|
DE STRIJD door S.V.M.

Inhoud:
I. INLEIDING
II. SATAN'S WERK IN DE TEGENWOORDIGE BEDELING
III. DE TEGENWOORDIGE BEDELING EN HET NIEUWE VERBOND
IV. PAULUS
V. DE APOSTOLISCHE VADERS
VI. DE ROOMSCHE KERK.
VII. DE HERVORMING
VIII. TERUG NAAR PAULUS
IX. SLOTOPMERKINGEN
AANHANGSEL — Het Avondmaal
DOEL VAN DIT GESCHRIFT. In « Het Voornemen der Eeuwen en de Gemeente der Verborgenheid » wordt een overzicht gegeven van het konflikt der eeuwen tussen de Zoon Gods en de Satan. Wij willen nu die strijd nader nagaan en zien wat er geschiedt in de tussenruimte, waarin Israël, Gods Volk, ter zijde gezet is, d. i. gedurende de tegenwoordige bedeling, die begint bij het einde der Handelingen-periode ± 60 n. Chr. en loopt tot op de « Dag des Heeren ». Het is verre van ons een verhandeling te willen geven, die min of meer aanspraak zou maken op volledigheid. Wij willen een en ander aanstippen en aan anderen, meer bevoegden, overlaten dit alles uit te werken.
Wij zullen dan eerst iets zeggen over Satans werkzaamheid en doel. Dan willen wij een en ander nagaan over de tijd der Handelingen over wat Paulus over latere tijden zei en ook over de toestanden gedurende de laatste levensjaren van Paulus. Dan laten wij de « Apostolische Vaders » aan het woord om van hen iets te leren aangaande de eerste eeuwen. zo komen wij tot de Roomse Kerk en de Hervorming. Tenslotte voegen wij er nog iets aan toe over de hedendaagse tijden.
Er zal niet gesproken worden over misbruiken en bijzaken, maar zoveel mogelijk over de basis: Wat is de verhouding van de Christenheid en haar groepen ten opzichte van Gods Woord en Gods Volk.
Als men alles van achteren beschouwt, is het merkwaardig te zien hoeveel er over gevolgen gesproken, geschreven, getwist en gevochten is en hoe weinig over de oorzaken. Wij menen goede redenen te hebben om de hoofdoorzaak van alle verdeeldheid en zwakheid in het Christendom toe te schrijven aan het niet letterlijk geloven (waar dat enigszins mogelijk is) van AL wat de door God geïnspireerde profeten geschreven hebben. Dat niet geloven uit zich in het bijzonder op twee wijzen, die, voor wat ons onderwerp betreft, deze zijn:
| 1. |
|
Men verlaat Paulus, waar hij spreekt over de Gemeente der verborgenheid. |
| 2. |
|
Men gelooft niet aan de letterlijke vervulling der profeten aangaande Israël en past die dingen dan « geestelijk » toe op de « Kerk ». |
Eigenlijk is het tweede punt meestal een gevolg van het eerste. Als men dit nu voor ogen houdt, zal men begrijpen, hoe zwak de gelovigen dezer bedeling gestaan hebben in hun strijd tegen de overheden en andere geestelijke wezens. Zij hebben het zwaard des Geestes, Gods Woord, niet genoeg gebruikt. De eerste eeuw toont een nagenoeg volkomen zich afkeren van Paulus en een zich toeeigenen van Israëlitische voorrechten, ceremoniën enz. die dan vermengd werden met heidense gebruiken. Daaruit kristalliseert zich de Roomse Kerk. Later wordt de strijd hervat door de Hervormers, doch al voelden die grote mannen dat vele dingen niet in orde waren, de grondfout zagen zij niet helder in. Zij kwamen dichter bij wat Paulus in zijn eerste periode (gedurende Handelingen) leerde, doch volgden hem niet in wat hij gedurende zijn tweede periode bekend maakte over de Grote Verborgenheid. Zij gingen dan ook voort de profetie te vergeestelijken. Dat was en is nu nog het zwakke punt der Hervorming.Men kon (kan) wel wijzen op allerlei misbruiken der Roomse Kerk, op allerlei dingen waarvoor geen goede grond bestaat, noch in Gods Woord, noch zelfs bij de Apostelen en Kerkvaders, men blijft toch zwak staan tegenover het aannemen der « Apostolische overlevering ». Neemt men met Paulus geen nieuwe bedoeling aan na Handelingen, dan moet men onvermijdelijk op de 12 Apostelen van Israël teruglopen, naar hun overlevering en niet op wat in Gods Woord geschreven staat. En dan is ook de strijd nagenoeg verloren, want het enige wapen verliest door vergeestelijking zijn kracht. De tegenwoordige toestand van het Christendom bewijst in hoeverre het Gods Woord niet heeft gebruikt, dus gesloten heeft laten liggen.
TERUG TOT DE SCHRIFTEN. Slechts één oplossing is er voor hen, die dit alles min of meer inzien: terug tot Gods Woord. Nu beschuldige men ons niet van hoogmoed, als zouden we het beter willen weten dan de « Vaderen », als zouden wij ons boven de Hervormers willen plaatsen. Wij erkennen onze zwakheid en wensen ons hier diep te verootmoedigen, opdat wij in het volgende niet in eigen kracht over de strijd tegen Satan mogen schrijven.
Voor Israël was verootmoediging de weg tot de ware rust (Lev. 16:29, 31 enz.). Nederigheid (ootmoed) geeft een goede plaats in het koninkrijk ( Mt. 18:4). Wie zich vernedert (verootmoedigt), zal verhoogd worden (Mt. 23:12). De Heere Zelf beeft Zich vernederd (verootmoedigd Fil. 2:8). Als men denkt iets te zijn, komt men tot niets. God moet alles zijn. Ook Gods Woord moet alles zijn. Het andere staat slechts de waarheid in de weg. Willen wij dus de volle waarheid, dan ook ware en volle ootmoed. Paulus spreekt er zo in het bijzonder over juist in zijn Gevangenschap-Brieven (Ef. 4:2; Fil. 2:3; Kol. 3:1, 2) Men denke dus niet, dat wij beweren alles nu juist te weten en dat dan onder min of meer bevattelijke vorm hier wensen neer te schrijven. Neen, al zouden onze uitdrukkingen soms kunnen doen denken, dat wij menen de volle waarheid uit te drukken, dan staan wij nog niet op het standpunt de waarheid uitsluitend en alleen te bezitten. Wij schrijven onze overtuiging neer, maar weten, dat deze de waarheid alleen wil benaderen. Dit te erkennen is de enige weg tot de waarheid. Wij hebben vele andere meningen nauwkeurig onderzocht en over de meeste zaken schrijven wij dan ook slechts na lang onderzoek. We menen daarom de waarheid meer te benaderen dan anderen. Men wijze ons hierin terecht, indien men het beter meent te zien en wijze, na zorgvuldig onderzoek onzer stelling, de fouten aan.
Zal de zorgvuldige lezer dan ook fouten en vergissingen in de onderdelen kunnen vinden, wij zijn verzekerd op een veilig pad te wandelen door ons geheel aan Gods Woord vast te houden en desnoods de gehele Christenheid te verwerpen. Al hebben wij dan nog zoveel eerbied en ontzag voor alle « Vaderen », de toetssteen zal toch steeds zijn: Gods Woord en dat ten volle. Hiermee bedoelen wij, dat wij het moeten nemen geheel zoals het er staat, zowel letterlijk als geestelijk. Al wat van Israël b. v. gezegd is, nemen wij letterlijk voor Israël. Ia het nog niet vervuld, dan nemen wij het voor de toekomst. Dit belet in genen dele dat wij ook de geestelijke betekenis behouden, integendeel wij hebben die nog voller. Want wij wijzen niet alleen op hetgeen wij als volk of als individu uit het verleden van Israël, maar ook op wat wij uit de toekomst van dit Volk kunnen loeren. Ook de nog niet vervulde dingen hebben een geestelijke betekenis en daarom moeten zij juist werkelijk geschieden,omdat het 't bijzondere van de geest is zich te realiseren in de werkelijkheid.
Wij nemen dus ootmoedig alles aan, zoals God het ons in Zijn Woord gegeven heeft en beweren het niet beter te weten met er onze persoonlijke « geestelijke » betekenis voor in de plaats te zetten.
Het is verheugend, dat er gedurende de laatste honderd jaar een merkbare terugkeer tot het zuivere Woord gekomen is. Wij menen echter in deze weg verder te moeten gaan, dan de meesten. Dit is niet de weg van succes. Ons pad zal eenzaam zijn, voor wat de mens betreft, maar wij hopen ons zo Gode beproefd voor te stellen. Een bekende Nederlandse schrijver heeft gezegd: « Lijdt de eenheid hierdoor, het wordt met diepe smart gevoeld. Wordt de eenheid er door bevorderd, het strekt tot grote vreugde. Maar hoe ook, wat de gevolgen ook zijn: handhaaf voor alle dingen de waarheid. Laat niets los van het kostelijke bezit, dat God u gaf. Strijd er voor met uw ganse hart ». Wij wensen dan ook niets los te laten van wat Paulus ons bekend gemaakt heeft. Bij ons onderzoek zullen wij genoodzaakt zijn te spreken over menselijke gedachten en geschriften. Dat is niet uit de Schriften, maar toch menen wij dat het hier ter aanvulling dienst kan bewijzen. Al is het geen basis voor ons geloof, het kan ons tonen welk de zwakheden waren van andere gelovigen, welke methoden de Satan de eeuwen door gebruikt heeft. Dat kan dienen om. ons aldus beter gebruik te leren maken van het zwaard des Geestes, Gods Woord.
II. SATAN'S WERK IN DE TEGENWOORDIGE BEDELING Top
TEGEN HET LEVENDE WOORD. In de Schriften kan men de eeuwen door, Satans werkzaamheid nagaan. Wij vermelden hier maar enkele dingen.
In de eerste aioon wilde hij de Allerhoogste gelijk worden en als gevolg daarvan werd hij nedergeworpen (Jes. 14:12 —14).
In de tweede aioon verleidde hij Eva en bracht haar in overtreding. Daarna kwam het er op aan de komst van het beloofde « Zaad » te beletten. Hij werkte daarom eerst in Kaïn. Later gebruikte hij de « zonen Gods » (Gen. 6:2) om het ganse mensdom te verderven en radicaal het « Zaad » te verstikken. Telkens slaagt hij schijnbaar in zijn pogingen, doch tenslotte blijkt hij niets te winnen.
In de derde aioon, d. i. de tegenwoordige, vinden wij hem werkzaam in Babel. Zijn doel is nu tweevoudig: Gods koninkrijk tegenwerken en een eigen koninkrijk oprichten. zo laat hij het beloofde land door de Kanaänieten bezetten en hier spelen de Nephilim (soms vertaald door « reuzen », de naam betekent « gevallenen »), de Gibboor (geweldigen), de Refaïeten (dikwijls vertaald door « reuzen », de betekenis schijnt « genezers » te zijn) en andere niet menselijke wezens, hun rol. Wij zien hem in Egypte het Volk verdrukken en trachten uit te roeien. Later in de strijd van Saul, Goliath en de Filistijnse reuzen tegen David; in bet doden van Jorams broeders en zonen; in het ombrengen van het koninklijke zaad door Athalia, enz. Niettegenstaande al die pogingen kwam het Zaad, de Heere Jezus.
Dan wordt alles tegen Hem gericht en weer scheen alles gewonnen voor Satan toen de Heere aan het kruis kwam. Ook hier was het integendeel de grootste nederlaag. Het kruis, het bloed, de dood van de grote Redder waren juist nodig om Gods plan der eeuwen te verwezenlijken.
Daar nu alles afhangt van de bekering van Gods Volk, gaat Satan in het bijzonder Israël bewerken. Weer een overwinning: einde Handelingen wordt het ter zijde gesteld. Paulus spreekt er het oordeel over uit:
« Want het hart dezes volks is dik geworden, en met de oren hebben zij bezwaarlijk gehoord, en hunne ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze. Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den Heidenen gezonden is, en deze zullen horen. » Hand. 28:27, 28.
|
Wat sinds het begin van deze aioon door God voorbereid was, schijnt nu alles te vergeefs geweest te zijn. Met het uitverkoren volk verdwijnt ook alle mogelijkheid om het koninkrijk te doen komen, waarvan alle profeten spraken. Israël, dat een uitdeler van Gods zegeningen voor de andere volken had moeten zijn, bekeert zich niet. Dat moet voor vele schepselen een angstige tijd geweest zijn. Wat nu? Zie, daar komt Paulus iets bekend maken wat van alle eeuwen en geslachten verborgen was in God! Met Israël wordt de vroegere lijn onderbroken, alles wordt opnieuw door God toebereid en daaruit blijkt weer de uitnemende grootheid Zijner genade en kracht. Paulus, van mensen verlaten, schrijft zijn Gevangenschap-Brieven aan Efeze, Filippi en Kolosse en maakt aldus aan de getrouwen bekend, wat God hem alleen geopenbaard heeft. Een nieuw Lichaam, waarvan Christus het Hoofd is, wordt gevormd geheel onafhankelijk van al het vroegere, van Abraham, Israël, bet Koninkrijk, het land Kanaän, de stad Jeruzalem. Dat is iets onverwachts, een verrassing voor Satan. Wat zal hij nu doen? Dit willen wij meer uitvoerig onderzoeken, doch vooraf een kort overzicht geven.
Kort na Paulus' bekendmaking der grote Verborgenheid, wordt Israëls verwerping ook zichtbaar: de stad en de tempel worden verwoest en het Volk over heel de wereld verspreid. Nu zou de duivel, de Diabolos (dooreenwerper), zijn naam ten volle rechtvaardigen, hij zou alles dooreenwerpen. Vooreerst moest hij beletten dat men Paulus geloofde en ten tweede moest hij van de omstandigheden gebruik maken om Gods Woord ófwel te doen verwerpen ófwel krachteloos te maken.
Sommigen geloofden inderdaad aan een volledige mislukking en verwierpen alles. Anderen trachtten niettegenstaande de feiten nog iets te redden. Daar alles scheen af te moeten hangen van Israël en dat volk nu verworpen was, kon het niet het ware Israël geweest zijn! Wat de profeten van Israël gezegd hadden was wel waar, maar moest « geestelijk » opgevat worden voor al de gelovigen, voor de « Kerk » die eigenlijk reeds van alle eeuwen, maar meer bepaald van Pinksteren bestaan had! Een aards koninkrijk zou er nooit komen, dat was ook geestelijk: de « Kerk » zou zich uitbreiden en tenslotte de gehele wereld omvatten! De gelijkenissen van de Heere Jezus spreken wel van onkruid, zuurdeeg, een schat en een parel, men zou dit alles wel aanpassen aan de nieuwe opvatting. Dat had niets uit te staan met het vroegere Israël, maar wel met het « Geestelijk » Israël! Welk een dwalingen!
Satan werkt nu in de « kinderen der ongehoorzaamheid » (Ef. 2:2), zoals de Heere werkt in de leden der Gemeente (Fil. 2:13). Kunnen wij de draagwijdte begrijpen van Joh. 5:19 « Wij weten... dat de gehele wereld in het booze (of: in den Booze) ligt »? Weet men wat het zeggen wil, dat Satan de god van deze aioon is? (2 Kor. 4:3, 4). Satan is niet het wangedrocht, waarvan vooral de vroegere Christelijke literatuur zo veel wist te vertellen. Hoe kan hij de god dezer eeuw zijn en zovelen verblinden? Men begrijpt dat niet omdat men hem niet kent in zijn ware of voornaamste gedaante. « Want de Satan zelf verandert zich in een engel des lichts » (2 Kor. 11:14). Hij spreekt dan van vooruitgang, ontwikkeling, beschaving, moraal enz. Hij wil goede mensen maken en wereldvrede hebben om zijn troon op te richten. Ook het goede kan hij gebruiken. Het volmaakte mensdom waarover hij dan koning zou zijn, moet er echter komen zonder God, zonder Christus. Hier ziet men het anti-christelijke: hij wil de plaats nemen van Christus (« Anti » betekent n. l. allereerst niet « tegenover », maar « in de plaats van »). Om tot dit alles te komen, kan hij ook heel goed het Christendom gebruiken. Als men maar Gods Woord niet letterlijk aanvaardt. Dan kan hij de ogen zijner slachtoffers verblinden voor woorden, die zoals Rom. 3:10 — 18, de ware natuurlijke mens afschilderen:
« Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een; er is niemand , die verstandig is, er is niemand, die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden, er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot één toe. Hun keel is een geopend graf, met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen; welker mond vol is van vervloeking en bitterheid; hun voeten zijn snel om bloed te vergieten; vernieling en ellendigheid is in hun wegen; en den weg des vredes hebben zijn niet gekend. Er is geen vreze Gods voor hun ogen. »
|
Niettegenstaande alle vooruitgang blijft de mens uit zich zelve onrechtvaardig. Gods orde is: eerst van boven geboren en gerechtvaardigd worden en daarna Zijn wegen bewandelen. Zó alleen komt men tot alle goede dingen, zoals vrede en geluk en nog veel meer. Satan stelt het anders voor: eerst de menselijke idealen verwezenlijken, dan is er van zelve een wedergeboorte en Christus niet meer nodig. God wil de « oude mens » dood en een nieuwe mens met een goddelijk leven en wandel. Satan wil de oude mens verbeteren.
TEGEN HET GESCHREVEN WOORD. Terwijl Satan zo de gehele wereld beheerst, wil hij toch in het bijzonder het Christendom bewerken. Hiermee heeft hij ook weer een dubbel doel: van Gods Woord afvoeren en de Christenen in zijn dienst gebruiken.
Voor wat Gods Woord betreft, heeft hij talrijke listige omleidingen. Voor sommigen stelt hij de Schrift voor als absoluut geen waarde hebbende en gebruikt daartoe allerlei middelen, die zich aan de omstandigheden aanpassen. In deze « verlichte » eeuw gebruikt hij daartoe vaak de wetenschap. Vroeger heeft men sommige delen der Schrift uitgelegd in overeenstemming met de wetenschappelijke ontwikkeling van die tijd. Later bleek die opvatting misschien onjuist te zijn in het licht van juistere inzichten in de stoffelijke wereld. Dan stelt men het vaak voor alsof Gods Woord verkeerd is en vergeet men zo gemakkelijk, dat alleen maar de opvatting van die vroegere tijd mis is. Men denkt er dan niet aan weer eens opnieuw te onderzoeken of Gods Woord werkelijk en noodzakelijk zo moet opgevat worden als men dat vroeger gedaan heeft. Vooral Genesis heeft aanleiding gegeven tot dergelijk misbruik.
In de eerste eeuwen werd er een poging gedaan het ware Woord te verstikken onder een massa valse geschriften. In latere tijden werd de Bijbel verbrand en de gelovigen gedood. Als dergelijke radicale middelen echter niet kunnen toegepast worden of niet helpen, dan past Satan meer bedekte toe. De Schrift wordt dan behouden, ja misschien geprezen, als de kracht maar weggenomen kan worden. Behalve het grote middel: het vergeestelijken, zijn er nog andere. God heeft wel een reeks aionen en bedelingen onderscheiden en elk dezer heeft wel bijzondere voorschriften en opdrachten en omstandigheden, maar men begint met die rechte snijding niet te volgen, men vermengt wat God gescheiden heeft, past op een tijd en een groep mensen toe, wat tot een andere gezegd is, maakt een echte warboel van Gods Woord en is dan verwonderd dat er moeilijkheden zijn. In plaats van nu ook weer tot de Schrift terug te leren en te onderzoeken of de moeilijkheden niet uit de mens zijn, blijft men bij zijn leer, zijn belijdenis, zijn opvatting. In theorie wil men wel aannemen dat men niet de gehele waarheid heeft, maar in de praktijk houdt men vast aan zijn stelsel. Dat denkt men de waarheid te zijn. Men verwijt anderen soms van opvatting te veranderen, dat mag niet. Terwijl elke moeilijkheid dus een reden moest zijn om zijn opvattingen nog eens ernstig na te gaan en getracht moest worden ze anders op te lossen, zien anderen er dan een gebrek in Gods Woord in. Zo komt men weer tot vergeestelijken en verwerpen. Men houdt tenslotte nog wat goede morele voorschriften over, die men dan wil uitvoeren in eigen kracht, wat weer tot mislukking en ontmoediging leidt.
