
Inleiding
Voor de aionen
Het begin der schepping
De oude wereld
De tegenwoordige boze aioon
De abrahamitische verbonden
De Wet en het Oude Verbond
Het getuigenis der Profeten
De Evangeliën
Het Kruis en de Opstanding
De tijd van de Handelingen der Apostelen
Samenvatting aangaande de tijden der Evangeliën en der Handelingen
Israëls herstel en de Dag des Heeren
De toekomende aioon
De nieuwe schepping
God alles in allen
Besluit
Aanhangsel N° 1. Eeuwigheid
Aanhangsel N° 2. Het menselijk lichaam
Aanhangsel N° 3. De reuzen
Aanhangsel N° 4. De eerste dag der week
Aanhangsel N° 5. Tegenwerpingen in verband met het onderhouden der wet door Christen-Joden
Aanhangsel N° 6. In verband met de laatste reis van de Apostel Paulus naar Jeruzalem. (Hand. 21)
In ons werk De Wetenschap, de Rede en het Geloof hebben wij de vraag naar het bestaan van God onderzocht. Wij hebben getracht aan te tonen, dat het redelijker is te geloven in het bestaan van een boven de mensen staande God dan er niet in te geloven en dat wij vaak door een bewuste of onbewuste weerzin om onze autonomie te verlaten, dus door een gevoel en niet door de rede, ertoe gebracht worden te twijfelen aan het bestaan van God.
In ons werk De Goddelijke Openbaring hebben wij verschillende vragen bestudeerd, die betrekking hebben op de uitleg en de ingeving van de Bijbel. Deze twee studies kunnen beschouwd worden als een inleiding tot dit werk, dat het resultaat is van een methodisch onderzoek van de Bijbel en waarvan het doel is een kort overzicht te geven van de inhoud van die Bijbel, vooral met het oog op de verwerkelijking van het « Goddelijk Voornemen ».
We komen hier voor het feit, dat zekere conclusies verschillen van de opvattingen, die door vele theologen en gelovigen aanvaard worden. Men zou ons kunnen tegenwerpen, dat wij zodoende de oorzaken tot twist en scheiding slechts vermeerderen. Welnu, wij hebben niet de bedoeling voor alles iets « nieuws » aan te bieden, maar veeleer om tot elke prijs beter de waarheid te leren kennen en te trachten te ontkomen aan zekere verwarring, die tegenwoordig heerst. Wij hebben deze studie ondernomen om zelf te komen tot een persoonlijke overtuiging met betrekking tot een aantal vragen, maar mogelijk kan deze arbeid ook anderen helpen.
De draagwijdte van onze werken gaat in werkelijkheid ver uit boven de verdediging van dit of dat gezichtspunt. Het gaat vooral om de uiteenzetting en toepassing van een methode en om het in beweging brengen van een innerlijke houding, die, naar wij menen, het de mens van goede wil vergunt beter de waarheid te vatten op welk gebied ook.
Om uit te leggen, waarin deze methode bestaat, hebben wij in De Wetenschap, de Rede en het Geloof herinnerd aan het contrast, dat er bijvoorbeeld bestaat tussen de voortgang, die gemaakt is in de verschillende gebieden van de kennis. In de Natuurwetenschap is er een aanzienlijke voortgang gemaakt, die overgeslagen is naar de industrie en de materiële dingen van het leven. Men heeft, door een samenwerking van alle geleerden, een « systeem » op kunnen bouwen, dat een geheel vormt en onbepaald vatbaar voor vervolmaking. Men volgt slechts een weg, die tot de waarheid schijnt te brengen.
Daarentegen is er in de wijsbegeerte en theologie weinig voortgang en er bestaat een felle tegenstelling tussen de verschillende « systemen », die denkers en gelovigen verdelen. Men volgt uiteenliggende wegen, die dus in het algemeen afwijken van de waarheid.
Vanwaar dit verschil? Het antwoord is, dat de Natuurwetenschap de « natuurlijke » methode is blijven volgen, die het aan een jong kind toelaat zich in het begin van zijn leven snel te ontwikkelen, om zich bewust te worden van de werkelijke wereld, waarvan het deel uitmaakt. Bij nader onderzoek naar deze « natuurlijke » methode, waarvan de geleerde een « wetenschappelijke » methode heeft gemaakt, constateert men, dat deze — min of meer onbewust — steunt op de volgende beginselen:
Door een voorafgaand geloof geeft men het bestaan van een werkelijk Al toe, zonder innerlijke tegenspraken en min of meer begrijpelijk voor ons. Men verwijdert niets a priori (vooringenomen), men zondert niets af;
Men neemt kennis van de elementen van dit Al, zonder vooroordelen, zonder de tussenkomst van een partijdig gevoel (liefde of afkeer). Uitgaande van deze elementen, poogt men tot een synthese te komen, het Al te reconstrueren. Als men moeilijkheden tegenkomt, tegenstellingen of zelfs schijnbare onmogelijkheden, erkent men nederig, verre van zijn voorafgaand geloof in de steek te laten en een of andere tweesprong te volgen op de weg der waarheid, dat deze hinderpalen te wijten zijn aan onze eigen onvolmaaktheid of aan een voorlopige hypothese (vooronderstelling), die afwijkt van de waarheid. Het kind en de man van de wetenschap offeren dus dergelijke denkbeelden op, zij « bekeren » zich, belijden hun zwakheid en komen tot een betere oplossing;
Het voorafgaande veronderstelt dus een zekere nederigheid en een onoverwinlijke liefde voor de waarheid, die er toe aanspoort zichzelf op te offeren, om zichzelf niet als het middelpunt van het heelal te beschouwen, om niet alles te meten aan zijn eigen middelmatigheid;
Men volgt dus de « methode » van het geloof en de liefde, maar van een volkomen redelijk geloof, dat alle vermogens van de geest tot hun recht doet komen. Het gaat niet om een onverdedigbare lichtgelovigheid. Deze methode is niet uitsluitend « intellectueel », maar heel ons wezen grijpt in. Het is een volkomen doorleefde methode.
Wanneer de toepassing van een dergelijke methode of het in beweging brengen van een dergelijke houding ons iets heeft doen vorderen, begrijpen wij, waarom deze methode van geloof en liefde resultaat afwerpt: omdat deze houding insluit, dat wij ons vernederen voor God, dat wij niet weerstaan aan de Geest, die ons wil vernieuwen en verlichten, van ons volkomen mensen wil maken, ons het volmaakte Leven wil geven. Wij begrijpen dan ook, dat de gebruikelijke methoden geen volledig resultaat kunnen afwerpen, omdat men in dat geval steunt op eigen krachten, die uit zichzelf onvoldoende zijn om de waarheid te leren kennen, om werkelijk te vorderen, om het Leven te verwerven. Er bestaat dan een zekere zelfzucht, egoïsme of trots, die, hoe onbewust ook, de ontwikkeling van ons wezen tegenstaat, ons verlamt en er naar streeft ons te vernietigen, omdat wij gescheiden zijn van de Bron.
Wij menen, dat de Natuurwetenschap resultaten verkregen heeft, omdat zij, op haar beperkt terrein, de « natuurlijke » methode is blijven volgen, die van geloof en van liefde. Waarom is een dergelijke voortgang niet in de andere wetenschappen verwerkelijkt, vooral niet in wijsbegeerte en theologie? Omdat zich hier in veel sterkere mate twee tegenovergestelde invloeden doen gelden: die van uitwendige oorsprong, het kwaad in de wereld, en die van inwendige oorsprong, het kwaad in het ik.
Om rechtvaardig te zijn, moet men toegeven, dat het gebied der natuur beter toegankelijk is voor de mens zoals hij is daar hij zijn geest « gekeerd heeft naar de stof » — dan dat waarmee de wijsbegeerte en de theologie zich bezig houden.
Daar wij het voorrecht gehad hebben geoefend te zijn in de « wetenschappelijke » tucht, daar wij erkend hebben, dat de « natuurlijke » of « wetenschappelijke » methode tot snelle voortgang leidt, hebben wij deze methode op de studie van de Bijbel willen toepassen. Uitgegaan van het agnosticisme en laat in aanraking gekomen met de Schriften, hebben wij toch niet a priori dit Boek verworpen, voor zoveel aangaat zijn goddelijke openbaring. Wij hebben « wetenschappelijk » willen blijven en de mogelijkheid onder ogen willen zien, dat de Bijbel verschilt van alles, wat de mens heeft voortgebracht. En toch verenigde zich tegen een dergelijke beschouwing: de uitwendige invloed, de opvoeding, de ingeboren zelfzucht.
Een voorafgaand onderzoek toonde, dat de verwijten of beschuldigingen vaak slechts zekere uitleggingen van de tekst betreffen, maar niet noodzakelijk de Bijbel zelf. Dit Boek scheen bovendien de elementen te kunnen leveren voor een volledig systeem, waarvan het ene deel het andere verklaart. Waarom het boek niet in zijn geheel te beschouwen, zoals het is, zonder het te beoordelen volgens een ander systeem? Zou het mogelijk zijn een systeem te leveren, dat beter is en vollediger dan de andere? Als men de wetenschappelijke methode wil toepassen op het onderzoek van de Bijbel, moet men dus:
1. Het geloof hebben (of tenminste een voorlopig geloof, dat kan vormen wat de man van de wetenschap noemt een « werkhypothese ») in de eenheid en de geloofwaardigheid van het Boek;
2. De liefde voor de waarheid hebben, voor heel de waarheid, dus bereid zijn desnoods zijn eigen overtuigingen op te offeren en alle overleveringen van menselijke oorsprong.
Wij hebben ons uitvoerig beziggehouden met deze houding van voorafgaand geloof in het geheel der Schriften in ons werk De Goddelijke Openbaring. Volgens onze mening heeft de moderne kritiek een fundamentele dwaling begaan. Niet in haar « kritiseren », dat wil zeggen in het onderzoeken van de gegevens met behulp van het redenerend verstand, door het verstand te gebruiken, door verkeerde uitleggingen terzijde te stellen, maar in de eerste plaats door te veronderstellen, dat de Wetenschap steunt op de methode: Studie — Geloof; en vervolgens door deze laatste methode toe te passen op het onderzoek van de Bijbel. De wetenschappelijke methode kan men als volgt samenvatten:
|
1. |
Een algemeen geloof in de eenheid en begrijpelijkheid van het voorwerp der studie; |
|
2. |
Studie, geleid door de liefde voor de waarheid; |
|
3. |
Geloof met betrekking tot onderdelen. |
De moderne kritiek heeft het eerste punt uit het oog verloren en bestrijdt dus hevig het voorafgaand geloof in de eenheid en geloofwaardigheid van de Bijbel. Zij zou gelijk hebben als bewezen was, dat deze geloofshouding, dus het aanvaarden van de volle inspiratie van de tekst, niet verdedigd kon worden door een verlicht en redelijk mens. Dit bewijs is evenwel niet geleverd. Integendeel, zoals wij hebben trachten aan te tonen in De Goddelijke Openbaring, weerstaat de tekst niet alleen iedere menselijke kritiek, maar wordt zelfs altijd bevestigd door de feiten, zelfs indien hij gedurende bepaalde perioden door theorieën veroordeeld schijnt te worden. Na een langdurig onderzoek van deze vraag beweren wij dus, dat de rede en de wetenschap — wanneer het gaat om vaste gevolgtrekkingen en niet om voorlopige theorieën — altijd de volstrekte eenheid en geloofwaardigheid van de tekst bevestigen, een verschijnsel, dat geen enkel ander geschrift vertoont.
Tot dit belangrijk resultaat gekomen, wordt men ertoe geleid de tekst nauwgezet te bestuderen en te vertolken door Schrift met Schrift te verklaren, zoals de man van de wetenschap de gegevens van de Natuur bestudeert en vertolkt. Door de wetenschappelijke methode consequent toe te passen kan men een « Wetenschap van de Bijbel » samenstellen, die steeds meer de waarheid naderbij komt. En als verschillende onderzoekers deze methode volgen, desnoods met opoffering van de hun het meest dierbare opvattingen, daar ze zich steeds laten verbeteren door de Waarheid, kan er bijna eenstemmigheid bestaan.
Dit is de methode, die wij gepoogd hebben te volgen, en de lezer moet zich niet verbazen wanneer wij zekere overgeleverde ideeën en bepaalde menselijke uitleggingen opofferen. Wij kunnen met hem meevoelen, wanneer hij geroepen wordt een opvatting te laten varen, die hem dierbaar is en die hem soms gedurende jaren tot zegen is geweest, want wij hebben vaak onze eigen overtuigingen moeten opofferen. Maar is de Waarheid niet veel kostbaarder? Men denkt soms dingen van waarde te verliezen en vervolgens geeft men zich rekenschap van de geweldige winst, die men maakt door te laten varen wat slechts gedeeltelijk waar is en wat een ernstige hinderpaal kan vormen in het geestelijk leven.
Deze methode, die bewijzen van zijn doeltreffendheid heeft gegeven in het geval van de Wetenschap, en die zonder twijfel nuttig toegepast zou kunnen worden op de Wijsbegeerte, heeft ons onmiddellijk goede resultaten te zien gegeven, toen wij die volgden voor het onderzoek van de Bijbel. Zij heeft een groot deel van theologische moeilijkheden verwijderd, die de gelovigen verdelen, en heeft tot een synthese kunnen leiden, tot het vormen van een « systeem », dat vollediger is dan de andere en niet alleen voldoening geeft aan het verstand, maar ook aan het « hart ». Men kan op deze wijze toegang hebben tot een sterk en nauwkeurig geloof, men kan snel voorwaarts gaan op de weg der behoudenis en een innerlijke, geestelijke gemeenschap met God verwerkelijken. Na deze weinige algemene opmerkingen wensen wij bepaalde punten van onze houding nader aan te geven. Eerst een enkel woord aan het adres van zekere moderne theologen.
In ons werk De Goddelijke Openbaring hebben wij getracht te antwoorden op het verwijt van hen, die denken, dat het voorafgaand geloof in het opperste gezag van de Schriften strijdig is met de eisen van de geest. Tegenover « de letter » stellen zij « de geest » van het geschrift, of zelfs tegenover een theologische verstandelijkheid of een « biblicisme », het geestelijk leven.
Als God de schrijver van de Bijbel is, kan er geen enkel geldig bezwaar zijn om als opperst gezag te aanvaarden wat Hem goed gedacht heeft ons te doen kennen en het is niet dan redelijk, dat wij ons buigen voor dat Woord. De eis van de geest kan niet bestaan in het verwerpen der waarheid. Deze « letter » richt zich tot ons verstand, maar dient slechts tot tussenschakel. Want zij spreekt van geestelijke dingen en de verstandelijke aanvaarding moet, of zou moeten, gelijk opgaan met de doorleefde ervaring van wat is te kennen gegeven en begrepen. Weliswaar zijn bepaalde mensen misschien te veel blijven staan bij de enkele « letter », maar dat is nog geen reden om deze « letter » op te offeren en slechts de « geest » te willen behouden.
De « letter » is aangepast aan onze toestand van gevallen mens, wiens geest verduisterd is en niet in staat regelrecht de Waarheid te vatten. God werkt in ons, maar openbaart ons niet alles, hoofd voor hoofd. Deze toestand komt overeen met die, die betrekking heeft op de natuurlijke wereld, waar onze geest zich moet bedienen van de zintuigen als tussenschakel. Wij zijn niet in staat om met ons eigen bewustzijn iets anders te bereiken dan een zeer vaag idee van de Waarheid. De Geest verlicht onze geest, opdat wij zouden kunnen begrijpen niet een openbaring, die ons persoonlijk zou betreffen, maar wat Hij eens voor altijd nauwkeurig heeft geopenbaard aan zekere uitverkoren mensen en door middel van een geschreven stuk.
De zuiver « verstandelijke » kennis van de « letter » kan kennelijk niet voldoende zijn, maar een verstandelijke aanvaarding van deze « letter » is een onontbeerlijk middel om erin te slagen te leren kennen wat God heeft geopenbaard en de Heer anders dan op een zeer vage manier te beminnen. Onze liefde hangt af van de kennis van de beminde persoon en zelfs de apostel Paulus streefde ernaar de Heer beter te kennen. De « letter » is dus niet een einddoel, maar een middel, en een onontbeerlijk middel. Als God zelf tot ons spreekt met de juiste woorden, zonder enige vergissing of tegenspraak toe te laten, kunnen wij een verlicht geloof hebben, kunnen wij zeker zijn van veel bijzonderheden.
Wanneer daarentegen de Bijbel een verzameling feilbare getuigenissen is, nog niet geheel ontwikkelde formules van wat zekere mensen hebben begrepen met behulp van hun normale « godsdienstige bewustzijn » kunnen wij er nooit zeker van zijn of en wanneer zij nauwgezet spreken over bepaalde vragen. Als men consequent wil zijn, blijft er dus niets anders over dan een vage min of meer « christelijke » godsdienstigheid. En verre van het beginsel van gezag ter zijde te stellen, zal de beroepstheoloog de neiging hebben zijn eigen menselijk gezag in de plaats te stellen van het oppergezag van het Woord. De gelovigen zullen zich dan groeperen onder de leiding van bepaalden van deze gezagsdragers, individueel of collectief en de « geloofsbelijdenis » van een kerk of sekte zal de plaats innemen van de Schrift.
Laten wij thans enkele woorden wijden aan de « eenvoudige » gelovigen. Waarom al deze ingewikkeldheden, deze verwijzingen naar de Wetenschap, de Wijsbegeerte en de Theologie? Waarom niet eenvoudig aannemen, wat de Bijbel leert?
Laten we misverstanden vermijden. Er is aan de ene kant een eenvoudigheid die bestaat in het niet weerstaan van de Waarheid, aan het niet zijn eigen ideeën er tegenover stellen, maar die toch niet het denken, de rede en een zekere kritiek uitsluit. Het domein van het goddelijke is stellig op rede gegrond en moet het meest nauwgezet kritisch onderzoek kunnen doorstaan. Als God in ons werkt door Zijn Geest, dient dat niet om ons dom te maken, maar integendeel om onze geest, ons verstand, onze rede, te verlichten. Wij zullen bovendien een volledig kritische houding aan moeten nemen met betrekking tot uitleggingen van het Woord, zelfs die van « autoriteiten ». Er bestaat dus een eenvoudigheid, die de Waarheid aanneemt, wanneer zij zich voordoet, steeds al de vermogens van de geest in acht nemend en uitoefenend. In deze zin begrijpen wij het woord: « Zalig zijn de eenvoudigen van geest ». Weliswaar beveelt de Schrift ons de eenvoudigheid aan van een kind, maar het gaat juist om de hoedanigheid waarvan wij zo even spraken en die ons er toe brengt ontvankelijk te blijven voor de Waarheid. Het gaat dus niet om een afstand doen van alle rede en verstand. De apostel Paulus geeft het duidelijk aan:
« Broeders, weest geen kinderen in het verstand, maar in de boosheid; wordt in het verstand volwassen » (1 Kor. 14:20).
Aan de andere kant is er de eenvoudigheid, die slechts lichtgelovigheid is, die al te gemakkelijk aanneemt, zelfs de dwaling, die geen voldoende poging doet om volledig te begrijpen wat God ons te kennen wil geven. De Bijbel zelf nodigt ons immers uit om te onderzoeken en na te denken. Hier volgen enige teksten van die aard:
« Als tot verstandigen spreek ik (be)oordeelt gij hetgeen ik zeg » (1 Kor. 10:15);
« Beproeft alle dingen en behoudt het goede. Onthoudt u van alle schijn des kwaads » (1 Thess. 5:21, 22);
« Benaarstig u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt die het woord der waarheid recht snijdt » (2 Tim. 2:15);
« ... onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren » (Hand. 17:11).
Zonder twijfel spreekt de tekst in vele gevallen, wanneer het gaat om belangrijke maar elementaire zaken, duidelijk tot wie wil luisteren. Ieder mens zal op deze wijze kunnen leren hoe de eerste stappen te doen op de weg der behoudenis. De dingen worden echter meer ingewikkeld, wanneer het erom gaat verder gevorderd onderwijs goed te begrijpen, en wanneer er sprake is van instellingen, voorschriften, gebruiken, het maatschappelijk leven. Het is niet voldoende te zeggen, dat dit of dat gevonden wordt in de Bijbel. Men moet goed leren onderscheiden tot wie bepaalde woorden gericht worden, om welke tijd of « bedeling » het gaat. God zelf verandert niet, maar de omstandigheden op aarde veranderen en God bestuurt de wereld op verschillende manieren en spreekt niet tot het geestelijk « kind » zoals hij spreekt tot de « volwassen man ».
Al Zijn voorschriften worden niet altijd aan iedereen gegeven. Voor de grote Vloed moest de mens vegetariër zijn; nadien mag hij vlees eten. Het volk Israël moet wetten en voorschriften gehoorzamen, die niet als zodanig volstrekt van toepassing zijn op de heidenen. Er was een tijd, dat de discipel van de Heer niets met zich mocht nemen, wanneer hij op reis ging, zelfs geen geld en vooral geen wapens; maar op een ander ogenblik heeft de Heer Zelf deze aanwijzingen veranderd (vergelijk Luk. 22:35 — 36 met Luk. 9:3). De lezer zal in dit werk vaak dergelijke onderscheidingen tegenkomen. Het is dus niet voldoende een of andere tekst uit te zoeken en die toe te passen onverschillig wanneer en onverschillig op wie. Men moet rekening houden met het geheel van de Bijbel, waar elk deel zijn juiste plaats heeft. Men moet dus de Schrift bestuderen en steeds blijven bestuderen.
Maar dit vraagstuk heeft nog een ander aanzicht. De Bijbel drukt in gewone menselijke taal uit wat God ons wil zeggen. Zo worden de natuurverschijnselen beschreven zoals de mens ze ziet gebeuren: de zon gaat op. Het is helemaal geen vergissing of dwaling om zich op die manier uit te drukken, zolang men niet beweert het verschijnsel objectief te beschrijven, zoals het zich in volle werkelijkheid voordoet. Men begrijpt, dat God zich « moest » bedienen van de gangbare taal om begrepen te worden. Deze taal bevat ook vele stijlfiguren en bijzondere zinswendingen.
Welnu, wij moeten de Bijbel weliswaar letterlijk opvatten — en wij hebben zelf daarop aangedrongen in ons werk over De Goddelijke Openbaring — maar men geve zich rekenschap van het gevaar, dat de mens loopt, die niet ten volle gebruik maakt van zijn verstand: men kan dergelijke subjectieve uitdrukkingen en figuren gemakkelijk al te letterlijk opvatten. Men herinnere zich het drama met betrekking tot de vraag of de aarde onbeweeglijk is of niet: steunend op een te letterlijke uitlegging van de Schrift heeft men gemeend, dat zij onbeweeglijk was en heeft men de man veroordeeld, die het tegengestelde beweerde. Op deze manier loopt de onverstandige gelovige gevaar een dwaling te verdedigen!
Wij moeten dus « volwassenen » worden, niet alleen met betrekking tot de liefde, maar ook met betrekking tot het verstand, want God is niet alleen Liefde, maar ook Waarheid. Laten wij dus ten volle de Waarheid liefhebben. De Waarheid is immers het voorwerp, dat eigen is aan het verstand. Men moet de liefde niet opofferen aan het verstand, noch deze laatste aan de liefde. Deze twee kunnen zich niet ten volle verwerkelijken zonder hun wederzijdse steun.
Volgens tamelijk gangbare opvattingen onderscheidt men de « oude bedeling » (die van de « Wet », vervat in het Oude Testament) van de « nieuwe bedeling » (die van de genade, vervat in het Nieuwe Testament). Onze studie toont aan, dat dit onderscheid een kern van waarheid bevat, maar onvoldoende is. Consequent gezien geeft het aanleiding tot vele onoplosbare problemen, die, daar ze verkeerd gesteld zijn, de christenheid verdelen. Het is van het allerhoogste belang de verschillende manieren, waarop God de wereld bestuurt, goed te onderzoeken. Men moet ook goed onderscheiden tussen de verschillende geestelijke etappes van de gelovige op de weg der behoudenis. Van dergelijke onderscheidingen zal de uitleg afhangen, die men aan vele passages moet geven, en de oplossing van vele moeilijkheden.
Deze « bedelingen » zijn door een groot aantal ernstige schrijvers onderzocht, vooral in de Angel-Saksische wereld. Maar het moeilijkste probleem in dit opzicht is dat met betrekking tot de tijd, die volgt op de kruisiging: de periode, beschreven in de Handelingen der Apostelen en de huidige periode.
Welnu, al onze opvattingen die betrekking hebben op het begrip « Kerk », op de organisatie, de voorschriften en gebruiken, alles wat betreft de maatschappelijke betrekkingen van de gelovige, hangen af van de oplossing, die men geeft aan dit probleem. Deze fundamentele kwestie schijnt niet met voldoende aandacht en met voldoende objectiviteit door de theologen te zijn onderzocht. Vandaar de grondige verschillen tussen Kerken en sekten.
De oplossing, die wij hier bieden, is allengs nauwkeuriger omschreven, zoals een wetenschappelijk probleem, door de studies van verschillende mensen, die de « wetenschappelijke » methode volgden, waarvan wij spraken. Het betaamt hier in het bijzonder pioniers onder de aandacht te brengen als Dr. E. Bullinger en Mr. Ch. Welch.
1. Voor de Aionen.(1) (Top)
Het « begin » van Gen. 1:1 is het begin der schepping. Doch vóór de schepping, buiten alle tijd en ruimte, is God. Hij IS (2), zonder enige beperking. Hij is de Absolute, die ons begrip en kennis geheel te boven gaat. Alleen door zijn zichtbare werken en door hetgeen Hij van zichzelf openbaart, kunnen we hem in zekere mate leren kennen. Zo weten we dat we, al is Hij een in wezen, kunnen onderscheiden tussen Vader, Zoon en Heilige Geest. De Zoon is Gods Beeld (3); dat zich later aan ons openbaarde en in de Schrift aangeduid wordt met de namen Jehovah (4), de Engel des Heeren (5), de Zoon. Na zichzelf « vernietigd », of beter: « van zijn heerlijkheid ontledigd » te hebben (6), verscheen de Zoon als mens, « Jezus » genaamd in zijn vernedering, de Christus (gezalfde) door de profeten aangekondigd. De Zoon is God (7), doch werd schepsel (8) om te scheppen. Van Hem wordt dan ook gezegd dat Hij het begin der schepping is (9). Alles werd in Hem (10) en door Hem (11) geschapen. Hij werd niet alleen Middelaar ten opzichte van het gevallen schepsel, doch vóór alles Middelaar om te scheppen: de Vader schiep door middel van de Zoon. Hij heeft ook de aionen gemaakt (12). Alle dingen bestaan te samen in Hem, alle leven, al het « zijn » komt van Hem (13).
Vóór het « begin » van Gen. 1:1, was er dus het « begin » van Joh. 1:1: « In den beginne was het Woord ». Eer de wereld was, bevond de Zoon zich in heerlijkheid bij de Vader (14). Vóór de schepping en de aionen, was er voor ons een hoop des levens (15), een genade (16), een wijsheid tot heerlijkheid (17).
De Zoon werd schepsel om te scheppen en om zijn schepsel te voeren tot de heerlijkheid Gods. Indien er noch zonde, noch val geweest was, had Hij zich niet moeten ontledigen, de gestaltenis eens slaafs moeten aannemen, zich moeten vernederen, moeten gehoorzamen tot de dood, de dood des kruises (18). Het Goddelijke leven was in Hem (19) en kon dan ook door geestelijke gemeenschap met Hem het schepsel ten deel zijn, want alles was voor Hem geschapen (20). Dan zou God « alles in allen » geweest zijn. De schepselen, van nature sterfelijk en verderfelijk, zouden dan gekomen zijn tot onsterfelijkheid en onverderfelijkheid.
Doch de zonde van het schepsel is tussenbeide gekomen (21), en heeft Gods voornemen wat meer ingewikkeld gemaakt, zoals we zullen zien. Als dit voornemen zal uitgewerkt zijn, zal de vernederde « Jezus » niet slechts « uitermate verhoogd » zijn, zoals Hij nu reeds is (22), doch zal geheel als Beeld Gods hersteld zijn.
De aionen hebben dus een eindige duur, tot het doel bereikt is, tot heerlijkheid van de Vader en de Zoon. Deze kan niet Middelaar blijven. Zijn werk moet eens voleindigd zijn.
Voetnoten:
(1) Zie de Griekse tekst van 2 Tim. 1:9: « pro chronon aionion », dus letterlijk: « vóór de tijden der aionen ». Ook deze tekst toont dat « aionion », dat men gewoonlijk met « eeuwige » vertaalt, niet de betekenis heeft van « zonder begin en zonder einde ». Zie Aanhangsel nr. 1 aangaande de aionen. Zie ook 1 Kor. 2:7 « eer de wereld was », Griekse tekst: « proton aionion »; Joh. 17:5 « eer de wereld was »; Tit. 1:2 « vóór de tijden der eeuwen ». In deze twee laatste gevallen vindt men in de Griekse tekst « pro chronon aionion », dus « vóór de tijden der aionen », zoals in 2 Tim. 1:9.
(2) Zie b.v. Heb. 11:6 Griekse tekst: « estin », vertaald met « is ».
(3) Kol. 1:15. Zie ook Heb. 1:3: « uitgedrukt beeld », en Joh. 17:5.
(4) Vergelijk b.v. Jes. 6:1-10 met Joh. 12:41; Jes. 43:15; 44:6 met Joh. 1:50; 12:13 enz.; Jes. 43:11 met Hand. 4:12 enz.; Jes. 45:22 met Joh. 12:47; Jes. 45:23 met Fil. 2:10, 11; Ex. 34:6, 7 met Mark. 2:5. Zie Joh. 20:28; 21:7; Op. 1:8; Jes. 41:4; 44:6; 48:12.
(5) Gen. 16:7; 18:10 — 24 (zie Joh. 8:56); 22:11; Ex. 3:2 — 14. De Heere zegt dikwijls: « ego eimi » dat is: « Ik ben ».
(6) Fil. 2:7.
(7) Zie ook Rom. 9:5; Joh. 1:1; 5:18; 8:58; 10:30; 17:5; Tit. 2:13; 3:4; Fil. 2:6; Kol. 2:9; 1 Tim. 3:16; Heb. 1:8 — 10; 1 Joh. 5:20.
(8) Kol. 1:15.
(9) Op. 3:14
(10) Kol. 1:16 Griekse tekst.
(11) Rom. 11:36; 1 Kor. 8:6; Kol. 1:16; Heb. 2:10.
(12) Heb. 1:2, « Aionos » vertaald door wereld.
(13) Hand. 17:28; Kol. 1:17: Heb. 1:3.
(14) Joh. 17:5.
(15) Tit. 1:2.
(16) 2 Tim. 1:9.
(17) 1 Kor. 2:7.
(18) Fil. 2:7, 8.
(19) 1 Joh. 5:11.
(20) Kol. 1:16; Rom. 11:36.
(21) Het schepsel had geen leven in zichzelf, want het was geen God. Het is sterfelijk in de zin dat het kan sterven. Doch God kan het tot de onsterfelijkheid brengen. Dat had ook moeten gebeuren zonder de zonde. Als het schepsel ophoudt te leven, bestaat het nog wel en kan door opstanding weer leven. De doden leven dus niet. Dat kan slechts door opstanding. De Schrift spreekt nooit over een « natuurlijke » onsterfelijkheid.
(22) Fil. 2:9.
2. Het Begin der Schepping (Top)
God schept uit liefde. Hij wordt door niets genoodzaakt, doch werkt in de volheid zijner vrijheid en liefde. Hij schept een schepsel, dus een wezen dat geen God is, dat geen bestaan en geen leven heeft in zichzelf, dat onvolmaakt is. Doch aangezien God absoluut is, wil Hij ook op absolute wijze het bestaan van dit schepsel. Van de onvolmaakte toestand, moet het tot volmaking komen, en wel door een volkomen gemeenschap met God.
God schept niet alleen « dingen », doch ook redelijke en vrije schepselen, hun Schepper waardig. Zonder vrijheid zouden die schepselen niet meer dan « mechanismen » zijn, Gode onwaardig. In deze zin is het bestaan van vrije schepselen een bewijs van het bestaan van een ware God, d.i. een God van liefde, een almachtige, volmaakte, absolute God.
De schepping ontstond dus niet « uit niets », maar uit God (23). Ze is echter geen emanatie Gods (23a). Na de schepping blijft God wat Hij steeds is. In brede zin is de schepping niet begrensd tot het begin, doch omvat de doorgaande werking Gods, die het onvolmaakte schepsel tot volmaaktheid wil brengen, tot de eindtoestand, waar God alles in allen is (24), tot de volkomen gemeenschap of vereenzelviging met God. We hebben dus hier een zekere evolutie, een vooruitgang, een weg tot de volmaaktheid van het schepsel. Die weg moet het schepsel vrijwillig volgen. Alleen zó kan het doel bereikt worden, in vrijheid en liefde, want zonder deze zou het vrije schepsel, Gode waardig, ophouden te bestaan en een « ding » worden. Alle dwang vermindert de vrijheid en werkt de ware vooruitgang tegen. Het schepsel moet dus bewust worden van zijn eigen waardigheid en bestemming en van Gods wil. Het moet leren uit te werken, in vrijheid en liefde, wat God in hetzelve wil werken. Het moet gebruik maken van de mogelijkheden die God, uit genade, aanbiedt. Het moet er toe komen zich volkomen aan Gods wil te onderwerpen, in liefde, en inzien dat het, verre van alzo zijn vrijheid te verliezen, alleen op deze wijze tot de volkomen vrijheid en heerlijkheid kan komen.
Onder vrijheid verstaan we het tegenovergestelde van noodzakelijkheid of slavernij. Zo heeft men de keuze tussen goed en kwaad. Goed is: wat overeenstemt met Gods wil. Door een goed gebruik der begrensde vrijheid, komt men in nauwere gemeenschap met God en is men dus minder onderworpen aan het kwaad, dus vrijer. Omgekeerd, voert een slecht gebruik tot groter slavernij. Daarbij kan men aanmerken, dat een goed gebruik der vrijheid, een zich onderwerpen aan het goede, aan Gods wil, redelijk is. Het redelijke wezen verwezenlijkt zichzelf dus ten volle als het vrijwillig, uit liefde, Gods wil aanvaardt. Omgekeerd is het schepsel onredelijk als het dat niet doet. Het heeft dan de neiging zichzelf te vernietigen: er is gebrek aan rede, aan vrijheid, aan liefde.
Indien het oorspronkelijke schepsel dan vrijheid bezat, hoe heeft het deze dan gebruikt? We kunnen op deze vraag antwoorden door ons te beroepen op twee dingen:
1. wat we leren uit de zichtbare wereld (inbegrepen onszelf);
2. wat God ons leert in zijn Woord.
Onze natuurlijke vermogens laten ons toe in de tegenwoordige, zichtbare wereld Gods macht en goddelijkheid te erkennen (25). Doch we zien even duidelijk dat die wereld niet volkomen goed is, doch integendeel overal door het kwade bevlekt is. Men ziet overal Gods meesterwerk, doch het is beschadigd. De stof vergaat, de planten sterven, de dieren bestrijden en doden elkander. Voor wat de mens betreft, moeten we erkennen dat Gods Woord de waarheid zegt:
« Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid; vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid; oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam, onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen » (26).
Uit dit alles blijkt dus duidelijk dat het schepsel misbruik gemaakt heeft van zijn vrijheid en van Gods genadegaven. Het heeft zijn doel gemist en heeft zich verwijdert van de Bron van alle Liefde, Leven en Vrijheid.
Dikwijls heeft men de vraag gesteld hoe het mogelijk is dat een volmaakte God een wereld heeft geschapen waar het kwaad regeert. Om tot een oplossing te komen, hebben sommigen de tegenstelling tussen God en het kwaad trachten te vermijden, hetzij door te veronderstellen dat God niet volkomen goed of machtig is, hetzij door het bestaan van het kwaad te negeren. Doch als men rekening houdt met de vrijheid, dan kan men vasthouden beide aan een ware God en aan de werkelijkheid van het kwaad (27).
Anderen hebben gemeend, dat God zelf het kwaad in de schepping heeft gebracht. Doch dit is niet redelijk, want « kwaad » is juist wat God niet wil. Al wat God doet is noodzakelijk goed.
Laat ons nu, in het kort nagaan wat de Schriften ons openbaren aangaande de oorspronkelijke schepping. We moeten dus een poging doen om de eerste verzen van het boek Genesis goed te begrijpen. Nu toont echter de uiterst omvangrijke literatuur aangaande dit onderwerp (28) dat men die teksten op meerdere wijzen kan uitleggen. We zullen die exegese kiezen, die, steunende op de grondgedachte der volledige inspiratie der Schriften, het best mogelijk overeenkomt met andere aanduidingen van Gods Woord, en die niet in strijd is met waargenomen feiten. We zullen ook rekening houden met de volgende opmerkingen:
Het Hebreeuwse werkwoord dat door « scheppen » vertaald is, wordt nooit gebruikt voor een menselijke daad. Het betreft een werking Gods, die ook kan plaatsvinden na de oorspronkelijke schepping, die schepselen voortbrengt die niet kunnen ontstaan door de innerlijke krachten reeds aanwezig in wat reeds bestaat (dus door een « natuurlijke evolutie »);
Het Hebreeuws heeft geen bijzonder woord voor « heelal ». Men moet dus gebruik maken van de uitdrukking « hemel en aarde » om al het bestaande aan te duiden. Natuurlijk kan « hemel en aarde », na de oorspronkelijke schepping, ook een deel van het heelal aanduiden: b.v. de aarde en de luchthemel;
De eerste verzen spreken niet uitdrukkelijk van de schepping van geestelijke wezens; deze zijn begrepen in het heelal, door « hemel en aarde » aangeduid;
Gen. 1:2: « De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond » geeft voorzeker de indruk van een chaos. God schept echter geen chaos, want zijn werken zijn volmaakt (Deut. 32:4). Deze chaos moet het gevolg zijn ener wereldcatastrofe, die overigens aangeduid wordt door het Griekse woord « katabole », meerdere malen gebruikt in het Nieuwe Testament om een heel belangrijke mijlpaal in de wereldgeschiedenis aan te duiden (29).
Als men met deze opmerkingen rekening houdt, menen we dat de beste uitleg van de eerste verzen van het boek Genesis, de volgende is:
In een tijd, die totaal onbepaald blijft, was er schepping van een heelal. Gode waardig, en waartoe ook een ontelbaar aantal geestelijke wezens behoorden, later vermeld in de Schrift. De bestaanswijze van die oorspronkelijke kosmos gaat onze gedachten volkomen te boven. Een dergelijke schepping was geheel onbekend aan het heidendom, dat gewoonlijk het bestaan aanvaardde van een primitieve, vormeloze stof, of van een chaos;
Er was een val van zekere machtige geestelijke wezens, zoals we verder zullen zien. Dit heeft dan tot gevolg gehad een verwoesting van een deel van de oorspronkelijke kosmos, op een onbepaalde datum. Zo ontstond dan mogelijk het stoffelijk, chaotisch heelal dat door onze sterrenkundigen onderzocht wordt. Zekere sterren schijnen te bestaan sinds miljoenen jaren. De aarde schijnt gevormd te zijn ongeveer 3000 miljoen jaren geleden. Gen. 1:2 kan betrekking hebben ofwel op de vloeibare toestand der aarde (want het woord « wateren » kan gelijk welke vloeistof aanduiden), ofwel op een latere toestand, waar de vaste aarde, althans voor een groot deel, bedekt was met water, en waar ze omringd was met dichte wolken, en de zonnestralen dus geheel werden tegengehouden. Eerst op de « vierde » dag zou het zonnelicht doorbreken. Reeds Origenes had de gedachte van een dergelijke wereldverwoesting (30);
Daarna komen de « zes dagen » van Gen. 1:3-31, waar God inwerkt, want de innerlijke krachten van de overblijfselen der oorspronkelijke schepping konden geen leven, geen gevoel, geen geest voortbrengen. Er was dus waarschijnlijk een zekere « evolutie », doch gewerkt door God, dus van scheppende aard. We zullen hierop terugkomen in het volgende hoofdstuk.
