De Mens der Zonde
Benamingen.
In O. en N.T. De tweede persoon die we willen bespreken, is de Mens der zonde. Deze naam komt alleen voor in 2 Thess. 2:3, waar ook nog een andere van hem wordt gegeven, n.l. « Zoon des verderfs », terwijl hij in vs. 8 « de Ongerechtige heet », of volgens de grondtekst « de Wetteloze ». Al komen deze namen alleen hier voor, toch geloven we, dat dezelfde persoon onder andere namen al eerder in de Schrift getekend wordt en we hem in Daniël aangeduid zien als « de Kleine Hoorn », in Dan. 7:8, 20, 21 en 8:9-12 en 23-25, als « Vorst » in 9:26, als « de Verachte » in 11:21 en de Koning die doet naar zijn welgevallen, in 11:26. In de Openbaring wordt hij genoemd « het Beest », 13:3, 4 e.v. en 17:11. Is dit juist, dan volgt daaruit, dat hij een politieke figuur is, een vorst, een veroveraar, een staatshoofd. We zullen over een en ander nader handelen. Vooraf zal het nodig zijn met enkele korte woorden over Daniël 2 en 7 te spreken waardoor het geheel veel duidelijker zal worden.
IX. De Kleine Hoorn.
In Daniël.
Daniël 2. In Daniël 2 wordt ons, naar men weet, Nebukadnezars droom verhaald en Daniëls uitlegging er van gegeven. Men heeft hierin steeds de opeenvolging van de grote wereldrijken gezocht. En terecht. Toch is het zo goed als aan alle uitleggers ontgaan, dat er vijf grote rijken zijn. Te algemeen neemt men er vier aan. Of, indien men er al vijf ziet, zoekt men het vijfde o.i. op een verkeerde plaats. Voor een uitvoerige uiteenzetting verwijzen we naar ons werk: « Uit Israëls Profetie », hfdst. IV. Het Boek Daniël. Hier het volgende:
Het eerste koninkrijk wordt genoemd in vs. 31, ‘t is het hoofd; het tweede de borst, in vs. 32; het derde de buik, in vs. 39; het vierde de benen, in vs. 40; het vijfde de voeten en tenen, in vs. 41-43. Dit vijfde rijk is voor ons nog toekomstig en zal de voorgaande overmeesteren. Dat er vijf zijn, volgt duidelijk uit wat er staat in vs. 32 en 33, 35 en 45. Daarin worden goud, zilver, koper, ijzer en ijzer en leem genoemd. Voor ons typeert het goud het Babylonische, het zilver het Medo-Perzische, het koper het Grieks-Macedonische, het ijzer het Romeinse en het ijzer en leem een toekomstig rijk. Dit is het eerste wat men in het oog moet houden. Het tweede is, dat ze eenmaal alle te samen worden vermalen, vs. 35 en 45. Ze moeten eenmaal dus alle weer aanwezig zijn, anders kan dit te samen niet tot zijn recht komen. Het hele beeld wordt vermalen, vs. 34.
De vraag of een rijk een der in Daniël 2 door metalen aangeduide is, kan naar onze mening eenvoudig worden opgelost als men in het oog houdt, dat Nebukadnezar de dingen van uit Babel bezag en dat Daniël de uitlegging beziet van uit Israëls standpunt. We moeten steeds Babel en Jeruzalem in het oog houden. Het einde is de oprichting van het koninkrijk dat aan geen ander volk zal overgelaten worden. Dit is het Koninkrijk der hemelen, dat aan Israël opgericht zal worden. Elk der bedoelde wereldrijken heeft daarom iets met Babel en met Jeruzalem te maken. Wat hieraan niet beantwoordt, is niet bedoeld. Nu heeft Babel Jeruzalem bezeten, Medo-Perzië Babel en Jeruzalem; Griekenland Babel en Jeruzalem, het Romeinse Rijk Babel en Jeruzalem, maar het Turkse Rijk b.v. heeft wel Jeruzalem bezeten maar niet Babel. Daarom valt dit niet onder Daniël 2. Daarom menen we ook, dat het vijde rijk nog toekomstig is, omdat na het Romeinse rijk geen enkel ander meer aan deze kenmerken voldaan heeft. Tussen het vierde en vijfde rijk ligt de bedeling der verborgenheid waarin God de doorwerking geremd heeft. Deze verborgenheid kon zelfs Daniël aan de koning niet te kennen geven en kunnen wij die er in geplaatst worden, alleen scherp zien.
Daniël 7. In Daniël 7 vinden we vier rijken. De meeste uitleggers zijn hierdoor het spoor bijster geraakt en hebben gemeend, dat deze precies dezelfde waren als de vier die zij in Dan. 2 zagen. We merken hiertegenover op, dat Daniël deze droom en gezichten kreeg lang na de uitlegging van Dan. 2. Voor ons is het een inzicht niet in wat geschied is in de loop der tijden, maar in wat nog geschieden moet in de laatste tijden. De rijken van Dan. 7, gesymboliseerd door vier dieren, komen alle gelijk op, terwijl we in Dan. 2 een opeenvolging hebben. De moeilijkheid is: hoe moet een en ander gecombineerd worden.
