Het Koninkrijk Gods en Het Koninkrijk der Hemelen
door
G.J.P. ( Alleen online te lezen)

Inleiding. Vaak hoort men spreken over de komst van het Koninkrijk Gods, de oprichting van het Godsrijk, de uitbreiding van de dienst in het Koninkrijk der Hemelen en wat voor andere termen daarover mogen zijn. Als men dan naar de betekenis vraagt, blijkt veelal, dat men hiermee bedoelt arbeid en dienst in of zending tot verbreiding van Gods Woord of opbouw in het geloof. Voor het merendeel worden die termen niet verstaan, ook niet door theologen. Het geen oog hebben voor het één, Israëls herstel, lijdt tot het geen inzicht hebben in het ander, het onderscheid tussen het Koninkrijk der Hemelen en het Koninkrijk Gods en hun verhouding tot elkaar.
We willen een en ander uiteenzetten en daarmee het verstaan der Schrift trachten te bevorderen, maar boven alles aantonen, hoe God God blijft en nimmer laat varen de werken Zijner handen.
Hemelen en Aarde. « In den beginne schiep God de hemelen en de aarde » (niet: de hemel, zoals de St. V., zegt). Zij zijn het eigendom Gods. Hij heeft ze voortgebracht. Hij deed meer. Hij schiep ook de hemelingen. En de aarde heeft Hij ook niet als een ledigheid geschapen, Jes. 45:18. In beide sferen zet Hij wezens en bepaalt de verhoudingen en rechten. Hij is Koning boven hen, hun Heerser. Hemelen en aarde vormen het Koninkrijk Gods. Het Koninkrijk Gods in ruimtelijke zin omvat dus al het geschapene van Gen. 1:1. In zedelijke zin, d.w.z. t.o.v. de verhoudingen is het strikt genomen daar, waar het schepsel zich onderwerpt aan de door God gestelde wetten, waar het Zijn wil volbrengt. Anders is er opstand, afval en verstoring en moet God ingrijpen om in te gaan tegen het verkeerde.
God Zelf is niet alleen Koning. Hij geeft Zijn Koninkrijk in handen van Zijn schepsel. Hij stelt tronen, heerschappijen, overheden, machten. Col. 1:16. Hieruit volgt, dat ook zij andere wezens onder zich hebben, waarover zij regeren. God is dus Opperkoning boven allen.
Gods Souvereiniteit (Opperhoogheid). Als absolute soeverein (Opperhoge) heeft God macht te doen met het heer der hemelen naar Zijn wil. Niemand kan zeggen: Wat doet Gij, Dan. 4:35, d.w.z. heeft het recht God te bedillen. God is Rechter, Hij vernedert deze en verhoogt gene, Ps. 75:8. Hij doet dit echter niet naar willekeur, naar grilligheid. De vastheid van Zijn troon toch zijn recht en gerechtigheid. Waar het schepsel deze overtreedt en zich daaraan niet onderwerpt, ontstaat een strijd tussen God en dat schepsel, die eindigen moet in vernedering en strafgericht, totdat erkend wordt dat de Allerhoogste macht heeft te vernederen die in hoogmoed wandelen. Dan. 4:37.
Adam. Is God de Koning des hemels. Dan. 4:37 Hij is het ook der aarde. Ook deze heeft Hij onder de macht van Zijn schepsel gesteld. Maar ook hier is opstand uitgebroken en trof een gericht. De aarde werd woest en ledig. Nu werd Adam geschapen, o.m. om op de aarde de heerschappij te verkrijgen. « En God zeide: Laat ons mensen maken (Hebr.: Laat ons Adam maken, d.i. de soort, mens) dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels (der hemelen) en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. » « En over de gehele aarde ». Hierin ligt uitgedrukt, dat de mens het koningschap zou hebben over de aarde, over al haar gewesten en gebieden. Dit zou echter niet zonder tegenstand geschieden.
In vs. 28 wordt tot de geschapen mens gezegd: « Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde en onderwerpt ze. » Hierin ligt een tegenstand opgesloten of althans een weerstand, de gedachte, dat iets niet geleidelijk gaat. Het Hebr. woord « kavash » komt nog in andere teksten voor; daaruit is de betekenis duidelijk op te maken. We geven al die teksten gerangschikt naar de Hebr. vormen, waarin zij staan.
« Onderwerpen ». Zach. 9:15 « ... zij (de kinderen van Sion, vs. 13) zullen eten, nadat zij de slingerstenen (der Grieken, vs. 13) zullen ten onder gebracht hebben ».
2 Kron. 28:10 « Daartoe gedenkt gij (de kinderen Israëls, vs. 8) nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen ».
Esther 7:8: « Zou hij (Haman) ook wel de koningin (Esther) verkrachten? »
Jer. 34:11 « Maar zij (de vorsten van Juda) keerden daarna wederom en deden de knechten en maagden wederkomen, die zij hadden laten vrij gaan en brachten ze ten onder tot knechten en tot maagden. » (Zie ook vs. 16.)
Mich. 7:19. « Hij zal Zich onzer weder ontfermen. Hij zal onze ongerechtigheden dempen ».
Neh. 5:5a « ... zie, wij onderwerpen onze zonen en onze dochteren tot dienstknechten ». Zie ook vs. 5 b.
Num. 32:32 « ... en het land voor het aangezicht des Heeren ten onder gebracht zij ». Zie ook vs. 29, Joz. 28:1 en 1 Kron. 22:18.
2 Sam. 8:11 « ... het zilver en het goud ... van alle heidenen, die hij (David) onderworpen had ».
Men ziet uit deze reeks, dat het Hebr. woord in het algemeen betekent: brengen onder de heerschappij, de macht van, wat als regel tegen- of weerstand insluit.
Adam moest de aarde onderwerpen, heerschappij erover krijgen, de tegen- of weerstand breken, in macht der aarde tegenmacht overtreffen. Adam: moest een strijd voeren of tegenstand zien te overwinnen van de aarde. Welke die was, is in Gen. niet te vinden, maar kan uit de andere teksten mogelijk afgeleid worden. In al die teksten is feitelijk sprake van twee redelijk-zedelijke partijen, van twee elkaar bestrijdende bewuste machten, hetzij dat Israël dat is tegen de vijanden, hetzij dat Israël tegen Israël strijdt, hetzij dat Israëls sociale klassen strijd voeren. In Micha 7:19 wordt gesproken van het de ongerechtigheden dempen, maar ligt hierin feitelijk niet opgesloten een Godsworsteling met de mensen als dragers der ongerechtigheden? Gen. 1:28, in het licht der overige teksten bezien, voert tot de gedachte, dat Adam stond tegenover een andere redelijk-zedelijke macht, die hij onderwerpen moest.