Laat ons nu nagaan wat Gods Woord ons openbaart aangaande de geestelijke wezens en de val van sommige dezer. Job spreekt van de « Zonen Gods » (31) die tegenwoordig waren bij de grondvesting der wereld (32). De naam « Zonen van Elohim » vinden we nog in andere teksten (33), die ons duidelijk maken dat hij geestelijke wezens aanduidt, wier « verblijfplaats » gewoonlijk de « hemel » is. Deze wezens worden ook « heiligen » (heilige engelen) genoemd (34).
Daar ze niet voortplanten (35), waren ze in den beginne in overgrote getallen geschapen. Daniël (36) en Johannes (37) spreken van tienduizend maal tienduizenden, die zich in Gods aanwezigheid bevonden. De bedoeling is: een ontelbaar getal. De brief aan de Hebreeën vermeldt de « vele duizenden engelen » (38), terwijl Lukas wijst op « een menigte des hemelsen heirlegers » (39). Het Oude Testament spreekt dikwijls van dit hemels « leger ».
Verder zijn er ook « Overheden », « Machten », « Krachten », « Heerschappijen » (40), « Cherubs » (41) en « Serafs » (42).
Twee dezer geestelijke wezens worden bij name genoemd: Michaël (43), de Archangel, en Gabriël (44).
Uit hetgeen de Schrift ons aangaande die geestelijke wezens meedeelt, moeten we besluiten dat sommige aan God gehoorzaam zijn, andere tegen Hem in opstand zijn. Hier zien we dus dat ook deze wezens in vrijheid geschapen zijn en sommigen die vrijheid misbruikt hebben, uit hoogmoed. Sommige schriftdelen werpen een zeker licht op de houding van een der meest verheven geestelijke wezens. Ezech. 28 spreekt eerst van de vorst van Tyrus, doch de tekst gaat veel verder en spreekt dan van een geestelijk wezen, in vs. 12 « Koning van Tyrus » genoemd, waarvan de menselijke vorst slechts een aards beeld is. We lezen hier:
« Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid. Gij waart in Eden, Gods hof (45); alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u, ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid. Gij waart een gezalfde overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen. Gij waart volkomen in uwe wegen, van de dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is. Door de veelheid uws koophandels, hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal U, gij overdekkende cherub, verdoen uit het midden der vurige stenen » (46).
Jes. 14 geeft ook enkele aanduidingen, die men moeilijk anders kan toepassen dan op hetzelfde wezen:
« Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads: hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij die de Heidenen krenktet. En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden. Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen; ik zal de Allerhoogste gelijk worden » (47).
We vernemen dus een en ander aangaande een wezen dat in de schepping een positie bekleedde verheven boven al wat we ons kunnen voorstellen en dat eerst rechtschapen was, doch hoogmoedig werd. Niet alleen heeft het zich van God afgewend en zichzelf tot middelpunt genomen, doch het heeft aan God gelijk willen zijn. Daar het de waarheid verloochende, is het vervallen tot de leugen. Johannes zegt van de duivel dat er geen waarheid in hem is, dat hij de vader der leugen is (48) en dat hij van den beginne zondigt (49). Dat dit wezen niet alleen was in zijn opstandigheid, blijkt duidelijk uit de schriftplaatsen waar er sprake is van een strijd « tegen de Overheden, tegen de Machten, tegen de Geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen geestelijke boosheden » (50).
Er wordt dikwijls gesproken over deze geesten, die in de toekomst een laatste poging zullen doen om het rijk der duisternis op te richten (51). We begrijpen dus dat er ook een reiniging moet komen van de hemelse dingen (52). We zullen later nog handelen over de wandaden dezer gevallen engelen en hun voortdurende strijd tegen allen die Gods wil trachten te volbrengen.
We beperken ons tot dit kort overzicht, om te besluiten dat Gods Woord meerdere aanduidingen geeft over de wijze waarop de redelijke schepselen van hun oorspronkelijke vrijheid gebruik gemaakt hebben: sommige hebben begrepen dat het niet alleen redelijk is zich aan God te onderwerpen, doch dat ze alleen door hun liefde tot Hem tot hun doel kunnen komen: anderen hebben zich tegen Hem verzet (53).
Het oorspronkelijke schepsel, in zijn geheel genomen, heeft dus geen goed gebruik gemaakt van Gods genadegaven, en de gevolgen dezer houding konden niet anders dan catastrofaal zijn. Het is niet gemakkelijk ons in gedachte uit ons tegenwoordig mensenleven te verheffen tot die oorspronkelijke toestanden: we hebben te veel de neiging alles te herleiden tot onze menselijke gedachten. Het prachtige schepsel Gods keerde zich af van Hem die bron van alles is. Het verhief zich tegen Hem die Licht, Eenheid, Waarheid en Leven is. Daaruit kon niets anders ontstaan dan duisternis, chaos, leugen en dood.
We kunnen ons afvragen wat er zou gebeurd zijn indien het oorspronkelijke schepsel zijn doel niet gemist had, en door liefde, in volle gemeenschap gekomen was met de Schepper. De aioon, die nu eindigde met de verwoesting van een deel der schepping, had dan onmiddellijk gevoerd tot de eindtoestand, waar God « alles in allen » is.
Zo zouden we dan het volgende schema gehad hebben:
| God |
Schepsel |
God alles in allen |
Terwijl nu, door de val, het volgende schema toepasselijk is:
| God |
Schepping Val |
|
Nieuwe Schepping |
God alles in allen |
In de volgende hoofdstukken zullen we nagaan op welke wijze God handelt om tot de herstelling te komen. We voegen hier nog aan toe, dat de val der oorspronkelijke schepselen geen noodzakelijkheid was, veroorzaakt door hun onvolkomenheid. Die val was een gevolg van een verkeerd gebruik van wat goed was, een gevolg der zonde. Het onvolmaakte schepsel is niet noodzakelijk een zondig schepsel. Het vervalt in de zonde, als het aan God weerstaat door zijn eigen wil te plaatsen tegenover Gods verlangen. Het is de zonde die de nederwerping tot gevolg had en een herstelling noodzakelijk maakte.
Gedurende het ganse tijdperk der herstelling heerst de zonde. Het gaat hier niet slechts over een verbetering en volmaking, een zich verheffen tot Gods heerlijkheid. Eerst moet het schepsel zelf, uit vrije wil, doch niet in eigen kracht, zich tot God omkeren.
Men moet trachten zich enigszins voor te stellen welke verschrikkelijke gevolgen de zonde had: er ontstond een conflict tussen Gods gerechtigheid en Gods liefde. Op grond van het Recht moet God veroordelen. Doch op grond van de Liefde moet het schepsel tot zijn doel komen. Beide volstrekte Liefde en Gerechtigheid moeten ongeschonden blijven. Men ziet dat voor de mens hier een tegenstelling bestaat, een onmogelijkheid. Maar wat voor ons onmogelijk is, is niet onmogelijk voor God. Alleen de Schrift geeft ons de oplossing.
Voetnoten:
(23) 1 Kor. 8:6 zegt dat alle dingen uit (ek) Hem zijn.
(23a) Emanatie= onzichtbare uitstroming, leer van de uitvloeiing der dingen uit een hoogste beginsel (in tegenstelling tot schepping).
(24) 1 Kor. 15:28.
(25) Rom. 1:20.
(26) Rom. 1:28-31.
(27) Voor wat betreft het probleem van het kwaad, zie ons werk De Wetenschap, de Rede en het Geloof.
(28) Een groot deel dezer literatuur wordt opgegeven en onderzocht door Zückler in Gesch. der Beziehungen zw. Theol. u. Naturwissensehaft.
(29) Katabolé komt 10 maal voor, en wordt in de Statenvertaling weergegeven met « grondlegging ». De teksten kunnen in twee reeksen verdeeld worden, betreffende iets dat vóór of vanaf de katabolé bestond:
vóór de katabolé: Joh. 17:24; Ef. 1:4: 1 Pe. 1:20.
Vanaf de katabolé: Mat. 13:35; 25:34; Luk. 11:50: Heb. 4:3; 9:26; Op. 13:8.
Het werkwoord kataballé betekent zonder twijfel « nederwerpen » en wordt vertaald door « nedergeworpen » in 2 Kor. 4:9 en Op. 12:10. In de menselijke literatuur (en woordenboeken) wordt katabolé gebruikt voor « grondlegging », doch het schijnt ons meer logisch toe, in de Schrift « nederwerping » of « verwoesting » te gebruiken. Voor « grondlegging » heeft het Grieks het werkwoord « themelios ».
(30) De Princ. III, 5, 4.
(31) Letterlijk: « zonen van Elohim ». Elohim is Gods naam als hij meer in het bijzonder als de machtige Schepper aangezien wordt. Jehovah wordt gebruikt voor God als Middelaar. De uitdrukking « zonen van Jehovah » is in Deut. 14:1 gebruikt en duidt mensen aan. Zie ook eindnoot 78.
(32) Job 38:7.
(33) Gen. 6:2; Job 1:6; 2:1; 38:7; Ps. 29:1; 89:7.
(34) Job 5:1; 15:15; Ps. 89:6, 8; Dan. 4:13; 8:13; Jud. 14.
(35) Mat. 22:30.
(36) Dan. 7:10.
(37) Op. 5:11.
(38) Heb. 12:22.
(39) Luk. 2:13.
(40) Ef. 1:21.
(41) Gen. 3:24; Ezech. 9 en 10. In Op. 4:6 noemt de Statenvertaling hen « dieren ». Men leze: « levende wezens ».
(42) Jes. 6:2, 6.
(43) Dan. 12:1; 10:21; 1 Thes. 4:16; Jud. 9; Op. 12:7. Er is slechts één Aartsengel en deze wordt genoemd: « die grote vorst, die voor de kinderen uw volks (Israël) staat ».
(44) Dan. 9:21-23.
(45) Men lette erop dat Eden, Gods hof, niet identiek is met « de hof van Eden » (Gen. 2:8), die niet tot de oorspronkelijke schepping behoort en slechts een klein deel der aarde omvat.
(46) Ezech. 28:12-17. Zie Dan. 10:13 en Ef. 2:2 voor twee andere gevallen waar het woord « vorst » of « overste » een geestelijk wezen aanduidt. In Ex. 24:10, 17 vindt men een gezicht van de schitterende gesteenten nabij Gods troon.
(47) Jes. 14:12 — 14.
(48) Joh. 8:44
(49) 1 Joh. 3:8.
(50) Ef. 6:12.
(51) Op. 12:7; 13 enz.
(52) Heb. 9:23.
(53) Het is mogelijk dat anderen zich vergenoegden in hun oorspronkelijke onvolmaakte toestand te blijven, en nog anderen, zonder zich tegen God te keren, zonder Hem tot volmaaktheid dachten te kunnen komen. In latere tijden vinden we dergelijke neigingen bij de mensen: sommigen zijn onverschillig, anderen willen door hun werken gerechtvaardigd worden en vooruit komen.
Alleen de Schrift kan ons, door openbaring, leren hoe God te werk ging ter herstel der schepping. Deze werd tot een chaos door de zonde: de eerste aioon eindigde met een wereldramp. God wil nu op grond van zijn liefde alles opnieuw toebereiden en wel meer in het bijzonder een nieuwe aioon (54). Gen. 1:3-31 geeft ons een kort, meesterlijk overzicht van Gods ingrijpen gedurende de « zes dagen » der herstelling der aarde.
Een grondig onderzoek laat geen twijfel dat die « zes dagen » overeenstemmen met de grote geologische perioden. Er bestaat inderdaad een goede overeenstemming tussen de hoofdkenmerken dezer oude tijden, die men min of meer kent uit het onderzoek der aardlagen, en de gegevens der Schrift. Aangezien ten tijde van Mozes, of zelfs daarna, dit alles nog onbekend was, vindt men hier een tastbaar bewijs der ingeving der Schrift. De moderne wetenschappelijke methoden laten toe zich een gedachte te vormen van de tijden waarop die gebeurtenissen plaats vonden. De tijdsruimte door de vier laatste « dagen » ingenomen, bedraagt waarschijnlijk méér dan 500 miljoen jaren (55).
Noot door Uit de Schriften 2017: Hoeveel respect we ook hebben voor het Schriftinzicht van Dhr. van Mierlo, de zes dagen in Genesis zijn precies dat, zes dagen van 24 uur. Ook Dhr. Pauptit is die mening toegedaan zoals u kunt lezen in De Tijden der Eeuwen blz. 105. Alle geologische waarnemingen zijn het gevolg van de zondvloed van Noach, zoals verklaart in de Hydroplate theory waarover we berichten in het forum. Ondanks dit verschil van mening wensen we het geschrift te presenteren zoals Dhr. van Mierlo het heeft geschreven. Wel zullen we wat o.i. niet Schriftuurlijk is in een ander lettertype, grootte en opmaak weergeven.
De oorspronkelijke tekst gebruikt het woord « scheppen » slechts in verband met de dieren der zee en de mens. Gedurende de tweede « dag » « maakte » God de « hemel », die misschien niet alleen de aardse atmosfeer omvat, doch veel verder reikt in ruimte en in wezen.
Men kan hierbij aanmerken dat het werk van de tweede « dag » niet « goed » genoemd wordt, zoals dat van de andere. Men kan veronderstellen dat dit te wijten is aan de geestelijke wezens die oorzaak van de nederwerping waren, en die zich in die « hemel » bevonden.
Adam werd de zesde « dag » geschapen. Uit de verdere gegevens mogen we besluiten dat dit ongeveer 4000 of 5000 jaar vóór Christus was (56), wat ook weer volkomen aansluit met wat de opgravingen ons leren over het eerste ware mensenras, dat begon met het nieuwe-steentijdperk. Alle vroegere wezens, die min of meer op de mens geleken, en die mogelijk reeds enkele l00.000den jaren op aarde waren, kan men niet als ware mensen aanmerken. Het nieuwesteentijdperk is gekenmerkt door de plotselinge verschijning van een nieuw ras, dat het land bebouwt, huisdieren heeft en in gemeenschappen leeft. De opgravingen bevestigen niet alleen de tijdsopgave en de levensomstandigheden die de Schrift ons levert, doch ook de plaats, waar dit nieuwe ras begon: in de omstreken van de Tigris en de Euphraat.
God vormde de eerste mens uit het « stof der aarde », d.w.z. dat hij van aardse oorsprong is, in tegenstelling met de « tweede mens » Jezus Christus, die van hemelse oorsprong is (57).
De mens is niet alleen geschapen als « levende ziel » zoals de dieren, doch daarbij naar Gods Beeld. Meerdere schriftplaatsen leren ons dat Christus Gods Beeld is (58). Maar dat Beeld Gods is schepsel geworden: « de eerstgeborene der ganse schepping », en Hij schept nu de mens naar zichzelf, dus naar Gods Beeld. Behalve de stoffelijke, uitwendige vorm, geleek Adam dus op de Zoon door zijn hogere vermogens: rede, bewustzijn, wil. Het was een vrij wezen, dat « volkomen », alhoewel niet volmaakt was. Het had geen leven in zichzelf, was dus niet onsterfelijk. Om zijn leven te onderhouden had hij de « boom des levens » nodig (59). Toen deze niet meer toegankelijk was, begon Adam een stervensproces door te maken (60). God alleen is onsterfelijk (61) en onveranderlijk (62). Hij is dus naar zijn wezen geheel verschillend van alle schepsel, dat slechts een kleine « voorraad » leven van Hem ontvangen heeft (63). De mens in het bijzonder hangt dus steeds geheel af van de Bron van alle leven: God, of, méér bepaald: de Zoon als Middelaar Gods.
De zevende « dag », hield God op te « maken » en te « scheppen ». Dit wil niet zeggen, dat Hij rustte, als iemand die vermoeid is (64). We kunnen ons afvragen waarom God de mens geschapen heeft. Uit meerdere schriftplaatsen (65) leren we, dat er vanaf die nederwerping sprake is van een Koninkrijk Gods. Ook op aarde. We kunnen veronderstellen dat de mens bestemd was, onder de algemene heerschappij van God, koning te zijn op aarde. Lezen we niet, dat Adam moest heersen over zee, hemel (de atmosfeer) en aarde (66) Psalm 8 zegt zelfs:
« En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen (Hebr.: elohim), en hebt hem met ere en heerlijkheid gekroond. Gij doet hem heersen over de werken uwer handen; gij hebt alles onder zijn voeten gezet ».
Adam moest heersen om op aarde een werktuig te zijn in Gods hand en mee te werken tot de herstelling, om andere schepselen er toe te bewegen zich tot God te keren, zijn genade niet te weerstaan. Doch vóór alles moest Adam zelf zijn verkiezing vastmaken en door gehoorzaamheid en volkomen overgave aan God, in werkelijkheid komen tot de positie waartoe God hem bestemd had. Hij moest zichzelf worden, door gebruik te maken van Gods genadegaven. Het kwade, d.w.z. wat in strijd is met Gods wil, moest hem vreemd zijn. Steeds moest hij handelen en denken in overeenstemming met God en niet streven naar een zelfstandige positie, door zelf te bepalen wat goed en kwaad is.
Het is zeer moeilijk ons een getrouw beeld te vormen van Adam, want hij was in zijn eerste staat van onschuld geheel verschillend van ons. In alle opzichten was hij een volkomen mens. In het bijzonder waren zijn geestvermogens niet aan de stof en de zinnen onderworpen. Een voor ons bovennormale kennis maakte het hem b.v. mogelijk aan elk dier een naam te geven die de uitdrukking was van zijn wezen. Wat over Adam medegedeeld wordt, moet naar een geheel andere standaard beoordeeld worden, rekening houdende met Adams volkomen-mens-zijn en met zijn bijzondere levensvoorwaarden.
De Schrift leert ons hoe Adam zich liet afwenden van Gods wil en een zelfstandige positie innam. In plaats van tot zijn doel te komen, ging hij de verderfenis tegemoet. Laat ons nader nagaan wat er geschiedde, steunende op de Hebreeuwse tekst.
Onze vertalingen spreken van een « slang », doch het zo vertaalde woord betekent « blinkende », en kan dus een ander wezen dan een dier aanduiden (67). Verder leze men in plaats van de vertaling « dier » of « gedierte » in Gen. 3:1: « levend wezen » (68). Daarbij spreekt v. 24 van cherubim en vormen de verzen 1 tot 24 een geheel, dat, zoals alle delen der Schrift, een bijzondere « structuur » heeft:
Structuur van Gen. 3:1 — 24
|
A1 |
|
1-5 De Slang (Hebr. Nachash = Blinkende). De overtreding. |
|
B1 |
|
6 De boom der kennis. Er van gegeten. |
|
C1 |
|
a1 |
|
7- Uitwerking op beiden, man en vrouw. |
|
|
|
|
b1 |
|
-7 Menselijk voorziening: schorten. |
|
D1 |
|
8-12 Gods vraag aan de man. |
|
E1 |
|
13 Gods vraag aan de vrouw. |
|
F1 |
|
14 Vonnis over de Slang. |
|
F2 |
|
15 Belofte van het Zaad. |
|
E2 |
|
16 Gods vonnis over de vrouw. |
|
D2 |
|
17-19 Gods vonnis over de man. |
|
C2 |
|
a2 |
|
20 Uitwerking op beiden, man en vrouw. |
|
|
|
|
b2 |
|
21 Goddelijke voorzienigheid: rokken. |
|
B2 |
|
22-24 De boom des levens. Verdrijving er van. |
|
A2 |
|
24 De Cherubs. Hoop op leven. |
Men bemerkt dus het verband tussen A 1 en A2, B1 en B2, C1 en C2 enz. De cherubim van v. 24 staan tegenover de « blinkende » van v. 1 en aangezien deze cherubim geestelijke wezens zijn, moet de « blinkende » ook een hooggeplaatst geestelijk wezen zijn. Andere schriftdelen bevestigen, dat het hier niet gaat over een letterlijke slang, maar over satan, die « slang » of « blinkende » genoemd wordt (69).
We hebben reeds gezien in het vorige hoofdstuk, dat satan een « gezalfde, overdekkende cherub » was, een schitterend (« blinkend ») wezen. De overeenstemming tussen v. 1 en v. 24 is dus zeer goed. Men herinnere zich ook hoe de Apostel Paulus, na gesproken te hebben over de verleiding van Eva door de « slang », ons zegt dat satan zich voordoet als een engel des lichts (70). Alles leidt er ons dus toe, in Gen. 3:1 aan satan zelf te denken (71).
We besluiten uit dit alles, dat satan, de gevallen cherub, zich tegenover God plaatste en de verwezenlijking van het Koninkrijk wou tegenwerken. Hij deed zich aan Eva voor in zijn schitterende engelengestalte, boezemde twijfel in aangaande hetgeen God bevolen had en schreef aan God valse voornemens toe. Eva, zeer onder de indruk dier verschijning, liet zich verleiden haar eigen wil te plaatsen tegenover die van God: dit wou dus zeggen een scheiding, een val. Adam nam deel aan de houding zijner vrouw en droeg dus ook de volle verantwoordelijkheid. Ten volle bewust van de ernst zijner beslissing en van de gevolgen die eruit zouden voortvloeien, beschouwde hij zijn eigen oordeel als norm, miskende dus God als zodanig en kwam in gemeenschap met de aardse sfeer. Hij miste alzo het doel waartoe God hem in de hof van Eden had geplaatst: hij zondigde. Hij had kunnen willen wat goed is, d.w.z. wat overeenstemt met Gods wil, doch volgde zijn eigen wil. Deze zonde kon hem ten volle toegerekend worden en kon niet anders dan haar logische gevolgen na zich slepen.
Noch Adam, noch Eva hebben zich tegen God gericht in dezelfde zin als satan, doch ze hebben zich van Hem afgewend. De scheiding van de Bron des levens en der heerlijkheid had tot gevolg een gebrek aan leven en heerlijkheid. Ze « stierven » naar de geest, door hun afscheiding van de Geest, en werden ook lichamelijk « stervend », daar ze slechts een kleine voorraad leven hadden (72). Ze beschikten niet meer over hun normale geestvermogens en werden onderworpen aan de zinne-indrukken. Ze derfden de heerlijkheid Gods (73). In plaats van koninklijke heerschappij op aarde, hadden ze nu strijd tegen dieren en elementen. De aarde zelf nam deel aan hun val, de grond werd vervloekt (74).
Adams kinderen waren in zijn gelijkenis (75). Een onrein wezen kan geen reine wezens verwekken (76). Alle nakomelingen van Adam werden dus in dezelfde ongunstige omstandigheden geboren: geestelijk gescheiden van God, zonder heerlijkheid, de geest verduisterd, aan het verderf onderworpen, stervend, slaven der zonde. Ze stierven niet omdat ze zelf zondigden, maar omdat ze van nature zondaars waren, als zonen van Adam. Ze werden niet gestraft voor wat Adam gedaan had, doch ze ondergingen de gevolgen van de toestand waarin ze geboren werden, van hun gemeenschap met Adam (77).
Doch alles was niet verloren: God is genadig en Hij sprak nu van « het Zaad der vrouw ». Het mensdom zou dus niet ophouden te bestaan en het Zaad zou satans kop vermorzelen. Door dat Zaad zou het dan weer mogelijk zijn Gods plan ten uitvoer te brengen en het Koninkrijk op te richten. Doch niet zonder strijd.
Satan nam onmiddellijk zijn maatregelen: de « zonen van Elohim », de gevallen engelen, kwamen op aarde in menselijke gestaltenis en bezoedelden de aarde door hun monsterachtig zaad (78). Die boze geesten en hun zaad verdierven de ganse aarde (79). Alleen Noach, een « rechtvaardig » en rechtschapen mens, werd niet bezoedeld. Om tot zijn doel te komen, zuiverde God eerst het meest verdorven deel der aarde: door de Zondvloed, die het einde der tweede aioon aankondigt. Wederom schijnt alles verloren te zijn door die geweldige ramp, maar God bereidt een nieuwe aioon, die waarin we nu leven.
Het schema van het einde van vorig hoofdstuk moet dus als volgt vervolledigd worden:

Adams val heeft de onmiddellijke oprichting van het Koninkrijk op aarde onmogelijk gemaakt. Het gehele mensdom is nu geestelijk afgescheiden van God: eerst moet het terug komen tot Hem, dan het Koninkrijk opgericht worden en de schepping vernieuwd worden in heerlijkheid. Dan eerst kan het einddoel bereikt worden, waar God alles in allen is. Zo ziet men dat het mensdom en de schepping door 5 aionen heen moet gaan om zijn bestemming te bereiken.
In onze tegenwoordige aioon is de mens niet alleen zondaar, gescheiden van God, doch in strijd met de boze machten, die God tegenwerken, en grotendeels aan die machten onderworpen. Op welke wijze zal God nu inwerken om tot zijn doel te komen?
Voetnoten:
(54) We steunen op Heb. 11:3. De letterlijke vertaling is: « de aionen zijn opnieuw toebereid » (katatisthai tous aionas). Andere plaatsen waar het werkwoord « katartizo » gebruikt is, worden duidelijker als men het letterlijk vertaald door « opnieuw toebereiden ».
(55) Het Hebreeuwse woord « yom », door « dag » vertaald, duidt een onbepaalde tijd aan. De woorden door « avond » en « morgen » vertaald, betekenen « einde » en « begin ». Zie ons werk De Goddelijke Openbaring.
(56) Als de zes dagen elk een duur van 24 uren hadden, dan zou de chaos nog bestaan hebben ongeveer 4000 tot 5000 jaar voor Christus. Doch volgens de zekere gegevens der wetenschap was er geen chaos meer sinds honderden miljoenen jaren. Gelooft men aan de volkomen ingeving der Schrift, dan kan Adam niet meer dan 4000 jaar voor Christus geschapen zijn, want zijn geslachtsregister laat niet toe er een enkele mens tussen te schakelen.
(57) 1 Kor. 15:47.
(58) 2 Kor. 4:4; Kol. 1:15; Heb. 1:3; Joh. 17:5.
(59) Gen. 3:22.
(60) Het oordeel « zult ge sterven » van Gen. 2:17 luidt, meer letterlijk: « stervende zult ge sterven », wat een proces schijnt aan te duiden.
(61) 1 Tim. 6:16.
(62) Zie Mal. 3:6; Num. 23:19; Jak. 1:16-17. Dat wil niet zeggen dat God niet op verschillende wijzen werkt, wel dat Hij naar zijn wezen niet verandert.
(63) Men moet « leven » niet met bestaan verwarren. Al is de mens sterfelijk, daarom bestaat hij nog wel als hij dood is. De vraag is: in welke toestand bevindt hij zich dan?
(64) Zie Heb. 4:4. Katapauo wil zeggen « ophouden » en niet « rusten ». Ook het Hebreeuwse woord betekent « ophouden ». God rust niet, doch « werkt tot nu toe » Joh. 5:17. Gods werk in de schepping is dynamisch en voert tot het einddoel.
(65) Zie b.v. Mat. 25:34.
(66) Gen. 1:26-28.
(67) Het feit dat dit Hebreeuwse woord « blinkende » later ook gebruikt wordt om een slang aan te duiden, wil niet zeggen dat het steeds zulk een dier aanduidt.
(68) Ook in Ezech. 1:5-14; 10-20 leze men « levende wezens », in plaats van « dieren ». Zie Op. 4:6-9. Het woord « velden » duidt de streek aan die buiten de hof van Eden ligt.
(69) Zie b.v. 2 Kor. 11:3; Op. 20. Zo wordt Nero « leeuw » genoemd (2 Tim. 4:17) en Herodes « vos » (Luk. 13:32).
(70) 2 Kor. 11:24.
(71) De verzen 14 en 15 moeten beschouwd worden als stijlfiguren, zoals Ps. 44:26: « Ge zult op uw buik lopen » drukt een volkomen vernedering uit. « Ge zult stof eten » wijst hier ook op. Men zie Spr. 20:17; Ps. 72:9 voor dergelijke uitdrukkingen, die men niet letterlijk neemt. Het vers 15 « Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen » toont ook dat het hier gaat over satan zelf en niet over een dier.
(72) Ons lichaam beslaat voor het grootste deel uit Kolloïden, dat zijn vloeistoffen waarin uiterst kleine deeltjes zich in alle richtingen bewegen. Als deze deeltjes een neiging hebben zich samen te pakken, spreekt men van de « vervlokking » en deze schijnt de oorzaak te zijn van bijna alle ziekten en van de dood. Bij Adam kon die neiging lot vervlokking tegengehouden worden door de vruchten van de « boom des levens ». De cellen en de kolloïden van ons lichaam komen voort van die van Adam, doch wij beschikken over geen middel om de vervlokking te vermijden, al kan een hygiënisch leven ze vertragen. In een andere aioon kunnen middelen beschikbaar zijn om ze weer te vermijden, dus om het leven te verlengen.
(73) Rom. 3:23. Het Griekse woord met « derven » vertaald, duidt niet op een volkomen afwezigheid. Zie Heb. 12:15.
(74) Zie ook Rom. 8:22.
(75) Gen. 5:3.
(76) Job 14:4.
(77) Dit hebben we in De Weg der Behoudenis ontwikkeld.
(78) De uitdrukking « zonen van Elohim » wordt nooit gebruikt om mensen aan te duiden; maar wordt steeds gebruikt voor engelen (Zie Job 1:6; 2:1; 38:7; Ps. 29:1; 89:7; Dan. 3:25, 28). Niets laat ons toe er in Gen. 6 een andere betekenis aan te hechten. De uitdrukking « zonen van Jehovah » (verbonds-God) is in Deut. 14:1 gebruikt voor Israëlieten (zie ook Jes. 43:3-6). In het N.T. wordt Adam « zoon Gods » genoemd omdat hij rechtstreeks door God geschapen is. Ook de gelovigen worden in het N.T. « kinderen » of « zonen » Gods genoemd omdat ze door de Heilige Geest van boven (opnieuw) geboren zijn.
Wat Gen. 6 van die engelen zegt, wordt door Jud. 6, 7 bevestigd. Men lette erop dat « woonstede » de vertaling is van een Grieks woord door « woning » weergegeven in 2 Kor. 5: 2. Ze hadden hun hemelse bestaanswijze verlaten en waren een andersoortig vlees nagegaan. Die engelen hadden dus een menselijke vorm aangenomen en waren tot de vrouwen van het adamitische ras ingegaan.
De engelen worden ook « geesten » genoemd (Ps. 104:4; Heb. 1:7, 14) en het is dus waarschijnlijk dat 1 Petr. 3:19, 20 en 2 Petr. 2:4, 5 ons nadere aanduidingen geven over die « zonen van Elohim » en hun zaad, die nog ten tijde van Noach leefden. Deze geesten werden in de « gevangenis » gehouden tot op de dag des oordeels; en de Heere, na zijn opstanding, heeft in hun tegenwoordigheid zijn overwinning uitgeroepen. Het woord « geest » wordt in de Schrift nooit gebruikt voor een mens, uitgezonderd wellicht na de opstanding als zijn lichaam geheel door de geest bestuurd wordt. De dode mensen bevinden zich niet in een gevangenis, maar in de Hadés. In 1 Pet. 3:19 is « gepredikt » niet de vertaling van « euangelizo » (een blijde boodschap brengen), doch van « kerusso » (verkondigen, zoals een heraut). Van die zonen van Elohim en de vrouwen van het menselijke ras, stamden de Nephilim en de « reuzen » van Gen. 6:4. Zie ook Aanhangsel nr. 3.
(79) Gen. 6:5 — 12
4. De Tegenwoordige boze Aioon
 a. De Abrahamitische Verbonden (Top)
Na de zondvloed veranderden de levenscondities, ten minste in de omgeving waar zich het adamitische ras ontwikkelde. Er was daar geen regen voor de zondvloed (80). De regenboog kon dus eerst gezien worden na de zondvloed. Hij herinnerde aan het verbond met Noach, met zijn zonen en met alle levende wezens (81). Zolang de aarde in die toestand zou blijven, dus gedurende de ganse tegenwoordige aioon, zou het zaaien en het oogsten, de koude en de warmte, de zomer en de winter, de dag en de nacht niet ophouden te bestaan (82). De nieuwe levenscondities waarin het adamitische ras zich bevond, hadden natuurlijk een grote invloed op de mensen. De levensduur, die voor de zondvloed gewoonlijk 800 tot 900 jaar bedroeg, verminderde snel, en na een stabilisatie-periode, kwam men tot de tegenwoordige waarde, die in gunstige omstandigheden 80 jaar bedraagt (83). We zullen ook verder nog zien hoe de aionen in meerdere opzichten van elkaar verschillen. Er schijnt echter een zekere overeenkomst te bestaan tussen de eerste en de vijfde, en tussen de tweede en de vierde. Zo weten we dat gedurende de vierde aioon, waarin het 1000-jarig Koninkrijk op aarde gevestigd is, de levensduur wederom veel langer zal zijn, zodat een man van 100 jaar nog als « jong » zal beschouwd worden (84).
God gebruikt Noach, de enige onbevlekte mens, en geeft hem de aarde en de zee in handen (85). Daarna gaat de zegening over tot Sem (86). De 70 volken worden over de aarde verspreid. Satan werkt tegen, zoals altijd, en het was waarschijnlijk door zijn toedoen dat Nimrod Babylon bouwde, om die verspreiding te beletten (87). Doch deze poging tot verzet (88) tegen Gods wil wordt verijdeld (89).
De mensen kennen God uit zijn werken, doch verheerlijken Hem niet. Zo worden ze aan onzuiverheid en boosheid overgegeven (90). God werkt niet rechtstreeks in hen, doch Hij verkiest enkele personen, die dan een bijzondere taak moeten uitvoeren ten opzichte der anderen. We zien dus reeds hier het beginsel der uitverkiezing, niet tot behoudenis der uitverkorenen, doch tot het uitvoeren van een opdracht: ze moeten de niet-uitverkorenen ertoe brengen de goddelijke zegeningen vrij te aanvaarden, en op die wijze, dus door Gods genade, behouden te worden.
God sluit een reeks verbonden met Abraham, die Ur moet verlaten (91), zich van de wereld moet afscheiden. Hem werd beloofd: « Ik zal u een groot volk maken ». Een volk nu, bewoont een land, heeft een hoofdstad en een koning. Het heeft een reeks wetten en een godsdienst. De belofte omvat dit alles. Vele beloften, zoals: « Ik zal u zegenen », « Ik zal uw naam groot maken », « Ge zult een bron van zegening zijn » werden slechts ten dele vervuld. Abraham werd hier in een positie geplaatst, die in alle opzichten de positie overtrof van hen voor wie hij een bron van zegening moest zijn.
Als hem beloofd wordt: « Al de geslachten der wereld zullen in u gezegend worden » dan lette men erop dat dit naar Abraham persoonlijk wijst. Er staat niet « in u en uw zaad », zoals dat b.v. met Jakob het geval was in Gen. 28:14. We lezen dan ook: « Doch ik zeg u, dat velen zullen komen van Oosten en Westen, en zullen met Abraham, en Izaak, en Jakob aanzitten in het koninkrijk der hemelen » (92). We mogen hieruit besluiten dat Abraham zelf aanwezig moet zijn, door opstanding, voor die beloften geheel vervuld kunnen worden. We mogen ook vermoeden, dat die in Abraham een hogere zegening is, die tot in onze tijd slechts voor enkelen een werkelijkheid geworden is, zodat we nog ver zijn van de tijd waarop « al de geslachten der aarde » in Abraham gezegend zullen zijn. Eens zal Abraham erfgenaam der wereld zijn (93). Dit alles geeft ons dus aanduidingen aangaande de wijze waarop God zijn voornemen zal uitvoeren.
Laat ons hier nog een woord aan toevoegen in verband met wat men « onvoorwaardelijke » beloften noemt, zoals deze waarover het hier gaat. God alleen handelt hier. De mens behoeft geen enkele voorwaarde te vervullen. Men is dus zeker dat die beloften zullen verwezenlijkt worden. En aangezien het over een goddelijke handeling gaat, zullen ze volledig vervuld worden. Dit toont ons ook weer dat die abrahamitische beloften nog niet vervuld zijn (94).
Toen Abraham voldaan had aan wat God van hem vroeg (95), en hij niet alleen zijn land, zijn vaderland, doch ook « zijns vaders huis » verlaten had (toen hij zich van Lot afscheidde), werden de beloften met nog meer nauwkeurigheid uitgedrukt: « Want al dit land, dat gij ziet, zal ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid » (96).
Laat ons op drie dingen letten:
|
1. |
Het gaat hier over de aarde en niet over de hemel; |
|
2. |
Niet alleen het zaad, doch Abraham zelf zal dat land bezitten; |
|
3. |
Dit gebeurt gedurende de toekomende aioon. |
Men denke niet dat Abraham dat land reeds bezeten heeft, want we lezen: « En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet een voetstap » (Hand. 7:5) en « Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land » (Hebr. 11:9). Men ziet ook dat Izaak en Jakob dit land ook niet bezeten hebben, maar dat ze er als vreemdelingen woonden « in tenten ». Er was toen nog geen stad, noch Koning (97). We zullen later zien hoe het « zaad van Abraham » dat als het stof der aarde is (98) zich ontwikkelt tot een volk: Israël. Het is Israëls toekomst die in die beloften vervat is. Want het zaad dat « als het stof der aarde is » duidt Israël aan. Andere gelovigen hebben geen belofte in verband met het bezit van het land Kanaän. Zij vormen het zaad dat even talrijk is als de sterren des hemels (99). Het is van belang erop te letten, dat de belofte van het hemelse zaad gevolgd wordt door de woorden: « En hij geloofde in de Heere, en Hij rekende het hem tot gerechtigheid ».
In onze werken over Het Onderwijs van de Apostel Paulus en De weg der behoudenis tonen we aan dat het geloof in Christus en de rechtvaardiging de kenmerken zijn van een groep gelovigen van tussen de besnijdenis en de voorhuid (100) die te onderscheiden is van de gelovigen der besnijdenis die het land van Kanaän beërven. Het is met deze laatste, d.w.z. het volk Israëls, dat God een verbond zal oprichten, dat gedurende de gehele toekomende aioon ononderbroken van kracht zal blijven (101). We zullen zien dat dit verbond door Jeremia het « Nieuwe Verbond » (102) genoemd wordt, in tegenstelling met het Oude Verbond van Sinai. Zoals alle beloften die aan Abraham gegeven werden, is ook het Nieuwe Verbond onvoorwaardelijk, d.w.z. het behoeft geen voorwaarde om vervuld te worden en de vervulling is zeker, omdat God belooft en vervult. Abraham zal dan « vader » zijn van een menigte volken (103) die door hem zullen geleid worden. Hij zal dus niet alleen het land beërven, doch heersen over alle volken, dus ook de aarde beërven (104). Het hemelse zaad zal deel hebben aan deze laatste erfenis (105).
