelijke bewust voortlevende ziel belandt, is, volgens Paulus, van de waarheid afgeweken.
IV. De woorden Graf en Hel in het O. en N. T. (Top)
Verschillende Woorden. Met de vertaling der woorden « graf » en « hel » is het in onze Bijbel niet in orde. In de grondtekst komen verschillende woorden voor, deze komen in de vertaling niet tot hun recht. Het Hebr. heeft voor het woord dat in onze Bijbel door graf of hel vertaald is, drie woorden: gèver, qevoerah en sheool; het Grieks heeft hiervoor vijf woorden : taphos, mnèmeion, mnèma, hadès en tartarus. Men ziet dat een en ander onderzoek vraagt en men niet op de vertaling moet afgaan.
Qevoerah is een afleiding van gèver een andere vorm voor dezelfde zaak. Een gèver is een grafstede, de plaats waar een dode ligt of kan liggen, de ruimte die hij inneemt. In het Gr. wordt dit uitgedrukt door taphos. Een mnèmeion is oorspronkelijk een in- of opschrift op een graf, later ook een graf of grafstede. Een mnèma is een herdenking, een verhaal van een persoon of zaak die hem of haar in herinnering brengt, bijzonder een overledene, later een monument ter ere van een dode. De 5 genoemde woorden zijn in één begrip te verenigen: de concrete grafstede, de persoonlijke of gemeenschappelijke grafspelonk of -kelder.
Teksten met gèver: Gen. 23:4; 49:30; 50:13; Ex. 14:11; Num. 11:34, 35; 33:16, 17; 19:16, 18. En andere.
Teksten met gevoerah: Gen. 35:20; 47:30; Deut. 34:6. En andere.
Teksten met taphos: Mt. 23:27, 29; 27:61; 28:1; Rom. 3:13.
Teksten met mnèmeion: Mt. 8:28; 23:29; 27:60; 28:8. Verder o. a. Joh. 5:28; 11:17, 31, 38.
Teksten met mnèma: Mk. 5:3; Luk. 8:27; 23:53; 24:1 e. a.
Men ziet dat de woorden zonder veel onderscheid door elkaar gebruikt worden. Ze hebben evenwel een concrete betekenis.
Sheool. Het woord sheool komt 65 maal in het O. T. voor.
Het is 32 maal door graf vertaald, 33 maal door hel. Men ziet dat een onderzoek hier zeer gewenst is. Immers, het graf kan de « hel » niet zijn, hel nu opgevat in de traditionele betekenis,
Het eerst komt sheool voor in Gen. 37:35. Jakob zegt: « ... ik zal rouw bedrijvende tot mijn zoon in het graf (sheool) nederdalen. » Dan in Gen. 42:38: « zo zoudt gij mijn grauwe haren met droefenis ten grave (ten sheool) doen nederdalen. » Zo ook 44:29, 31.
Uit deze teksten is reeds veel aangaande de betekenis van « sheool » af te leiden. Jakob zegt, dat hij met zijn grauwe haren in de sheool neerdaalt. Hij komt daarin met zijn hele persoon. Men zou kunnen zeggen: dat is zoals men het uitwendig ziet gebeuren, is een spreekwijze. Voor we daar verder op ingaan en de tweede tekst bespreken, willen we eerst de andere teksten geven om daarna een konklusie te trekken.
In Num,. 16:30 en 33 is « sheool » vertaald door « hel ». Korach, Dathan en Abiram voeren levend ter « helle », Hebr.: « naar de sheool ». Hoe geschiedde dit? Daarop geeft vs. 33 het antwoord: « de aarde overdekte hen ». Anderen komen eerst in de sheool als zij gestorven zijn. Korach en de zijnen kwamen er levend in, d. i. zij werden levend begraven. Dat hier niet de Middeleeuwse Hel bedoeld wordt, bewijst het verband. Er staat: « zij en alles wat het hunne was ». ging er heen. Ook hun have dus. Alles zonk in de aarde weg.
Deut. 32:22 « Een vuur zal branden tot in de onderste hel », Hebr.: sheool.
Uit bovenstaande teksten blijkt reeds, dat het Hebr. woord sheool » wat anders betekent dan de vuurpoel die men meent dat nu reeds bestaat voor de goddelozen. Het is wat anders. Dat volgt mede uit 1 Sam. 2:6.
« De Heere doodt en maakt levend, Hij doet ter helle (in de sheool) nederdalen en Hij doet weder opkomen. »
We vinden hier een parallelisme: het doden is in de sheool doen nederdalen( het levend maken het daaruit weer doen opkomen.
In 2 Sam. 22:5 en 6 en Ps. 18:6 vinden we de parallel: banden des doods en banden der hel (sheool). De sheool is de plaats der binding in de dood. In doodsgevaar verkerend, gevoelde David reeds die banden bij voorbaat.
1 Kon. 2:6 en 9 loopt parallel met Gen. 37 en 42.
Sheool in Job en de Psalmen. In Job komt het woord « sheool » 8 maal voor. Het is 2 maal door hel vertaald, 6 maal door graf.
Job 7:9 zegt: « Een wolk vergaat en vaart henen, alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen. »
In Job 11:8 staat de sheool in tegenstelling tot de hoogte der hemelen. De St. V. zet hier: dieper dan de hel. Men leze: dieper dan het onderaardse of de onderwereld.
Job vraagt in hfdst. 14:13 aan God hem in het graf te versteken (sheool). Hij zegt in hfdst. 17:13 dat het graf (de sheool) zijn huis zal zijn. In 17:16 spreekt hij van de handbomen des grafs, sheool. Dit is de baar. Volgens Job 21:13 dalen de goddelozen in het graf (de sheool). Het graf (de sheool) neemt hen die gezondigd hebben, weg, 24:19. In 26:6 zet de St. V. weer « hel »: De hel is naakt voor Hem. Waarom ook hier niet: het graf? Dit is voor God open. Zie Ps. 139:8.
In de Psalmen vinden we het woord 16 maal.
Ps. 6:6 « Want in de dood is Uwer geen gedachtenis, wie zal U loven in het graf (sheool) ». Men ziet, dat de doden, ook de vromen, God niet loven in de sheool.
Ps. 9:18 « De goddelozen zullen terugkeren naar de hel (sheool) toe. » Als het hier iets anders betekent dan graf in Job 21:13, is deze tekst in strijd met de andere. Men ziet de inconsequentie in de vertaling.
Ps. 16:10 « Want Gij zult Mijn ziel in de hel (sheool) niet verlaten, Uw Heilige zal geen verderving zien ». Dit woord slaat profetisch op Christus zoals Hand. 2:31 duidelijk zegt. Maar Christus is niet in de Hel geweest. Hij was in de sheool. Dat is in het graf, bij de rijke, Jes. 53. Hij is dood geweest. Op. 1:18.
Ps. 18:6. Zie 2 Sam. 22:6.
Ps. 30:4. God voerde, Davids ziel d. i. persoon, op uit het graf (sheool). Sheool staat hier voor de doodsmacht, het doodsgevaar.
Ps. 31:18. Zie Job 21:13 en onze aantekening bij Ps. 9:18. Ps. 49:15, 16.
Ps. 86:13. Dit loopt parallel met Ps. 30:4.
Ps. 89:49. « Wat man leeft er die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs (sheool) ». De ziel » d. i. de hele persoon, komt in de sheool.
Ps. 116:3. Ongeveer als Ps. 30.
Ps. 139:8. « Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar, of bedde ik mij in de hel (sheool) Gij zijt daar. » Men ziet, dat God ook in de « hel » is. Als dit de middeleeuwse Hel is waarin men de Satan de pijniger laat zijn, is het wel vreemd, dat God daar ook is. David kon zich bedden in de « hel ». Een vreemde plaats voor de man naar Gods hart als dit de « Hel » is.
Ps. 141:7 zegt: « Onze beenderen zijn verstrooid aan de mond des grafs, » Hebr.: sheool.
Sheool in het Verdere O. T. In Spreuken komt het woord sheool 9 maal voor. Hier is het 6 maal vertaald door « hel », 3 maal door « graf ». De teksten zijn Spr. 1:12 (graf); 5:5 (hel); 7:27 (graf); 9:18 (hel); 15:11 (hel); 15:24 (hel); 23:14 (hel); 27:20 (hel); 30:16 (graf). Overal staat sheool en is graf of grafdom te lezen.
In Prediker vinden we het in hfdst 9:10 welk vers we reeds citeerden. In de sheool is geen werk noch verzinning enz.
In Hooglied 8:6 staat, dat de liefde sterk is als de dood, de ijver hard als het graf (sheool). Dood en sheool lopen parallel. Niet: Dood en Hel zoals men zo vaak wil.
In Jesaja staat het woord 6 maal. Zie Jes. 5:14 (graf); 14:9 (hel); 14:11 (hel); 28:15 en 18 (hel); 38:10 en 18 (graf). In Jes. 1h zien we Satan inkomen in de sheool, na zijn binding vanzelf, en symbolisch begroet door de bokken der aarde. Een en ander is inkleding voor de hoorders ervan, de Heidenen. Zelfs uit die inkleding blijkt, dat de bokken nederliggen en eerst opgewekt moeten worden. Bewijs dat ze slapen. Ze worden voorgesteld als te zitten op tronen. Niemand neemt aan, dat er in de Middeleeuwse Hel zulke tronen zijn. Ook niet in de Sheool. Een en ander is dus slechts dichterlijke inkleding.
In Ezechiël vinden we het woord in hfdst. 31:15, 16, 17 en 32:21 en 27. Hier wordt gesproken van Farao de koning van Egypte, type van Satan. We zien dat in de sheool de bomen van Eden en Libanon zijn. Ze liggen in het onderste der aarde, vs. 16. Daar is dus de sheool. In die sheool liggen de verslagenen met hun zwaard onder het hoofd, 32:27. Ook hier weer een symbolische toespraak. Zie Jesaja.
In Hosea vinden we het woord in hfdst. 13:14: « Ik zal ze van het geweld der hel (sheool) verlossen, Ik zal ze vrijmaken van de dood. O dood, waar zijn uw pestilentiën, hel (sheool) waar is uw verderf. » Het gaat hier over lsraëls herstel. De verlossing van de sheool is de opstanding.
Verder is er Amos 9:2; Jon. 2:2 en Hab. 2:5. Jona is in de buik des grafs. Dat was een vis. Die is zijn graf, zijn sheool, zijn omknelling des doods.
Betekenis. Wie al de teksten nagaat, ziet, dat de sheool een dubbele betekenis heeft: hij wordt plaatselijk en toestandelijk gedacht. Reeds de eerste twee teksten in Gen. bewijzen dat Jakob zegt in de sheool te zullen nederdalen met zijn grauwe haren. Hier denkt hij de sheool dus als het plaatselijke graf. Later zegt hij, dat hij tot zijn zoon Jozef in de sheool zal nederdalen. Nu was naar zijn gedachte, Jozef niet begraven maar door een dier verscheurd, dus niet in een graf gelegd. Toch zegt bij, dat hij tot hem zal nederdalen. Hier betekent « sheool » dus een toestand: ik zal in dezelfde toestand des doods komen. In Num. 16 is de sheool weer plaatselijk, zo ook in Deut. 32 en 1 Sam. 2:6. In 2 Sam. 22 en Ps. 18 is hij toestandelijk: strikken des doods en banden des sheools lopen parallel. In Job. is hij plaatselijk. Zo mede in andere teksten. In Spreuken is hij dan concreet, dan meer figuurlijk n. l. als macht des doods. De doden gaan naar de sheool. Dit is het ene grote alle graven omvattende graf. Tevens een macht en toestand, de macht en toestand des doods.
Hades. In het N. T. vinden we voor « sheool » het woord « hadès ». Het komt in de betere handschriften 10 maal voor. In andere uitgaven 11 maal. Uitgevallen is n. l. 1 Cor. 15:55 « Hel (hadès) waar is uw overwinning ». Hier staat niet hadès, maar: Dood. Dus tweemaal in dit vers. Hiermee vervalt het woord geheel uit de Paulinische brieven en staat het alleen in andere N. T, boeken n. l. Mt. 11:23; 16:18; Luk. 10:15; 16:23; Hand. 2:27, 31; Op. 1:18; 6:8; 20:13.
Kapernaum zou tot de hadès toe vernederd worden, Mt. 11:23. Dit is letterlijk geschied: het oude Kapernaum is geheel onder de aarde verdwenen.
De poorten der hel (hadès) zouden de gemeente van Mt. 16:18 niet overweldigen, d. i. in macht overtreffen.
In Luk. 16:23 komt de rijke man in de hadès. Hieruit meent men tot (het bewuste voortleven na de dood te moeten concluderen. Omdat Christus dit woord gesproken heeft en men meent, dat Hij hier van het hiernamaals een tip oplicht. We komen hierop terug. Hier merken we op, dat dit deel nooit geheel letterlijk kan genomen worden. Men moet toegeven, dat althans een deel inkleding is. Hiermee kamt men zwak te staan, want als een deel inkleding is, kan het geheel dit ook zijn.
Volgens Hand. 2:27 en 31 is de Heere na Zijn dood in de hadès. geweest. Dus, evenals de rijke man. En niet in het paradijs zoals men de helft waarin Lazarus was, geliefd te noemen. In de hadès zag Hij geen verderving. Zijn ziel wordt niet verlaten in de hadès, Zijn vlees zag geen verderving. O. i. hebben we hier een parallelisme. Ziel en vlees wijzen op Zijn lichaam, het eerste meer op het lichaam in zijn werkingen, het andere meer op zijn substantie. In de hadès hielden de werkingen op, maar ze werden in hun potentie niet verbroken en het vlees onderging geen verderving.
1 Cor. 15:55 valt uit naar we zeiden. Er staat :« Dood waar is uw prikkel, dood waar is uw overwinning? »
In De Openbaring vinden we « hadès » driemaal, 1:18; 6:8; 20:13. In Op. 1 zegt de Heere, dat Hij dood is geweest maar nu leeft en dat Hij de sleutels heeft van hel (hadès) en dood: Hadès en dood worden hier onderscheiden. Zo ook in Op. 20:13 waar verder ook nog de zee genoemd wordt. De doden komen uit zee, dood en hadès. Op. 6 spreekt over de zegelen. Het vale paard draagt de Dood en de Hadès volgt hem. Het vale paard is symbool van de hongersnoden die komen zullen en waarbij velen zullen sterven en in de hadès komen. De dood in Op. 20 is voor ons de verblijfplaats van hen die niet begraven of verdronken zijn, dus b. v. der verbranden, vermorzelden, onbegravenen. Ook hiervan heeft Christus de sleutels.
Betekenis. Wie deze teksten nagaat, ziet dat het N. T. hier in dezelfde lijn ligt als het O. T. Hadès heeft zowel een plaatselijke als een toestandelijke betekenis. Plaatselijk b. v. in Mt. 11 en Op. 20, toestandelijk b. v. in Mt. 16 en Op. 6. Het sterven doet in de Hadès komen en tevens in de toestand van de Hadès.
Hadès is in het Grieks Aidès. We kunnen dit opvatten als een vorming van a = niet en ides, een vorm van idein = zien. De Aidès is het niet geziene, het niet waargenomene. De doden verliezen hun ziellijke lichaam, dit keert tot stof weder en hun persoon komt in een zodanige toestand dat hij onwaarneembaar is. Hij behoudt zekere lichamelijkheid maar niet het stoffelijke lichaam. Alleen Christus maakte hierop een uitzondering: Zijn vlees zag geen verderving al was Hij ook in de Hades, de doods toestand. In zoverre er een soort vorm overblijft (niet te nemen als menselijk lichaam), zijn de Sheool en Hadès plaatselijk. Daarom zegt Op. 20, dat de doden uit de zee komen, alhoewel hun ziellijke lichaam al lang vergaan is. Deze « vorm » kan men niet nader omschrijven: Wel is zeker, dat hij geen oog en oor en tong en hoofd en schoot heeft, want Pred. zegt, dat het lichaam tot de aarde wederkeert. De beginselen er voor blijven echter. Zoals er in een mensenkiem niet het hoofd, met zijn delen en het lichaam met zijn delen zo zijn er in de Hadèstoestand geen doden met lichaamsdelen. Nochtans is de mens er in wezen, doch in een andere bestaanswijze. Er blijft een soort « kiem », of « kern », hoe dan ook over die het, gehele wezen van de mens omvat.