De Zonen Gods. Welke dat was? Wij vermoeden de zonen Gods, Gen. 6:2, de engelen, die hun woonstede verlaten hebben, Jud. 6, de zondigende engelen van 2 Petr. 2:4, de geesten (d.i. geestelijke wezens), die eertijds ongehoorzaam waren, 1 Petr. 3:20. Zij hadden een inval gedaan in die aarde. Adam moest ze verdrijven, althans die aarde onderwerpen Men neemt veelal aan, dat die inval der zonen Gods in de dagen van Noach plaats had. Dit nu leert de Schrift niet. Wel het tegendeel. Laat ons slechts zien.
1 Petr. 3:20 zegt, dat ze in de dagen van Noach ongehoorzaam waren. Hieruit volgt zijdelings, dat ze er voor die dagen al waren. Dat wordt rechtstreeks bevestigt door Gen. 6:1 grondtekst: « En het geschiedde als Adam (niet: de mensen Hebr. Ha Adam, dè Adam) en hun n.l. Adam en Eva, dochters geboren werden, dat Gods zonen de dochters van Adam. (niet der mensen, maar van dè Adam) aanzagen, dat zij schoon waren en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkoren hadden ». En vs. 4 stelt dit boven alle twijfel vast: In die dagen waren er reuzen op de aarde ... dezen zijn de geweldigen, die van de eeuw af (Hebr. van olam) geweest zijn. Waar met Adam een nieuwe olam, een nieuwe aioon, een nieuw wereldtijdperk begon, de oude wereld, zoals Petrus zegt, en Gen. 6 leert, dat de reuzen, voortgekomen uit de vermenging van engel en mens, vanaf de eeuw geweest zijn, d.i. van af de eerste tijden en zij niet eerst in de laatste tijden kwamen, daar is een en ander o.i. aanwijzing genoeg om vast te stellen, dat reeds bij Adams schepping de aarde in bezit was genomen door engelen, die hun woonstede, hun heerlijkheidsfeer verlaten hadden en zodra er dochteren van Adam waren, zich met die inlieten. Gen. 6:1, 2 is onjuist vertaald; er moet staan Adam, niet mensen. En hij die daaraan mocht twijfelen zij gewezen op Gen. 6:3 Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met of ook wel:blijven in Adam, dewijl hij ook vlees is. Wat moet dat woordje: ook er bij als Adam niet bedoeld was. Wie was dan nog meer vlees buiten de mensen, als we het moeten lezen volgens de St. V. De mens was ook vlees. Wie dan nog meer.
Lezen we echter: Adam, dan is alles duidelijk. Mijn geest zal niet in eeuwigheid, d.i. de hele aioon door in Adam blijven, hij moge dan de eerste mens zijn, hij is niet meer dan de anderen, hij is ook vlees. Zijn jaren zullen zijn 120 jaar. Dit werd dus gezegd, toen Adam 810 jaar oud was. Adams boosheid was toen menigvuldig op de aarde en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos. Hier vindt men Adams neergang en is hij type geworden van de mens der zonde.
Keren we nu na deze uitweiding terug tot Gods opdracht aan Adam, het onderwerpen van en het heerschappij voeren over de aarde. In deze opdracht ligt zijn koningsbestemming besloten. God wil Adam hier maken tot « erfgenaam » der wereld. Het woord erfgenaam is een minder juiste overzetting. Beter is: bezitnemen, wat dezelfde gedachte weergeeft als het onderwerpen van Gen. 1:28.
Het Koninkrijk Gods. God wilde Zijn koninkrijk op aarde stichten, het rijk, waarin Zijn wil volkomen gedaan werd. Daartoe schiep Hij Zich een zoon, Adam, de Zoon Gods (Luk. 3:38). Deze zoon was niet de gezondene, maar de uit de aarde geformeerde; de eerste mens is uit de aarde 1 Cor. 15:47.
Niettemin wilde God zijn vermogens zo ontwikkelen, dat hij Gods opdracht kon vervullen. Zolang Adam Gods wil volbracht, was het Kon. Gods op aarde, in zijn persoon, God regeerde er door Adam.
Adams Opstand. Adam zondigde echter, gaf verder aan Satan gehoor en werd daarmee opstandeling, rebel, revolutionair tegen God. Het koninkrijk Gods kon niet door hem komen, want de koning werd ondermijner van zijn troon, en verwierp Hem, Die hem tot die troon geroepen had.
Evenals Israël later de Heere verwierp, deed Adam dat toen hij zondigde, hij verbrak het verbond, dat God met hem gemaakt had, Hos. 6:7 (indien dat de juiste lezing is) en verloor daarmee zijn koningschap. Van nu af was de zoon Gods de vijand Gods geworden, de strijder voor God de strijder tegen God, de oprichter van het rijk de samen spanner tegen het rijk.
Het Zaad. Wat zal God nu doen. Zal Hij de koning wegnemen en een ander scheppen. Hij kan dit. Hij heeft macht te doden even zo goed als Hij kon scheppen. Hier staan we voor een conflict. Naar Zijn recht moet de rebel sterven, maar naar Zijn barmhartigheid en liefde moet hij leven. Wat doet God nu? Hij slaat een hogere weg in. Het koningschap is verloren, de oprichting van het rijk Gods moet uitgesteld worden, maar nochtans zal de mens tot zijn roeping en opdracht komen. Gods eer duldt niet, dat Hij zou terug keren op Zijn schreden en de schepping van de mens ongedaan zou maken. Dan had God Zijn doel gemist, dus gezondigd, (zonde is doelmissing). Als dan de mens niet kan en wil, dan zal de Zoon des mensen het doen, God neemt de één weg om de ander te stellen. En in de z.g. moeder belofte ligt in omsluierde taal de belofte vervat voor Hem, Die als het Zaad des mensen eenmaal hem, die de opperleiding in alles gehad heeft, de kop zal vermorzelen nadat deze Hem de verzenen heeft vermorzeld.
God zal Zijn rijk op aarde ondanks Adams zonde en verleiding, toch oprichten.
Op Welke Aarde. Hier komt de vraag naar voren: Op welke aarde. Wie alles door denkt, zal zeggen: Op een soortgelijke aarde als de eerste. Immers de laatste Adam moet doen wat de eerste naliet.
Adam moest de oude aarde (2 Pet. 2:5), onderwerpen, en over de aarde regeren. Christus als Zoon des mensen moet Adams werk doen, dus eveneens de aarde onderwerpen. Christus vervangt Adam dus moet Hij zijn werk doen. Als Christus de heerschappij krijgt op een nieuwe en heerlijke aarde, dan neemt Hij Adams taak niet over, dan is Hij niet de Zoon des mensen die in diens rechten en plichten intreedt.
Men zie dat wel in. Hierin ligt in beginsel het inzicht in het koningschap van Christus. Zegt men: Hij richt het koninkrijk op, op een van alle tegenstand gezuiverde aarde, dan treedt hij niet op als Adams vervanger en heeft God dit deel van de opdracht aan de mens laten vallen.
Ziet men echter dat Christus doen zal, wat Adam had moeten doen, de aarde onderwerpen, daarover heerschappij hebben, dan komt de zaak anders te staan en volgt daaruit, dat Christus Koning moet zijn over de gehele gevallen nog niet opgerichte aarde.