Men heeft soms moeite de uitdrukking « uw zaad, hetwelk is Christus » (106) te begrijpen. Betreft die belofte dan geen menigte mensen? Waarom zo de nadruk leggen op het feit dat er staat « zaad », en niet « zaden »? Verre van hier op een moeilijkheid te stuiten, vinden we er de sleutel der onvoorwaardelijke beloften. Om zijn doel te bereiken, kon God niet op mensen steunen. We hebben gezien hoe van val tot val, het schepsel zich steeds meer van Hem afwendt. God moest dus niet vanuit de verte tussenkomen, doch van nabij: Hij zond zijn eigen Zoon. Door Hem kon er zekerheid zijn dat de belofte zou vervuld worden, omdat Hij God is, al « ontledigde » Hij zich van Zijn heerlijkheid om Zijn werk te verrichten en al nam Hij de gestaltenis van een mens aan.
Door het geloof kunnen de mensen met Hem in werkelijke gemeenschap komen en op deze wijze deel hebben aan de zegeningen (107). Die gemeenschap van Christus met de gelovigen, heeft tot gevolg dat er slechts één Zaad is en geen zaden. Het ware Zaad is Christus, doch anderen zijn met Hem verenigd en worden daarom ook tot het Zaad gerekend. We zien dus dat men het hoedanigheidswoord « onvoorwaardelijk » niet moet opvatten in de zin dat de mensen geen voorwaarde te vervullen hebben om deel te hebben aan de beloften. Ze zijn onvoorwaardelijk in de zin dat God zelf ze vervult, door middel van zijn Zoon, zonder op mensen te rekenen. Doch deze moeten door het geloof in gemeenschap staan met het Zaad om er deel aan te hebben.
Tot aan de komst van Christus op aarde, lezen we over een reeks gelovigen die deel uitmaken van het Zaad: Izaak (108), Jakob (109), Juda (110).
Men ziet hoe het Zaad telkens weer aangevallen wordt door satan: Toen Abraham nog aarzelde Haran te verlaten (111) in plaats van onmiddellijk aan de Heere te gehoorzamen, bezetten de Kanaänieten het beloofde land (112). Deze wezens behoorden tot het vervloekte ras der « zonen van Elohim » (113), dat door Israël moest vernietigd worden. Andere aanvallen zijn: de hongersnood die Israël naar Egypte dreef; het vermoorden der mannelijke kinderen Israëls (114); de verdrukking in Egypte; de vervolging voor de Rode Zee (115). Later zullen we nog andere gevallen tegenkomen. We vestigen ondertussen de aandacht op het Pascha bij de uittocht uit Egypte. Het was het symbool der toekomstige verlossing van Israël en van zijn terugkomst naar het land, nadat het ware Lam geslacht zou zijn. Evenals in Egypte de Israëlieten zich moesten besprengen met het bloed van het lam om aan de dood te ontsnappen, zo zullen ze ook in gemeenschap met de Heere moeten komen en dus geestelijk door zijn bloed besprengd worden, om het aionische leven op aarde te genieten.
Voetnoten:
(80) Gen. 2:6.
(81) Gen. 9:13, 16.
(82) Gen. 8:22.
(83) Ps. 90:10.
(84) Jes. 65:20.
(85) Gen. 9:1 — 17. Men kan hierbij opmerken, dat ze de aarde niet moesten onderwerpen zoals Adam het had moeten doen (Gen. 1:28). Dat was geen opdracht meer voor hen, noch voor enig ander mens gedurende de tegenwoordige aioon. Wereldveroveraars handelen niet naar Gods wil. Eerst in de toekomende aioon, zal Christus die heerschappij in handen nemen.
(86) Gen. 9:26.
(87) Gen. 11:4.
(88) De naam Nimrod betekent: « laat ons in opstand komen ».
(89) Gen. 11:7, 8. De verspreiding der volken vanuit een centrum, legt uit waarom overal legenden en tradities gevonden werden, die iets dergelijks vertellen. Ook de oorsprong der fabelleren en mythen kunnen we begrijpen. Al die « goden » waarvan ze spreken staan misschien in verband met de « zonen van Elohim » of hun zaad. Sommige godsdiensten steunen misschien ook op die oude gebeurtenissen en het algemeen verzet van de mens tegen God vindt men weergegeven door de gedachte dat de mens door ceremoniën en werken zichzelf kan redden.
(90) Rom. 1:18 — 32.
(91) De opgravingen bevestigen, tot in de kleinste bijzonderheden, het bijbels verhaal.
(92) Mat. 8:11.
(93) Rom. 4:13.
(94) Zoals we later nog nader zullen zien, wil de afwezigheid van een voorwaarde in verband met de vervulling van Gods beloften niet zeggen dat een bepaald mens geen voorwaarde te vervullen heeft om persoonlijk deel te hebben aan de zegeningen der belofte. In tegendeel, God verlangt bekering en geloof. Zie b.v. Rom. 4:9, 13, een tekst die spreekt van Abrahams geloof als voorwaarde om deel te hebben aan de gerechtigheid en aan zijn erfenis.
(95) Gen. 12:1.
(96) Gen. 13:15. Zie ook vers 17. « In eeuwigheid » is in de Hebreeuwse tekst: « gedurende de aioon », d.w.z. hier de toekomende aioon, waarvan de profeten steeds spreken. Zie ook Mat. 12:32 en Luk. 20:34, 35 voor het onderscheid tussen de tegenwoordige aioon en de toekomende.
(97) Het beloofde land strekt zich uit van de « rivier van Egypte » tot aan de Eufraat, Gen. 15 : 18. Die rivier (« nahar ») is de Nijl, en mag niet verward worden met de Wadi el-Arish (de « nachal ») van 1 Kon. 8:65 b.v. die zich ten zuid-westen van Gaza bevindt (Joz. 15:47). Het land waarover het hier gaat is nog nooit in Israëls bezit geweest.
(98) Gen. 13:16.
(99) Gen. 15:5.
(100) Rom. 3:30: 4:11 — 13.
(101) Gen. 17:7, 8. « Eeuwig » is de vertaling van « gedurende de aioon », d.w.z. de toekomende aioon. Die betekenis blijkt duidelijk uit v. 8 waar « eeuwige bezitting » ook het bezit van het land van Kanaän aangeeft gedurende de toekomende aioon.
(102) Jer. 31:31.
(103) Gen. 17:4, 5.
(104) Rom. 4:13.
(105) Gal. 3:9, 29.
(106) Gal. 3:16.
(107) Gal. 3:19.
(108) Gen. 21:12, 13.
(109) Gen. 28:3, 4.
(110) Gen. 49:10. Het woord « wijken » kan opgevat worden in de zin van: « zich uitstrekken ». Het Koninkrijk zal zich verder uitstrekken dan het land van Juda, als de Koning gekomen zal zijn. Niet eerder.
(111) Gen. 11:31.
(112) Gen. 12:6.
(113) Zie eindnoot 78 en Aanhangsel nr. 3.
(114) Ex. 1:16.
(115) Ex. 14:8.
4b. De Wet en het Oude Verbond (Top)
Tot dan toe was de zonde in de wereld, doch ze werd de mensen niet toegerekend (116) omdat ze zich geen juiste rekenschap konden vormen van hun zondige toestand. Ze waren dus niet ten volle verantwoordelijk. Om in de weg der vrijheid te kunnen ontsnappen aan de slavernij ten opzichte der zonde, om weer in gemeenschap met God te kunnen komen, moesten ze in de eerste plaats bewust worden van de toestand waarin ze geboren waren. Ze moesten dusop zeer duidelijke wijze weten wat zonde is, d.w.z. wat tegen Gods wil is. Ze moesten dus in kennis gesteld worden met Gods « wet ».
De Schrift zelf zegt zeer duidelijk dat de zonde een overtreding der wet is (117). De wet bestaat uit een reeks geboden die overeenstemmen met Gods wil en die aangepast zijn aan de omstandigheden waarin diegenen leven aan wie de wet gericht is. Doch de wet die zegt wat de mens moet doen, stelt hem niet in staat het te doen. Hoe zou een zondaar kunnen voldoen aan Gods wil? Hij die, zoals de kinderen Israëls, werkelijk in een levende God gelooft en die kennis neemt van Gods wil, zou onmiddellijk moeten bekennen dat hij niet in staat is in overeenstemming met die wil te handelen, dus zijn staat van zonde moeten erkennen en bekennen. De enige uitweg is dan, zich tot God zelf te keren om hulp.
Doch de natuurlijke mens is verblind en onredelijk, juist omdat hij zondaar is. De ondervinding leert, dat de mens allerlei verkeerde houdingen aanneemt tegenover Gods wil. Soms beweert hij in staat te zijn aan die wil te voldoen, soms meent hij dat God te veel van hem verlangt en onrechtvaardig is, soms blijft hij geheel onverschillig, soms loochent hij dat het Gods wil is of zelfs Gods bestaan.
Daar God een volk had uitverkoren met het doel dat het alle mensen in gemeenschap met Hem zou brengen, moest in de eerste plaats dat volk zelf zich rekenschap geven van zijn zonde en van de noodzakelijkheid toevlucht te nemen tot Gods genade om van de zonde verlost, Gods wil te kunnen doen. God gaf het daarom een wet, geheel aangepast aan de toestand van dit volk in die tijd. Men kan deze wet onderverdelen in:
|
1. |
De geboden voor Israël (Ex. 20:1-26); |
|
2. |
De wetten die het sociale leven regelden (Ex. 21:1-24:11); |
|
3. |
De godsdienstige ceremoniën (Ex. 24:12-31:18). |
Dit alles samen vormt de « Wet » waarover de Schrift meer in het bijzonder spreekt en die uitsluitend aan het uitverkoren volk gegeven werd en, in de oorspronkelijke vorm, alleen in het land zelf kon waargenomen worden.
Men moet zich goed rekenschap geven van het feit, dat al zijn vele bepalingen van zeer primitief karakter zijn — omdat ze aangepast waren aan de toenmalige toestand van het volk — de hoofdgeboden van die wet zijn:
|
1. |
« Zo zult gij de Heere, uw God, liefhebben met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen » (Deut. 6:5; 10:12, 13) |
|
2. |
« Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven » (Lev. 19:18). |
Het wezen der wet is dus Goddelijk, al is de vorm der wet in zekere opzichten menselijk en tijdelijk. Men weet dat de Heere Jezus Christus later niet een hogere wet heeft bekend gemaakt, doch meer de nadruk heeft gelegd op het wezen der wet en op het feit dat van die twee hoofdgeboden de gehele wet en de profeten afhangen (118). Zonder die basis hadden de wetten, instellingen en ceremoniën geen zin. De profeten hebben hierop reeds de nadruk gelegd (119).
Ze hebben er ook op gewezen, dat de lichamelijke besnijdenis slechts een teken is van het meest belangrijke: de besnijdenis des harten (Jer. 9:26).
De Schrift zegt ons steeds weer, dat de Wet « aionisch » is, dus ook gedurende de toekomende aioon nog van toepassing blijft (120). In alle tijden waar Israël als Gods volk gerekend wordt, en dan ook een nationaal bestaan heeft in zijn land, blijft de Wet toepasselijk, of de kinderen Israëls in Christus geloven of niet. De Heere heeft uitdrukkelijk verklaart: « Want voorwaar zeg ik u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied » (Mat. 5:18). Welnu, de hemel en de aarde zullen slechts vergaan op het einde der toekomende aioon, als er een « nieuwe hemel en een nieuwe aarde » komt (121). Dan eerst zal Israël zijn opdracht tegenover de andere volken volbracht hebben; dan eerst zal zijn uitverkiezing ophouden, omdat het doel dezer uitverkiezing zal bereikt zijn. In de nieuwe schepping is er noch Jood, noch heiden.
Een ander, onmiddellijk bewijs van het feit dat de Wet ook nog gedurende de toekomende aioon moet vervuld worden, vindt men in de zeer uitvoerige beschrijving van de Tempel en ceremoniën door Ezechiël gegeven (122). De stoffelijke inzettingen, de vorm der Wet, kunnen enigszins verschillen van die van vroeger, omdat ze aan nieuwe levensvoorwaarden aangepast zijn. De besnijdenis van het vlees en het offeren van dieren zijn echter nog van kracht (123).
Ook verder nog zullen we zien dat onze zienswijze in deze door de Schrift bevestigd wordt en dat het vasthouden aan ceremoniën geenszins in strijd is met het geloof in Christus en de bedeling der genade. De ceremoniën stelden in zichtbare vorm de hoofdwaarheden voor. Zo sprak de tabernakel van de weg tot God door middel van Christus. De offeranden stelden het offer van Gods Lam voor, de overgave des mensen in Gods hand, de herstelling van het onrecht, de boetedoening en verzoening (124). De godsdienstige feesten hadden betrekking op belangrijke gebeurtenissen in Israëls geschiedenis. Alles had tot doel ze te leiden tot Christus en de bekering en behoudenis.
Het volk was dus onderwezen door de Wet, kende Gods wil (125). Dit volk had zich dan rekenschap moeten geven van zijn eigen zwakheid, zonde, schuld (126), want door de wet komt de kennis der zonde (127) en nam de overtreding toe (128).
Wat deed Israël echter? Zelfs voor ze gehoord hadden wat God van hen zou verlangen, verklaarde het ganse volk: « Al wat de Heere gesproken heeft, zullen we doen » (129). Ze herhalen die belofte ook nadat ze in kennis gekomen zijn met de geboden en wetten (130). Men ziet dus dat hun grote fout was te menen dat ze aan de eisen der Wet konden voldoen in eigen kracht en dat ze op deze wijze gerechtvaardigd konden worden. Zeker, het is waar wat Mozes zei: « de mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven » (131), maar de vraag was: hoe konden ze die dingen doen? Want het volbrengen der Wet wil zeggen het voldoen aan de twee grondregels: liefde tot God en de evennaaste. Ze hadden hun onmacht in deze moeten inzien en beroep moeten doen op Gods genadige werking op en in hen, om hen toe te laten aan zijn wil te voldoen.
Doch, daar ze niet gesteund hebben op de genade, zijn ze slaven der Wet geworden (132), ze hebben zichzelf onder de Wet gesteld (133), onder de vloek (134), omdat ze uit eigen kracht de Wet niet konden houden en ze zelf amen gezegd hadden op de woorden « vervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve » (135). Die vloek en de daaropvolgende verdrukkingen zullen hen eens tot bekering leiden, tot het beroep doen op Gods genade.
Uit dit alles blijkt, dat we goed moeten onderscheiden tussen het Oude Verbond en de Wet. Het eerste betreft het feit dat God een volk heeft uitverkoren, het eerst zelf van de zonde wil verlossen en het wil gebruiken tot zegen van het overige mensdom. Dat volk moest dus Gods wil kennen en doen. Dat Verbond legt de nadruk op het vervullen der Wet, doch niet op het feit dat Gods genade alleen hen in staat kon stellen om tot die uitslag te komen. Israël neemt op zich dat verbond te houden, Gods wil te volgen, zonder daartoe zijn toevlucht te nemen tot Gods genade. De tweede, de Wet, is de uitdrukking van Gods verlangen in verband met Israël en staat niet slechts in betrekking met het Oude Verbond. Want als dat Oude Verbond zal vervangen worden door het Nieuwe Verbond — opgericht met hetzelfde volk — dan zal de Wet nog steeds van kracht blijven. Dat N.V. is inderdaad een verbond der genade, dat hen niet alleen vraagt aan Gods wil te voldoen, doch ook het middel aanbiedt om er aan te voldoen. Zij die aan dat verbond deelhebben, zullen een vermaak in de Wet hebben (136), de Wet zal in hun hart geschreven zijn (137). Ze zijn dus niet meer slaaf der Wet, niet meer onder de Wet, maar nog steeds in de Wet (138). We zullen verder nog de gelegenheid hebben om in te zien hoe belangrijk het is een juist begrip te hebben van deze dingen, wil men een goed inzicht krijgen aangaande de tijd der Handelingen en de bedeling waarin we nu leven.
De vijf eerste boeken der Schrift worden ook door de naam « Wet » aangeduid (139). Ze bevatten vele profetieën aangaande de toekomst van Israël, de verspreiding, de terugkeer tot het land, en de vervulling der abrahamitische beloften. Laat ons hier enkele delen aanhalen:
« En de Heere zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, noch uwe vaders, hout en steen. Daartoe zult gij onder deze volken niet stil zijn, en uwe voetzool zal geen rust hebben; want de Heere zal u aldaar een bevend hart geven en bezwijking der ogen, en mattigheid der ziel. En uw leven zal tegenover u hangen; en gij zult nacht en dag schrikken, en gij zult van uw leven niet zeker zijn » (Deut. 28:64 — 66).
« Voorts zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb, zo zult gij het weder ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u de Heere, uw God, gedreven heeft; en gij zult u bekeren tot de Heere uw God, en zijn stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel. En de Heere, uw God, zal uw gevangenis wenden, en zich uwer ontfermen; en hij zal u weder vergaderen uit al de volken, waarheen u de Heere, uw God, verstrooid had. Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, van daar zal u de Heere, uw God, vergaderen, en van daar zal hij u nemen. En de Heere, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaderen erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en hij zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uwe vaderen » (Deut. 30:1 — 5).
« Waar gij zult omkomen onder de Heidenen, en het land uwer vijanden zal u verteren. En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen uwer vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij met hen uitteren. Dan zullen zij hunne ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid hunner vaderen met hun overtredingen, waarmede zij tegen mij overtreden hebben, en ook dat zij met mij in tegenheid gewandeld hebben; dat ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben. Dan zal ik gedenken aan mijn verbond met Jakob en ook aan mijn verbond met Izaak, en ook aan mijn verbond met Abraham zal ik gedenken, en aan het land zal ik gedenken; als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom en omdat zij mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel aan mijn inzettingen gewalgd had. En hierboven is dit ook; als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende mijn verbond met hen: want ik ben de Heere, hun God. Maar ik zal hun ten beste gedenken aan het verbond der voorouderen, die ik uit Egypteland voor de ogen der heidenen uitgevoerd heb, opdat ik hun tot een God ware; ik ben de Heere » (Lev. 26:38 — 45).
Om tot hun doel te komen moesten ze, zelfs na de verstrooiing, gehoorzamen aan Gods stem, de geboden bewaren, zich tot de Heere keren, dat wil zeggen zich bekeren (140). Israël was vrij te kiezen tussen God en satan, doch ze werden nadrukkelijk gewezen op de gevolgen van die keuze (141). Ze werden uitgenodigd het leven te kiezen, opdat ze in het land mochten blijven en onmiddellijk hun opdracht ten opzichte van de volken vervullen.
De intocht in het beloofde land is bijna veertig jaren uitgesteld door gebrek aan geloof en als ze het land bereiken, vinden ze het bezet door satans zaad, dat ze moeten vernietigen. Ze doen dit slecht ten dele en ondervinden de zware gevolgen van deze ongehoorzaamheid (142).
Telkens weer vinden we verwijzingen naar betere tijden en naar de oprichting van een Koninkrijk. Als ze aan Samuël vragen hun een koning te geven zoals de andere volken er een hebben, zegt de Heere:
« Hoor naar de stem des volks in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben mij verworpen, dat ik geen Koning over hen zal zijn » (143).
David is een beeld van de ware Koning. Men kent zijn strijd tegen het zaad van satan (144). Hij vestigt zich te Jeruzalem, en dit is een stap in de richting van het oprichten van het ware koninkrijk op aarde. Men heeft nu inderdaad reeds: het zaad, het volk, het land, een koning, een koningsstad. Doch de ware Koning is er nog niet. De beloften aan David zijn echter zeer duidelijk:
« Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn en gij met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en ik zal zijn koninkrijk bevestigen » (2 Sam. 7:12).
Met Salomo schijnen betere tijden aan te breken. Doch de afgoden zijn nog niet verwijderd en weer wordt Israël gewaarschuwd dat het uit het land verdreven en verworpen zal worden indien het zich nog meer van God afwendt, om satan te dienen (145). Salomo zelf laat zich verleiden door Kanaänitische vrouwen, die afstammen van het vervloekte ras der gevallen « zonen van Elohim ».
Dan volgt de treurige geschiedenis der talrijke latere koningen, de verdeling in 10 en 2 stammen, het dienen der afgoden. Steeds weer lezen we over de pogingen van satan om de komst van het beloofde Zaad te beletten, het Zaad, dat hem het hoofd zal verbrijzelen (146).
Ook gedurende die tijden hoort men nog steeds de stem die tot bekering uitnodigt (147). Ten slotte volgt het oordeel waarvan ook later nog menigmaal zal gesproken worden:
« Ga henen, en zeg tot dit volk; horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet; maak het hart dezes volks vet en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en hij het zegene » (Jes. 6:9, 10).
De 10 stammen worden naar Assyrië weggevoerd, daarna de twee stammen naar Babylon. Jeruzalem en de Tempel worden verwoest. Nu schijnt het Koninkrijk wederom ver te zijn: « Ik zal de kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen ». Doch dit is slechts een tijdelijk oordeel: « Ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe recht heeft en die ik dat geven zal » (Ez. 21:27).
Hier vinden we weer een onvoorwaardelijke belofte: het ware Zaad zal het Koninkrijk verwezenlijken, het oordeel brengen en de aarde herstellen. Intussen is Israël « Lo-Ammi », d.w.z. « niet-mijn-volk » (148) (149). Met Ezra en Nehemia is er een nieuwe hoop: de stad en de Tempel worden herbouwd. Doch we lezen dan ook onmiddellijk over een reactie van satan (150). Zerubbabel en Jesua zullen geen koning zijn, het volk zal moeten wachten op Hem wiens naam « Spruit » is:
« Ja, Hij zal de tempel des Heeren bouwen, en hij zal het sieraad dragen, en hij zal zitten, en heersen op zijn troon; en hij zal priester zijn op zijn troon, en de raad des vredes zal tussen die beide wezen » (Zach. 6:13).
Die spruit wordt menigmaal vermeld en wordt voorgesteld onder vier gedaanten, die overeenstemmen met het kenschetsende der vier Evangeliën:
| Koning |
Dienaar |
Mens |
God |
« Ik zal aan David een rechtvaardige Spruit verwekken; Die zal, Koning zijnde, regeren » Jer. 23:5, 6. « Zie, uw Koning » Zach. 9:9. |
« Ik zal mijn knecht, de Spruit, doen komen » Zach. 3:8. « Ziet, mijn Knecht » Jes. 42:1. |
« Zie, een man, wiens naam is Spruit » Zach. 6:12. |
« Des Heeren Spruit » Jes. 4:2. « Zie, hier is uw God » Jes. 40:9. |
Evangelie naar Mattheus |
Evangelie naar Markus |
Evangelie naar Lukas |
Evangelie naar Johannes |
Voetnoten:
(116) Rom. 5:13.
(117) 1 Joh. 3:4.
(118) Mat. 22:36 — 40. De Wet vroeg ook de heiliging (Lev. 11: 44, 45; 19:2; 1 Petr. 1:16) en de besnijdenis des harten (Jer. 9 :25, 26). Men heeft erop gewezen dat in het gebod van Lev. 19:18 de uitdrukking « evennaaste » begrensd is tot de kinderen Israëls, en dat de Heere in het N.T. de betekenis heeft uitgebreid, zodat ze nu het ganse mensdom omvat. Doch men vergeet dan, dat Lev. 19:34 ook reeds zegt: « De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als uzelven ».
(119) Zie b.v. 1 Kron. 29:17 — 19; 2 Kron. 16:9; Jer. 7:22, 23; Hos. 6:6; Am. 5:21-24; Mic. 6:6 — 8; Zach. 8:17; Jes. 58: 4 — 10. Die profeten hebben zich zo scherp uitgedrukt, dat sommigen hieruit begrepen hebben dat de ceremoniën eigenlijk nooit door God voorgeschreven werden. Zo heeft Barnabas, einde der eerste eeuw, gemeend dat al die voorschriften moesten « vergeestelijkt » worden, en dat Israël de wet geheel verkeerd begrepen heeft toen het die voorschriften letterlijk waarnam. Dus geen besnijdenis, geen sabbat, geen offeranden. Men leze de Brief van Barnabas, vooral de delen genummerd 6, 9, 10, 11 en 15. In feite vraagt het O.T. zowel het onderhouden van de vorm als het acht geven op de diepe geestelijke betekenis. Het een sluit het ander niet uit. Barnabas verwerpt het symbool, zelfs voor Israël, en in latere tijden heeft men hem op die weg gevolgd en vele andere dingen, zoals de profetieën, « vergeestelijkt », terwijl men ze ook letterlijk had moeten aannemen. Gans Israëls geschiedenis is symbolisch en verwijst naar geestelijke werkelijkheid, doch dit belet niet dat dit volk stoffelijk bestaan heeft en dat het ook in de toekomst weer als volk zal bestaan, in overeenkomst met het profetisch woord. Men neme dus het totale natuurlijke Israël, in verleden en in toekomst, als het volledig symbool en verwerpe het toekomstige niet.
(120) Ex. 27:21; 28:43; 29:28; 31:16, 17; Lev. 3:17; 23 :14 enz.
(121) Op. 21:1; 2. Petr. 3:10.
(122) Ezech. 40 tot 45.
(123) Ezech. 44:9.
(124) We merken hierbij op, dat de Hebreeuwse woorden « kohpher » en « kah-phar » door meerdere Nederlandse woorden vertaald zijn. De algemene betekenis is: iets dat bedekt en beschermt. De Griekse woorden « hilasmos », « hilaskomai », « hilasterion », vertaald door « genadig », « verzoening », « verzoenen », « verzoendeksel » en « verzoening » in Luk. 18:13; Rom. 3 :25; Heb. 2:17; 9:5; 1 Joh. 2:2; 4:10 hebben ongeveer dezelfde betekenis. Dat zoenoffer « bedekt » slechts de zonde (Ps. 32:1; Rom. 4:7), of beschermt slechts de zondaar, doch heeft geen afdoende werking. Het was iets voorlopigs, tijdelijks, voorwaardelijks, zoals de vergeving van zonden (zie verder in dit hoofdstuk). Gods gerechtigheid eist een oordeel, doch zijn lankmoedigheid laat toe de voltrekking uit te stellen, met het oog op het ware Zoenoffer dat de zonde wegneemt. Om behouden te blijven en deel te hebben aan de gerechtigheid, is het nodig, na « bedekt » of « beschermd » te zijn door het zoenoffer en na de vergeving, deel te hebben aan het oordeel, doordat men in ware gemeenschap komt, door middel van het geloof, met het Offerlam. We zullen hierover nog verder, meer uitvoerig, schrijven.
(125) Rom. 2:18.
(126) Rom. 3:19.
(127) Rom. 3:20.
(128) Rom. 5:20; 7:13; Gal. 3:19.
(129) Ex. 19:18.
(130) Ex. 24:1 — 3, 7, 8.
(131) Rom. 10:5.
(132) Gal. 4:3.
(133) Rom. 6:14. Men moet letten op het verschil tussen « in » en « onder » de Wet zijn. Rom. 2:12; 3:19 zeggen volgens de Griekse tekst « in » de Wet, niet « onder ». In het eerste geval, gaat het over hen tot wie de Wet gericht is en die van Gods wil kennis genomen hebben. Zo bevinden zich « in de sfeer » der Wet. In het andere geval zijn ze onder de Wet als slaven, omdat ze Gods wil in eigen kracht menen te kunnen volbrengen.
(134) Gal. 3:10, 13.
(135) Deut. 27:26; Gal. 3:10.
(136) Rom. 7:22.
(137) Heb. 8:10; 10:16; Jer. 31:31 — 34.
(138) Rom. 2:12; 3:19 Griekse tekst.
(139) De Hebreeuwse Schriften, die we het Oude Testament noemen, werden door de Joden in drie delen verdeeld: De Wet, de Profeten en de Psalmen. Luk. 24:44 spreekt van die drie delen. Ziehier uit welke boeken die delen samengesteld waren:
|
1. |
De Wet: Genesis, Exodus, Levitikus, Numeri, Deuteronomium. |
|
2. |
De Profeten: Jozua, Richteren, Samuël, Koningen, Jesaja, Jeremia, Ezechiël en de 12 kleine profeten. |
|
3. |
De Psalmen: Psalmen, Spreuken, Job, Hooglied, Ruth, Klaagliederen, Prediker, Esther, Daniël, Ezra, Nehemia, Kronieken. |
(140) Deut. 30:10.
(141) Deut. 30:15 — 20.
(142) Men heeft soms gemeend dat het niet mogelijk is dat God de vernietiging van ganse volken zou verlangen. Dat komt omdat men zich niet goed rekenschap geeft van de aard der volkeren waarover het hier gaat. Zie Aanhangsel nr. 3. We moeten niet uitroeien wat wij kwaad vinden, doch als God een duidelijke aanwijzing geeft, dan is het goed en nodig hieraan gehoor te geven.
(143) 1 Sam. 8:7.
(144) We lezen over zijn strijd tegen de boze geest (1 Sam. 16: 14; 18:10; 19:9, 10), tegen Goliath (1 Sam. 17:4), tegen de reus Isbi Benob (2 Sam. 21:16), tegen Saf en de man met de 6 vingeren aan elke hand en voet (2 Sam. 21:20).
(145) 1 Kon. 9:6, 7.
(146) Zo b.v. het huwelijk van Joram en Athalia en de verdelging van al zijn broeders (2 Kron. 21:4), het vermoorden der zonen van Joram, uitgezonderd de jongste (2 Kron. 22:1), de uitroeiing van het ganse koninklijke ras door Athalia (2 Kron. 22:10) uitgezonderd Joas, die gedurende tien jaar verborgen is in het huis Gods. Men ziet dat het een wonder is dat het zaad der vrouw niet vernietigd wordt.
(147) 2 Kon. 17:13.
(148) Hos. 1:9
(149) Men heeft dikwijls beweert dat dan de « tijden der volken » beginnen, vermeld in Luk. 21:24. Deze uitdrukking zou de tijdruimte aanduiden gedurende dewelke het volk Israël verworpen is. Doch, zoals we verder zullen zien, in eindnoot nr. 154, zwijgen de profeten over al wat betreft de tijden waarin dit volk geen nationaal bestaan heeft en door God niet als zijn volk erkend wordt. Hieruit volgt, dat de « tijden der volken » alleen betrekking kunnen hebben op tijden gedurende dewelke de volken Israël, als nationaal bestaand volk, verdrukken en vervolgen. Dit was b.v. het geval in de omstandigheden waarvan Ez. 30:3 spreekt. Voor wat betreft de « tijden der volken » van Luk. 21:24, deze zijn de 42 maanden (overeenstemmende met de laatste helft der 70ste jaarweek en met de 3½ tijden van Dan. 7:25; 9:27; 12:7 en van Op. 12 :14 en 13:5), vlak voor het einde der tegenwoordige aioon en de dag des Heeren. In Op. 11:2 lezen we inderdaad dat de volken « de heilige stad vertreden twee en veertig maanden », wat overeenstemt met Luk. 21:24: « Jeruzalem zal van de volken vertreden worden totdat de tijden der volken vervuld zullen zijn ».
(150) Ezra 4; 9:1; Nehemia 4:7; 13:24.
4c. Het Getuigenis der Profeten (Top)
Voor we verder nagaan hoe God zijn voornemen ten uitvoer brengt, menen we dat het nuttig is aan te tonen hoezeer de profeten de nadruk leggen op het herstel van Israël. Het volk was Lo-Ammi, doch zou het niet steeds blijven. Het is van fundamenteel belang in te zien dat Israël in de toekomst weer naar zijn land zal terugkeren, een nationaal herstel zal kennen en, door God weer aangenomen als zijn volk, zijn wereldzending zal ten uitvoer brengen. Als men dit uit het oog verliest, kan men Gods Woord niet begrijpen. Men loopt dan het gevaar allerlei dingen te vergeestelijken, ze verkeerd toe te passen of te verstaan. Zo komt men er dan toe in vele gevallen Gods wil niet te kennen en daarmee in strijd te handelen. We menen dat hier de hoofdfout ligt van menige kerk en sekte.
Jesaja.
|
2:2 |
De volken stromen naar Jeruzalem. |
|
9:5-6 |
De Zoon op de troon Davids. |
|
11:1 — 10 |
De veranderde toestanden gedurende het messiaanse Rijk. |
|
11:11 — 16 |
De terugkeer van Israël. « Ten tweede male ». Zie ook Jes. 49. |
|
14:1 — 3 |
Israëls herstel. |
|
29:l8 — l9 |
Messiaanse zegeningen. |
|
32:15 — 18 |
Het uitgieten van de geest uit de hoogte is een teken dat het Koninkrijk nabij is. |
|
35:3 — 6 |
De wonderlijke genezingen zijn een teken van de komst van het Koninkrijk. |
|
44:3 |
« Ik zal mijn geest op uw zaad gieten ». |
|
44:6 |
« De Heere, de Koning van Israël en zijn Verlosser ». |
|
45:25 |
Door de Heere zal het zaad Israëls gerechtvaardigd en verheerlijkt worden. |
|
46:13 |
« Ik zal heil geven in Zion, aan Israël mijn heerlijkheid ». |
|
51:4 |
De Wet. Gods recht tot een licht der volken. |
|
53:1 — 12 |
De Behouder. |
|
54:6 — 8 |
Israël vergeleken met een vrouw die voor een korte tijd verlaten wordt, doch die weder aangenomen wordt met grote liefde. |
|
60:21 |
Het aionische bezit van het land. |
|
61:1 — 2 |
De dag der wrake had moeten volgen op de tijd der Evangeliën. Daarna komt het Koninkrijk. |
|
61:6 |
De Joden zullen « priesters des Heeren » heten. Zie ook Ex. 19:6: « Gij zult mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn »; Jes. 66:21: « Priesters » en « Levieten ». |
|
62:1 — 3 |
Jeruzalem. |
|
65:17 — 25 |
De nieuwe toestanden in het Koninkrijk. De nieuwe hemel en aarde zijn niet die van Op. 21, zoals blijkt uit volgende tabel: |
|
Jesaja 65 |
Openbaring 21 |
| Naam |
Jeruzalem |
Nieuw Jeruzalem |
| Plaats |
Op een berg |
Van de hemel komende |
| Voorrechten |
v. 18-20 |
v. 4 |
| Karakter |
Zondaars, Tempel |
Noch zondaars, noch tempel |
| Toestand |
Gebouwen, beplantingen |
Volmaakt |
Jeremia.
|
3:17 — 18 |
Jeruzalem de troon des Heeren. Alle volken verzamelen er zich. Juda en Israël, terug in het land, noemen de Heere hun Vader. |
|
16:15 |
« Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat ik hun vaderen gegeven heb ». Zie ook v. 16 dat van de « vissers » spreekt, dus van hen die zullen trachten het volk naar zijn land te laten komen, en van de « jagers », dus van hen die Israël zullen vervolgen. Men kan hierbij denken aan het Sionisme en het antisemitisme. |
|
23:3 — 8 |
« Ik zal het overblijfsel mijner schapen zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen ik ze verdreven heb ». De koninklijke « Spruit » uit David. Juda en Israël. Parallel tussen de uittocht uit Egypte en de terugkeer van het « zaad van het huis Israëls » uit al de landen. « Ze zullen wonen in hun land ».
Hoe kunnen we anders dan dit alles zo letterlijk mogelijk opvatten? Wat niet belet er ook een geestelijke betekenis aan te hechten. Nog nooit is de Spruit werkelijk Koning geweest, de gerechtigheid heerst nog altijd niet op aarde. Moet men voor Israël « de Kerk » lezen, dan kan men vragen wanneer deze laatste verworpen en tussen de volken verstrooid werd. Zal men op haar ook de vloeken toepassen die Israël getroffen hebben en nog treffen? |
|
24:7 |
« En ik zal hun een hart geven om mij te kennen, dat ik de Heere ben; en zij zullen mij tot een volk zijn, en ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot mij met hun ganse hart bekeren ». |
|
30:3 — 11 |
« Want zie de dagen komen spreekt de Heere, dat ik de gevangenis van mijn volk, Israël en Juda, wenden zal, zegt de Heere; en ik zal hen wederbrengen in het land, dat ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten », De Koning David.
Kan men op duidelijker wijze spreken? |
|
31:31 — 34 |
Het Nieuwe Verbond met Israël en Juda, in contrast met het Oude Verbond dat ook met Israël en Juda gesloten was. De Wet in het hart. |
|
31:35 — 37 |
« Indien de hemel daarboven gemeten, en de fundamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal ik ook het ganse zaad Israëls verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de Heere ». |
|
32:40 |
Het aionisch verbond. |
|
50:4 — 6 |
Terzelfder tijd zal Israël en Juda terugkeren en God zoeken. Het aionisch verbond. De verloren schapen. |
Ezechiël.
|
11:17 — 20 |
« Ik zal ulieden vergaderen uit de volken, en ik zal u verzamelen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt en ik zal u het land Israëls geven ». Nieuwe geest en nieuw hart. « Opdat zij wandelen in mijn inzettingen en mijn rechten bewaren, en ze doen ». |
|
16:60 — 63 |
« Evenwel zal ik gedachtig wezen aan mijn verbond met u, in de dagen uwer jonkheid, en ik zal met u een eeuwig verbond oprichten ». Verzoening. |
|
28:25 |
« Als ik het huis Israëls zal vergaderd hebben uit de volken, onder welke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat ik aan mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb ». Is het niet een letterlijk land dat aan Jakob gegeven werd? |
|
33:11 |
Vraag tot bekering. |
|
34:12 — 24 |
Terugkeer in hun land, op de bergen Israëls, van de, tussen de volken, verstrooide schapen. |
|
36:24 — 29 |
« Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en ik zal u in uw land brengen. Dan zal ik rein water op u sprengen en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal ik u reinigen. En ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven. En ik zal mijn geest geven in het binnenste van u; en ik zal maken, dat gij in mijn inzettingen zult wandelen en mijn rechten zult bewaren en doen. En gij zult wonen in het land, dat ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult mij tot een volk zijn, en ik zal u tot een God zijn ». |
|
37 |
Het gezicht van de beenderen: Israëls herstel. « Deze beenderen zijn het ganse huis Israëls ». « Ik zal u brengen in het land Israël »s. « En ik zal mijn geest in u geven ». |
|
37:25 — 28 |
« Mijn knecht David zal hunlieder Vorst zijn ». Aionisch verbond. Heiligdom, tabernakel. « Zij zullen wonen in het land dat ik mijn knecht David gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben ». « De heidenen zullen weten dat ik de Heere ben ». |
|
39:29 |
« Wanneer ik mijn geest over het huis Israëls zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere ».