Wij zien het aldus: Nadat het vijfde rijk — nu nog toekomstig — er geweest is, komt er een tijd van oplossing, dooreenwoeling, wereldbeweging, « een zee » van door elkaar woelende volken en naties, talen en tongen. Op. 17:15 ; Jes. 17:12. Alles wordt dan opgelost. Daaruit rijzen nu die vier grote dieren op. Tegelijk. Immers, Dan. 7:7 zegt, dat het vierde dier, het overige vertrad. Voor het overige kan men ook de overige lezen. Verder zegt vs. 12: « en aangaande de overige dieren, men nam hun heerschappij weg ». In de eindtijd zijn ze dus alle aanwezig. Zo blijkt, dat het hier geen opeenvolging van rijken is.
Hoe staan ze nu tot die van Dan. 2? O.i. aldus: Het eerste dier, door een leeuw gesymboliseerd, is het herleefde Babylonische rijk. Het tweede dier, door een beer gesymboliseerd, is het herleefde Medo-Perzische rijk. Het derde dier, door een luipaard gesymboliseerd, is het herleefde Grieks-Macedonische rijk. Het vierde dier dat door geen naam uitgedrukt kan worden omdat het zo groot en verschrikkelijk is, is dan het herleefde en tot eenheid geworden vierde en vijfde rijk van Dan. 2, ongeveer Pan-Europa (Griekenland valt er dan buiten). « Dit verschrikkelijke en gruwelijke dier » vertreedt de overige. Die voor hetzelve geweest waren, zegt de St. V. « Voor » betekent hier: « ten oosten van »: « geweest waren », staat niet in de eigenlijke tekst, is dus inlassing der vertalers; we kunnen dus even goed zetten: « zijn ». Het vierde rijk zal een sterke militaire en tot de tanden toe gewapende verschrikkelijke, vreesaanjagende en gruwelijke d.i. allerlei wreedheid bedrijvende macht zijn die zich boven de anderen dieren zal verheffen en hen zal vertreden om zodoende de wereldmacht in handen te krijgen. Het zal, volgens Daniël, tien hoornen, mogelijk tien koningen hebben, waardoor het geweldig kan stoten.
De Kleine Hoorn. Wat heeft dit alles nu met de mens der zonde te maken, zal men mogelijk vragen. Veel. Want Dan. 7 toont nu, dat er een andere, een kleine Hoorn opkomt, die drie der tien hoornen van het gruwelijke dier uitrukt en zodoende zich meester maakt van dat rijk, vs. 8, 23-24. « In dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen en een mond, grote dingen sprekende ». Hieruit blijkt, dat het een mens is die dit doet. Als deze kleine Hoorn eindelijk wereldheerser is geworden, zal hij woorden spreken tegen den Allerhoogste en hij zal de heiligen der hoge plaatsen (beter: des Allerhoogste) verstoren en hij zal menen de tijden en de wet te veranderen en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot één tijd en tijden en een gedeelte eens tijds. Vs. 25.
In Dan. 8 wordt ons aangegeven, uit welk rijk de Kleine Hoorn opkomt. Eerst wordt de strijd getekend tussen Medo-Perzië, gesymboliseerd door de Ram, (zie vs. 20) en Griekenland, gesymboliseerd door de Bok met een grote hoorn, (zie vs. 21). Daarna, dat de « Hoorn » van de Bok die zich uitermate groot gemaakt had, afbrak en in zijn plaats vier aanzienlijke Hoornen kwamen naar de vier winden des hemels, vs. 8. Hierin vindt men de deling van het Grieks-Macedonische rijk in vieren. Uit een dezer vier rijken — welk zegt de Schrift niet — komt dan de Kleine Hoorn op, vs. 9. Van hem staat dan: En hij werd groot tot aan het heer des hemels en hij wierp er sommigen van dat heer, namelijk van de sterren, ter aarde en vertrad ze; ja hij maakte zich groot tot aan den Vorst van dat heer, en van Dezelve werd weggenomen het gedurig offer en de woning Zijns heiligdoms werd neergeworpen, vs. 10, 11. En verder: « Doch op het laatst huns koninkrijks (n.l. van die vier koningen die ontstaan zullen), als het de afvalligen op het hoogst zullen gebracht hebben, zo zal er een Koning opstaan, stijf van aangezicht en raadselen verstaande; en hij zal het wonderlijk verderven en zal geluk hebben en zal het doen; en hij zal de sterken mitsgaders het heilige volk verderven; en door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand, en hij zal zich in zijn hart verheffen en in stille rust zal hij er velen verderven en zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden », vs. 23-25. Op de afvalligen en de Kleine Hoorn zinspeelt Paulus in 2 Thess. 2:3, 4: « Want die (n.l. de dag des Heren) komt niet tenzij dat eerst de afval gekomen zij en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs ».