Voor wie inziet, dat de mens meer dan één bestaanswijze kan hebben, is de bestaanswijze van de dood beter in te denken. De mens kan een ziellijke en een geestelijke bestaanswijze hebben en ook die in de dood. De ziellijke heeft hij nu, in het lichaam der opstanding krijgt de gelovige een geestelijke bestaanswijze en bij het sterven komt hij in de doods toestand. De laatste is voor ons de meest onbekende alhoewel we dagelijks de mens zien sterven. Dan gaat hij op zodanige wijze bestaan als hij het hier niet deed en later in de opstanding ook niet doen zal.
Gehenna. Het tweede woord door « hel » vertaald is Gehenna. Gehenna is de Griekse vorm voor het Hebr.: Gé Hinnom, dal van Hinnom. Dit lag bij Jeruzalem, Joz. 15:8; 18:16; Neh. 11:30. Vroeger was er een tofeth, een lan- douw met het beeld van de gschuwelijke afgod Moloch waaraan kinderen geofferd werden. Deze afgod heette ook Baal, Jer. 32:35. Zelfs koning Achaz deed hieraan mee, 2 Kron. 33:6. Jeremia noemde het dal Moord-dal, Jer. 7:31. De Heere zou aan die gruwelen een einde maken. Het vuur van Moloch zou uitgeblust worden en bij Israëls wegvoering zou het vol dode lichamen zijn, Jer. 19:2, 6. Later diende het dal, verontreinigd als het was door de begraafplaatsen der gedoden, tot afvalshoop van Jeruzalem en werd er geregeld een vuur onderhouden, aangewakkerd door zwavel, om vuilnis en aas te verbranden. Zo werd het dal van Hinnom, het Gé Hinnom, de Gehenna van het N. T., de plaats waar een vuur gestookt werd tot vuilverbranding. In de rest kropen de wormen rond.
Het woord Gehenna komt 12 maal voor, n. l. in Mt. 5:22, 29, 30; 10:28; 18:9; 23:15, 33; Mk. 9:43, 45, 47; Luk. 12:5; Jak. 3:6.
In Mt. 5 spreekt de Heere over drie gerichten: het gericht,
de grote raad en de gehenna. In de Gehenna wordt men geworpen nadat men gedood is, Luk. 12:4, 5. We nemen het vuur der gehenna voor een letterlijk vuur en het verbranden voor een letterlijk verbranden. Veelal neemt men het aan als een wroeging. Dit is de dingen omkeren. Niet de « Hel » komt in iemand, maar men kan in de « Hel », de Gehenna, geworpen worden. Met het gehele lichaam, Mt. 5:29, 30. Dus niet eens vlak na de dood aangenomen, dat de leer de onsterfelijkheid der ziel waar ware. Ziel en lichaam kunnen daar verdorven worden, Mt. 10:28. Bewijs dat het lichaam er ook inkomt en niet alleen de ziel. Zie ook Mt. 18:9. Mt. 23:15 en 33 spreken ook over het toekomstig gericht van de gehenna (helse verdoemenis staat er niet in het Gr., er staat: het oordeel van de gehenna). Ook Mk. 9:45-47 wijzen er op dat men in de gehenna niet komt dan met handen, voeten en ogen. De gehenna is het letterlijke vuur waarin de moedwillige zondaars geworpen worden na gedood te zijn en waarbij de worm. het er buitenvallende verteert, zie Jes. 66:24. Een eigenaardige tekst is Jak. 3:6 « ... de tong ...wordt ontstoken van de hel (gehenna) ». Het rad der geboorte is de loop des levens. De betekenis is: neem acht op uw tong want de gevolgen ervan kunnen tot de gehenna doen verwijzen.
Wie al de teksten nagaat zal zien, dat de Gehenna een toekomstig vuur is, waarin de snoodaards, na gedood te zijn, geworpen worden om verbrand te worden.
In 2 Petr. 2:4 komt het woord « Tartarus » voor, dat ook door « hel » ,vertaald is. Onder dogmatische invloed der Middeleeuwen. God heeft de engelen die gezondigd hebben, in de Tartarus geworpen, zegt Petrus en overgegeven om met ketenen der duisternis tot het oordeel bewaard te worden. Het is onmogelijk aan te, geven wat de Tartarus precies is en waar hij is. Het woord komt slechts een maal voor en elke verdere plaats aanduiding ontbreekt. De St. V. meenden dat Satan in de Hel was en ze sloten daarin de gevallen engelen, die ze ook duivelen noemden, op. Satan is evenwel met zijn engelen in de hemel, Op. 12:7. Hij is de overste van de macht der lucht, Ef. 2:2, is nog niet gebonden, Op. 20:1, 3. De Tartarus is daarom niet de Hel der Middeleeuwse dogmatici. Er moet echter ergens een plaats zijn waar de gevallen engelen bewaard worden. Dit behoeft nog geen plaats te zijn waar ze allen opeengehoopt gevangen zitten. Het « plaatselijke » kan in zoverre plaatselijk zijn als de engel plaatselijk is. De Tartarus kan zo genomen, ook een toestandelijkheid zijn. De slaap is een toestand die plaatselijk is waar iemand slaapt. Dit kan te midden van anderen die waken. Zo ook kan het met de Tartarus zijn. Wij beweren niet dat het zo móét zijn, het kàn zo zijn. De Tartarus is zeker niet de Hadès, die in de aarde wordt gezien en nog veel minder de gehenna, want die is er nog niet, terwijl de Tartarus er wel is. Mogelijk vanaf de zondvloed reeds. Eenmaal zal ons wel opgehelderd worden waar die Tartarus is.
Poel Des Vuurs. In Op. 19:20 en 20:10 wordt ons nog genoemd de Poel des vuurs. Daarin worden eerst het Beest en de Valse Profeet geworpen als Christus wederkomt en 1000 jaar later ook Satan. Wat die Poel juist is, is ook niet veel nader aan te geven. Mogelijk is het de Gehenna. Waar die is wordt niet nader aangegeven. We laten deze dingen verder rusten. Te hunner tijd zal blijken hoe alles toegaat. De feiten zelf moeten echter aanvaard worden. Het « hoe » zal de historie leren. Mogelijk is de Poel het vuur dat mede de duivel en zijn engelen bereid is, Mt. 25:41. Voor de Duivel evenwel niet dan nadat hij 1000 jaar in de afgrond is geweest, het graf, de sheool van Jes. 14. Eerst na zijn ontbinding komt hij er in, Op. 20:7, 10.
Aanvullingen. Het woord dat in Ps. 16:10 parallel loopt
met sheool, n. l. verderf, is op andere plaatsen door groeve of gracht vertaald, zie Job 9:31; 17:14. Men daalt neder in de groeve, Ps. 30:10, in de put des verderfs, Ps. 55:24. In Jes. 38:18 staat sheool in parallelisme met kuil, Hebr.: ber, « die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen ». Zo ook in Ps. 30:4.
Christus is in de afgrond geweest, Rom. 10:7. Deze afgrond is datgene wat onder de aarde ligt, Gen. 49:25 of een diepe plaats, Ex. 15:5. De afgrond staat in tegenstelling met wat hoog is. « Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen. Dat is Christus van boven afbrengen. Of: Wie zal in den afgrond nederdalen. Dat is Christus uit de doden opbrengen » Rom. 10:6, 7. Hieruit blijkt, dat het N. T. met de afgrond het onderaardse bedoelt, datgene wat Christus in Mt. 12:40 noemt het hart der aarde.
Men spreekt vaak van de afgrond als de Hel omdat in Op. 11:7 sprake is van het Beest dat uit de afgrond opkomt en men daaronder Satan verstaat. Dat is onjuist. Het Beest is Satan niet maar de mens der zonde. Hij zal een dodelijke wonde ontvangen en dood of als dood in de afgrond komen. Daaruit komt hij weer op — nabootsing van Christus' opstanding. De afgrond heeft niets met de Hel te maken. Satan is niet in de afgrond en komt er niet vóór hij gebonden wordt. Dat is als Christus wederkomt, Op. 19:11.
Men ziet dat men door te onderscheiden en de Schrift met een Konkordantie te onderzoeken, de Schriftlijnen kan onderkennen. Dan blijkt, dat de sheool of hadès wat anders is dan de tartarus, dat de afgrond niet de Hel der traditie is, dat Satan niet in de « Hel » is maar in de hemel, dat de doden niet als ontlichaamde zielen voortleven, maar met hun gehele wezen nederdalen in de Sheool of Hadès. Enz. We willen nu de bezwaren onder het oog zien en de moeilijkheden uit de weg ruimen die men heeft met sommige teksten of gedeelten. Bij dieper onderzoek zal blijken, dat ze óf niet bestaan óf althans geen onoverkomelijke hinderpalen vormen voor de gegeven lijn.
V. Bezwaren en Tegenwerpingen nagegaan (Top)
De Ziel Gaat Uit, De Ziel Komt Weer. De leer der Traditie is velen zo eigen, dat zij met veel bezwaren en tegenwerpingen komen aandragen om de leer der opstanding te ontzenuwen. We zullen de voornaamste onder het oog zien.
In Gen. 35:18 lezen we dat Rachels ziel uitging, in 1 Kon. 17:21 en 22 bidt Elia of de ziel van het kind mocht wederkomen. Men meent, dat deze teksten de gegeven lijn te niet doen. We merken op, dat ziel hier leven betekent en zo ook vertaald wordt. Dit is een der betekenissen die we er van vonden. Het geldt hier dus een kwestie van vertaling. Hierbij zij opgemerkt, dat, als men zo de nadruk legt op het vertaalde woord, men het overige van de vertaling ook niet negeren moet. In Gen. 35 staat dat zij (Rachel) stierf, vs. 19, dat zij begraven werd, we lezen van haar graf. In 1 Kon. 17, dat Elia hem (de zoon) nam en hem naar boven droeg en hem. neerlegde, dat Elia zegt, dat de Heere haar zoon gedood had, dat hij zich driemaal over het kind uitmat, dat het weder levend werd en dat hij het kind aan de moeder teruggaf, met de woorden: Uw zoon leeft. Daaruit blijkt dat de personen in kwestie zelf dood waren. Als eerst het lichaam zonder ziel kind genoemd wordt en het later nu met de teruggekomen ziel ook kind heet, is dit een eigenaardige wijze van uitdrukking. Men zou kunnen zeggen: dat is slechts een spreekwijze. Welnu, dan kan men even goed als spreekwijze aanmerken dat de ziel uitgaat. En als men nu daarbij ziel neemt voor leven, is de zaak opgelost. De ziel gaat uit, de ziel keert weer, is dan geen aanduiding van een scheiding van ziel en lichaam zoals de Westerse Theologie dat leert, maar betekent dat het leven wegvloot of terugkeerde. Bij Rachel vloot het leven weg, de geest keerde tot God terug en zij zelf werd begraven. Ziel is hier de volks uitdrukking voor geest, een spraakgebruik. Zo ook in 1 Kon. 17. Men moet hier door spraakgebruik en vertaling geen tegenstrijdigheden zien ontstaan. Ook niet in Job. 11:20 en Jer. 15:9 en Job. 27:8. Waar het woord in Gen. 19:17; Joz. 9:24; Richt. 18:25; 1 Kon. 2:23; 2 Kon. 7:7 en andere vertaald is door leven, kan het in de besproken teksten ook zeer wel door leven vertaald worden en vervalt daarmee de « persoonlijke ziel ». Dan heeft het meer de betekenis van geest.
1 Sam. 28. Ook uit 1 Sam. 28 leidt men het bewuste voortleven van de doden af. Samuël immers is aan Saul verschenen, bewijs dus dat hij als ziel leefde.
Men kent het verhaal. God antwoordde Saul niet op enige wijze, vs. 6. Samuël was gestorven en begraven te Rama. Nu gaat Saul naar een vrouw met een waarzeggende geest, een soort spiritiste. Dit was scherp verboden, zie Lev. 19:31, 20:6, 27; Deut. 18:9-12. Dit verbod bewijst de mogelijkheid van verkeer met geesten. Niet met doden, want die weten nietmetal. Maar wel met boze geesten.
Bij de waarzegster gekomen vraagt de vermomde Saul Samuël te laten opkomen, vs. 8. Dit schijnt te geschieden, de vrouw zegt althans, dat er een oud man opkomt, vs. 14. Saul ziet hem echter niet, hij verneemt het alleen en buigt zich dan ter aarde.
Hoe dit nu te verklaren? Dat doet men op drie wijzen. De eerste houdt de vrouw voor een handige waarzegster, die wraak wil nemen op Saul die ze reeds ondanks zijn vermomming herkend heeft, omdat hij de tovenaars heeft uitgeroeid. Haar kaste was gedood, vs. 3. Nu zal zij de uitroeier eens nemen. Na zich eerst door een eed gevrijwaard te hebben, vs. 10 doet ze zogenaamd iemand opkomen en deelt zelf door buikspreken aan Saul mede wat velen, en vooral zij, vermoedden, n. l. dat hij het moest verliezen. Zo bezien zouden haar handelingen een vorm van bedrieglijk spiritisme zijn. Dit is de moderne verklaring.
De tweede verklaring ziet in de opgekomene werkelijk Samuël, gelooft dus, dat de vrouw macht had de doden te doen verschijnen. We geloven dit niet. Samuël was begraven en God gaf zeker geen in de Wet verboden macht over Zijn profeet, al aannemende, dat zijn « onsterfelijke ziel » ronddwaalde. Of ook: Hij antwoordde niet door Samuël waar Hij Saul niet wilde antwoorden. Als Samuël werkelijk uit de doden opgestaan was, zou Saul hem wel gezien hebben. Nu is dit niet het geval geweest. Saul gelóóft dat het Samuël is en meent dat deze spreekt. Hij ziet hem evenwel niet. Ook is wat « Samuël » zegt, onjuist. Saul is de andere « morgen » niet bij « Samuël » geweest. De Filistijnen lagen toen nog ± 10 K. M. van Israël af. Die dag verplaatsten zij zich naar Afek, ± 5 K.M. van Sunem. Israël legert zich bij de fontein van Jizreël, 6 K. M. van Gilboa. De afstand tussen hen is nu 6 K. M. De Filistijnen houden daar een wapenschouwing, 29:2. David moet wegtrekken. Dat doet hij eerst de volgende dag, vs. 10. Die « morgen » werd dus geen slag geleverd, die dag stierf Saul niet. « Samuëls » woord is dus niet uitgekomen en de Heere heeft niet door hem gesproken. Het was een valse profeet.
1 Sam. 28 is een spiritistisch toneel. Wie daarin een bewijs zoekt voor een bewust voortleven na de dood, komt verkeerd uit. Vooreerst komt « Samuël » op, dus uit de aarde. Dat is toch niet de plaats der ontlichaamde zielen waarin men gelooft? Dan wordt hij gezien met een mantel om. Ontlichaamde zielen hebben geen kleren. Dan is hij een oud man, op het laatst van zijn leven. Is dat de hemelse zaligheid die men hem toedenkt? Verder is hij onrustig gemaakt. En dat in de storeloze zaligheid die men hem geeft! Verder zegt Samuël, dat Saul morgen bij hem zou zijn. Men denkt zich Samuël in de hemel. Hoe kon Saul daar ook heen gaan? Men ziet dat men zo vastloopt. En zegt men: Samuël was in het dodenrijk, dan was hij niet in de hemel en zijn we daarmee tevens een stap bij de waarheid gekomen. Maar in het graf, de sheool, is geen verzinning, noch wetenschap, is er geen deel in alles wat onder de zon geschiedt, Pred. 9:10. Dus ook niet voor Samuël. Hieruit bijkt dat het Samuël niet is geweest. Samuël was dood en lag in zijn huis te Rama. Saul geloofde Satans leugenleer over het bewuste voortleven. Hij vraagde de waarzegster. Daarom is hij dan ook mede gedood, 1 Kron. 10:13, 14.