40 tot 46 Tempel. Offers. Priesters. Sabbatten. Pascha. Besnijdenis des harten en des vleeses (44:9). De verdeling van het land tussen de 12 stammen. |
Daniël.
|
9:24 — 27 |
Zeventig weken bestemd over Israël en hun heilige stad. |
|
12:1 |
Michaël die grote vorst, die voor de kinderen Israëls staat. Tijd van benauwdheid. Opstanding. |
Joël.
|
2:11 — 32 |
De dag des Heeren, groot en verschrikkelijk. Oproep tot bekering. Belofte aan Israël. De geest op alle vlees. Geestelijke gaven. |
Amos.
|
9:11 |
Het huis Davids weder opgericht. Zegeningen. « Ik zal de gevangenis van mijn volk Israël wenden ». « En zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land ». Dit is zeer zeker nog niet vervuld. |
Zacharia.
|
|
Hij profeteerde na de gevangenschap van Israël. Zijn profetie kan dus zeker niet toegepast worden op de terugkeer der 10 stammen uit Babylon. |
|
8:22 — 23 |
Zegeningen tot de volken door Israël. |
|
9:9 — 10 |
De komst des Heeren, de Koning Israëls, in vernedering. |
|
11:21 — 45 |
De politieke Antichristus. |
|
12:1 — 10 |
Verdrukking. « Over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal ik uitstorten de geest der genade en der geboden; en zij zullen mij aanschouwen, dien zij doorstoken hebben ». |
|
14:4, 5 |
De komst des Heeren in heerlijkheid. |
|
14:16 |
De volken zullen te Jeruzalem de Koning komen aanbidden. |
Velen hebben de neiging al die profetieën, ofwel reeds als vervuld te beschouwen, ofwel als moesten ze niet vervuld worden ter oorzake van Israëls ongehoorzaamheid, ofwel alsof men ze alleen « geestelijk » zou moeten verstaan. Geen dezer oplossingen kan men aanvaarden als men Gods Woord werkelijk als door God ingegeven beschouwt.
Zekere profetieën hebben een begin van vervulling gekend, doch het is duidelijk dat een groot deel nog niet vervuld is. Men kan heel goed aannemen dat vele dingen een geestelijke of symbolische betekenis hebben, zelfs als men voor alles ook de letterlijke vervulling aanvaardt. Indien Israël een symbolisch volk is, een « type », dan moet men zijn geschiedenis als een geheel (verleden en toekomst) als type nemen. Dus hetgeen op dit volk betrekking heeft niet in twee delen snijden en de letterlijke vervulling van het toekomstige loochenen. Hoe dikwijls beweert men dat het verleden letterlijk en geestelijk moet genomen worden, doch dat de toekomst alleen in geestelijke zin zal vervuld worden. Is het niet redelijk zowel een volmaakt symbool te aanvaarden, als een volmaakte geschiedenis, dus een letterlijke vervulling te verwachten?
Het is ook van belang in te zien, dat de toekomstige persoonlijke zegening van een zeker aantal Joden, nadat ze zich tot Christus bekeerd hebben, niet beschouwd kan worden als een ware vervulling der profetie. Deze spreekt ook van een letterlijk land, een letterlijke stad en tempel, van 12 stammen en een letterlijke Koning, enz. Het is waar, dat vele Joden eens zullen geloven in hun Messias, en dus in die zin « christenen » zullen zijn, doch op nationaal standpunt blijven ze nog steeds Joden en blijven dus, in die zin, afgescheiden van de gelovigen der andere volken. Indien de lezer enige moeite moest hebben in een dergelijk onderscheiden van groepen gelovigen, nodigen we hem uit een weinig geduld te hebben, tot we de gelegenheid zullen hebben dit nader te onderzoeken, en te spreken over de verschillende sferen van zegening. Behalve de aardse sfeer, waar Israël steeds het uitverkoren volk is (ook gedurende de toekomende aioon), spreekt de Schrift van een hemelse sfeer, die in nauwere gemeenschap met God staat, « in Christus », en waar noch Jood noch heiden is. We zullen zelfs nog een derde sfeer leren onderscheiden, waar de gemeenschap volkomen is, en waar men van een vereenzelviging met Christus kan spreken (151).
De wijze waarop de profeten zich uitdrukken, laat toe te onderscheiden tussen twee komsten van de Heere: de eerste in vernedering (zie b.v. Jes. 53) en de tweede in heerlijkheid, gevolgd door de oprichting van het Koninkrijk op aarde. Er is ook sprake van de bekering van Israël als volk, voor het begin van het Koninkrijk. De eerste komst was nodig voor het offer voor de zonde (Jes. 53:10).
De treurige geschiedenis van het mensdom vanaf Adam toont dat de gevallen mens zich uit zich zelf niet tot God keert, hij is « onder » de zonde en kan het goede niet werken. Indien God hem een Wet geeft — de uitdrukking van zijn Wil, dus van wat goed is — is het niet in de eerste plaats opdat hij die Wet volbrenge, maar opdat hij zich rekenschap geve dat hij ze, in eigen kracht, niet kan volbrengen. Hij moet leren zich tot God te keren, om van Hem de nodige genade te ontvangen. De Wet moest dus de mens — en voor alles de Israëliet — tot Christus voeren, door wie de genade zou komen (152).
Toen de Christus tot hen gekomen was, vergrootte dit nog Israëls verantwoordelijkheid. Niet alleen konden ze in God geloven en zich tot Hem richten (zoals elk mens dat kan doen, door Gods voorkomende genade), niet alleen hadden ze de Wet ontvangen, doch nu hadden ze Hem voor ogen, die de zonde kon vergeven, die hen kon brengen tot de wedergeboorte en hen in staat kon stellen, door de kracht van de Geest, te doen wat God verlangt, wat goed is.
De profeten spreken van de zegeningen van hen, die God niet gekend hebben zoals Israël Hem kende. Het Nieuwe Testament bevestigt dit, en leert ons dat de zegeningen tot de volken in het algemeen kunnen komen, als het ware voor de normale tijd, om Israël tot jaloersheid te bewegen (153) en dat volk er toe te leiden Gods genade niet te verwerpen.
Doch Israël zou doof blijven voor dit alles en daarom zou er een tijd van zware verdrukking komen, het laatste middel om dat volk tot bekering te leiden. In de diepte van deze verdrukking zou Israël zich eindelijk tot God richten. Men lette er echter wel op, dat het hier niet gaat over de bekering van sommige, of zelfs van vele Joden, als afzonderlijke personen beschouwd, doch van Israël als volk. Het is een nationale bekering, die alleen kan plaats hebben na een nationaal herstel in het beloofde land. Als de tempel weer zal opgericht zijn, zal Israël weer « Ammi », Gods volk, zijn. Na dit alles zal de Messias in heerlijkheid verschijnen en het Koninkrijk op aarde beginnen.
Zo zien we dan hoe God tot zijn doel komt, niettegenstaande alles, en zonder de mens van zijn vrijheid te beroven en er een pop van te maken. Alle tegenstand, ook van satan, die des te groter wordt hoe dichter de vervulling nabij is, zal mede gebruikt worden door God om zijn voornemen uit te voeren en zijn naam te verheerlijken. De schijnbare mislukkingen zijn overwinningen. Het beste voorbeeld hiervan is het kruis: alles laat toe te veronderstellen dat satan er tenslotte in geslaagd is het zaad der vrouw uit te roeien, en toch is het juist het kruis dat de overwinning mogelijk maakt. De grootste zonde brengt de grootste genade. God toont in alles zijn goddelijkheid, niet alleen in alle delen der schepping, doch ook in al zijn wegen met zijn redelijke schepselen. Doch de mens toont steeds in alles zijn zonde. Al wat hij bereikt door zijn voortdurend wederstaan aan Gods genade, is beproeving en verdrukking. Doch deze gebruikt God ten goede om hem, in de weg der vrijheid, tot beter inzicht te brengen.
We zien dus hoe Gods voornemen zich geleidelijk begint af te tekenen. In den beginne moest het bedekt zijn. Het was een verborgenheid, een geheim. Als we de Schrift doorlopen, vinden we dat die algemene verborgenheid meer en meer bekend gemaakt wordt: het is de verborgenheid van Christus, de Middelaar Gods. Steeds zien we hoe satan tegenwerkt als iets meer van dit geheim bekend gemaakt wordt, doch zijn tegenstand werkt ten slotte mede om Gods voornemen te verwezenlijken. Indien de verborgenheid te vroeg zou geopenbaard geworden zijn, dan zou satan anders gehandeld hebben. De geleidelijke openbaring, laat hem, evenals aan de mens, de volle verantwoordelijkheid voor zijn handelingen. Deze zijn in zichzelf boos, al gebruikt God ze ten goede. Want alles hangt af van de bedoeling. Daarbij moet men rekening houden met het feit, dat zelfs hetgeen ten dele geopenbaard is, nog niet begrepen wordt. De zonde maakt blind. We zullen ook dit, later nog beter leren inzien. Laat ons nog de nadruk leggen op het feit, dat de profeten niets zeggen van een lange tijdruimte tussen de twee komsten van Christus (154).
Ook dit kon toen niet geopenbaard worden. Hieruit volgt echter dat we gedurende die tussenruimte niet moeten zoeken naar een vervulling der profetie. De profeten spreken alleen over de tijden gedurende dewelke Israël Gods volk is. Allerlei wereldgebeurtenissen kunnen ten slotte wel tot die vervulling heenvoeren, doch geen dezer gebeurtenissen is op zichzelf een vervulling. Meer nog, vele dingen kunnen tijdelijk in een geheel andere richting wijzen. Hoe velen hebben zich niet vergist door geen rekening te houden met dit alles. Verder lette men erop dat alle profeten het erover eens zijn, dat de Wet met al haar voorschriften, inbegrepen offeranden en andere ceremoniën, weer van toepassing zullen zijn voor Israël, gedurende het Koninkrijk op aarde.
We nodigen de lezer uit zich in gedachte in Israëls plaats te stellen voor de komst van Christus in vernedering en zich niet te laten afleiden door allerlei begrippen die ons nu wellicht beïnvloeden, en die misschien ten dele berusten op een verkeerde uitlegging van wat later geopenbaard werd, of die voortkomen uit menselijke overlevering die zich tegen Gods Woord richt.
De oude geschriften leren ons, dat de verwachting van een Verlosser zeer verbreid was, vlak voor het begin onzer jaartelling. Men kan dit uitleggen door de profetie van Daniël betreffende de 70 jaarweken, profetie, die waarschijnlijk door verstrooide Israëlieten aan de volken werd bekend gemaakt. Confucius, Zoroaster, de Siamezen, de Hindoes, Tacitus, Suetonius, Virgilius en anderen spreken van de verwachting van een Messias.
Voetnoten:
(151) Zie ook Het Onderwijs van de Apostel Paulus en De Weg der Behoudenis.
(152) Joh. 1:17. Dit wil niet zeggen dat ze moesten wachten tot Christus op aarde zou komen om die genade te ontvangen. Velen hebben er deel aan gehad voor de eerste komst. Naar menselijke begrippen wordt het werk van Christus volbracht op een zeker ogenblik van de tijd. Maar dit tijdsbegrip geldt alleen voor ons. God is niet aan de tijd gebonden, en in werkelijkheid is Christus' werk dus onafhankelijk van de tijd. Niemand behoefde dus te wachten op de geschiedkundige gebeurtenissen, om deel te hebben aan Gods genade.
Het begrip der genade en het werk van Christus, dat de uitdeling dier genade mogelijk maakt, toont ons het fundamenteel verschil tussen wat de Schrift ons leert en de « godsdiensten » en ethische systemen. Deze kunnen wel, in zekere mate, voorschrijven wat de mens zou moeten doen of zijn, doch ze geven hem de mogelijkheid niet om er toe te komen. Ze hebben misschien tot doel de mens te verbeteren maar dan uit eigen kracht, wat noodzakelijker wijze tot een failliet moet voeren.
(153) Zie b.v. Rom. 11:11, 15.
(154) Voor die onderbreking in de vervulling der profetie, zie b.v. Ps. 118:22; Jes. 9:5, 6; 53:10; 61:2; Dan. 9:26, 27; Hos. 2:13, 14; 3: 4, 5; Amos 9:10, 11; Micha 5:2, 3; Hab. 2:13, 14; Zef. 3:7, 8; Zach. 9:9, 10.
We lezen hier over het begin der vervulling der profetieën betreffende Israël. Om dit duidelijk te laten uitschijnen, willen we in het kort de volgende stellingen onderzoeken:
|
1. |
Jezus-Christus is het « Zaad der vrouw ». (Top) |
|
Mat. 1:1 noemt Hem « Zoon van David, de zoon van Abraham ». Zodra satan Hem als zodanig kent, grijpt hij in, zoekt Hem te doden (kindermoord te Bethlehem) of onschadelijk te maken door verzoekingen die tot doel hadden Hem te verleiden tegen Gods wil te handelen (Mat. 4). |
|
2. |
Jezus is de Christus, d.w.z. de Messias die door de profeten aangekondigd was. (Top) |
|
Mat. 1:16: « Jezus, gezegd Christus », Mat. 16:16; Luk. 2:11, 26; Joh. 1:45; 11:27. De naam Christus betekent « gezalfde » en komt overeen met de Hebreeuwse naam « Messiah ». De naam « Jezus » wordt in de Schrift steeds gebruikt in verband met zijn vernederde toestand, ofwel als demonen, of als mensen die Hem verloochenen of kruisigen, van Hem spreken. We doen dus goed Hem, als regel, niet eenvoudig « Jezus » te noemen, wat niet overeenstemt met zijn tegenwoordige heerlijkheid.
Zijn doop in water moest aan Israël (dat zeer vertrouwd was met het dopen in water) tonen dat Hij de beloofde Messias was, Mat. 3:15 — 17; Joh. 1:31 — 34. De zalving was steeds begeleid met een doop, Ex. 29 :4 — 7; Lev. 8:6, 12. Ook de wonderen moesten een teken zijn, en Hem als Messias doen erkennen, Mat. 8:16, 17; 9:1 — 8, 18 —33; 11:2 —5; 12:28; 14:33; Joh. 5:36; 10:24, 25. Zie ook Jes. 29:18; 35 :4 —6; 42:7; 53:3; 61:1 — 3.
De « schapen », de Joden van goede wil, zouden Hem door dergelijke tekenen leren kennen, doch de anderen niet, Joh. 10:26, 27. Daarom deed Hij weinig wonderen in de streken waar er weinig geloof was, Mat. 13:58. In principe bewijzen wonderlijke dingen niets, want ook de valse christussen en valse profeten doen wonderen, Mat. 24:24. Men moet de waarde van dergelijke feiten beoordelen volgens hun oorsprong en hun uitwerking en niet stelselmatig alle wonderlijke dingen aan God toeschrijven. De tekenen die Christus deed, maakten deel uit van een geheel en hadden slechts waarde als deel van dit geheel. Het was in de eerste plaats nodig te geloven aan de gehele Schrift om die wonderen naar waarde te schatten, Joh. 20:30, 31. Ook de andere vervullingen der profetie waren tekenen, Mat. 21:1 — 9 (Zach. 9:9). De Heere zelf verklaart dat Hij de Christus is, Mat. 26:63, 64 (Dan. 7:13); Joh. 5:36. Hij is door God gezonden, Joh. 13:3: 17:3; Jes. 61:1. |
|
3. |
We moeten in Hem een letterlijke Koning der Joden zien. (Top) |
|
Laat ons naar de getuigen luisteren:
De wijzen: « Waar is de geboren Koning der Joden? » Mat. 2:2.
De engel Gabriël: « God, de Heere, zal Hem de troon van zijn vader David geven. En hij zal over het huis Jakob Koning zijn » Luk. 1:32, 33.
De Profeet Zacharia: « Zie, uw Koning komt tot u ». Mat. 21:5; Joh. 12:15; Zach. 9:9.
Nathanaël: « Gij zijt de Koning Israëls » Joh. 1:50.
De scharen: « Hosanna de Zone Davids » Mat. 21:9. « De Koning Israëls », Joh. 12:13. Zie ook Luk. 19:38.
Pilatus: « Deze is Jezus, de Koning der Joden » Mat. 27:37; Mark. 15:26; Luk. 23:38; Joh. 19:19. Zie ook Mark. 15:9, 12; Joh. 19:14, 15.
Een der kwaaddoeners: « Heere, gedenk mijner, als gij in uw Koninkrijk zult gekomen zijn » Luk. 23:42.
De Heere zelf: « Dan zal Hij zitten op de troon zijner heerlijkheid; en voor hem zullen al de volken vergaderd worden » Mat. 25:31. « Zijt gij de Koning der Joden? en Jezus zeide hem: Gij zegt het » Mat. 27:11, 12; Mark. 15:2; Luk. 23:39. Zie ook Joh. 18:33 — 37. Nooit is er sprake van een Koning der gelovigen, in het algemeen, noch van een Koning der « Kerk ». Het betreft steeds uitsluitend Israël en een letterlijke Koning, in de volle zin van het woord. Het gaat hier dus niet alleen over een geestelijke waarheid. |
|
4. |
Dit Koninkrijk zou op aarde zijn. (Top) |
|
Jeruzalem zou er het centrum van vormen. Daar dit Koninkrijk soms « Koninkrijk der hemelen » genoemd wordt, heeft men later gemeend dat hier sprake was van een Koninkrijk in de hemelen, of van een geestelijk Koninkrijk en niet van een Koninkrijk op aarde. Deze uitdrukking wijst echter op de oorsprong van het Koninkrijk en niet op de plaats. De Griekse tekst gebruikt hier de genitief en men kan uit vele schriftplaatsen concluderen, dat deze naamval dikwijls de oorzaak of de oorsprong aangeeft, en niet de plaats. Men zie b.v. Rom. 4:11 en 13 (« des geloofs »).
Men wijst dan echter op Joh. 18:36, waar we lezen: « Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld ». Doch wat zegt de Griekse tekst?: « Mijn Koninkrijk is niet uit deze wereld ». Het voorzetsel « ek » (uit) is hier gebruikt, en toont zeer duidelijk dat het hier gaat over de oorsprong van het Koninkrijk: het komt niet door wereldse omstandigheden, maar door een hemels ingrijpen. We hebben inderdaad gezien hoe God, vanaf Adams schepping, een Koninkrijk wou oprichten op aarde. Dat Koninkrijk is dus « hemels » voor wat zijn oorsprong aangaat, en « aards » voor wat de plaats betreft. Dat Koninkrijk was bereid « vanaf de grondlegging der wereld » Mat. 25:34.
Ook de bergrede bevestigt dat het over een Koninkrijk op aarde gaat: « Zij zullen het aardrijk beërven » Mat. 5:5. De Heere sprak dikwijls over aardse dingen, Joh. 3:12. Jeruzalem is de stad van de Koning, Mat. 5:35.
Dat Koninkrijk strekt zich uit over het ganse land, dat aan Israël beloofd werd en begrensd wordt door de rivier van Egypte en de Eufraat, Gen. 15:18. De hoofdstad is Jeruzalem. Men leze hierover de profeten, en in het bijzonder Dan. 2:44; 4:25, 26; 7:13, 14, 27.
De uitdrukking « Koninkrijk Gods » omvat meer dan « Koninkrijk der hemelen ». Dit laatste is blijkbaar in het eerste begrepen, en is dus ook « Koninkrijk Gods » genoemd, zoals in de Evangeliën volgens Markus, Lukas en Johannes. De meer algemene uitdrukking « Koninkrijk Gods » heeft er waarschijnlijk toe bijgedragen de mening ingang te doen vinden volgens dewelke het Koninkrijk der hemelen geen Koninkrijk op aarde is. Men spreekt dan over een geleidelijk komen, en zich uitbreiden van dat Koninkrijk. Men denkt dus alleen aan een geestelijk rijk, aan een vermeerdering van het aantal gelovigen en aan een grotere onderworpenheid der wereld aan Christus. We zien echter dat er niet de minste schriftuurlijke gronden zijn die een dergelijke opvatting steun geven. De feiten spreken daarbij die opvatting tegen. We bevinden ons nu in een boze aioon, waarvan satan de god is, en we zien hoe de afval, het ongeloof en de godslastering overal toeneemt.
Indien de opdracht van wat men « de Kerk » noemt, werkelijk het oprichten was van een Koninkrijk Gods op aarde in de tegenwoordige bedeling, dan zou men ook het mislukken dier opdracht moeten erkennen. Verre van ons in te lichten over een geleidelijke komst van een Koninkrijk der hemelen, zegt Gods Woord duidelijk dat dit Koninkrijk plotseling begint:
« Want gelijk de bliksem uitgaat van het Oosten, en schijnt tot het Westen, alzo zal ook de toekomst van de Zoon des mensen wezen », Mat. 24:27; Luk. 17:24.
Na de grote verdrukking (155) zullen de « stammen der aarde » de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels met kracht en grote heerlijkheid. We kunnen zeer goed begrijpen dat vele christenen niet veel voelen voor een « chiliastische » leer die een dergelijk Koninkrijk op aarde als einddoel schijnt aan te duiden voor alle gelovigen. Doch er kan geen bezwaar tegen een schriftuurlijk chiliasme zijn, als men inziet dat er ook een hemelse sfeer is, en de toekomende aioon gevolgd wordt door een meer volkomene, die op haar beurt leidt tot het einddoel: God alles in allen. |
|
5. |
Het volk Israël moest zich bekeren opdat het Koninkrijk kon komen. (Top) |
|
In de tijd der Evangeliën was het Koninkrijk « nabij ». Een der voornaamste opdrachten van Johannes de Doper was die nabijheid te verkondigen: « Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen », Mat. 4:17.
Reeds stond de Koning voor hen, al was het nog in vernedering. Eén ding was echter nog nodig: de bekering, waartoe de profeten reeds zo lang hadden uitgenodigd. Men lette erop hoe de Heere de nadruk legt op die bekering in Mat. 18:3. Ook de 12 Apostelen moesten uitroepen: « Het Koninkrijk der hemelen is nabij », Mat. 10:7. |
|
6. |
Het nabijzijn van het aardse Koninkrijk werd begeleid door zichtbare tekenen: wonderen en onderwerping der boze machten. (Top) |
|
Zodra onze aandacht op dit feit gevestigd is, zullen we getroffen worden door schriftplaatsen zoals: |
|
« Predikende het Evangelie des Koninkrijks en genezende alle ziekte en kwale onder het volk », Mat. 4:23.
« Predikende het Evangelie des Koninkrijks en genezende alle ziekte en kwale onder het volk », Mat. 9:35.
« Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit », Mat. 10:8.
« Maar indien ik door de Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen », Mat. 12:28. |
|
We beperken ons tot het Evangelie volgens Mattheus. Zoals we reeds gezien hebben, moesten de wonderen en krachten, voor hen die getrouw waren aan de Schrift, een teken zijn van de komst van de Messias en van het Koninkrijk. De Koning heeft macht over de natuurkrachten en kan de geestelijke boosheden aan banden leggen. Gedurende het Koninkrijk moest verwezenlijkt worden wat Adam had moeten doen voor de val: de gehele aarde onderwerpen. De toestanden op aarde zullen dan ook geheel verschillend zijn van de tegenwoordige. Zie de profetieën zoals Jes. 11:1 — 20; 32:15; 35:6 — 9; 43:19, 20; 65:19 — 25; Hos. 2:20 — 25; Am. 9:11 — 15. De genezingen en andere wonderen behoren tot de krachten der toekomende aioon (Heb. 6:5), niet tot de tegenwoordige. Zodra Israëls ongeloof tot uiting komt, wordt de komst van het Koninkrijk en de komst van de Messias in heerlijkheid tot later uitgesteld en de tekenen houden dan ook op. We zullen dit nader aantonen als we over de tijd der Handelingen en over de tegenwoordige bedeling spreken.
Intussen kan de lezer er zich rekenschap van geven dat teksten zoals Mat. 10:8 en Mark. 16:17, 18 niet op onze tijd van toepassing zijn, doch wel als het Koninkrijk « nabij » is, Israël een nationaal bestaan heeft in zijn land, en als dat volk door God erkend wordt. Door het niet onderscheiden der bedelingen, komt men er toe dergelijke teksten niet letterlijk te kunnen opvatten, of ze eenvoudig uit de Schrift te verwijderen, zoals de moderne, afbrekende kritiek dat doet (156). |
|
7. |
Jezus-Christus is slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls. (Top) |
|
« Want hij zal zijn volk zalig maken van hun zonden », Mat. 1:21.
« Die mijn volk Israël weiden zal », Mat. 2:6.
« Gij zult niet heen gaan op de weg der heidenen ... maar gaat veel meer tot de verlorene schapen (157) van het huis Israëls », Mat. 10:5, 6.
« Ik ben niet gezonden, dan tot de verlorene schapen van het huis Israëls », Mat. 15:24.
Men herinnere zich ook de woorden gericht tot de Syro-Fenicische vrouw, Mark. 7:26, 27.
God werkt zijn voornemen uit: nadat Hij een volk uitverkoren heeft om de andere volken te zegenen, zendt Hij het zijn Zoon. Eerst moest Israël de positie innemen waartoe dat volk uitverkoren was, voor het de anderen kon dienen. We zullen verder zien dat door de ongehoorzaamheid van Israël Gods zegeningen, om zo te zeggen voor de ware tijd er was, tot de volken gekomen zijn. Dit betreft, ook in onze tijd, slechts enkelen. De massa zal eerst bereikt worden onder het Koninkrijk en door middel van Israël. De Heere is dus niet gekomen om de volken rechtstreeks te zegenen.
Het spreekt van zelf dat Jezus-Christus niet gekomen is om een « nieuwe godsdienst » op te richten. Men is het er over eens, dat de gehele leer der Evangeliën als Centrum heeft het grootste gebod:
« Gij zult liefhebben de Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand ».
« Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven ».
Maar men vergeet dikwijls dat deze geboden reeds lang geleden gegeven waren en dat de gehele Wet er op steunt (158). Men mene niet dat dit gebod zich in het O.T. beperkte tot de kinderen Israëls. Lev. 19:34 zegt uitdrukkelijk: « De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden: gij zult hem liefhebben als uzelven ». Het N.T. geeft ons dus geen nieuwe godsdienst of leer, doch licht de oude leer nader toe en richt zich tegen de opvatting der Farizeeën.
We hebben er reeds op gewezen dat de profeten steeds de nadruk gelegd hebben op de innerlijke gevoelens van de mens, en dat God een afschuw heeft van uitwendige vormen die daar niet mee overeenstemmen. De gehele Wet moest nog gedurende de tijd der Evangeliën, en daarna, gevolgd worden. Verre van een nieuwe godsdienst te stichten, wil de Heere dat de bestaande godsdienst, de enige die — met al zijn ceremoniën — door God zelf is gegeven, getrouw nageleefd wordt.
De Heere is niet gekomen om iets af te breken, maar om de Wet en de Profeten te vervullen (159). Hij richtte zich niet tegen de godsdienst der Joden, doch Hij werd dienstknecht der besnijdenis, om Gods waarachtigheid en trouw te bewijzen door het volbrengen der beloften die aan de vaderen gegeven waren (160). |
|
8. |
De 12 Apostelen zullen een opdracht hebben voor Israël in het aardse Koninkrijk. (Top) |
|
We hebben reeds gezien dat, gedurende de tijd der Evangeliën de Apostelen alleen moesten gaan, zoals hun Meester, tot de verloren schapen Israëls. Ze moesten verkondigen dat het Koninkrijk nabij was en Israël moest zich bekeren opdat de Messias in heerlijkheid kwame. Welk is nu de opdracht der 12 in het Koninkrijk? Het antwoord is duidelijk:
« Wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende (161) de twaalf geslachten Israëls », Mat. 19:28.
Zie ook Luk. 22:30. Na al hetgeen we reeds gezien hebben, is het duidelijk dat we dit letterlijk moeten opvatten. We zullen dan ook beter de volgende tekst begrijpen:
« En ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat (162) gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn », Mat. 16:19.
De sleutelen zijn het teken van een gegeven macht (163). Die sleutelmacht is niet het monopolie van Petrus, maar behoort ook de andere Apostelen toe (164).
We zijn dus ver van de roomse uitleg van deze schriftdelen: zelfs aangenomen dat Petrus een zekere voorrang heeft, dan zal hij zijn macht slechts in de toekomst uitoefenen, na de opstanding, en niet over christenen uit de volken, maar over christen-Joden in het aardse Koninkrijk. Daarbij is het getal der Apostelen der besnijdenis begrensd tot 12, en is er geen sprake van opvolging.
Dit voert er ons toe nader te onderzoeken welke opdrachten deze Apostelen ontvingen na de opstanding des Heeren. We hebben reeds gesproken over Markus 16. Deze opdracht werd gegeven « daar zij aanzaten » (165) en met de uitvoering werd onmiddellijk een begin gemaakt (166). Men kan die onmogelijk in onze tijd uitvoeren, omdat Israël niet Gods volk is en het Koninkrijk niet nabij is. In de tegenwoordige bedeling bevestigt de Heere de verkondiging van zijn Woord in de regel niet door wonderen.
De opdracht van Mat. 28:18 — 20 werd bij een andere gelegenheid gegeven, op een berg in Galilea. De uitdrukking des Heeren: « Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde » toont ons dat het over de toekomst gaat, als men duidelijk zal zien dat alle dingen Hem onderworpen zijn (167). Dan eerst moeten de Apostelen tot de volken gaan. We herinneren ons hoe de profeten telkens weer gesproken hebben over de zegeningen der volken door middel van Israël. Dat zal geschieden onder de leiding van de 12 Apostelen der besnijdenis. Dan zal een wereldzending ondernomen kunnen worden, zonder dat de zendelingen, en vooral hun kinderen, door ziekte weggemaaid worden, en die, door de bijzondere macht aan die zendelingen verleend, het grootste succes zal hebben. Gedurende de tijd der Handelingen vernemen we wel dat een der Apostelen zich hij uitzondering tot een enkeling uit de volken richtte, doch nooit hebben ze die opdracht van Mattheus 28 volbracht. Nooit lezen we trouwens over een dopen « in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes » (168). De Heere was ook niet met hen in de volle zin des woords. Eerst later, zal Hij met hen zijn al de dagen tot de voleinding der aioon, namelijk de toekomende aioon (169). |
|
9. |
De Gemeente waarvan sprake is in de Evangeliën, bestaat uit Joden die getrouw zijn aan de Heere. Ze wordt ook « bruid » genoemd. (Top) |
|
Dit volgt uit het voorgaande. Men moet er steeds aan denken dat, gedurende de tijd der Evangeliën, en ook daarna, de volken beschouwd worden als « honden », en op dezelfde rang staan als tollenaren en zondaren. Nooit werden ze geduld in een vergadering (170) van gelovige Joden. Mat. 18:17 zegt aangaande een Joodse « broeder » die gezondigd heeft: « En indien hij hun geen gehoor geeft, zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar ». Het bijeenbrengen van de namen « heiden » en « tollenaar » toont duidelijk dat het hier gaat over vergaderingen die alleen uit Joden bestonden, namelijk uit in-Christus-gelovige Joden. Na de tijd der Evangeliën waren er ook vergaderingen van gelovigen uit de volken, doch deze waren aanvankelijk afgesneden van die der christen-Joden. Het is eerst veel later dat er ook gemengde vergaderingen ontstonden. In onze tegenwoordige tijd, die waarschijnlijk niet zo heel ver meer verwijderd is van de oprichting van het aardse Koninkrijk, zien we weer dat de christen-Joden de neiging hebben afzonderlijke vergaderingen te vormen (171).
Gedurende het Koninkrijk wordt ook de totaliteit der in-Christus-gelovige Joden « ekklesia » of « Gemeente » genoemd (172), zoals in Gen. 28:3 het gezamenlijke volk « kahal » genoemd werd. Het is van deze Gemeente der toekomende aioon dat Mat. 16:18 spreekt: « En ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal ik mijn Gemeente bouwen ». Hieruit volgt dat, zoals we reeds gezien hebben toen we over de 12 Apostelen spraken, de roomse Kerk geen schriftuurlijke basis heeft, en alle discussie over bijzaken overbodig wordt.
Ook de woorden « en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen » tonen aan dat het hier over een, nu nog, toekomstige Gemeente gaat. Ze hebben betrekking op de opstanding, voor de Gemeente van het Koninkrijk zich kan vormen, moeten de 12 Apostelen en vele andere Joodse gelovigen uit de dood opstaan. De « hel », dat is de Hades, waar zich de doden bevinden, zal de vorming dier Gemeente niet kunnen tegenhouden, want het is Jezus Christus die de sleutelen van de Hades heeft (173).
Deze Joodse Gemeente wordt ook « bruid » genoemd. Reeds in het O.T. wordt het uitverkoren volk Israël de « bruid » of de « vrouw » des Heeren genoemd (174). De gelijkenis van Mattheus 22 spreekt van de bruiloft ten tijde van het Koninkrijk. Jezus-Christus is de Bruidegom (Mat. 9:15; Joh. 3:29). Het boek der Openbaring spreekt over de bruiloft des Lams (175).
|
|
10. |
Een deel van wat de Heere in de Evangeliën vraagt, kan slechts door Israël volbracht worden en alleen onder de omstandigheden die vlak voor de komst van het Koninkrijk bestaan. (Top) |
|
We willen vooreerst een geval vermelden waaruit duidelijk blijkt dat men de omstandigheden goed moet onderscheiden voor men een voorschrift wil volgen. Ten tijde van de aankondiging van het Koninkrijk op aarde, moesten de 12 geen goud, zilver, noch enig geld of verwisselkledij medenemen, want: « de arbeider is zijn voedsel waardig » (176). Doch zie het verschil later, als Israël het Koninkrijk te Jeruzalem verworpen heeft: « Maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male; en die geen heeft, die verkope zijn kleed, en kope een zwaard » (Luk. 22:36). Jezus-Christus gaat dus zelfs zo ver, hen aan te raden een wapen te kopen om zich te verdedigen (177).
Is het dan niet duidelijk, dat het van het allerhoogste belang is de omstandigheden der verschillende tijden te onderscheiden, en dat men uiterst voorzichtig moet zijn in de toepassing van Bijbelteksten? Niets is zo rampzalig als datgene te willen volbrengen wat niet van ons gevraagd wordt. God vraagt ons aan te nemen wat Hij ons aanbiedt en Hij hoopt dat we zullen doen wat Hij ons vraagt. Laat ons niet doen zoals diegenen waarvan de Apostel schreef: « Ik geef hun getuigenis, dat ze een ijver tot God hebben, maar niet met verstand » (178). Vele sekten leggen er zich op toe datgene te volbrengen wat niet tot hen gericht is. Daar ze Gods voornemen en de weg der behoudenis niet duidelijk onderscheiden, doch in principe getrouw willen zijn aan Gods Woord, vieren ze b.v. de Sabbat, beweren geestelijk gaven te moeten hebben, volgen allerlei Joodse inzettingen, hopen nu reeds het Koninkrijk te laten aanvangen, enz. Zonder te spreken over de grote roomse sekte, die allerlei dingen op zich toepast, die tot Israël alleen behoren. Dat ieder zich zelve onderzoeke en zich beter rekenschap geve van de positie waarin God hem geplaatst heeft, en van wat God nu van hem verlangt. Zonder schriftuurlijke leer is het niet mogelijk te leven in overeenstemming met Gods verlangen. |
|
11. |
De ceremoniën der Wet moesten door de Joden onderhouden worden, zelfs door hen, die in Jezus-Christus geloofden. (Top) |
|
We hebben aangetoond dat de Wet, door God aan Mozes gegeven, voor alles vroeg God en de evennaaste lief te hebben, en dus betrekking had op het hart des mensen De ceremoniën hadden op zichzelf geen waarde, en de Heere had er een afschuw van als ze volbracht werden door mensen wier hart niet goed gestemd was. De Evangeliën vestigen ook weer de aandacht op deze innerlijke stemming, doch zeggen nooit dat de uitwendige dingen niet moeten gehouden worden door hen aan wie ze voorgeschreven waren, d.w.z. door de Joden. Integendeel. We willen enige delen vermelden die over die ceremoniën handelen en er op aandringen dat niets verwaarloosd worde.
Mat. 5 en 6 spreken van de Wet, de Tempel, de offers, het vasten, enz. Ook Mat. 7 vraagt niets buiten de « Wet en de Profeten ».
Mat. 19:17 vraagt de geboden te onderhouden.
Mat. 23:23 zegt wel dat het meest belangrijke der Wet het rechte oordeel, de barmhartigheid en het geloof is, doch er wordt bijgevoegd dat ze de andere dingen niet moeten nalaten.
Mat. 24:20 vermeldt het in acht nemen van de Sabbat. Men herinnere zich ook de woorden des Heeren:
|
« Meent niet, dat ik gekomen ben, om de Wet of de Profeten te ontbinden; ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen; want voorwaar zeg ik u: totdat de hemel en aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. Zo wie dan één van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het koninkrijk der hemelen; maar zo wie ze zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen », (Mat. 5:17 — 19). |
|
De Heere zelf onderhield alles zeer getrouw, evenals zijn discipelen. De vormen, de schaduwen blijven, zolang ze nuttig zijn, al was het maar voor hen, die de volle waarheid nog niet kenden.
We hebben reeds gezien dat de Profeten ons leren dat de uitwendige dingen nog zullen bestaan gedurende het Koninkrijk, en de uitvoerige beschrijvingen van Ezechiëls Tempel en ceremoniën moeten te denken geven aan hen die menen dat de Wet niet meer gevolgd moet worden na de komst des Heeren. De Wet zal in hun hart geschreven zijn (Jer. 31:31-34) d.w.z. dat ze alles met blijdschap zullen volbrengen en in de ware gesteldheid van de inwendige mens (Rom. 7:22; Ps. 37:31 en de gehele Psalm 119).
Maar alle gelovigen moeten de Wet niet houden in de vorm waarin ze aan Israël gegeven werd, alleen de kinderen Israëls zelf. En deze kunnen dat alleen doen in hun land en als de Tempel bestaat. Zolang ze niet door God als zijn volk erkend worden, is het hun onmogelijk de Wet te volgen. |
|
12. |
Israël zal een wereld-opdracht hebben. (Top) |
|
We verwijzen naar onze stelling nr. 8. Onder de leiding der 12 Apostelen, moeten ze de aarde evangeliseren. Daartoe zullen ze dan de nodige geestelijke krachten hebben. De Heere zal met hen zijn en zal hun woorden door tekenen bevestigen.
Ze zullen dan het licht der volken zijn en des Heeren heil tot aan het einde der aarde (179). Ze zullen zijn heerlijkheid onder de volken verkondigen (180). Daar satan dan gebonden zal zijn (181) en het schepsel zal vrijgemaakt zijn van de dienstbaarheid der verderfenis (182), zal hun werk vrucht dragen. |
|
13. |
Het Nieuwe Verbond met Israël wordt door Christus gesloten. (Top) |
|
De Profeten hadden aangekondigd dat een nieuw Verbond zou gesloten worden met het huis van Israël en met het huis van Juda (183). We hebben gezien dat het Oude Verbond het « aionische » leven beloofde onder voorwaarde dat aan de Wet voldaan zou worden, en dat Israël op zich genomen had alles te doen wat de Heere vroeg, in eigen kracht. Dit was een verbintenis waardoor de « bruid » des Heeren zich onder de slavernij der Wet plaatste. Doch die Wet voorzag in het geval waarin een vrouw, die een verbintenis had aanvaard, door haar man kon vrijgemaakt worden (184). Welnu, het Nieuwe Verbond zou de « bruid » door genade verlossen; de Heere zou haar zonde niet meer gedenken na haar bekering. Dit alles heeft niets te maken met de volken. Noch het Oude, noch het Nieuwe Verbond wordt met hen gesloten. Ze zullen echter wel deel hebben aan de zegeningen van het Nieuwe Verbond, aangezien dit laatste Israël zal toelaten een volk van priesters te zijn en Gods zegeningen op aarde uit te delen.
Elk verbond maakt bloedstorting noodzakelijk (185), en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. Het Verbond van Jeremia 31 zou de zonde te niet doen. Het bloed van kalveren en bokken was daartoe niet voldoende. Des Heeren bloed was noodzakelijk. Dit verbond kon dus alleen door Christus' dood gesloten worden (186).