In Daniël 11 vanaf vers 21 vinden we de Kleine Hoorn andermaal getekend. Hier zien we zijn opkomst als een Verachte die de koninklijke waardigheid niet waardig geacht wordt, maar die zich toch baan breekt. Hij wordt koning. « En die Koning zal doen naar zijn welgevallen en hij zal zichzelven verheffen en groot maken boven allen god en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken en hij zal voorspoedig zijn tot dat de gramschap voleindigd zij… En op de goden (beter God) zijner vaderen zal hij geen acht geven noch op de begeerte der vrouwen (mogelijk een of andere afgod, men denke aan Salomo’s vrouwen); hij zal ook op geen god acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken », vs. 36, 37. Hierop doelt Paulus in 2 Thess. 2:4, « Die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt ». Uit een en ander blijkt, dat, al geeft het O.T. de namen van « Mens der zonde » en « Zoon des verderfs » niet, er heel wat over hem gezegd wordt. Hij is een politieke figuur die grote macht zal hebben. Op enkele zijner karaktertrekken komen we terug als we hem in het N.T. nagaan. Wat we nu gaan doen.
X. De Mens Der Zonde
2 Thess 2.
Eerst komt de afval. De politieke figuur die Daniël ziet op komen als een « Verachte » en ook ziet optreden als « de Kleine Hoorn » en als « de Koning » die naar zijn welgevallen doet, tekent Paulus in 2 Thess. 2 met andere trekken. We zeiden reeds, dat daar de termen: « Mens der zonde », « Zoon des verderfs », en « Wetteloze » gebruikt worden. We willen nu het eerste deel van het hoofdstuk bespreken.
De Thessalonicensen meenden, dat de toekomst, d.i. de wederkomst en daarop volgende tegenwoordigheid van Christus, weldra zou zijn. Er waren er geweest die dit gezegd hadden. Anderen hadden in geestverrukkingen zich daarover geuit. Nog weer anderen hadden het door het gewone woord geleerd. Zelfs had men gezegd, dat Paulus dit in een zendbrief geschreven had en mogelijk had men een, vanzelf vervalste, brief getoond. Paulus gaat hier tegen in en zegt: « En wij bidden u broeders, door de toekomst onzes Heren Jezus Christus en onze toevergadering tot Hem (d.i. met het oog op die toekomst en de opname), dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt door geest, noch door woord, noch door zendbrief als van ons geschreven, alsof de dag des Heren tegenwoordig ware », vs. 1,2.
Voor « dag des Heren » zoals de betere handschriften zetten, heeft de St. V. « dag van Christus »; voor « aanstaande » zette men « tegenwoordig ». Zo is het werkwoord vertaald in 1 Cor. 3:22, Gal. 1:4 en Hebr. 9:9, terwijl de St. V. het in 1 Cor. 7:26, 2 Tim. 3:1. En hier vertaalt door « aanstaande ».
Paulus zegt nu, dat die dag des Heren niet komt voordat er iets anders plaats heeft, n.l. voordat de Mens der zonde, de Zoon des verderfs gekomen is. « Dat u niemand verleide, want die komt niet, (die dag n.l.), tenzij dat eerst de afval gekomen zij en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods zal zitten zichzelven vertonende dat hij God is. Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? », vs. 3-5. Veel gaat aan de dag des Heren vooraf. Eerst moet de afval komen. Dat is bijzonder de afval in Israël van Mozes’ wet en inzettingen. Dan. 8:23 spreekt hier ook van « Als het de afvalligen op het hoogst zullen gebracht hebben, zo zal er een Koning opstaan, stijf van aangezicht en raadselen verstaande ». En Dan. 11:36 — we citeren het nogmaals — heeft: « En die Koning zal doen naar zijn welgevallen en hij zal zichzelven verheffen en groot maken boven allen God en hij zal tegen den God der Goden wonderlijke dingen spreken en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleindigd zij. En op de God (niet: goden) zijner vaderen zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen (mogelijk een afgod); hij zal ook op geen God acht geven, maar hij zal zich boven alles verheffen ».
Om dat te doen zet hij zich neer in de tempel Gods. Deze tempel Gods is niet een gemeente — de gemeente van Corinthe wordt zo genoemd in 1 Cor. 3:16 — maar de letterlijke stenen tempel te Jeruzalem die we ook in Openbaring 11 zien. Daar staat in vs. 1 en 2: « en de engel zeide: Sta op en meet den tempel Gods en het altaar en degenen die daarin aanbidden en laat het voorhof uit dat van buiten den tempel is en meet dat niet, want het is den heidenen gegeven en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden ». In die tempel nu zal de Mens der zonde zich neerzetten om zich Goddelijke hulde te laten toebrengen en om zich te laten « vereren ».