In andere gevallen legt Satan nadruk op de dingen, die het gevoel betreffen. Men wil zich dan niet zo moe maken met onderzoek, men is tevreden met het weinige dat men kent. Te veel kennis wordt zelfs schadelijk geacht, men spreekt dan licht van « warme hoofden en koude harten ». Men leeft meer in een gevoelssfeer waar gezang, samenkomsten en vormen een grote rol spelen.
Weer anderen rekenen op hun ondervinding. Zij hebben dit gezien of gehoord, dàt gedroomd en mogelijk allerlei wonderlijke ervaringen gehad. Dàt is dan hun steun. Niet de Schrift. Deze wordt uitgelegd met behulp van hun persoonlijke ondervinding.
Zo worden de mensen dan op allerlei wijzen van Gods Woord afgeleid. En dan kan Satan ze ten dele gebruiken voor zijn eigen doel. Want voor zover men niet in dienst der waarheid is, is men in dienst der leugen. Als men van ons zegt, dat wij Satan in de hand werken, dan kunnen wij dit toestemmen, mits men daaronder dan versta, dat alleen hij, die de volle waarheid heeft, voor hem onvatbaar is (en dat is er slechts Eén geweest) en ook aanneemt, dat iedereen, voor zoverre hij de volle waarheid niet heeft, Satan helpt. Wie meer licht heeft, helpe ons uit de duisternis waarin wij ons heten te bevinden, te komen en wijze ons aan, waar wij van de waarheid afwijken. Zolang men dat niet doet, steunende op de Schrift, vrezen wij, dat men Satan nog meer ten dienste staat dan wij. Wij herhalen het: door Gods Woord zo letterlijk mogelijk te nemen, zijn wij op een veilig pad. Men onderzoeke met zorg of wij schriftuurlijk zijn en weerlegge ons anders met de Schrift, niet met van de vaderen overgeërfde leer.
In deze booze aioon gebruikt Satan dus alles, schikt zich naar alle omstandigheden en overwint bijna over de ganse lijn. Hoe kan men staan tegen die listige omleidingen van de dooreenwerper? Slechts één middel is er en Paulus geeft het op in Ef. 6:11 — 18.
III. DE TEGENWOORDIGE BEDELING EN HET NIEUWE VERBOND Top
HET VERSCHIL TUSSEN ENIGE BEDELINGEN. Wij menen hier een kort overzicht te moeten geven over enige bedelingen, zodat de lezer onze opvatting goed kent en steeds kan toetsen aan de Schrift en aan wat wij verder zullen onderzoeken uit de eerste eeuwen. Voor een meer uitvoerige behandeling moeten wij verwijzen naar de op de achterin vermelde geschriften en ook naar het werk: Veelvuldige Wijsheid Gods, dat later zal verschijnen D. V.
Wij willen thans in het kort aangeven welk verschil er bestaat tussen de tegenwoordige bedeling, die der Handelingen, de toekomende en die van het koninkrijk.
Als wij de tegenwoordige bedeling, die met Paulus' gevangenschap in Rome begint, weglaten, hebben wij een doorgaande ontwikkeling in de geschiedenis van Israël. Steeds staat Gods volk op de voorgrond. Wat de Hebreeuwse Schriften b. v. door de mond der profeten doen verwachten, zien wij gaandeweg vervuld in de Griekse. Het gaat in deze laatste niet over een « nieuwe godsdienst » door Christus gesticht. De lang verwachte Messias is gekomen en Paulus zegt dan ook « dat Christus een dienstknecht der besnijdenis is geworden ter wille der waarheid Gods, ten einde de beloften der vaderen te bevestigen » (Rom. 15:8), Ook de Volken hadden deel in de zegeningen. zoals de Apostel er dan ook bijvoegt « en dat de Volken God zouden verheerlijken vanwege de barmhartigheid ». (Rom. 15:9). Zowel gedurende Handelingen als onmiddellijk vóór en gedurende het Koninkrijk, vinden wij de vertegenwoordigers van Israël in het land. Zij zijn Gods Volk, volgen getrouw de vormen der wet (al staan de gelovigen niet « onder » de wet) en hebben dus ook noodzakelijk een tempel. Na het kruis volgen de Christen-Israëlieten nog steeds die vormen, maar in een nieuwe geest, niet ter rechtvaardiging. De offers worden b. v. gebracht als een gedachtenis van zonden (Heb. 10:3).Zolang het Koninkrijk er niet is, wordt het aangekondigd door de Apostelen en discipelen en dit gaat gepaard met de « krachten der toekomende eeuw » (Heb. 6:5), d. i. van het Koninkrijk Wij zien verder de nabijheid van dit rijk uit de tussenkomst der engelen, de gemeenschap in goederen, de bijzondere geestesgaven, het onmiddellijk gericht (zoals b. v. voor hen, die zondigden zoals Ananias, Saffira, Herodes en Elymas). Wij vinden er ook de waterdoop en de uitnodiging van Israël tot bekering tot God, opdat Hij zou mogen zenden Christus Jezus. Zowel gedurende de periode der Handelingen als gedurende het Koninkrijk, hebben de 12 Apostelen hun rol te vervullen, in de eerste plaats in betrekking tot Israël.
Dit heel beknopt overzicht laat duidelijk zien, welk scherp contrast er is tussen die tijden en de tegenwoordige. Al wat er toen was, is er nu juist niet. Israël is niet Gods volk en niet in het land, er is geen tempel, geen krachten, geen tussenkomst van engelen, geen gemeenschap van goederen, geen zichtbare eenheid der gelovigen, geen onmiddellijk gericht, geen vervulling der profetie enz. De grenzen onzer bedeling zijn scherp getrokken; zij begint niet met Pinksteren, maar na Handelingen. Nu zijn wij in de bedeling der « verborgenheid », die van eeuwen en geslachten her verborgen is geweest (Kol. 1:26).
Men onderscheide goed de drie sferen van roeping, getuigenis, wandel en zegening: de aardse, de hemelse en de overhemelse (Gr. op-hemelse; zie ook kanttekening St. V.) Men kan de Gemeente alleen dan met Pinksteren laten beginnen, als men de laatste verwart met de hemelse.
Sommigen erkennen, dat in Handelingen het Koninkrijk nog in het zicht was en aangebroken zou zijn, zo Israël zich bekeerd had. In Gods raadsbesluit zou de Gemeente echter in elk geval bestaan en nu zegt men, dat, daar Israël zich niet bekeerde, de Gemeente toch met Pinksteren een aanvang genomen heeft. Dit is slechts een bewering zonder Schriftuurlijke grond. Het is niet zo, dat, omdat sommigen, die met Pinksteren leefden, later bij de Gemeente zouden behoren, deze Gemeente daarom reeds met Pinksteren begon. Het is ook niet, omdat God toen reeds het voornemen had de Gemeente te vormen, want dit had Hij reeds vóór de nederwerping der wereld.
Het is ook niet, omdat toen de Heere aan het kruis gestorven was, want al wat op het kruis rust, begint niet onmiddellijk na het kruis. Het is ook niet, omdat er toen iets bijzonders gebeurde in betrekking tot de Gemeente, want dit alles was de vervulling der profetie in betrekking tot Israël en er waren dan ook alleen Israëlieten met Pinksteren en lang daarna om die pinksterzegen in ontvangst te nemen. Was Pinksteren geen hoogtijd aan Israël gegeven? Het is ook niet, omdat er toen iets bijzonders geopenbaard werd betreffende de Gemeente, want dat geschiedde eerst een dertigtal jaar later. Denk eens aan: de Gemeente zou toen begonnen zijn, maar niemand wist er van!
Het gaat verder niet zozeer over de vraag wanneer de Gemeente begint, (wij spreken hier natuurlijk van de Gemeente, die het onderwerp is van Paulus' gevangenisbrieven Ef., Fil., Kol.), dan wel of de omstandigheden, opdrachten, ceremoniën, inzettingen die gedurende Handelingen naar Gods wil waren, ook voor de Gemeente van deze bedeling als bindend aangezien moeten worden. Hier zeggen wij beslist neen. Zij, die later deel zouden kunnen uitmaken van de Gemeente, hielden die inzettingen niet als lid der gemeente, maar in verband met hun positie in die Pinksterbedeling. Zelfs als men aanneemt, dat ze van Pinksteren af tot de Gemeente behoorden, dan stond dit alles toch in betrekking tot hun toen bekende positie, niet tot iets waarvan zij niets wisten.
DE VERHOUDING TUSSEN ISRAEL EN DE VOLKEN. Is de verhouding tussen Israël en de Volken dezelfde gedurende de tijden der Handelingen en de tegenwoordige? 't Bovenstaande toont duidelijk aan van niet.
Israël is een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een Heilig Volk, een volk des eigendoms (1 Petr. 2:9; Exod. 19:5, 6. Zie ook Jes. 61:6) gedurende Handelingen en in de toekomst. Daar Israël zijn positie echter niet inneemt, maar zich meer en meer verhardt, zien wij nog niet die zegeningen tot de volken komen, die, op grond van het Abrahamietische verbond, hun deel zullen zijn gedurende het Koninkrijk. Sommige dier volken waren « vreemdelingen en bijwoners » (proselieten) en aldus aan Israël ondergeschikt. Zij moesten een en ander volgen (Lev. 17:10 — 16; Hand. 15:29). Tezamen met een deel van Israël vormden zij de aardse groep, die in het Koninkrijk tot volle ontwikkeling komt.
Anderen uit de volken, namelijk zij, die de « verkiezing van God » (1 Thes. 1:4) hadden en « uit het geloof van Jezus » waren (Rom. 3:26 — 30), kwamen in de sfeer van Paulus' evangelie der rechtvaardigheid waar zij met sommigen van Israël op gelijke voet stonden. Zij vormden de hemelse groep.
In deze sfeer is geen scheiding meer tussen Israël en de volken en zij hadden geestelijk reeds de toestand bereikt, die overeenstemt met de Nieuwe hemel en aarde (de vijfde aioon). Deze zijn de « sterren des hemels » (Gen. 15:4 — 6), de « zonen der vrije » (Gal. 4), de « erfgenamen der wereld » (Rom. 4:13; Gal. 3:29; 4:7). Zij zijn het « geestelijke zaad » (Rom. 4:6, 7, 11 — 22). In die sfeer is « noch Jood, noch Griek » (Gal. 3:28) en zij zijn gekomen tot het « hemelse Jeruzalem » (Heb. 12:22; Gal. 4:21 — 31).
De Christen-Israëlieten van de aardse groep hadden nog steeds de vormen der wet te volgen en gingen dan ook naar de tempel (zie b. v. Hand. 2:46). Zelfs Paulus kon, als hij zich als het ware tot de aardse sfeer neerboog, zeggen en bewijzen dat hij « ook zelf wandelt in de onderhouding der wet » (Hand. 21:24). Alleen voor wat de aardse dingen betrof, was er tussen Israëlieten en volken een « Middenmuur des afscheidsels » (Ef. 2:14).
In de tegenwoordige bedeling der verborgenheid is geen scheiding, noch naar geest, noch naar liet vlees, maar een « Mede-Lichaam ». Het betreft hier de overhemelse sfeer. Zij die er deel van maken hebben hun positie en zegeningen niet op grond van het verbond met Abraham, zoals dat het geval is voor de aardse en hemelse groepen, maar van vóór de nederwerping der wereld.
HET OUDE EN HET NIEUWE VERBOND. Door middel van Mozes werd aan Israël (niet aan de volken) de wet
gegeven. Zij hadden aldus een volledige reeks Goddelijke voorschriften, kenden Gods wil, en waren onderwezen (Rom. 2:18) zoals geen ander volk. Die wet stopte aller mond (Rom. 3:19), door de wet was de kennis der zonde (Rom. 3:20), werd de misdaad te meerder (Rom. 5:20; 7:13; Gal. 3:19). Nu kon Israël tweeërlei houding aannemen: Gods wil trachten te doen in eigen kracht, of erkennen dat zij van zichzelf aan Gods eisen niet konden voldoen. Zij kozen het eerste en beweerden alles te kunnen doen wat de Heere zei, deden alzo een gelofte, stelden zich onder de vloek (Gal. 3:10), waren in slavernij (Gal. 4:3). Het oude verbond moet men niet verwarren met de WET. Deze laatste bestaat onafhankelijk van het verbond. Het oude verbond bestond hierin, dat Israël de gelofte deed de wet uit eigen kracht te houden, dat zij dachten rechtvaardig te kunnen zijn op grond van de werken der wet (Rom. 10:5). In dat geval waren zij van de genade vervallen (Gal. 5:4).
Het Nieuwe Verbond kwam Israël de mogelijkheid aanbieden van de gelofte verlost te worden.(Wij zien reeds zo onmiddellijk dat het Nieuwe Verbond alleen Israël kan betreffen). Christus had alles volbracht om hen vrij te maken van de vloek der wet (Gal. 3:13). Zij waren nu vrijgekocht, niet meer in slavernij en konden het zoonschap verkrijgen (Gal. 4:3 — 24). Ieder die in de Messias geloofde en met Hem gestorven was (Rom. 6), was der wet gedood, van de wet ontbonden (Rom. 7:4, 6). Christus was aldus het « eind » der wet (Rom. 10:4). Zij waren slaven eens Nieuwen Verbonds (2 Kor. 3:6), niet meer « onder » de Wet, maar onder de Genade (Rom. 6:14). Hun werd voortdurend voorgehouden, dat uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd wordt (Rom. 3:20), dat het is door geloof, apart van deze werken (Rom. 3:28), d. i. buiten deze werken om.
Maar, al was dan het eerste verbond ten einde en het tweede gesloten, de wet bleef in stand. De Heere Jezus had zelf gezegd: « Want voorwaar zeg Ik u: totdat De hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota, noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het koninkrijk der hemelen ». (Mat. 5:18, 19). De Heere Zelf, de Apostelen en discipelen (uit Israël) volgden de wet, alleen de menselijke inzettingen kwamen ze niet na. De Israëlieten moesten het zwaarste der wet (oordeel, barmhartigheid, geloof, d. i. de geest der wet) doen, maar daarom de andere dingen (de ceremoniën, het uitwendige) niet nalaten (Mat. 23:23). Dat uitwendige had wel geen kracht, noch waarde op zichzelf, maar het moest het teken zijn van wat er in het hart omging. De wet bleef dan ook gedurende de gehele tijd der Handelingen gehandhaafd. Doch zij, die in Christus geloofden dienden in nieuwigheid des geestes (Rom. 7:6; 2 Kor. 3:6), hadden vermaak in de wet Gods, naar de inwendige mens (Rom. 7:22), zij die naar de geest wandelden, vervulden het recht (dat zijn de rechtmatige eisen) der wet (Rom, 8:4). Zij hadden deel aan het Nieuwe Verbond, dat hen toeliet de wet te vervullen, omdat zij niet meer op hun eigen kracht steunden; de wet werd in hen vervuld. Zij dachten er niet meer aan, dat de werken hen rechtvaardigden, maar gerechtvaardigd zijnde, konden zij de werken doen. Toen zij « in het vlees » waren, werkten de lusten der zonden, die door de wet zijn, in hun leden, maar nu zij der wet gestorven waren d. i. vrij zijn, niet meer in slavernij of « onder » de wet zijn, dienen zij in nieuwigheid des geestes.
Die vormen hadden voor hen geen kracht op zich zelve, maar waren enkel een voorstelling, een schaduw van liet ware. Door alle verlichte gelovigen werden alzo b. v. de offeranden zowel vóór de wet als gedurende de twee verbonden (dus ook in het koninkrijk) beschouwd als heenwijzende naar de werkelijkheid, naar het offer van Christus. De besnijdenis des vleeses (Ezech. 44:9; Gen. 17:13), de offeranden (Ezech. 40 — 45), ja de gehele wet zou blijven bestaan tot op de nieuwe hemel en aarde (Mat. 5:18, 19). Doch het Oude Verbond was slechts voor een betrekkelijk korten tijd, tot het Nieuwe Verbond gesloten werd (Mat. 26:28). En dat Nieuwe Verbond wordt met Israël gesloten. Is iets duidelijker dan Jer. 31:31?
« Ziet de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, wolk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE; maar dit is het verbond, dat Ik na. die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart. schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent den Heere! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheden vergeven en hunner zonden niet meer gedenken ».
|
Men leze aandachtig deze woorden door de Heere gesproken, en gelove Hem. Het Oude Verbond vervangt het Nieuwe en beide betreffen Israël, al hebben de volken dan ook deel aan de zegeningen, die uit het Nieuwe Verbond voortvloeien.
Na het einde der Handelingen verandert echter alles: Gods Volk is dan voor een tijd ter zijde gesteld. Er is geen verbond, geen wet, geen vormen voor de leden der Gemeente der Verborgenheid, zelfs al zijn ze uit Israël.
De schets kan dit alles overzichtelijk voorstellen.

De leden der Gemeente maken deel van een « Mede-Lichaam », waarvan Christus het Hoofd is. Als die werkelijkheid niet scheef getrokken wordt door een vermengen met de positie van andere groepen gelovigen, ziet men, dat hier een gemeenschap met Christus is, die nooit gegeven werd aan Christen-Israëlieten als zodanig, noch aan Christenen van de Volken als zodanig. Handelingen is een voorloper van het Koninkrijk en in geen dezer tijden is er sprake van een eenheid, een in Christus boven alles geplaatst zijn, zoals de Gemeente dat is. tussen God en Zijn Volk kan er een verbond gesloten worden, er kunnen priesters en een tempel zijn, zoals zelfs gedurende het Koninkrijk, maar bij het Mede-Lichaam, waarvan Paulus spreekt, kan er geen sprake zijn van een verbond, noch van enig ander ding, dat onvolmaakte gemeenschap kenschetst. Na de toekomende eeuw is de gemeenschap tussen God en de gelovigen reeds nauwer en er is dan ook geen tempel meer (Op. 21:22). Maar het is eerst na de laatste aioon, dat God « alles in allen » zal zijn (1 Kor. 15:28). Van die volmaakte toestand is de Gemeente nu reeds een voorproeve en gedurende de toekomende aionen zal God dan ook de uitnemende rijkdom Zijner genade tonen door op haar te wijzen (EL 2:7). Voor de leden der Gemeente is Christus alles (Kol. 3:11) en zij hebben slechts te bedenken de dingen, die boven zijn (Kol. 3:2).
Ook een hogepriester is slechts daar nodig, waar nog geen volmaakte verzoening is geschied. Naar hun wandel hebben de leden der Gemeente misschien nog een hogepriester nodig, maar niet naar hun positie.
Dat er reeds gedurende Handelingen groepen waren, die in gemeenschap met God waren, wordt niet geloochend. Wel, dat die gemeenschap zo volkomen was als na Handelingen 28. Eerst toen werd deze door Paulus bekend gemaakt. Er zijn trappen in gemeenschap, zoals in alles.
De leden van het Lichaam zijn dus niet onder het O. V., noch onder het N. V. Zij hebben een positie en zegeningen, die geheel onafhankelijk zijn van Abraham en Israël, en een verbond zou alleen afbreuk kunnen doen aan hun gemeenschap met. God. Paulus spreekt dan ook nooit meer over het N. V. na Handelingen.