Aldus de derde verklaring; deze staan wij voor.
Uit Mijn Vlees God Aanschouwen. Job. 19:26, 27 « En als zij na mijn huid, dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen. Denwelke ik voor mij aanschouwen zal en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot. »
Velen menen, dat dit wil zeggen, dat Job direct na zijn dood God zal aanschouwen. Er staat echter, dat dit eerst zal zijn nadat ook zijn vlees doorknaagd is, dus juist niet onmiddellijk na zijn dood, Verder zegt hij niet, dat hij uit zijn vlees zijnde God zal zien, maar vanuit zijn vlees, dus met een lichaam. Hij zal met zijn ogen God zien, dus moet hij die hebben. De vertaling uit mijn vlees van vs. 26 is niet beslissend. In vs. 22 is dezelfde term vertaald door: van mijn vlees, d. i. door middel van. Als men in vs. 26 nu leest: vanuit mijn vlees, is alles duidelijk. Job zal God aanschouwen in een nieuw lichaam. Vs. 25 zegt dan ook dat zijn Verlosser de laatste (lees: ten laatste) over (lees: op) het stof zal opstaan (lees: staan). Dan eerst ziet Job Hem. En dat is bij de opstanding ten laatste dage. Niet dus bij de dood. Job 19 bevestigt dus de gegeven lijn.
Wie Merkt. Pred. 3:21 « Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven en de adem der beesten nederwaarts in de aarde? »
Voor adem staat in het Hebr. « roeach » geest. Mens en dier hebben enerlei adem of geest. « ... zij hebben allen enerlei adem, » vs. 19. Een zelfde levensgeest doorstroomt beide, dat is de adem des levens. De inwerking is dezelfde. Het verschil zit echter in het wezen zelf. Vandaar dat de uitwerking verschillend is.
Salomo heeft het hier over het gelijke in het sterven. De mensen zijn als de beesten op zichzelve, vs. 18, dat is bloot uitwendig genomen naar hun wedervaren bij het sterven. Dan hebben allen een zelfde levensgeest die mens en beest bij het sterven verlaat.
Men wachte zich hier voor twee dingen. Ten eerste om geest en ziel te vereenzelvigen. Men zegt wel, dat de geest de ziel is en dat deze bij het sterven tot God gaat om geoordeeld te worden. Dan zouden dus ook de « zielen » der goddelozen tot God gaan om geoordeeld te worden. Maar Joh. 5:22 zegt, dat de Vader niemand oordeelt, maar Hij al het oordeel de Zoon gegeven heeft en Hand, 17:31 leert, dat er een dag voor gesteld is terwijl 2 Tim. 4:1 zegt, dat het oordeel over levenden en doden plaats heeft in 's Heeren verschijning en koninkrijk. Men zal dus moeten aannemen óf dat er een voorlopig oordeel is waarvan de Schrift niets leert óf dat God toen wel de doden oordeelde maar nu dit in de toekomst zal laten doen door de Zoon óf dat men hier iets invoegt dat er niet staat. We geloven dat men door dit laatste te doen hier de dingen vertroebelt. We kunnen zeer wel leren, dat de geest tot God wederkeert zonder te aanvaarden, dat God dié geest oordeelt. Geest is hier voor ons de algemene levensgeest. Evenmin als God een aparte ziel (die men geest noemt) schept en in een lichaam inplaatst, evenmin wordt hier gedoeld op de dat lichaam z. g. weer verlatende ziel om tot God weder te keren. De geest keert alleen weder. En ziel en geest zijn onderscheiden. Evenmin als God van te voren een persoonlijke geest schept, evenmin keert bij de dood de geest persoonlijk weder.
Wie ziel en geest onderscheidt, vindt geredelijk de oplossing. De geest hier is de algemene levenszee waarin mens en dier zich bewegen.
Het andere waarvoor men zich wachtte, is te beweren, dat Salomo het in zijn hart zeide en dat het anders is. We lezen meer dan eens, dat Salomo iets in zijn hart zei. Maar hieruit volgt niet, dat het daarom steeds onjuist is. In vs. 17 zei hij ook in zijn hart, dat God de rechtvaardige en de goddeloze zal oordelen. Is dit dan niet zo? In vs. 18 zei hij in zijn hart wat dan volgt. Is dat dan nu wel onjuist?
Hoe nu met Salomo's vraag: Wie merkt enz.? Salomo bestrijdt hiermee juist de identiteit van ziel en geest. De heidenen zijner dagen meenden ook dat de geest des mensen als schim naar boven voer en die der dieren naar beneden ging. De Engelse en Duitse vertaling beschouwen vs. 21 als een oratorische (redenaars) vraag. Dan zegt Salomo: Wie merkt dit nu, wie kan dat nu met zekerheid vaststellen? Ge beweert dat wel, maar waar is het bewijs? Die vraag doen wij mede aan de Dualisten, Spiritisten en Theosofen, die ziel en geest vereenzelvigen. De geest die als algemene in- en doorwonende levenskracht het schepsel doortintelt en drenkt, keert bij de dood in zijn stroming terug en wel op dezelfde wijze als God hem gegeven heeft. De ziel trekt zich naar binnen terug, het wezen keert weder in het stof.
Enige beelden mogen dit illustreren. Een orgel is ook zonder wind een orgel, een stoommachine zonder stoom een machine, een motor zonder stroom een motor. De lucht, de stoom, de elektriciteit vult bij toetreding de pijpen, de buizen, de draden. Elke pijp heeft dan zijn eigen luchtkolom, elke cylinder en draad zijn eigen stoom of stroom. Toch is het één luchtdamp of krachtstroom. Noem de innerlijke bouw van elk dezer instrumenten de ziel, dan is de drijfkracht de geest. Deze levenloze dingen blijven na het ophouden van de aandrijvende kracht zo staan, een dode ziel gaat tot ontbinding over. Haar beginsel blijft alleen bewaart, d. w. z. het vermogen om (in de opstanding) weer uit te wassen tot een mens. De kracht ervoor ontbreekt tijdens het rusten in de sheool.
De mens is een ziel en heeft een geest die hem doet leven. Hij kan de geest geven zonder zelf nog vernietigd te worden. De mens is uit de aarde, de geest is van God. De mens werd een levende ziel door de aanblazing en activering van de geest. Dit is ook zo bij het dier. De mens heeft echter nog een hogere sfeer in zich, het redelijk-zedelijke. Ook die wordt door de geest gedragen en daarin ligt het verschil tussen mens en dier. Niet in de algemene levensgeest als zodanig. Daarom vraagt Salomo: Wie ziet nu dat de ene geest opvaart, de andere nederdaalt? Ze hebben allen één geest. Hun wezen zelf zinkt in het stof. Wat sterven betreft is er geen uitnemendheid van de mens boven het dier; allen zijn uit het stof, allen gaan tot het stof.
Ziel niet te Doden. We komen nu tot de N. T. plaatsen.
Mt. 10:28 « En vreest niet voor degenen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden maar vreest veel meer Hem Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel (de gehenna). »
Hierbij moet gelezen worden Luk. 12:4, 5, waar we als aanvulling vinden, dat dit werpen in de gehenna plaats heeft, nadat Hij gedood heeft.
Ziel en lichaam kunnen verdorven worden in de gehenna. Het lichaam kan door de mens gedood worden. Het lichaam omvat hier ook de werkingen ervan. Ziel duidt dan de inwendige mens aan. Lichaam en ziel betekenen hier uitwendige en inwendige mens. Het wezen der mensen is niet door doding van het lichaam weg te nemen. Dat kan God alleen doen in de gehenna. Daarin kan het lichaam en ziel verdorven worden, geheel kwijtgemaakt. Men ziet dat deze tekst juist het tegenovergestelde bewijst van wat men er mee wil bewijzen.
In plaats van de onsterfelijkheid te leren, spreekt hij juist van de vernietigbaarheid. Van Godswege dan.
Mozes en Elia. Uit de verschijning van Mozes en Elia wil men mede een bewijs aanvoeren voor de voortleving na de dood. Nu is Elia nimmer gestorven, 2 Kon. 2:11. Hij valt er dus reeds buiten. Wat Mozes betreft, die is gestorven. Deut. 34:5, 6. Verschijnt hij nu als onsterfelijke ziel op de berg der verheerlijking? O. i. niet want Jud. 9 geeft hierin een aanwijzing. Michaël heeft met Satan over Mozes' lichaam gehandeld. Hierin zien we het voorspel van Mozes' opstanding. Michaël kwam Mozes' lichaam opvorderen om Mozes levend te maken. Dat dit zo is, bewijst Luk. 9:30: « En ziet twee mannen spraken met Hem ». Waar Elia een man was, geloven we ook, dat Mozes er een was. Een man heeft een lichaam, geen schijnlichaam. Zo geloven wij, dat Mozes hier niet verschijnt als onsterfelijke ziel maar als opgewekt man. Ook hiermee kan men dus geen bewijs aanvoeren dat de ziel als zelfstandig wezen buiten het lichaam, voortleeft. Juist het tegendeel blijkt.
Een God der Levenden. Gaarne vestigt men de aandacht op Luk. 20:38 « God nu is niet een God der doden maar der levenden, want zij leven Hem allen ». Men weet dat dit ontleend is aan het antwoord op het geval der Sadduceën: de vrouw met de zeven mannen. Ook hier leest men verkeerd. Het gaat hier niet over het voortleven na de dood, maar over de opstanding. Dit blijkt duidelijk uit Mt 22:28 waar er bij staat: « In de opstanding dan » en uit Mk. 12:23: « ... wanneer zij zullen opgestaan zijn ». Christus zegt in Mt. 22:31 « En wat aangaat de opstanding der doden » en in Mk. 12:26: « Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden... ». Juist door de opstanding is God geen God der doden. D. i. zij blijven niet dood. Dat God geen God der doden is, geldt alleen met het oog op de opstanding. Stonden Abraham:, Isaäk en Jakob niet op, dan waren ze voor God wel dood. Nu leven ze Hem allen. Niet ons, niet elkaar. Christus zegt dat ze dood zijn. Het gaat hier dus alleen over de toekomstige opstanding.
In Uw Handen Beveel Ik Mijn Geest. Deze uitroep komt voor in Ps. 31:6; Luk. 23:46 en Hand. 7:60. God zijn geest aanbevelen drukt de hoop der opstanding uit. Een ongelovige kan dat niet zeggen: die heeft geen hoop.
David heeft God zijn geest aanbevolen. Is dat zijn ziel? Betekent deze uiting: Heere, ik kom tot U. Wie dat meent, leze Hand. 2:34. David is niet opgevaren. Als de geest de eigenlijke David was en die is opgevaren, weerspreekt Ps. 31:6 Hand. 2:34. Dit nu kan niet. De geest is de eigenlijke persoon niet.
David is niet opgevaren. De geest God aanbevelen betekent wat anders; het is zijn geloof in de opstanding uitspreken. Christus heeft dezelfde hoop geuit. Van Stefanus staat, dat hij na God zijn geest aanbevolen te hebben, ontsliep d. i. begon te slapen. Zijn geest aanbevelen is de hoop op de opstanding uitspreken. God moge daar voor zorgen, is de bedoeling. Hij moge de geest doen wederkeren. Dan staat men weer op, Op. 11.
Leven al ware hij Gestorven. Joh. 11:25 « Jezus zeide tot haar: Ik ben, de opstanding en het leven. Die in Mij gelooft zal leven al ware hij ook gestorven. En die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. »
Ook deze tekst wordt aangevoerd tegen de sterfelijkheid. Ten onrechte. Christus bedoelt hier het opstandingsleven. Hij is de opstanding voor hen die gestorven zijn, Hij is het leven voor hen die leven als Hij komt en in Hem geloven. In het Verband is sprake van de opstanding ten laatste dage. Wie gestorven is in geloof in Hem, zal dan herleven, de anderen zullen niet sterven in der eeuwigheid, d. i. de volgende aioon. Christus zegt niet dat die gestorven is, leeft, maar dat hij zàl leven. In de opstanding waarover sprake is.
Leven in der Eeuwigheid. Joh. 6:51 « zo iemand van dit brood eet, die zal in eeuwigheid leven. »
Ook deze tekst verstaat men verkeerd. Christus zegt niet dat men niet zal sterven, maar dat men de (toekomende) aioon door zal leven, hetzij door opstanding voor de gestorvenen, hetzij door geloof in Hem voor de levenden (zie Joh. 11:25). Wie verstaat dat de aioon de toekomende eeuw is, begrijpt ook het woord. Het rust op Gen. 13:15. De aioon vangt eerst aan als Abram opgewekt is.
Het Eeuwige Leven. Joh. 3:36 « Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven. »
Ook deze tekst — en deze vooral — dient ter bestrijding van de leer der opstanding. Wie in de Zoon gelooft, hééft het eeuwige leven nu al, zegt men. Als we dus sterven, leven we bewust voort. Dit is een onjuiste konklusie. We moeten hier wel nagaan.
Het eeuwige leven heeft een geestelijke en een lichamelijke zijde. Of wil men: twee betekenissen. De geestelijke zijde is deze: « En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God en Jezus Christus Dien Gij gezonden hebt, » Joh. 17:3. De lichamelijke of concrete ligt b. v. in Joh. 3:16 en in 1 Joh. 5:11, 12 « En dit is de getuigenis, dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft en dit leven is in Zijn Zoon. Die den Zoon heeft, die heeft het (eeuwige) leven. » Men heeft het eeuwige leven omdat de Zoon opgestaan is. Niet concreet in zichzelf. Men ontvangt het eerst later naar het lichaam. De Schrift leert duidelijk: « In de toekomende eeuw het eeuwige leven, » Mk. 10:30, Luk. 18:30. Niet bij de dood dus.
Het « eeuwige leven » is het aionische leven, het leven lichamelijk door velen genoten in de toekomende eeuw. Deze vangt aan bij 's Heeren wederkomst als Hij zit op de troon Zijner heerlijkheid, Mt. 25:31. In zoverre als men God en Christus kent, heeft men het in de geest. Maar niet naar het lichaam.
Velen verwarren het « eeuwige » leven met het bewust voortleven. Zeer ten onrechte. Zie hier waarom. Zij zeggen, dat zij het eeuwige leven hebben. Goed. Zijn zij daar steeds bewust in? Immers neen. In de slaap hebben zij ook het eeuwige leven en weten er niets van. Het eeuwige leven dat zij hier hebben, wordt dus niet, steeds ervaren. Zo behoeft het ook in de dood niet bewust bezeten te worden .Men kan dan zeer wel « slapen », « ontslapen zijn », d. i. begonnen hebben te slapen en toch bezitter van het eeuwige (aionische) leven zijn. Waar het lichamelijke in de Zoon is, ontvangt men het eerst bij de opstanding.
Met Mij in het Paradijs. In Luk. 23:43 staat de bekende tekst die men telkens weer citeert om te bewijzen dat de gelovige direct na het sterven in de hemel komt. Zo aangehaald schijnt deze tekst het tot nu toe gevondene ter zijde te stellen. We willen zien of dit inderdaad zo is.
We beginnen met op te merken dat men de tekst bijna steeds onvolledig citeert. Er staat in het Grieks: « Voorwaar Ik zeg u heden gij zult met Mij in het paradijs zijn. » De volgorde in het Grieks is: Voorwaar U zeg Ik heden met Mij gij zult zijn in het paradijs. In het oorspronkelijk staan geen punten of komma's enz. Die zijn bloot mensenwerk. We kunnen dus evengoed lezen: Voorwaar U zeg Ik heden: gij zult met Mij in het paradijs zijn. 't Is de vraag of dit kan. Laat ons zien.