Men zal vragen, wat hij met de tempel Gods te Jeruzalem te maken heeft. Dit komt daar vandaan, dat hij een verbond gesloten heeft met de afvallige Joden. We lezen daarvan in Dan. 9: « Een vorst zal komen en velen het verbond versterken, een week (dat is 7 jaar, in het Hebr. staat niet week, maar zeven d.i. zevental, n.l. van jaren). » Het afvallige Jodendom aanvaardt hem gaarne als vorst. Echter, na drie en een half jaar, in de helft der week, neemt hij het spijs- en het slachtoffer weg, Dan. 9:26, 27. En ‘t is dan waarschijnlijk, dat hij in de tempel gaat zitten als een god. Dit hangt nog met iets anders samen, dat we bij Op. 13 zullen bespreken. Hij zal daar wel niet steeds zetelen, maar zich van tijd tot tijd daar vertonen. Als hij er niet is, zal hij zich toch doen vertegenwoordigen. Op welke wijze, zullen we ook bij Op. 13 zien.
Al zal hij zich verheffen tegen God en al wat God heet, daarmede is hij toch geen volkomen Godloochenaar. Dan. 11 geeft ons wat anders te zien: « En hij zal den god Maüzzim (d.i. de god der vestingen, mogelijk een of andere krijgsgod) in zijn standplaats (d.w.z. in plaats van God) eren; namelijk den god, welken zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud en met zilver en met kostelijk gesteente en met gewenste dingen », vs. 38. Daarvoor bezigt hij, uit haat tegen God, de tempel Gods te Jeruzalem.
Wederhouding, komst en einde. De komst van de mens der zonde wordt voorbereid door de werking van Satan. In Paulus’ dagen begon deze daar reeds mee. « Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alreeds gewrocht », vs. 7. Voor « gewrocht » staat « ingewerkt ». Satan begon in het verborgen de ongerechtigheid reeds in te werken. Zijn dienaars veranderden zich in dienaars der gerechtigheid, 2 Cor. 11:15. Het waren echter bedrieglijke arbeiders, vs. 13. De verharding van Israël was mede Satans werk. Ze bereidde de afval die komen zou, voor. Echter — het was nog slechts een verborgen inwerking. De volle ontplooiing was er nog niet.
De mens der zonde kan alleen opkomen als de zonde in de wereld zeer toegenomen is. Het zullen dagen zijn als in Noachs tijd. MT. 24:37. Hij komt, als de afval in Israël gekomen is. « En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden », Mt. 24:12. « Als de afvalligen het op het hoogst zullen gebracht hebben, zal er een Koning opstaan, stijf van aangezicht en raadselen verstaande », Dan. 8:23. Tot zolang echter wordt hij « weerhouden ».
Het is hiervan, dat Paulus in 2 Thess. 2 spreekt. « En nu, wat hem weerhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alreeds gewrocht (ingewerkt), alleenlijk, die hem nu weerhoudt (vasthoudt) die zal hem weerhouden (vasthouden) totdat hij uit het midden zal worden (opkomen) en alsdan zal de ongerechtige (Gr. wetteloze) geopenbaard worden… » vs. 6-8a.
Deze verzen hebben velen grote moeite veroorzaakt. Anderen leggen ze o.i. geheel verkeerd uit. Daarop wijzen we nog nader. We willen hier eerst de dingen die er staan, duidelijk naar voren brengen. We hebben daartoe op vier punten te letten: ten eerste is er iets dat « weerhoudt »; ten tweede is er iemand die dit doet.; ten derde is er een opkomen van de mens der zonde; ten vierde een zich openbaren als de wetteloze. We willen elk dezer punten behandelen na vooraf iets over onze vertaling gezegd te hebben.
In de grondtekst staat niet: « weerhouden » maar « vasthouden » zoals in 1 Thess. 5-2; dat kan men wel vrijer overzetten door « weerhouden » maar hierdoor legt men er toch een andere gedachte in. « Vasthouden » is: niet laten gaan; « weerhouden » is iets tegenhouden. Wie iets vasthoudt, kan het ook wel tegelijkertijd tegenhouden, maar dit vraagt dan een tweede werking. Het woord « weggedaan » staat niet in de tekst. Er staat: « uit het midden worde » wat men wat vrijer kan weergeven door: « uit het midden opkome ». De mens der zonde wordt niet weerhouden tot hij weggedaan wordt of iets weggedaan wordt, maar hij wordt vastgehouden totdat er goede gelegenheid is voor zijn opkomen. Dit zal door de verdere toelichting verduidelijkt worden.
1. Wat weerhoudt (vasthoudt). Er is ten eerste iets dat weerhoudt. Vele gelovigen menen, dat dit iets is « de gemeente », waaronder zij verstaan de Thessalonicenzergroep die de Heere tegemoet zal gaan in de lucht. Deze opname heeft voor hen plaats vóór dat de grote verdrukking komt. Als deze gemeente is weggenomen, verhindert niets de komst van de mens der zonde meer en kan hij optreden.