HET VOLGEN DER WET GEDURENDE HAND. Laat ons nu in het bijzonder de vraag nagaan: Volgden de Christen-Joden, die tot de aardse groep behoorden, de wet gedurende de periode der Handelingen en was dat naar Gods wil? Wij willen dit wat uitvoeriger behandelen, omdat het belang dezer vraag zeer groot is.
Vooreerst lezen wij telkens van het gaan der Apostelen en Christen-Joden naar de tempel en de synagoge (Hand. 5:20; 13:14). Wij lezen over hun vasten (Hand. 13:2), over de besnijdenis van Timotheus (Hand. 16:3) enz.
Verder zien wij hoe Petrus een 10 tal jaren na Pinksteren Cornelius beschouwt. Hand. 10 toont. ons hoe nodig het was hem een gezicht te zenden, driemaal herhaald en daarbij nog een bevel door tussenkomst van een engel, om hem er toe te bewegen naar Cornelius te gaan. Hij zei:
|
« Gij weet, hoe het een Joodse man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten. »
|
Daarentegen is het duidelijk dat, als de Gemeente met Pinksteren begonnen was en de wet niet meer moest onderhouden worden, Petrus de eerste zou geweest zijn om zijn armen te openen voor een « godzalig » man als Cornelius.
Hand. 15 is een aanduiding, dat de besnijdenis toen nog (d. i. zo wat 20 jaren na Pinksteren) toegepast werd door alle Christen-Israëlieten, inbegrepen de Apostelen. Uit vers3 horen wij van de bekering der Heidenen (volken). Dit werd door Paulus en Barnabas te Jeruzalem bekend gemaakt (vers 4). Sommige gelovige (d. i. Christen-) Farizeeën beweerden echter, dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. Het betreft hier dus de Volken en niet Israël. De vraag was: Moeten die gelovigen als « vreemdelingen » bij Israël ingelijfd worden door de besnijdenis? Dat was natuurlijk niet nodig. Jakobus haalt Amos 9:11, 12 aan, een tekst, die spreekt van de herstelling van Israël en van de zegeningen, die dan tot de volken komen. Deze zouden als volken gezegend worden, niet als tot Israël gevoegden. Deze tekst, verre van iets te zeggen over het niet volgen der wet door de Christen-Joden, bevestigt dat zij nog steeds de besnijdenis onderhielden, want zou dit voorstel zoveel twisting en beroering gebracht hebben, als de Joden zelf niet meer moesten besneden worden? Neen nietwaar, dan was de zaak zeer eenvoudig, dan moesten de volken het zeker niet.
Een dertigtal jaren na Pinksteren zien wij dat Paulus nog naar de tempel gaat om: te offeren (Hand. 21:21 — 26). Men mag dit feit niet ontzenuwen door te zeggen, dat het eenvoudig een toepassing is van 1 Kor. 9:20. Het betrof hier toch niet alleen de zaak om iets te vermijden wat de Joden kon afstoten, maar hij wilde openbaar bewijzen, dat hetgeen men van hem zei, namelijk, dat de Joden niet meer moesten besneden worden en niet meer naar de wijze der wet moesten handelen, een leugen was. Hij wilde duidelijk tonen, dat hij zelf de wet volgde, als hij zich in de sfeer der aardse roeping bewoog. Jakobus en de ouderlingen nodigden hem hiertoe uit. Als het niet naar Gods wil was, dat de Christen-Joden der aardse sfeer de ceremoniën der wet volgden, kon Paulus dan alzo handelen? Hij komt zelf nog op deze zaak terug (Hand. 24:17 — 19) en zegt ook in Hand. 25:8: « Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den Keizer iets gezondigd ».
Wij willen nu enkele teksten onderzoeken die bij het oppervlakkig lezen, tot de mening zouden kunnen doen komen, dat de wet toen te niet gedaan was en dat Paulus ook leerde dat de vormen nu niet meer moesten gevolgd warden.
Laat ons eerst Rom. 3:21, 28 opslaan. « Zonder de wet ». Daar wij beweren dat men licht kan krijgen uit de Griekse tekst, zelfs zonder kennis van het Grieks, willen wij dat hier eens aantonen. In de Concordantie vinden wij, dat « zonder » hier de vertaling is van « chooris » en uit andere teksten waar dit woord voorkomt, zien wij, dat de betekenis is: « behalve », « apart », « buiten-om ». zo lezen wij b. v. in Mat. 14:21: « zonder de vrouwen en kinderen », dat wil niet zeggen, dat deze er niet zijn, maar dat zij afzonderlijk gerekend worden. « Zonder » is ook soms de vertaling van « aneu », dat b. v. in 1 Petr. 4:9 voorkomt en werkelijk « zonder » wil zeggen. Uit een en ander besluiten wij, dat Rom. 3:21, 28 niet zegt, dat de wet niet meer mocht gevolgd worden, maar alleen dat de rechtvaardigheid Gods geopenbaard is apart van de wet d. i. buiten de wet om en verder, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt apart van de werken der wet, buiten die werken om. En dat was juist wat. moest aangetoond worden, omdat het Nieuwe Verbond nu gesloten was. In hetzelfde hoofdstuk lezen wij dat Paulus zegt, dat zij daarom, de wet niet te niet doen (Rom. 3:21), maar haar bevestigen of « vaststellen », zoals Rom. 14:4 het Gr. weergeeft. Men ziet het groot verschil met Ef. 2:15, waar de wet « teniet » gemaakt is.
Nu Rom. 6:14. Hier staat: « wij zijn niet ONDER de wet ». Rom. 7:4 voegt er aan toe, dat wij der wet gedood zijn. De betekenis van Rom. 6:14 hangt geheel af van het woordje onder ». Het drukt hier volledige slavernij uit. Een dergelijke betekenis vindt men ook b. v. in Mt. 8:9 « onder de macht »; Rom. 7:14 « onder de zonde »; 1 Tim. 6:1 « onder het juk ». Dat zegt ons ook Gal. 3:10, zij stelden zich « onder den vloek » en Gal. 4:3: in slavernij « onder de eerste beginselen ». In die toestand is men, als men door de werken der wet wil gerechtvaardigd zijn, dan is men van de genade vervallen. Het is echter goed mogelijk aan het « recht der wet » d. i. aan de rechtmatige eisen der wet te voldoen, zonder daarom de rechtvaardiging daaruit te verwachten. Zij, nu die voor de rechtvaardiging op het geloof steunden, waren van de vloek en de slavernij verlost (Gal. 3:13), niet meer ONDER de wet, maar onder de genade en hadden nu een vermaak in de wet (Rom. 7:22), zij dienden in nieuwigheid des geestes. Zij waren geen slaven meer, maar kregen het zoonschap (Gal. 4:3 — 5). Nadat Israël niet meer « onder » de wet was, was het nog « in » de wet, d. i. in de sfeer der wet. zo spreekt Rom. 3:19 van de wet in het algemeen, en gebruikt dan in het Grieks niet « onder maar « in ». Alle kinderen Israëls, die « in » de wet zijn, zijn daarom niet noodzakelijk « onder » de wet. zo maakt het b. v. ook een groot verschil of men « in » zijn werk zit, of er « onder » zit. Het laatste is een verkeerde toestand.
Rom. 10:4 schijnt op het eerste gezicht een onoverwinnelijke moeilijkheid voor ons te zijn.. « Want het einde der wet is Christus ». Voor sommigen is deze tekst alleen voldoende, om vast te geloven, dat de wet toen te niet gedaan was. Wij moeten hier het zwaard des Geestes gebruiken en de gezonde woorden nazien. Want alles hangt af van de betekenis van het woordje « einde ». Als wij de Concordantie raadplegen, vinden wij dat twee woorden door « einde » vertaald worden. Gewoonlijk wordt « telos » gebruikt in het Grieks. Als wij teksten als Mat. 26:58 en Rom. 6:21 lezen, zien wij, dat de betekenis van dit woord meer is het bereiken van een doel of het wijzen op een gevolg, dan het ophouden van iets. Als Rom, 10:4 noodzakelijk wil zeggen, dat de wet niet meer bestaat, dan zou Jak. 5:11 zeggen, dat de Heere niet meer bestaat! Het andere Gr. woord is « peras », zoals in Heb. 6:16 « een einde van alle tegenspreking ». Dat is dus het ophouden van de tegenspreking. Het is duidelijk, dat door het gebruik van « telos » in Rom. 10:4, bedoeld wordt, dat in Christus de wet een doel bereikt had en niet, dat zij opgehouden had.
Zo komen wij dan tot Gal. 4:9, 10. Paulus verwijt hen de « zwakke en arme beginselen » te dienen en « dagen en maanden, en tijden en jaren » te onderhouden. Het woord dienen drukt uit: dienen als eert slaaf. Paulus zegt dus, dat zij de uitwendige dingen, die op zichzelf zwakke en arme beginselen zijn, niet als een slaaf moeten dienen, d. i. als « onder » de wet zijnde. Hij zegt niet dat zij die vormen niet meer mogen uitvoeren in een nieuwe geest. Daarvan beschuldigde men hem ten onrechte (Hand. 21). Later zal er een tijd komen, namelijk in de laatste aioon, dat ook voor Israël die zwakke beginselen geheel wegvallen.
Voor wat nu betreft het woord, door « onderhouden » vertaald, dat wordt altijd in een ongunstige zin gebruikt. zo b. v. Mark. 3:2 (waarnemen); Hand. 9:24 (bewaarden). De betekenis is: alle aandacht op iets vestigen. Het uitwendige was niet het bijzonderste, wel het inwendige, dat zeiden alle profeten reeds in het O. T.
In Gal. 5:1 — 11 spreekt Paulus over de dienstbaarheid. Zij die zich lieten besnijden met de gedachte, dat zij door de wet konden gerechtvaardigd worden (vers 4), waren van de genade vervallen. Die besnijdenis heeft op zichzelve geen kracht (vers 6); hij predikt hun dus niet de besnijdenis.
In Gal. 6:13 zien wij geen moeilijkheid. Zij die besneden werden, hielden zelf niet de gehele wet, al moesten zij ze houden. Geen mens kon uit eigen kracht de gehele wet. houden.
In Heb. 7.18 wordt gesproken van de « afschaffing van het voorgaande gebod ». Dat betreft het O. T. of als men wil de wet, als gebod beschouwd. Er is echter geen volkomen afschaffing van de wet zelve, ten minste niet in die tijd voor de aardse groep van Israël.
Eindelijk zou men Heb. 10:18 kunnen aanhalen: « Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde ». Een werkelijke offerande, die van Christus, is er niet meer. Die is voor altijd geschied. Maar daarom kan er nog wel een ceremonie zijn als gedachtenis aan die offerande. Evenals de offeranden vóór Christus naar het kruis wezen, kunnen de offeranden nà Christus ook naar dit kruis terug wijzen. zo hebben wij ook in Ezech. 40 — 45 een nauwkeurige beschrijving van al de vormen, inbegrepen de offeranden, die gedurende het koninkrijk voor het bekeerde Israël zullen gelden. Hierbij behoort ook de besnijdenis des vleeses (Ezech. 44:9), want het was het tek van een « eeuwig » verbond (d. i. een verbond betrekking hebbende tot die eeuw. Gen. 17:13).
Wij menen dus, dat de Schrift ons duidelijk toont, dat de ceremoniën der wet gedurende de Handelingen-periode door de Christen-Joden der aardse roeping moesten gevolgd worden en door die der hemelse roeping mochten gevolgd worden.
ZIJN WAARSCHUWINGEN. Petrus, Johannes en Judas waarschuwen voor valse leraars, antichristussen en spotters (2 Petr. 2; 1. Joh. 2 en 4; 2 Joh.; Judas). Ook Paulus spreekt telkens van toestanden die verre van goed zijn. Hij zag geen graduele ontwikkeling van het Christendom ten goede, tot men een « gouden eeuw » zou bereiken met een wereldbekering. Neen, de toekomst was zeer duister.
Wij moeten goed de twee perioden van Paulus' rentmeesterschap onderscheiden. In de eerste, waar hij nog niet van de Grote Verborgenheid sprak, dus gedurende de tijd der Handelingen, zag hij, evenals de 12 Apostelen Israëls, dat vóór het koninkrijk nog zware tijden moesten komen, in het bijzonder voor Gods Volk. Laat ons daarover een en ander lezen:
Hand. 20:29-31. « Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen; en uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich. Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang, nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen. »
|
Men denke er goed aan, wat het zeggen wil 3 jaar lang, nacht en dag, met tranen te vermanen.
2 Kor. 11:13-15. « Want zulke valsche apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus. En het is geen wonder want de Satan zelf verandert zich in een engel des lichts: zoo is het dan niets groots, indien ook zijn dienaren zich veranderen, als waren zij dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hun werken. »
|
In de brieven dezer periode spreekt hij over de tijden, die het koninkrijk voorafgaan. In de brieven der tweede periode, namelijk de gevangenschaps-brieven (Ef. Fil. Kol. 2 Tim.), spreekt hij ook over de omstandigheden onzer bedeling. Zo lezen wij:
2 Tim. 2:16, 17. « Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdelroepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen; en hun woord zal voorteten gelijk de kanker. »
2 Tim. 3:1-5, « En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods; hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van deze. »
2 Tim. 3:13. « Doch de booze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid. »
2 Tim. 4:3, 4. « Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar ketelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leeraars opgaderen naar hun eigen begeerlijkheden, en zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen. »
|
Hij spreekt alzo niet van ongelovigen alleen, maar in de eerste plaats van gelovigen. Daarom zegt hij ook:
2 Tim. 2:25, 26. « Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan, of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid, en zij wederom mochten ontwaken uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijnen wil. »
|
Dat zich afwenden van de volle waarheid begon reeds toen Paulus nog leefde en betreft in het bijzonder de verborgenheid, die hij aan de anderen bekend maakte. Hij spreekt er ook over in zijn laatste brieven. Zo b. v.:
2:20, 21. « Want ik heb niemand, die even alzo gemoed is, welke oprechtelijk uw zaken zal bezorgen: want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is. »
|
Christus Jezus is des Heeren naam in verband met zijn overhemelse positie.
Kol. 4:11. « Deze alleen zijn mijn medearbeiders in het koninkrijk Gods, die mij een vertroosting geweest zijn. »
|
Men ziet hieruit, dat de meeste « medearbeiders » hem niet tot vertroosting geweest zijn. Wij mogen veronderstellen, dat zij wel veel arbeidden voor vele dingen in het koninkrijk Gods, maar Paulus niet geloofden, toen hij sprak over het deel van het koninkrijk Gods betreffende de Gemeente der verborgenheid. In zijn laatste brief zegt hij dan ook:
2 Tim. 1:15 « Gij weet dit, dat allen, die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben. »
|
Zelfs toen hij voor zijn rechters stond, verliet men hem:
2 Tim. 4:16. « In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend. »
|
Volgens de gewone opvatting, was toen (in de jaren 50-70) de gemeente in volle bloei. Nu mogen wij inderdaad veronderstellen, dat er toen meer en meer in Christus geloofden en dat in die zin de « gemeente » zich zeer ontwikkelde. Maar dan moet men daarbij inzien, dat de grote massa zich van de bijzondere bekendmakingen van Paulus afkeerde. Paulus ging voor hen veel te ver. Waarom niet blijven bij het « eenvoudig evangelie »? Al die kennis maakte maar opgeblazen en verwarmde het hoofd, maar verkoelde het hart! En men hield aan zijn overlevering, aan zijn vormen, aan zijn gevoelsleven vast, en hechtte aan een zichtbare kerk, die toen al vol scheuringen was.
Daarbuiten waren dan enkele « getrouwen » (zie Ef. 1:1; Kol. 1:2; 2 Tim. 2:2 in de vert. Voorhoeve), die het voorbeeld der gezonde woorden, die zij van Paulus gehoord hadden (2 Tim. 1:13) hielden en het woord der waarheid recht sneden (2 Tim. 2:15). Deze waren de leden der Gemeente der verborgenheid, die bewust waren van hun positie, en door hun geloof, in de openbaring aan Paulus gegeven, toonden, dat zij werkelijk tot die Gemeente behoorden. Het Christendom breidde zich meer en meer uit, maar deze getrouwen bleven blijkbaar klein in getal.
Wij hebben reeds gewezen op de drie sferen van zegening: de aardse, de hemelse en de overhemelse. Paulus ging in enkele jaren door de twee eerste, om dan in zijn laatste periode de derde te bereiken. Met hem. gingen enkele getrouwen mee.
In het verdere der tegenwoordige bedeling, kan men zeggen, dat na Paulus bijna alle Christenen zich in de eerste sfeer plaatsten door Israëls plaats in te nemen. Vooral bij de Hervorming kwam een groep, door de rechtvaardiging door geloof, tot de tweede sfeer. In onze tijden ziet men nu een groep komen tot de derde sfeer.
Beschouwen wij nu Israël en de volken, dan is de toekomende aioon, beginnende met het duizendjarig koninkrijk, die der aardse sfeer, de volgende aioon (nieuwe hemel en aarde), die der hemelse en dan komen tenslotte alle volken na de tijden der aionen tot de overhemelse sfeer, als God alles in allen is.
Zo ziet men de ontwikkeling van sfeer tot sfeer, in de personen reeds in Paulus' tijd (en ook wel later), in de groepen in deze bedeling (en mogelijk ook later) en in de volken gedurende de volgende aionen. Paulus is dan een type van die groepen en die volken. Volgt men Paulus, dan kan men misschien even snel als hij, van de ene sfeer tot de andere overgaan en kan men reeds nu in de geest deel uitmaken van de overhemelse, die door anderen slechts bereikt wordt door de aionen door te gaan.
Later hopen wij, een schets te geven, die dit alles overzichtelijk voorstelt.
In hoeverre de 12 Apostelen van Israël een blik hadden in de nieuwe bedeling, door Paulus kenbaar gemaakt, is ons onbekend. Slechts drie dezer Apostelen schreven enkele brieven en daarin zeggen zij niets betreffende de bijzondere positie der Gemeente. Wellicht wijst Petrus in die richting in 2 Petr. 3:16. Ook uit de geschiedenis is weinig bekend, en dan weet men nog niet in hoe verre het betrouwbaar is. Het is mogelijk, dat er geschriften van de « getrouwen » zijn, doch onbekend, niet vertaald of nog niet ontdekt.
Wel kunnen wij ons enigszins voorstellen welke de toestanden moeten geweest zijn gedurende die tijd en vooral na de verwoesting van Jeruzalem (jaar 70). Al was dan Israël als Gods volk geheel ter zijde gezet, toch was er nog een sterke judaïserende stroom onder de Christenen. Verder vormden zich allerlei sekten met allerlei denkwijzen. Dit was heel natuurlijk, want waarop kon men zich nu steunen? Vroeger zagen zij naar Israël als het Volk, waarvan al hun zegeningen afhingen. Maar nu? Israël was verspreid, dus daarop konden zij niet langer steunen. Paulus sprak nu vel van « iets nieuws », maar daar wilden zij niet van weten. Wat stond hun dan te doen? Paulus werd nu volledig uitgeschakeld en zij hielden vast aan de « apostolische overlevering » zover dat nog mogelijk was. In al de geschriften dier tijden vindt men die neiging en het terugkeren tot de Evangeliën. « Terug tot Jezus » zal men geroepen hebben. Die Paulus heeft ons maar van de hoofdzaak afgeleid! Hiermee bedoelen zij dan de Heere, zoals Hij in vernedering is gekomen. De goede tijding die Hij aan Israël bracht, werd vergeestelijkt en alleen voor de « Kerk » genomen. Men ging terug naar een deel van het « beginsel der leer van Christus » (Heb. 6:1). Als opgestane en verheerlijkte en boven alles geplaatste Christus Jezus kende men Hem bijna niet meer. Zelfs de rechtvaardiging uit geloof alleen kwam in vergetelheid. Dat had bijval! Dat moest toch het beste zijn: Jezus en de 12 Apostelen volgen! Wij willen echter de feiten zelf laten spreken en de Apostolische Vaders nagaan.