Het werkwoord « zeggen » komt in Lukas nog tweemaal voor met het woord « heden » n. l. in Luk. 4:21 en 19:9. Hier staan vanzelf ook geen leestekens. Wie de grondtekst nu leest, zal echter iets opmerken, n. l. dat er daar telkens het woord hoti bij staat, een woord dat hier onvertaalbaar is en eigenlijk betekent: dat. Hij begon dan te zeggen tot hen dat heden, enz. Hij zeide dan tot hem dat heden, enz. In Luk. 23:43 ontbreekt dit woord hoti: Voorwaar Ik zeg u heden. Het woord hoti scheidt in de eerste twee teksten het woord « heden » van de voorgaande woorden. Dat geschiedt niet in Luk. 23. Als we Lukas met Lukas verklaren, blijkt dat hij het woord « heden » van Luk. 23 bij het voorgaande trekt en we dus moeten lezen: Voorwaar Ik zeg u heden: Gij zult met Mij in het Paradijs zijn.
Men denke zich de dingen wel in. De moordenaar ziet in Christus de Koning der Joden, wat hij kon lezen boven het kruis. Hij gelooft in het Davidische koninkrijk en vraagt de Heere hem dan te gedenken, hoewel hij straf verdiend had. De Heere, belooft hem dat en zegt hem een plaats toe in het paradijs.
Is dat nu de hemel? Geen kwestie van. De Heere is die dag niet naar het paradijs gegaan, maar in de Hadès gekomen, Hand. 2:27, 31; Ps. 16:10, in het hart der aarde, Mt. 12:40, in de afgrond, Rom. 10:7. Hij voer niet op dan na Zijn opstanding, Joh. 20:17. Wat Hij zei is dus óf niet waar óf wordt verkeerd uitgelegd. Vanzelf geloven we dat bij de mens de onjuistheid ligt. Niet bij Christus. Hij belooft de moordenaar het paradijs, maar zegt niet dat hij er heden in zal gaan, al zegt Hij het « heden ». Het paradijs moet nog komen. Het zal liggen in Sion, Jes. 51:3, Kanaän zijn, Ez. 36:35. De moordenaar had geen hemelverwachting. Hij had een verwachting van het aardse koninkrijk. Die wordt hem toegezegd. De verwachting die men hem geeft, is door tweeërlei veroorzaakt: vooreerst door de leer der onsterfelijkheid, ten tweede doordat men uit Paulus' Brieven iets indraagt, wat toen nog niet geopenbaard was, iets wat voor deze bedeling geldt. Zie hierover het laatste hoofdstuk.
De moordenaar ging die dag niet naar het paradijs. Christus ook niet. Beiden gingen naar de hadès. Zou men op willen merken, dat Paulus in het paradijs is opgetrokken geweest, dan zij geantwoord dat er geen twee paradijzen zijn, een in de hemel en een op aarde (Op. 22). Dus dat Paulus het profetisch zag zoals Johannes de nieuwe hemel en aarde ook reeds zag. Paulus weet niet eens hoe het geschied is, n. l. als visioen of anderszins. Ook omdat het paradijs alleen nog maar in de geest er is, kan de moordenaar er nog niet zijn. Het moet nog komen en zal zijn op aarde, reëel, zie Op. 22. Christus' woord was dus een verre profetie.
Tenslotte zij nog opgemerkt dat al zou het paradijs de moordenaar opgenomen hebben, het woord « heden » nog wat ruimer betekenis kan hebben dan strikt: « vandaag », zie Joz. 23:14 en 24:1, Heb. 3:13 en 4:7. Zie ook Mt. 26:64 wat nog onvervuld is.
Voor ons is de lezing van Luk. 23:43: Voorwaar u zeg Ik heden: gij zult met Mij in het Paradijs zijn. Als de klemtoon lag op het « heden », had de Heere het vooraan geplaatst. Maar niet « heden » staat voorop, maar « u ».
De Zielen onder het Altaar. In Op. 6:9 is sprake van de zielen onder het altaar. Deze roepen tot God om wraak. Hun wordt gezegd nog een kleine tijd te rusten en hun werden witte klederen gegeven. Hieruit leidt men af dat de doden bewust voortleven.
Opgemerkt zij ten eerste, dat De Openbaring een boek is, dat in het algemeen heel wat symbolische taal heeft. Ten tweede, dat de zegelen in het bijzonder symbolen zijn. Het eerste zegel is geen eigenlijke ruiter. Noch ook de andere drie volgende. Ze symboliseren iets. Zo ook het vijfde. Het is symbool voor het martelaarschap. De letterlijkheid vinden we in Mt. 24:9, 10: overlevering in verdrukking. De zielen zijn hier de mensen zelf. Het is een Hebraïsme, een bijzondere Hebr. betiteling. Het altaar is hun schavot of terechtstellingsplaats, waarop zij geofferd worden voor het getuigenis van Christus. Het roepen is voor ons symboliek, zoals Abels bloed riep van de aardbodem. Gen. 4:10. Neemt men dat letterlijk? Zie ook Hab. 2:11. Wil men het roepen wel letterlijk nemen maar het bekleden met lange witte klederen niet? Aan ontlichaamde zielen kunnen toch geen klederen aangetrokken worden. Het bekleden met de klederen wijst op hun toekomstige opstanding. De andere gelovigen in die tijd zullen overtuigd zijn, dat zij die witte klederen eenmaal zullen dragen, Op. 3:4, 5. De gedoden zijn overwinnaars uit de gemeenten. Zij moeten rusten (onder hun altaar) totdat er nog anderen zijn gedood. Alles samengenomen is er geen grond om te denken aan een bewust voortleven, maar drukt de symboliek uit dat het bloed der martelaars tot God om wraak roept en dat zij hun beloning niet zullen missen. Waarom zaligen in de hemel in lange witte klederen zouden moeten wachten op de nog toekomstige martelaars en daarbij nog moeten blijven rusten, is niet wel in te zien bij de gewone visie.
Zalig de Doden van nu Aan. Ook Op. 14:13 doet opgeld in de gewone visie. « Zalig zijn de doden die in den Heere sterven, van nu aan. Ja zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid en hun werken volgen met hen. »
Een beroep op deze tekst gaat evenmin op. Er staat: Gelukkig de doden die in de Heere sterven. Zo het Grieks en ook het Engels. Dan is er te lezen: Gelukkig, van nu aan. Er staat niet dat zij bij de Heere zijn. Zij rusten. Dat geldt de tijd van de aanbidding van het Beest. Er staan zware oordelen te komen. De 7 schalen (fiolen) moeten nog uitgegoten worden. Gelukkig die vooraf maar sterft. In de Heere dan. Hij wordt bewaard voor vervolging en toornuitgieting. Hij rust van zijn arbeid en zijn werken zullen hem volgen. In de opstanding n. l. Het loon ontgaat hun niet. Op. 14:13 prijst dus de doden gelukkig, die in de Heere gestorven zijn. « Van nu aan ». Waar De Openbaring voor ons geheel toekomstig is, kan dit woord zeker niet gelden om daarmee te bewijzen dat de gestorven gelovige van thans ook reeds zalig in de hemel zouden zijn.
De Zielen die Leefden. Op. 20:4 spreekt over de zielen dergenen die onthoofd waren en die leefden en heersten als koningen met Christus de duizend jaar.
Het Calvinisme meent dat het hier gaat over hen die thans reeds als ziel in de hemel zijn. Die heersen met Christus tussen Zijn hemelvaart en wederkomst. Het getal 1000 moet dan
niet letterlijk genomen worden, zegt men. De zielen die hier gezien worden, zijn de onsterfelijke zielen der gelovigen, 1000 is een volkomenheidsgetal.
Ook deze visie is onjuist. Johannes ziet zielen. Op tronen. Die oordelen. Waar nu de Schrift zegt dat het oordeel nog moet komen, kan dit nimmer de toestand van heden zijn (2 Tim. 4:1). Die zielen leefden zegt Johannes. Wel een vreemde bijvoeging voor « onsterfelijke zielen ». Die leven immers toch altijd. Dan: heersen zij. Waarover? Er moeten toch onderdanen zijn? Zij zitten op tronen. Op welke? Op. 3:21 spreekt van twee tronen. Zitten zij in des Vaders troon? Daarvoor staat geen belofte in De Openb. Wel een voor het met Hem zitten in Zijn troon. Maar dat is eerst als Hij wederkomt, Mt. 25:31. Dus moet Op. 20 plaats hebben na Zijn wederkomst. Die gaat dan ook vooraf in Op. 19.
Het Calvinisme leert dat Satan nu reeds gebonden is. Is dit zo, dan zou Op. 20:4 ook nu reeds moeten vervuld worden. Satan is echter niet gebonden want als hij gebonden was, moest hij ook in de afgrond zijn en hij is nog in de hemel, Op. 12:7. De afgrond is het onderaardse, Rom. 10:7. Satan is nu de overste van de macht der lucht, Ef. 2:2. Dit alles en nog meer bewijst dat Satan niet gebonden is. Maar dan zitten die zielen thans ook niet op tronen en vervalt daarmee de hele uitlegging.
Op. 20 is toekomstig. « De zielen dergenen » betekent: de personen die. Er staat verder bij wie het zijn. Zij die onthoofd zijn om het getuigenis van Jezus en om het woord Gods en die het Beest en deszelfs beeld niet aangebeden en het merkteken niet ontvangen hebben. Dit alles moet nog geschieden. Hoe kan dan nu reeds hun heerlijkheid vervuld zijn als zij eenmaal nog moeten lijden wat daar staat.
Het Calv. houdt de eerste opstanding voor de wedergeboorte. Dus iets geestelijks. De tweede opstanding is de letterlijke. Maar die tweede opstanding is juist voor de ongelovigen. Niet voor de gelovigen. Die hebben dus geen lichamelijke opstanding meer! Men ziet waar men uitkomt door de Schrift te vergeestelijken. Tot pure ontkenning der waarheid. Zo leert men, dat de opstanding reeds geschied is, 2 Tim. 2:18. En dit is afwijken van de waarheid.
De zielen ...en zij leefden. Dezelfde tijdvorm van het werkwoord komt voor in Rom. 14:9 [Want daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan en (weder) levend geworden], in Op. 2:8 [Die dood geweest is en (weder) levend geworden is], in Op. 13:14 [het Beest dat ...(weder) leefde]. Deze teksten dragen alle de gedachte in zich van: herleefd zijn. De St. V. kon er dan ook niet van buiten er « weder » tussen te voegen. De zielen van Op. 20 waren herleefd. Dus dood geweest. We hebben hier dus geen bewijs van de onsterfelijkheid, maar juist van de sterfelijkheid. Ze moeten om te kunnen heersen eerst herleven.
Men ziet dat ook deze tekst geen houvast biedt voor de traditieleer. Bij ontleding gaat hij er juist tegenin. Mits men slechts Schrift met Schrift vergelijkt, geen traditieleer voorstaat, Israëls herstel ziet, Gods oordeelsdag in de toekomst, enz. De grondlijn wordt dus steeds breder.
De Geesten in de Gevangenis. Volgens 1 Petr. 3:18-20 heeft Christus de geesten die in de gevangenis zijn, gepredikt Zij waren eertijds ongehoorzaam in de dagen van Noach.
Van deze tekstwoorden zijn heel wat verklaringen gegeven. Voor ons tot nu toe geen afdoende, althans niet van Rooms-Katholieke en Protestantse zijde. De Rooms-Katholieke meent dat Christus na Zijn dood in het vagevuur gegaan is om de daar zijnde geesten, de zielen der afgestorvenen, te prediken. De Lutherse meent dat Christus naar de voorburcht der hel gegaan is om de doden het evangelie te verkondigen. De Calvinistische zegt, dat dit de geesten zijn der mensen aan wie in Noachs dagen gepredikt is. Niet door Christus, maar door Noach. Voor ons alle drie onaannemelijk. Zien we wat er staat.
Christus is gedood in het vlees, zegt vs. 18. Hij is levend gemaakt in de geest. En daarin is Hij heengegaan. Dit is niet vóór Zijn vleeswording, ook niet tijdens, maar er na. Dus na Zijn opstanding. Christus is levendgemaakt als eersteling, 1 Cor. 15:23. De geesten zijn voor ons niet de aflijvige zielen der mensen, maar geestwezens. Deze waren eertijds ongehoorzaam. In Noachs dagen. We geloven, dat dit de zondigende zonen Gods, engelen, waren. Deze zijn opgesloten in de tartarus, 2 Petr. 2:4. Aan hen heeft Christus voor ons. wat « gepredikt » of geproklameerd. Niet geëvangeliseerd. Dat staat er niet. Het heengaan heeft geen betrekking op de hadès. Toen was Christus dood. Bovendien is de hadès niet de plaats der geesten. Het heengaan heeft ook geen betrekking op Noach of Noachs dagen, want Christus predikte toen niet tot de mensen. Christus is heengegaan in de geest na Zijn levendmaking om gevallen geestwezens iets af te kondigen. Dat dit na Zijn opstanding is, blijkt uit het verband. Vs. 18 staat tegenover vs. 22; vs. 20 a tegenover vs. 22; vs. 20 naast vs. 21. Er is sprake van heengaan naar de Tartarus en naar de hemel, van ongehoorzame geesten en van onderworpen machten.
Christus is tijdens Zijn dood in het graf geweest. Bij de rijke. In de Hadès. Hij is toen niet naar de Tartarus gegaan.
Vóór zijn opstanding heeft Hij niets geproklameerd. Eerst daarna gaf God Hem alle heerschappij. Het gaan naar de gevangenis heeft eerst toen plaats gehad. De gevangenen waren geen aflijvige zielen of geesten der mensen, want die doden zijn in de sheool. Het zijn voor ons de engelen die gezondigd hebben, Jud.:7.
De Doden het Evangelie Verkondigd. Men heeft het voorgaande gedeelte in verband gebracht met 1 Petr. 4:6, waar gezegd wordt dat de doden het evangelie verkondigd is. Die doden zijn voor ons geen geesten die in de gevangenis zijn. Het zijn doden. Het evangelie verkondigd is nog iets anders dan wat 1 Petr. 3 zegt. De doden zijn naar de mens gedood, d. i. naar menselijk oordeel of besluit. De geesten in de gevangenis — als dat dan mensen zouden zijn — zijn niet door de mens gedood maar door God. In de zondvloed. 1 Petr. 4 ziet dus op wat anders. Er staat verder, dat zij leven naar God in de geest. Vangt het leven naar de geest eerst bij de dood aan? Naar God wil zeggen: naar Gods besluit, naar Gods oordeel.
De doden zijn de overledenen van Petrus' tijd aan wie hij mogelijk mede het evangelie gebracht heeft. Die zijn martelaars geworden voor het Woord. Van hen zegt Petrus dat zij leven zullen naar Gods oordeel. Niets als geest maar: in de geest, want er staat dezelfde konstruktie als b. v. in het vlees. Zij zullen leven in de geest, d. i. hier het opstandingslichaam. Dit heeft niet plaats bij de dood, want vs. 5 heeft het over het oordeel der levenden en der doden. Zij leven eerst bij Christus' wederkomst. In een nieuw lichaam, dat Petrus geest noemt als tegenstelling tot het vleselijk lichaam dat zij eenmaal hadden. Beide zijn bestaanswijzen in een lichaam, dat zichtbaar is.
Het In- en Uitwonen. 2 Cor. 5:1-4 « Want wij weten, dat zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, 411, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede die uit den hemel is, overkleed te worden. Zo wij ook overkleed en niet naakt zullen gevonden worden. Want ook in dezen tabernakel zuchten wij, bezwaard zijnde, nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde. »
Ook deze tekst wordt telkens aangevoerd om te bewijzen, dat men na het sterven bewust voort leeft en dat de gelovige dan « juicht voor de troon » of « in het Vaderhuis is ingegaan ». Voor we over de tekst zelf handelen, is het niet ondienstig op te merken, dat 2 Cor. 5:1-4 aansluit bij 4:16-18. We kunnen daarop niet breder ingaan, doch merken op, dat het « want » van 5:1 een redengevend voegwoord is, dat aansluit bij het vorige. Vs. 18b luidt : « ... want de dingen die men ziet, zijn voor een tijd (zelfde woord als in Mt. 13:21, Mk. 4:17 en Heb. 11:25), maar de dingen die men niet ziet, zijn aionisch. » Dan begint Paulus daar nader over te spreken.