Wij menen dat dit zeer onjuist is. Nergens leert de Schrift de opname vóór de grote verdrukking. Ze heeft eerst plaats als de Heere met Michaël komt. En dit geschiedt eerst dan, « als het zulk een tijd van benauwdheid zijn zal als er niet geweest is », Dan. 12:1. Van een andere komst van Michaël weet de Schrift niet. Verder zegt 2 Thess. 1:7 en 8, dat de verdrukten eerst verkwikking krijgen « in de openbaring des Heren Jezus van den hemel met de engelen Zijner kracht, met vlammend vuur wrake doende... » Dit is eerst bij de wederkomst (Zie ook Mt. 24:30, 31). Dan zegt 1 Cor. 15:51, dat de verandering (en daarmee de opname) zal plaats hebben in de laatste bazuin (grondtekst). Dat is dus eerst tegen het einde. Uit een en ander — er ware nog meer te noemen — blijkt, dat de gemeente die weggenomen wordt, niet hetgeen is dat de mens der zonde weerhoudt. Het moet dus iets anders zijn.
Wat « weerhoudt » hem nu? Wij geloven dat het is de inwerking der ongerechtigheid. Zolang de laatste nog niet tot vollere rijpheid gekomen is, kan de mens der zonde niet komen. Van de Amorieten staat, « want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen ». Dit geldt thans van de wereld. De ongerechtigheid is nog niet ten volle doorgewerkt. De doorwerkende kracht wordt niet alleen en uitsluitend geremd door « de » gemeente lees: de gelovigen, maar ook nog door naambelijders, christelijke cultuur, « christelijke » staten, werkingen van Gods algemene genade. Al schuiven we naar die tijden heen, ze zijn er nog niet. Het voornaamste kenmerk moet men niet vergeten: de afval. Dit is niet de afval van het Christendom, maar in het Jodendom van de wet van Mozes, bijzonder in het land Palestina. Er moet dus eerst een wederkeer, althans een gedeeltelijke, van Israël zijn, en een niet meer vasthouden aan de oude wetten en geboden, wil dàt wat weerhoudt, weg genomen zijn. Men moet de dingen bezien zoals Paulus ze toen bezag. Hij wist niets van de verborgen tussenbedeling, hem eerst later geopenbaard, maar bezag de dingen om Israël geconcentreerd. Daar zou afval komen. Toen hij Romeinen schreef, en dat was al weer enige jaren later, was er een gedeeltelijke verharding, maar nog geen afval. Eerst als deze kwam kon de Mens der zonde komen. Nu werd hij nog weerhouden.
2. Wie weerhoudt. Behalve een « wat » is er een « wie », behalve een iets is er een persoon die weerhoudt. Hierin hebben vele uitleggers de Heilige Geest gezien. Die weerhield de komst van de Mens der zonde. Zodra Die weggedaan, d.i. voor die uitleggers en hun navolgers, met « de » gemeente weggenomen was van de aarde, was de Wederhouder weg. We hebben reeds gezegd, dat de gemeente (n.l. van Thessalonicensen) niet opgenomen wordt voor de grote verdrukking en daarmee de Geest dus ook niet weggenomen wordt. We wijzen er verder op, dat het, indien men aanneemt, wat de St. V. zegt, het een zeer eigenaardige wijze van uitdrukking is om van de Heilige Geest te zeggen dat Hij wordt « weggedaan ».
Voor ons staat de zaak weer anders. « Die weerhoudt » is voor ons Satan. Deze houdt vast aan zijn plaats in de hemel, Openbaring 12:7-9. Wie hier aan « weerhouden » denkt, zal moeten zeggen: Hij weerhoudt de komst van de Mens der zonde door deze niet te verwekken. De tijd is er n.l. nog niet rijp voor. Hij moet te juister tijd komen. En dan wordt hij niet « weggedaan », zoals de St. V. zegt, maar: komt hij uit het midden van afval en ongerechtigheid op. Zo kan men de uitdrukking: « uit het midden zal worden » zeer wel verklaren.
Satan houdt vast aan zijn plaats in de hemel. Hij « weerhoudt » de Mens der zonde totdat deze uit het midden van de afval kan opkomen en zich kan gaan openbaren.
3. Het opkomen. Men moet in 2 Thess. Goed onderscheiden tussen het « worden uit het midden » en het zich « openbaren ». Eerst moet de mens der zonde uit het midden opkomen. Hiermee correspondeert Dan. 11:21; « Daarna zal een Verachte in zijn staat opstaan dewelke men de koninklijke waardigheid niet zal geven, doch hij zal in stilte komen en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen ». Daarom heet hij de Kleine Hoorn. ‘t Is in het begin geen grootse verschijning. Hij komt wel uit de afval op, maar men ziet in hem nog slechts een « mens ». Men acht hem zelfs geen koninkrijk waard. « Echter zijn kracht zal sterk worden. Doch, niet door zijn kracht », Dan. 8:24.