Wij merken vooraf nog op, dat Paulus in zijn laatste jaren geen spoedige komst van het koninkrijk verwacht en ook geen algemene opname, zoals vroeger in 1 Kor. 15 en 1 Thes. 4. Hij wist nu dat hij zou sterven (2 Tim. 4:6), « ontbonden
worden » d. i. wederkeren en met Christus zijn. Dat was zeer verre het beste. (Fil. 1:23). Wat tot de hemelse sfeer behoort, was nu niet meer in het zicht, want de nieuwe bedeling in betrekking tot de overhemelse sfeer was nu aangebroken.
V. DE APOSTOLISCHE VADERS Top
HUN OPVATTING. Dat zij in het algemeen, zoals vroeger, min of meer spoedig de Heere Jezus verwachtten, mogen wij als bekend veronderstellen. Barnabas Clemens, Hermas, Ignatius, Polycarpus en verder vele kerkvaders spreken er duidelijk van in hun geschriften. Hier hebben wij een eerste aanwijzing: zij hielden ten dele vast aan wat de 12 Apostelen Israëls en ook Paulus (gedurende de eerste periode) verkondigden en verwachtten nog altijd het koninkrijk. Wij zullen later zien dat het voor hun niet meer een letterlijk koninkrijk op aarde was, waar het letterlijke Israël Gods Volk zou zijn. Zij keerden zich in alle geval af van Paulus' laatste openbaringen aangaande de Gemeente en poogden de vroegere verwachting aan de nieuwe toestanden aan te passen.
Laat ons zien hoe de Apostolische vaderen dachten over het O. T., Israël en de « kerk ».
BARNABAS. Hij schreef op het laatste der eerste eeuw. Men veronderstelt, dat hij de Barnabas is die Paulus vergezelde. Men weet uit Gal. 2:13 en Hand. 15:39, dat deze ook van Paulus afweek.
Zijn brief is zeer merkwaardig, omdat hij een der oudste schrijvers is, die het O. T. vergeestelijkt. Er waren toen twee grote stromingen:
| 1. |
|
De judaïserende gelovigen, die zoveel mogelijk het O. T. op zichzelve toepasten in letterlijke zin. |
| 2. |
|
De anti-judaïserenden zoals Marcion, die alles verwierpen, omdat het in strijd was met het N. T. |
Bij Barnabas ziet men nu duidelijk een nieuwe richting: men behoudt het O. T., doch men neemt het niet letterlijk, maar geestelijk op. Volgens Barnabas hebben de Israëlieten de wet en de profeten verkeerd verstaan. Noch de besnijdenis, noch de sabbat, noch de andere inzettingen moesten letterlijk opgevat worden. Alleen de geestelijke betekenis telde en had ook door de Joden in het O. T. alleen moeten aangenomen worden. Nu eerst zag men duidelijk dit alles in!
Eerst wijst hij op Schriftdelen zoals Jes. 1:11-13, Jer. 7:22, 23; Zach. 8:17; Jes. 58:4-10 enz. die de nadruk leggen op de ware betekenis van de offeranden, het vasten enz. Voor hem bestaat dus de geestelijke betekenis alleen en hij verwerpt de vormen. Zo vermeldt hij b. v. Ex. 33:1-3 en voegt er bij:
Barnabas 6. a Maar wat zegt de kennis? Versta wel. Zet uw hoop op Hem, Die weldra voor u zal verschijnen in het vlees, Jezus... Wat zegt Hij dan? Naar het land, dat van melk en honig vloeiende is. Gezegend zij onze Heere, broeders, die ons wijsheid en verstand geeft in Zijn verborgen dingen. Want de profeet spreekt een gelijkenis aangaande de Heere. ... Wij zijn dan degene, die Hij in het goede land bracht. Wat is dan de melk en honig? Omdat het kind eerst in leven gehouden wordt door honig en dan door melk. Zo in gelijke wijze, daar wij in het leven gehouden worden, door ons geloof in de belofte en door het woord, zullen wij ook leven en heren der aarde zijn. »
|
In de offeranden ziet bij terecht typen van de Heere Jezus, Die voor ons zou lijden en sterven. Maar hij schijnt dan te zeggen, dat die offeranden niet werkelijk hadden moeten gebracht worden. Verder spreekt hij over de besnijdenis en haalt b. v. Jer. 4:4 aan. Hij drukt dan weer geheel op de betekenis der besnijdenis en loochent dat zij ook in het vlees moest toegepast worden.
Barnabas 9. « Maar gij zult zeggen: in waarheid was dit volk besneden tot een zegel. Neen, maar zo is ook elke Syriër en Arabier en alle priesters der afgoden. Behoren die dan alle tot hun verbond? Zelfs de Egyptenaars zijn begrepen onder de besnedenen. »
|
De konklusie is daarom dat de besnijdenis des vleeses eigenlijk nooit door God gewild was. Aangaande het eten van onrein gedierte zegt hij:
Barnabas 10. « Zoo is het Gods gebod niet, dat zij niet met de tanden bijten, maar Mozes sprak in de geest... Gij ziet welke wijze wetgever Mozes was. Maar hoe zouden zij deze dingen zien en begrijpen? Maar wij die een juist inzicht hebben in deze geboden, spreken ze zoals de Heere dat wil. »
|
De Joden mochten dus alles eten volgens het « juiste » inzicht van Barnabas. Mozes sprak « in de geest »!
Barnabas haalt Ezech. 47:1, 7, 12 aan:
Ezech. 47:1, 7, 12. « Daarna bracht hij mij weder tot de deur van het huis, en ziet, er vloten wateren uit, van onder den dorpel des huizes naar het oosten, want het voorste deel van het huis was in het oosten, en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde des huizes, van het zuiden des altaars. Als ik wederkeerde, zie, zo was er aan den oever der beek zeer veel geboomte, van deze en van gene zijde. Aan de beek nu, aan haar oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijn maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen, want zijn wateren vlieten uit het heiligdom, en zijn vrucht zal zijn tot spijze, en zijn blad tot heeling. »
|
Ziehier hoe Barnabas dit nu weet uit te leggen:
Barnabas 11. « Dit zegt Hij, omdat wij ondergaan in het water beladen met zonden en vuilnis, en van hetzelve opstaan, vrucht dragende in ons hart, onze vrees en hoop latende rusten in de geest op Jezus. »
|
Van een letterlijke vervulling van die dingen is natuurlijk geen sprake! Jammer dat hij ons niet uitlegt wat Ezech. 44:7 wil zeggen met « onbesnedenen van vlees ». Het Nieuwe Verbond is voor de gelovigen en niet voor Israël. Dat volgt volgens hem uit de teksten, die spraken over de zegeningen der volken. Alsof er niet staat, dat die zegeningen juist door middel van Israël ontvangen worden, voor zover het betreft wat de profeten van het O. T. gesproken hebben. — De sabbat betreft de tijd, die volgt op de 6 « dagen ». Deze zijn de 6 duizend jaar sinds de schepping. Na Jes. 1:13 aangehaald te hebben, volgt er op:
Barnabas 15. « Gij ziet welk Zijn meering is; het zijn niet onze tegenwoordige sabbatten, die Hem welgevallig zijn. »
|
De Joden moesten dus ook hun wekelijkse Sabbat niet houden.
De toekomende dingen waarvan de profeten spraken, moet men ook niet letterlijk nemen ! Zij werden in gelijkenissen gezegd, die de Joden niet konden begrijpen!
Men ziet hieruit, welk gevaar er is, te veel of te uitsluitend op de geestelijke betekenis en op de typen te wijzen. De symbolische betekenis moet gebalanceerd worden door het letterlijke. Alleen de geestelijke betekenis of alleen de letterlijke zin, voert af van Gods Woord en is de oorzaak geweest van de tegenwoordige chaos en de macht van Satan in deze aioon.
EUSEBIUS. Uit de « Kerkgeschiedenis » van Eusebius (bisschop van Cesarea, de « Vader der Kerkgeschiedenis »), die in de vierde eeuw schreef, leren wij ook weer wat men in de eerste eeuwen algemeen dacht over de wederkomst van Christus, over Israël en de Apostelen. Hij spreekt b. v. over Papias, die aan een 1000 jarig rijk op aarde geloofde. Dat is te « fabelachtig » voor Eusebius. Zo vermeldt hij ook Nepos (in de derde eeuw), die iets dergelijks leerde, maar weersproken werd door Dionysius. De ene zijde nam de dingen te uitsluitend letterlijk (en vaak laag-materialistisch) op, de andere te uitsluitend geestelijk.
Voor wat de houding t. o. v. Israël betreft, deelt Eusebius mee, dat Polycarpus in zijn bekend antwoord op de uitnodiging om Christus te verloochenen, van de Heere spreekt als zijn Koning.
Van zekere martelaars in de vierde eeuw zegt hij, dat ze elkander met Joodse namen noemden om te tonen dat zij het ware « Israël Gods » waren, de echte Joden.
De profetie van Ezech. 37 over het levend worden der beenderen wordt door Eusebius verklaard als te zijn het oprichten van kerken en het zich uitbreiden van het Christendom.
Bij de profetie van Jer. 35:1-6 zegt hij, dat dit niet langer woorden zijn, die Israël betreffen, maar feiten: dat was toen de « Kerk » die onder Constantijn in volle bloei was. Zo worden door hem allerlei profetieën verklaard als in de « Kerk » vervuld.
DE VORMEN DER EERSTE CHRISTENEN. Laat ons eerst uit enige oude geschriften putten.
De « LEER DER TWAALF APOSTELEN » dateert van het einde der eerste of van het begin der tweede eeuw. Men heeft verondersteld, dat het een der oudste geschriften is, na die van het N. T. Een kopie van dit geschrift (van het jaar 1056) werd in de 19 eeuw te Konstantinopel gevonden. Het is verdeeld geworden in 16 korte hoofdstukken.
Een vluchtig onderzoek toont reeds aan, dat de inhoud niet verder gaat, dan die der Evangelien (vooral Mattheus).
Van Paulus' onderwijs is geen spoor te vinden. De schrijver kende de brieven van Paulus niet, of wilde ze niet kennen, wat het meest waarschijnlijk is. (2 Tim. 1:15).
Het grootste deel wordt ingenomen door ethische voorschriften, ten dele aan de wet van Mozes, ten dele aan het Evangelie volgens Mattheus enz. ontleend. Vele dingen zijn bepaald onschriftuurlijk. Wij stippen aan:
1:3 « Vast voor hen, die u achtervolgen ».
4:6 « Indien gij hebt, zult gij met uw handen een rantsoen voor uw misdaden geven ».
6:2 « Want als gij het volle juk van de Heere kunt verdragen, zijt gij volmaakt, maar indien gij dit niet kunt, doe wat gij kunt ».
|
Indien iemand dit geschrift volgt, behalve dan het verkeerde, die zou een « rechtvaardige » naar de wet kunnen genoemd worden. Een, die uit eigen kracht meent te kunnen wandelen in de wegen, die hij denkt des Heeren te zijn. Als dit geschrift werkelijk een juist inzicht geeft in de toestand der 1 en 2 eeuw, wat waarschijnlijk is, dan ziet men dat, voor wat de leer betreft, deze gelovigen « kleine kinderen » waren en dat zij ver afgeweken waren van de volheid, door Paulus gegeven. Daar men zich op dit geschrift soms beroept om zekere gebruiken te rechtvaardigen, en het een « belangrijk » geschrift noemt, geven wij hieronder de vertaling van enige delen, die het meest in betrekking staan tot ons onderwerp:
Hoofdstuk 7.
1. Maar aangaande de doop, doopt aldus: Nadat gij al deze dingen geleerd hebt, doopt tot de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, in levend (d. i.: stromend) water.
2. Maar indien gij geen levend water hebt, doopt dan in ander water en indien gij het niet in koud kunt doen, dan in warm.
3. Maar indien gij dat ook niet hebt, giet dan water driemaal op het hoofd, tot de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.
4.Maar vóór de doop laat hem die doopt en hem die gedoopt wordt, vasten en ook anderen die kunnen; maar gij zult hem die gedoopt wordt, verzoeken een of twee dagen te voren te vasten.
Hoofdstuk 8.
1. Maar uw vasten zij niet met de huichelaars, want zij vasten de 2 en 5 dag der week, maar gij zult vasten de 4 dag en op de voorbereiding (d. i. de Vrijdag, de voorbereiding tot de sabbat. Israël vastte Maandag en Donderdag, dat werd nu verplaatst naar Woensdag en Vrijdag, zoals de sabbat van Zaterdag op Zondag kwam).
2. Bidt ook niet zoals de huichelaars, maar zoals de Heere heeft bevolen in Zijn Evangelie. Zoo bidt: « Onze Vader... ».
3. Bidt alzoo driemaal per dag.
Hoofdstuk 9.
1. Maar aangaande de « dankzegging », (d. i. het « avondmaal »), zegt dank op deze wijze.
2. Eerst aangaande de beker, « Wij danken U, onze Vader, voor de heilige wijngaard van Uw kind David, die Gij ons bekend gemaakt hebt door Uw kind Jezus; tot U zij de heerlijkheid in de eeuwen ».
3. Maar aangaande het gebrokene (brood), « Wij danken U, onze Vader, voor het leven en de kennis, die Gij ons hebt bekend gemaakt door Uw kind Jezus; tot U zij de heerlijkheid in de eeuwen ».
4. « Zoals dit gebrokene (brood) verstrooid was op de bergen en verzameld één is geworden, zo worde Uw gemeente verzameld van de einden der aarde tot Uw koninkrijk, want U is de heerlijkheid en de kracht door Jezus Christus in de eeuwen. »
5. Maar laat niemand van uw « dankzegging » eten of drinken, behalve hen, die gedoopt zijn in de naam des Heeren, want aangaande dit zei de Heere « Geef het heilige den honden niet ».
Hoofdstuk 10.
1. Maar als gij verzadigd zijt, dank dan aldus.
2. « Wij danken U, heilige Vader, voor Uw heilige naam, die Gij hebt doen wonen in onze harten, en voor de kennis en het geloof en de onsterfelijkheid, die Gij ons bekend gemaakt hebt door Uw kind Jezus, tot U zij de heerlijkheid in de eeuwen ».
3. Gij, o almachtige Heere, maaktet alle dingen om Uws naams wille; Gij hebt de mensen voedsel en drinken gegeven om te genieten, opdat zij U mogen danken, maar Gij zegent ons met geestelijk voedsel en drank en eeuwig leven, door Uw Kind. »
4. Voor alles danken wij U, dat Gij almachtig zijt; U zij de heerlijkheid in de eeuwen ».
5. « Gedenk, o Heere, Uw gemeente om ze te verlossen van alle kwaad en haar te volmaken in Uw liefde, en haar te verzamelen van de vier winden, zij de geheiligde, tot Uw koninkrijk, dat Gij voor haar bereid hebt; want U is de kracht en de heerlijkheid in de eeuwen ».
6. « Laat genade komen, en laat deze wereld voorbijgaan. Hosanna tot de God van David. Zo iemand heilig is, laat hij komen, zo iemand niet heilig is, dat hij zich bekere. Maranatha. Amen. »
7. Maar laat de profeten dankzeggen zoveel ze willen.
Hoofdstuk 13.
Vraagt eerstelingen van oogst, brood, vee, en andere bezittingen te geven aan de hogepriesters, armen en profeten.
Hoofdstuk 14.
1. En op des Heeren eigen (dag), komt samen en breekt brood en dankt na uw misdaden beleden te hebben, opdat uw offerande zuiver moge wezen.
2. Laat niemand, die een geschil heeft met zijn vriend, met u samenkomen tot zij verzoend zijn, opdat uw offerande niet verontreinigd worde.
3. Want dit is het, wat door de Heere gesproken is. « In elke plaats en tijd offert Mij een zuiver offer, want Ik ben een groot Koning zegt de Heere, en Mijn naam is wonderbaar onder de volken. »
Hoofdstuk 16.
|
Dit eindigt met de verwachting van de Heere en waarschuwingen aangaande valse profeten enz.
Vóór wij andere geschriften nagaan, willen wij de aandacht vestigen op enkele dingen. Men bemerkt hoe men moest vasten bij de doop, dat het « Onze Vader » drie maal daags moest gebeden worden, dat er bij het avondmaal voorgeschreven gebeden waren, dat er « eerstelingen » moesten gegeven worden aan hogepriesters, armen en profeten, dat het avondmaal een offerande was, dat de gemeente verzameld werd tot het koninkrijk. In een volgend hoofdstuk hopen wij een en ander na te gaan over de Roomse Mis en het Pascha en dan ook meer volledige gegevens te hebben over wat zij de « Eucharistie » (dankzegging) noemden.
Hetgeen hier in de « Leer der Twaalf Apostelen » over de dankzegging opgegeven is, schijnt meer de toehoorders te betreffen, de gewone gelovigen. Het volle ritueel wordt hier niet beschreven. Zij, die zich op dit geschrift beroepen voor een of ander, b. v. het wekelijks vieren van het avondmaal, moeten ook maar al het overige toepassen.
Over de « dag des Heeren » kunnen wij hier niet uitvoerig spreken. Daar zal wel gelegenheid voor zijn in een andere reeks. Volgens Gods Woord, is het de dag des oordeels van Jes. 2:12 enz. niet een dag van 24 uren. Johannes was « in de geest » in de dag des Heeren (niet « op ») en ziet dan ook al die oordelen geschieden. Bijna geheel Openbaring handelt over deze « dag ».
Wij vermelden terloops de eerste BRIEF VAN CLEMENT aan de Korinthiërs (einde der eerste eeuw), die spreekt van offeranden, die op regelmatige dagen en uren moeten gebracht worden. De « wet des Heeren » moest gevolgd, de « overpriesters », de « priesters » en de « levieten » hadden elk hun opdracht.
IGNATIUS (einde der eerste, begin der tweede eeuw), spreekt van een « dankzegging », een drinkbeker, en een altaar in zijn brief aan die van Filadelfia. In zijn brief aan de Efeziërs zegt hij:
« Laat ons de opzieners (bisschoppen) niet tegenstaan ». « Wij moeten de opzieners als de Heere zelve aanzien ».
|
Aan die van Smyrna schrijft hij:
Zij onthouden zich van de dankzegging en het gebed omdat zij niet aannemen, dat de dankzegging het vlees is van onze Heiland Jezus Christus ». « Volg de opziener, zoals Jezus Christus de Vader volgde, en de ouderlingen en Apostelen; en houdt de diakenen in ere, als naar Gods gebod. Laat niemand iets doen in betrekking tot de gemeente, zonder de opziener. Laat alleen die dankzegging waarde hebben, die gehouden wordt onder do opziener of iemand aan wie hij het heeft opgedragen. » « Het is niet goed apart van de opziener te dopen, of een liefdemaal te houden, maar wat hij goedkeurt is aangenaam voor God ». « Het is goed God en de opziener te erkennen ».
|
POLYKARPUS schrijft aan de Filippenzen en spreekt over Paulus' brief aan hen gericht, maar wat hij zegt, is geheel vreemd aan Paulus' leer.