Op de eerste dag der ongehevelde broden (187), de avond van de 14de Nisan (188), vierde de Heere het Pascha met zijn discipelen, en na het avondmaal (189) nam Hij de drinkbeker der dankzegging (190) en zei: « Deze drinkbeker is het Nieuwe Verbond in mijn bloed » (191). Zo dikwijls ze die beker zouden drinken, zouden de christen-Joden de dood des Heeren verkondigen aan hun broeders in Israël en hen er aan herinneren dat het bloed uitgestort was, het Nieuwe Verbond gesloten, de verlossing mogelijk gemaakt. Zo verkreeg dan het Pascha, dat vroeger alleen verwees naar hun uittocht uit Egypte, zijn volle betekenis: het symboliseerde het bloed des Lams, dat gestort was om het N.V. te sluiten en Israël van zonde te verlossen. Elk jaar herhaalden dus de in-Christus-gelovige Joden, deze getuigenis, en wel moesten ze dat zolang doen tot het ganse volk zich zou bekeerd hebben en de Heere dus in heerlijkheid zou komen. Want het spreekt van zelf dat, wanneer de Koning aanwezig zou zijn en het Koninkrijk ingesteld, het Pascha, alhoewel nog gevierd (192), niet meer zou dienen om zijn dood te verkondigen, aangezien na de bekering van Israël allen zouden weten dat Hij voor hen gestorven is. Het Pascha zou dan eenvoudig gevierd worden in nagedachtenis van des Heeren grote liefdedaad. De Heere zelf zal, in het Koninkrijk zijns Vaders, op nieuwe wijze drinken van die vrucht des wijnstoks (193). Het Pascha zal dan vervuld zijn (194). Zolang Israël niet als Gods volk beschouwd wordt, kan het Pascha niet gevierd worden.
Het is zeer vermetel uit de uitdrukking « dit is mijn lichaam » te besluiten tot de omzetting van het brood in het vlees des Heeren, aangezien de daarop volgende uitdrukking « deze drink-beker is het Nieuwe Verbond » ook niet letterlijk kan opgevat worden. Doch alle grond van de roomse mis valt weg, als men inziet dat het hier het Joodse Pascha betreft en dat de Heere aan Mozes en Aaron heeft gezegd: « Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon eens vreemdelings zal daarvan eten » (195). We betreuren het ten zeerste de godsdienstige gevoelens van sommige onzer lezers te kwetsen. We geven misschien de indruk iets af te breken, terwijl we eenvoudig een en ander zuiver willen stellen en aan Israël laten wat aan Israël behoort. Al is het N.V. niet met ons gesloten, daarom zijn onze voorrechten niet minder groot. In tegendeel, we zullen verder zien dat onze zegeningen, die niet aards zijn, verre alles te boven gaan wat in verband staat met het N.V. Zo kunnen we dan ook, al is onze « Gemeente » de « bruid » niet, in niet minder innige gemeenschap met de Heere zijn. We kunnen alleen winnen, als we de waarheid inzien, zelfs indien we ze moeten « kopen » (196) door het opofferen van vele dingen die ons dierbaar waren. |
|
14. |
De vergeving der zonden is voorwaardelijk en werd reeds gekend door de Profeten. (Top) |
|
Om goed te begrijpen wat de Evangeliën ons leren, is het steeds belangrijk er niet in te leggen wat eerst later geopenbaard werd. Als men duidelijk wil zien wat moet verstaan worden onder vergeving der zonden, moet men vooral Paulus niet raadplegen als hij over de rechtvaardiging handelt. We zullen later terugkomen op het verschil tussen de twee. Voor het ogenblik willen we ons ertoe bepalen na te gaan wat het vergeven der zonden betekent, door hetgeen de Heere er van zegt. Dat is al wat zijn toehoorders er van konden weten, en was voldoende om te begrijpen.
De gelijkenis van de koning en zijn dienstknechten kan veel duidelijker maken (197). Eerst lezen we dat, als gevolg op het gebed van een der dienstknechten, een belangrijke schuld « kwijtgescholden » wordt (198). Daar deze dienstknecht slecht handelt en geen medelijden heeft met een zijner makkers, die hem een kleinigheid schuldig was, moet hij het kwijtgescholdene betalen. En het besluit is:
|
« Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijnen broeder zijne misdaden. » |
De « prediking op de berg » zegt overigens:
|
« Maar indien gij de mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven » (199). |
Het gaat hier niet over de volkomen, afdoende kwijtschelding, zonder werken, waarover Paulus later, b.v. in zijn brief aan de Efezen zou schrijven (200). Men geve zich dus goed rekenschap van het feit, dat de Evangeliën niet verder gaan dan wat de Profeten reeds verkondigden (201). De zonde was niet weggedaan, doch « bedekt » (202) door het offeren van dieren, afschaduwing van het ware Zoenoffer (203). Als men zich zou bepalen tot wat de Evangeliën zeggen, zou men niets weten van ware verzoening (« katallage », niet « hilaskomai ») en rechtvaardiging, waar de mens niet meer als zondaar beschouwd wordt en waar de zonde niet « bedekt » is, doch waar de gelovige der zonde gestorven is en rechtvaardig door zijn gemeenschap met de Heere. Dit alles is meer uitvoerig behandeld in onze werken: Het Onderwijs van de Apostel Paulus en De Weg der Behoudenis. |
|
15. |
Het in de Evangeliën te bereiken doel is de Wedergeboorte. (Top) |
|
Overeenkomende met wat het O.T. reeds zegt over het nieuwe hart en de nieuwe geest (204), die verkregen zouden worden na de bekering en vergeving der zonden, spreekt het Evangelie volgens Johannes van de nieuwe geboorte, dus de geboorte uit de Geest (205). Het is eerst na die geboorte « van boven » dat de mens werkelijk kan doen wat God vraagt, en dat niet uit eigen kracht, maar door de Geest die in hem werkt (206). Door een nationale bekering, moest Israël komen tot een nationale wedergeboorte, en vervolgens op aarde een algemene wedergeboorte voortbrengen. De toekomende aioon wordt dan ook « de wedergeboorte » genoemd (207). De persoonlijke wedergeboorte kan echter in alle tijden geschieden en wordt niet noodzakelijk begeleid door uitwendige tekenen. Deze hangen af van de omstandigheden.
|
|
16. |
Het eeuwige leven waarvan de Evangeliën spreken, is het leven op aarde, gedurende de toekomende aioon, van hen die niet meer sterven. (Top) |
|
We moeten hier verwijzen naar Aanhangsel Nº 1 dat een korte samenvatting is ener lange studie betreffende de betekenis der Hebreeuwse en Griekse uitdrukkingen zoals « Olam » en « aion ». Er bestaat niet de minste twijfel dat het hier gaat over de « eeuwen » in de zin van lange tijdsperioden gedurende dewelke Gods raad uitgewerkt wordt. De toekomende aioon is die van het Koninkrijk op aarde. Het leven gedurende die tijd, het volle leven van hen die in de Heere geloven, is het « aionische » leven, gewoonlijk vertaald door « eeuwig » leven. De Evangeliën spreken dikwijls van dit leven. Als men de twee volgend verzen vergelijkt:
|
« Beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld », Mat. 25:34; |
|
« Maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven », Mat. 25:46; |
dan ziet men duidelijk wat de betekenis is van « eeuwig leven » (208).
De volgende uitdrukking bevestigt dit:
|
« « die niet zal veelvoudig weder ontvangen in deze tijd, in de toekomende eeuw het eeuwige leven » (Luk. 18:30). |
Hier ook weer, moet men niet denken iets te verliezen als men de dingen die verschillen onderscheidt. Het aionische leven betreft de aionen, dus iets wat nog niet geheel volmaakt is en nog ten dele onder de zonde ligt. Het einddoel, de volle behoudenis die ons aangeboden wordt, gaat verder, want dan is Christus ons leven (209). Als leden van het Lichaam waarvan Hij het Hoofd is, zijn we geplaatst in Gods rechterhand, boven de aionen en de onvolmaakte of zondige schepping.
|
|
17. |
Het geloof in Jezus-Christus voert tot het aionisch leven op aarde. (Top) |
|
« Die in mij gelooft, heeft het eeuwige leven » (210). God is de Bron van alle ware leven. Christus alleen kan het ons mededelen. Door het geloof in Christus komt men in geestelijke gemeenschap met Hem, en het « natuurlijke » leven kan dan veranderen in « aionisch » leven. De Apostel Johannes zegt dat God « ons » het eeuwige leven gegeven heeft en dat dit leven in zijn Zoon is (211).
Die gemeenschap kan nog inniger worden, zoals we verder zullen zien, en dan voeren tot het hemelse aionische leven, en zelfs tot het volmaakte leven in Gods rechterhand, dat verheven is boven al wat tot de aionen behoort.
Zoals we reeds in onze stelling Nº 16 hebben gezien, wordt het aionische leven eerst in volle werkelijkheid ontvangen in de toekomende aioon (212). Het is dus in het algemeen na de opstanding dat men er deel aan heeft. De Profeten kenden die opstanding (213). De in-Christus-gelovigen die dan nog leven, zullen veranderd worden en zullen niet sterven:
|
« Die in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven, en een iegelijk, die leeft, en in mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid », Joh. 11:25, 26. |
Het is de opstanding « ten laatsten dage » (214), d.w.z. op de laatste dag onzer aioon, vlak voor de « toekomende aioon » (215). Er is ook een opstanding « uit de doden » (216) waaraan zij deel hebben, die opgenomen worden, de Heere tegemoet (217). Verder is er ook een « uitopstanding uit de doden » (218) voor hen die met Christus zullen verschijnen als Hij in heerlijkheid zal komen (219). |
|
18. |
Israël werd nog niet verworpen nadat het zijn Messias gekruisigd had, doch kon nog, door bekering, de vergeving bekomen die hen nogmaals aangeboden werd. (Top) |
|
Israël kende de vergeving op grond van een zondoffer (220). Toen het ware Offer gebracht zou worden, zei de Heere: « Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen » (221). Hierdoor drukte de Heere uit, en we moeten dit dus aanvaarden, dat het een zonde « door afdwaling » was en niet « met opgeheven hand ». Volgens de Wet kon het hun dus waarlijk vergeven worden. Als we bovendien geloven dat de gebeden van de Zoon verhoord worden, hebben we een tweede bewijs dat Israël vergeving ontving.
De apostel Petrus bevestigde dit toen hij uitriep:
|
« En nu broeders, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als uw oversten », (222) |
en hij voegde eraan toe:
|
« Bekeer u dan, en keert u om, ten einde uw zonden mogen uitgewist worden, opdat de tijden der verkwikking mogen komen van het aangezicht des Heeren, en Hij zenden moge Christus Jezus ... » (223). |
God vergaf, doch die vergeving moest aanvaard worden door bekering. Israël was in geen geval door God verworpen na het kruis. Dat volk kon die vergeving bekomen gedurende de tijd der Handelingen.
|
|
19. |
Na de hemelvaart moesten de discipelen de kracht van de Heilige Geest afwachten, aangekondigd door de profeten en de Heere. (Top) |
|
Ze moesten te Jeruzalem blijven, totdat ze zouden aangedaan zijn met kracht uit de hoogte, door de Vader beloofd (224). De profeten hadden inderdaad reeds het volgende over die kracht des Geestes gezegd:
|
« En daarna zal het geschieden dat Ik mijn geest zal uitgieten over alle vlees » (Joël 2:28); |
|
« Ik zal mijn geest op uw zaad gieten » (Jes. 44:3); |
|
« En ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u » (Ez. 36:26). |
We zullen later zien hoe deze profetieën, aan Israël gericht, een begin van vervulling hebben gehad met Pinksteren. |
Voetnoten:
(155) Mat. 24:4 — 21, 29. Johannes de Doper kon reeds spreken van de « komende toorn », Mat. 3:6, 7. Het Koninkrijk was toen nabij, en dus ook de grote verdrukking.
(156) Het is waar dat de 12 laatste verzen van Markus 16 zich niet in twee der voornaamste handschriften (Vaticanus en Sinaïticus) bevinden. Doch een dezer schriften laat een plaats open en het einde van Markus is in het andere in een breder handschrift. Beide tonen dus iets bijzonders op die plaats. Men vergete echter niet dat al de andere handschriften (meer dan 600) en de oudste vertalingen die 12 verzen bevatten. Ook Hieronymus, die toegang had tot oudere handschriften dan die welke in ons bezit zijn, voegt die verzen toe aan zijn Latijnse vertaling. Al de « vaderen » spreken over deze schriftplaats.
(157) Zie Mat. 9:36 en de profeten Jer. 23:3, 4; Ezech. 34:12 — 16, 22-24. Ook Mat. 15:24; Joh. 10:11. Alleen de getrouwe Joden zijn schapen. Jezus-Christus is de « Goede Herder ». Zie Joh. 10:11 en Jes. 40:11; Ps. 23. Hij wordt genoemd de « Grote Herder » in Heb. 13:20 en de « Overste Herder » in 1 Petr. 5:4. Men vergete niet dat deze twee laatste brieven gericht zijn tot christen-Joden.
(158) Deut. 6:5; Lev. 19:18. In dit verband is het misschien de moeite waard te herinneren aan de overeenkomst tussen de « bergrede » en Psalm 15. Vergelijk b.v. Mat. 5:3 — 12 met Ps. 15:1; Mat. 5:13 — 6:34 met Ps. 15:2; Mat. 7:1 — 5 en 5:43 — 48 met Ps. 15:3; Mat. 7:15 — 23 en 5:33 — 37 met Ps. 15:4; Mat. 5:33 — 42 en 7:24 — 27 met Ps. 15:5.
(159) Mat. 5:17.
(160) Rom. 15:8.
(161) Om de betekenis van « oordelende » te begrijpen, kan men enige teksten lezen waar het Grieks hetzelfde woord « krino » gebruikt: Hand. 16:4 (« ordonnantiën » of « verordeningen »); 21:25 (« goedgevonden »). De betekenis is breder dan die welke we aan het woord « oordelen » toekennen. Het gaat veeleer over een « leiden », zoals de Richteren dat deden in het O.T.
(162) « Wat » heeft geen betrekking op mensen, doch vooral op daden: zie Mat. 18:15 — 17. Ze moeten het de mensen duidelijk maken wat ze te doen hebben, hen leiden in Gods weg. De Farizeeën bonden lasten, in plaats van het volk te helpen Gods wil doen, Mat. 23:4.
(163) Zie Jes. 22:15 — 25.
(164) Mat. 18:18; Joh. 20:23.
(165) Mark. 16:14.
(166) Mark. 16:20.
(167) Heb. 2:8.
(168) Zie Hand. 2:38; 8:16; 19:48; 19:5; Rom. 6:3; 1 Kor. 1:17 waar steeds een andere uitdrukking gebruikt is. Hoe kan men Mat. 28:19 algemeen toepassen, als Paulus in 1 Kor. 1:17 zegt dat Christus hem niet gezonden heeft om te dopen?
(169) Zie Ezech. 43:7; 48:35; Zef. 3:15 — 17.
(170) Het woord « gemeente » of « vergadering » komt van het Griekse « ekklesia », dat in het algemeen een gekozen groep mensen aanduidt, en overeenkomt met het Hebreeuwse « kahal ». Het gehele volk Israël wordt « kahal » genoemd (of « menigte ») daar het uit de andere volken gekozen is, Gen. 28:3. Dit woord kahal komt dikwijls voor in het O.T. Zie b.v. Gen. 49:6; Deut. 18:16; 31:30; Joz. 8:35; Richt. 21:8; Ps. 22:23, 26. In het N. T. duidt het woord ekklesia gewoonlijk een lokale groep aan (Hand. 5:11; 8:3; 1 Kor. 4:17, enz.). Het wordt ook gebruikt voor de gilde der goudsmeden van Efeze (Hand. 19:32, 40). Paulus gebruikt het woord ook in verband met een bijzondere groep gelovigen: de Gemeente der verborgenheid, Ef. 1: 23.
(171) Zo had de vereniging Ammiël te Dusseldorf tot doel dergelijke vergaderingen te vormen. De Jewish Christian Community werkt tegenwoordig in dezelfde zin.
(172) Men zie b.v. Hos. 1:11: « De kinderen van Juda en de kinderen Israëls zullen samenvergaderd worden » en Ps. 22:23, 26: « In het midden der gemeente zal ik u prijzen », « Van u zal mijn lof zijn in een grote gemeente ».
(173) Op. 1 :18. Voor « poorten van de Hades » zie ook Jes. 38:19; Ps. 9:14; 107:18. Het gaat hier over de macht van de Hades de doden vast te houden, of ook over de onmacht der doden weer te gaan leven. Het werkwoord door « overweldigen » vertaald, wordt nogmaals gebruikt in Luk. 23:23 en zegt dat het ene sterker is dan het andere. De Heere heeft de sleutelen van dood en Hades (Op. 1:18) en als Hij de doden zal vrijmaken, zoals Hij zelf is vrijgemaakt, zal de Hades niet meer de overhand hebben.
(174) Men zie b.v. Jes. 49:18; 54:4 — 10; 62:4, 5; Jer. 2:2; 3:1 — 14; 31:32; Ezech. 16:8 — 13; Hos. 2:18, enz. Er is geen moeilijkheid in het feit dat Israël « bruid » of « vrouw » genoemd wordt in het O.T. en de bruiloft van het Lam met Israël eigenlijk nog in de toekomst ligt. Inderdaad, Deut. 22:23, 24, evenals Mat. 1:18, 20 tonen ons dat een « bruid » reeds wettelijk « vrouw » genoemd wordt.
(175) Zie Op. 19:7; 21:9.
(176) Mat. 10:9, 10 en de overeenkomende plaatsen.
(177) Sommigen hebben gezegd dat de voorschriften der Evangeliën wel zeer mooi zijn, doch niet toepasselijk in het werkelijke leven. Ze hebben in zekere zin gelijk: sommige dier voorschriften passen niet in onze tegenwoordige bedeling. En die welke te allen tijde van toepassing zijn, zoals de liefde, kunnen alleen uitgevoerd worden door een werking van de Geest in ons, en kunnen dus niet door gelijk wie volbracht worden.
(178) Rom. 10:2.
(179) Jes. 49:6.
(180) Jes. 66:19.
(181) Op. 20 :2.
(182) Rom. 8:19-22.
(183) Zie Jes. 55:3; Jer. 31:31 — 34; Ezech. 37:24 — 28.
(184) Num. 30:7 — 9.
(185) Ex. 24 :8; Heb. 9:20.
(186) Heb. 9:12.
(187) Mat. 26:17.
(188) Lev. 23:5.
(189) Luk. 22:20; 1 Kor. 11:25.
(190) 1 Kor. 10:16. Men weet dat het ritueel van het Joodse Pascha vier drinkbekers omvatte, waarvan twee voor het maal, dat eigenlijk geen deel uitmaakte van het ritueel, en twee na dit maal. De derde drinkbeker werd genoemd: « de drinkbeker der dankzegging ». De platte, ongehevelde broden brak men bij alle maaltijden, en ook bij deze maaltijd. De Heere heeft die gewoonte gevolgd en heeft niets nieuws ingesteld. Hij heeft alleen gewezen op de diepe betekenis.
(191) 1 Kor. 11:25
(192) Ezech. 45:21.
(193) Zie Mat. 26:29. Als men 1 Kor. 11:25 en 26 aandachtig leest, zal men bemerken dat er niet staat: « Doe dit totdat Hij komt », zoals men gewoonlijk meent. Deze schriftdelen betreffen alleen de christen-Joden van die tijd. Zie 1 Kor. 10:1 — 5.
(194) Luk. 22:16.
(195) Ex. 12 :43 — 48. Om er deel aan te hebben, moesten ze zich laten besnijden. Men zal tegenwerpen dat Paulus toch van dat « avondmaal » spreekt in 1 Korinthe. Men lette er echter op dat de hoofdstukken 10 en 11 in het bijzonder gericht zijn tot de « broeders » die konden zeggen dat hun vaders met Mozes waren. Er waren te Korinthe gelovigen uit Israël en uit de volken. Als Paulus van Joodse ceremoniën sprak, die ook de christen-Joden volgden, dan was het voor allen zeer duidelijk dat dit alleen de Joden betrof. We mogen niet verwachten dat hij het op nog duidelijker wijze zou zeggen dan in 1 Kor. 10:1 — 5.
(196) Spreuken 23:23.
(197) Mat. 18:23 — 35.
(198) Mat. 18:27. Het is van belang erop te letten dat de ingegeven tekst hier het Griekse woord « aphiemi » gebruikt.
(199) Mat. 6:15. Zie ook Mark. 11:25, 26.
(200) Ef. 4:32. Hier is « vergeven » de vertaling van « charizomai ».
(201) Zie b.v. 2 Sam 12:13; 2 Kron. 7:13, 14; Ps. 32:5; Jes. 6:5aphiemi7; 43:25, 26; Hand. 10:43.
(202) Rom. 4:7. Dit is de zin van het Hebreeuwse woord door « verzoenen » vertaald. Zie eindnoot 117.
(203) 1 Joh. 2:2; 4:10.
(204) Deut. 30:6; Ps. 51:7, 12; Jes. 44:3; 57:15; Jer. 24:7; 31:33; 32 :39; Ezech. 11:19; 18:31; 36:25aphiemi27; Joël 2:28 — 32.
(205) Joh. 3:3, 5, 6.
(206) Dit zullen we nader onderzoeken in « De Weg der Behoudenis ».
(207) Mat. 19:28.
(208) Het leven houdt natuurlijk niet op na die aioon, maar het zal daarna een ander karakter dragen, overeenstemmende met de daaropvolgende aioon.
(209) Kol. 3:4.
(210) Joh. 6:47. De Griekse tekst gebruikt het voorvoegsel « eis », d.i. « tot-in ».
(211) 1 Joh. 5:11.
(212) Luk. 18:30.
(213) Zie b.v. Jes. 26:19; 27:13; Dan. 12:2 en Luk. 20:37.
(214) Joh. 6:40; 11:24.
(215) Luk. 20:35; Heb. 6:5.
(216) Mark. 12:25; Luk. 20:35. « Uit de doden » duidt aan dat sommigen opstaan en anderen dood blijven.
(217) 1 Thes. 4:17. Het betreft hen die deel zullen hebben aan het hemelse aionische leven. Ze worden « zonen Gods » genoemd (en niet slechts « kinderen Gods »). Zie hierover onze werken: Het Onderwijs van de Apostel Paulus en De Weg der Behoudenis.
(218) Fil. 3:11 Griekse tekst.
(219) Kol. 3:4.
(220) Num. 15:27 — 31.
(221) Luk. 23:34.
(222) Hand. 3:17.
(223) Jer. 31:35 — 37.
(224) Luk. 24:47 — 49.
4e. Het Kruis en de Opstanding (Top)
In ons kort overzicht, hebben we gezien dat God een goed schepsel gemaakt heeft, doch dat het zich van Hem heeft afgewend. Dat God vervolgens een middel tot herstel heeft gegeven: Adam kon hiertoe dienen. Doch wederom miste het schepsel zijn doel. Toen koos God een volk om tot een algemene wedergeboorte te komen, tot een Koninkrijk op aarde, en vervolgens tot een nieuwe schepping en tot het einddoel: God alles in allen (225).
Door de « Wet en de Profeten » wist Israël dat de Gezalfde, de Messias, de Christus, moest komen om dit alles mogelijk te maken. En inderdaad, in de volheid des tijds geschiedde het dat Gods Beeld niet alleen schepsel werd, doch de gestaltenis eens slaafs aannam om het schepsel te behouden. Alles was toen bereid: het volk was er, het bevond zich in het land, had een stad, en nu ook een Koning. Doch zoals altijd moest Gods voornemen zich in vrijheid verwezenlijken. God biedt aan, geeft de mogelijkheid: en het schepsel moet aanvaarden en uitvoeren. Een ding was dus nodig: daar ze uit ondervinding hadden kunnen leren dat ze zondaars waren en in eigen kracht niet in staat waren Gods wil te doen, hadden ze zich tot God moeten keren en, door de Wet tot Christus geleid, die Messias als Behouder moeten aanvaarden.
Zo hadden ze dan vergeving van zonden kunnen ontvangen en verder kunnen gaan in het vervullen van hun opdracht. Doch wederom is er een val: het uitverkoren volk verwerpt zijn Messias. Is dit niet het einde van alles? Neen, Gods genade is niet uitgeput, het onmogelijke geschiedt. Reeds in de gedaante van een mens, vernedert zich de Zoon nog meer door gehoorzaam te zijn tot de dood, ja tot de dood des kruises. Het is iets ongerijmds voor de natuurlijke mens, een schandaal voor de Jood, iets onbegrijpelijks voor de discipel. Is het satans overwinning? Is hij er dan toch in geslaagd het Zaad der vrouw te vernietigen? Neen. Het is de verheven oplossing van het vraagstuk dat menselijkerwijze onoplosbaar was: hoe er tegelijkertijd een God van liefde en van gerechtigheid kan zijn, hoe de zondaar gerechtvaardigd kan worden.
In De Weg der Behoudenis hebben we in het kort een en ander onderzocht over het werk des Heeren. Zijn bloed diende niet alleen tot verzegeling van het Nieuwe Verbond met Israël, doch heeft een kracht die veel verder reikt. Het neemt de zonde weg van de wereld, het verzoent en rechtvaardigt, en voert tot de heerlijkheid.
Door de opstanding is Jezus Christus krachtiglijk verklaard Gods Zoon te zijn. Het verlossende Offer was dus gebracht, de Messias leefde, de genade was overvloedig. De periode der Handelingen liet dus toe een krachtig en beslissend getuigenis te doen om het uitverkoren volk tot bekering te brengen.
De Heere is echter niet alleen de Messias, op nationaal gebied, doch ook de persoonlijke Behouder. Elke mens, van God gescheiden door de val, moet er toe komen zichzelf niet langer als centrum te beschouwen, moet leren te « sterven » ten opzichte van zichzelf, en terug te keren tot de Bron van al het goede. Doch hoe kan hij tot dit resultaat komen? Zijn zondige staat zelf belet hem de weg der behoudenis in te gaan. Doch nu vormt de Heere Jezus-Christus, de tweede Adam, een nieuw mensdom. Zich neerbuigende tot het oude, adamitische mensdom, is Hij ten opzichte van dit laatste gestorven en heeft Hij door de opstanding het nieuwe mensdom ingeleid. Zo is er dan een brug geworpen over de kloof, een weg geopend, de terugkeer mogelijk gemaakt. Eén voorwaarde moet daartoe vervuld worden: gemeenschap met Hem. Terwijl alle mensen vanzelf, door geboorte naar het vlees, in gemeenschap staan met Adam en alzo aan de zonde onderworpen zijn, moet de geestelijke gemeenschap met Christus persoonlijk aanvaard worden door het geloof. Dan is men met Christus gestorven en wordt men, naar de geestelijke positie, van zondaar een rechtvaardige.
De weg der behoudenis wordt nu duidelijk: door zijn natuurlijke vermogens kan de mens God in de schepping leren kennen, zich rekenschap geven van eigen zwakte en zich tot zijn Schepper wenden. God brengt hem dan, door de wedergeboorte, in verbinding met de geestelijke sfeer en versterkt zodanig zijn geestelijke vermogens dat hij ten volle bewust kan worden van zonde, en door bekering en geloof in gemeenschap kan komen met de tweede Adam. Zo kan de mens dan, in gemeenschap met Christus, sterven ten opzichte van het oude mensdom, en in Christus leven in het nieuwe mensdom.
Voetnoten:
(225) Zie hoofdstuk 3.
4f. De tijd van de Handelingen der Apostelen. (Top)
Zodra men uit het oog begon te verliezen dat de Heere niet gezonden werd dan tot de verloren schapen van het huis Israëls, en in de eerste plaats gekomen was om de beloften der vaderen Israëls te bevestigen, werden de Evangeliën verkeerd begrepen en werd, als gevolg, het boek der Handelingen grotendeels verkeerd uitgelegd.
Nu is het juist op die misvatting dat al de christelijke kerken en sekten steunen. Het is dan ook niet te verwonderen dat er zoveel verwarring en gebrek aan eenheid is. Al wat de ernstige christenen verdeeld heeft, en nog verdeelt, komt voort uit een verkeerde uitlegging van wat er gedurende de tijd der Handelingen geschiedde: waterdoop, verschillende zichtbare ceremoniën, bijzondere geestesgaven, de sabbat, christen-communisme enz.
We hebben niet de pretentie de gebeurtenissen van die tijd op volmaakte wijze toe te lichten, doch we menen ten minste enige kenmerken der Handelingen te kunnen aanwijzen, die voldoende zijn om elke grote afwijking ten opzichte van de waarheid te vermijden. Daartoe willen we er goed op letten geen vooropgezette mening in te voeren en niet te steunen op enige menselijke overlevering. Goed rekening houdende met hetgeen we uit het O.T. en de Evangeliën geleerd hebben, willen we opnieuw het boek der Handelingen onderzoeken en onder meer nagaan of het een vervolg is op wat vroeger bestond, ofwel het begin is van een nieuwe stand van zaken.
We menen dat dit onderzoek duidelijker zal zijn als we trachten een reeks stellingen te bewijzen. Doch we herinneren de lezer eraan, dat deze stellingen niet vooropgesteld werden en we vervolgens de Schrift zouden geweld aangedaan hebben om ze te bewijzen. Deze stellingen zijn in tegendeel het resultaat van een lange en ernstige studie, die bovenal steunde op de Schrift — waar mogelijk, letterlijk opgevat — en die ook rekening hield met allerlei voorgestelde uitleggingen.
De algemene methode was: de Schrift door de Schrift op zo eenvoudig mogelijke wijze uitleggen. Er moest natuurlijk, zoals bij het uitleggen van alle historische opgaven, rekening gehouden worden met de bijzondere toestanden die toen heersten en niet alles kon beschouwd worden vanuit ons tegenwoordig standpunt.
|
1. |
De Apostelen verwachtten en verkondigden het aardse Koninkrijk voor Israël. |
|
Gedurende veertig dagen had de opgestane Heere gesproken over het Koninkrijk Gods (226) en daar de Apostelen de belofte des Vaders moesten verwachten, veronderstelden ze natuurlijk dat het Koninkrijk voor Israël weldra zou komen. Ze vroegen dus: « Heere, zult ge in deze tijd voor Israël het Koninkrijk wederoprichten? » (227). Als we goed rekening houden met hetgeen we hiervoor onderzocht hebben, kan men niet veronderstellen dat ze aan een geestelijk Koninkrijk dachten, voor alle mensen. We kunnen ook niet aannemen dat die Apostelen zich vergisten en geen Koninkrijk op aarde hadden moeten verwachten. Inderdaad, gezien ze veertig dagen onderwijs hadden genoten van de Heere zelf en hun verstand geopend was geweest « opdat ze de Schriften verstonden » (228), zou het onzentwege wel vermetel zijn hun een lesje te willen geven. Daarbij komt nog, dat de Heere hen er niet op wees dat ze zich vergisten. Hij zei alleen dat het hun niet toekwam « tijden en gelegenheden te weten ». Wij weten nu dat het Koninkrijk, toen zo nabij, later niet zou aanvaard worden door Israël, en kunnen dus begrijpen waarom de Heere geen antwoord kon geven voor wat betreft de tijd waarop het zou beginnen. Hij had dan moeten zeggen dat er nog vele eeuwen zouden verlopen alvorens de profetieën vervuld zouden worden en dat zou hun getuigenis ten opzichte van Israël van alle kracht beroofd hebben. Want het Koninkrijk was werkelijk nabij, het kon komen, en ze moesten het aankondigen zonder te weten of Israël zich zou bekeren of niet. God alleen wist in welke zin dat volk een vrije beslissing zou nemen, en Hij alleen kende dus de tijd. Het is niet steeds goed bepaalde dingen te weten en ook wij moeten niet trachten te kennen wat God niet heeft geopenbaard.
We zullen verder zien dat deze gerechtvaardigde verwachting van het Koninkrijk op aarde gedurende de ganse tijd der Handelingen bleef bestaan, en in onze tweede stelling zullen we meerdere tekenen vermelden van de nabijheid van dat Koninkrijk.
In het begin der Handelingen zien we dat Petrus, de Apostel der besnijdenis, gebruik maakt van de « sleutels » van het Koninkrijk door zijn volk tot bekering te leiden (229). Die bekering was de ene voorwaarde waaraan nog voldaan moest worden, opdat Jezus Christus uit de hemel zou komen gelijkerwijs hij er heengegaan was (230). Al de Apostelen verkondigden dat Jezus de Christus was (231), dat wil zeggen de Gezalfde Koning-Profeet-Priester. Dat is niet de prediking die aangepast is aan onze tijd, en zij spraken dan ook slechts, zoals we verder zullen zien, tot de Joden: Israël moest tot de nationale wedergeboorte komen, opdat de Messias zou komen, en eerst dan zouden alle geslachten der aarde gezegend worden (232).
Die boodschap was begeleid door een goddelijke goedkeuring en bevestiging: wonderen, krachten en tekenen, allerlei wat we nu niet zien. Ook de Apostel Paulus heeft het koninkrijk gepredikt (233), doch hij heeft nog meer verkondigd, zoals we verder onder stelling Nº 7 en in Het Onderwijs van de Apostel Paulus zullen nagaan.
In overeenstemming met wat de Profeten hadden aangekondigd en met hetgeen de Heere hun had herinnerd en meer precies had omschreven, verklaarde Paulus op zijn beurt aan Israël dat ze door vele verdrukkingen in het Koninkrijk zouden gaan (234). |
|
2. |
De tekenen die het Koninkrijk aankondigden waren overvloedig gedurende de tijd der Handelingen. |
|
De toekomende aioon was nabij en de krachten dezer aioon (235) begonnen reeds aanwezig te zijn. God had reeds vroeger bevestigd door krachten, wonderen en tekenen dat Jezus de Christus was (236). Nu begeleidt dit goddelijk getuigenis ook de discipelen. De genezing van een kreupele geschiedde door goddelijke kracht (237). De schaduw van Petrus was voldoende om zieken te genezen (238). De demonen werden van hun macht beroofd (239). God deed ongewone krachten door de handen van Paulus (240) tot op het einde van de tijd der Handelingen (241). Mark. 16:17, 18 werd letterlijk vervuld.
Zelfs de engelen kwamen tussenbeide en toonden dat ze dienende geesten zijn, uitgezonden om hen te dienen die de behoudenis zullen beërven (242). Ze openden de poorten van de gevangenis (243), hielpen de discipelen (244), doch kwamen ook tot gericht (245). Een der kenmerken van het Koninkrijk is inderdaad onmiddellijk gericht. Dan zullen er geen lange tijden van lankmoedigheid meer zijn, zoals nu. De mensen die leven in de tijden van zichtbare tussenkomst van God, zijn niet te verontschuldigen en worden onmiddellijk geoordeeld. Het geval van Ananias en Saffira (246), van Herodes (247) en van de tovenaar Elymas (248) zijn er voorbeelden van. Die vindt men in onze tijd niet. De natuurlijke krachten werden ook ten dienste der gelovigen gesteld (249), zoals dit in het Koninkrijk de regel zal zijn (250). Al deze goddelijke getuigenissen gaven volle vrijmoedigheid aan de dienstknechten van de Heere (251) en de bijzondere geestesgaven stelden hen in staat de mensen te kennen waartoe ze het Woord richtten en een werk te verrichten dat alle menselijke macht te boven ging. In onze tijd hebben we niets van dit alles.
We eindigen met te wijzen op het christelijke communisme (252) van die tijd. Hier ook had men een voorproeve van wat zou geschieden gedurende het Vrederijk op aarde, het grote jubeljaar van Israël.
Als we goed inzien dat al die bijzonderheden van de tijd der Handelingen in verband staan met Israël en het Koninkrijk op aarde, dan begrijpen we vanzelf waarom dit alles niet plaats heeft in onze tijd, waarin Israël als Gods Volk verworpen is en waarin het Koninkrijk niet meer nabij is. Men ziet eens te meer dat Israël de sleutel is van vele vraagstukken, en dat de moeilijkheden verdwijnen zodra men zo eenvoudig mogelijk aanneemt wat Gods Woord zegt.
De grote verandering die er plaats greep aan het einde van de tijd der Handelingen wordt bevestigd door het feit dat in de brieven die Paulus schreef na die tijd, geen sprake meer is van krachten, tekenen en wonderen, noch van enige andere der vermelde dingen. In tegendeel, Paulus die vroeger zovelen genas, kon Epafroditus niet helpen (253) en liet Trofimus krank achter te Milete (254). Geneesheren verachtte hij niet, want hij hield veel van Lukas « de geliefde geneesheer » (255). In die brieven is ook nooit sprake van engelen, demonen, onmiddellijk oordeel enz. Verre van te genieten van een christelijke gemeenschap, hebben allen die in Azië zijn zich van hem afgewend (256). |
|
3. |
De bekering van het volk Israël is nodig voor de komst van de Heere. |
|
In dit opzicht was er niets veranderd sinds de Profeten spraken, uitgezonderd dat de Heere reeds gekomen was in vernedering en dat alles had moeten medewerken tot die bekering. Laat ons een paar uitnodigingen tot bekering opschrijven.
|
« En Petrus zeide tot hen; Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in de naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal », Hand. 2:38, 39. |
|
« Bekeert u dan, en keert u om, ten einde uwe zonden mogen uitgewist worden, opdat de tijden der verkwikking mogen komen van het aangezicht des Heeren, en Hij zenden moge Christus Jezus, die u te voren verordend is, die de hemel moet ontvangen tot op de tijden der herstelling aller dingen, waarvan God gesproken heeft door de mond zijner heilige profeten van de aioon », Hand. 3:19 — 21. |
Deze woorden waren gericht tot Israëlieten. En men lette erop dat de bekering van enige duizenden Joden niet voldoende was. Er moest een nationale bekering zijn, een « officiële » bekering van de godsdienstige vertegenwoordigers van het volk. Een onzer tegenwoordige evangelisten zou zeer tevreden geweest zijn met de resultaten die verkregen werden gedurende de tijd der Handelingen en ook ter gelegenheid van de slotconferentie die Paulus had met de voornaamste Joden te Rome, toen een deel van deze door de Apostel overtuigd werden (257). En toch belette dit Paulus niet over de te Rome wonende tak van Israël de veroordeling uit te spreken van Jes. 6:9, 10. Na zoveel lankmoedigheid en geduld, werd de overspelige vrouw verworpen. Ziedaar een gebeurtenis die ontzaglijk grote gevolgen moest hebben. Daarentegen zou, in geval van nationale bekering, de volledige profetie van Joël in vervulling getreden zijn en zou de Heere zijn Koninkrijk op aarde hebben opgericht (Joël 2:31, 32). |
|
4. |
De Wet, inbegrepen de besnijdenis van het vlees en al de ceremoniën, wordt en moet worden gevolgd door de Christen-Joden zolang Israël als Gods volk beschouwd wordt. |
|
We hebben reeds gezien dat de Heere niet gekomen was om de Wet en de Profeten te ontbinden, maar om ze te vervullen, en dat geen jota noch tittel der Wet zou voorbijgaan, zelfs gedurende de toekomende aioon. We weten dat ook de Profeten verkondigden dat al de ceremoniën en de besnijdenis van het vlees nog bestaan gedurende het Koninkrijk. Indien de tijd der Handelingen had moeten voeren tot dit Koninkrijk, dan moeten we er dus aanduidingen in vinden, die tonen dat de Wet nog steeds gevolgd werd en moest gevolgd worden, zelfs door in-Christus-gelovige Joden. Laat ons de teksten onderzoeken.