Het woord « gebroken » komt nog een aantal keren voor in het N. T. Het is o. a. ook vertaald door « afbreken » (Mt. 24:2, 26:61, 27:40). Paulus bedoelt er mee: indien wij sterven. « Ons aardse huis dezes tabernakels » betekent: ons aardse huis, namelijk of: dat is: deze tabernakel.
Uit vers 1 maakt men op, dat de gelovige direct na het sterven bij God is, voor Zijn troon juicht, enz. Dit zegt Paulus niet. Feitelijk het tegendeel. Want hij spreekt van twee dingen : van de tabernakel en het gebouw. Hij denkt hierbij mogelijk aan de woestijnreis van Israël, waarop zij de verplaatsbare, afbreekbare tabernakel meevoerden, waarin de ark stond. Later kwam deze in de tempel, een vast gebouw. De tabernakel nu is ons aardse lichaam; het gebouw uit God moe dus ook een lichaam zijn.
De tabernakel in de woestijn bevatte de ark; deze is te vergelijken met de inwendige mens. Later kwam de ark in de tempel en kreeg zo als 't ware een nieuw « lichaam ». Zo nu ook hier bij Paulus' vergelijking. De aardse tabernakel is het lichaam dat verdorven wordt ,het gebouw is het nieuwe lichaam. Wanneer verkrijgt hij dat nu? Niet als zijn « ziel » volgens Westerse leer het lichaam verlaat, maar in de opstanding vanzelf. Paulus spreekt hier dus over twee lichamen; anders heeft de tegenstelling geen kracht. Hij zegt verder niet, dat hij vlak na het sterven het nieuwe lichaam verkrijgt, maar dat hij weet, dat hij zal verkrijgen.
In dit verband wijzen we meteen op vs. 6 en 8:
« Wij hebben dan altijd goeden moed en weten, dat wij inwonende in het lichaam uitwonen van den Heere. ... Maar wij ... hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen... »
Het lidwoord « het » heeft in het Grieks meer dan eens de betekenis van een aanwijzend voornaamwoord en kan hier zonder bezwaar vertaald worden door: « dit ». Het lichaam is maar niet eenvoudig 'n lichaam maar het lichaam waarin we nu leven, dus: « dit » lichaam. Nu zijn er twee huizen: de tabernakel en het huis aionisch in de hemelen, d. i.: het ziellijke en het geestelijke lichaam. We zijn nu niet in het laatste maar in het eerste, zegt Paulus, en wonen nu uit van de Heere. omdat we nog inwonen in het aardse lichaam. Zodra we inwonen in het hemelse lichaam , zodra wonen we ook in bij de Heere. Nu is het beter bij de Heere in te wonen, dus als Hij een hemels lichaam te hebben dan een aards, want daarin wonen we nog van Hem uit.
Wanneer verkrijgt men nu dat lichaam? kan men Paulus vragen. Hij heeft dat reeds geleerd in 1 Thess. 4. Voor hen die gestorven zijn, is het eerst bij de opstanding. Hij zegt immers:
« Die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan », vs. 16.
« Daarna wij die levend overblijven, zullen te samen met hen opgenomen worden ... en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen, » vs. 17. Paulus leert dus dat men eerst moet opstaan. Voor die tijd is men niet bij de Heere, woont dus niet bij Hem in, heeft men niet het gebouw uit God.
Paulus leert hier dat er twee huizen zijn waarin men leven kan. Wel is er een derde toestand, het naakt zijn, maar dit wordt door hem. geen huis genoemd. Evenals de ark buiten de tabernakel « naakt » was doch toch maar twee gebouwen had waarin hij geplaatst kon worden: de tabernakel en de tempel, zo ook hier. Als er een bewuste « zalige » tussen toestand was buiten het lichaam; om, had Paulus dit zeker vermeld en dan had hij zeker niet kunnen schrijven, dat hij niét « naakt » gevonden wenste te worden. Met dit naakt zijn duidt hij aan het « zonder gebouw » zijn. Deze toestand wenst hij niet. De Christenheid wenst dat wèl en gaat daarmee lijnrecht in tegen Paulus' woord.
Een enkel woord over het be- over- en « ontkleden ». Het woord « bekleden » betekent letterlijk: « ingaan », « overkleden » is « op ingaan « ontkleden » is « uit ingaan ». Bekleden is ingaan in klederen, overkleden ingaan in klederen en tegelijk in de hoogte geheven worden, ontkleden is het tegenovergestelde van bekleden, is uitgàan uit iets waarin men is.
Wat zegt Paulus nu? Dat men in deze tabernakel zucht. Wenst hij daarom nu maar te sterven om voor de troon te juichen? Neen, iets anders: met de woonstede uit de hemel overkleed te worden. Dus niet te sterven. Wat is dit overkleden dan? Dit kan niet anders zijn dan het in-een-punt-destijds-veranderd-worden van 1 Cor. 15. De woonstede is dan het lichaam der heerlijkheid. Paulus wenst dus de opname. Die opname is het: op-ingaan. In het Vaderhuis. Wat is dan het naakt gevonden worden? Velen menen dat dit betekent: niet opgenomen te worden, het achtergelaten te worden bij Christus' komst. We achten dit onjuist. Vooreerst op grond van 1 Thess. 5:10. Zelfs zij die slapen d. i. geestelijk niet waken, zullen toch met Hem leven. Het naakt zijn is voor ons dan ook wat anders, n. l. het rusten in het graf, ontdaan van de zintuigen, het ontslapen zijn van 1 Thess. 4:14. Dat dit zo is, volgt uit vs. 4 van 2 Cor. 5: daar wordt gesproken van het ontkleed zijn. Paulus wenst niet het ontkleed worden dus naakt zijn, maar het overkleed worden. Het ontkleed worden is het breken of afbreken van het aardse huis, het overkleed het zonder sterven verkrijgen van het gebouw uit God. Het overkleed worden is het verslinden van het sterfelijke door het onsterfelijke, het ontkleed worden is dus het tijdelijk overheersen van de dood.
We hebben dus: het breken of afbreken van de tabernakel, het lichaam, leidt tot het naakt zijn. Het overkleed worden is het geven van het gebouw uit God. Paulus weet, dat hij dit gebouw zeker eenmaal verkrijgt: wij weten, zegt hij. Echter, hij wil het liever hebben zonder eerst ontkleed te worden. « Wij willen niet ontkleed maar overkleed worden » zegt hij.
De tekst kan juister vertaald worden. Er staat eigenlijk zoo- veel als : Immers, indien wij overkleed worden, zullen wij niet naakt be-(of) gevonden worden. » Dat is: als we levend de opname meemaken, worden wij niet naakt bevonden, d. i., rusten we niet in het graf. Het gaat hier niet over het al — of niet overkleed worden — dit staat reeds vast voor die groep « wij allen veranderd », maar over de mogelijkheid naakt bevonden te worden als die overkleding lang op zich laat wachten. M. a. w. als men in die tussentijd sterft. Het naakt zijn is dus de doodstoestand.
We willen hierbij op nog iets wijzen. 2 Cor. 5 is door vier woorden verbonden met 1 Cor. 15 n. l. door « bekleden », dat in 1 Cor. 15:53 vertaald is door « aandoen », door « naakt », dat in 1 Cor. 15:37 vertaald is door « bloot » (een bloot graan, dat is een graan zonder uitgroei, zonder halm en aar, dus alleen in kiem.) ¹, door het woord « sterfelijke » en door het woord « verslonden ». 1 Cor. 15:53 leert ons, dat het sterfelijke verslonden wordt door het aandoen van het onsterfelijke. En dat is bij de opstanding en bij de verandering, zie vs. 51.
Eerst dan wordt de dood verslonden tot overwinning. Niet eer. Niet op het sterfbed. Dat is de weg tot naakt worden, dan komt men tot een zaadtoestand. Paulus wenst dat liever niet, wel dat hij in een punt des tijds veranderd mag worden.
Als het gebouw eeuwig in de hemelen betekent, dat de ziel direct bij de dood tot Christus gaat, is er geen opstanding. Dan toch behoudt die ziel « eeuwig » dat gebouw. Dan zouden er drie huizen zijn, de aardse tabernakel, het gebouw van God en nog een dat niet genoemd wordt, het opstandingsgebouw. Zoo is het niet. Er zijn twee gebouwen. Wie niet levend in het tweede ingaat, wordt naakt bevonden. D. i. hij ligt onbewust in het graf.
Het verslinden van het sterfelijke heeft plaats bij de laatste bazuin. En dit geschiedt voor de hele groep. Niet persoonlijk. Er zijn twee toestanden. In en uitwonen, in deze tabernakel en in het gebouw. Paulus verwachtte in die tijd nog de opname. Dat deze nu uitgesteld is, was toen nog niet geopenbaard. 2 Cor. 5 moet verklaard worden in het licht van 1 Cor. 15, het vroeger geopenbaarde. Niet uit wat later als nieuwe openbaring gekomen is. (Zie hiervoor onze werkjes « Van Adam naar Paulus » en De gevangene voor de Heidenen »).
Eenmaal Gezet te Sterven. Heb. 9:27 wordt ook telkens weer genoemd. 't Is de mensen eenmaal gezet te sterven en daarna het oordeel. We merken op dat dat « daarna » niet behoeft te betekenen vlak daarna, onmiddellijk daarop, zie b. v. Hand. 13:20; 15:16. Verder is het woord « gezet » in Luk. 19:20; Col. 1:5 en 2 Tim. 4:8 vertaald door: weggelegd. Het betekent dan ook: weggelegd. Dan wordt deze tekst geheel uit zijn verband genomen. Traditioneel verklaard behoort hij daar niet thuis; er staat immers dat, gelijk het de mensen weggelegd is eenmaal te sterven en daarna het oordeel, alzo ook Christus. We moeten die tekst lezen in het verband waarin hij staat. De mensen die hier bedoeld zijn, zijn niet de mensen in het algemeen, maar de hogepriesters. Daarover gaat het in vs. 25. Dezelfde woorden: « mensen » en « sterven » komen ook voor in Heb. 7:8 waar sprake is van het tienden nemen door mensen die sterven. Dit betreft het Aaronietische priesterschap. Dit geldt ook 9:27. De dood der hogepriesters gaf de niet moedwillige doodslagers de vrijheid, Num. 35:24, 25. Er was die mensen, de hogepriesters, dus iets weggelegd, n. l. dat hun dood vrijheid gaf. Alzo ook Christus' dood. En meer dan dat: De vrijheid in het Oude Verbond lag vast in de dood van de hogepriesters, maar de hoop van het N. Verbond ligt vast in de verschijning tot behoudenis, de wederkomst vs. 28.
Deze tekst heeft dus niets te maken met de leer der onsterfelijke ziel. De mensen die sterven zijn de hogepriesters. Deze staan tegenover de ware Hogepriester Christus (alzo ook Christus). Zijn dood geeft vrijheid, Zijn wederkomst geeft de dingen die bij de behoudenis gevoegd zijn. Gaf de dood van de O. T. hogepriester de doodslager vrijheid en bezit weer, het leven van de meerdere Hogepriester geeft een « eeuwige » erve.
De Vader der Geesten. In Heb. 12:9 ziet men bewijs voor de schepping van de geest of de ziel in het lichaam van het verwekte kind. God is de Vader der geesten van alle vlees, zegt men. De vaders onzes vleses geven alleen het aanzijn aan de onpersoonlijke natuur.
Deze mening heeft weer zijn uitgangspunt in de leer, dat de ziel is ingeblazen en dat God telkens weer een aparte ziel schept. Deze leer bleek onjuist, vandaar dat ook deze tekst niet kan dienen tot staving. Als God de Vader van onze natuurlijke geest (of ziel) was, kon, er geen tegenstelling gemaakt worden tussen de vaders des vleses en Hem. Dan zou God tevens ook onze Vader zijn in de natuurlijke verwekking. Dan zou elk mens twee vaders hebben: God die van zijn geest en de vader zijns vleses naar het lichaam. Dan zou echter de geest rein geschapen zijn, zou er geen erfzonde zijn en zouden we ook niet in Adam allen sterven.
De Schrift noemt de hele mens vaak vlees. Wat uit vlees geboren is, is vlees, Joh. 3:6. Dit is de mens naar « ziel en lichaam ». Het vlees heeft wil, Joh. 1:13. Het kind is reeds in de lendenen des vaders, Hebr. 7:10. De mens ver-individualiseert zijn soort telkens weer opnieuw. Uit een plant komt een nieuwe plant, uit een dier een nieuw dier, uit een mens een nieuwe mens. Die mens moet wedergeboren worden. Wat uit Geest geboren is, is Geest. In die zin nu noemt Heb. 12 God de Vader der geesten, d. i. der wedergeborenen.
De Geesten der Volmaakt Rechtvaardigen. Hetzelfde hoofdstuk spreekt over de geesten der volmaakt rechtvaardigen, zie vs. 18-24. Het gaat hierin over de tegenstelling van Oud en Nieuw Verbond. Tegenover de bedreiging van Sinaï staat de zegen van het hemels Jeruzalem, tegenover de eis der wet de wandel des geloofs. Tot deze laatste moesten de Hebreën overgaan. Niet gerechtvaardigd uit werken der wet, maar uit het geloof. De wet had rechtvaardigmakingen des vleses, Heb. 9:10 maar bracht geen ding tot volmaaktheid. Dit kan alleen door het geloof.
Wie zijn nu de geesten der volmaakt rechtvaardigen? Men weet, dat geest meer dan één betekenis heeft. De geest is hier de nieuwgeboren mens. Deze mens nu kan tot volmaaktheid komen door het zien op de Voleinder des geloofs, Heb. 12. De volmaakt rechtvaardigen zijn gerechtvaardigden in Christus' bloed. Zij ontvangen een hemels lichaam. Zij heten volmaakt rechtvaardigen in tegenstelling tot de gerechtvaardigden naar het vlees, Luk. 1:6; Fil 3:9; Heb. 9:10. De volmaakt rechtvaardigen hebben een rechtvaardigheid die uit God is.
Tot deze volmaakt rechtvaardigen behoren ook de geloofshelden van Heb. 11.
Leven de geesten der volmaakt rechtvaardigen nu niet als zalige zielen in de hemel? Neen, want evenmin als het hemels Jeruzalem er al is (Heb. 12:22) en evenmin als God nu al als Rechter zit, evenmin zijn die geesten in de hemel waar men ze denkt. Het bewijs geeft de Schrift. Wat zegt ze van de geloofshelden van Heb. 11? Dat zij de belofte niet verkregen hebben. De Traditie meent, dat dit de hemel is. We zullen even in die lijn blijven. Dan staat er dus, dat zij niet in de hemel zijn. Dus precies wat wij leren. Ze worden niet volmaakt zonder ons, zegt de Schrijver. Er moeten dus nog anderen aan toegevoegd worden. Wanneer? Voor ons niet anders dan in de dag der opstanding. De geesten dier volmaakt rechtvaardigen rusten, wachtend op de voltooiing van de groep. Eerst dan zullen zij hun geestelijk lichaam ontvangen. Ze moeten, om met 1 Thess. 4 te spreken, eerst opstaan. Ze hebben de belofte niet verkregen. Deze belofte is: van in Zijn rust in te gaan, Heb. 4:9. En dat geschiedt voor hen eerst bij 's Heeren wederkomst. Dan brengt de meerdere dan Jozua hen in het « hemels vaderland », Heb. 11:16. Zij sterven wel in het geloof daar in, maar: Deze allen hebben de beloften niet verkregen, Heb. 11:13. Zij zijn alleen in het geloof volmaakte geesten.
De Rijke Man en Lazarus. Ten slotte Luk. 16:19-31, de rijke man en Lazarus. Telkenmale wordt er op dit deel der Schrift gewezen om aan te tonen, dat er een bewuste toestand na de dood is. Heeft Christus dat Zelf niet geleerd, zo vraagt men. En is dit geen openbaring van de toestand in de Hades. Zijn er geen twee delen in, een voor de gelovigen — en dit is dan het paradijs, aldus zegt men — en een voor de ongelovigen — de « hel »? Is er nog meer bewijs van node?