Evenals de andere geschriften dier tijden, toont ook de « HERDER VAN HERMAS » dat die schrijvers een « wettisch » standpunt innamen.Rechtvaardigheid uit het geloof schijnt men niet goed meer te kennen. Zo wordt hier (M. 4:3) gezegd: « Indien ik niet meer zal zondigen, zal ik behouden worden ».
Wij willen nu ook uit de « Kerkelijke Geschiedenissen » van EUSEBIUS PAMFILUS nog een en ander leren over de ceremoniën welke gedurende de eerste eeuwen werden gehouden. Wij volgen de vertaling van A. A. Van der Meersch (1749).
Boek 2, Hoofdstuk 17. « Men verhaalt ook dat deze Filo ten tyde van Klaudius te Rome met Petrus, die daar het Evangeli toen predikte, gesprek heeft gehouden, 't geen ook niet onwaarschynlyk is, dewyl dat werk, waarvan we zo eve spraken, en 't geen door hem lang naderhand geschreven is, zeer duidelyk de kerkelyke regels bevat, welken thans nog onder ons in agt genomen worden. En in zyne zeer naukeurige beschryvinge der levenswyze van de Monniken onder ons, betoont hy duidelijk, dat hy dezelven niet alleen gezien hadt, maar ook zyne goedkeuring gaf, ja dat hy voor Goddelyk en in grote eerbiedt hieldt die Apostolische mannen, van welken hy spreekt, welke naar allen schyn uit de Hebreeuwen oorspronkelijk waren, en ter dier oorzake voor 't grootste gedeelte hunne oude zeden naar de Joodse wyze nog aankleefden. »
« Wat behoevenwe verder te spreken. van hunne byeenkomsten, en van hunne byzondere verblyfplaatsen, zo der mannen als der vrouwen, en hunne gewone oeffeningen, welken tot nog toe onder ons in gebruik zyn, en die wy inzonderheid op het feest van 's Heilands Lyden gewoon zyn te verrigten, te weten met vasten en waken, en 't lezen der Heilige Schriften; 't welk alles op dezelve wyze, gelyk het van ons ten huidigen dage nog wordt waargenomen, door den meermalen geme]den Schryver in dat Boek naaukeurig beschreven is. En inzonderheid beschryft hy de gehele Nagtwaken (of Pervigiliën) van 't grote Feest, de godsdienstige oeffeningen in dezelven, en de gezangen, welken wij dan gewoon zyn te zingen: hoe een naar de maat en deftig het gezang opheft, en de overigen, na met stilzwygen geluisterd te hebben, met den toezang van de laatste gedeelten der Gezangen hem beantwoorden; hoe zy ook op matrassen op den grond leggen, en zig, om zyne eigene woorden te gebruiken, geheel en al van Wyn onthouden, als mede van alles wat bloed heeft. Hunne drank is enkel water, en by hun brood gebruiken ze wat zout met hysope. Wyders beschryft hy de order van rang, dien zy houden.; zo van hun, die den Kerkelyken dienst waarnemen, als van de genen, die het Diakenschap, en boven dat alles de Bisschoppelyke waardigheid bekleden. Die genegen is dit alles nauwkeuriger te weten, kan het uit des mans gemelde schriften leren.
Dat nu Filo in deze beschryvinge de eerste verkondigers der Evangelilere en de instellingen, door de Apostelen van den beginne overgeleverd, op 't oog hebbe, kan een ieder duidelyk zien. »
Boek 5, Hoofdstuk 23. « Ten tyde dezer Bisschoppen ontstont er geen klein Geschil, ter oorzake de Kerken van geheel Azië, als ene zeer oude overlevering volgende, van gevoelen waren, dat men op den veertienden dag der Mane het Feest van 's Heilands Pascha behoorde te vieren( op welken dag den Joden bevolen was het Paaslam te slagten) en dat men zekerlyk op dien dag, op welken dag der weke hy ook mogte komen, een einde van het Vasten maken moest. De overige Kerken over de ganse aarde hadden van den anderen kant gene gewoonte van op deze wyze te werk te gaan, maar volgden volgens Apostolische overlevering die gewoonte, welke tot dezen tyd toe de overhand heeft: te weten, dat het niet geoorlofd is de Vasten op enen anderen dag te eindigen, dan op dien van de opstandinge onzes Heilands. Men hieldt dan over dit stuk Synoden en Byeenkomsten van Bisschoppen: en alle de Bisschoppen verwittigden eensgezind alomme aan de Kristenen door brieven den Kerkelyken Regel; dat men namelyk op genen anderen dag, dan op den Zondag, immer de Verborgenheid van des Heren Opstandinge uit den dood zoude vieren, en dat we op dien dag alleen zouden waarnemen een einde van de te maken. Daar is nog voorhanden zo een brief van enige Bisschoppen, die in Palestina toen ter tyd byeengekomen waren... »
Boek 5, Hoofdstuk 24. « Van den anderen kant beweerden de Bisschoppen in Azië, welken Polykrates aan hun hoofd hadden, dat men de hun vanouds overgeleverde gewoonte zorgvuldig moest bewaren. Polykrates zelf legt in zynen Brief, aan Viktor en de Kerke te Rome geschreven, de overlevering, welke tot hen was neergedaald, op deze wyze uit. « Wy dan vieren den regten dag, zonder bytevoegen, zonder aftetrekken. Want in Azië zyn grote Lichten ondergegaan, welken op den dag van de verschyninge des Heren zullen opstaan, wanneer Hy met heerlykheid uit den Hemel zal komen, en alle de Heiligen opwekken. (Als daar is) Fitippus, een der twaalf Apostelen, die te Hierapolis is ontslapen, benevens zyne twe Dogters, welken in den maagdelyken staat zyn oud geworden, alsmede zyne andere Dogter, welke in den Heiligen Geest gewandeld heeft, en te Efezen rust: Gelyk ook Joanmes, die op den borst des Heren lag, die Priester geweest is, een Voorhoofdplaat droeg, Martelaar en Leermeester was. Deze is te Biezen ontslapen: Wyders nog Polykarpus, die Bisschop en Martelaar te Struyrna was. En Thraseas, te Eumenië Bisschop en Martelaar, die te Smyrne rust. En wat behoeft men te spreken van Sagaris, die insgelyks Bisschop en Martelaar was, en te Laodioea is gesturven: of ook van den zaligen Papirius; of Metito, den gesnedenen, die alles in den Heiligen Geest bestuurde, en te Sardes begraven legt, verwagtende de toekomste des Heren uit den Hemel, wanneer hy uit den dood opstaan zal. Deze allen hebben den dag van Paassen op den veertienden (der Mane) volgens het Evangeli gevierd; niets veranderende, maar den Regel des Geloofs volgende. Wyders, Ik Polykrates zelf, die de minste van u allen ben, (heb altoos die gewoonte gevolgd) naar de overlevering myner naastbestaanden, waarvan ik met sommigen nog heb omgegaan. Want zeven Bisschoppen tel ik onder myne bloedverwanten, en ik zelf ben de agste; en altoos hebben zy dien dag gevierd, waarop hèt (Joodsche) Volk het zuurdeeg ophieldt te gebruiken. Weshalven Ik, Broeders, die vijfenzestig jaren oud ben in den Here, die met de Broederen, die op de gehele wereld zyn, heb gesproken, en de gansche Heilige Schrift heb gelezen, niet bevreesd worde door bedreigingen. Die meer zyn dan ik, hebben gezegd, dat men Gode meer moet gehoorzamen dan den menschen. »
Vervolgens spreekt hij van alle de Bisschoppen indiervoege: « Ik zou ook gewag kunnen maken van de Bisschoppen, welken by my zyn, en die gy begeerde dat ik byeen zoude roepen, gelyk ik gedaan heb; welker namen ene grote menigte uit zouden maken, indien ik ze schreef. Dezen my, gering Mensch, komende bezoeken, hebben in mynen Brief genoegen genomen: wetende, dat ik de grysheid niet te vergeefs drage, maar altyd in den Here Jezus gewandeld hebbe.
Hierop tragtte Viktor, de Bisschop van Rome, zo de Kerken van geheel Azië, als de daar nabygelegene, als onregtzinnige, terstond van de gemene Enigheid aftesneiden. Hy schreef derhalven brieven, waarin hy alle de Broeders aldaar ten enemale buiten de Gemeenschap (der Kerke) verklaarde. Dit egter behaagde geensints aan alle de Bisschoppen. Weshalven zy Viktor van 't tegendeel vermaanden en het bezinnen van vrede, enigheid en liefde met zynen naasten aanraadden. Ook zyn er nog Brieven in wezen van zulke Bisschoppen, welken Viktor met vry harde bestraffingen aantasten. En onder anderen schreef hem Ireneus, uit name der Broederen in Gallië, waarover hy Bisschop was. In dien Brief beweert hy wel, dat men alleen op den Dag des Heeren de Verborgenheid van 's Heilands opstandinge moet vieren: maar tevens ook vermaant hy Viktor op ene betamelyke wyze die gehele Kerken Gods niet aftesneiden, welken de overlevering ener oude gewoonte bewaren. Onder vele andere zaken gebruikt hy ook deze woorden: Niet alleen is er verschil over Dag, maar ook over de wyze zelve van het Vasten: want sommigen menen, dat zy enen dag, anderen dat zy twe, anderen dat zy meer dagen moeten vasten: anderen wederom rekenen den dag hunner (Vasten) uit veertig uren in den dag en den nacht elkander volgende. En dusdanig verschil in het waarnemen van het Vasten is er niet onlangs by onzen tyd, maar reeds lang te voren opgekomen ten tyde van die voor ons geleefd hebben, en, gelyk waarschynlyk is, zonder naaukeurigheid (de Vasten) houdende, oorzaak geweest zyn, dat de nakomelingen deze gewoente gevolgd hebben, welke uit eenvoudigheid en onkunde ontstaan is. En ondanks dit verschil hebben zy allen in vrede geleefd, gelyk wy met malkanderen nog in vrede leven. Ook bevestigt dit Verschil in het Vasten de eensgezindheid des geloofs. »
Hierop laat Ireneus een verhaal volgen, 't welk wy hier gevoechelyk zullen kunnen plaatsen, en dus luidt. « De Ouderlingen, welken voor Soter de Kerk, waarover gy nu gesteld zyt, regeerden, Anicetus namelyk, Pius, Hygtnus, Thelesforus en Xystus, hebben (die gewoonte) noch zelven behouden, noch aan die by hen waren toegelaten: en egter hebben ze niettemin, zelven (die gewoonte) niet waarnemende, vrede gehouden met zulken, die uit andere Kerken, waar die gewoonte wordt opgevolgd, by hen planten, (schoon het waarnemen daarvan onder hen, die haar niet waarnemen des te strydiger was) en nimmer is iemand om die maniere van Vasten uitgewurpen; maar zelfs die Ouderlingen, die voor u geweest zyn, en die gewoonte niet hadden, zonden aan hen, welken in andere Kerken waren, en die gewoonte waarnamen, het H. Avondmaal (Eucharistie). Ook als de zalige Polykarpus ten tyde van Anicetus te Rome was gekomen, en zy over enige andere zaken met elkander enig verschil hadden; zo hebbenze terstond de vreedzaamheid geoeffend; zelfs over deze hoofdzake met elkander niet sterk twistende. Want Anicetus kon Polykarpus niet overreden om die gewoonte te laten varen, alzo hy dezelve met Joannes, den Discipel des Heren, en met de overige Apostelen, waarmede hy verkeerd hadt, hadt waargenomen. Ook overreedde Polykarpus Anicetus niet om haar natekomen, alzo deze wederom zeide, dat hy behoorde te houden die gewoonte, welke hy van de Ouderlingen, zyne Voorzaten, hadt ontfangen. En in deze gesteltenisse van zaken hebbenze (de heilige) Gemeenschap met elkanderen gevierd. Zelfs heeft Anicetus het (bedienen van het) Avondmaal (Eucharistie) in de Kerke aan Polykarpus, eerbiedshalve namelyk, overgelaten; en zy zyn met vrede van elkanderen gescheiden, alle de Kerken, zo welken die gewoonte waarnamen, als die haar niet waarnamen, vrede houdende. »
En dit was, 't welk Ireneus, die de betekenis van zynen naam beantwoordde, (want die betekent Vreedzaam), en die op deze wyze ook een Vredemaker was, over de vrede der Kerke vermaande en leerde. Hy schreef ook verscheide Brieven, niet alleen aan Viktor, maar ook aan zeer vele andere Overheden der Kerken, waar in hy het zelfde over het onstane Verschil aanmaande.
Boek 3, Hoofdstuk 23. « Op dien tyd was de Apostel en Evangelist Joannes, die (Discipel) dien Jezus lief hadt, nogin leven, en bestuurde, na Domitiaans overlyden uit zyne Ballingschap van 't Eiland (Patmos) terug gekomen zynde, de Kerken van Azië. Dat 'Hy te dezer tyd nog in leven was, wordt volkomen bevestigt door getuigenissen van twe zeer geloofwaardige Mannen, beide voorstanders der kerkelyke regtzinnigheid, te weten Ireneus en Klemens van Alexandrië. De eerste schryft in zyn twede Boek tegens de Ketteryen woordelyk dit: « En alle de Ouderlingen, die in Azië met Joannes den Discipel des Heren verkeerd hebben, getuigen, dat Joannes het hun heeft overgeleverd: want hy is hun tot de tyden van Trajaan toe bygebleven. In het derde Boek van dat zelfde werk zegt hy het zelfde in deze woorden: « Maar ook is de Kerk van Efezen, die door Paulus gestigt is, en welke Joannes tot den tyd van Trajaan toe is bygebleven, van deze Apestolische overlevering ene waaragtige getuige'. »
Boek 3, Hoofdstuk 37. « Ten tyde van deze voorgemelden, bloeide ook Quadratus, welke gezegd wordt, benevens de Dogters van Filippus, door de gave der Profetie aanmerkelyk geweest te zyn. Behalve dezen waren er toen nog vele anderen beroemd, die den eersten rang onder de opvolgers der Apostelen bekleedden. Zij, uitmuntende Discipels van zo grote mannen, lieten niet na op de grondslagen, door de Apostelen gelegd, alom de Kerken op te bouwen, en de Prediking op het meest voort te zetten, verspreidende wyd en zyd over de gansche aarde het zaligmakende zaad van 't Koninkryke der Hemelen. »
Boek 3, Hoofdstuk 39. « Maar Papias zelf geeft, in de Voorrede zyner werken, duidelyk te kennen, dat hy geensints van iemand de Heilige Apostelen een oor- en ooggetuigen geweest is: want hy verhaalt, dat hy de zaken, die het Geloof betreffen, van de zulke welken gemeenzaam met hun hadden omgegaan, hadt ontfangen: zyne woorden zyn deze: « Het zal my niet vervelen voor u, met myne Uitleggingen dat, 't welk ik eertyds van de Ouderlingen heb geleerd, en 't welk ik wel heb onthouden, byeen ter neertestellen, naardien ik dus derzelver waarheid onwankelbaar make: want ik heb, gelyk de meeste anderen, nooit behagen gehad in die genen, welken veel zeiden, maar alleen in de zulken, die de waarheid leerden; noch in zulken, welken vreemde geboden, maar in hun, die geboden verhaalden, welken zekerlyk van den Here zyn overgegeven, en van de Waarheid zelve voortgekomen. En indien ergens iemand quam, die met de Ouderlingen gemeenzaam hadt omgegaan, zo vroeg ik naaukeurig wat de Ouderlingen zeiden: wat Andreas, wat Petrus, wat Filippus, wat Thomas, wat Jakobus, wat Joannes, wat Mattheus, of een ander der Discipelen onzes Heren plagten te zeggen: welke dingen Aristion en Joannes de Ouderling, Discipelen des Heren, zeggen: want ik was van gedagten, dat ik zoveel nut uit de boeken niet kon trekken, dan uit de levendige stemme der nog overgeblevenen. »
|
Men ziet hoe sterk overal de nadruk gelegd werd op het volgen der 12 Apostelen, met hoeveel zorg men naging wat zij gezegd en gedaan hadden. Paulus is geheel verlaten. Van de Grote Verborgenheid geen spoor meer.
Uit hoofdstuk 39 van Eusebius ziet men, hoe Papias er velen noemt, doch Paulus niet vermeldt. Dit heeft reeds de aandacht van velen getrokken en mannen als Baur en Renan hebben begrepen, dat Paulus werkelijk verlaten en zijn leer verworpen werd. Daar zij zelve Paulus' laatste openbaringen niet verstaan of niet geloofd hebben, dachten zij dat dit maar een tijdelijk verschijnsel in de « kerk » was en het Judaïsme dan de plaats van Paulus' leer innam. Nu is het niet moeilijk aan te tonen dat deze opvatting niet bevestigd wordt door de feiten, en dat heeft b. v. Lightfoot dan ook gedaan. Deze zegt onder meer, dat Irenaeus dan zeker iets zou gezegd hebben over die omwenteling in de « Kerk » en hij integendeel steeds spreekt over een voortschrijdende en zich ontwikkelende overlevering, die langs Papias, Polykarpus enz. teruggaat tot Johannes. Er was dus geen tijdelijke verandering van gedachte. In ons geval begrijpen wij dat Papias, al keerde hij zich van Paulus af, daarom toch geen judaïserende Christen behoefde te zijn. Het is ook duidelijk, dat zij, die Paulus loslieten, geen omwenteling veroorzaakten, omdat juist de geheele « kerk », van Johannes af zonder onderbreking zo handelde. Indien men later al tot een deel van Paulus' leer terugkwam, dan was dat vooral door de Hervorming en was dit wel degelijk een ware omwenteling.
Verder is Lightfoot in zijn inleiding op de Brief van Paulus aan de Kolossensen verwonderd, dat het, drie eeuwen na dat die brief geschreven werd, nog nodig was in het Concilie van Laodicea (363?) hen te vervloeken, die de sabbat vierden, die engelen aanbaden of aan afgoderij, toverij, astrologie enz. deden. Ons verwondert dat niet, omdat de Christenheid geen acht meer gaf op wat Paulus geschreven had.
Voor wat de vormen betreft, hebben wij uit de geschriften der eerste eeuwen heel wat gegevens over het verband tussen het Joodse Pascha, het Christen Paasfeest, de Roomse Mis en het avondmaal. In een volgend hoofdstuk zullen wij meer in het bijzonder de verhouding tussen Joods Pascha en Roomse Mis onderzoeken. Uit Eusebius en andere geschriften blijkt, dat de Christenen in het algemeen de Joodse hoogtijden hielden en in het bijzonder het Pascha. Die van Azië volgden de Joodse ceremonie het meest getrouw en voegden er dan een opstandingsfeest bij. Zij aten het paaslam op de avond van de 14e Nisan, zoals Israël. Des Heeren opstanding werd drie dagen later gevierd. Daar de 14 Nisan op elke dag der week kon vallen, was dit ook een moeilijkheid, want men geloofde reeds toen, dat de Heere op een Zondag uit de doden was opgestaan, al zegt de Schrift, dat het « op een der sabbatten » is. De opstanding werd dus gevierd op elke dag der week, terwijl zij, volgens hen, op een Zondag plaats had. Daarbij kwam nog een tweede moeilijkheid. Door het eten op de 14 Nisan onderbraken zij reeds drie dagen vóór het opstandingsfeest de vasten. De meeste kerken buiten Azië hadden daarom het eten van het paaslam maar verschoven tot de Zaterdagavond, die op de 14 Nisan volgde. Zo werd dan de vasten niet onderbroken tot op de dag der opstanding, en deze werd dan ook altijd op een Zondag gevierd.