Nog Niet. Men zegge niet: Dat is Hij al, want Hem is alle macht gegeven in hemel en op aarde. Zeker, we stemmen dat volmondig toe. Maar tussen het de macht geven en het die uitoefenen, is verschil. Christus als de welgeboren Man is wel weg gereisd om het koninkrijk te ontvangen en heeft het reeds ontvangen, maar in het koninkrijk is Hij nog niet wedergekeerd. Hij is er nog niet gehuldigd, Hij zit nog niet op de troon Zijner heerlijkheid Mt. 25:31. Hij is nog in des Vaders troon. Heb. 2:8 en 9 is hierin beslissend. « Doch nu zien wij nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn ». Zeker, we geloven, dat Hem alle macht, daartoe gegeven is, maar wij zien nog niet, dat de onderwerping zelfs maar begonnen is. Die kan niet plaats hebben voor Hij op aarde, wedergekomen is. Hij is afgereisd van de aarde, Hij moet wederkomen tot en op de aarde. En het is eerst bij het schallen van de zevende bazuin, dat er grote stemmen zullen geschieden: « Het koninkrijk (niet: de koninkrijken) der wereld is geworden onzes Heeren en van Zijn Christus. » Op. 11:15. En niemand heeft nog ooit dit Christus’ koningsstoel inleidende bazuingeklank vernomen.
Van Adam Tot Noach. Door Adams feilen en falen kan het Koninkrijk Gods geen voortgang hebben. Van nu af worden de kinderen des koninkrijks, zij, die het in geloof tegemoet zien verdrukt. Daar is een Abel, die gedood wordt omdat zijn werken goed zijn, daar is een Lamech, die treurt over het werk van ’s mensen hand, daar is een Noach, die nog alleen maar rechtvaardig was, d.i. onbezoedeld onder zijn tijdgenoten.
En daartegenover staan nu de reuzen, het mengprodukt van engel en mens, de geweldigen, die de aarde voor zich opeisen. Zij bezitten de aarde, zij voeren er heerschappij. Maar niet in gerechtigheid. En het Koninkrijk Gods is gerechtigheid, vrijheid, vrede. God laat de gevolgen zien van Adams mislukking. Ze zijn hard en bitter. En de vromen der oude wereld zitten of treurend neer, of profeteren, dat de Heere zal komen met Zijn vele duizenden heiligen om gericht te houden tegen allen en te straffen alle goddelozen vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem; gesproken hebben, Jud.:14.
In de oude wereld zien we geen Koninkrijk Gods op aarde. Het uitgangspunt, de hof van Eden verdwijnt met de vloed en het schijnt alsof al Gods werk tevergeefs is. De kinderen des Koninkrijks worden verdrukt en de goddelozen nemen toe in macht.
Drieërlei Groep. In de oude wereld zien we drieërlei groep. Daar zijn er, die met God wandelen. Type Henoch. Zij zijn de wedergeborenen en gerechtvaardigden van die aioon Zij zijn uit God geboren en voorbestemd tot onderdanen en ook leidslieden van het toekomstige koninkrijk. Een bepaald middelpunt op aarde hebben zij buiten hun familiegroep niet.
Tegenover hen staan zij, die uit de Duivel zijn, zoals Kaïn. Satan bootst God na in Zijn wedergeboorte en maakt velen uit de mensen tot duivelskinderen, die vijandig en moordend staan tegenover de Godskinderen. 1 Joh. 3:11, 12.
En tussen die beide is een Adamsgroep, een neutrale middenstof, die her en derwaarts gedreven wordt door vrees. De reuzen en geweldigen verdrukken hen, doch vervolgd te worden om der gerechtigheid wil, willen zij ook niet. Onder hen werkt Satan bezoedelend in, zodat tenslotte alleen Noachs gezin nog ongerept van spiritistische invloed staat en de ganse aarde zijn weg verdorven heeft.
Boven deze groepen staat in geweld de groep der reuzen, die een mengras zijn van engelmens. Zij beheersen de wereld naar de lichamelijke krachtzijde. Alleen het geloof kan over hen triomferen en een Henoch en een Noach treden op als predikers van oordeel en gerechtigheid.
Eindelijk grijpt God in en doet de aioon eindigen in de vloed, het bezoedelde mensenen het ongure mengras verdoende, de weinige getrouwen wegrapende voor de dag des kwaads of bewarende in de ark.
Het Noachietisch Verbond. Na de vloed ontvangt Noach een zegen, die veel overeenkomst heeft met die, aan Adam gegeven, doch één ding mist. Men zie slechts:
| Gen. 1. |
Gen. 9. |
| Weest vruchtbaar. |
Zijt vruchtbaar. |
| Vermenigvuldigt. |
Vermenigvuldigt. |
| Vervult de aarde. |
Vervult de aarde. |
| Onderwerp ze. |
|
| Hebt heerschappij over de dieren |
Vrees en verschrikking over de dieren |
Van een onderwerpen van de aarde lezen we niets in het Noachietisch verbond. Dit is merkwaardig. Het koningschap over de aarde is voor de Noachietische mensheid niet weggelegd. Dat wordt de mens thans niet opgedragen. Hiermee zijn alle wereldveroveraars geoordeeld. Zij gaan in tegen het door God opgerichte verbond. Dat doet ook Rome dat het koningschap over de gehele aarde opeist, is het dan niet in staatkundige, dan toch in zedelijke zin.
Achteraf blijkt, wat Gods voornemen was. De mensheid kon die heerschappij niet dragen. Waar Adam; het verzondigde, kan de mensheid het niet herwinnen. God moet een bijzondere weg inslaan om het koninkrijk op aarde op te richten.
Babel. Met Noach was een nieuwe aioon, de tegenwoordige wereldgang, begonnen, « deze eeuw », Lk. 20:34, 35, Mt. 12:32. Uit zijn drie zonen ontstaan de 70 huisgezinnen, Gen. 11:32 (14 uit Jafeth, 30 uit Cham, 26 uit Sem, de geslachten des aardrijks), waarin de volkeren der wereld hun oorsprong vinden.
Lijnrecht in strijd met Gods bevel om de aarde te vervullen, willen zij in Babel een wereldstad en wereldrijk stichten onder leiding van Nimrod. Hiermee matigen zij zich het koningschap aan, dat God voorbehouden had. Zij zijn weerspanning voor God. Nimrod betekent dan ook: Laat ons weerspannig zijn of: Weerbarstige, weerspannige. Uit deze naam blijkt, dat de geslachten des aardrijks welbewust tegen God ingingen. Zij kenden God, maar verheerlijkten en dankten Hem niet, maar werden verijdeld in hun overleggingen, Rom. 1:21. Hun onverstandig hart werd verduisterd. Zij keren God de rug toe. Daarom geeft God hen over in de begeerlijkheden hunner harten, 1:26.