Laat ons zien of een en ander afdoende is.
We merken op, dat zij die dit voor geen gelijkenis houden maar voor de realiteit zelve, beginnen moeten inconsequent te zijn. De rijke man en Lazarus hebben volgens de traditie het lichaam, verlaten. Het zijn aflijvige zielen, zoals men ze wel noemt. Toch vinden we ze in de gelijkenis met lichaamsdelen: een oog, een tong, een vinger, een schoot, enz. Dus met een lichaam. Men voelt, dit klopt al niet in de traditie leer. Wat zegt men nu? O, dat is inkleeing, uitbeelding; zielen hebben geen lichaam, maar de Heere Jezus geeft ze een lichaam als uitbeelding, anders kan men er niet over spreken. Toch openbaart de Heere hiermee echter wel degelijk iets van het bewust voortleven der doden. Het komt uit Zijn eigen mond en al is het een gelijkenis, daarom is er niet minder een realiteit die er aan ten grondslag ligt.
Wat moet hierop geantwoord worden? Dit: Waar ligt de grens tussen de inkleding en de werkelijkheid? Mag men die maar willekeurig trekken. En als men het een als werkelijkheid aanneemt, waarom neemt men dan in hetzelfde verband ook het ander niet als werkelijkheid aan. Men ga slechts na.
In de gangbare leer acht men het inkleding dat aan de ontlichaamde zielen een lichaam toegekend wordt. Maar is het dan geen inkleding, dat de zielen van de « zaligen » en de « verlorenen » van over een kloof waarin water is, met elkaar spreken? Leert de Schrift dat in enige andere plaats? Is het ook geen inkleding dat Lazarus vertroost wordt door Abraham en niet door God? Is het Schriftleer om ontbonden en bij Abraham te zijn? Is hij de aangewezen persoon om de « zaligen » te troosten. Is het ook geen inkleding, dat een « verlorene » nog zoveel liefde heeft, dat hij om zijn broeders denkt en hen voor de plaats der pijniging wil bewaren? Is het tevens geen inkleding, dat Abraham macht heeft over de « zaligen » en hun een opdracht kan geven. En is het ook geen inkleding dat we in het z. g. paradijs waarin Abraham en Lazarus heten te zijn, van God niets horen, noch Christus zien? En dat we in die z.g. « Hel » (men vergeet dat er sprake is van de Hades) geen Satan noch zijn engelen zien die grijnzen om de verloren rijke man. En is het niet merkwaardig dat deze, niet verloren gaat vanwege zijn ongeloof, maar vanwege zijn rijkdom. En dat Lazarus wordt behouden omdat hij het kwade gehad heeft.
Al die dingen kloppen niet met het overige van de Traditie- leer. Daarin wordt heel wat anders geleerd. Daarom vragen we nogmaals: Waar ligt nu de grens, wat is nu werkelijkheid en wat slechts voorstelling, omdat het een gelijkenis is. Als men hierop antwoordt: Alleen het bewuste voortleven is werkelijkheid, het andere niet, dan is op te merken, dat men dan vastloopt.
1 Met het gehele O. T.
Dit leert o. a.:
a) dat de doden niet-met al weten, dat hun liefde en hun- haat vergaan is en dat zij geen deel meer in deze eeuw hebben in alles wat onder de zon geschiedt. De rijke man had nog een soort liefde en dacht na over wat onder de zon geschiedde. Dus of Pred. 9:5 en 6 strijdt met Luk. 16 of de gangbare verklaring van Luk. 16 deugt niet;
b) dat de hades een land is der duisternis en zonder ordeningen. Job. 10:21, 22. Dus ook zonder kloof met water.
c) dat de doden de Heere niet prijzen, noch die in de stilte zijn nedergedaald. Ps. 115:17.
d) dat de doden slapen en wel in het stof der aarde, Dan. 12:2.
2. Met Christus' eigen woorden.
a) Hij zegt, dat de doden in de graven zijn, Joh. 5:28 en dat zij daar uit gaan bij de opstanding, vs 29;
b) Hij leert ons in hetzelfde evangelie, dat de doden op- gewekt moeten worden, Luk. 20:37 en dat er is een opstanding uit de doden, vs 35.
c) Hij leert ons dat de doden slapen als Hij zegt: Lazarus, onze vriend slaapt, Joh. 11:11.
d) Hij leerde, dat Hij Zelf in het hart der aarde zou zijn, Mi. 12:40.
e) Hij was tot na Zijn opstanding niet opgevaren, Joh. 20:17. Worden zijn volgelingen dan wel van de engelen in Abrahams schoot gedragen?
3. Met het overige N. T.
a) Paulus leert, dat het dood zijn een ontkleed zijn is, dat hij liever niet wenscht, 2 Cor. 5. Is dat het van de engelen weggedragen worden?
b) Paulus leert, dat de doden, willen ze bij de Heere (niet bij Abraham) zijn; eerst op moeten staan, 1 Thess. 4:14.
c) Paulus leert, dat de onsterfelijkheid eerst aangedaan wordt bij de opstanding, 1 Cor. 15:51-54.
d) Johannes leert, dat de doden eenmaal komen uit zee, hades en dood, Op. 20:13. Hier wordt dus geleerd, dat de zee doden heeft En tevens dat de hades slechts een der terreinen des doods is, waarmee de leer vervalt, dat allen naar de hades gaan en daarmee zijdelings het bewust voortleven, want in de zee zullen de doden toch zeker niet die gesprekken houden die ons hier in Luk. 16 getekend worden.
Lukas 16:19-31 staat, alles samengevat, vierkant tegenover de hele Schriftopenbaring in O. en N. T. Dit moet eerst gezien worden. En ten tweede, dat men, door aan te nemen dat de zielen bewust voortleven leert, dat de dood een voortgezet leven is, wat de Schrift mede verwerpt, daar hij voor haar juist afsnijding van het leven is, wat het tegenovergestelde is.
Maar hoe dan met Luk. 16:19-31?
Voor ons is Luk. 16:19-31 een gelijkenis. Of liever: een deel van een gelijkenis. Die begint in Luk. 15 en loopt door in Luk. 16. Het zijn als 't ware vijf akten van een gelijkenis-reeks.
In Luk. 15:3 lezen we: « En Hij sprak tot hen deze gelijkenis ». Maar dan volgen er drie. En als we dit in Luk. 16 voortzetten, vijf. Luk. 15:3-32 is een toespraak tot de Farizeën, 16:1-13 tot de discipelen, 16:15-31 tot de Farizeën, 17:1-4 tot de discipelen. Luk. 16 heeft dus twee delen, 1-14 en 15-31. Dit laatste deel heeft weer twee onderdelen, vs: 15-18 : wat de Farizeërs deden, en vs. 19-31. En dat is niet wat Christus als waarheid of werkelijkheid leert, maar wat de Farizeërs leerden. We zien in Luk. 16 dus geen waarheid, maar weergave van de leer der Farizeën. En deze benut Christus om zich tegen hen te keren.
In Luk. 16:19-31 zien we twee klassen: de tollenaars en zondaars- en de Farizeënklasse. Die tekende de Heere reeds in Luk. 15 in de gelijkenis der 100 schapen (1 verloren en 99 « rechtvaardigen ») en in die van de verloren zoons (één weg, één thuis). In de verloren penning zien we één groep, het verlorene, in de rentmeester ook één groep, de Farizeëngroep. In vs. 19-31 zien we beide weer: de tollenaarsgroep zien we aangenomen, de Farizeëngroep verworpen. En dat door hun eigen vader Abraham op wie zij hoopten.
We zeiden dat we geloven dat het laatste deel der gelijkenis ontleend is aan de leer der Farizeën. De leer der onsterfelijkheid is gaandeweg ingezogen. In Babel en reeds eerder was Israël daarmee besmet. Men kwam en toe de onbewuste toestand der doden tot een bewuste te maken en vond allerlei termen uit om die te illustreren. Mozes en de Profeten werden niet meer geloofd, evenmin als ze beoefend werden. De Farizeën dachten zich de sheool of hades in tweeën verdeeld (Job zegt dat hij zonder ordening is, Job 10:22) en noemden het ene deel, dat voor de vromen, het paradijs of Abrahams schoot.
Het andere was de « hel », een plaats van grote hitte of verzengende koude of van duisternis. ¹.
In de Talmud vinden we deze dingen nog terug. « Paradijs », « hel », « door de engelen gedragen worden », « Abrahams schoot » zijn daar bekende termen. Er zijn ook voorbeelden dat de doden met elkaar spreken. Ook van de kloof wordt gerept.
Luk. 16:19-31 kan men niet letterlijk nemen. Dan loopt men vast. Wie het gedeeltelijk letterlijk neemt, is willekeurig. Hij legt
uit behept met de traditie leer. We nemen het geheel symbolisch. Ter typering dus. De rijke man typeert de Farizeërsklasse. Zij worden door Abraham naar de pijniging verwezen wat voor ons is het uitwerpen uit het koninkrijk in de toekomende eeuw. Lazarus typeert de tollenaarsgroep. Die krijgt erfdeel met Abraham. De kloof is de scheiding in de toekomende eeuw. Het is een tijdskloof. Niemand der verworpenen kan dan overgaan, zie ook Mt. 12:31, 32.
Waarom kiest Christus nu deze vorm? Omdat de Farizeën voor hem de neus optrekken zoals er staat ( beschimpten, zegt de St. V.). Zij wilden Hem niet meer aanhoren. Welnu, Christus dwingt ze er toe door een greep te doen uit hun leer. En nu luisteren zij wel. En gaan zwijgend heen. Zij zeiden niets meer. In Abrahams mond legt Christus het woord der waarheid: « Indien zij Mozes en de Profeten niet horen (en die spreken niet van een bewuste staat, van geen paradijs, van geen schoot van Abraham, integendeel die leren duidelijk: Abraham weet van ons niet, Jes. 63:16), zo zullen zij ook, al ware het dat er iemand uit de doden osptond, zich niet laten gezeggen. Volgens Christus zijn de gestorvenen dood, leven dus niet voort want dood is geen andere vorm van leven. Volgens Christus liggen zij neder: zij moeten eerst opstaan om een zending te kunnen volbrengen. Zo draagt Hij door de leugen leer der Farizeën heen de waarheid glansrijk naar voren. De rijke man meent nog, dat iemand van de doden kan heengaan. Christus snijdt dat ook nog af: zij moeten eerst opstaan.
Christus verwijst naar Mozes en de Profeten. Naar hen moet men horen. Ook t. o. v. de toestand van de dood. Luk. 16 keert zich met deze verwijzing juist tegen de leer der onsterfelijkheid. Christus geloofde Mozes en de Profeten. Daarheen moet men dus ook om de toestand na de dood te leren kennen. De Farizeën geloofden niet aan een slapen der doden, de Sadduceën niet aan een opstanding. Beiden waren dus ongelovig.
Christus verwerpt beider leer. Hij betoont zich hier de Meerdere dan Simson. Simson sloeg eenmaal met een vochtig ezelskinnebakken — een onrein been van een onrein dier —
twee hopen Filistynen. Deze dood vindt in Luk. 16 haar figuurlijk antitype. Christus slaat met een onreine, onzuivere heidense leer twee hopen tegenstanders: Farizeën en Sadduceën. De eersten leerden, dat de doden niet dood waren, de tweeden dat zij niet opstonden. Christus leert: de doden zijn dood, want zij moeten eerst opstaan, er is een opstanding der doden, dus zij blijven niet dood. Christus aanvaardt geen van beide meningen, maar laat het woord der waarheid uit Mozes en de Profeten zegevierend voortrijden over het slagveld der meningen. Inderdaad — meer dan Simson stond hier. En Hij bevestigt Mozes en de Profeten.
VI. — De Leer der Opstanding. (Top)
De Eerste Belofte der Opstanding. De Schrift leert nergens de onsterfelijkheid der ziel, evenmin als het bewuste voortleven na de dood. De doden gaan, in het algemeen genomen, naar het graf en rusten daar tot de dag der opstanding (zie ook Job. 3:14-19). De Schrift leert geen zielsverhuizing, geen onmiddellijke zaligheid, geen spiritualistisch voortleven. Ze leert de opstanding der doden. Deze liggen voor haar neder in het stof der aarde en moeten opgewekt worden, willen ze weder een taak kunnen verrichten, of een loon of straf kunnen ontvangen.
De hoop der opstanding wordt in de Schrift direct en zijdelings geleerd. Direkt in bepaalde teksten waarin duidelijk over de opstanding wordt gesproken. Zijdelings in al de beloften voor hen die in het geloof gestorven zijn en die beloften niet ontvangen hebben.
De eerste aanwijzing voor de opstanding vindt men in Gen. 13:15 « ... al dit land dat gij ziet, zal Ik u geven en uw zaad tot in eeuwigheid », d. i. de duur der toekomende eeuw. Abraham heeft het nog nimmer ontvangen. God gaf hem niet tot één voetstap. Hij beloofde het hem tot een bezitting, Hand. 7:5. Abram woonde er dan ook als in een vreemd land, Heb. 11:9. Zal Abram dus deze belofte verkrijgen, dan moet hij eerst opstaan. Dan eerst kan hij het land bezitten tot in eeuwigheid, d. i. de duur der toekomende eeuw onafgebroken door. Zo ook Isaäk en Jakob zijn mede erfgenamen. In dat licht is dan ook Christus' woord te verstaan, dat Hij sprak tot de Sadduceën, Luk. 20:37: « En dat de doden zullen opgewekt worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos als hij den Heere noemt den God Abrahams, Isaaks en Jakobs. God nu is geen God der doden, maar der levenden ». Mt. 22:31 bewijst dat het niet geldt het heden, maar dit gezegd is t. o. v. de opstanding « En wat aangaat de opstanding der doden ... », enz. De doden leven voor God met het oog op en in hun opstanding. Niet nu.
Gen. 13:15 geeft ook de sleutel om te verstaan, wat het « eeuwige leven » is. We wezen er reeds op, dat dit aanvangt in de toekomende eeuw, Mk. 10:30; Luk. 18:30. Ook dit berust op de belofte van Gen. 13:15. Het « eeuwige leven » begint bij de opstanding. Het is niet nu in de gelovige. Deze heeft het alleen doordat hij Christus heeft. Niet in zichzelf. Het « eeuwige » (= aionische) leven is in de Zoon. 1 Joh. 5:11.
Verdere Beloften. We bespraken reeds Job 19:25-26. Job weet, dat zijn Verlosser ten laatste op het stof zal staan. Dan zal hij God aanschouwen vanuit zijn vlees.
Ps. 17:15 zegt: « Ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw Beeld als ik zal opwaken ».
Ps. 37:29: « De rechtvaardigen zullen de aarde (of het land) erfelijk bezitten en in eeuwigheid daarop wonen ». Dat geldt vele O. T. rechtvaardigen. Men lette er op, dat zij « in eeuwigheid » er op zullen wonen. Dit kan allen gelden in de opstanding.
Ez. 37:12, 13: « Zie, Ik zal uw graven openen en ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk. Ik zal u brengen in het land Israëls en gij zult weten, dat Ik de Heere ben als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk. »
Dan. 12:2: « En velen dergenen die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven en genen tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzing ».
Men ziet ook hier weer dat het eeuwige leven bij de opstanding aanvangt. Zo ook de afgrijzing. Wanneer dit nu plaats heeft, zegt ons het verband: na de grote verdrukking, zie 12:1 en 11:45, na de Antichristus. Uit deze plaats, ziet men duidelijk, dat de doden slapen, in het stof der aarde en eerst moeten opstaan, willen zij het leven of hun straf ontvangen.
In het N. T. geeft Christus de belofte van het opwekken ten uitersten (= laatsten) dage, Joh. 6:39. 40, 44, 54. De opstanding die dan plaats heeft, verwachtte Martha en zeer zeker ook Maria. Deze omvat mede wel de eerste opstanding van Op. 20. Ze ligt in de toekomst.