Wat hij doen zal bij zijn opkomen, zegt Daniël ons ook. « En door zijn kloekheid zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand en hij zal zich in zijn hart verheffen en in stille rust zal hij er velen verderven », 8:25. De Kleine Hoorn zal uitnemend groot worden, 8:9. Door vleierij, kuiperij, bedrog en arglistigheid zal hij verder komen en terrein winnen. Hij zal drie vorsten verslaan en zich meester maken van de troon van het vierde rijk van Dan. 7. Hierdoor verkrijgt hij wereldheerschappij. Gaandeweg wordt hij erkend. Hij sluit nu met de afvallige Joden een verbond en wordt als hun vorst aangenomen.
4. Het zich openbaren als wetteloze. Er heeft nog meer plaats. Zodra Satan gemerkt heeft, dat de Mens der zonde zich tegen God verheft, gaat hij aan het werk en heeft plaats wat 2 Thess. 2:9 zegt. Er komen nu alle kracht en tekenen en wonderen der leugen en alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen die verloren gaan, 2 Thess. 2:9. Satan geeft de Mens der zonde ook « zijn kracht en zijn troon grote macht », Openbaring 13:2. Hij openbaart zich nu meer en meer als de wetteloze. Dit geschiedt in de tweede helft der week, Dan. 9:29. Dan neemt hij slacht- en spijsoffer weg, dan zal hij de tijden en de wet veranderen, dan zullen Gods heiligen in Israël in zijn hand overgegeven worden, één tijd ( 1 jaar) en tijden (2 jaar) en een gedeelte eens tijds (½ jaar), Dan. 7:25. De overige worden verleid door de Satans tekenen. Satan gaat God dan nabootsen. Deze getuigde in de Pinksterbedeling mee « door tekenen en wonderen en menigerlei krachten en bedelingen (d.i. uitdelingen) des heiligen Geestes (d.i. van heilige geest, kracht van Boven) », Hebr. 2:4. Nu gebruikt Satan kracht en tekenen en wonderen der leugen en verleidt velen tot onrechtvaardigheid. Hierop heeft de Heer Jezus het oog als Hij zegt: « Want daar zullen valse Christussen en valse profeten opstaan en zullen grote tekenen en wonderheden doen alzo dat zij, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen zouden verleiden », Mt. 24:24. We komen hier bij Openbaring 13 nog op terug.
« Hem zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des Satans », 2 Thess. 2:9. Satan introduceert hem, hij bereidt zijn « toekomst » d.i. komst en aanwezigheid voor en is van alles de inspirator. Hij verleidt de gehele wereld en noopt en dwingt er toe dat allen de Mens der zonde aanbidden. Uitgezonderd zijn alleen zij welker namen zijn in het boek des levens. De Wetteloze treedt nu in volle kracht op en woedt tegen Gods Volk. Wat de verborgenheid der ongerechtigheid heeft ingewerkt, vindt in hem zijn eindpunt. Hij is de wetteloze die zich aan geen wet en recht, geen gerechtigheid en zedelijkheid, aan geen God noch gebod stoort, die de leugen liefheeft als ware deze de waarheid, die het « wonderlijk verderft ».
Dit zal niet zo blijven. Zijn ongerechtigheid voert hem eenmaal noodwendig ten verderve. Daarom heet hij ook: « Zoon des verderfs ». « En hij zal tot zijn einde komen en geen helper hebben », Dan. 11:45. « Hij zal zonder hand verbroken worden », Dan. 8:25. Dit zal zijn zoals Paulus schrijft: « En alsdan zal de Wetteloze geopenbaard worden dewelke de Heere verdoen zal (d.i. wegdoen) door den Geest Zijns monds en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst », 2 Thess. 2:8.
XI. Het Beest.
Openb. 13 en 17.
Het Beestrijk. Tekent Daniël ons de Mens der Zonde als Kleine Hoorn, Johannes noemt hem het Beest. We vinden deze naam het eerst in Openbaring 13.
Om dit hoofdstuk te verstaan, moet men enig inzicht hebben in Daniël. We gaven hierboven enig overzicht ervan. We komen er hier op terug. We zagen, dat nadat het vijfde rijk van Daniël 2 geweest is, alles in een toestand van oplossing of beweging komt, dat er ontstaat een « zee », een beweging en golving onder de volken en natiën. Daniël ziet uit deze zee de vier dieren opkomen. « En daar klommen vier grote dieren op uit de zee, het een van het ander verscheiden », Dan. 7:3. Men ziet, dat de vier dieren tegelijk opkomen. Als deze er zijn, maakt het vierde dier zich van de heerschappij over de andere meester en ontstaat er een eenheid, die Johannes als één dier ziet. ‘t Is eigenlijk een complex van rijken. De innerlijke eenheid die ze gemeen hebben is, dat alles « beest » is; dat is de eenheid van hun natuur. « En ik zag uit de zee een Beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen, en op zijn hoofden waren tien koninklijke hoeden en op zijn hoofd was een naam van godslastering. En het Beest dat ik zag was een pardel gelijk en zijn voeten als de voeten eens beers en zijn mond als de mond eens leeuws », Openbaring 13:1, 2.