Babel is een geweldige crisis in de historie der mensheid. Deze gaat tegen God in en als Hij haar haar zin niet geeft, keert zij zich van Hem af. Vandaar dat God ze nu laat wandelen in het goeddunken van hun verdwaasd hart. Het gevolg is een voortgezette verduistering in het verstand, door de onwetendheid, door de verharding van hun hart, Ef. 4:18. Nimrod, de geweldige jager voor het aangezicht des Heeren, die een rijk op aarde wil oprichten, is de eerste voorloper van de Antichristus, die dat nog eenmaal in de eindtijd zal doen.
God heeft Zich de oprichting van het Koninkrijk voorbehouden. Om te verhinderen, dat de mens nogmaals voorbarig en overijld een poging daartoe onderneemt, verwart hij de talen der volken en verstrooit hen over de aarde. Nu is er ruimte voor Zijn weg. Waar niet de mens, maar Zijn Zoon de heerschappij zal verkrijgen, ligt daarin mede opgesloten, dat God een afzondering daar moet stellen. De Zoon des mensen draagt wel de hele mensheid in Zich, maar is er nochtans van onderscheiden. Hij zal in die mensheid staan, maar er niet in op- of ondergaan. Zo eist dan ook Zijn voortbrenging een afgezonderd deel dier mensheid, mede als type van Zijn afzondering.
Abrams Roeping. Met Abrams roeping slaat God de weg der afzondering in, van het particuliere, dat reeds in de moederbelofte vervat ligt. Abrams roeping is dan ook een grote gebeurtenis op de weg naar de oprichting van het koninkrijk. De betekenis van zijn roeping moet goed in het oog gehouden worden. Gods plan is het koningschap en het koninkrijk over de aarde. Daar gaat Hij geen duimbreed van af. Het Koninkrijk zal er komen. En wel in de lijn, zoals het door Adam had moeten komen: Vanuit een bepaald centrum en zich dan uitbreidend over het rond der aarde.
Dat plan geeft God niet op, daarvoor is Hij God. In Babel wilde de mens het van uit zijn centrum oprichten. Dat was Gods centrum niet. Noch ook was het Gods wil, dat de mens het zou oprichten. Hij had daartoe het recht niet meer.
Aan Abram begint God de belofte te geven, dat Hij het zal oprichten in Zijn lijn. Hij zal beginnen uit zeker standpunt en van daar uit zal het komen over de gehele aarde. Het Koninkrijk zal de gehele aarde onderwerpen. God laat niet varen, wat Hij voorgenomen heeft. Ondanks de zonde, de doelmissing, zal Hij tot Zijn oogmerk komen.
De Beloften. God roept Abram uit Ur der Chaldeën. Niet daar, dicht bij Babel, begint het Koninkrijk. Abram moet gaan naar het land, dat God hem wijzen zal, Hand. 7:3, Gen. 12:1. Abram gaat uit en komt eindelijk, na een oponthoud te Haran, in Kanaän aan. God heeft hem de belofte gegeven, dat Hij hem tot een groot volk zal maken en in hem alle geslachten des aardrijks zuilen gezegend worden. Hierin ligt mede de wereldheerschappij besloten. Niet Nimrod, maar Abram zal de leider der volken zijn. Niet de Weerspannige, maar de Verheven vader zal de volken ten zegen zijn.
Na zijn terugkeer uit Egypte en zijn scheiding van Lot, hoort hij het tweede woord der belofte: Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven en uw zaad tot in eeuwigheid (Hebr. de duur der eeuw) Gen 13:15. In dit woord ligt de oprichting van het Koninkrijk voor goed vast. Het begint bij het land, aan Abram en zijn zaad tot in eeuwigheid beloofd. Hij zal tot een groot volk worden, zijn zaad zal zijn als het stof der aarde, ontelbaar.
Men lette wel op wat er staat. God belooft aan Abram en aan zijn zaad het land Kanaän tot in eeuwigheid. Hij zal het hem geven.
Het Koninkrijk Der Hemelen. In de beloften van Gen. 12:2: « Ik zal u tot een groot volk maken » en 13:15: « Al dit land, dat gij ziet zal Ik u en uw zaad geven tot in eeuwigheid » wordt de aanvang gegeven van wat in de Evangeliën genoemd wordt: het Koninkrijk der Hemelen Waar men de fout gemaakt heeft in de Evangelien niet de voortzetting te zien van het in de Wet en de Profeten beloofde, waar men over het hoofd gezien heeft, dat Rom. 15:8 leert, dat Christus een Dienaar der Besnijdenis geworden is opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen, heeft men gemeend, dat met het Koninkrijk der Hemelen iets geheel anders bedoeld werd dan het rijk op aarde. Dat nu is niet zo.
Achteraf beschouwd blijkt, dat reeds in Gen. 12 en zeker in Gen. 13 beloofd is, dat de Heere het zal oprichten.
Het wordt van Boven uit, door God, van uit de hemelen opgericht. Het is het Koninkrijk der, d.i. van de Hemelen. Dit kan niet anders, want wat de Eerste Adam; niet deed, doet de tweede. En Deze is uit de hemel, zegt 1 Cor. 15:46. Hij richt het rijk op van uit de hemelen, en daarom heet het: het Koninkrijk der Hemelen Men zegge niet, dat Hij gezegd heeft: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Dat zegt de St.V.; het Grieks heeft echter: uit de wereld, d.i. van beneden af opkomend. Het wordt van Boven uit, van de hemelen gevestigd. Op aarde.
Kenmerken. Het Koninkrijk der Hemelen is het Koninkrijk, dat aan Israël zal worden opgericht. Het heeft de volgende kenmerken;
|
1° |
Het is een nationaal rijk. Het omspant niet alle volken, maar wordt opgericht aan één volk, het Grote Volk. |
|
2° |
Het is een politiek rijk. Het zal tot alle andere Volken in een zekere betrekking staan. En wel deze, dat het het hoofd zal zijn van alle rijken. Het politieke centrum der wereld wordt Jeruzalem, de stad des groten Konings. |
|
3° |
Het heeft tot grondgebied het gehele land Kanaän, zich uitstrekkende van Nijl tot Eufraat, Gen. 15:18. |
|
4° |
Eenmaal opgericht, is het een bestendig rijk, het zal zijn in de toekomende eeuwen. Dan. 2:44 volgens grondtekst. |
|
5° |
Het heeft tot Koning Christus, de Koning der Joden, de Koning Israëls, de Koning over het Huis Jakobs in de aionen. Daar zal Eén uit Jakob heersen. Deze Ene blijkt Dezelfde te zijn, Die deze beloften deed. De rechtvaardige Spruit is “de Heere onze gerechtigheid”. Jer. 23:5, 6. De Heere is de Koning Israëls, Jes. 44:6. ‘Zie Joh. 1:50. Hij is de Eerste en de Laatste, Hij belooft en vervult, Jes. 44:6, Op. 1:8, 22:13 Jehovah-Jezus. |
De Loop. Wie dat inziet, zal verstaan, dat het bestendige Koninkrijk niet kon komen totdat de Koning Zelf verschenen was. Dat lag niet aan Gods zijde, maar was vanwege de zonde der mensen.