Zoals wij gezien hebben, beroepen zich vooral de Aziaten op het voorbeeld der Apostelen. Zij durfden daarvan niet afwijken, al zagen zij, dat er iets niet in orde was. Wij hebben hier dus een geschiedkundige bevestiging van het feit, dat de Apostelen, zoals alle Christen-Israëlieten ten tijde der Handelingen, de ceremoniën der wet onderhielden. Wij zien niet in hoe het mogelijk zou zijn aan de woorden der « Apostolische Vaderen » te twijfelen. Als zij ons verzekeren, dat zij die vormen met de Apostelen hebben waargenomen, mag men dan nu zeggen dat het niet waar is? Die Vaderen waren toch geen leugenaars? Natuurlijk konden zij zich vergissen in hun opvattingen aangaande Gods Woord, zij hadden niet noodzakelijkerwijze een juist inzicht in de geestelijke dingen, maar bewust liegen deden ze toch niet.
Voor ons is deze zaak zeer eenvoudig. Wij geloven juist, dat ook de Apostelen de wet moesten volgen, dus ook het Pascha houden op de voorgeschreven dag. De moeilijkheid begint voor de Christenen na Handelingen 28, als zij dan nog de Apostelen willen volgen en zich in de plaats van Israël stellen. Zij hebben dan verschillende dingen die niet met elkaar kunnen overeen komen: Het paaslam op de 14 Nisan, een opstandingsfeest drie dagen later, doch op een Zondag, het eten van een paaslam en het vasten tot op de opstandingsdag. Men moest dus het een of het ander doen. Sommigen hielden meer aan de vroegere overlevering vast en aten de 14 Nisan, andere hielden meer aan hun Zondag en schikten de zaken dan zo goed mogelijk. Hieruit ontstond strijd en verdeeldheid. En dat kon niet anders, want men steunde niet meer op Gods Woord.
Uit latere geschriften ziet men hoe de gebruiken zich langzamerhand wijzigen. Het Christelijke Paasfeest verliest meer en meer het Joods karakter en wordt meer uitsluitend een opstandingsfeest. Het bijzonderste van het Pascha blijft echter behouden in de Roomse Mis en later in het avondmaal der Hervorming. In 325 besliste het Concilie van Nicea, dat alle kerken op Zondag het Paasfeest zouden vieren. Toch waren er toen nog steeds, die aan de 14 Nisan vasthielden. Zij werden « Quartodecimans » genoemd. (Zie Mosheim. Hist. Christ. Saec. 2, § 71). 14 is in het Latijn « quartodecim ».
Men ziet dus, hoe er, bij gebreke aan goddelijke voorschriften, langzamerhand een menselijk stelsel ontstond. Nu Israël ter zijde gesteld was, had voor God alle vorm, alle geopenbaarde « godsdienst » opgehouden. Nu moesten de mensen dus zelf wel iets in elkaar zetten. Zij ontleenden zoveel mogelijk aan Israël en de Apostelen, maar voegden er ook wat uit het Heidendom bij. Dit alles werd dan aangepast aan de omstandigheden en op straf van uitsluiting aan de gelovigen opgedrongen. Wij willen aannemen dat de Kerkvaderen tegoedertrouw handelden, maar het feit dat ze, door het niet volgen van Paulus, op onschriftuurlijke bodem stonden, moest hen wel tot onschriftuurlijke dingen leiden. Men kan nu trachten, zoals bij de Hervorming, terug te gaan tot de Schrift, doch zolang men dat niet radicaal doet en Paulus' laatste bekendmakingen gelooft, komt men toch niet tot een zuivere toestand en blijft men ten dele beïnvloed door allerlei overlevering.
Uit ons onderzoek der geschriften der eerste eeuwen zijn enige konklusies te trekken.
| 1. |
 |
De Apostelen volgden de wet gedurende Handelingen. |
| 2. |
 |
Het Christelijk Paasfeest was in de eerste eeuwen een navolging van het Joodse Pascha. Dit bewijst mede dat de Christenheid zich beschouwde als Israël vervangende. Aan de volken was het uitdrukkelijk verboden het Pascha te eten (Ex. 12:43 — 48). Als de gelovigen het toch deden, dan was het omdat zij zich als het « geestelijk Israël » beschouwden. |
| 3. |
 |
Men volgde de overlevering der 12 Apostelen van Israël, zover als dat enigszins mogelijk was. Hen volledig volgen kon men niet. |
| 4. |
 |
Behalve misschien enkele uitzonderingen, verliet men Paulus, niet alleen waar hij sprak over de Gemeente der Verborgenheid, maar zelfs in betrekking tot de rechtvaardiging uit het geloof alleen. |
| 5. |
 |
Er bestond toen een uitgebreide kerkorganisatie, door de kerkvaders ingericht, ook ten dele in navolging der Apostelen. De leiders, vooral de « opzieners », krijgen meer en meer macht, worden zelfs naast God geplaatst. |
| 6. |
 |
Er is niet één overlevering, maar er zijn allerlei overleveringen, afhangende van plaats en tijd. Zij die nu nog op die overleveringen willen steunen, zullen moeite hebben uit te maken, welke de juiste is en zullen dan vinden, dat het niet mogelijk is ze te volgen. |
Alle tegenwoordige kerken en sekten kunnen terug wijzen op een deel van de overleveringen of op de delen der Schrift van vóór Handelingen. Alles kan men niet tegelijk vasthouden. Men moet de nadruk op het een of ander leggen en het overige er aan opofferen. Zo hebben dan al die groepen gelovigen ten dele gelijk. Van een eenheid kan er natuurlijk geen sprake zijn. Die is alleen mogelijk, als men de Schrift waar mogelijk, letterlijk gelooft en dan ook werkelijk (niet alleen in woorden) aanneemt, wat Paulus heeft geschreven over zijn openbaringen. Men ziet telkens weer hoe belangrijk het is de eigenlijke Gemeente te onderscheiden. Sommigen noemen dat bijzaken, zijpaden, en zeggen dat het van het meest belangrijke afvoert! Zij zijn niet alleen blind voor die grote verborgenheid, maar ook voor hetgeen de hele Kerkgeschiedenis ons leert.
VI. DE ROOMSCHE KERK. Top
HAAR OPVATTING. Rome steunt op de kerkvaders en hetgeen wij in het vorig hoofdstuk gezien hebben, is dan ook op Rome toepasselijk. De leer werd de eeuwen door natuurlijk verder ontwikkeld en men weet welke grote rol ook b. v. Augustinus hierin gespeeld heeft. Telkens had men dan Conciliën. Ook het onderzoek der ketterijen, bracht de leer langzamerhand tot een afgewerkt geheel dat,waar het de hoofdzaken betreft, alle aanval kon trotseren en dat dan ook bewezen heeft. Er is maar één zwak punt en dat is de basis van dat hele gebouw. De Schrift, tenzij vergeestelijkt, weet niets van een kerk, die, vooral in deze aioon, op Petrus opgericht is. Wij behoeven hier niet te redetwisten over de betekenis van « Op deze petra » enz. Zien wij in, dat de 12 Apostelen eerst in de toekomende eeuw, na hun opstanding, hun volle taak zullen beginnen te vervullen als zij, gezeten op 12 tronen de 12 stammen Israëls zullen oordelen, dan valt hiermee van zelf voor onze tijd:
1. Petrus als « opperhoofd » der kerk.
2. De « apostolische opvolging ».
3. De « apostolische overlevering ».
Ook de Roomse kerk kan slechts bestaan met God niet te geloven in al hetgeen Hij in Zijn Woord heeft laten neerschrijven. Wij bedoelen natuurlijk: niet geloven zoals Hij het zegt, maar alleen in een « geestelijke » zin.
Zij is wel verplicht het grootste deel der profetie te vergeestelijken en de « Kerk » in de plaats van Israël te stellen. Waarom Israël dan nog steeds door God bewaard wordt, tracht zij uit te leggen met te zeggen, dat dit volk nu nog een getuige moet zijn van de waarheid der Schrift en van de feiten waarop het Christendom steunt. Een toekomst heeft dat volk voor hen niet meer. Wel kunnen zij zich bekeren en dan als Christenen, als behorende tot de « Kerk », gezegend worden. Wat de profeten zeggen over hun terugkeer naar het beloofde land, betreft hun ballingschap in Babylonië. Enkele Rooms Katholieken geloven in de tweede komst van Christus en de vorming van een Messiaans rijk.
In haar strijd tegen de Hervorming, poogt Rome te bewijzen, dat, behalve het geschreven Woord, het nodig is een mondelinge overlevering aan te nemen. Bij nader onderzoek blijkt dit standpunt heel logisch, als men de « Kerk » met Pinksteren laat beginnen en op haar toepast, wat aan Israël gegeven werd.
Vele dingen, betreffende het ritueel der Joodse feesten, offeranden enz. waren inderdaad niet opgeschreven. Nu hielden de Apostelen de ceremoniën der wet en de « Hoogtijden des Heeren » gedurende de periode der Handelingen. Wil men dus « Apostolisch » zijn, dan moet men hen navolgen en die vormen zoveel mogelijk op dezelfde wijze houden. Men moet dus naast de Schrift allerlei andere dingen aannemen, die door overlevering van de Apostelen komen.
Zij, die de bijzondere openbaringen van Paulus aannemen, ontsnappen aan deze moeilijkheid. Zij weten, dat de 12 Apostelen voor de besnijdenis zijn en Paulus, toen hij in de gevangenis was, een boodschap bracht geheel afgescheiden van Israël en de 12. Zij nemen dus de 12 niet als model, maar Paulus, zoals hij na Hand. 28 wandelde. Alle overlevering van vroegere bedelingen is dus niet op hen toepasselijk.
Wij zagen reeds, hoe de Christenen in Azië zich beriepen op Johannes en de andere Apostelen der besnijdenis, voor de dag waarop het Pascha moest gevierd worden. Wij zullen nu verder zien op welke wijze die Apostelen dat Pascha-feest vierden. Dat is de norm voor hen, die zich « Apostolisch » noemen. Het blijkt dan, dat de Roomse en Anglicaanse Kerken waarschijnlijk het meest getrouw deze « Apostolische overlevering » navolgen. Men komt zo tot het besluit, dat deze kerken in deze nog het meest logisch zijn, zodra men aanneemt, dat de « Kerk » in de plaats van Israël treedt en men geen oog heeft voor de verborgenheid, die van alle eeuwen verborgen was in God.
De Reformatie voelde wel, dat er iets niet in orde was met Rome, maar wist de grondfout niet te vinden. Zij kon in de eerste plaats wijzen op vele misbruiken in de Roomse Kerk en vervolgens ook op verschillende punten, waar de Roomse leer niet getrouw was aan Gods Woord. Door haar traditie was Rome noodzakelijk vervreemd van de leer van Paulus. Zo was er heel wat te zeggen tegen de wijze, waarop zij de rechtvaardigmaking verstond. Zij bleef in deze op de hoogte der « Apostolische vaderen », die ook nagenoeg niets van Paulus onderwijs kenden, en was zeer in het spoor van Israëls rechtvaardigheid uit de wet.
De hoofdzaak van Rome's dwaling kon de Hervorming echter niet aanwijzen. En dat kan nog geen enkele « protestantse » kerk. Want deze kerken begaan zelf de hoofd fouten. En daarom staat Rome dan ook heel sterk. Juist de Hervorming zuiverde de Roomse kerk, zodat deze, in zekere zin, versterkt uit de strijd kwam. Als men de leer dezer kerk goed nagaat (niet de toepassing en de misbruiken), dan blijkt dat deze zeer logisch in elkaar zit, zolang men zich van Paulus' laatste openbaringen afwendt. Men is dan verplicht de overlevering te aanvaarden en dan kan zij haar standpunt heel goed verdedigen.
Wil men Rome's zwakke plek treffen, dan moet men het zwaard des Geestes gebruiken. Men gelooft dan letterlijk zowel de profeten in wat zij van Israël zeggen, als Paulus in wat hij van het « Mede-Lichaam » zegt. Rome doet noch het een, noch het ander. Men moet aantonen dat de 12 Apostelen (waarbij dus Petrus, de « steenrots » waarop de Roomse Kerk steunt) voor de besnijdenis zijn en eerst in de toekomende aioon, na hun opstanding, hun volle zending zullen vervullen. Hoe meer zij dan bewijzen, dat zij de « Apostolische overlevering » vasthouden, hoe meer zij zelf hun dwaling aantonen. Alle overlevering valt dan van zelf, omdat er na Handelingen geen voortzetting is van de toestanden, die toen heersten, maar naar Gods wil een geheel nieuwe bedeling begint, Zo neemt men op radicale wijze de basis van hun stelsel weg: zowel Petrus, als de « Apostolische overlevering ». Hieruit kunnen zij zich slechts op één wijze redden: zichzelve toeëigenen, wat God aan Israël belooft, de Schrift vergeestelijken of, door « moderne kritiek », te niet doen. En dit kan maar door hén kwalijk genomen worden, die het zelf niet doen.
HAAR CEREMONIEN, Wij willen hier nu verder nagaan, hoe gemakkelijk de Roomse en Anglicaanse Kerken kunnen bewijzen, dat zij, en zij alleen, de ware « Apostolische overlevering » hebben, Wij handelen hier alleen over de « mis ».
In de eerste eeuwen werd weinig over de mis geschreven, ten dele omdat men er in het openbaar, met de niet-gedoopten, niet over sprak; ten dele omdat het niet nodig was als men aanneemt, dat de Apostelen der besnijdenis reeds het hele ritueel hadden bepaald. De Roomse Kerk wijst nu op de eerste « mis », die door de Heere Jezus Zelf zou ingesteld zijn. Op grond der Schrift kunnen zij onmiddellijk beweren, dat die ceremonie deel uitmaakte van het Joodse Pascha, dat Hij ongetwijfeld naar het Joods gebruik vierde. Hij voegde er een en ander bij, maar keurde overigens het gehele ritueel goed, ten minste voor wat het laatste deel betreft, door het op zo'n plechtig ogenblik te volgen. Als Hij dan zegt: « Doet dit » spreekt het van zelf, dat het gehele ritueel bedoeld wordt. Of dan toch ten minste dat deel, waaraan Zijn bijzondere handelingen en woorden zo intiem mee verbonden zijn. Is men hiervan niet overtuigd, dan heeft men nog de getuigenis der « Apostolische vaderen », dat de Apostelen zelf het Pascha getrouw waarnamen. Deze Apostelen, allen uit Israël, waren natuurlijk volledig met het Joodse ritueel bekend en waren ook bevoegd er eventueel zekere veranderingen in aan te brengen.Zij konden die vormen dan verder mondeling of schriftelijk aan anderen mededelen. Men kent b. v. de « Apostolische Constitutieën » uit de 4 of 5 eeuw , die in alle onderdelen de « mis » beschrijven. Overal werd zij toen nagenoeg op dezelfde wijze gehouden, wat op een gemene bron wijst. Zoals wij verder zullen zien, is dit ritueel praktisch hetzelfde als dat van het Joodse Pascha en als men nu in aanmerking neemt, dat er een grote vijandschap heerste tussen de Christenen en de Joden der eerste eeuwen, spreekt het van zelf, dat een dergelijk ritueel niet later overgenomen werd, toen men juist alles vermeed wat Joods was, maar voortkwam van de 12 Apostelen zelf. Zonder hun voorbeeld, in de tijd der Handelingen, zou men nooit die Joodse vormen slaafs gevolgd hebben.
De meeste onzer gegevens ontlenen wij aan een studie « Messe und Pascha » van Dr. G. B. Bickwell, een Roomse professor in de Oosterse philologie (taalkunde), die in het Duitse, Rooms-Katholieke blad « Katholik » hierover in 1871 schreef. Hij heeft de verschillende liturgiën, in de oude handschriften onderzocht en vergeleken.
| 1. |
 |
Over de liturgie der roomse « mis ». In de 5 eeuw zijn er verschillende, liturgiën bekend. Allen stemmen met elkander goed overeen, behalve aanpassingen aan plaatselijke omstandigheden en gelegenheden. Men houdt de « Clementische » liturgie, zoals opgegeven in de « Apostolische Constitutieën » voor de oudste. Later werden zekere deden, zoals het « eucharistisch » gebed veel verkort. Door het ontstaan van andere « christelijke » feesten, die de nadruk legden op een of ander punt, werd het onnodig in de « mis » over allerlei uit te wijden. Andere dingen werden er naar de omstandigheden ook bijgevoegd. De zuivere Apostolische liturgie vindt men echter waarschijnlijk nagenoeg geheel in deze « Clementische ». Dat deze gedurende de eerste eeuwen gevolgd werd, blijkt ook uit enkele opmerkingen uit de geschriften dier tijden. |
| 2. |
 |
Over de liturgie van het Joodse Pascha. Vooreerst vinden wij de grote lijnen in Exodus, Leviticus en Numeri.
Later kon het niet zo gehouden worden als de eerste maal in Egypte, daartoe waren de toestanden te verschillend. De Joodse leraars moesten wel een en ander wijzigen of er aan toevoegen. De oudste bron, die na de Schriften, ons inlicht over de wijze, waarop het ten tijde van onze Heere Jezus gevierd werd, is de Mischna (in de 2 eeuw opgeschreven volgens wat de Rabbi's der 3 vorige eeuwen leerden). Men vindt verder ook een en ander in de Tosiphta (een vervollediging der Mischna). Dan zijn er ook beschouwingen van latere Rabbi's over deze dingen in de twee Gemara's (4 — 5 eeuw). Ook in latere geschriften vindt men verdere aanduidingen. |
Het is van belang er op te wijzen, dat het paaslam een ware offerande was. Het werd in de tempel geslacht en het bloed door de priesters aan het altaar gesprengd. Het vet werd verbrand en het vlees dan gegeten. Na de verwoesting van de tempel kon dit natuurlijk niet meer gebeuren. Het ritueel werd dan ook later, zoals ook in onze tijd, aan de omstandigheden aangepast.
Wij menen dat het niet nodig is die ingewikkelde ceremonie in alle delen te beschrijven, uitgezonderd wat het laatste deel betreft. Het zal hier voldoende zijn er op te wijzen, dat er gedurende het Pascha 4 drinkbekers gedronken werden. De eerste was die van de « Kiddusch » of feest-inwijding; de tweede, die van de « Haggada » of het Paasverhaal voor de kinderen; de derde, die van de tafelzegen; de vierde, die van de « Hallel » of het lofzingen. Bij de 4 beker behoorde een lange dankzegging en deze beker werd dan ook in het bijzonder (ook b. v. door Paulus) de beker der dankzegging genoemd. Het is ook belangrijk voor het begrijpen van wat de Griekse Schriften er over zeggen, te weten dat tussen de tweede en derde beker een gewone maaltijd gehouden werd, die niet tot het ritueel behoorde en waarschijnlijk de maaltijd is, die later door de Christenen de « Agapè » genoemd werd. Deze maaltijd maakte geen deel uit van het Pascha, maar was er toch nauw aan verbonden.
Tussen het inschenken en het drinken van de vierde beker werden Psalmen gezongen, werd gebeden, enz. Men drukte ook het verlangen uit naar het « Messiaansche tijdperk » en het « eeuwig leven ». Later werd er ook bijgevoegd: « Dit jaar hier, toekomend jaar in het land Israëls; dit jaar knechten, toekomend jaar vrijen ». « Toekomend jaar in Jeruzalem ». Men weet ook, dat het de gewoonte was het Pascha in liggende houding te gebruiken. Men steunde namelijk op de linkerzij. Alleen de vrije lieden aten toen in deze houding en men drukte alzo uit, dat men uit Egypte bevrijd was.