Spreekt Daniël van vier dieren, Johannes spreekt van één Beest. Noemt Daniël leeuw, beer, luipaard, Johannes ziet de trekken niet als afzonderlijke eenheden maar als behorend bij een geheel. Dit wijst op een eenheid in natuur, in uiting, in streven. Wat staatkundige toestand betreft, onderscheidt hij wel degelijk de delen. Hij ziet immers zeven hoofden en tien hoornen.
De tien hoornen zijn tien koningen. Dit zegt het vers met de woorden: « op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden ». We vinden dat ook in Dan. 7. In vs. 7 vinden we, dat het vierde, het verschrikkelijke en gruwelijke dier, tien hoornen had en vs. 24 zegt: « Belangende nu de tien hoornen, uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan ». Ze vormen met elkaar dus een statenbond.
De zeven hoofden zijn als volgt te verklaren. Het « Beest », het gehele Beeld van Dan. 2 omvattend, bestaat uit Babylonië, met één hoofd, uit Medo–Perzië, met één hoofd, uit Griekenland met vier hoofden, immers, Dan. 8:8 en 22 wijzen er op, dat er vier rijken uit ontstaan zijn en uit het vierde dier, Pan-Europa. Dit zal dan ook één hoofd hebben en verder verdeeld zijn in tien koninkrijken. De « hoofden » wijzen op opperkoningen of keizers, op de leiders van statenbonden. Deze hoofden zijn één in uiting en streven: allen lasteren God.
Aan dit Beestrijk nu geeft Satan zijn kracht en troon en grote macht, Openbaring 13:2b. De St.V. zet hier « hem ». Het woord « Beest » is in het Grieks onzijdig het woord door « hem » vertaald, kan betekenen « aan het » (zelve) of « aan hem ». Wij menen, dat hier « het » moet staan krachtens het logisch verband. Satan geeft eerst dat rijk alles wat hij te geven heeft. Later geeft hij de macht aan één persoon, wat we nader zullen zien. Johannes spreekt hier nog over het rijk, het Beestrijk. Eerst daarna geeft hij aan, dat dit rijk later kracht, troon en macht heeft in en door een persoon.
De Beestmens. Van het Beestrijk is onderscheiden de persoon die ook Beest genoemd wordt, de Beest/mens. Hiervan spreekt Openbaring 13 nu verder.
« En ik zag een van zijn hoofden als tot den dood verwond, en zijn dodelijke wonde werd genezen en de gehele wereld verwonderde zich achter het Beest. En zij aanbaden den draak die aan het Beest macht gegeven had en zij aanbaden het Beest zeggende: Wie is aan dit Beest gelijk. Wie kan krijg voeren tegen hetzelve? »
Een der hoofden van het Beestrijk wordt ten dode verwond. Nochtans herstelt het zich. Het heet ook Beest. Dat dit een persoon is, blijkt uit het aanbidden er van. De wereld aanbidt de Draak, d.i. Satan, een « persoon » en het Beest, wat zeker geen Beestrijk zal zijn maar ook een persoon. Nog duidelijker, en tevens beslissend, is Openbaring 17:11: « En het Beest dat was en niet is, die is ook de achtste koning ». Het Beest heet hier een koning, geen rijk. We hebben dus een Beestrijk, en daarover handelt Openbaring 13:1 en 2, en een Beestpersoon, een Beestmens. Een koning, en daarover handelt dan Openbaring 13 en vs. 3 e.v. verzen.
Johannes zegt er nog meer van. « En aan hetzelve werd een mond gegeven om grote dingen en godslasteringen te spreken en aan hetzelve werd macht gegeven om zulks te doen twee en veertig maanden. En het opende zijn mond tot lastering tegen God om Zijn naam te lasteren en Zijn tabernakel en die in den hemel wonen. En aan hetzelve werd macht gegeven om den heiligen krijg aan te doen en om die te overwinnen en aan hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht en taal en volk. En allen die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens des Lams dat geslacht is van de grondlegging der wereld. Indien iemand oren heeft, die hore », vs. 5-9.
Dit alles betreft de Beestmens. Na de genezing van de dodelijke wonde (zie 13:14) opgedaan in een oorlog (want vs. 4 zegt: wie kan krijg voeren tegen hetzelve), krijgt het een grote mond en gaat lasteren. Hier gaat bijzonder de periode in van de Wetteloze, van het zich tegen stellen en verheffen boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt (2 Thess. 2). Na de genezing van de dodelijke wonde meent het Beest thans alles te kunnen. Het gaat ook de heiligen beoorlogen en krijgt macht over alles. Het wordt nu aangebeden door velen. Dit omvat een periode van 3½ jaar, 42 maanden, en heeft plaats in de tweede helft van de laatste jaarweek (van 7 jaar) van Daniël 9. We vonden reeds dat dan slacht- en spijsoffer worden weggenomen. Dit zal ook door het Beest geschieden.
We hebben reeds gezegd, dat we het Beest voor dezelfde persoon houden als de Kleine Hoorn. We willen dit hier nader aantonen. We citeren daartoe enkele verzen uit Dan. 7.