Israëls historie is de historie van het onbestendige Koninkrijk, door handen van mensen geleid. Vandaar het feilen en falen, vandaar het in ellende neerliggen, vandaar de neergang. En indien de Heere niet telkens Zijn bewarende, oprichtende, sterkende en zegenende macht had gegeven om Israël voort te leiden, alles ware vergaan.
In het verval had Satan niet het minst de hand. Het was er hem alles om te doen het Koninkrijk te verhinderen. Voor de Vloed verhinderde hij reeds het Zaad te doen komen door de inval van de zonen Gods en de vermenging der twee soorten wezens: engelen en mensen. Na de Vloed wilde hij het rijk tegen houden door in Babel zijn rijk te vestigen. Maar in het bijzonder in Israëls historie is Zijn hand te zien. We willen dat nagaan.
Zodra Abram uit Ur uitgegaan is onder leiding van zijn vader Terah, komt, er oponthoud in Haran. Terah gaat niet verder en Abram blijft eveneens staan. Eerst na zijns vaders dood, moet de Heere hem in Kanaän overbrengen. Zie Gen. 11:31, Hand. 7:4 Vandaar de nieuwe belofte, Gen. 12:1 — 3 (voor « had gezegd » is: « zeide » te lezen). Inmiddels hebben de zonen Gods een nieuwe inval gedaan. Gen. 6:4 zegt, dat er in die dagen, n.l. van de aioon vóór de Vloed, reuzen op aarde waren en ook daarna, dus na de Vloed. Deze waren geboren uit de vermenging van tweeërlei zaad. De verspieders zagen reuzen in Kanaän. Num. 13:33, de nakomelingen van deze tweede inval. Hierdoor wilde Satan de volken bezoedelen en Israël bevreesd maken. Vandaar was het mede ook, dat Israël de Kanaänietische volken moest uitroeien.
Toen Abram in het land woonde, kwam er hongersnood en ging hij naar Egypte. Daar werd zijn vrouw hem ontnomen. De Heere greep in, anders was Zijn belofte onvervuld gebleven: Ik zal u tot een groot volk maken, in welke Sara mede begrepen was.
Daarna overstromen de vijanden het land. Mogelijk hoopte Satan, dat ook Abram weggevoerd of gedood zou worden. Het gelukte niet. Daarna port hij Sara aan om Hagar aan Abram te geven en een mengbloed te krijgen, dat God niet wilde, want uit Sems lijn moest het zaad zijn. En zo is er meer in Abrams leven. Men zoeke dat zelf op.
Bij Izaäk maakt hij gebruik van de zwakheden des vleses en wil de zegen in handen spelen van een onheilige, waardoor Jakob het land moet verlaten.
Bij Jakob openbaart zich zijn tegenstand in de persoon van Laban, in de daden zijner zonen, in het verkopen van Jozef, in de bezoedeling van Juda, Gen. 38.
Dan komt er hongersnood, waardoor Jakobs Huis Kanaän moet verlaten. Nu volgt de verdrukking in Egypte. Farao is er op uit Israël te vernietigen, de komst van het Zaad en de vervulling der belofte te verijdelen. Echter de Heere leeft. Hij bindt de strijd aan met Satan, die zich bedient van Farao. Het eind is een grote nederlaag voor de tegenstander. In de woestijn drijft Satan Israël tot afgoderij, tot vrees, tot verzet. En ondanks dat alles brengt God Israël tot het land der vaderen.
Dan volgt de tijd der Richters, een tijd van vallen en opstaan, van verdrukking en bevrijding. Israël blijft. In Saul meent het zijn koning gevonden te hebben. Doch ook deze valt uit, mede door Satans invloed.
Dan komt David. Ook deze wordt meer dan eens een prooi van Satans listen (Bathseba, Absolom, Volkstelling). Desondanks is hij de man naar Gods hart, aan wie God het Koninkrijk bevestigt door hem te beloven, dat zijn huis bestendig zou zijn. Doch uw huis zal bestendig zijn en uw koninkrijk tot in eeuwigheid voor uw aangezicht, uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid 2 Sam. 7:16. David kan niet anders dan daar ootmoedig voor danken. O.m. zegt hij: « Ja het worde waar en Uw naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De Heere der heerscharen, de God Israëls, is Israëls God en het Huis Davids, Uws knechts, zij bestendig voor Uw aangezicht. Nu dan, het heeft U beliefd te zegenen het Huis Uws knechts, dat het in eeuwigheid voor Uw aangezicht zij, want Gij, Heere, hebt het gezegend en het zal gezegend zijn » 1 Kron. 17: 24,27.
In Salomo’s dagen komt het rijk tot grote luister, is er uitwendige rust en vrede. Maar toch geen bestendigheid. Satan grijpt Salomo in zijn zwak en hij wordt ten speelbal zijner vele vrouwen.
Na Salomo knot God de macht van Davids Huis in, het rijk wordt gesplitst en van nu af ontstaat er een scheiding, die nimmer is opgeheven.
Eindelijk wordt het rijk der 10 stammen weggevoerd en blijft nog het Tweestammenrijk over. Ook dan blijft de zonde doorgaan en ten slotte komt Nebukadnezar en neemt stad en tempel en troon weg en ligt geheel het volk vertreden. Satan kan triomferen. Zijn werk schijnt gelukt. Een ding echter is er nog, dat hem niet behagen kan: het Huis Davids is wel de troon, maar niet het bestaan kwijt, steeds zijn er nakomelingen. Echter: het ligt onder het oordeel Gods: Nimmer kan iemand uit Salomo’s lijn meer op de troon zitten, want tot Chonia, Juda’s koning is gezegd, dat hij geen meer zal hebben, die op de troon Davids zal zitten, Jer. 22:30. Satan, die het Koninklijke zaad had proberen te verdelgen door Athalia, 2 Kron. 22:8 — 12 doch daarin faalde, die door Hiskia’s ziekte een nieuwe kans had om de voortzetting van de lijn te verhinderen, daar deze geen zoon had, kan tevreden zijn, het koningschap is afgesneden.
In Babel zet hij echter zijn werkzaamheid voort. Hij verhindert Israëls terugkeer door bovenaardse tegenstand. Dan. 10:20. Later wil hij, als een deel teruggegaan is, de opbouw van stad en tempel verhinderen (Nehemia).
Ondanks alles zet God Zijn voornemen door. Israël moge dan voor het merendeel in den vreemde zijn blijven wonen, het teruggekeerde deel onder de heerschappij der wereldmachten blijven (Perzië, Griekenland, Rome), Hij zal een Rijsje doen voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen doen vrucht dragen. Het Zaad zal komen en daarmee de Oprichter van het Koninkrijk op aarde.
En zo is geschied. Eindelijk werd de Koning der Joden geboren, Mt. 2:2 met Wie het Koninkrijk een nieuwe aanvang kon nemen.