Paulus leert, dat er een opstanding zal zijn van rechtvaardigen en onrechtvaardigen, Hand. 24:15. Hij zegt ook, dat de ontslapen gelovigen van de Thessalonicenzergroep eerst moeten opstaan, willen zij bij de Heere kunnen komen, 1 Thess. 4:16.
Niemand hunner is dus nu bij de Heere. Dat heeft eerst plaats na de opname en deze is toekomstig. Zie ook 2 Tim. 4:1.
De Heere Jezus spreekt ook over de opstanding ten oordeel. Dan zullen de mannen van Ninivé en de koningin van Scheba opstaan met Israëls geslacht en het veroordelen, Mt. 12:41, 42. Joh. 5:29 spreekt ook over deze opstanding ten oordeel. De St. V. zet in Joh. 5:29: verdoemenis. Dit is beslist onjuist; er staat oordeel. In dat oordeel is zelfs een opstanding tot leven mogelijk. Op. 20:15, Joh. 5:29. We komen op de volgorde nog terug. Uit bovenstaande blijkt voldoende, dat de Schrift de opstanding leert. Geen bewust voortleven na de dood.
Christus' Opstanding. Christus' opstanding vraagt een, aparte behandeling. Velen toch ontkennen, dat dezelfde Jezus Die gestorven is, ook is opgestaan. Zij leren, dat Hij een geheel ander lichaam heeft aangenomen en het afgelegde lichaam nog ergens bewaard wordt (Russellisten). Dit nu is de opstanding bij de grond afsnijden. Zo komen we op de lijn der zielsverhuizing.
Ps. 16:10 zegt, dat 's Heeren Heilige in de sheool niet verlaten zou zijn en dat Zijn vlees geen verderving zou zien. Dit betekent niet, dat het vleselijk lichaam tot op nu bewaard zou worden, maar dat de dood geen vat op Hem zou hebben, dat Zijn lichaam niet tot vertering zou overgaan. Het zou onaangetast bewaard worden tot de dag der opstanding. Dezelfde Die nedergedaald is in de benedenste delen der aarde, is ook opgevaren ver boven (over boven) al de hemelen, Ef. 4:9, 10. Dit is de onwrikbare zuil der opstanding. Zonder dat is alles ijdel. De Zoon des mensen zou ten derden dage opgewekt worden, Mt. 16:21; 17:22, 23; 20:18, 19. Dezelfde Jezus Die stierf, stond weder op. Zie Mt. 28:5, 6, 9, 10. Hij was het Zelf, getuigt Hij, Luk. 24:39, 40. En dat Hij hetzelfde lichaam had, bewijst de verschijning aan Thomas. Deze moest zijn vinger en handen komen leggen in de kruiswonden. Kan het sterker? Men zegge niet, dat het een schijnlichaam was dat de Heere slechts aannam. Het was hetzelfde lichaam dat God hem door de vleeswording had toebereid, hetzelfde, dat aan het kruis had gehangen. Alleen, Hij had de dood verslonden tot overwinning. Zij die menen, dat Christus' lichaam nog ergens bewaard wordt, moeten feitelijk leren, dat de dood Hem, gehouden heeft. En alle leer die zegt dat Hij een ander lichaam heeft aangenomen, is een soort van theosofie. Joh. 10:17 zegt in de grondtekst, dat Hij Zijn ziel d. i. hele persoon, gesteld heeft om die weer te nemen.
Bewijs voor een en ander is ook nog Fil. 3:21. Het lichaam der gelovigen kan wel veranderd en gelijkvormig worden aan het lichaam Zijner heerlijkheid, maar dat betreft dat het lichaam hunner vernedering. God bewaart dat lichaam ook niet. Het wordt veranderd. Zo nu is Christus eigen tot de dood vernederde lichaam ook veranderd. Hij kreeg er geen ander lichaam voor in de plaats, maar hetzelfde in het graf liggende lichaam verslond de dood tot overwinning en met dat lichaam ging Hij uit het graf om Zich de Vader voor te stellen als de opgewekte Christus.
Geen Opstanding des Vleses. We keren nu terug tot de hoofdlijn: de opstanding der doden Eerst staan we nu nader stil bij het hoe dier opstanding.
Velen menen, dat er opstanding des vleeses is. Hieronder verstaat men dan, dat alle beenderen die men gehad heeft, weer bij elkaar moeten komen, dat het vlees, dat tot stof vergaan is, weder over en om het gebeente moet gelegd worden, dat de huid er weer overgetrokken moet worden. Zulks wellicht mede door Ez. 37.
Wij geloven niet dat er een opstanding des vleses in die zin zal plaats hebben. De Schrift zegt dit niet. Ezechiël 37 betreft een vizioenaire voorstelling. Een been typeert daar een Israëliet, de overkleding met vlees en een huid typeert het nationale bestaan. De Geest die er inkomt wil zeggen de ware herleving van het volk in de toekomende eeuw.
De Schrift leert de opstanding der doden: Dit is een vernieuwing van het lichaam in een ogenblik. Het in het graf bewaarde wezen des mensen, dat de moederschoot negen maanden nodig had om kind te worden en daarna nog een 20 jaar om volwassen mens te worden, groeit nu in een ogenblik uit tot het lichaam dat worden moet. De opstanding is dus een zeer snel groeiproces. Althans van hen die « naakt » bevonden worden.
In 1 Cor. 15:36 e.v. geeft Paulus ons enig inzicht daarin. Hij spreekt van het graan dat in de aarde sterft en waaruit nochtans een nieuw lichaam voortkomt. Het graan, de korrel sterft en staat als zodanig niet weer op. Er is dus geen opstanding des vleses. Wel van. het wezen, want het graan herleeft in hogere vorm in halm en aar. Zo is de opstanding der doden. De doden krijgen in de opstanding een nieuw lichaam.
Het opstandingslichaam houdt verband met het vorige leven. Zij die als gelovigen sterven, ontvangen een verheerlijkt lichaam. Zij die als ongelovigen sterven, derven dat en zullen weder een gewoon lichaam hebben. Die als kinderen stierven, staan als kind op, Op. 20:12. In allen dele is er dus aansluiting bij het bereikte in het vorige lichaam. Ook hier gaat de stroom niet boven de bron. Met de gesteldheid waarmee men in het graf gaat, komt men er weder uit. Maar dit houdt niet in, dat er opstanding van hetzelfde vlees is. Wel van dezelfde persoon. We spreken daarom niet van de opstanding des vleses maar van die der doden. En die gelijkt op het sterven en ontkiemen van het zaad. Alleen is het proces ontelbaar veelvoudig versneld.
Volgorde In De Opstanding. De kerkelijke belijdenisschriften kennen slechts één algemene opstanding. Eenmaal staat de hele mensheid voor Christus' rechterstoel. Dit nu is tegen de Schrift. Paulus leert in 1 Cor. 15 dat er orden zijn. We geloven dat ook en achten deze voort te komen uit je geestelijke doorleiding.
We zagen reeds, dat er een opstanding ten laatste dage is. Deze geldt o. i. de O. T. rechtvaardigen in het algemeen. Zij zagen uit naar het leven in Kanaän « tot in der eeuwigheid ». Zij verwachtten de opstanding ten laatste dage en de ingang in het door God op te richten Koninkrijk. Daarnaar zien ook uit de gelovigen in de toekomende verdrukking, Op. 20:4. Zij verkrijgen de eerste opstanding. Deze opstanding verschilt duizend jaar van de tweede, die der niet in God gelovigen. Deze worden geoordeeld naar hun werken. Zij worden niet alle veroordeeld, er is hierbij een uitgaan tot de opstanding des levens mogelijk, Joh. 5:29. De anderen komen tot de opstanding des oordeels, grondtekst Joh. 5:29. Zo vinden we reeds twee hoofdopstandingen als we de opstanding ten laatste dage en de eerste laten samenvallen.
Vele gelovigen menen, dat dit alles is, dat er nu niet méér is. Wij menen, dat zij hierin onjuist zijn en zien nog meer opstandingen. Vooreerst die van 1. Thess. 4. Voor hen die menen dat deze groep (die zij, alhoewel onjuist, houden voor het Lichaam van Christus) opgenomen wordt vóór de grote verdrukking komt, moet logischerwijze daaruit volgen, dat de opstanding daaraan verbonden voor de ontslapenen, reeds moet vallen vóór die ten laatste dage. Voor hen die geloven dat de opname plaats heeft na de grote verdrukking, schijnt de zaak moeilijker. Toch blijkt ook dan. dat de groep van 1 Thess. 4 en 1 Cor. 15 een vooropstanding heeft. Immers, zij gaan de Heere tegemoet. Hij is dan nog niet op aarde weergekomen, de laatste dag is nog niet aangebroken. Die laatste dag toch is het plaats nemen op Zijn troon, Op. 3:21, Mt. 25:31. En dat heeft bij de opname nog niet plaats gehad. Zo komt er in de Paulinische lijn nog een opstanding bij. Deze noemt de Schrift in Hebreën o. i. de betere opstanding, Heb. 11:35. We vinden op deze wijze de dingen beziende dus drie grote opstandingen:
1 de betere, die van 1 Thess. 4 — 1 Cor. 15.
2 de eerste opstanding.
3 de tweede opstanding.
De Uitopstanding. Hiermee is evenwel het hoogste niet gegeven. God heeft méér dan dat geschonken. Waar Christus' komst menselijkerwijze door Israëls verharding is uitgesteld, is hiermee ook de opstanding van 1 Thess. 4 uitgesteld, daar wij niet anders kunnen zien dan dat de opname plaats heeft uit de toekomende toorn, 1 Thess. 1:10 (grondtekst); 2 Thess. 1:7. Hiermee zou dus niemand 's Heeren lof kunnen vermelden, want in 't stille graf zingt niemand 's Heeren lof. Dat nu duldt Gods eer niet. Vandaar dat Hij Satan overheerst heeft. Hij heeft na Israëls verharding en terzijde zetting een nieuwe bedeling geopend, de bedeling der verborgenheid en daarin een nieuwe hoop gegeven. Nu is het niet de opname, maar het komen tot de uitopstanding, een woord, dat de St. V. in Fil. 3:11 overgezet heeft door wederopstanding. Deze uitopstanding nu heeft plaats als men gejaagd heeft om Christus' dood gelijkvormig te worden.
Dit is: als men zoals Hij korte tijd in het graf is. Aan wie dat mag te beurt vallen, wordt het bereid, dat hij reeds nu opstaat, niet behoeft te wachten op 's Heeren wederkomst en dat hij reeds nu Gods veelvuldige wijsheid kan verkondigen aan de overheden en machten in de overhemelse, Ef. 3:10. Dit is dan het ontbonden worden en bij Christus zijn, Fil. 1:23 en dat is verreweg het beste.
Onder het ontbonden worden verstaat men thans algemeen, dat de ziel het lichaam verlaat. Deze leer is vanzelf gevolg van de leer der onsterfelijkheid die onjuist bleek. De verklaring van Pijl. 1:23 is dus ook onjuist. In de grondtekst staat een woord, dat ook voorkomt in Luk. 72:36, n.l. wederkomen. De heer kwam weder van de bruiloft. Als we deze betekenis ook in Fil. 1:23 aan het woord geven, dan zegt Paulus dus, dat hij wenst weder te komen en dit zal dan hier moeten betekenen: uit het graf om bij Christus te zijn. Het ontbonden worden is dan niet de scheiding van lichaam en ziel, maar de losmaking van de hele persoon uit het graf. Eerst zo komt Paulus dan bij Christus. Paulus acht dit verreweg het beste. Dus beter dan iets anders, b.v. 1 Thess. 4. Fil. 1 en 3 gaan daarmee uit boven zijn eerste verwachting. Vandaar dat hij jaagt naar de prijs der roeping Gods die boven is en deze nog niet verkregen had, wat met de opname wel het geval was. Zo vinden we dus ook nog een aparte persoonlijke vooropstanding.
Uit Fil. 1 en 3. We gaan verder nog iets na uit Fil. 1. Paulus wordt van deze twee gedrongen, zegt de St. V. Het Grieks zegt: uit de twee samengehouden, bevangen gehouden. Wat hij nu verkiezen zal, weet hij niet, zegt de St. V. Het Gr. heeft: maak ik niet bekend. Het woord door weten » vertaald, komt 24 maal in het N. T. voor. Hiervan is het 22 maal vertaald door bekend maken of worden, 1 maal door kond doen, dus ook bekend maken en alleen in Fil. 1 door weten! We, menen, dat dit onjuist is en er moest staan: dit maak ik niet bekend. Het waarom volgt dan in het volgende: hebbende begeerte om ontbonden te worden en bij Christus te zijn want dat is verreweg het beste. Paulus maakt niet bekend of hij het leven of het sterven voor Christus verkiest. Beide waren gewin. Niet voor hem, maar voor Christus.
Men lette er op dat het « hem » van vers 21 cursief staat, dus niet in de grondtekst. Het leven is hem Christus en het sterven is gewin, n.l. voor Christus. En door die beide nu bevangen gehouden, wil hij als derde liever « ontbonden » worden en bij Christus zijn. Dat ontbonden worden is niet het sterven, want hij heeft juist gezegd dat hij niet bekend maakte wat hij verkoos. Ook niet het leven op aarde. Ook dat maakte hij niet door de keuze bekend. Het moet iets anders zijn, dat de twee vorige overtreft. En dat is het ontbonden worden, d. i. weder keren uit de hadès, uit de doodsmacht om dan bij Christus te zijn. Daartoe moet hij dan Diens dood gelijkvormig worden en komen tot de uitopstanding uit de doden, Fil. 3:10, 11.
Om daartoe te komen jaagt Paulus. Hiertoe moet hij Christus op een bijzondere wijze leren kennen en tevens de kracht Zijner opstanding. Dat had hij nog niet gegrepen. Hij was nog niet volmaakt. Hij zag nog een wit voor zich dat bereikt moest worden, vs. 13, 14. Eerst als hij dat bereikt had, kon hij zeggen de prijs verkregen te hebben.
Uit 2 Tim. 4:6-8 weten we, dat Paulus de prijs behaald heeft en tot de uitopstanding gekomen is. Hij zegt daar immers, dat de tijd zijner ontbinding aanstaande was. Dat kan toch niet betekenen, dat hij nog 1900 en meer jaar in het graf zou liggen. Die dat gelooft, moet ronduit zeggen, dat Paulus zich vergist heeft. En dat aanvaarden we niet. We geloven daarom, dat hij tot de uitopstanding gekomen is en « ontbonden » is, d.i. wedergekeerd uit de « hades » en door een verborgen hemelvaart tot Christus gevoerd is. Of beter nog: dat Christus Zelf eerst van de hemel is nedergedaald om het lichaam van Paulus' vernedering te veranderen en dat Hij het gelijkvormig gemaakt heeft aan zijn heerlijk lichaam (Fil. 3:20, 21). Zo is Paulus bij Christus gekomen en opgevaren boven al de hemelen om mede te zitten aan Gods rechterhand.
VII. - Besluit.
Samenvatting. Hiermee menen we de hoofdlijn en de voornaamste bijzonderheden te hebben gegeven. Dood is geen andere vorm van leven, geen voortleven na de dood. De doden zijn onbewust in de Hades. Alleen door de opstanding komen zij tot en in het leven terug. Deze opstanding is echter geen algemene maar heeft zijn orden. De hoogste, beter die welke in onze bedeling kan plaats hebben, is de uitopstanding. Deze is voor de Leden van het Lichaam van Christus die de prijs der roeping Gods behalen. Een andere is de betere opstanding die plaats heeft bij het gaan ter ontmoeting van de Heere in de lucht. Dan volgt de eerste opstanding. Dan 1000 jaar later de tweede. De opstanding is dus meervoudig. Er is niet een algemene opstanding. Het oordeel heeft niet plaats bij de dood maar voor de meerderheid bij Chrisus' verschijning en in Zijn koninkrijk, 2 Tim 4:1. Met bovenstaande voor ogen, staan we sterk tegen alle andere meningen en zijn we consequent in de doorvoering van het door God onderwezene. We wensen de lezer gaarne toe met Paulus te komen tot de uitopstanding uit de doden. Dat is verreweg het beste. Want dit verheerlijkt God het meest, wijl Hem daardoor nu reeds lof en eer wordt toegebracht voor alles wat Hij in Christus geschonken heeft.