Als merkwaardigheid voegen wij hierbij nog het volgende, dat ook bij het Pascha werd uitgesproken: « In elk geslacht, moet de mens zich aanzien als zelf uit Egypte getrokken, zoals geschreven staat: Om hetgeen, wat de Heere bij mijn uittocht uit Egypte aan mij gedaan heeft. Niet alleen onze vaderen heeft de Heilige, Hoog geprezene verlost, maar ook ons met hen, zoals geschreven staat: Hij heeft ons van daar uitgevoerd, om ons te brengen in het land, dat Hij gezworen heeft onze vaderen en ons te geven. »
Op elke feestdag hadden de Joden ook een morgengebed. Dit vindt men, zoals wij zullen zien ook terug in de « voormis ».
Steunende op al deze gegevens, heeft Dr. G. Bickwell een lijst opgesteld van al wat gedaan en gesproken werd bij het Joodse morgengebed en het einde van het Pascha en daarnaast geplaatst wat behoort tot de « voor-mis » en « mis ». Bij het Joods gedeelte heeft hij ook de woorden gevoegd, die door de Heere Jezus bij het Pascha werden uitgesproken. Hier volgt de vertaling van een deel van die lijst.
Einde van het Sabbat-morgengebed. |
Voor-mis der Clementische liturgie. |
| 1. Voorlezing van een deel uit de boeken van Mozes (Parascha). |
1. Voorlezing van een deel uit de boeken van Mozes. |
| 2. Voorlezing van een deel uit de profeten. (Haftara). |
2. Voorlezing van een deel uit de profeten. |
| |
Psalmzang tussen de delen der voorlezing. |
| |
Delen uit de brieven van het N. T. |
| |
Gebeden en zegeningen vóór het wegzenden der katechisanten en anderen, die de mis niet mochten bijwonen. |
| Sabbat-morgengebed. |
1 Clementische « Collecte » |
Clem. intercessie gebed |
2 Clem. « collecte » |
4. De hemel geve genade, gunst, erbarmen, lang leven, rijk onderhoud, hemelse hulp aan onze Heeren en leraars, de heilige Collegiën in het land Israëls en in Babel,... Antwoord: Amen. |
4. Voor de vrede en het rustig bestaan der wereld en der h. kerk, laat ons bidden. A, Kyrieleison. Voor de h. kathol. apost. kerk. voor elk episcopaat, ook voor onze priesters, laat ons bidden... voor het ganse diakonaat in Christus en het bedienaarschap, laat ons bidden... Voor lectoren, zangers, jonkvrouwen, weduwen en wezen, laat ons bidden... A. Kyr. |
4. Wij bidden U, Heere, voor Uw h. kerk voor het episcopaat... het gans presbyterium, voor de diakenen en de ganse clerus. |
4. Voor elk episcopaat, het ganse presbyteriums, het ganse diakonaat in Christus en het dienaarschap, voor de eenheid der kerk, laat ons bidden. A. Kyr. |
5. De hemel geve genade aan deze ganse gemeente, de groten met de kleinen; kinderen en vrouwen. De Koning der wereld zegene U. Laat ons zeggen: A. Amen. Hij Die onze Vaderen Abraham, Izaak en Jakob gezegend heeft, zegene ook |
5. Ook voor al de aanwezigen en heil. Diocese laat ons bidden. A. Kyr. Voor hen, die in het huwelijk en het opvoeden van kinderen leven, laat ons bidden, dat de Heere zich over allen erbarme. A. Kyr. |
5. Verder offeren wij U voor dit volk, voor hen die in maagdom en afsterving leven, voor de weduwen der kerk, voor hen die in eerbaar huwelijk en kinderopvoeding leven, voor de onmondigen van Uw volk, opdat Gij geen onzer verwerpet. |
5. Voor deze kerk en dit volk laat ons bidden. A. Kyr. |
| deze ganse h. gemeente met alle andere h. gem. U en Uw vrouwen, zonen en dochteren, en al de uwen. |
|
|
|
6. En allen, die huizen tot gebedsplaatsen gemaakt hebben,en daarin gaan om te bidden, en die daarin lichten plaatsen en wijn geven voor Kiddusch en Habdala, en brood voor dwalenden en aalmoezen voer armen en allen die trouw voor de aangelegenheden der gemeente zorgen, verleene de Heilige en Geloofde loon en verwijdere van hen alle krankheid en heilige hun lichamen en vergeve al hun zonden en zende zegen en voorspoed op al het werk hunner handen en op geheel Israël, hun broeders, en laat ons zeggen: A. Amen. |
6. Voor hen, die vrucht brengen in de h. kerk en de armen aalmoezen geven, laat ons bidden. Ook voor hen, die offeranden en eerstellingen geven, laat ons de Heere, onze God bidden, opdat de algoede God hen vergelde met Zijn hemelse gaven en hen in deze wereld het honderdvoudige geve en in de toekomende het eeuwige leven, en hen in plaats van het aardse, het hemelse geven. A. Kyr. |
|
|
7. Hij die gezegend heeft, zegene de moeder N.N. met haar pasgeboren zoon. N. N. — Moge hij opwassen tot de wet en tot goede werken, en laat ons zeggen: A. Amen. |
7. Voor gesnedenen, die heilig wandelen, laat ons bidden. Voor hen die in onthouding en versterving leven, laat ons bidden. A. Kyr. |
|
|
8. Hij Die gezegend heeft zegene allen, die zich opgelegd hebben des Maandags en Donderdags te vasten en laat ons zeggen: A. Amen. |
8. Laat ons gedenken de onmondigen der kerk, opdat de Heere ze in Zijn vreze voleinde en tot de mate van de volle wasdom brenge. A. Kyr. |
|
|
| 9. Hij die gezegend heeft geneze N. N. en zende hem spoedig volkomen genezing van de hemel, evenals de andere kranken in Israël, genezing der ziel en des lichaams, en laat ons zeggen: A. Amen. |
9. Voor onze, door krankheid beproefde broeders, laat ons bidden, opdat de Heere ze bevrijde van alle krankheid en zwakte en Hij ze Zijn h. kerk gezond weder geve. A. Kyr. |
9. Ook bidden wij voor de kranken, opdat Gij hun zaak zoudt in orde brengen, en hun aller Helper en Beschermer moget zijn. |
|
| 10. Hij, die aan de Koningen zege verleent — Hij zegene, beware, ondersteune, verhooge, en make groot onze beroemde heerser N. N. Hij geve in zijn hart, en in het hart van zijn raadgevers en |
10. Voor onze vijanden en haters laat ons bidden, opdat de Heere hun gemoed verzachte en hun toorn tegen ons verdwijne. A. Kyr. |
10. Verder roepen wij U aan, O Heere, voor de koning en de oversten en het ganse leger, opdat zij vredevol jegens ons gezind wezen... |
10. Voor koningen en oversten laat ons bidden, opdat zij vredevol jegens ons gezind wezen, opdat oversten, dat zij ons en het ganse Israël goed mogen doen, en laat ons zeggen: A. Amen. |
| 11. God gedenke de zielen mijner ouders, grootouders, ooms en tantes, broeders en zusters, die in de eeuwigheid gegaan zijn; hun zielen mogen gewikkeld zijn in de bundel des levens met de zielen van Abraham, Izaak en Jakob, Sara, Rebekka, Rachel en Lea, en met alle andere rechtvaardigen, die in het paradijse Eden zijn, en laat ons zeggen: |
11. Voor alle Christelijke ziel, laat ons bidden. A. Kyr. |
11. Verder offeren wij U ook voor alle heiligen, die aan U van het begin der wereld een welgevallen hadden, voor aartsvaders en profeten. |
11. Laat ons de heilige martelaren herdenken, opdat wij waardig geacht mogen worden aan hun strijd deel te nemen. A. Kyr. |
A. Amen. God gedenke de zielen van al mijn verwanten welke om de heiliging Zijns naams gedood zijn geworden en laat ons zeggen: A. Amen. De Vader des erbarmens neme in erbarmen te huis de vromen, rechtvaardigen en onschuldigen, de heilige scharen, die hun leven gaven voor de heiliging Zijns naams — Onze God gedenke hen ten goede, met de overige rechtvaardigen van het begin der wereld af. |
|
|
|
12. Het zij U welgevallig, Heere onze God en God onzer Vaderen, ons deze maand te hernieuwen ten goede en ten zegen, en ons te geven rijk leven, leven des vredes en des goeden, des zegens en der voeding des rijkdoms en des ere-levens, in hetwelke de wensen onzes harten ten goede vervuld worden. A. Amen. Zegen ons, Heere onze God, dit jaar en alle soorten vruchten ten goede, en geeft dauw en regen tot zegen op de aarde en verzadig ons met Uw goede. Wij loven U, O Heere, Die de jaren zegent.
A. Amen. |
|
12. Verder offeren wij U voor de goede temperatuur der lucht en de rijke opbrengst der vruchten, opdat wij steeds van Uw goed ontvangende, U onophoudelijk prijzen, Gij Die Alle vlees spijze geeft. |
12. Voor de goede temperatuur der lucht en de rijke opbrengst der vruchten, laat ons bidden. A. Kyr. |
| Sabbat-morgengebed. |
Clementische vóór-mis |
| 13. Aëronitiesche zegen. |
13. Zegening des priesters over de gelovigen. |
| 14. Geef vrede over ons en over Uw ganse volk Israël. Want het is U welgevallig, op elke tijd en uur Uw volk met Uwe vrede te zegenen. Geloofd zijt Gij, Heere, Die Uw volk Israël met vrede zegent. |
14. De vrede des Heeren zij met u allen. A. En met uw geest. Vredekus. |
| Einde van het Pascha |
Clementische liturgie |
Jakobus-liturgie |
15. Bereiden van het brood en inschenken van de beker der dankzegging. (Hallel). |
15. Opdragen van brood, wijn en water. |
|
| 16. Ingieten van het water in de beker. Opdracht aan de jongeren, later allen uit deze beker te drinken. |
16. Mengen van wijn met water, Handwassing. Stil gebed van de priester. Paulinische tegenformule met antwoord. Verhef uw zinnen opwaarts. A. Wij hebben ze tot de Heere verheven. |
|
17. Dankt de Heere want Hij is goed. A. Want Zijn goedertieren- heid is in der eeuwigheid. Nu zegge het huis Israël: A. Want Zijn goedertierenheid... Nu zegge het huis Aarons: A. Want... Nu zeggen zij die de Heere vrezen: A. Want... |
17. Laat ons de Heere danken. A. Dat is billijk en recht. |
|
| 18. Al uw werken mogen U prijzen, O Heere Uw vromen, de rechtvaardigen,die Uw wil doen, en Uw ganse volk Israël moge Uw naam met jubel dankzeggen, U prijzen, loven, roemen, heiligen en verheerlijken, O onze Koning Want het is goed, U dank te zeggen, en het betaamt Uw naam lof te zingen, want Gij zijt van eeuwigheid tot eeuwigheid, O God. |
18. Het is waarlijk billijk en recht, voor alles, U de alleen ware God, te prijzen. |
18. Het is waarlijk billijk en recht, betamelijk en gevoegelijk U te loven, te bezingen, te prijzen, te aanbidden, te verheerlijken, U te danken de God en Heere over alles. |
| 19. Wij willen Uw Naam heilig prijzen op aarde, zoals men Hem heilig prijst in de hemel hoogten, zoals geschreven staat door Uw profeten, dat de een de ander toeriep en sprak: |
19. Voor alles, zij U roem, almachtige Heerser. U aanbidden de talloze scharen der engelen... de Cherubim en de zesvleugelige Seraphim. ... welke onophoudelijk en zonder te zwijgen roepen: |
19. U lofzingen de engelen, aartsengelen... de veelogige Cherubim en de zesvleugelige Seraphijnen zij roepen de een tot de ander met niet rustende mond, met niet zwijgende lofprijzingen: |
| 20. A. Heilig, heilig, heilig is de Heere Sebaoth; de ganse aarde is vol van Zijn heerlijkheid. Met wisselende koren zeggen zij: Geloofd zij Hij... |
20. A. Heilig, heilig, heilig is de Heere Sebaoth; hemel, en aarde zijn vol van Zijn heerlijkheid, geloofd in eeuwigheid. Amen. |
20. A. Heilig, heilig, heilig is de Heere Sebaoth; hemel en aarde zijn vol van Zijn heerlijkheid. |
21. Och Heere, Hosianna. A. Och Heere Hosianna Och Heere,geef ons voorspoed. A. Och Heere geef nu voorspoed. Gezegend zij hij, die daar komt. A. In de naam des Heeren Wij |
21. A. Hosianna de Zone Davids. Geloofd, Die komt in de Naam des Heeren. De Heere is God, Die ons licht geeft. |
21. A. Hosianna in de hoge. Geloofd Hem, Die komt in de Naam des Heeren. Hosianna in de hoge. |
zegenen ulieden. A. Uit het huis des Heeren. De Heere is God, Die ons licht geeft. |
|
|
| 22. Looft de Heere, want Hij is goed. A. Want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid. |
22. Want in waarheid zijt Gij heilig en geheel heilig, de Hoogste en Die in eeuwigheid verheerlijkt moet worden. |
22. Ja, heilig zijt Gij en prijzenswaardig en groot is Uw naam. |
23. Looft de God der Goden. A. Want Zijn... Looft de Heere der Heeren A. Want. |
23. Hij Die is vóór alle schepselen, van Wien alle vaderschap genoemd wordt in hemel en aarde, de alleen Onverwekte en Aanvangsloze, die noch koning, noch heer over zich heeft, zonder behoefte... |
23. Heer en Schepper van alles, Koning der koningen, Heere der Heeren... |
24. Die alleen grote wonderen doet. A. Want... Die door Zijn Wijsheid de hemel gemaakt heeft. |
24. Uit Wien het alles in het zijn gekomen is. Want Gij zijt de Kennis zonder begin,... de onverworven Wijsheid |
|
| 25. Die de aarde op de wateren heeft uitgebreid. |
25. En de aarde op niets gegrond heeft door Zijn inzicht. |
|
| 26. Die grote lichten gemaakt heeft. De zon tot heerschappij des daags. De maan en de sterren tot heerschappij des nachts. |
26. Die het firmament bevestigd, de dag en nacht gemaakt heeft, die licht voortbrengt ... Die de zon in de hemel verordineerd heeft tot heerschappij des dags en de maan tot heerschappij des nachts en het koor der sterren ... (Beschrijving der overige scheppingswerken — Val des mensen enz.) |
|
| 27. Die de Egyptenaren trof in hun eerstgeborenen — En Israël uit hen uitvoerde — Met sterke hand en opgerichte arm — Die de Schelfzee deelde — En Israël doorvoerde — En Pharao met zijn leger verdronk.
28. Die Zijn volk in de woestijn voerde. |
27. Gij, O Heere, vergat de van de Egyptenaren verdrukte Hebreeën niet... de tien plagen. De zee delende, liet Gij Israëlieten doorgaan, de vervolgende Egyptenaren echter verdronkt en vernietigdet Gij er in. |
|
| 28. Die zijn volk in de woestijn voerde. |
28. Door een hout hebt Gij het bittere water zoet gemaakt, liet Gij water uit de rots komen enz. |
|
| 29. Die grote koningen versloeg — En trotse koningen doodde — Sihon de k. der Amorieten — En Og, de k. van Basan — En hun land ter erfenis gaf tot een erfenis Israëls, Zijn dienaar. |
29. Jozua als legeroverste aanstellende, hebt Gij zeven volken der Kanaänieten door hem verdelgd, de Jordaan gedeeld... |
|
30. Die in onze vernedering aan ons gedacht heeft. A. Want... En ons gered heeft van onze vijanden. A. Want... |
30. Heilig is ook Uw eniggeboren Zoon, onze Heere, Jezus Christus, Die... |
|
31. Het brood wordt aangevat. « Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor U gebroken 2 wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. » |
31. Want in de nacht, in welke Hij verraden werd, het brood nam in Zijn heilige en vlekkeloze handen, en tot U, Zijn God en Vader, opblikkende, brak Hij het, gaf het de jongeren, zeggende: Dit is de verborgenheid van het Nieuwe Verbond, neemt daarvan en eet, dit is Mijn lichaam, dat voor velen gebroken wordt tot vergeving der zonden. |
|
| 32. De drinkbeker wordt aangevat. Drinkt allen daaruit,deze drinkbeker is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed, hetwelk voor velen vergoten wordt. |
32. Desgelijks gaf Hij hun de drinkbeker, nadat Hij hem met wijn en water gevuld en gewijd had,zeggende: Drinkt allen daaruit, dit is Mijn bloed hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden. |
|
| 33. « Doet dat, zo dikwijls als gij dien drinkt, tot Mijn gedachtenis. Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en deze dinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt. » |
33. Doet dat tot Mijn gedachtenis. Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en deze drinkbeker zult drinken, zo zult gij Mijn dood verkondigen, tot Ik kome. Waarin wij dus Zijn leven en dood, Zijn opstanding en hemelvaart gedenken en ook Zijn komende tweede komst. |
|
34. Geeft dit brood aan alle vlees. A. Want... |
34. Opoffering van het leven en bloed van Christus, aanroeping van de Heilige Geest en zegenrijke werking der gemeenschap, het eucharistische offer voor allen gebracht. Zij liggen aan. |
|
35. Looft de God des hemels. A Want... Want U behoort, O Heere onze God van onze vaderen, lied, prijs... A. Amen. |
35. Want U is de eer, vreze, dankzegging... A. Amen. |
|
| 36. Breken des broods. |
36. Breken der hostie. |
|
| 37. Dankzeggings-psalm. |
37. Dankgebed. Zegen. |
|
In het vorige gaven wij naast elkander het ritueel van het Pascha, met bijvoeging van hetgeen de Heere deed en zei, en dat der Roomse mis.
Men zal moeten toegeven, dat de overeenstemming merkwaardig is en alleen kan uitgelegd worden door aan te nemen, dat de eerste Christenen dit alles van Israël overnamen. Ook de ceremonie der Anglicaanse kerk komt overeen met het Pascha. De Roomse en Anglicaanse Kerken schijnen dan ook wel het meest « Apostolisch » te zijn, d. i. zij houden het meest vast aan de overlevering der 12 Apostelen der besnijdenis. Zij staan dan ook het verst van Paulus. De Hervorming is niet consequent. Zij heeft iets meer van Paulus, doch houdt ook vast aan de 12. Zoo komt zij tot een hopeloze verwarring en een noodwendige verbrokkeling.
Nu lette men ook op enkele gevolgen. Is het juist de 12 Apostelen na te volgen, dan is deze ceremonie ook een offer, want het Pascha had dit karakter. De mis is dan de weergave van het Pascha, door de Heere Zelf ingesteld en vervolledigd door wat Hij er aan toevoegde.
Verder werd een deel van het Pascha, namelijk voor zoo ver het een offer was, door een priester bediend. Er werden ook « Aaronietische zegeningen » uitgesproken, wat alleen door een priester mocht gedaan worden.
Wij drukken er nogmaals op: ziet men de « Kerk » aan als een plaatsvervanger van Israël en heeft men geen oog voor de nieuwe bedeling, die niet met Pinksteren maar na Hand. 28 begint, dan is Rome voor een groot deel logisch en heeft bijna de gehele « Christenheid » der eerste eeuwen voor zich, inbegrepen de 12 Apostelen der besnijdenis. Als men dit standpunt aanneemt, moet men ook de overlevering aannemen, en dat doet de R,K. kerk met de Anglicaanse ook nog het meest consequent. De kerken der Hervorming lopen dus hopeloos vast, zolang zij zich het Nieuwe Verbond en de 12 Apostelen toeëigenen. Laat men aan Israël wat aan Israël toebehoort, dan is alles duidelijk.
Zo ziet men dan, hoe het de Duivel (de betekenis van dit woord, in het Grieks, is « dooreenwerper ») gelukt is, alles door elkaar te werpen en van heel het Christendom zoo'n warboel te maken, dat de enige oplossing is.: terug naar Gods Woord alleen. Dan heeft men een eenvoudige oplossing van de meeste moeilijkheden en ziet men de diepe oorzaak der huidige verwarring en van de kracht der Roomse Kerk.