Onderwerp van het O.T. In het licht van deze stralen, die gemakkelijk te versterken zijn, leze men nu eens het O.T. Het O.T. spreekt bijna uitsluitend over de komst van het Koninkrijk der Hemelen Israëls geschiedenis is de geschiedenis van het Koninkrijk op aarde, doch toevertrouwd aan de zondige mens. Dat kan niet anders dan falen.
Wat de geschiedenis met eentonige maar daarom des te sterker doordringende stem herhaalt. Israël faalt onder de Priesters in Jozua’s en der Richteren dagen, onder de Koningen in latere tijd. Ook onder de leiding van Farizeën en Schriftgeleerden in Christus’ dagen.
Alles, alles is tegen. En ondanks alles volvoert God Zijn raad. Het Koninkrijk zal er komen. Vandaar de profetieën der O.T. profeten. Zij voorspellen de komst van het Koninkrijk op aarde, zij voorzeggen Israëls heerlijke toekomst onder de van God gegeven Koning.
Wie inziet, dat God de aarde wil onderwerpen, wie naar de Schrift aanneemt, dat Israël het daartoe verkoren instrument is, kan niet anders dan Israëls herstel en toekomstige opbloei en heerlijkheid zien. Wie dit verloochent, doet God geen God meer zijn en vernietigt Zijn raad. En Hij heeft gezegd, dat Zijn raad bestaan zal.
Enkele Uitspraken. We geven ten bewijze enige uitspraken der profeten. « En de Heere zal tot Koning zijn over de ganse aarde » Zach. 14:9. (Men kan hier ook lezen: over het ganse land, op het lidwoord na dezelfde term als in Gen. 17:7). Wie is die Heere? het Is Hij, Die zij zullen aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, Zach. 12:10, de Koning, de Heere der heerscharen, die door alle geslachten der aarde te Jeruzalem aanbeden zal worden, Zach. ,14:16, 17. Dan zal des Heeren woord uit Jeruzalem uitgaan, Jes. 2:1 — 4. Te dier tijd zullen zij Jeruzalem noemen des Heeren troon en alle Heidenen zullen tot hetzelve vergaderd worden om des Heeren Naams wil, te Jeruzalem en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.
In Gods verbond ligt Israëls herstel en roeping vast. Evenmin als de ordeningen des hemels wijken, evenmin zal Israël verworpen worden om alles wat zij gedaan hebben, Jer. 31:35-37. De naam van Jeruzalem zal eenmaal zijn: De Heere is aldaar. Ez. 48:35.
Het N.T. We wezen er reeds op, dat Christus kwam om de beloftenissen der vaderen te bevestigen. Hij kwam dus om alles wat het O.T. aan Israël beloofde, en nog onvervuld was, tot vervulling te brengen. Vandaar is het, dat we lezen van de aankondiging van het Koninkrijk der Hemelen Christus kwam dus om het Koninkrijk der Hemelen op te richten. Het was nu nabij gekomen. En wel in Zijn Persoon. De geboren Koning was er, indien het Volk Hem aannam, kon het Koninkrijk komen. Om de komst van dat Koninkrijk leerde de Heere Zijn discipelen bidden: « Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde ».
Israël kon deze dingen weten. Zij hadden Mozes en de Profeten. Zij hadden die slechts te horen.
We weten de afloop. Israël verwierp Zijn Koning en Hij ging ten kruisdood. Zijn bloed over ons, riep men uit. Christus bad echter. En God verhoorde Hem. Andermaal werd het Koninkrijk aangeboden door de 12 Apostelen (de 11 en Matthias). Doch ook dat faalde. Israël liet zich niet gezeggen en ten slotte werden de heerlegers gezonden om de doodslagers te vernielen en de stad in brand te steken. Mt. 22:7. Zie ook Luk. 19:43, 44. 21:2.
Het Einde. De vraag is: Wat nu. Messias is uitgeroeid. Het was niet voor Hemzelf, d.i. de Zijnen namen Hem niet aan, Joh. 1:11. Zal nu het Koninkrijk niet komen? Heeft God dan toch gefaald? Zeker, de Koning is verrezen. Doch ten hemel gevaren. Keert Hij niet weder? Welzeker. De welgeboren Man is slechts tijdelijk heengegaan. Hij had recht op het Koninkrijk, doch laat dat zich door de Hoogste Macht geven. Hij is het Koninkrijk gaan ontvangen. Geboren om Koning te zijn, zal Hij het ook zijn. Eenmaal komt Hij terug, Luk. 19:11 — 15. Ondanks de haat der burgers.
Hieraan moet Zijn openbaring voorafgaan. Die vinden we aangeduid in vele profetieën en uitgewerkt in het laatste Bijbelboek. De tegenstand van Satan zal ook dan openbaar worden en onmachtig om het zaad, Dat hij eenmaal de verzenen vermorzeld heeft, te vervolgen, zal hij zich in woede keren tegen Israël, dat God ondanks alles tot op heden toe in stand heeft gehouden. En zal houden. De Vrouw (een deel van Israël) zal wel moeten vluchten, doch God zal haar bewaren om het Koninkrijk aan het Grote Volk op te richten.
Daartoe zullen grote oordelen moeten medewerken. Zoals Israël eenmaal uit Egypte bevrijd werd door grote gerichten, zal God het andermaal, doch veel machtiger bevrijden uit de toekomstige wereldmachten. Door zegelen, bazuinen en schalen (fiolen) zal Hij de kluisters openen, en het Koninkrijk doen komen. En dan zal het wezen: « Het koninkrijk der wereld (d.i. op aarde) (niet de koninkrijken der wereld, zie Op. 12:10) is geworden onzes Heeren en van Zijn Christus en Hij zal als Koning heersen in de aionen der aionen » (de 2 toekomende aionen). Op. 11:15. Dan zet Zich de Zoon des mensen neer op Zijn troon, Mt. 25:31. Nu zit Hij nog in ’s Vaders troon, Op. 3:21 dan op de troon Zijner heerlijkheid. Daarmee vangt Zijn heerschappij aan en de onderwerping der aarde. Door Israël. Het eens nabij zijnde Koninkrijk der Hemelen trok zich terug. Dan zal het zijn ononderbroken loop aanvangen en al de rijken vermalen totdat het heerschappij heeft over de gehele aarde en een berg wordt, die de wereld vervult, Dan. 2:44, 45.