Aanhangsel
Aan het voorafgaande, overdruk van de artikelen die in het tijdschrift « Uit de Schriften » zijn verschenen, voegen we nog een korte beschouwing toe over wat Dr. H. Bavinck, in leven professor eerst aan de Theologische School te Kampen en later aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, over de toestand na de dood schrijft in zijn groot werk : « Gereformeerde Dogmatiek ». We citeren enige uitspraken uit deel IV daarvan.
Bl. 573 : « De onsterfelijkheid der ziel schijnt van de grootste betekenis te zijn voor godsdienst en leven; en de Schrift maakt er nooit met even zovele woorden gewag van; zij kondigt haar nooit als ene Goddelijke openbaring af en stelt haar nergens op den voorgrond. »
Bl. 576: « Voor ene beschouwing die alleen het lichaam sterven laat en zich troost met de onsterfelijkheid der ziel, is in het Oude Testament geen plaats. De ganse mens sterft... »
Bl. 587: « Luther zelf stelde den tussentoestand der vromen nog dikwijls als een slaap voor, waarin zij rustig en stil de toekomst des Heeren verbeiden. »
Bl. 593 : « Alles schijnt er dus voor te pleiten, dat de zielen na den dood in een slapende, bewusteloze toestand verkeren. En de Heilige Schrift is er, naar zich oppervlakkig laat aanzien, zoverre van af, dat zij deze leer van den zieleslaap veroordeelt, dat zij veleer haar aanprijst en begunstigt. Immers, noemt zij niet alleen in het Oude, maar ook in het N. T. het sterven meermalen een slapen... Jezus spreekt van den nacht des doods waarin niemand werken kan, Joh. 9: 4... »
Bl. 592 : « Wijl het lichaam geen kerker der ziel is, maar tot het wezen van den mens behoort... »
Bl. 594 : « De toestand des doods is een slaap, de gestorvene slaapt omdat het verkeer met de diesseitige wereld (d. i. de wereld hier) opgehouden heeft. »
Wie uit dat alles de konklusie zou trekken, dat Dr. Bavinck aan een onbewuste toestand in de dood gelooft, is mis. Op het laatste citaat toch volgen de woorden : « Maar nergens zegt de Schrift, dat de ziel van den gestorvene slaapt; integendeel stelt zij deze altijd na den dood als meer of minder bewust voor; en als de openbaring voortgaat, treedt het hoe langer hoe duidelijker aan het licht, dat, terwijl in den dood alle relaties tot deze wereld worden afgesneden, er terstond daarvoor andere verhoudingen tot een andere wereld in de plaats treden. » Dr Bavinck citeert hiervoor dan de teksten : Luk. 16: 23, Joh. 11: 25, 26; Luk. 23: 43, Hand. 7: 59, 2 Cor. 5: 8; Fit 1: 23; Op. 6: 8, 7: 9.
We kunnen het gehele betoog van Dr. Bavinck niet op de voet volgen. Wie dat wenst te doen, leze het zelf na in zijn handboek. We wilden slechts een enkel woord van kritiek doen horen op Dr. Bavincks visie.
Ten eerste verwerpt hij het herstel van Israël en ziet hij in de gelovigen onzer bedeling de geestelijke voortzetting van dit volk ¹. Hiermee komt alles in geheel ander licht. Immers, nu gaat aan het eind der dagen de tijd over in de « eeuwigheid », en is er voor het « een iegelijk in zijn orde » geen plaats meer. De gelovige moet reeds hier met Christus opstaan tot een nieuw leven; dat is dan de eerste opstanding; de tweede is dan de letterlijke opstanding der goddelozen.
Ten tweede aanvaardt Dr. Bavinck niet, dat de mens heeft geest, ziel en lichaam. De eerste zijn voor hem identiek. Dit geeft aanleiding tot de grootste verwarring. De geest die tot God wederkeert, is niet de persoonlijke ikheid. Hij keert weder zoals God hem gaf, als levensstroom. De ikheid, 's mensen wezen in een centrum of kern samengetrokken, daalt neer in de Hades en rust daar tot de opstandingsdag.
Ten derde meent Dr. Bavinck, al moet hij toegeven dat het O. T. geen bewuste toestand na de dood leert, en ook dat « alle gestorvenen zich tot de opstanding toe ook volgens het N. T. in den hades, die het rijk der doden is, bevinden », dat er nochtans reeds onderscheid is. Hij beroept zich daartoe bijzonder op Luk. 16, waar de arme Lazarus in Abrahams schoot gedragen wordt en in gemeenschap met Abraham de zaligheid geniet en, op Luk. 23: 43, het bekende kruiswoord, verder op het evangelie van Johannes, dat leert « dat de gelovigen hier op aarde reeds het beginsel des eeuwigen levens hebben en een gemeenschap met Christus deelachtig zijn die niet door Zijn heengaan (12:32, 14:23) noch door den dood (11:25, 26) wordt verbroken en eens in een eeuwig bijeenzijn voltooid wordt » 6:39; 14:3, 19, 16:16; 17:24). Verder wijst hij op Hand. 7:59, Rom. 8:10, 34 14:8,.
1 Thess. 5: 10, Pil. 1: 23; 2 Cor. 5: 8, Op. 6:8; 7:9. De gelovigen hebben terstond na de dood in de hemel een voorlopige zaligheid, de ongelovigen komen reeds terstond in een plaats der pijniging. Zij hebben terstond een oordeel, Heb. 9:27. De gelovigen worden echter eerst door de opstanding volkomen van de heerschappij des doods bevrijd.
Men weet, dat dit de traditionele leer is en ziet, dat Dr. Bavinck die ook niet te boven komt. Hij komt daarbij tot een inconsequentie waarop we even moeten wijzen. We vinden op bl. 591 (deel IV van zijn Geref. dogmatiek) het volgende : « Sterven is een uittreden uit dit leven, een verbreken van alle banden met deze wereld; de dood is in betrekking tot deze wereld een niet-zijn, een rusten, een slapen, in één woord, een volkomen dood zijn voor het ganse rijke leven op aarde. De doden hebben geen deel meer voor eeuwig aan al wat onder de zon geschiedt, Pred. 9:5, 6. » Deze uitspraak is in tegenspraak met Luk. 16 als we dit dan traditioneel moeten opnemen. De rijke man bemoeit zich nog wel degelijk met aardse dingen : hij denkt aan zijn broers, en Abraham herinnert hem aan zijn vroegere leven waarin hij het goede had. Abraham weet ook af van Lazarus' slechte dagen. Hieruit blijkt, dat de doden, die volgens Dr. Bavinck « alle banden met deze wereld » verbroken hebben volgens Luk. 16 er zich mee bezig houden. Aan Dr. Bavinck is dit ontgaan. Hij schrijft dingen neer, die met elkaar strijden.
We stellen er dit tegenover. Luk. 16:16-31 is tegenhanger van de verloren zoon. Van deze staat, dat hij dood was. Dit is een symbolische dood. Zo handelt Christus in Luk. 16 over een symbolische dood. De rijke man typeert hier Israël, althans het voornaamste deel er van. Toen de verloren zoon voor zijn vader dood was, leefde hij in den vreemde en kwam dra in de ellende. De rijke man komt in de pijn. Dit is Israël in de vervolgingen. Het werd begraven onder de volken en is daar in allerlei nood en druk. De Lazarusgroep, zij die Christus aannamen, vindt vertroosting in de Abrahamietische sfeer, Christus spreekt hier over een symbolische dood. Daarbij kunnen de personen naar het lichaam leven. Dat het hierbij een symbolische dood betreft, blijkt mede aan de lichaamsdelen die aan de rijke man worden toegekend. Wie het symbolisch verklaart — en moeten alle gelijkenissen dus ook die van Luk. 15 en 16 niet zo verklaard worden — komt tot betere uitkomst dan Dr. Bavinck.
Het eeuwige leven beschouwt Dr. Bavinck als een gemeenschap die o. m. door de dood niet verbroken wordt. De gelovigen hebben terstond na de dood een voorlopige zaligheid. Wat zegt echter de Schrift. Dat men het eeuwige leven niet terstond na de dood ingaat, maar eerst in de toekomende eeuw. En deze eeuw vangt eerst aan bij Christus' komst. De Schrift kent geen voorlopige zaligheid. Christus' woord is afdoende. In de toekomende eeuw (aioon) het eeuwige (aionische) leven (Mk. 10:30). Dus geen voorlopig eeuwig leven, geen voorlopige zaligheid, geen onmiddellijke volle gemeenschap. Het is eerst in de toekomende eeuw of bij de opname, althans voor de meeste gelovigen. De uitzondering wordt gevormd door hen die tot de uitopstanding komen. Maar ook bij hen vangt het hogere leven nog niet vlak na het sterven aan. Ook zij moeten eerst opstaan en ook voor hen is er een, zij het korte, tussenperiode.
De klippen waarop Dr. Bavinck en met hem de Kerktheologie strandt, zijn deze: Hij gelooft Israëls herstel niet en krijgt daardoor geen perspectief in de toekomst. Hij moet om dit te bereiken, de O. T. profetie vergeestelijken. Hij vergeestelijkt ook de eerste opstanding. Hij leert, dat God een onsterfelijke ziel geschapen heeft die men daarbij verwart met 's mensen geest, terwijl hij vergeet, dat de eerste mens tot een levende ziel geworden is. Hij neemt het slapen op als een bewust voortleven in een andere sfeer. Hij strandt bijzonder op Luk. 16 en meent dat dit een voorstelling is van het leven na de werkelijke dood. Hij komt met zijn eigen uitspraken — dat is niet zo erg — en met die der Schrift — en dat is veel erger — in konflikt. De doden weten niet met al, leert deze. Luk. 16 kan dus niet over letterlijke doden handelen. De overige teksten waarop hij zich beroept, zijn zwakke bewijsgronden; zij kunnen heel wat beter anders verklaard worden. Zo blijkt, dat èn de basis èn de uitwerking van Dr. Bavincks uitlegging in dezen, scheef zijn. Hoe geleerd hij moge geweest zijn, in dezen heeft hij gefaald. Indien men zijn getuigenis aanneemt, het getuigenis Gods is meer. Het zijne is scheef en daarbij inconsequent. Gelijk we aantoonden.
Het is zeer te betreuren, dat Satan met zijn leugenleer zelfs de beste en grootste uitleggers misleidt. Dit moet ons een spoorslag te meer zijn om ons vast te klemmen aan wat de Schrift leert, de hoofdlijnen daarvan na te speuren en ons niet te laten afleiden door wel voor het gevoel aangename dingen, maar die de toets der Schrift niet kunnen doorstaan. Niemand komt « naakt » tot de Heere. God doet geen half werk. Hij geeft geen voorlopige zaligheid. God is een « God van volkomen zaligheid, » Ps. 68:21. Hij kent het halve niet. Men herleeft alleen in de opstanding en heeft dan meteen ook een lichaam. Lijfloze, ontlichaamde zielen bestaan niet. Zelfs alle geestwezens zijn nog lichamelijk. Zo ook elk menselijk wezen. Of het ontkleed is, naakt, de lichamelijkheid blijft. Het mag dan een « naakt graan » zijn, lichamelijkheid heeft het. In de opstanding verrijst uit de korrel het lichaam, komt uit de naakte mens een die weer de gewone menselijke vorm heeft. Dat kan zijn in verschillende trappen van heerlijkheid, maar in geen enkele heerlijkheidssfeer gaat men binnen zonder lichaam. Van een halve overwinning weet de Schrift niet. De dood is eerst dan verslonden tot overwinning als het verderfelijke de onverderfelijkheid heeft aangedaan. Dat geschiedt niet bij de dood, maar bij de opstanding. Men doorzie Satans leugenleer en houde zich aan de Schrift, dat de doden slapen en wel tot aan de morgen hunner opstanding. En dat verder als regel het woord geldt: een iegelijk in zijn orde. De enige uitzondering zijn zij die tot de uitopstanding komen. Zij hebben een persoonlijke vooropstanding.
We willen nogmaals duidelijk uitspreken, dat er geen enkel redelijk schepsel welk dan ook (geest, engel, mens) onsterfelijk geschapen is. Zij kunnen wel de onsterfelijkheid verkrijgen (ook zonder te sterven (zie 1 Cor. 15:52-54), maar hebben die niet in hun wezen. God alleen heeft onsterfelijkheid en zelfs Christus is een maal gestorven. 't Is Zijn verdienste, dat Hij door Zijn opstanding de gave der onsterfelijkheid, de onsterfe¬lijkmaking, verworven heeft en dat zowel voor het gevallen als ongevallen schepsel. Daarom heeft Christus' werk ook grote betekenis voor de ongevallen wezens. Zij kunnen door Hem de onsterfelijkheid verkrijgen. Al liggen zij niet in de dood, het onvergankelijke leven is er alleen door Christus.
Tot besluit. Eenmaal zal blijken, dat allen die iets anders zullen geleerd hebben dan de opstanding der doden iets vergankelijks op het Fundament zullen gebouwd hebben (1 Cor.
3:11-15). « De dag zal het verklaren. » Allen die geloven in de scheiding van ziel en lichaam, in een bewust voortlevende ziel, die ze ook geest noemen, en menen dat de ziel weer in het nieuw te vormen lichaam zal varen en dan zal opstaan, zullen, al mogen zij nog zoveel volgelingen gehad hebben en voor nog zulke grote gelovigen zijn doorgegaan of nog zulke grote schrijvers, redenaars of evangelisten geweest zijn, toch eenmaal in dit opzicht tot de erkenning moeten komen, dat zij gedwaald hebben. Sommigen doen dit geheel te goeder trouw, door opvoeding en kerk- of groepsleer. Anderen verzetten zich meer bewust tegen wat de Schrift leert. Echter, allen zullen de Schrift moeten bijvallen. Deze zegt, dat de doden zijn in graf, hades of zee (Op. 20:13), dus niet in hemel of paradijs, vagevuur of hel. En dat er is een opstanding der doden (Hand. 24:15), waaruit volgt dat er eerst een nederliggen is geweest in de dood. De « ziel » d. i. de hele persoon komt in de hades, het grote graf, of in de doodstoestand (Ps. 89:49) en dat is een land zonder ordeningen met geen paradijs — en geen hellehelft. De doden weten niet metal. En dat zij gevangen zijn, al voelen zij er niets van, volgt uit Op. 1:18; waar Christus zegt, dat Hij de sleutels heeft van hades en van dood. Het « eeuwige » (lees aionische) leven verkrijgt men lichamelijk óf eerst in de laatste bazuin (1 Cor. 15:52) óf in de toekomende eeuw (Mk. 10:30, Luk. 18:30). Wie het nu heeft, heeft het, evenals al Gods heil, in de geest. In volle realiteit is het nog slechts in de Zoon (1 Joh. 5:11). Dus niet in ons (dan alleen door geloof). De grote meerderheid der gelovige doden rust in het graf tot aan de laatste bazuin en de toekomende eeuw. De uitzondering is alleen voor hen die tot de uitopstanding komen. Maar ook dit is een opstanding welke de leer die wij voorstaan, weer bevestigt.
We weten, dat deze leer nooit populair zal worden. Dit wist Paulus ook reeds: in 2 Tim. vinden we een somber verschiet door hem getekend. Echter leert hij ook: « Predik het Woord, houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk ». En hij voegt er aan toe: « wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer »,
4:3. Men heeft dus het Woord te prediken, aan God overlatende wat Hij er mee doen wil. We hopen dat de lezers ook mede door deze en de voorgaande uiteenzetting er toe opgewekt mogen worden om dit deel van het Woord naar voren te brengen en met Paulus te leren de opstanding der doden. En met hem te jagen naar de uitopstanding. Dan wordt voor hen de dood ras te niet gedaan.
|