« Ik gaf acht op de hoornen (n.l. van het vierde dier, zie vs. 7) en zie, aan andere Hoorn kwam op tussen dezelve… En zie in dien Hoorn waren ogen als mensen ogen en een mond, grote dingen sprekende », vs. 8. Hieruit blijkt dat de Hoorn een mens is.
« Belangende nu de tien hoornen, uit dat koninkrijk (het vierde rijk) zullen tien koningen opstaan en een ander zal na hen opstaan en die zal verschillend zijn van de vorige; en hij zal drie koningen vernederen. En hij zal woorden spreken tegen den Allerhoogste en hij zal de heiligen der hoge plaatsen (lees: des allerhoogste) verstoren en hij zal menen de tijden en de wet te veranderen en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot één tijd, (1 Jaar) en tijden (2 jaar) en een gedeelte eens tijds (½ jaar) ». (Samen dus 3½ jaar).
De kleine Hoorn spreekt grote woorden, hij vervolgt de heiligen des allerhoogste en doet dit 3½ jaar. We vinden hier dezelfde trekken als bij het Beest van Openbaring 13. Beide zijn politieke figuren, beide doen hetzelfde, beide doen het even lang. We mogen ze daarom zonder bezwaar voor dezelfde persoon houden en zeggen, dat het Beest de Kleine Hoorn is. Dan verstaan we ook door Openbaring 13:2 te beter Dan. 8:24 « en zijn kracht (n.l. die van de Kleine Hoorn) zal sterk worden, doch niet door zijn kracht », d.i. door eigen kracht. Want, de Draak geeft hem de kracht.
De achtste koning. De Openbaring leert ons nog meer van het Beest; er staat, dat hij de achtste koning is, 17:11. Om dit te verstaan is het nogmaals nodig weer naar de rijken van Daniël 2 en 7 terug te gaan. Als het gehele Beeld weer tegenwoordig is, als het vierde rijk van Dan. 7 de overige vertreden heeft, als er een Beestrijk ontstaan is zoals Johannes dat ziet, dan heerst daarin nog direct de Beestmens niet. Aan hem vooraf gaan vijf andere koningen. Wie meester is van het Beestrijk, is heerser op aarde. Echter, de troon is wankel. Vijf koningen moeten de een na de ander het onderspit delven. In die tijd is de mens der zonde er mogelijk al, maar is hij nog de Verachte en zeker nog geen leider van het Beestrijk. Johannes wordt nu in de geest gevoerd naar de tijd, dat de zesde er nog niet is. ‘t Is een tijd van koningloos bewind. « Vijf zijn gevallen, en de één (nr. zes dus) is nog niet gekomen ». Lang zal hij, als hij er is, niet blijven. « En wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven ». Dan neemt de Verachte, de Kleine Hoorn, zijn kans waar. Hij vernedert drie der tien (onder) koningen en maakt zich meester van de troon van het Beestrijk. Hij is dan de zevende leider, het zevende opperstaatshoofd van het ontzaglijke rijk dat Voor-Azië en geheel Europa, mogelijk ook Siberië omvat.
Nu geschiedt er iets: de Beestmens krijgt de dodelijke wonde van het zwaard, 13:14 en sterft, althans, hij gaat naar de afgrond. « Het Beest, dat gij gezien hebt, was en is niet », 17:8. De afgrond is het graf, wat blijkt uit Rom. 10:7 vergeleken met Mt. 12:40. De Beestmens sterft, hetzij werkelijk, hetzij in schijn. Hij blijft echter niet in die (schijn) dood maar herleeft. Hij komt weer op uit de afgrond, 17:8. Dan neemt hij zijn plaats weer in en wordt als achtste koning aangemerkt. « En het Beest dat was (n.l. als zevende koning) en niet is (n.l. in de tijd dat Johannes het ziet, niet thans, men moet het vanuit Johannes’ standpunt, en nog wel vanuit een bepaalde tijd in het gezicht, bezien) is ook de achtste koning en is uit de zeven (want hij was de zevende en behoort zo bij het eerste zevental) », 17:11. In die herleefde vorm nu, dat is gedurende de laatste helft der 70ste jaarweek, gaat hij woeden zoals we reeds gezien hebben.
Dan — hoewel hij zal staan tegen de Vorst der vorsten, zal hij toch verbroken worden, Dan. 8:25. Hij zal tot zijn einde komen en zal geen helper hebben, Dan. 11:45. Hij gaat, zegt Openbaring 17:8 en 11, ten verderve. Hij is de Zoon der verderfenis. Hij wordt, zoals we reeds zagen, verdaan door de geest van Christus’ mond, dat is door Zijn krachtwoord, en tenietgedaan, d.i. van kracht ontdaan, door de verschijning Zijner toekomst. Zonder dat een hand hem aanroert, zal hij machteloos worden. Dan wordt hij gegrepen en in de poel des vuurs geworpen. Openbaring 19:20. Hij komt niet, zoals Satan, in het graf, maar krijgt in eens de straf van de vuurpoel.
|