Alle heerschappen zullen Hem eren en gehoorzamen, Dan. 7:27. Dan brengt de Heere, de Allerhoogste de Grote Koning, de Volken onder Israël en regeert God over de Heidenen, Ps. 47:4, 9
Koninkrijk Gods en Koninkrijk der Hemelen Gelijk? De term: Koninkrijk der Hemelen komt alleen in Mt. voor. Geen der andere evangelisten gebruikt hem. Dit komt, omdat Mt. In het bijzonder voor Israël geschreven is en de benaming: Koninkrijk der Hemelen een samenvatting is van het woord van Dan. 2:44, waarin gezegd wordt, dat de God des hemels een Koninkrijk zou oprichten, dat in de aionen niet verstoord zou worden. In de andere evangeliën komt in de gelijkluidende teksten de term: Koninkrijk Gods voor. Hieruit dient men niet de conclusie te trekken, alsof het Koninkrijk Gods steeds zou samenvallen met het Koninkrijk der Hemelen Men kan alleen zeggen: Het Koninkrijk Gods kan samenvallen met het Koninkrijk der Hemelen, maar is er niet altijd toe beperkt. Evengoed als Den Haag Nederlands grondgebied is, maar nog niet Nederland zelf, evengoed is het Koninkrijk der Hemelen Gods rijksgebied, maar daarom nog niet al Gods rijksgebied. Strikt genomen, zijn het twee sferen, die elkaar als regel niet dekken. Alleen in de Evangeliën vallen ze meer samen.
Wie in Den Haag woont, woont in Nederland. Wie in Nederland woont, woont daarom nog niet in Den Haag. Voor de bewoners van Den Haag vallen het grondgebied van Nederland en dat van Den Haag samen, voor de overige bewoners van Nederland niet. Wie in het Koninkrijk der Hemelen is, is ook in het Koninkrijk Gods Niet omgekeerd, omdat het Koninkrijk Gods zich verder uitstrekt dan het Koninkrijk der Hemelen.
Verschil In Sfeer. Het Koninkrijk der Hemelen in ruimtelijke zin, is Israëls rijk, dat tot gebied heeft Kanaän, tot hoofdstad Jeruzalem, tot Koning de Messias. Het is, althans in toekomstige vorm, Messiaans. Thans bestaat het niet. Israël is verstrooid en woont niet in Kanaän (we bedoelen als volk of voor het merendeel).
Van een arbeiden in het Koninkrijk der Hemelen is dus, strikt genomen, geen sprake. In geestelijke zin genomen is het arbeiden in het Koninkrijk der Hemelen het Israël bekend maken met Christus als de door God gegeven Davidische Koning en het Hem aanvaarden als Koning Israëls. Hierbij komt dus ter sprake de oprichting van Israël en de wederoprichting der vervallen hut van David met het doel, die oprichting mede voor te bereiden door Israël daarmee in kennis te stellen. In zoverre velen de Griekse Schriften lezende Joden dit doen, kan er in geestelijke zin sprake zijn van het andermaal nabij komen van het Koninkrijk der Hemelen In reële zin zal dat eerst geschieden, als Christus Zich gaat openbaren, naar de aarde wederkomt, Israël gaat vrij maken door de oordelen, in het boek Openbaring meegedeeld, en eindelijk bezit neemt van de Davidische troon.
Het Koninkrijk Gods in ruimtelijke zin, is veel uitgebreider. Het omvat hemelen en aarde. Op aarde beslaat het alle gebied, dus ook Kanaän. In dat land vallen Koninkrijk der Hemelen en Koninkrijk Gods dus samen, verder niet.
In geestelijke zin is het Koninkrijk Gods op aarde die sfeer, waarin Gods wil t.o.v. hemelen en aarde bekend gemaakt wordt. Hieronder valt dus alle evangelie, alle bekend maken met Christus, en ook met de eerste waarheden, door Paulus geopenbaard. Vanzelf ook het Christus bekend maken als Messias. Men ziet, dat hier de geestelijke sferen ook samenvallen, maar de geestelijke zijde van het Koninkrijk Gods weer ruimer is dan die van het geestelijke Koninkrijk der Hemelen (Geestelijk = het bekend maken van de waarheden Gods).
Uit een en ander volgt, dat men in het Koninkrijk Gods kan ingaan zonder in het Koninkrijk der Hemelen in te gaan. M.a.w. dat men sommige dingen uit de Schrift kan zien en Israëls herstel ontkennen, Het is een eigenaardig feit en toch bestaat het. Vanzelf ziet men dan niet de sferen, die er zijn en vereenzelvigt alles. Dan zegt men: Den Haag is Nederland, wat waar is. Dat het ook in Nederland is, ziet men niet. Voor vele gelovigen is het Koninkrijk der Hemelen gelijk aan het Koninkrijk Gods, terwijl het een sfeer is in het Koninkrijk Gods Het zijn twee sferen, voor een deel in elkaar schuivend. Beide vallen samen in de Persoon van Christus, daar Deze is Messias, Israëls Vorst en tevens God, als Israëls Jehovah.
Toch moet men onderscheid maken. Een voorbeeld heldere dat op. De Duitse Keizer was eertijds Keizer van Duitsland en Koning van Pruisen. Niemand, ter zake kundig, zal zeggen, dat dit hetzelfde is. Als Koning van Pruisen had hij aangelegenheden, die niet het gehele Duitse rijk aangingen, maar alleen Pruisen. Als Keizer van Duitsland had hij bezigheden, die het hele rijk aangingen. Een Duitser had met hem te maken als Keizer, een Pruis als Koning. Een Pruis was in dubbele zin zijn onderdaan: als Pruisisch burger, als Duits burger. Een Duitser (Beier, Bader, Sakser, enz.) was alleen zijn onderdaan in algemene zin.
Zo nu ook met het Koninkrijk der Hemelen en het Koninkrijk Gods Een Israëliet is een dubbel onderdaan van Christus, n.l. in het Koninkrijk der Hemelen en in het Koninkrijk Gods De Heidenen zijn alleen Zijn onderdanen in het Koninkrijk Gods. In Christus liggen beide sferen vast. Ook daarom moet Christus God zijn, anders is er geen eenheid in beide Rijksgebieden. Een Pruis leerde de Keizer kennen in zijn arbeid voor Pruisen èn voor Duitsland. Zo moet een waar Israëliet Christus leren kennen als Koning Israëls en Koning der Koningen. Een Heiden leerde Hem kennen in Zijn Bezitter zijn van de aarde en kon Hem alleen door Israël leren kennen als Israëls Koning.
Dit alles betreft nu de toestand op aarde. Het Koninkrijk Gods is echter nog van ruimer omvang. Het omspant ook de hemelen. En die hogere zijde nu kan en door iemand uit het Koninkrijk der Hemelen en door iemand uit het Koninkrijk Gods (op aarde) ook gekend worden. Hiertoe is geloof nodig in God, Die de doden levend maakt en roept de dingen, die niet zijn, alsof ze waren. Dit houdt ook in, dat Hij een hogere bestaanswijze kan geven om in hogere sferen op te stijgen.
Elia behoorde tot het Koninkrijk der Hemelen, want hij was Israëliet. Hij is echter opgevaren in het hemelse deel van het Koninkrijk Gods. Henoch behoorde niet tot het Koninkrijk der Hemelen, want Israël was er toen nog niet. Toch is hij evenals Elia opgevaren. Vele Heiden gelovigen behoren niet tot het Koninkrijk der Hemelen Ze zullen eenmaal echter wel opgenomen worden in de lucht en zo behoren tot de hogere sfeer van het Koninkrijk Gods Het hogere kan tot het lagere afdalen, niet het lagere zonder meer tot het hogere opstijgen. Daartoe is een transformatie nodig, alleen te verkrijgen op de weg des geloofs en de werking van Gods Geest.