Vooreerst hebben we een reeks getuigenissen die bewijzen dat de Joodse feesten gevierd werden door de Apostelen en de Christen-Joden. Zo b.v. het Pinksterfeest (258), de dagen der ongehevelde broden (259) en de Sabbatten (260). Die Joden gingen nog steeds naar de Tempel (261) en naar de Synagoge (262) en hielden de ceremoniën zoals het vasten (263) en de oplegging der handen (264).
Het geval van Cornelius (265) is zeer leerzaam. Het was een vrome man, vrezende God, doende vele aalmoezen en God geduriglijk biddende. Deze modelgelovige was zeker zeer geacht in de « Gemeente »? In tegendeel, Petrus beschouwde hem als iets gemeens en onreins, en het was slechts na een driemaal herhaald gezicht en de tussenkomst van een engel dat Petrus, de Jood, bereid was zich te begeven tot Cornelius, de heiden. En daarbij verontschuldigde Petrus zich nog bij de besnedenen omdat hij bij een onbesnedene ingegaan was en met hem gegeten had (266). Men ziet dus hoe nauwgezet de Christen-Joden de Wet volgden.
Misschien zal een lezer opmerken dat de geschiedenis van Hand. 15 niettemin toont, dat de besnijdenis niet meer toepasselijk was op de Christenen. In dit geval zouden we hem willen aanraden het hoofdstuk nog eens aandachtig te lezen. Hij zal dan inzien, dat de volgende vraag werd gesteld:
Moesten de gelovigen uit de volken besneden worden, en daardoor bij Israël ingelijfd (267), zodat ze de Wet konden volgen en behouden worden? Het antwoord was: neen. Hadden de Profeten niet gesproken over de zegeningen der volken door Israël (268). De gelovigen uit de volken moesten dus als zodanig blijven bestaan, van Israël afgezonderd. Ze moesten dus niet besneden worden en geen deel uitmaken van Israël. Toch werden hen enige noodzakelijke dingen voorgeschreven, om een omgang zonder aanstoot met Israël mogelijk te maken. Deze golden slechts voor die tijd en die omstandigheden (269).
Wat bewijst dus dit Schriftdeel? Vooreerst dat de Christenen uit de volken de Wet niet behoefden te volgen en niet behoefden besneden te worden. Vervolgens, dat de Christen-Joden zelf Wet en besnijdenis onderhielden. Dit toch spreekt vanzelf, aangezien alle discussie aangaande de besnijdenis der volken onnodig geweest zou zijn indien de Joden zelf ze niet meer toepasten als ze in Christus geloofden. Men ziet dus dat twintig jaar na Pinksteren een « algemeen Concilie » te Jeruzalem, waar de voornaamste overheden der « Gemeente » (uit Joden bestaande) verenigd waren, bewijst dat de Christen-Joden nog steeds getrouw de Wet onderhielden. Wie durft hen van dwaling beschuldigen?
Het schijnt ons dus toe dat de zaak zeer duidelijk is: de Wet werd niet te niet gedaan na het kruis (270). Een verkeerde uitleg der Evangeliën en der Handelingen heeft sommige ernstige gelovigen ertoe gebracht een blaam te werpen op de Apostelen: ze hadden niet moeten vragen naar het Koninkrijk (271), ze hadden Matthias niet als twaalfde Apostel moeten kiezen, en vooral niet door het werpen van het lot (272), hun houding tegenover de besnijdenis was te zwak (273), enz. Doch het is vooral Paulus die het erg te verduren heeft. Men verwijt hem zijn reis naar Jeruzalem (274), zijn aanwijzen op het feit dat hij een Jood was (275), farizeeër (276) en Romeins burger (277), zijn gelofte (278), en bovenal zijn offerande in de Tempel (279).
Zeker, we begrijpen heel goed dat dergelijke feiten hen, die beweren dat de Gemeente, het Lichaam waarvan Christus het Hoofd is, met Pinksteren begon, of dan toch kort daarna, in een zeer lastige positie brengen. Maar is dit een goede reden om de Apostelen te beschuldigen van allerlei ernstige dwalingen? Zij hadden toch reeds voor Pinksteren heilige geest ontvangen (280), hun verstand was geopend opdat ze de Schriften zouden verstaan (281) en daarbij hadden ze gedurende veertig dagen onderwijs ontvangen van de Heere zelf (282). Wie van ons kan dan zo vermetel zijn ze te veroordelen? Indien er een grote moeilijkheid is, moet men de oorzaak dan niet elders zoeken? De lezer zal inderdaad bemerken hoe alles wat tot moeilijkheden voert in de gewone wijze van opvatten, een bevestiging is van onze zienswijze: de Christen-Joden moeten de Wet getrouw volgen zolang Israël door God beschouwd wordt als zijn volk.
Het getuigenis van Paulus in deze is zeer duidelijk en afdoende. De vele duizenden in-Christus-gelovende Joden van Jeruzalem waren allen ijveraars voor de Wet, en daar hun bericht was dat Paulus de Joden, die onder de volken waren, van Mozes (d.i. de Wet) leerde afvallen, volgde Paulus de raad van Jakobus en de ouderlingen en bewees, door reiniging en offerande, dat dit bericht onjuist was, en dat hij zelf wandelde in de onderhouding der Wet (283). Meermalen spreekt hij over dit onderhouden der Wet (284).
Nooit is er de minste aanduiding in de Schrift dat Paulus verkeerd handelde, en wie aan de ingeving der Schrift gelooft moet dus wel aannemen dat de Wet, met al haar ceremoniën, moest onderhouden worden door de Christen-Joden.
Vraagt men hoe het mogelijk is dat offeranden nog konden geofferd worden, daar Christus toch het ware Offer is en alles volbracht heeft? De uitleg is eenvoudig. Waarom kan niet een beeld evengoed het afgebeelde volgen als er aan voorafgaan? De zinnebeeldige dingen der Wet waren misschien niet meer nodig voor sommigen, doch konden nog dienen voor anderen, die niet genoeg geestelijk ontwikkeld waren. Zelfs in het Koninkrijk zullen die vormen nog nodig zijn.
Een ding was echter volkomen veranderd: de wijze waarop geofferd werd. Terwijl de Joden die nog niet in Christus geloofden offerden als « onder » de Wet, onder het Oude Verbond, onderhielden zij die van de slavernij der Wet verlost waren de ceremoniën meer als ter gedachtenis van zonden en van het ware Offer (285).
We leggen er de nadruk op dat onze stelling duidelijk te vinden is in Gods Woord en dat we, verre van het geweld aan te doen, het zo eenvoudig aannemen als mogelijk is, rekening houdende met de kleinste details van de Griekse tekst. We maken ernst met de ingeving en geven onze eigen gedachten prijs aan de Schrift. We hebben niet hier en daar een vers uitgezocht, en ter zijde gelaten wat ons zou kunnen hinderen. We zijn ook niet op de minste moeilijkheid of tegenstrijdigheid gestuit. We hebben geen enkele Apostel of discipel veroordeeld. Slechts één ding was nodig: menselijke traditie prijs geven. Doch laat ons dit onderzoek voortzetten en nagaan of verdere resultaten onze conclusies zullen bevestigen. |
|
5. |
Bij het Pinksterfeest begonnen de beloften, aan Israël gedaan, zich te verwezenlijken. Dit feest heeft alleen betrekking op dit volk. Eerst lang daarna beginnen de zegeningen zich ook uit te strekken tot de volken. |
|
We herinneren de lezer vooreerst aan de twee reeds behandelde stellingen: Jezus Christus is slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls, en De gemeente waarvan sprake is in de Evangeliën bestaat uit Joden die getrouw zijn aan de Heere. Het komt er nu op aan te onderzoeken of die stand van zaken met Pinksteren, of kort daarna, geheel anders was. De voorgaande stellingen tonen reeds dat het niet zo is, doch we willen het ook nog op andere wijze duidelijk maken.
Dat het over beloften gaat die aan Israël gegeven waren, blijkt onder meer uit het volgende:
De Heere had hun bevolen te Jeruzalem « de belofte des Vaders te verwachten » (286) namelijk: « kracht uit den hoge » (287).
Deze gebeurtenissen waren een begin van vervulling der profetieën aangaande Israël: « Maar dit is het wat gesproken is door de profeet Joël » (288). En Joël sprak van het land en het volk Israëls.
Petrus zei tot « het ganse huis Israëls »: « Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die verre zijn » (289).
Het feit dat er geen enkele gelovige uit de volken aanwezig was, zal misschien sommige lezers niet bekend zijn, doch kan men als volgt aantonen:
Pinksteren was een Joodse feestdag (290) en de Joden mochten zich niet verontreinigen met zich te vermengen met onbesnedenen, zoals we reeds gezien hebben.
Gods Woord vermeldt alleen Joden in het begin van het boek der Handelingen (291).
Eerst in Hand. 8:27 wordt een uit de volken vermeld, en dan is het nog een proseliet. De besnedene proselieten hadden toegang tot Tempel en Synagoge. De onbesnedene niet, doch de Joden mochten met hen omgaan.
De geschiedenis van Cornelius, die we reeds vermeld hebben bij het behandelen onzer stelling Nº 4, toont dat Petrus geen omgang had met gelovigen uit de volken, zelfs een tiental jaren na Pinksteren nog niet. De Joden waren verwonderd dat heilige geest op de volken uitgestort werd (292). Er kon dus geen sprake zijn van onbesnedenen bij de Pinkstervergadering. We willen hier niet onderzoeken of Petrus verkeerd handelde met alle omgang met hen te vermijden voor Hand. 8. We stellen slechts vast dat hij zo handelde, evenals de andere Joden, en dat er dus geen gelovigen uit de volken konden aanwezig zijn.
Tien jaren na Pinksteren verkondigden de Joden der verstrooiing het Woord alleen tot de Joden (293). Enige « Cyprische en Cyreneësche » spraken tot de Grieken.
Eerst kwamen de zegeningen tot de volken door middel van de Joden. Pas later, nadat de kinderen Israëls het Woord Gods niet aanvaard hadden (294), werden ze rechtstreeks gezegend door God (295).
Om al deze redenen, en nog andere, is het dus duidelijk dat het Pinksterfeest nog steeds past in de vroegere stand van zaken, en dat hier niet een nieuwe « gemeente » begon, waartoe zowel de volken als Israël behoorden. Het nieuwe was, dat de oude beloften aan Israël nu in vervulling begonnen te gaan. Het is eerst veel later, als Israël de Messias verwerpt, dat de volken gezegend worden buiten Israël om. En het is Paulus, de Apostel der volken, die hun die zegeningen doet kennen. Men ziet hieruit ook, dat de twee broden van Lev. 23:17 Israël en Juda voorstellen, en niet Israël en de volken, zoals men dikwijls meent. |
|
6. |
De Apostel Paulus maakt geen deel uit van de Twaalf. |
|
Misschien acht men dat dit van weinig belang is. Doch dikwijls kan een zaak, die de moeite niet waard schijnt onderzocht te worden, zeer belangrijke gevolgen hebben. Wat in het begin slechts een kleine afwijking is van de waarheid, kan tot grote vergissingen voeren.
We hebben reeds de stelling Nº 8 onderzocht, volgens dewelke de twaalf Apostelen een opdracht hebben voor Israël in het Koninkrijk. Indien Paulus deel uitmaakt van de Twaalf, dan zou hij ook op een der twaalf tronen moeten zitten om Israël te leiden. Doch Paulus is de Apostel der volken (296) en staat dus tegenover de twaalf Apostelen der besnijdenis (297). Wat natuurlijk niet belet dat hij zich eerst tot het Joodse volk richtte (298).
We hebben er reeds op gewezen, dat men aan de elf Apostelen verwijt Paulus niet gekozen te hebben in plaats Matthias, en we meenden dat het vermetel was hen, die heilige geest ontvangen hadden, wier geest geopend was en die gedurende 40 dagen door de Heere zelf onderwezen waren (299), te beschuldigen van vergissing. Doch alle discussie moet ophouden voor het feit dat de Heilige Geest de schrijver der Handelingen gedreven heeft van twaalf Apostelen te spreken voor de bekering van Paulus (300).
De Twaalf werden door de Heere geroepen voor zijn verwerping. Paulus en anderen, zoals Barnabas (301), Sylvanus, Timotheus (302), Andronicus en Junias (303), werden door de Heere geroepen na zijn hemelvaart (304). Al wat Paulus geleerd had, kwam rechtstreeks van de Heere (305) en niet van mensen. Pas drie jaren daarna maakte hij kennis met de Twaalf.
Dit stelt ons in staat beter te begrijpen dat een deel van het onderwijs der Twaalf ons niet rechtstreeks betreft (306), terwijl dat van Paulus van veel meer belang voor ons is. Alles is ingegeven en nuttig, doch alles is niet zonder onderscheid gericht tot allen (307).
Wil men goed begrijpen op welke wijze de Heere de schepping wil herstellen, dan is het belangrijk in te zien dat Paulus een andere bediening heeft dan de Twaalf. Aan hem alleen werden een reeks verborgenheden geopenbaard, dus dingen die onbekend waren, in verband met de verwezenlijking van Gods Voornemen. Hij leidt nieuwe bedelingen of administraties in en gaat steeds vooruit, de weg wijzende tot het te bereiken doel: de vereenzelviging met Christus, God alles in allen.
Het is zeer nuttig en nodig naar de Twaalf te luisteren en hen te volgen tot de « wedergeboorte », doch we moeten ons niet door hen laten tegenhouden nog verder de weg der behoudenis te volgen. De Twaalf hebben een toekomstige wereldomvattende zending; nu heeft Paulus een individuele, later een universele zending. We vestigen er de aandacht op dat men dus voorzichtig moet zijn als men spreekt over een « apostolische » leer in verband met de Twaalf, en dat een « apostolische » kerk die op Petrus zou steunen, voor onze bedeling geen zin heeft. Het is in het Koninkrijk dat er een « Kerk » zal gevormd worden die op de Twaalf rust; het zal de vergadering zijn van de Christen-Joden. En deze Gemeente kan niet beginnen voor de opstanding, aangezien de Twaalf moeten leven en Israël leiden. |
|
7. |
De Apostel Paulus heeft meerdere blijde boodschappen verkondigd gedurende de tijd der Handelingen, en in het bijzonder die der verzoening en der rechtvaardiging, die verder gaan dan de nieuwe geboorte. |
|
Paulus spreekt, zoals de Twaalf, over het Koninkrijk Gods (308) en richt zich steeds eerst tot de Joden (309). Doch als de officiële vertegenwoordigers van Israël de boodschap van het Koninkrijk verwerpen, wendt hij zich tot de volken. We weten dat dit b.v. gebeurde te Antiochië (310), te Korinthe (311) en ten slotte te Rome (312). Zodoende toont hij dat God Israël wil gebruiken om zijn Voornemen uit te werken, doch dat Hij zich niet door hen zou laten tegenhouden. De behoudenis kwam dan tot de volken om het uitverkoren volk tot jaloersheid te verwekken (313). Paulus spreekt dan over de rechtvaardiging door het geloof (314) en hij herinnert eraan dat reeds Abrahams geloof tot rechtvaardigheid gerekend werd (315). Het gaat hier dan ook over Abrahams hemelse zaad en zegeningen, waarvan we reeds gesproken hebben in het begin van dit hoofdstuk.
Paulus gaat dus verder dan het Koninkrijk op aarde en de wedergeboorte. Hij opent een nieuwe sfeer van zegeningen, die hare volmaking eerst zal vinden gedurende de aioon die volgt op die van het Koninkrijk, namelijk in de nieuwe schepping. (Zie het schema aan het einde van Hoofdstuk 3). Zo doet hij dus beter de verborgenheid van Christus kennen, dus ook de wijze waarop God tot zijn doel komt. In de brieven die hij schreef gedurende de tijd der Handelingen, leert hij al het nodige aangaande rechtvaardiging en de nieuwe schepping, in verband met de individuele gelovigen. Hij gaat dus over van het oude mensdom van Adam, tot het nieuwe mensdom van Christus. De Apostelen der besnijdenis begrenzen zich daarentegen tot de oude schepping, want ze hebben als opdracht Israël te voeren tot de wedergeboorte, en daarna ook de gehele aarde doormiddel van Israël. Ze spreken dus niet over de hemelse sfeer, de rechtvaardiging en verzoening.
Gedurende de tijd der Handelingen heeft het onderwijs van Paulus tot doel beter te laten kennen wat reeds vroeger op zeer vage wijze bekend was over het hemelse. Het is van belang erop te letten dat niet alleen het evangelie van het Koninkrijk en de aardse zegeningen der volken, doch ook de hemelse zegeningen in verband met Abraham (316) reeds min of meer bekende dingen waren, dus niet verborgen (317).
In ons boek over Het Onderwijs van de Apostel Paulus zullen we meer in bijzonderheden de verschillende boodschappen en zendingen van Paulus onderzoeken, ons beroepende op zijn brieven. We zullen daar ook zien, dat hij in hetgeen hij na de tijd der Handelingen schreef, dingen bekend maakt (318) die van alle tijden in God verborgen waren. Hij handelt dan over de grote Verborgenheid: de Gemeente, die niet eenvoudig een lichaam is dat Christus toebehoort, maar het Lichaam waarvan Christus-Jezus het Hoofd is. Zo opent hij weer een nieuwe sfeer van zegening, die overeenstemt met de eindtoestand, als God alles in allen zal zijn.
We zullen zien dat Paulus reeds aan enkelingen uit alle volken toegang opent tot hetgeen zich ten volle zal ontwikkelen gedurende de toekomende aionen en daarna: niet alleen tot de nieuwe geboorte, zoals de Twaalf, doch ook tot de nieuwe schepping en tot de vereenzelviging met de verheerlijkte Christus-Jezus. Zijn evangelie is compleet.
In De weg der Behoudenis trachten we uiteen te zetten dat de persoonlijke weg der behoudenis van ieder gelovige door die verschillende trappen van zegening gaat en dat, sinds het ogenblik waarop Paulus de grote Verborgenheid bekend gemaakt heeft, men in de geest reeds het einddoel kan bereiken: in Christus-Jezus geplaatst in Gods rechterhand. De lezer zal dan ook bemerken dat hij niets zal verliezen als hij aan Israël laat wat Israël toebehoort. |
|
8. |
De Apostel Paulus waarschuwt voor mensen die uit het christendom zullen opstaan en verkeerde dingen zullen spreken. |
|
Hij zegt tot de ouderlingen der gemeente te Efeze:
« Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen; en uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich. Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang, nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen », (Hand. 20:29 — 31).
Het gevaar moest wel groot zijn om zonder ophouden gedurende drie jaren met tranen te vermanen.
Verder lezen we ook:
« Want zulke valse apostelen zijn bedrieglijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus. En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts. Zo is het dan niets groots, indien ook zijn dienaars zich veranderen, als waren zij dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hun werken », (2 Kor. 11:13 — 15).
Men moet dus zeer op zijn hoede zijn. Velen spreken van « Jezus », steunen op de gedachten der eerste eeuwen, schijnen een hoge ethische standaard te hebben, doch ze houden niet vast aan Gods Woord in zijn geheel en « snijden » het niet recht. Ze verwaarlozen een groot deel van wat de Heilige Geest heeft ingegeven. In één woord, ze hebben geen schriftuurlijke leer (319). En zo, onder voorwendsel van wat goed doch onvoldoende is, stellen ze ter zijde wat nodig is. Anderen gaan verder en spreken Paulus tegen.
Vooral op het einde van zijn loopbaan, spreekt de Apostel over hun ongoddelijke ijdelroepen, het « voorteten gelijk de kanker » van hun woord (320), hun gedaante van godzaligheid (321). Hij weet dat boze mensen en bedriegers tot erger zullen voortgaan, verleidende en wordende verleid (322). Er zal een tijd zijn, zegt hij, wanneer ze de gezonde leer niet zullen verdragen en hun gehoor zullen afwenden van de waarheid (323).
Werd Paulus zelf niet verlaten van de christenen? En niet van enkelen, doch van « allen, die in Azië zijn » (324). Dit is heel wat anders dan wat men soms zegt over de volmaaktheid der eerste christenen. We zullen dit alles meer uitvoerig onderzoeken in Het Onderwijs van de Apostel Paulus. |
|
9. |
Al wat geschiedde en aangekondigd werd gedurende de tijd der Handelingen was reeds, ten minste in grote lijnen, bekend van Mozes en de Profeten. |
|
De oude beloften en profetieën begonnen zich inderdaad in die tijd te vervullen. Zo b.v. de geestelijke gaven, de nieuwe geboorte, de zegeningen tot de volken, ja zelfs de rechtvaardiging door het geloof. Het feit dat, 25 jaar na Pinksteren, de Joden van Berea de Schriften onderzochten om zeker te zijn dat het hun verkondigde wel juist was (325), toont ook zeer duidelijk dat de Schriften die in hun bezit waren, d.w.z. het O.T., over dit alles handelde.
Het is dus voorzeker de Schrift niet die ons leert dat met de prediking der Evangeliën en met Pinksteren een nieuwe Kerk de plaats innam van Israël, en dat de Heere Jezus Christus gekomen is om een nieuwe godsdienst in te voeren. En zij, die veel van het O.T. verwerpen, lopen gevaar ook een aanzienlijk deel van het N.T. te verliezen. Tot op het einde der Handelingen, zegt Paulus door Gods hulp niets « buiten hetgeen de Profeten en Mozes gesproken hebben » (326).
In het tweede deel van dit werk, willen we pogen aan te tonen dat na de verwerping van Israël (einde Handelingen), Paulus over dingen spreekt, die van alle tijden in God verborgen waren. Ziedaar waar de Joden, als volk, geheel verdwijnen, ten minste gedurende een lange periode. |
|
10. |
Het volk Israël houdt tijdelijk op Gods volk te zijn aan het einde der periode der Handelingen. |
In onze stelling Nº 7 hebben we gezien dat de officiële vertegenwoordigers van het Joodse volk de boodschap van het Koninkrijk achtereenvolgens hadden verworpen te Antiochië, Korinthe en te Rome (327).
Het evangelie van het Koninkrijk was dus uitgeroepen geworden zowel voor de Joden der verstrooiing als voor hen die in het land woonden. De periode der Handelingen toont het groot geduld en de lankmoedigheid van God t.o.v. zijn volk. Zelfs na het kruis was alles nog niet verloren voor hen. Doch ten slotte wordt het oordeel geveld. De woorden die Jesaja uitsprak (328) na zoveel jaren van geduld met een wederspannig volk, en die gevolgd werden door de ballingschap der tien stammen in Assyrië, werden door de Heere herhaald (329) nadat Hij door het volk werd verworpen te Jeruzalem, en ook door Paulus vermeld einde Handelingen (330). Korte tijd daarna werd dat oordeel bevestigd door de verwoesting van de Tempel en de verstrooiing van Israël.
Plotseling hield dan feitelijk alles op wat wees op de nabijheid van het Koninkrijk: geen uitverkoren volk meer, geen land van belofte, geen stad, geen tekenen, geen vervulling der profetie. En zonder Gods volk, ook geen door God gegeven ceremonieën, geen zichtbare organisatie. Niets meer ... dan de hoogste boodschap van genade, door Paulus verkondigd, in verband met een positie in Gods rechterhand, in Christus-Jezus, en met alle geestelijke zegeningen in de overhemelse.
Nu verving het onzichtbare het zichtbare, het organische de organisatie en kwam het Lichaam waarvan de verheerlijkte Christus het Hoofd is. Geen tekenen meer, alleen geloof. Door de grote Verborgenheid bekend te maken, vervolledigde Paulus Gods Woord (331).
We zagen reeds dat Israëls verwerping niet voor goed plaats had. De Heere doet zijn Verbond met hen niet te niet (332). Paulus spreekt dan ook over hun herstel (333). Eens zal Israël behouden zijn (334), want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk (335).
Laat ons hier nog aan toevoegen dat, indien Israël dus slechts einde Handelingen verworpen werd, het door God als zijn volk beschouwd werd gedurende die gehele periode. Dat volk werd dus toen niet vervangen door een christelijke « Gemeente ».
Voetnoten:
(226) Hand. 1:3.
(227) Hand. 1:6.
(228) Luk. 24:45.
(229) Hand. 2:38; 3:19.
(230) Hand. 1:11.
(231) Hand. 5:42; 8:5, 12; 17:3; 18:5, 28.
(232) Hand. 3:25.
(233) Hand. 20:25 « Gods » bevindt zich niet in de voornaamste handschriften.
(234) Hand. 14:22.
(235) Heb. 6:5.
(236) Hand. 2:22.
(237) Hand. 3:2-13.
(238) Hand. 5:15, 16.
(239) Hand. 8:7; 16:16 — 18; 19:12.
(240) Hand. 19:11, 12.
(241) Hand. 28:4 — 9.
(242) Heb. 1:14.
(243) Hand. 5:19; 12:7 — 10.
(244) Hand. 8:26, 29, 39; 10:3, 19, 22. De engel wordt ook « geest » genoemd. Verder Hand. 11:12, 13; 27:23.
(245) Hand. 12:23.
(246) Hand. 5:5, 10.
(247) Hand. 12:23.
(248) Hand. 13:11.
(249) Hand. 16:26.
(250) Rom. 8:19 — 22. Zie ook de profeten.
(251) Hand. 4:29-31; 14:3; Rom. 15:19; 1 Kor. 12:28; 2 Kor. 12:12; Heb. 2:3, 4; 6:5.
(252) Hand. 2:42 — 46 ; 4:32 — 35.
(253) Fil. 2:27.
(254) 2 Tim. 4:20. Men zou kunnen tegenwerpen dat gedurende de tijd der Handelingen Paulus een « doorn voor het vlees » had (2 Kor. 12:7; Gal. 4:14). Dit was echter een bijzonder geval. In de regel zou het gebed voldoende geweest zijn om te genezen, doch na drie maal gebeden te hebben wist Paulus dat die « doorn » nodig was opdat hij niet hoogmoedig zou worden door de uitnemende openbaringen die hij ontvangen had.
(255) Kol. 4:14.
(256) 2 Tim. 1:15. Men denke eraan dat allen, die in Azië woonden door hem het woord des Heeren leerden kennen, toen hij nog zieken genas en boze geesten uitdreef.
(257) Hand. 28:17 — 24.
(258) Hand. 2:1; 18:21; 20:16.
(259) Hand. 20:6.
(260) Zie Aanhangsel Nº 4.
(261) Hand. 2:42 — 46; 3:1; 5:20.
(262) Hand. 13:14, 15; 14:1 enz.
(263) Hand. 13:2.
(264) Hand. 6:6; 13:3.
(265) Hand. 10:1 — 33.
(266) Hand. 11:2 — 18.
(267) Ex. 12 :43 — 49.
(268) Hand. 15:17.
(269) Hand. 15:28, 29.
(270) Natuurlijk zal men hiertegen bezwaren opwerpen. We zullen ze onderzoeken in Aanhangsel Nº 5. Hier willen we echter reeds nagaan of Rom. 10:4 onze conclusie niet tegenspreekt. De vertalingen kunnen ons die indruk geven, doch niet de ingegeven tekst. Inderdaad hangt de betekenis van de uitdrukking « Christus is het einde der Wet » af van de betekenis van het woord « einde ». De Griekse tekst gebruikt hier « telos », een woord dat veeleer een doel aanduidt dan het einde van iets. Voorbeelden zoals Mat. 26:58 en Rom. 6:21 tonen dit zeer goed aan. Wil men uitdrukken dat iets niet meer bestaat, dan gebruikt men het woord « peras », zoals in Heb. 6:16: « een einde van alle tegenspraak ». Men ziet dus ook hier wederom dat de kleinste dingen in Gods woord de grote lijnen, zoals hier voorgesteld, bevestigen.
(271) Hand. 1:6.
(272) Hand. 1:26.
(273) Hand. 15.
(274) Hand. 21. Zie ook Aanhangsel Nº 6.
(275) Hand. 22:3.
(276) Hand. 23:6.
(277) Hand. 22:25.
(278) Hand. 18:18.
(279) Hand. 21:26.
(280) Joh. 20:22.
(281) Luk. 24:45.
(282) Hand. 1:3.
(283) Hand. 21:17 — 26.
(284) Hand. 24:17 — 19; 25:8; 28:17.
(285) Zie 1 Kor. 11:25 en Heb. 10:3. Deze laatste tekst biedt ons de gelegenheid te antwoorden op een andere tegenwerping. Men verwijst soms naar verzen 4 tot 10 om te « bewijzen » dat alle slachtoffers en offeranden afgeschaft waren. Want de offerande des lichaams van Jezus-Christus is eens voor altijd geschied. Doch dit argument heeft geen waarde, omdat het te veel zou bewijzen. Inderdaad, die verzen zijn een aanhaling van het O.T. (Ps. 40:7). Wil men uit dit deel van de Hebreër brief afleiden dat de offeranden te niet gedaan zijn, dan hadden ze ook niet moeten plaats hebben toen die woorden voor het eerst geschreven werden, dus lang voor het kruis. De bedoeling van die tekst is natuurlijk dat de offeranden der Wet slechts een afbeelding waren van de ware Offerande. Die Offerande staat alleen, en is eens voor altijd geschied, men moet er geen andere verwachten. Afbeeldingen kunnen er echter zowel voor als na het kruis, ja zelfs gedurende het Koninkrijk op aarde zijn. (Ezech. 40 tot 45).
(286) Hand. 1:4.
(287) Luk. 24:49.
(288) Hand. 2:16; Joël 2:28 — 31; Jes. 44:3: Ezech. 36:26 enz. Zie ook eindnoot 204.
(289) Hand. 2:36, 39. Zij « die verre zijn » zijn de verspreide Joden.
(290) Lev. 23:15, 16.
(291) Hand 2:5 « Joden »; 2:14 « Joodse mannen »; 2:36 « het ganse huis Israël ». De Parthen, Meden enz. zijn Joden of Proselieten (v. 10) die in die streken wonen. De Grieksen van 6:1 zijn Joden die Grieks spreken. De uitdrukking « broeders » van Hand. 6:3 is een Joodse spreekwijze, zie Hand. 2:29 — 36; 7:26, 27. Het woord « volk » in Hand. 4:1 is de vertaling van « Iaos » dat steeds Israël aanduidt, in tegenstelling met « ethnos » gebruikt voor niet-Joden (zie b.v. v. 27 « natiën »).
(292) Hand. 10:45.
(293) Hand. 11:19.
(294) Hand. 13:46, 47.
(295) Men haalt soms Hand. 2:47 aan: « En de Heere voegde dagelijks bij de gemeente, die behouden moesten worden ». Het woord « gemeente » bevindt zich echter niet in de voornaamste handschriften en werd overigens reeds in het O.T. gebruikt voor Joodse vergaderingen (zie eindnoot 170 en Ps. 22:23).
(296) Hand. 9:15; 13:2; 22:21; Gal. 2:7 — 9; Ef. 3:8; 1Tim. 2:7; 2 Tim. 1 :11.
(297) Gal. 2:8, 9.
(298) Hij die een hogere positie bekleedt, mag zich niet onthouden ook hen behulpzaam te zijn, die in het begin van de weg der behoudenis staan.
(299) We voegen hier nog bij dat de Apostelen Matthias niet « kozen ». Zij « stelden » er twee (Hand. 1:23), namelijk de twee enige discipelen die voldeden aan de vereisten van v. 21 en 22. Voor wat betreft het werpen van het lot (v. 26), dit was in overeenstemming met Gods wil in dergelijke omstandigheden. Zie Lev. 16:8 — 10; Num. 26:55; Neh. 10:34; Jona 1:7 enz. Ook dit toont ons hoe groot het verschil is tussen de omstandigheden in die tijd en in de onze. Het werpen van het lot werd ons nooit voorgeschreven.
(300) Hand. 2:14; 6:2. Men kan er nog bijvoegen dat Paulus zelf van de Twaalf spreekt en zich duidelijk van hen onderscheidt in 1 Kor. 15:5 — 9.
(301) Hand. 14:14.
(302) 1 Thes. 1:1 en 2:6.
(303) Rom. 16:7. De naam Junias kan mannelijk of vrouwelijk zijn. Niets bewijst dat het de zuster of de vrouw van Andronicus is.
(304) Ef. 4 :10, 11. De Profeten, dus mensen die voor God spreken, die hier vermeld worden, zijn geen profeten van het O.T. Ze worden na de Apostelen vermeld.
(305) Hand. 22:14; Gal. 1:18.
(306) Een deel (hetgeen de mens persoonlijk betreft) is universeel en op iedereen toepasselijk; een deel (hetgeen de mens als kind van Israël betreft) is alleen voor Israël, en slechts gedurende die tijd geldig.
(307) De lezer moet ons niet verkeerd verstaan. Laat ons als voorbeeld nemen de Wet, die aan Israël gegeven werd. Zij was de uitdrukking van Gods wil in verband met dat volk en in die toestanden. Doch het spreekt vanzelf dat vele geboden die er deel van uitmaken, ook toepasselijk zijn op andere volken en personen, en dat het geheel zeer leerrijk is voor allen. Daarentegen zijn er vele bijzonderheden, b.v. de ceremoniën enz. (meestal de zichtbare dingen) die niet aan anderen gericht zijn. Alles is wel voor ons, doch alles is niet tot ons gericht. Zo staat het ook met vele andere delen van Gods Woord, en dat is een der redenen waarom het recht gesneden moet worden (2 Tim. 2:15).
(308) Hand. 19:8; 28:23 enz.
(309) B.v. Hand. 13:46, en zie ook Rom. 1:16.
(310) Hand. 13:46, 47.
(311) Hand. 18:6.
(312) Hand. 28:17 — 28.
(313) Rom. 11:11.
(314) Hand. 13:39.
(315) Rom. 4:3; Gal. 2 en 3.
(316) Zie ook Heb. 11:16; 12:22.
(317) Zie ook onze stelling 9.
(318) Het werkwoord « openbaren » gebruiken we hier met opzet niet. De Schrift gebruikt het alleen als het over een werking Gods gaat.
(319) De Schrift spreekt over de leer, over wat God gedaan heeft, over onze verantwoordelijkheid en onze voorrechten, voor ze ons vermaant naar die leer te wandelen. Zie b.v. Rom. 8:12; Ef. 4:1; Kol. 3:1; Heb. 10:19.
(320) 2 Tim. 2:16, 17.
(321) 2 Tim. 3:1 — 5.
(322) 2 Tim. 3:13.
(323) 2 Tim. 4:3, 4.
(324) Zie Fil. 2:20, 21; Kol. 4:11; 2 Tim. 1:15; 4:16.
(325) Hand. 17:10, 11.
(326) Hand. 26:22, 23.
(327) Daarvoor hadden ze die boodschap reeds te Jeruzalem verworpen en hun Messias doen kruisigen.
(328) Jes. 6:9, 10.
(329) Mat. 13:14; Joh. 12:40.
(330) Hand. 28:26, 27.
(331) Kol. 1:25. (Griekse tekst).
(332) Lev. 26:44.
(333) Rom. 11:15.
(334) Rom. 11:26.
(335) Rom. 11:29.
4g. Samenvatting aangaande de tijden der Evangeliën en der Handelingen. (Top)
Onze stellingen, die op eenvoudige wijze uit de Schrift afgeleid zijn, tonen dat al wat gebeurde gedurende de tijden der Evangeliën en der Handelingen een begin van vervulling der profetieën was. Sinds lang had God alles bereid voor de komst van het Koninkrijk op aarde. Hij had een volk gekozen, had het in het land geplaatst en het een stad gegeven die de zetel zou zijn van de Godsregering op aarde. Toen kwam de Koning tot zijn volk, nog niet in heerlijkheid, doch in vernedering. Het volk, door de Wet onderwezen, had zich rekenschap moeten geven van zijn zondige staat en zijn onmacht te doen wat naar Gods wil was. Het had zich dus tot zijn Messias moeten richten, vooral nu Hijzelf het Koninkrijk aankondigde als nabij zijnde en door talrijke tekenen die boodschap bevestigde. Israël had dus moeten komen tot de wedergeboorte en alzo zijn positie moeten innemen van leidend volk op aarde, onder het bestuur der 12 Apostelen. Doch de vertegenwoordigers van het volk bleven verhard, zij verwierpen hun Behouder en kruisigden Hem.
Nu bleef er nog een zekere hoop dat de verstrooiden de algemene bekering zouden teweegbrengen. De twaalf Apostelen der besnijdenis, en zij die door de Heere geroepen werden na zijn opstanding, gingen dus tot de Joden die buiten het land leefden. Want het volk was nog niet verworpen omdat het niet goed bewust was van wat het gedaan had. De tekenen van de nabijheid van het Koninkrijk werden steeds talrijker en de kracht van boven werkte in een groot aantal gelovigen. Feitelijk scheen het tijdperk der algemene wedergeboorte op aarde aan te breken.
De Apostelen getuigden krachtiglijk dat de Messias reeds gekomen was, en na zijn dood was opgestaan. Nog steeds was de bekering van het volk het enige wat de komst in heerlijkheid vertraagde en Hem als het ware belette bezit te nemen van het Koninkrijk. Doch, helaas, ook de Joden der verstrooiing, verwierpen die boodschap in de grote centra.
Ondertussen werd Paulus in het bijzonder onderwezen door de Heere zelf aangaande een hogere sfeer van zegening, die haar ontplooiing zal hebben in de aioon die op die van het Koninkrijk zal volgen. Want God laat zich niet tegenhouden door het failliet gaan van de mens, en Hij laat reeds in de geest beginnen wat Hij aan Abraham beloofd had voor de besnijdenis was gegeven. Dit betreft de hemelen.
Tot op het einde der Handelingen werd Israël dus nog beschouwd als Gods bijzonder volk (niet vervangen door een christelijke « Gemeente »). Het feit dat de verzoening en rechtvaardiging reeds tot alle mensen kwam, was geen bewijs dat het oude volk verworpen was van zijn positie. Dat moest dienen om hen, door jaloersheid, te prikkelen hun voorrechten in bezit te nemen door middel van bekering.
Zolang Israël niet verworpen was, moesten alle Joden, ook zij die in Christus geloofden, getrouw al de voorschriften der Wet onderhouden. Doch ze waren niet langer onder de slavernij van het Oude Verbond, onder het juk van hun belofte in eigen kracht alles te doen wat de Heere geboden had. Ze konden deel hebben aan het Nieuwe Verbond, dat hen toeliet Gods wil te doen door de genade die hen aangeboden werd in Jezus Christus. Het bloed van het Lam had dit N.V. bezegeld. Ten slotte, nadat de vertegenwoordigers van het verstrooide Israël ook te Rome de blijde boodschap van het Koninkrijk verworpen hadden, werd Israël niet meer als Gods bijzonder volk beschouwd.
Dit was een ontzagwekkende gebeurtenis. Sinds ongeveer 2000 jaar had God de Joden opgeleid om een der hoofdwerktuigen te zijn van de vernieuwing. Alle andere volken bleven op de achtergrond. Israël moest de volken-zoon zijn, en hun kwam in de eerste plaats toe de heerlijkheid en de verbonden, de wetgeving, de dienst van God en de beloftenissen. Van hen kwamen de Vaderen en, wat het vlees aangaat, de Christus (336).