Nog een Andere Sfeer. Buiten het Koninkrijk Gods is nog een andere sfeer. Er is in Col. sprake van het Koninkrijk van God en van de Zoon Zijner liefde (1:13). Dit noemt Paulus in 2 Tim. 4:18 in de grondtekst het « overhemelse Koninkrijk ». Hierin zitten de overhemelse tronen, heerschappijen, overheden en machten.
Dit is een andere Rijkssfeer. En in die sfeer zette God nu Christus aan Zijn rechterhand. En met Christus de Gemeente, die Zijn Lichaam is. Hierover spreekt Paulus in zijn latere openbaringen. Dit ligt niet in de hemelen. Daarover willen we hier niet verder handelen, maar volledigheidshalve, tot onderscheiding van de sferen, moest dit punt ter sprake komen.
Tot besluit het volgende overzicht.
Van Sfeer Tot Sfeer. De onderdelen zijn sferen in sferen. Amsterdam is een sfeer in Nederland, dit in Europa, dit in de wereld. Zo is het Koninkrijk der Hemelen een sfeer in de wereld, deze in het Rijk Gods in de hemelen, dit weer in dat der Overhemelen. Als regel geldt, dat wie de hogere sferen ziet, ook de lagere waarneemt. Niet omgekeerd. Wat voor de ene sfeer geldt, geldt nog niet voor de andere. De wetten van Nederland gelden niet in Europa.
In de weg des geloofs gaat God als regel van het mindere tot het meerdere. Dat is Zijn voortleiding. We kunnen hier niet diep op ingaan. In de eerste plaats niet, omdat dit te uitgebreid zou worden en ten tweede omdat dit, in dit stadium van uiteenzetting, verwarring zou geven.
Israëls 12 Apostelen riepen tot toebereiding in en voor het Koninkrijk der Hemelen, Paulus door zijn verdere bediening tot het Koninkrijk Gods in de sferen der hemelen (opname); later leidt hij tot een nog hogere sfeer: het overhemels koninkrijk. In het geloof moeten telkens weerstanden overwonnen worden. Is weer een sfeer doorlopen (in de geest) dan heeft men de belofte uitgewerkt. Eerder is niet uitgewerkt, wat God heeft ingewerkt en kan God niet verder gaan. Zo bezien heeft deze uiteenzetting zijn geestelijk nut en is het: Van heerlijkheid tot heerlijkheid veranderd als van des Heeren Geest. (2 Cor. 3:18)
Samenvatting. Het woord koninkrijk betekent vaak soevereiniteit, heerschappij. Ook: gebied. Dit laatste vloeit uit het eerste voort. We kennen allen landen, die eens koninkrijken waren, maar het nu niet meer zijn. Frankrijk, Pruisen, Saksen, Hongarije, enz. waren eens koninkrijken, zijn het nu niet meer, hoewel de grondgebieden en de volken er op wonend, gebleven zijn. Zij hebben echter geen koning meer. Deze landen bleven, die volken evenzo, waar het karakteristieke, dat lag in het koninkrijk zijn, verdween.
Het Koninkrijk der Hemelen is de soevereiniteit van Christus als letterlijk Koning over een letterlijk volk, Israël op aarde. Het heet Koninkrijk der Hemelen omdat Christus van Boven uit neder zal dalen en het Rijk met Goddelijke macht en kracht zal oprichten. Dit Rijk zal een bestendige, maar niet oneindige duur hebben, politiek in sfeer zijn, d.w.z. staande tegenover andere rijken, omdat Christus is: de Koning der koningen en de Heer der heeren. Het heeft tot gevolg dat Israël zal staan aan het hoofd der volken. Over dit Koninkrijk spreekt de O.T. profetie. Het wordt opgericht aan het begin der 1000 jaar van Op. 20, het begin der toekomende eeuw en duurt niet maar 1000 jaar, maar de toekomende aionen (eeuwigheden). Dit Koninkrijk ontvangt rechtstreeks de wetten van Christus als Koning.
Het Koninkrijk Gods is de heerschappij van God, over hemelen en aarde. Waar het tegen gestaan wordt, is er afval van Hem en gaat er een werking uit van Hem om het weer te herstellen. De regering is zedelijk en geestelijk: door Woord en Geest.
Het overhemels koninkrijk is een nog hogere sfeer. Daarin zijn overheden en machten. Velen van hun zijn geestelijke boosheden.
Aanhangsel. In Mt. 13:43 is sprake van het Koninkrijk huns Vaders. Dit is o.i. het Koninkrijk Gods maar bezien vanuit het standpunt der geboorte uit God. Het is bestemd voor hen, die in Abraham de vader der gelovigen zien, aan wie God de wereld ten erfdeel beloofd heeft, Rom4:13. Het is voor hen, die de « hemelse roeping » deelachtig worden, Heb. 3:1. Het is de soevereiniteit over gehoorzame zonen, die mede zullen regeren. Nadat de Zoon gezeten is op Zijn troon, zullen zij mede zitten in Zijn troon. Dit is reeds vervat in Gen. 12:3. In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. Het meerdere zegent het mindere; zo deze de volken, waarom zij dan ook boven hen staan.
Het Koninkrijk van de Zoon des mensen (Mt. 16:28) is het Koninkrijk der Hemelen, gezien als geregeerd door het Zaad der vrouw, dus in verband met de opdracht aan Adam: Onderwerpt de aarde. Hierin ligt het bewijs, dat God in en door het Koninkrijk der Hemelen voortzet, wat Hij met Adam bedoelde te doen: van uit een bepaald centrum een Rijk op aarde vestigen. Waar de mens uitviel, moet het geschieden door de Zoon des mensen. Zie ook Dan. 7:13, 14, 18, 21,22.
Het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2 Petr. 1:11) is wel hetzelfde als het Koninkrijk huns Vaders, dat nu gezien wordt als komende door het werk van Christus als Eerstgeborene onder vele broederen.
Het Koninkrijk van onze Heere en van Zijn Christus (Op. 11:15) is het Koninkrijk der Hemelen opgericht aan het eind der oordelen van Op. 11 en dat een dubbel deel omvat: Het Koninkrijk der Hemelen en het aardse deel van het Koninkrijk Gods.
Thans is God doende de Gemeente die Zijn (Christus’) Lichaam is toe te bereiden voor het overhemels Koninkrijk. Daar zal het met Christus regeren over boven alle dingen. De heerlijkheid van het Lichaam overtreft alles, wat ooit aanschouwd is of zal worden. Daarin toch blinkt uit de uitnemende rijkdom van Gods genade. Tot dit toebereid is, moet alles wachten op nadere vervulling. Eerst dan komt het Koninkrijk der Hemelen en zal het Koninkrijk Gods nader bevestigd en hersteld worden
|