De gehele poging tot herstel der aarde was dus op dat volk samengetrokken. Welke gebeurtenis kon dan een grotere draagwijdte hebben voor het heelal dan de verwerping van dat volk einde Handelingen? We hebben in de volgende schets het contrast trachten voor te stellen tussen al wat de periode der Handelingen kenschetst en wat onze tegenwoordige tijd kenmerkt:
Men kan zich moeilijk voorstellen welke indruk die verwerping van Israël uitoefende op de christenen. Het was natuurlijk een heel ernstige crisis, alles scheen ineen te storten. Uit hetgeen de geschriften der eerste eeuwen ons vermelden, kunnen we leren dat, voor de meesten, de enige oplossing scheen te zijn dat de « christelijke Kerk » nu beslist de plaats moest innemen van Israël, en dat al wat de profeten spraken, op geestelijke wijze zou vervuld worden ten bate van die Kerk. We zullen dit nader onderzoeken in Het Onderwijs van de Apostel Paulus.
Doch God had die ramp voorzien. Waar de normale uitwerking, door middel van Israël, onderbroken was, werd Paulus gebruikt om nieuwe dingen te openbaren. Reeds gedurende de tijd der Handelingen opende hij een nieuwe sfeer van zegeningen, namelijk de hemelse sfeer, om Israël tot jaloersheid te verwekken. Op het einde van Handelingen openbaarde God iets aan die Apostel, dat van alle tijden verborgen was geweest: een bedeling of administratie die reeds een voorproeve is van de eindtoestand als God alles in allen zal zijn.
De aardse zegeningen werden nog niet ontvangen ter oorzake van Israëls verharding; de hemelse zegeningen waren reeds toegankelijk gedurende de tijd der Handelingen voor de christenen uit Israël en uit de volken; en nu Israël verworpen werd, sprak Paulus van de volheid der zegeningen in de overhemelse (337), die niet behoren tot de schepping. Terwijl er vroeger, door de wedergeboorte en rechtvaardiging, reeds een zekere geestelijke gemeenschap met Christus mogelijk was, sprak Paulus toen over een vereenzelviging met Hem en van een positie in Gods rechterhand (338).
Ons werk Het Onderwijs van de Apostel Paulus heeft als voornaamste onderwerp, hetgeen betrekking heeft op die nieuwe bedeling, beginnende na de periode der Handelingen. We zullen daar spreken van de onnaspeurlijke rijkdom van Christus (339), die verre alles te boven gaat wat we kunnen bereiken als we ons beperken tot het aanvaarden van wat aan Israël werd aangeboden en die ruim kan vergoeden wat we misschien menen te verliezen als we niet langer vasthouden aan wat behoort tot vroegere bedelingen (zo b.v. de zichtbare dingen).
We stappen hier over de tegenwoordige periode, die na de tijd der Handelingen begon, dus in het jaar 70, heen en spreken op zeer beknopte wijze over de korte periode die aan het Koninkrijk vooraf gaat. Zoals voorgaande schets reeds aangeeft, zal die tijd door hetzelfde gekenmerkt zijn als die der Handelingen. Onze bedeling vormt een volledige onderbreking in de normale afloop van Gods voornemen, en ze ontsnapt totaal aan het zicht van de profeten van het O.T. (340). De Evangeliën en de brieven, die gedurende de tijd der Handelingen werden geschreven, geven ook de indruk dat, zonder onderbreking, de grote verdrukking en het Koninkrijk zullen volgen (341). Gedurende de Handelingen kon de Heere elk ogenblik komen in heerlijkheid, zoals dat in de laatste jaren onzer aioon het geval zal zijn.
Als men inziet welke grote gevolgen Israëls verwerping gehad heeft, en hoe dan alle zichtbare dingen, ingesteld voor een tijd waar dat volk nog Gods volk bij uitnemendheid was, ophouden, zal men niet meer geneigd zijn aan dergelijke ceremonieën vast te houden.
Voetnoten:
(336) Rom. 9:4, 5.
(337) Ef. 1 :3. De Griekse tekst zegt letterlijk: « Die ons zegent met alle geestelijke zegeningen in de overhemelse » (sferen). De uitdrukking « in de overhemelse » (en tois epouraniois) wordt alleen door Paulus gebruikt, en nooit gedurende de tijd der Handelingen. De « overhemelse » (sferen) waren gekend (zie b.v. Joh. 3:12). Maar dit « verblijf » van de Vader was ontoegankelijk. De hoogste positie was in de hemel, niet in de « overhemel ». Voor een meer uitvoerig onderzoek, zie Het Onderwijs van de Apostel Paulus.
(338) Zie Ef. 1:20 en 2:6 voor onze deelname aan die positie.
(339) Ef. 3:8.
(340) Zie b.v. Ps. 118:22; Jes. 9:5, 6; 53:10; 61:2; Dan. 9:26 — 27; Hos. 2: 13, 14; 3:4, 5; Amos 9:10, 11; Micha 5:2, 3; Hab. 2:13, 14; Zef. 3:7, 8; Zach. 9:9, 10. In deze teksten wordt gezwegen over de tegenwoordige bedeling.
(341) Zie b.v. Mat. 24; Hand. 3; 1 en 2 Thes.
4h. Israëls Herstel en de Dag des Heeren (Top)
Enige tijd voor de komst des Heeren en het begin van het Koninkrijk op aarde, zal zich het vijfde rijk van Dan. 2:41 — 43 vormen. Men weet dat het in het grote beeld voorgesteld wordt door de voeten ten dele uit leem, ten dele uit ijzer. Het zal een verdeeld rijk zijn, samengesteld uit 10 machten, die ook voorgesteld worden door de 10 « hoornen » van het beest van Dan. 7:19 — 24. De opkomst van dit verdeelde rijk zal een teken zijn dat de tegenwoordige bedeling ten einde loopt, en dat de vervulling der profetieën weer begint. Israël, dat dan als volk terug zal zijn in het land, zal door God wederom als zijn bijzonder volk erkend worden. De Tempel zal dan ook herbouwd zijn. Dan begint de 70ste jaarweek van Dan. 9:27, die eindigt met de « dag des Heeren », de « grote verschijningsdag » van Hand. 2:20.
Al de profeten hebben gesproken over een verschrikkelijke, doch korte, periode, die aan die dag vooraf gaat, en die een tijd van oordeel is voor Israël en de volken. De volgende lijst geeft de voornaamste teksten aan waar de uitdrukking « dag des Heeren » gebruikt is.
| Juda |
Israël |
Babel |
Volken |
De wereld |
| Jes. 2:12 |
Ezech. 13:5 |
Jes. 13:6 — 9 |
Obad. 15 |
1 Thes. 5:2 |
| Joël 1:15 |
Am. 5:18,20 |
|
|
2 Thes. 2:2 |
| Joël 2:1,11; 3:14 |
Mal. 4:5 |
|
|
Op. 1:10 |
| Zef. 1:7, 14 |
|
|
|
|

In Jer. 46:10 en Ez. 30:3 staat niet de term « dag des Heeren » maar, een « dag voor de Heere ».
Jes. 2:12 en 17 vat een en ander samen:
|
« Want de dag des Heeren der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde » |
|
« En de hoogheid des mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de Heere alleen zal in die dag verheven zijn » |
We nodigen de lezer uit al die Schriftdelen te lezen, en zodoende te zien dat Mat. 24 en het boek der Openbaring over diezelfde periode spreken. Men zal zich in die dag verbergen voor het verschrikkelijke en het heerlijke van Gods majesteit; die dag zal een verwoesting zijn; de Almachtige zal de bewuste en rebellerende zondaar uitroeien; de wereld zal gestraft worden voor haar boosaardigheid, de goddelozen voor hun ongerechtigheid; de hoogmoed der stouten zal ophouden; de hovaardij van de verheven dictators zal vernederd worden. Babylon, eerst weer herbouwd, zal geheel vernietigd worden. De tijden der volken zullen tot hun einde komen. Die dag zal er een zijn van duisternis, van angst, van verwoesting en strijd. Eerst zullen de volken Jeruzalem aanvallen en innemen, doch dan verschijnt de Heere met zijn heiligen op de Olijfberg, die in tweeën gespleten wordt.
Mat. 24 beschrijft de inleiding van die dag. Vers 15 verwijst naar de profetie van Daniël. Vers 16 handelt over Judea en toont dat Israël het land weer bewoont. De sabbat wordt gevierd (v. 20). Onmiddellijk na de grote verdrukking komt de Zoon des mensen met kracht en grote heerlijkheid. Al die gebeurtenissen geschieden in enkele jaren, het dan levende geslacht zal niet voorbijgaan totdat al deze dingen geschied zijn (342). Joh. 16:23 spreekt ook over die dag. De « vrouw » (v. 21, d.i. Israël) zal in benauwdheid zijn (343).
Bijna het gehele boek der Openbaring spreekt over die dag en de korte periode die er aan voorafgaat (344). Men zoeke in dit boek niet het verleden of het heden, maar wel de toekomst, alles vergelijkende met de inhoud der profetie. Dan zal veel duidelijk worden, dat anders nagenoeg onbegrijpelijk is. Bijna alles betreft Israël; als het weer in het land en Gods volk is (345).
We lezen over de werkzaamheid der geestelijke wereld en vinden er alle tekenen die de komst van het Koninkrijk aankondigen. De Tempel is dan herbouwd (346). De valse profeten en leraars krioelen (347), en niet alleen zijn er anti-christussen (348), doch ten slotte ook de Anti-Christus (349). Dan zal zich herhalen wat in de tijd van Noach gebeurde (350), inbegrepen een actieve tussenkomst van boze geesten. Het zal de laatste poging van satan zijn om het Zaad der vrouw te overwinnen, en hij zal hopen zijn troon op te richten waar de Heere eenmaal de zijne zal hebben (351).
In de grote verdrukking zal Israël zich bekeren, zich tot God wenden en zeggen: « Gezegend is Hij, die komt in de naam des Heeren » (352). Het is de voorwaarde die moet vervuld worden opdat Christus moge komen en dat volk verlossen.
De profetieën van Daniël worden in die tijd ook vervuld. De grote stad Babylon wordt in een uur volledig verwoest (353). Na de eindstrijd van Armageddon, worden Beest en Valse Profeet in de poel des vuurs geworpen (354)en satan gebonden en in de afgrond geworpen (355).
De zonen Gods (Joden en heidenen) van die tijd, zien al deze dingen en weten dat de komst van Christus en van het Koninkrijk nabij zijn (356). Ze verwachten dan elke dag veranderd en opgenomen te worden, de Heere tegemoet in de lucht (357) als Hij met zijn heilige engelen zal komen (358) en met sommigen die met Hem geopenbaard zullen worden in heerlijkheid (359).
Michaël, de Archangel, die voor de kinderen Israëls staat (360), is dan aanwezig (361) om ze te helpen bevrijden. De bazuin zal slaan (362); sommigen staan op uit de doden, sommige levenden worden veranderd, en samen worden ze opgenomen in de wolken, de Heere tegemoet (363). Kort daarna komt Hij dan op aarde (364).
De koninkrijken der wereld komen dan in het bezit van de Heere (365) en Hij zal Koning over de ganse aarde zijn (366). Zo eindigt de « tegenwoordige boze aioon » (367). Israël zal door de verdrukking tot bekering geleid worden en het Koninkrijk, dat Adam reeds had moeten doen komen, zal eindelijk beginnen. God zal dan de gehele toekomende aioon voortgaan Israël te gebruiken om een grote massa mensen op aarde tot de nieuwe geboorte te voeren. Doch de rechtstreekse weg tot de hogere zegeningen, behorende tot de sferen der nieuwe schepping en der volmaaktheid, zal waarschijnlijk toegankelijk blijven voor de enkelingen, zodat de Heere ook in de toekomende aionen de uitnemende rijkdom zijner genade zal betonen (368).
Voetnoten:
(342) Mat. 24:34.
(343) Zie Jer. 30:7 en Mat. 24:8.
(344) Op. 1:10 zegt niet dat Johannes « in den geest » was op een « dag des Heeren » (waaronder men dan de Zondag verstaat); maar hij was, in de geest, als het ware verplaatst in (volgens de Griekse tekst) de dag des Heeren, waarvan de profetie zoveel spreekt. Hij had een reeks gezichten aangaande die dag en de korte tijd daarvoor. Al wat in het boek Openbaring staat, is, ook voor ons nog, toekomstig. De vertaling van vers 19 kan de indruk geven dat dit boek over het verleden, het tegenwoordige en het toekomstige handelt. Men leze: « Schrijf dan wat gij gezien hebt » (aangaande de toekomst), en wat ze (namelijk de dingen die hij gezien had, in de geest) zijn (d.i. wat ze betekenen). Het Griekse « eisi », vertaald door « zijn » wordt ook in v. 20 gebruikt in de zin van « betekenen ». Een vergelijking van 2:13 met 13:2 en 16:10; van 2:16 met 19:21; van 2:27 met 19: 15; van 2:20 — 23 met 17:2, 4 en 18:3; van 3:3 met 16:15, enz. toont insgelijks dat de eerste hoofdstukken de toekomst betreffen en niet de geschiedenis der « Kerk ». Men zie overigens de vermelding van « Synagoge » en van « Joden » in Op. 2:9 en 3:9.
De Griekse tekst heeft eigenlijk « des Heeren dag » omdat de nadruk hier ligt op « dag », op die toekomende grote dag. De christenen der eerste eeuw noemden overigens de Zondag niet « dag des Heeren », doch « dag der Zon ». Zie ook Aanhangsel Nº 4.
(345) Men mag niet vergeten dat Johannes een der apostelen der besnijdenis was (Gal. 2:9).
(346) Op. 11 :1, 2. Zie ook 2 Thes. 2:4; Mat. 24:15.
(347) 2 Petr. 2; 1 Joh. 4:2, 3; 2 Joh.; Judas.
(348) 1 Joh. 2.
(349) 2 Thes. 2.
(350) Mat. 24:37.
(351) Op. 2:13; 13:2; 16:10.
(352) Mat. 23:39. Zie ook Op. 1:7.
(353) Op. 18:19. Het schijnt ons toe, dat er geen goede reden is om Babylon niet als een werkelijke stad te beschouwen. Wat er van gezegd wordt, is moeilijk toe te passen op een symbolisch « Babylon ». Daarbij moet een profetie zoals Jes. 13:21 — 22 nog vervuld worden. De ruïnen van het vroegere Babylon zijn nog bewoond. Men lette erop dat Jer. 13:9 van de dag des Heeren spreekt. Gezien de algemene herleving van het Nabije Oosten, mogen we verwachten dat, binnenkort, met de herbouw van Babylon zal begonnen worden.
(354) Op. 19 :20.
(355) Op. 20 :1 — 3.
(356) Mat. 24:33.
(357) 1 Thes. 4:17.
(358) Mat. 24:31; 2 Thes. 1:7.
(359) Kol. 3:4.
(360) Dan. 12:1.
(361) 1 Thes. 4:16.
(362) Mat. 24:31; 1 Kor. 15:52; 1 Thes. 4:16.
(363) 1 Thes. 4:16, 17. Iemand tegemoet gaan, wil niet zeggen dat men jaren lang blijft op de plaats der ontmoeting. Integendeel, men keert na korte tijd van richting om, zoals in Mat. 25:1 en Hand. 28:15.
(364) Men heeft zich afgevraagd of de gelovigen die met de Heere op aarde komen, niet te lijden zullen hebben van de verschrikkelijke gebeurtenissen van die dag. Het spreekt van zelf dat dit niet het geval is, aangezien ze een verheerlijkt lichaam hebben, dat niet meer beënvloed wordt door de gewone stoffelijke omgeving.
(365) Op. 11 :15.
(366) Zach. 14:9.
(367) Gal. 1:4.
(368) Ef. 2 :7.
5. De Toekomende Aioon. (Top)
De Zoon des mensen is gezeten op de troon zijner heerlijkheid (369) en de 12 Apostelen bekleden dan ook tronen om de 12 stammen Israëls te leiden. Het is de algemene wedergeboorte der aarde (370), de tijd der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door de mond van al zijn heilige profeten der aioon (371). Abraham is dan ook opgestaan en zo kunnen dan de beloften die de Heere hem deed, in vervulling gaan. Hij bezit dan het gehele land Kanaän gedurende de gehele aioon (372) en al de geslachten der aarde worden in hem gezegend. Dit alles betreft de aardse sfeer. Doch Abraham is ook erfgenaam der wereld (373), omvattende aarde en hemel. Met hem wordt dan ook zijn zaad gezegend, dat vergeleken wordt met de sterren des hemels (374).
We hebben in Hoofdstuk IV in het kort nagegaan wat de profeten verkondigden aangaande Israëls herstel in het land. We hebben ook het begin der vervulling dezer beloften nagegaan in de Evangeliën en de Handelingen. Nu eerst is de vervulling volledig. Israël zal in die aioon niet meer verdeeld zijn, zoals vroeger, doch zal een zichtbare eenheid vormen op aarde (375). Die eenheid zal als centrum hebben de Koning aan Wie alle volken zullen onderworpen zijn (376) (377). David zal dan heersen (378). De schepping zal dan vrijgemaakt zijn van de dienstbaarheid der verderfenis (379). Men herinnert zich de oude beloften:
|
« Het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte des velds zal zijn vrucht geven; en de dorstijd zal u reiken tot de wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot de zaaitijd » (380). |
Aangezien Israël nu alle geboden getrouw volgt en in praktijk brengt, kan dit alles werkelijkheid worden. Zo ook de gezichten der profeten:
|
« De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren » (381). |
|
« De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos » (382). |
|
« En de wolf zal met het lam verkeren » (383). |
Dat er ook een grote verandering in de natuur plaats grijpt, blijkt uit het feit dat het licht der maan zal zijn als het licht der zon, en het licht der zon zevenvoudig zal zijn (384). Het zal een tijd van gerechtigheid en vrede zijn (385), wat in onze aioon niet mogelijk is omdat de mens dit poogt te bereiken in eigen kracht, zonder de Heere. We hebben reeds herinnerd aan het feit dat de duur van het leven zal verlengd zijn en waarschijnlijk van dezelfde grootte-orde zal zijn als gedurende de tweede aioon (386). Israël zal vermenigvuldigd worden (387) en na de wedergeboorte, geestelijke kracht van boven ontvangen (388) omdat hun zonden zullen vergeven zijn (389).
Zoals we reeds gezien hebben, moet Israël ook in die aioon de Wet onderhouden (390), doch ze zal dan in hun hart geschreven zijn en ze zullen niet meer al de voorschriften in eigen kracht willen volgen, doch door de kracht van de Geest. Het Nieuwe Verbond vervangt namelijk het Oude Verbond. Voor wat betreft hun nationaliteit blijven ze allen Joden, doch naar hun geloof zijn ze Christenen. Israël is dan werkelijk een koninkrijk van priesters (391) en door hen zal de aarde vol zijn van de kennis des Heeren (392). Ze zullen herders zijn naar Gods hart (393), onder de goede Herder (394), de grote Herder (395), de overste Herder (396).
Israël zal dan heersen over de volken en door hen gediend worden (397), doch het zal niet zijn uit eigen belang, doch tot zegen der volken (398). Mat. 28:19 zal dan vervuld worden en die wereld-evangelisatie zal bekrachtigd worden door tekenen en krachten. Dan eerst zal er op aarde een algemene, zichtbare Kerk zijn, met een zichtbaar Hoofd.
Na de 1000 jaar, zal de satan uit zijn gevangenis ontbonden worden (399) en zal de volken verleiden (400) en ze vergaderen tot de krijg tegen Jeruzalem. Doch vuur zal dan nederdalen van God uit de hemel en ze verslinden. De duivel, die hen verleidde, wordt dan geworpen in de poel des vuurs en sulfers (401). Dan komt het oordeel voor de grote witte troon, voor hen die nog geen deel gehad hebben aan de vroegere opstandingen. Mogelijk duurt dus de toekomende aioon langer dan 1000 jaar. God heeft een eerste doel bereikt: de nieuwe geboorte van een massa mensen en, in zekere zin, van de gehele aarde. Wat Adam had moeten doen, heeft de Zoon verwezenlijkt. Hij heeft als Koning geheerst totdat Hij al de vijanden onder zijn voeten heeft gelegd (402).
Bijna alles wat we hierboven hebben samengevat betreft de aarde, doch het spreekt van zelf dat zij die tot de hemelse sfeer behoren niet werkeloos blijven. In tegendeel, Abraham en al degenen die met hem gezegend zijn (403) en die gekomen zijn tot de rechtvaardiging door het geloof in Jezus Christus, volbrengen hun opdrachten, ook op aarde. Hun werking kan tot gevolg hebben allerlei wonderen, verschijningen, krachtige daden, waarvan de tijden der Evangeliën en der Handelingen slechts een zwak afschijnsel geven (404). Ook de engelen, die gedienstige geesten zijn, zullen uitgezonden worden om dergenen wil, die de behoudenis beërven (405). Ten slotte zullen zij, die in de overhemelse in Gods rechterhand geplaatst zijn, in die aioon de uitnemende rijkdom van Gods genade betonen (406). Daar ze met de Heere vereenzelvigd zijn, nemen ze deel aan al zijn werkzaamheden, ook op aarde.
We zien dus gedurende de toekomende aioon de drie groepen gelovigen, die elk een eenheid vormen en die in verschillende mate met de Heere in gemeenschap staan: op aarde Israël en de wedergeborenen uit de volken; in de hemel de « zonen » die met Abraham gezegend zijn; in de overhemelse zij die gekomen zijn tot de maat van de volle wasdom der volheid van Christus. Allen zijn christenen en vormen in die zin één groep, doch ze bevinden zich op verschillende gebieden van de weg der behoudenis, dat is der gemeenschap met Christus. De « zonen » bevinden zich reeds in de sfeer van zegening der 5de aioon, terwijl zij die zich in Gods rechterhand bevinden als leden van het Lichaam waarvan Christus het Hoofd is, reeds deel hebben aan de volmaakte staat waar God alles in allen is. Men ziet dus hoe de onderscheiding in verticale richting (in de positie) overeenstemt met de onderscheiding in horizontale richting (in de aionen). Individueel kunnen de gelovigen in alle tijden van de ééne sfeer in de andere verplaatst worden (407), doch de massa gaat door de aionen om Gods einddoel te bereiken.
Voetnoten:
(369) Mat. 19:28; 25:31.
(370) « Wedergeboorte » is de vertaling van « palingenesia », ook in Tit. 3:5. Dit stemt overeen met de « gennao anothen » (nieuwe geboorte of geboorte van boven) in Joh. 3:3 — 7 vermeld.
(371) Hand. 3:21. voor de komst van de Trooster en de nationale wedergeboorte van Israël, moest de Heere de dood ingaan (Joh. 16:7). Die geboorte was mogelijk door de opstanding van Jezus Christus (1 Petr. 1:3, 23). Pinksteren had dan ook moeten gevolgd zijn door het Koninkrijk op aarde. De enige voorwaarde was de bekering van Israël (Hand. 3:19 — 21).
(372) Gen. 17:8; voor « eeuwige bezitting » leze men « aionische bezitting », d.w.z. een bezitting die de gehele aioon door zou duren.
(373) Rom. 4:13.
(374) Gen. 15:5; Heb. 11:12. Zie ook Hoofdstuk 4.
(375) Zie b.v. Jer. 3:18; 31:1; 50:4, 5, 20; Ezech. 37:15 — 28.
(376) Zie b.v. Ps. 22:28, 29; 24:1, 8, 10; 33:10, 11; 45:2, 3, 7; 72:8, 11; 93:1, 2; 97: 1, 6, 9; Gen. 49:10. Zie ook de profeten.
(377) Ps. 47:2 — 10; 48:2, 9; 50:2; 66:4, 7; 100:1 — 5; 113:4; 150:6.
(378) 2 Sam. 7:16; Jer. 30:9: Ezech. 34:23; 37:24.
(379) Rom. 8:21.
(380) Lev. 26:4, 5.
(381) Ps. 65:14; Jes. 30:23 — 25; 49:10; Jer. 31:4, 5, 12 — 14; Zach. 3:10; Am. 9:13, 14.
(382) Jes. 32:15; 35:1, 2; 43:19, 20; Ezech. 34:26, 27; 36:33 — 36.
(383) Jes. 11:6 — 8; 35:9.
(384) Jes. 30:26 en zie Ps. 102:26, 27.
(385) Ps. 72:1 — 4; 85:11 — 14; Jes. 2:1 — 4; 11:9; 32:16, 17; 60:17; Jer. 23:5; Mich. 4: 1, 11.
(386) Jes. 65:20; Ps. 92:13 — 15.
(387) Jes. 60:22; Jer. 31:27, 28; Ezech. 36:9 — 11; Mich. 4:6, 7; Zach. 8:4 — 6; Deut. 7: 12 — 15.
(388) Deut. 30:6; Ps. 51:12; Jes. 44:3; Jer. 24:7; 31:33; 32:39; Ezech. 11:19; 18: 31; 36:25 — 27; Joël 2:28 — 32.
(389) Jes. 33:24; 43:24, 25; Jer. 31:34; Ezech. 16:60 — 63; 36:29; Zach. 13:1.
(390) Jes. 2:2: Jer. 30:18 — 19; Ezech. 40 — 46; Zach. 14:21; Mal. 3:3, 4.
(391) Ex. 19:6; Jes. 61:6; 66:21; 1 Petr. 2:9; Op. 1:6.
(392) Jes. 11:9; 29:24.
(393) Jer. 3:15.
(394) Jes. 40:11; Ezech. 34:12 — 16, 22 — 24; Ps. 23.
(395) Heb. 13:20.
(396) 1 Petr. 5:4.
(397) Ps. 45:17; Jes. 14:1, 2; 49:23; 54:2 — 5; 55:3-5; 60:10 — 12, enz.
(398) Ps. 96:3; 98:2; Jes. 2:2, 3; 52:10; Jer. 3:17; Zach. 2:11; 8:13 — 23; 14:16 — 17.
(399) Op. 20:3, 7.
(400) Zie ook Ezech. 38:8 — 12; 39:12 — 16.
(401) Op. 20:10. De Griekse tekst zegt dat hij zal gepijnigd worden gedurende de aionen der aionen, d.w.z. de 4e en 5e aionen. Zie Aanhangsel Nº 1. Zie ook Ezech. 28:18 en 19 voor het einde van satan.
(402) 1 Kor. 15:25.
(403) Gal. 3:9.
(404) Heb. 6:5.
(405) Heb. 1:14.
(406) Ef. 2:7.
(407) De overhemelse sfeer was echter eerst toegankelijk na de tijd der Handelingen.
6. De nieuwe schepping (Top)
Ziehier wederom een radicale verandering, zowel in de natuur als in de mensen. De vijfde aioon wordt genoemd de « dag Gods », uithoofde (niet « in welken ») waarvan « de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten » (408). Noch de aarde, noch de hemel worden vernietigd. Ze worden veranderd. De Apostel voegt er dan ook bij:
|
« Maar we verwachten, naar zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont ». |
Dit stemt ook overeen met de gezichten van Johannes: « En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde » (409). Aangezien Johannes juist gesproken had over een « poel des vuurs » aan het einde der toekomende aioon, kan men dit in verband brengen met de wereldbrand van Petrus. Wie kan behouden worden? Alleen zij wier lichaam aan die verbranding kan weerstaan, dat wil zeggen zij die, na met Christus gestorven te zijn, gerechtvaardigd zijn en wier lichaam veranderd is, hetzij gedurende hun leven, hetzij na de opstanding. Ze hebben dan een geestelijk lichaam, dat geheel andere eigenschappen heeft dan ons tegenwoordig stoffelijk lichaam. Dit lichaam zal niet beschadigd worden door het vuur, evenmin als dat van de Heere als Hij met de drie vrienden van Daniël in de vurige ogen van Nebukadnezar wandelde (410).
Allen die gedurende die vijfde aioon leven, zullen dus verder gekomen zijn dan de wedergeboorte en zullen zonen Gods zijn. Ze behoren dus tot de hemelse sfeer. Deze strekt zich nu uit tot de aarde en neemt de aardse sfeer in zich op. We zien dan ook dat het « nieuwe Jeruzalem » dat tot dan toe « boven » was (411) en tot de hemelen behoort (412), nu op aarde nederdaalt (413).
De geënspireerde schrijvers hebben noodzakelijkerwijze woorden moeten gebruiken, die ons bekend zijn en die eigenlijk de dingen onzer aioon aanduiden, om de luister van die stad te beschrijven. Daar alle dingen dan geheel nieuw zullen zijn en geheel zullen verschillen van wat we kennen, spreekt het vanzelf, dat wij die dingen niet naar hun wezen kunnen begrijpen. We voelen hier dezelfde onmacht dit alles goed te verstaan, als we reeds in verband met de eerste aioon hebben ontmoet, toen Ezechiël en Jesaja beproefden ons de « overdekkende Cherub » te beschrijven, die, na zijn val, satan genoemd wordt. De tweede en de vierde aioon vallen nog min of meer in ons kenvermogen, doch de eerste en de vijfde ontsnappen ons totaal. Indien ze nu, door ons, wel konden begrepen worden, zouden ze ons peil niet overtreffen.
En toch doet de Apostel een poging om ons een zekere gedachte te geven van die heerlijke toestand. Vooreerst kan hij vermelden wat er niet is: geen zee, geen lijden, geen dood, geen rouw, geen gekrijt, geen moeite, geen tempel, geen nacht, geen vervloeking, geen zonde (414). Verder kan hij zekere algemeenheden zeggen: God « woont » bij de mensen, de heerlijkheid Gods verlicht de « stad » (wat uitlegt waarom er geen duisternis is en noch zon, noch maan licht behoeven te geven). Dit alles kan dienen om ons te doen inzien dat het hier een heerlijkheid betreft, die niet in graad, doch in aard, de reeds prachtige toestand van de vierde aioon overtreft. We hebben hier iets dat overeenstemt met de oorspronkelijke schepping, waar de zonde haar intrede nog niet gedaan had.
Doch God is nog niet alles in allen, de volkomenheid is nog niet bereikt. We zien dan ook, dat er nog een « boom des levens » is waarvan de « bladeren » tot « genezing » der volken dienen. De afwezigheid van rouw, pijn en dood, toont dat het hier niet gaat over een genezing van ziekte, maar wel over een hulp die toelaat de volle heerlijkheid dier aioon te bereiken (415). Gedurende de vierde aioon regeert reeds de Heere. Op het einde van die aioon wordt al het zondige vernietigd en alle vijandelijke heerschappij, macht en kracht te niet gedaan (416). De dood zelf is verslonden tot overwinning als al de nog bestaanden tot onverderfelijkheid en onsterfelijkheid gekomen zijn (417). Het « vuur » heeft het overige verslonden.
Na de vierde aioon zal de Heere niet ophouden te regeren (418), al heeft Hij het Koninkrijk aan de Vader overgegeven (419). Inderdaad, in de vijfde aioon wordt er nog gesproken van « de troon Gods en des Lams » (420). De Zoon regeert dus met de Vader.
Voetnoten:
(408)1 Petr. 3:10 — 12.
(409) Op. 21:1. We hebben reeds vroeger opgemerkt, dat Jes. 65:17 niet van hetzelfde spreekt. De hemelen en aarde van elke aioon zijn « nieuw » ten opzichte van die van de vorige aioon. Doch de verandering van de 4de tot de 5de is veel groter.
(410) Dan. 3:25.
(411) Gal. 4:26.
(412) Heb. 11:16; 12:22; 2 Kor. 5:1.
(413) Op. 21:2.
(414) Men lette erop, dat van vers 6 tot 8, en in de verzen 24 en 27, Johannes de beschrijving van de toestanden in de 5de aioon onderbreekt, en spreekt over de volken en de koningen der 4de aioon. Niets van het in die aioon nog bevlekte, zal overblijven en in die stad ingaan. Het Griekse woord door « vervloeking » vertaald, is « katathema », dat verder reikt dan « anathema ».
(415) Het Griekse woord voor « genezen » is « therapeuo », dat een veel bredere betekenis heeft. In Hand. 17:25 wordt het vertaald door « dienen ». In Op. 22:2 wordt niet het werkwoord, doch het naamwoord « therapia » gebruikt. Het komt nog alleen voor in de volgende Schriftdelen: Mat. 24:45 (dienstboden); Luk. 9:11 (genezing); Luk 12:42 (dienstboden). De algemene betekenis is: hulp.
(416) 1 Kor. 15:24, 25. Vers 25 toont aan dat het in het vorige vers niet gaat over alle heerschappij, macht en kracht in absolute zin, maar over het vijandelijke. Op. 22:5 zegt dan ook, dat er in de 5de aioon nog zullen zijn die heersen.
(417) Er is dus geen dood meer in de 5de aioon. Op. 21:4.
(418) De Griekse tekst van Heb. 1:8 zegt: « Uw troon, O God, is tot de aioon der aioon ». Het is de troon van de Zoon, die er blijft tot op het einde der laatste aioon, de aioon bij uitnemendheid.
(419) 1 Kor. 15:24.
(420) Op. 22:1, 3.
7. God alles in allen (Top)
In onze andere uitgaven (421) zullen we meer in het bijzonder nagaan hetgeen betrekking heeft op de verzoening. We willen er nu alleen op wijzen dat er twee graden van verzoening zijn, in het Grieks uitgedrukt door de woorden « katallasso » en « apokatallasso ». De eerste graad betreft het ophouden van de vijandelijke houding die God moet aannemen ten opzichte van het zondige schepsel. Want God is verzoend door de dood van zijn Zoon, onafhankelijk van de houding van de mensen. De troon Gods is nu een genadetroon. Inderdaad, zijn liefde kan nu rechtvaardiglijk werken omdat Christus gestorven is voor onze zonden. Die verzoening is dus voor allen. Doch niet allen aanvaarden die. Om zich te laten verzoenen moeten ze, door geloof in Christus, in ware geestelijke gemeenschap treden met Hem. Ze moeten met Hem sterven en dus, in Hem, persoonlijk deel hebben aan het oordeel dat de zondaar moet treffen. Als ze op die wijze der zonde dood zijn, dan zijn ze ook in Hem gerechtvaardigd.
Maar dit alles behoort tot de hemelse sfeer. Paulus heeft geleerd dat er nog meer is: een nog meer volledige gemeenschap kan voeren tot het in Hem geplaatst zijn in Gods rechterhand. En dan spreekt hij van « apokatallasso ». Het is niet de door de mens aanvaarde « katallasso », doch een volledige verzoening van Godswege, die mogelijk is door de vereenzelviging van de gelovige met de verheerlijkte Christus-Jezus. We hebben reeds gezien dat Gods einddoel is: God alles in allen (422). In zijn brief aan de Kolossensen zegt Paulus dat het Gods welbehagen is dat Hij « alle dingen verzoenen zou tot zichzelven » (423).
Hij heeft alles bereid en wenst nu dat allen zich zullen laten verzoenen (2 Kor. 5:20) en daarna ook zouden deel hebben aan de volledige verzoening. In de weg der vrijheid kunnen ze aldus van heerlijkheid tot heerlijkheid komen, door niet te weerstaan aan Gods genade. Als God alles in allen zal zijn, is het einddoel bereikt en heeft God het onmogelijke gedaan: Hij heeft zijn heerlijkheid vermeerderd door het volmaken der schepselen. Daar er dan volkomen gemeenschap is, is er geen Middelaar meer, geen Koning, geen Priester. De Zoon was dit alles, doch heeft nu zijn werk volmaakt. Hijzelf heeft de heerlijkheid die Hij bezat voor zijn vernedering, en Hij heeft het schepsel in Zich tot het hoogste verheven.
De meest kostbare gave, de vrijheid, scheen een ogenblik bijna verloren te zijn door het schepsel, dat er slecht gebruik van maakte; doch nu is er volledige vrijheid omdat het schepsel op vrije wijze besloten heeft zijn wil te doen overeenstemmen met die van God. Waar er slechts één wil is, heerst er volle vrijheid omdat er geen kwaad is waaraan men onderworpen kan zijn. Zolang er twee afgezonderde wezens zijn, kan de vrijheid in het gedrang komen omdat er scheiding kan zijn. Doch als de volmaaktheid bereikt is, als God alles in allen is, verdwijnt al wat ten dele en relatief is. Die eenheid is echter niet in tegenspraak met de individualiteit, de veelheid, de persoonlijkheid. Want al die enkelingen zijn eensgezind, hebben dezelfde liefde, zijn één van gemoed, één van geest (424). Ze begrijpen elkander, vereenzelvigen zich met elkander en vormen met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest een heerlijke eenheid.
Voetnoten:
(421) Zie: Het Onderwijs van de Apostel Paulus en De Weg der Behoudenis.
(422) 1 Kor. 15:28.
(423) Kol. 1:20. Deze tekst wordt door sommigen als argument gebruikt om te beweren dat alle reeds bestaan hebbende schepselen eenmaal zullen deel hebben aan de verzoening. Deze tekst zegt echter alleen dat het God behaagt door Christus « de alle » tot zichzelf volledig te verzoenen (apokatallaxai).
De Schrift is zeer voorzichtig als het gaat over het lot der schepselen. Ze toont ons in brede trekken Gods voornemen en legt in het bijzonder de nadruk op alles wat nu voor ons van het grootste belang is. Ze spreekt niet over altijddurende pijniging, doch zegt evenmin uitdrukkelijk dat allen eens tot de volledige verzoening zullen komen.
Men begrijpt heel goed dat de Schrift zich zo voorzichtig uitdrukt, want aan alle mensen de verzekering te geven dat ze toch eens zullen verzoend zijn, zou hen kunnen beletten zich nu te bekeren. En dit toch is het waarop Gods Woord steeds de nadruk legt. Het is even verkeerd te leren dat allen die ooit geleefd hebben, inbegrepen satan en Judas, eens met God zullen verzoend zijn, als de mensen af te schrikken met een altijddurende hellepijniging.
Men heeft nog een derde oplossing voorgesteld: de vernietiging der ongelovigen, of ten minste van hen die ten volle bewust zich tegen Christus verzet hebben. We verkiezen echter geen oplossing te zoeken waar God zwijgt. Hij toch heeft duizend oplossingen waar wij menen te moeten kiezen tussen enkele. We weten te weinig om zelf iets te beslissen. God laat ons opzettelijk in het duister aangaande de verre toekomst, omdat we meer zouden letten op het heden. We zijn reeds een dergelijk geval tegengekomen in de Handelingen: de Apostelen mochten niet weten dat Israël zou weigeren in de Messias te geloven en dus voor een tijd zou ophouden Gods bijzonder volk te zijn. Anders hadden ze hun boodschap van het nabijzijn van het Koninkrijk niet goed kunnen brengen.
(424) Fil. 2:2; Ef. 4:3, 13.
Onze « wetenschappelijke » methode, die de Schriften onderzoekt zonder vooropgezette mening, en in een geestesgesteldheid die steeds de volle waarheid zoekt en bereid is een persoonlijke overtuiging op te offeren, heeft ons gevoerd tot een begrip van Gods Voornemen dat al de geënspireerde gegevens doet samenstemmen. Ze doet vele theologische en andere moeilijkheden verdwijnen, vermijdt tegenstellingen en toont dat we niet alleen door Gods genade kunnen behouden worden, doch reeds nu, in de geest, kunnen komen tot het einddoel waar God alles in allen is. Zo geeft ze dan voldoening aan de rede en aan het « hart ». Ze kent aan Gods Woord zijn volle waarde toe en verheerlijkt God. Het feit dat we een synthese kunnen maken van al de gegevens, al zijn ze verspreid in de geschriften van talrijke mensen en over een lange periode, bevestigt de ingeving van het Boek.
Indien sommige onzer gevolgtrekkingen in strijd zijn met de overtuiging van de lezer, spijt het ons ten zeerste, doch we wijzen erop dat we misschien zelf die meningen hadden en dat een ernstig onderzoek ons genoodzaakt heeft ze prijs te geven. We nodigen in dit geval de lezer uit die zaak nog eens te onderzoeken, rekening houdende met de Schrift in haar geheel en zonder vooringenomenheid. We wensen niet te strijden tegen mensen, doch wel tegen dwalingen die hen misschien gevangen houden en hen beletten de volle heerlijkheid van Gods genade te prijzen. Verre van te beweren dat we zelf de zuivere waarheid bereikt hebben, zouden we dankbaar zijn voor opbouwende kritiek, evenals de man der wetenschap ook steeds bereid is zijn opvattingen te herzien. Evenwel zou degene die zich die moeite zou willen getroosten, zich niet moeten vergenoegen ons een zekere leer voor te stellen, die we waarschijnlijk reeds kennen en die we niet in haar geheel hebben kunnen aanvaarden om zeer goede redenen, doch hij zou zich moeten inspannen aan te tonen dat die leer voortkomt van een algemene beschouwing, die, beter dan de onze, alles omvat wat de Schrift ons wil leren.
Laat er ons verder heel in het bijzonder de nadruk op leggen dat zuivere kennis niet ons einddoel is. We achten die kennis echter nodig om beter Gods liefde en genade in te zien en dan ook om beter naar Gods wil te kunnen leven, in geestelijke gemeenschap met onze Heiland.
Na in dit werk de grote lijnen van Gods Voornemen onderzocht te hebben, moeten we meer in het bijzonder de kenmerken van onze tegenwoordige tijd nagaan. En verder ook meer leren over de verschillende sferen van zegening en in hoe verre dit alles ons persoonlijk betreft. We hopen dit te behandelen in onze werken « Het Onderwijs van de Apostel Paulus » en « De Weg der Behoudenis ».
Aanhangsel Nº 1. « Eeuwigheid » (Top)
Het woord « eeuwigheid » is in de meeste gevallen de vertaling van het Hebreeuwse « olam » of van het Griekse « aioon ». In het algemeen is het zeer duidelijk dat deze woorden geen oneindige duur aanduiden. In enkele gevallen kan men echter de indruk hebben dat er gewezen wordt op wat we gewoonlijk « eeuwigheid » noemen, dus een duur zonder begin of einde. Er kan veel over dit onderwerp gezegd worden, doch we moeten ons hier beperken tot enkele opmerkingen en nagaan of de Schrift werkelijk van een dergelijke eeuwigheid spreekt.
Vooreerst kan men dan opmerken dat de gedachte van tijd, van ondergeschikt belang is in « olam » en « aioon ». Het meervoud van olam (olamim) wordt twaalf maal in het O.T. gebruikt (zie b.v. 1 Kon. 8:13 « woning der eeuwigheden »; Ps. 61:5 « in eeuwigheden »; Pred. 1:10 « in de eeuwigheden »). Ook het N.T. gebruikt de meervoudsvorm (aioones). De Schrift spreekt dus over meerdere olamim of aionen, die elk hun bijzonder karakter en duur hebben. Zo maakt Luk. 20:34, 35 een contrast tussen « deze aioon » en « die aioon ».
1 Kron. 16:36 en andere teksten gebruiken de uitdrukking « van eeuwigheid tot eeuwigheid », die men zeer goed letterlijk kan opvatten, dus « van olam tot olam ». De uitdrukking « olam va ed », betekent « gedurende de olam en daarna », wordt b.v. vertaald door « eeuwiglijk en altoos » doch kan ook letterlijk verstaan worden, dus: « in de olam en ook daarna ».
Ef. 2:7 spreekt van de toekomende aionen. Er zijn er dus meerdere die nog moeten beginnen. Daarentegen leert ons Pred. 1:10 dat enige olamim reeds voorbij zijn. Als men alle plaatsen volgens de ingegeven tekst nagaat en ook rekening houdt met de verschillende « werelden », « dagen » en « hemelen », blijkt het dat men 5 aionen kan onderscheiden, die van elkaar geheel verschillen voor wat betreft de toestand der aarde, de natuurwetten, de levensduur, de aard der dieren, enz. Deze aionen worden afgescheiden door wereldgebeurtenissen. We geven hieronder een schets, die enkele gegevens van een zeer algemeen onderzoek weergeeft, en die een synthese is van al wat de Schrift over dit onderwerp leert. Dit resultaat bevestigt ook, of stemt overeen met wat we op andere wijze ontdekken als we Gods Voornemen bestuderen.
Nu moeten we nog onderzoeken of sommige uitdrukkingen toch niet een oneindige duur aanduiden. Het is vooral Rom. 16:26, met de uitdrukking « de eeuwige God » (tou aiooniou theou), die men veelal vermeldt om die gedachte te verdedigen. Evenwel kan het feit dat God IS, en niet door de tijd begrensd is, niet uitgedrukt worden door middel van een woord dat aangepast is aan de tijdsperioden van het geschapene. Zelfs al zouden we aannemen dat aioonios of andere uitdrukkingen, zoals « van eeuwigheid tot eeuwigheid » een oneindige tijdsduur zouden aanduiden, dan is het nog niet dat wat God kenmerkt. De tijd is een begrip dat tot de schepping behoort, en God IS voor en na de tijd. Er is een goddelijke « eeuwigheid » (buiten alle gedachte van tijd) die niets gemeen heeft met hetgeen de mens zich kan voorstellen in het kader van de tijd.
De uitdrukking « de eeuwige God » zegt niets aangaande het wezen van God, doch betekent eenvoudig dat de « eeuwen » of aionen door Hem gemaakt zijn (Heb. 1:2) en dat Hij voortdurend ingrijpt gedurende die aionen om het schepsel met zichzelf in gemeenschap te brengen.
Als de oorspronkelijke tekst uitdrukkingen gebruikt zoals « in de aionen der aionen », gewoonlijk vertaald door « in der eeuwigheid », kan men dit ook letterlijk opvatten als betreffende de twee laatste aionen, de aionen bij uitnemendheid, zoals « heilige der heiligen » de bij uitnemendheid heilige plaats aanduidt.
Misschien heeft men het bezwaar dat, in onze zienswijze, het « eeuwige leven » dan ook geen oneindige duur zou hebben. Vooreerst dient opgemerkt dat dit leven in elk geval reeds begrensd is door een begin. Vervolgens zegt Mark. 10:30 b.v. dat het hier gaat over het leven in de toekomende aioon. Hier ook valt de nadruk niet op de duur, maar wel op de aard van dit leven. Na die aioon, houdt het leven niet op, doch kan nog volmaakter zijn, tot het einddoel bereikt is: God alles in allen. Het leven heeft dan geen aionisch karakter meer, in verband met een schepping die nog niet met God vereenzelvigd is, maar heeft de volmaaktheid bereikt. Het « aionische » leven houdt dus op.
Men zal inzien dat een duidelijk inzicht in hetgeen de aionen betreft, onze gedachten verruimt en, verre van ons iets te doen verliezen, ons toont dat er nog iets beters is dan een « eeuwig » leven op aarde of in de hemel. De brieven Efeze, Fillipensen en Kolossensen spreken van dit volmaakte leven, dat we reeds nu kunnen hebben als we in Christus in de overhemelse (sfeer) geplaatst zijn.
Soms heeft men gemeend de Heere te verheerlijken met hem de « eeuwige » Koning, Priester en Behouder te noemen, daarmee bedoelende dat Hij nooit zal ophouden dit alles te zijn. Dit zou echter willen zeggen dat Hij nooit tot zijn doel zou komen. Hij moet, in tegendeel, ophouden Koning, Priester en Behouder te zijn, omdat zijn werk eens zal voeren tot het einddoel waar God alles in allen is en er dus geen behoefte meer is aan Koning, Priester of Behouder.
We herhalen dat, in de Schrift, het woord aionisch iets aanduidt dat tot de aionen behoort, dus nog aan de zonde onderworpen is of, ten minste, nog niet de volmaakte eenheid met God bereikt heeft. Men ziet dan ook, dat een « eeuwig » Verbond, in de zin van Verbond zonder einde, een toestand zou doen blijven duren waar er nog twee gescheiden partijen zijn. Een verbond kan ophouden als het doel van dat verbond bereikt is: b.v. vereenzelviging van de twee partijen. Voor een meer uitvoerige studie der aionen, leze men De Tijden der Eeuwen door G.J. Pauptit.
Aanhangsel Nº 2. « Het menselijk lichaam » (Top)
Gewoonlijk meent men dat ons lichaam iets zuiver stoffelijks is, terwijl ziel en geest onstoffelijk zouden zijn en dit lichaam kunnen verlaten. Ook op dit gebied is het nodig onze gedachten te herzien en te verbeteren, om ze meer in overeenstemming te brengen met wat de Schrift ons kan leren. Vele heidense begrippen beïnvloeden ook de christenen en zijn in hun menselijke overlevering opgenomen. Het is dan ook niet gemakkelijk ons aan die invloed te onttrekken.
Indien het lichaam zuiver stof is, verdwijnt het na het sterven, want de moleculen en krachten, waaruit het bestaat, worden dan door andere organismen opgenomen. De opstanding van het lichaam is dan onmogelijk, en men kan begrijpen, dat velen daarom alle gedachte aan een opstanding verwerpen (425). Hier is dan ook een geval waar gelovigen, door hun onschriftuurlijke leer, hebben bijgedragen tot het vormen der tegenwoordige verwarring, onwetendheid en atheïsme. De Schrift leert dat het lichaam blijft bestaan na het sterven, zelfs als alle stoffelijke deeltjes verspreid zijn. Men zie b.v.:
Rom. 8:11 — « zal Hij ... ook uw sterfelijke lichamen levend maken »;
Rom. 8:23 — « verwachtende ... de verlossing onzes lichaams »;
1 Kor. 15:42 — 44 — « Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid; het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt »;
1 Kor. 15:52 — « En wij zullen veranderd worden »;
1 Kor. 15:53 — « Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen »;
Fil. 3:21 — « Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam ».
Het blijkt duidelijk uit dergelijke teksten, dat het woord « lichaam » meer aanduidt dan iets stoffelijks. Ook na de opstanding heeft men nog steeds zijn lichaam (426) doch het is onverderfelijk, heerlijk, krachtig, geestelijk, onsterfelijk. En men lette erop dat de Schrift niet zegt dat we een nieuw lichaam zullen krijgen, doch dat er in tegendeel sprake is van « levend maken », « verlossen », « opstanding », « aandoen », « verandering ». Het lichaam blijft dus in zijn eigenlijk wezen, doch heeft verschillende wijzen van bestaan.
Het is een organisme dat, naar zijn wezen, niet stoffelijk is, doch zich nu aan ons voordoet als bestaande uit stoffelijke moleculen. Dit is een « accidens », een wijze van bestaan, niet een « essens », een wezenlijkheid. We weten toch dat andere moleculen de eerste kunnen vervangen en dat het lichaam blijft. Beter nog, bij de opstanding neemt het lichaam een nieuwe bestaanswijze aan, die onze tegenwoordige « natuurlijke » toestand geheel overtreft en dus voor ons onbegrijpelijk is. Indien er dan nog moleculen zijn, hebben ze niet meer de ons bekende eigenschappen van wat we « stof » noemen.
Wat gebeurt er na het sterven? De levensgeest werkt niet meer in het organisme, het cellenleven houdt op, de organische moleculen ontbinden zich in meer eenvoudige structuren. Het lichaam bestaat dan nog wel, doch in een andere « vorm », het stoffelijke verdwijnt. Dat is de toestand die Paulus kenschetst door de uitdrukking, « naakt gevonden worden » (2 Kor. 5:3), « ontkleed worden » (vers 4). In dit deel van zijn schrijven onderscheidt de Apostel drie toestanden:
Met het « aardse huis dezes tabernakels » duidt hij de stoffelijke bestaanswijze aan waaraan we gewend zijn;
Met « woonstede, die uit de hemel is » de geestelijke bestaanswijze, na de opstanding;
Met « naakt » of « ontkleed », de toestand na het sterven.
In vers 4 drukt hij de wens uit rechtstreeks van de toestand 1 tot de toestand 2 over te gaan, dus niet te sterven, doch veranderd te worden (1 Kor. 15:51). Men moet erop letten dat het woord « lichaam » verschillende betekenissen kan hebben, en dat het, in de gewone omgangstaal — die geheel aan het stoffelijke is aangepast — zeer wel het zichtbare, stoffelijke kan aanduiden. Als de Apostel dan zegt: « inwonende in het lichaam » (2 Kor. 5:6) en « hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen », dan bedoelt hij het zichtbare lichaam, niet het lichaam in eigenlijke zin (427). Zie ook 2 Kor. 12:2, 3 en Heb. 13:3.
Als de mens sterft, gaat hij naar de « Hades », het onzichtbare. Het is de gehele mens die er heen gaat, inbegrepen het lichaam. Dit laatste is alleen aan de natuurwetten onderworpen in zijn « natuurlijke » vorm, en niet in de « naakte » toestand, gedurende de dood, noch in de heerlijke toestand na de opstanding. De moderne biologie komt terug van een zuiver materialistische opvatting. Van een cel, bestaande uit vormeloos protoplasma en een kern, komt een ingewikkeld organisme. Men begint aan te nemen dat een kracht inwerkt op het zich ontwikkelend organisme, die de moleculen en cellen schikt naar een reeds bestaand plan. Het eigenlijke lichaam zou dus bestaan voor het de stoffelijke vorm aanneemt.
Voetnoten:
(425) De Schrift spreekt echter nooit over de opstanding van het vlees, dus van het stoffelijke, wel van de mens in zijn geheel, omvattende lichaam, ziel en geest.
(426) Men weet dat het Spiritisme, de Theosophie en andere anti-christelijke stromingen de opstanding loochenen en beweren dat de afgestorvenen « geesten » zijn, zonder lichaam. Als men echter met de Schrift gelooft, dat een afgestorvene werkelijk dood is, en niet levend, en dat hij zich in zijn geheel in de Hades bevindt tot aan de opstanding, is men niet meer blootgesteld aan allerlei demonische verleiding in deze zaken. Want het is Gods Woord dat ons beschermt.
(427) Het lidwoord « het » heeft hier meer de betekenis van « dit », d.i. dit zichtbare lichaam.
Aanhangsel Nº 3. « De Reuzen » (Top)
De oorspronkelijke tekst van de Bijbel opent soms een nieuwe wereld voor de onderzoeker. We willen geen aanmerkingen maken op de vertalingen, die, als mensenwerk, meestal uitstekend zijn. Als men echter de volledige ingave der Schrift aanneemt, moet men ook toegeven dat geen mens dit Goddelijk werk op volkomen wijze kan weergeven.
Nu zou men kunnen denken dat men meer geleerdheid moet bezitten dan de vertalers, wil men sommige delen van de oorspronkelijke tekst beter begrijpen dan een vertaling dat toelaat. Dit is echter niet het geval. Hun vertaling is in het algemeen zeer goed en het is voldoende aandachtig zekere woorden te onderzoeken, daar veel afhangt van de juiste betekenis dezer woorden.
Iedere geestkrachtige gelovige kan dat doen als hij zich door de Geest laat leiden. Een Concordantie, die de teksten rangschikt volgens de woorden van de oorspronkelijke tekst, is echter onontbeerlijk. Ook andere hulpmiddelen kunnen nuttig zijn, doch men moet nooit zonder zorgvuldig nazien aannemen wat de beste woordenboeken, commentaren en andere menselijke middelen zeggen. Het is Gods Woord alleen dat moet beslissen, en een « eenvoudig » gelovige, die dus geheel bereid is aan te nemen wat God hem wil leren, kan dikwijls beter oordelen dan de grootste geleerde. Het werk van deze laatste zou vooral moeten dienen het anderen gemakkelijk te maken zelf te onderzoeken en zich een eigen overtuiging te vormen. Natuurlijk is van de zijde van de gelovige ook nodig dat hij zich wat moeite geeft, zich oefent, en de waarheid lief heeft. Zijn doel moet niet zijn argumenten te zoeken om een vooropgestelde mening te verdedigen.
Na deze algemene opmerkingen, willen we een en ander onderzoeken over wat de Schrift zegt van de « reuzen ». Laat ons vooreerst aandachtig de oude bewoners van Kanaän nagaan (428). Men weet dat ze het land hadden bezet, dat aan Abraham en Israël beloofd werd (Gen. 12:6). Men vindt er b.v. de Refaïeten (Gen. 14:5; 1 Kron. 20:4), de Zuzie of Zamzummieten (Gen. 14:5; Deut. 2:20), de Emieten (Gen. 14:5; Deut. 2:10), de Horieten (Gen. 14:6; 36:20; Deut. 2:12), de Kenieten (Gen. 15:19; Richt. 4:11), enz.
De Refaïeten vooral hebben de aandacht getrokken der archeologen en onderzoekers der Schrift (429). De naam komt van Rafa, hun vader. In het Hebreeuws betekent het daarmee overeenkomend werkwoord: « genezen ». Het waren, mogelijk, de eerste wonderdokters, toepassers van het Occultisme. De Grieken hebben de naam Refaïeten vertaald door « Katachlonioi » en bedoelden hiermee de « geesten » van afgestorvenen, die, naar ze veronderstelden, de natuur in het algemeen en het weer in het bijzonder konden beïnvloeden. Een Fenicisch opschrift op de graftombe van koning Tabmit te Sidon, spreekt ook van dergelijke « geesten ». De Schrift vermeldt meerdere kinderen van Rafa, die een grote gestalte hadden, ofwel in andere opzichten, monsters waren (430):
|
1. |
Og, de Koning van Bazan, die een zeer grote bedstede had (Deut. 3:11); |
|
2. |
Goliath van Gath, van grote gestalte (1 Sam. 17:4); |
|
3. |
Beth-halachmi, de broeder van Goliath, met een zwaar spiesenhout (2 Sam. 21:19; 1 Kron. 20:5); |
|
4. |
Isbi-Benob, met een zware spies (2 Sam. 21:16); |
|
6. |
Sippai (1 Kron. 20:4); |
|
7. |
Een zeer lange man met 24 vingeren (2 Sam. 21:20). |
|
8. |
De Emieten en Zamzummieten waren ook van grote gestalte, en van de familie der Refaïeten (Deut. 2:11, 20). |
Verder hebben we de Enakieten. Ze waren van grote gestalte (Deut. 2:10, 21) en werden genoemd naar Enak, wiens vader is Arba (Joz. 14:15; 15: 13). Drie zonen van Anak worden genoemd: Sesai, Ahiman, Talmai (Num. 13 :22; Joz. 15:14). Wie waren die Enakieten? Ze worden niet genoemd, evenmin als de andere wezens waarover we nu spreken, onder de kinderen van Sem, Cham en Jafeth. Num. 13:33 geeft een aanwijzing:
|
« Wij hebben ook daar de reuzen (Nefilim) gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen (Nefilim) ».
|
Wat zijn dan die Nefilim? Dit woord schijnt verwant te zijn met het werkwoord « nephal » (vallen). Ze worden vooreerst vermeld in Gen. 6:4:
|
« In die dagen waren er reuzen (Nefilim) op de aarde, en ook daarna » |
In de vorige verzen wordt gezegd dat « Gods zonen » zich vrouwen namen uit de dochteren der mensen, en Gen. 6:4 toont dat de Nefilim voortkwamen uit deze abnormale vereniging. We moeten dus nog een stap verder gaan en onderzoeken wie die « zonen Gods » zijn. De Hebreeuwse tekst schrijft « zonen van Elohim », een uitdrukking die nooit gebruikt wordt om mensen aan te duiden (431), doch steeds gebruikt wordt voor engelen (432). We moeten ons hier plaatsen op het standpunt van hen, waartoe deze woorden het eerst gericht waren. Het is zeker, dat de Joden die Gen. 6:4 lazen moesten besluiten dat die « zonen van Elohim » engelen waren. Dit wordt bevestigd door het Boek van Enoch, waarvan Judas 14 spreekt en dat daarom onze aandacht waardig is. Judas 6 en 7 gaan ook over engelen « die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben » en « ander (Grieks: andersoortig) vlees zijn nagegaan ». Het Grieks voor « woonstede » is ook b.v. gebruikt in 2 Kor. 5:2 en wijst naar de hemel.
Uit dit alles, ook in verband met Gen. 6:2, blijkt dus dat die « zonen van Elohim » gevallen engelen zijn, die een vleselijke vorm hebben aangenomen om zich met het andersoortig vlees der dochteren van Adam te verenigen. De Nefilim waren de « kinderen » die daaruit voortsproten (Gen. 6:4).
Het zijn, mogelijk, deze engelen (of andere van dezelfde soort), genaamd « geesten » (zie Ps. 104:4; Heb. 1:7, 14) die vermeld worden in 1 Petr. 3:19, 20 en 2 Petr. 2:4, 5. Deze « geesten » werden in de « gevangenis », in de « hel » (Grieks: tartarus), geworpen tot de dag des oordeels. De Heere is hen, na zijn opstanding, zijn overwinning gaan verkondigen. Men merke inderdaad op, dat een mens nooit, geest genoemd wordt, uitgezonderd na de opstanding als zijn lichaam geheel beheerst is door de geest. Daarbij zijn de dode mensen niet in de « gevangenis », de Tartarus, maar in de Hades. In 1 Petr. 3:19 is het woord « gepredikt » niet de vertaling van « euangelizo » (een blijde boodschap brengen), doch van « kerusso » d.w.z. als een heraut iets verkondigen.
De oude boeken der Joden, zoals Jubeljaren, Sirach, Sapiens, Makabeën, Baruch enz. spreken ook van het oordeel over deze engelen (433). Men weet dat in de fabels er ook steeds gesproken wordt over « goden » die op aarde komen en zich verenigen met vrouwen. Daar ook, wordt gesproken van « geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van naam » (Gen. 6: 4). We moeten niet als zuivere waarheid aanvaarden wat die fabels ons vertellen, doch men mag veronderstellen dat ze op de historische gronden berusten, waarover de Schrift spreekt. De Babylonische kleitafeltjes die over de schepping en de Zondvloed handelen, het Egyptische Boek der Doden, de Griekse fabelleer, en andere heidense fabels kunnen een vervorming zijn van oorspronkelijke waarheden.
We kunnen hier nog aan toevoegen dat de Arabieren en de Koran van een reuzenras « Ad » spreken (7:63, 67; 26:123; 41:14; 89:5). Deze wezens waren hoogmoedig en werden uitgeroeid. Uit de aanduidingen die de Schrift ons geeft aangaande de Nefilim, de Refaïeten, de Enakieten en anderen, kunnen we de volgende geslachtsboom samenstellen:
De boze invloed van de opstandige engelen en van hun nageslacht deed zich gelden op de Adamieten, vooral op de Kainieten, en zal in Mesopotamië de toestanden veroorzaakt hebben die voor de zondvloed bestonden. We lezen inderdaad in Gen. 6:5:
|
« En de Heere zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was » |
Dat kwaad werd op die plaats uitgeroeid door de Zondvloed. Doch de Nefilim, de Enakieten en de Refaïeten die zich op andere plaatsen bevonden werden niet verdelgd. Daarom zegt Gen. 6:4 dat er ook Refaïeten waren na de Zondvloed.
Voetnoten:
(428) We nemen het volgende uit Aanhangsel Nº 6 van een nog niet uitgegeven werk: Gods Openbaring.
(429) Zie b.v. het boek Rephaim door P. Karge en Geographie de la Palestine door Abel.
(430) Het boek der Jubeljaren (29:9, 10), sprekende over het vertrek van Abraham uit Mesopotamië, en van zijn overeenkomst met Laban, vermeldt ook de Refaïeten, en zegt dat het reuzen waren, tot 3 m. hoog.
(431) De Schrift noemt de kinderen Israëls soms « zonen van Jehovah » (niet « van Elohim »). Zie Deut. 14:1; Jes. 43:3, 6.
(432) Zie Job 1:6; 2:1; 38:7; Ps. 29:1; 89:7; Dan. 3:25, 28.
(433) Zie ook Die Sagen der Juden, I door M. Josef bin Gorion en Etudes door M. J. Lagrange.
Aanhangsel Nº 4. « De Eerste Dag der Week » (Top)
De invloed der menselijke overlevering is soms overweldigend. Men heeft hiervan een goed voorbeeld in de kwestie van « de eerste dag der week ». Zie hier een lijst der teksten waar onze vertalingen deze uitdrukking gebruiken:
|
1. |
Mat. 28:1 eis mian sabbaten; |
|
2. |
Mark. 16:2 to mia ton sabbaten: |
|
3. |
Mark. 16:9 protos sabbaten; |
|
4. |
Luk. 24:1 to de mia ton sabbaten: |
|
5. |
Joh. 20:1 to de mia ton sabbaten: |
|
6. |
Joh. 20:19 to emera ekein to mia sabbaten: |
|
7. |
Hand. 20:7 to mia ton sabbaten; |
|
8. |
1 Kor. 16:2 kata mian sabbaten. |
Men vertaalt het Griekse « mia » door « eerste ». Letterlijk is het « een », zoals b.v. blijkt uit Mat. 21:19 (een vijgenboom); 26:69 (een dienstmaagd); Mark. 12:42 (een arme weduwe) enz. Voor « eerste » heeft het Grieks het woord « proto ». Het woord « dag » komt in die teksten niet voor na « mia ». Doch het is duidelijk dat men « dag » moet bijvoegen, want « mia » is vrouwelijk en kan dus niet rechtstreeks betrekking hebben op « sabbaten » dat onzijdig is. Ook in Mat. 26:17 moet men « dag » bijvoegen, en er is dus geen bezwaar het ook in de bovenstaande teksten te doen.
Voor wat « sabbaten » betreft, loochent niemand dat het de meervoudsvorm is van « sabbaton » (sabbat). Doch men beweert dat het een idiomatische uitdrukking is voor « week ». En men vertaalt dan: « eerste dag der week », terwijl er staat: « een (dag) der sabbatten ».
Nu is het zeker nodig steeds rekening te houden met taalkundige bijzonderheden. Doch voor men besluit Gods Woord volgens een taaleigen te vertalen, moet men nagaan of er wel een zeer goede reden is om zulks te doen, en of de Schrift zelf er niet op wijst dat een letterlijke vertaling noodzakelijk is.
De Griekse tekst van het N.T. gebruikt 26 maal het meervoud « sabbaten » (434) en het is logisch het O.T. te onderzoeken voor de betekenis van dit woord. We vinden er 31 maal het meervoud, en de vertaling der 70 (de Septuagint) gebruikt ook telkens het meervoud. Daarentegen heeft het Hebreeuws het woord « shah-vuag » voor week (hebdomas in de vertaling der 70). Het woord « week » heeft de algemene betekenis « zevental », en is dus zeer duidelijk onderscheiden van « sabbath » dat een « ophouden » aanduidt (435). Nu kan een zeker tijdsverloop evengoed door een aantal weken als door een aantal sabbatten aangeduid worden, en men kan dus evengoed spreken van het feest der « weken » als van het feest der « sabbatten ». Doch daaruit kan men natuurlijk niet besluiten dat men steeds « week » voor « sabbatten » mag schrijven (436).
Als men al de teksten van het O.T. onderzoekt waar « sabbatten » in voorkomt (437), dan ziet men zeer duidelijk dat men dit letterlijk moet nemen voor een reeks sabbatdagen, hetzij wekelijkse, hetzij jaarlijkse rustdagen. We vestigen in het bijzonder de aandacht op Lev. 23:15, 16:
|
« Daarna zult gij u tellen van de andere dag na de sabbat, van de dag dat gij de garf des beweegoffers zult gebracht hebben, het zullen zeven volkomen sabbatten zijn; tot de andere dag, na de zevende sabbat, zult gij vijftig dagen tellen: dan zult gij een nieuw spijsoffer de Heere offeren. » |
Die reeks van 7 sabbatten duidde het tijdsverloop aan tussen Pascha en het Pinksterfeest. We zien dus dat het meervoud « sabbatten » een heel bepaalde betekenis kan hebben, en dat men zeer voorzichtig moet zijn voor men het meervoud « sabbatten » vertaald door het enkelvoud « week ».
Als het nu zou blijken dat al de teksten van het N.T. waar men vertaald heeft « de eerste dag der week », juist handelen over de 49 dagen tussen Pasen en Pinksteren, zou het dan niet duidelijk zijn dat het niet gaat over gelijk welke sabbatten (en zeker niet over een week), doch wel over de 7 sabbatten van Lev. 23?
Welnu, het is inderdaad zo. Vooreerst is dat zeer duidelijk in de Evangeliën. Er blijven dan nog twee andere plaatsen over. In Hand. 20:7 wordt gesproken over een dag die volgt op de dagen der ongehevelde broden (v. 6) en die gevolgd wordt door Pinksteren (v. 16). Ook in 1 Kor. 16:2 wordt die dag kort daarna gevolgd door Pinksteren (v. 8). Hieruit blijkt dus duidelijk dat men verplicht is letterlijk te vertalen: « op een (dag) der sabbatten ». Het gaat hier niet over een dag van gelijk welke week, maar over een dag in een heel bijzondere periode van het jaar (438).
Dit alles leert ons dat de Joodse christenen van de tijd der Handelingen de wekelijkse sabbat niet vervangen hadden door de zondag, en bevestigt dat ze getrouw de feesten des Heeren bleven houden, evenals alle ceremoniën der Wet. Het is eerst na die tijd der Handelingen, toen Israël niet meer Gods bijzonder volk was, dat Paulus zegt niemand te oordelen naar het waarnemen van de sabbatten (Kol. 2:16).
De zondag is van heidense oorsprong; het is de dag toegewijd aan de zonnegod en zijn instelling kan niet verdedigd worden door een beroep op de Schrift. De sabbat blijft steeds de dag waarop de kinderen Israëls moeten ophouden te werken, zolang ze door God als Zijn bijzonder volk erkend worden. Voor christenen uit de volken is geen rustdag op deze bepaalde wijze voorgeschreven. Voor de uitdrukking « dag des Heeren » zie laatste deel van Hoofdstuk 4 en eindnoot 344.
Voetnoten:
(434) De Statenvertaling vertaalt dit meervoud door: week, sabbat, dag des Sabbats of Sabbatdag. Doch in Hand. 17:2 en Kol. 2:16 waren de vertalers wel genoodzaakt « Sabbatten » te schrijven. In Mark. 3:4; Luk. 4:31 en 6:9 gebruikten ze ook het meervoud.
(435) Zie ook het voetnoot 64. In Gen. 8:22 wordt dan ook « ophouden » gebruikt.
(436) In Lev. 25:8 duiden de sabbatten (vertaald door « jaarweken ») de rustjaren aan die elke 7 jaren terugkwamen (v. 4). Men heeft gezegd dat het op sommige plaatsen noodzakelijk was « sabbat » door « week » te vertalen, b.v. in Luk. 18:12. Toch is dit niet het geval, en verliest de tekst dan zijn kracht. De Farizeeër vastte niet twee maal per week, doch twee maal per sabbat, d.w.z. dat hij twee maaltijden liet voorbijgaan. Hij moest dus wel een rechtvaardige zijn!
(437) Zie Ex. 31:13; Lev. 19:3, 30; 23:15, 38; 25:8, 8; 26:2, 34, 34, 35, 43; 1 Kron. 23:31; 2 Kron. 2:4; 8:13; 31:3; 36:21; Neh. 10:33; Jes. 56:4; Ezech. 20:12, 13, 16, 19, 21, 24; 22:8, 26; 23:38; 44:24; 45:17; 46:3.
(438) Vraagt men of ze dan niet elke week iets moesten wegleggen, dan is het antwoord ontkennend. Het gaat hier over de waarneming van wat Deut. 16:10 aan de Joden voorschreef: gedurende het feest der weken moesten ze een vrijwillige schatting geven. Paulus vraagt hun die jaarlijkse gaven te verzamelen voor zijn komst.
Aanhangsel Nº 5. « Tegenwerpingen in verband met het onderhouden van de wet door Christen-Joden » (Top)
Rom. 3:21, 28 « Zonder de Wet ». Het Griekse woord « choris » betekent niet « zonder » op absolute wijze, doch wel « behalve ». Dit blijkt duidelijk uit andere plaatsen, b.v. Mat. 14:21: de vrouwen waren er wel, doch waren niet begrepen in de vijfduizend. In het Grieks wordt de afwezigheid van iets, aangeduid door het woord « aneu », zoals in 1 Petr. 4:9. In hetzelfde hoofdstuk 3 van de brief aan de Romeinen, zegt Paulus (in v. 31) dat hij de Wet niet teniet doet doch ze bevestigt.
Rom. 6:14 Ze zijn niet meer « onder » de Wet. De juiste betekenis van het woord « onder » leert men kennen door middel van uitdrukkingen zoals: « onder de zonde », Rom. 7:14; « onder het juk », 1 Tim. 6:1; « onder de vloek », Gal. 3:10; « dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen », Gal. 4:3. Op dergelijke wijze werd de toestand omschreven waarin de Joden zich geplaatst hadden door het willen volbrengen der Wet, in eigen kracht. De Wet toch, moest door middel der genade volbracht worden. Deden ze dat, dan waren ze nog wel « in » de Wet (d.i. de sfeer der Wet), doch niet meer « onder » de Wet, als een slaaf. Men lette er dan ook op, dat de Griekse tekst van Rom. 2:12 en 3:19 niet « hupo » (onder) gebruikt, doch wel « en » (in).
Rom. 10:4 « Want het einde der Wet is Christus ». Het Grieks heeft « telos », dat niet noodzakelijk het einde van iets aanduidt, doch wel dat het zijn doel bereikt heeft. Zie b.v. Mat. 26:58 en Rom. 6:21. Het doel der Wet was Christus. Ze moest de kinderen Israëls tot Hem voeren. In Jak. 5:11 gebruikt de Griekse tekst hetzelfde woord, en spreekt van « het einde des Heeren ». Men ziet dat het niet een ophouden is. Voor het begrip « ophouden » gebruikt het ingegeven Woord « peras », zoals in Heb. 6:16.
Gal. 4:10 « Gij onderhoudt ... ». Vers 9 leert ons, dat ze op verkeerde wijze dit alles onderhielden, namelijk in eigen kracht. Zo werden ze tot slaven. Het Griekse woord door « onderhouden » vertaald, heeft steeds een ongunstige betekenis. Zie b.v. Mark. 3 :2 (waarnemen); Hand. 9:24 (bewaarden).
Gal. 5:1 — 11 Paulus spreekt nog over het juk, het houden der Wet in eigen kracht, als slaven. De besnijdenis beschouwen als middel, en niet slechts als een uitwendig teken van innerlijke verandering, kan niet helpen. De Wet maakt niet rechtvaardig, ze geeft alleen voorschriften, die we, zonder genade, niet kunnen volgen. Er moet dus geloof zijn. Dit alles zegt niet, dat de besnijdenis des vlezes het geloof niet kan begeleiden, ten minste bij Israël. Gedurende het Koninkrijk op aarde, zal er zowel besnijdenis des vlezes als des harten zijn (Ezech. 44:9).
Heb. 10:18 Geen offerande meer. Inderdaad geen werkelijke, afdoende offerande, zoals die des kruises. Deze geschiedde eens voor altijd. Doch het symbool kan blijven, zoals dat ook nog het geval zal zijn in het Koninkrijk (Ezech. 40:40 — 45). De afbeeldingen van voor het kruis wijzen op de toekomst; die van na het kruis, op het verleden. We hebben reeds doen opmerken, dat, indien deze tekst betekent, dat de offeranden afgeschaft zijn, men moet aannemen, dat God ze nooit verlangd heeft. Deze tekst verwijst inderdaad naar wat reeds in het O.T. gold.
We behandelen deze zaak ook in De Weg der Behoudenis, waar we aantonen, dat men tot de volgende samenvatting kan komen:
Positie t.o.v. God |
Positie t.o.v. de Wet |
Positie t.o.v. de zonde |
Houding t.o.v. de Wet |
De vervulling der Wet |
| 1. Hij die niet in God gelooft |
Zonder wet |
Slaaf der zonde |
Wil niets weten v.d. wet |
Vervult de wet niet |
| 2. Geloof in God doch niet weder geboren |
« Onder » de wet |
Slaaf der zonde |
Schept geen vermaak in de wet |
Wil de wet houden in eigen kracht |
| 3. Geloof dat Jezus is de Christus. Weder geboren. « kind » |
« In » de wet |
Onder de zonde |
Schept vermaak in de wet |
Volbrengt wet ten dele door genade |
| 4. Geloof in Christus. « Zoon ». Gerecht vaardige |
Der wet gedood |
Vrijgemaakt v.d. zonde |
Dient in nieuwe geest |
De wet wordt in hem vervuld. |

Als voorbeeld van het geval Nº 2 kan men wijzen op de Jood in het algemeen in het O.T. Gedurende het Koninkrijk op aarde, zullen de meesten zich in het geval Nº 3 bevinden. Die tot de hemelse sfeer behoren, komen onder Nº 4. Gedurende de tijd der Handelingen, had men de 4 toestanden. Hij, die der Wet gedood is, kan de Wet nog volgen, doch in een nieuwe geest, zoals Paulus op het einde van de tijd der Handelingen.
Aanhangsel Nº 6. In verband met de laatste reis van de Apostel Paulus naar Jeruzalem. (Hand. 21) (Top)
Men wijst erop, dat de discipelen, door de geest geleid, aan Paulus zeggen niet naar Jeruzalem op te gaan. Aangezien Paulus toch gegaan is, zou hij dus tegen Gods wil gehandeld hebben. Doch wat zegt de Schrift?
Wat is de juiste betekenis van het woord « niet » in Hand. 21:4? Is het een absoluut verbod? Het antwoord is gemakkelijk. Het Grieks heeft meerdere woorden, die door « niet » vertaald worden. De bijzonderste zijn « ou » en « me ». Het eerste heeft een absolute betekenis (zie b.v. Mat. 4:4; 5:21). Het tweede is relatief. Ieder kan er zich van overtuigen door de teksten te lezen waar « me » gebruikt wordt. Zo b.v. Mat. 10: 5: « Gij zult niet heengaan op de weg der Heidenen » (zouden ze nooit tot hen mogen gaan?); Joh. 20:17: « Raak mij niet aan » (en in v. 27 vraagt Hij aan Thomas hem wel aan te raken); Hand. 1:4: « beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden » (moesten ze er dan altijd blijven?).
Men ziet dus dat « me » relatief en tijdelijk is. Welnu, ditzelfde woord wordt ook gebruikt in Hand. 21:4. Is het dan niet duidelijk dat de geest gezegd had zeven dagen te Tyrus te blijven, voor ze in het schip zouden gaan dat naar Jeruzalem vertrok? Na die zeven dagen konden ze vertrekken (v. 5), geheel in overeenstemming met Gods wil. Het is waar dat er mensen waren, die Paulus wilden terughouden, en hem beletten God te gehoorzamen (v. 12), doch hij luisterde, terecht, niet naar die woorden. Die mensen kwamen zelf tot beter inzicht en zeiden ten slotte: « De wil des Heeren geschiede » (v. 14).
Dit is ook weer een voorbeeld van de juiste woordenkeus der Schrift. Als we « het voorbeeld der gezonde woorden » houden (2 Tim. 1:13) zullen we minder geneigd zijn een Apostel te beschuldigen als zijn handelingen niet overeenstemmen met onze theorieën.
|