Vele geleerden hebben gestreefd naar helder inzicht in de eerste tijden van het Christendom. Niemand is er in geslaagd. Er was toen zo'n mengelmoes van sekten dat men er niet uit wijs kan worden. Wel ziet men uit de geschriften, dat velen Paulus vijandig gezind waren. En dat zij die het niet openlijk toonden, toch praktisch de leer van Paulus niet aannamen of er ten minste niet van spraken. Zij die deze geschriften onderzochten, zagen ook niets van de nieuwe bedeling door Paulus geopenbaard en menig belangrijk stuk ligt daarom misschien nu nog onbesproken in de boekerijen, omdat de geleerden er niets meer dan de gedachten van een onbeduidende sekte in zagen.
Een deel der geleerden, b. v. de school van Tubingen, nam de tegenwoordig veel verbreide richting aan der « Moderne hogere kritiek ». Wij menen dat de hoofdoorzaak te zoeken is in het verschil tussen de leer der 12 en die van Paulus, en ook in de strijd tussen de gelovigen der eerste eeuwen. Zoo kunnen zij niet aannemen, dat de Schriften der Apostelen door God ingegeven zijn en geloven ook niet in een door God gestichte Kerk. Deze zou toch een geheel andere aanblik moeten vertoond hebben dan hetgeen in de eerste eeuwen gezien werd.
Die geleerden menen overal tegenstrijdigheden te vinden. Reeds in de tweede eeuw vond Marcion tegenstrijdigheden tussen Oud en Nieuw Testament en hij besloot er dan ook onmiddellijk uit, dat die schriften niet van God ingegeven zijn. Zo vindt Baur in de Evangeliën een deel dat van de Ebionieten en een ander deel dat van de Paulinisen zou komen. Anderen zien al wat van wonderen spreekt aan als er bijgevoegd. En zo gaat ieder uit van zijn stelsel en verwijdert uit de Schrift wat niet in dat stelsel past. Wij zullen verder aantonen dat zij die zeggen zich alleen aan de Schrift te houden, nog liever aannemen dat Paulus b. v. niet naar zijn roeping wandelde dan dat zij een zwakheid in hun eigen stelsel erkennen.
Men ziet van welk groot belang het is de bedelingen te onderscheiden en, zover enigszins mogelijk is, letterlijk te geloven wat God in Zijn geschreven Woord zegt. Zonder dat, komt men noodzakelijk tot Schriftkritiek, tenzij men zich met zeer oppervlakkige beschouwingen tevreden stelt.
HUN OPVATTING. In grote lijnen komt de opvatting der Hervormers ook overeen met die der kerkvaders. Men kan dit nu nog nagaan in al de kerken, uit de Hervorming voortgesproten. Op enkele uitzonderingen na, past men al het goede dat de Heere aan Israël beloofde, op de « Kerk » toe en laat de vloek voor de Joden. Het O. T. verstaat men, ten minste voor wat de profetie betreft, uitsluitend « geestelijk ».
In liet boek « Maranatha » geeft Ds. Bultema een goed overzicht van wat men sinds de eerste eeuwen geloofde over Israël, de wederkomst des Heeren en het duizendjarig rijk. De vooraanstaande hervormers, zoals Luther, Calvyn, Melanchton enz. verwachten wel de komst van Christus en een vervulling der profetie, maar ook weer grotendeels in geestelijke zin. Zij bekampen een vals « chiliasme », namelijk volgens hetwelk voor de Christenen op aarde een tijd van grof-zinnelijke genoegens zou aanbreken. Het Bijbelse chiliasme in betrekking tot Israël gedurende een beperkte tijd, kennen zij niet.
Het is altijd belangrijk de uitspraken dezer mensen zelf te lezen, om een juiste gedachte te krijgen over hun opvattingen. Wij geven daarom hier enige delen uit de « Institutie » van Calvyn. (Wij vertalen uit het Frans):
2-10-2 « Ten eerste, dat de Heere aan de Joden geen aardse heerlijkheid en weelde heeft voorgesteld als doel waartoe zij moeten trachten te komen. »
2-10-3 « Hij (Paulus) bewijst dus duidelijk in deze tekst (Rom. 1:2; 3:21), dat het O. T. bijzonder het toekomende leven betreft. »
2-10-23 « De brutale onwetendheid, die wij heden zien bij het ganse Joodse volk, in dat zij dwaselijk een aards koninkrijk van Christus verwachten... »
2-11-2 « Doch de profeten beschrijven merendeels de schoonheid der toekomende eeuw door middel van het beeld en de figuur, die zij van God er van ontvangen hebben... Wij begrijpen wel, dat dit het aardse leven niet betreft, dat als een pelgrimsreize is, en bij de aardse stad Jeruzalem niet past: Maar het betreft het ware land der getrouwen en de ware hemelse stad, waar God zegening en eeuwig leven heeft voorbereid (Ps. 132:1315; 133:3).»
2-11-12 « Doch door de openbare roeping der Volken, die plaats had na de hemelvaart van Jezus Christus, zijn ze niet alleen tot dezelfde eregraad verheven als de Joden, maar wat meer is, zijn ze in hun plaats gezet. »
3-25-10 « Waardoor de profeten, daar ze deze geestelijke dingen met de woorden niet konden uitdrukken, ze hebben beschreven en bijna geschilderd, door middel van lichamelijke figuren. »
|
Verder geven wij nog een en ander van Bavink en Kuyper.
De eerste heeft in zijn « Gereformeerde Dogmatiek » (4de deel blz. 717 en volgende) een goed overzicht gegeven van de toekomstverwachting van Israël in het O. T. In paragraaf 564 voegt hij hier dan aan toe:
1V-564 « Deze Messiaanse verwachtingen des O. T. dragen, gelijk ieder terstond inziet, een zeer eigenaardig karakter; zij bepalen zich tot ene toekomstige zaligheid op aarde.
........
Het latere Jodendom bracht in deze O. T. verwachtingen allerlei wijzingen aan. Van zijne politieke heerschappij beroofd en onder de volken verstrooid, begon het meer en meer rekening te houden met het toekomstig lot der individuën en breidde zijn gezichtskring tot de mensheid en tot heel de wereld uit. Israël zou wel eenmaal op grond van Zijne eigene, wettische gerechtigheid door den Messias tot ene politieke heerschappij over alle volken gebracht worden, maar dit Messiaanse rijk droeg een voorlopig, tijdelijk karakter en zou aan het einde plaats maken voor een rijk Gods, voor ene zaligheid der recht vaardigen in den hemel, welke door de opstanding aller mensen en door het algemene wereldgericht werd ingeleid. De politieke en de religieuze zijde, welke in het profetische beeld der toekomst ten nauwste verenigd waren, werden op die wijze uiteengerukt. Israël verwachtte in Jezus' dagen een zinnelijk, aards Messiasrijk, welks toestand in de vormen en beelden der O. T. profetie beschreven werd. Maar deze beelden en vormen werden nu in letterlijke zin opgevat; de schaal werd met de kern, de zaak met het beeld, het wezen met den vorm verwisseld; het Messiaanse rijk werd ene politieke heerschappij van Israël over de volken, ene periode van uitwendige voorspoed en bloei. En aan het einde daarvan had eerst, na de algemene opstanding, het wereldgericht plaats, waarbij een ieder geoordeeld werd naar zijne werken en of de zaligheid in den hemel tot loon of de pijniging in de gehenna tot straf voor zijne daden ontving. Op die wijze ontstond de leer van het Chiliasme. Wel blijft een groot gedeelte der Joodse
apocriefe litteratuur nog bij de O. T. verwachtingen staan. Maar dikwerf, vooral in de Apoc. van Baruch en in het vierde boek van Ezra, komt toch de voorstelling voor, dat de heerlijkheid van het Messiaanse rijk de laatste en de hoogste niet is, maar na een bepaalden tijd, die menigmaal berekend en in den Talmud b. v. op 400 of op 1000 jaren gesteld wordt, voor de hemelse zaligheid van het Gods-rijk plaats maken zal. Het Chiliasme is dus niet van Christelijke, maar van Joodse en voorts ook van Perzise oorsprong. Het berust altijd op een compromis tussen de verwachtingen van ene aardse en van ene hemelse zaligheid en tracht de O. T. profetie in dien zin tot haar recht te laten komen, dat het door haar een aards Messiasrijk voorspeld acht, hetwelk na een bestemden tijd door het Godsrijk vervangen zal worden. De sterkte van het Chiliasme schijnt nu wel het O. T. te zijn, maar feitelijk is dit niet zo; het O. T. is beslist niet chiliastisch, het tekent in het Messiasrijk het voltooide Godsrijk, dat zonder einde is en eeuwig duurt. Dan. 2:44, en dat door gericht, opstanding en wereldvernieuwing voorafgegaan wordt. Desniettemin vond het bij de Joden en ook bij vele Christenen geloof en kwam telkens weer op, als de wereld hare Godevijandige macht ontwikkelde en de kerk deed lijden onder vervolging en druk. In den oudsten tijd treffen wij het aan bij Cerinthus, in het testament der XII Patriarchen, bij de Ebionieten, bij Barnabas, Papias, Irenaeus, Hippolytus, Appolinafis, Commodianus, Lactantius, Victorinus. Maar het Montanisme maande tot voerzichtigheid; Gnostieken, Alexandrijnsche theologen en vooral ook Augustinus bestreden het ten sterkste, en de veranderde toestand der kerk, die de wereldmacht overwonnen had en zichzelve hoe langer hoe meer voor het Godsrijk op aarde hield, deed het langzamerhand geheel uitsterven.
........
Herstel van tempel en altaar, van priesterschap en offerande werd in den regel als al te duidelijk met het N. T. in strijd verworpen, maar vond toch nog verdediging bij de Ebionieten en in den nieuweren tijd bij Serarius, Oetinger, Hess e. a.
........
Al deze wijzigingen formuleren even zovele bezwaren tegen het Chiliasme; reeds voor de profetie van het O. T., waarop het zich bij voorkeur beroept, kan het niet bestaan. Want behalve dat, gelijk boven reeds gezegd is, het O. T. in het Messiaanse rijk geen voorlopige, tijdelijke toestand, maar het eindresultaat der wereldgeschiedenis ziet, maakt het Chiliasme in de verklaring der profetie aan de grootste willekeur schuldig. Het verdubbelt de wederkomst van Christus en de opstanding der doden, zonder dat het O. T. daar iets van weet. Het mist alle regel en methode bij de uitlegging en maakt willekeurig halt, naar de subjectieve mening van den interpreet. De profeten verkondigen allen even luide en even krachtig, niet alleen de bekering van Israël en van de volken, maar ook den terugkeer naar Palestina, den herbouw van den tempel, priesterschap en offerdienst enz. En het is niets dan willekeur den enen trek van dit beeld letterlijk en den anderen geestelijk op te vatten. Het is een beek, der toekomst, dat de profetie ons tekent. En dit beeld is of letterlijk te nemen, gelijk het zich geeft, maar dan breekt men met het Christendom en valt in het Jodendom terug, of er is van dit beeld ene gans andere verklaring te geven dan het Chiliasme beproeft. Zulk ene verklaring wordt door de Schrift zelve aan de hand gedaan en moet door ons aan haar worden ontleend.
|
(Bavinck wil dus alles vergeestelijken, maar dat gaat ook niet en ten slotte valt hij in dezelfde willekeur, die hij de chiliasten aanwrijft. Door het niet geloven van Paulus' openbaringen, is het niet mogelijk consequent te blijven. Men ziet hier tot welke uitersten hij gedreven wordt).
565. Reeds in het O. T. zijn er vele aanwijzingen voor ene andere en betere verklaring, dan het Chiliasme van de profetische verwachtingen biedt. Zelfs de moderne geschiedbeschouwing van Israël erkent, dat het Jahvisme der profeten door zijn zedelijk karakter zich onderscheidt van de natuurgodsdiensten en allengs aan de godsdienstige wetten en gebruiken onder Israël ene geestelijke betekenis heeft geschonken. De ware besnijdenis is die des harten, Deut. 10:16, 30:6, Jer. 4:4; de offeranden, die Gode aangenaam zijn, zijn een gebroken hart en een verslagen geest, 1 Sam. 15:22, Ps. 40:7, 50:8 v., 51:19, Hoe. 6:6, Am. 5:21 v., Mich. 6:6 v., Jes. 1:11 v., Jer. 6:20, 7:21 v. enz. Het ware vasten is het losmaken van de strikken der goddeloosheid, Jes. 58:3 v., Jer. 14:12; voor een groot deel is de strijd der profeten tegen den uitwendigen, eigengerechtigen cultus van het volk gericht. Het wezen van de bedeling der toekomst bestaat dan ook daarin, dat de Heere een nieuw verbond met zijn valk zal oprichten, dat Hij hun een nieuw hart zal schenken en daarin zijne wet zal schrijven en dat Hij op allen zijnen Geest zal uitstorten, zodat zij Hem liefhebben met hun ganse hart en in zijne wegen wandelen, Deut. 30:6, Jer. 31:32, 32:38 v., Ezech. 11:19, 36:26, Joël 2:28, Zach. 12:10. En wel wordt nu die toekomst geschilderd in beelden, aan de historische omstandigheden ontleend, zodat Zion en Jeruzalem, tempel en altaar, offerande en priesterschap daarin ene grote plaats blijven innemen. Maar 1° bedenke men, dat ook wij hetzelfde doen en van God en Goddelijke zaken, van geestelijke en hemelse dingen niet anders kunnen spreken dan in aardse, zinnelijke vormen. De O. T. eredienst is door God daartoe aangesteld, omdat wij niet in eigengemaakte, maar in door Hemzelf ons gegeven juiste beelden van de hemelse dingen naar waarheid zouden kunnen spreken. Het N. T. neemt daarom ook dit spraakgebruik over en gewaagt in het toekomstige Godsrijk van Zion en Jeruzalem, van tempel en altaar, van profeten en priesters; het aardse is een beeld van het hemelsche. Alles Vergangliche ist nur ein Gleichniss. Men vergete 20 niet, dat alle profetie poëzie is, die naar haar eigen natuur verklaart moet worden.
........
Hierover kan toch geen twijfel bestaan, dat het N, T. zichzelf beschouwt als de geestelijke en dus als de volkomen en waarachtige vervulling van het O. T. Het vergeestelijken van het O. T., mits in goeden zin verstaan, is niet een uitvindsel van de Christelijke theologie, maar heeft in het N. T. zelf een aanvang genomen. Het vergeestelijkte O. T., dat is, het O. T. van zijn tijdelijke, zinnelijke vorm ontdaan, is het N. T. De eigenaardigheid van de oude bedeling was juist, dat het verbond der genade onder aanschouwelijke beelden voorgesteld en in nationale, zinnelijke vormen ingekleed werd... Al het geestelijke, hemelse en eeuwige werd overeenkomstig de vatbaarheid van Israël, dat als kind onder de tucht der wet was gesteld, in aardse schaduwen gehuld. Ofschoon de grote massa des volks dikwerf bij die uitwendige vormen staan bleef, evenals vele Christenen in het sacrament aan het toeken blijven hangen, drongen de vrome Israëlieten met hunne harten wel tot de geestelijke kern door, die in de schaal verborgen was, maar toch zagen zij ook dat geestelijke niet anders dan in schaduw en beeld...
Geheel verkeerd is dus de beschouwing van het Chiliasme, volgens welke het N. T. met de gemeente uit de Heidenen een intermezzo is, een zijweg, die door God is ingeslagen, omdat Israël zijn Messias verwierp, zodat de eigenlijke voortzetting en vervulling des O. T. eerst bij de tweede komst van Christus een aanvang zou nemen. Veeleer is het omgekeerde waar. Niet het Nieuwe maar het O. T. is een tussenbedrijf...
... de gemeente der gelovigen heeft in alle opzichten het nationale, vleselijke Israël vervangen, het O. T. is in het N. T. vervuld. (Harnack, Die Mission u die Ausbreitung des Christ. in den ersten drei Jahrh. bl. 37 v.) »
|
Tot zoverre Bavinck. Men ziet tot welke grote moeilijkheden en valse conclusies men geleid wordt als men geen oog heeft voor Gods Voornemen der aionen. Sommigen, die zich de moeite niet gegeven hebben om een en ander er over te onderzoeken, dat hun voorgelegd werd, spreken dan van « stokpaardje » of hebben andere minachtende uitdrukkingen. Uit hun mond komt alzo hun eigen oordeel. Heel onze opvatting van het Christendom, van onze positie, van Israël en de volken, van de toekomst enz. hangt af van de blik die wij in dit voornemen hebben.
Vervolgens geven wij uit « Pro Rege » van Dr. A. KUYPER het volgende:
Blz. 119 « Israël is een zinbeeldige verschijning. In zinbeeldige opvatting was en bleef het « Gods volk », ook in de dagen toen er in elke straat van Jeruzalem aan de afgoden geofferd werd. Maar dit zinbeeldige volk zou door het echte volk dan eerst vervangen worden, als Mesisas zou gekomen zijn, en het ware Israël, niet der besnijdenis in het vlees, maar der besnijdenis des harten, uit alle volk zou verzameld worden. »
« Hier is alzo tweeërlei bedeling. De zinnebeeldige, de symbolische bedeling, waarin nog slechts de schaduwen en afbeeldingen gezien werden, en die hield stand tot de Messias gekomen was. En daarnaast stond de wezenlijke bedeling, toen de schaduwen en zinnebeelden wegvloden en het geestelijke koninkrijk zijn intocht hield. »
Blz. 233. « Zij toch (de Joodse Schriftgeleerden) verstonden het Oude Testament, alsof de bedeling van Israël niet profetisch-zinbeeldig, en dus voorbijgaand en uitlopend op Christus, maar duurzaam en blijvend was. »
Blz. 312. « Deze enghartige-nationale, en door en door valse opvatting van het Messiaanse Koningschap, zat er bij Israël in Jezus' dagen zo diep in, dat zelfs Jezus' eigen jongeren, tot den einde toe, tot na zijn opstanding, ja tot op den Olijfberg vlak vóór de hemelvaart, nog altoos bleven vragen: Heere, wanneer zult gij in Israël het Koninkrijk weder oprichten? »
Blz. 480. « Dit schenken aan de menschheid van een zoo heerlijken Koning, is nu aldus in zijn werk gegaan, dat eerst het hoge leven der mensheid zich in het nationale bestaan van een enkel, uitverkoren volk saamtrekt. Dit is in Israël geschied. In dit verkoren volk komt nu allengs de idee van een heilig Koningschap op. Niet reëel, want alles in Israël is schaduwachtig en zinbeeldig. »
Derde deel Blz. 317. « Zelfs voor de Joden komt eens de tijd, dat ze weer in grote getalle voor den van God over Sion gezalfden Koning buigen zullen, en daarom zijn de Joden in massa uit Afrika en Azië weggevoerd, en in het Christelijk Europa als opgesloten, opdat ze niet door het Heidendom zouden worden verleid en niet voor den Islam buigen zouden. Wanneer hun ure komen zal, weten we niet, maar hun bestendig voortleven, zelfs in een aantal van twaalf millioen, zegt ons toch, dat hun nog een toekomst wacht. »
|
Men ziet hoe de letterlijke vervulling der profetie geheel verworpen wordt en de « Kerk » de plaats van Israël inneemt.
In het vergeestelijken kan men natuurlijk meer of minder ver gaan; men bevindt zich dan op een subjectief terrein en wie zal hier de veilige grens aangeven? Dr. Kuyper vindt het dan ook nodig er nadruk op te leggen, dat men niet alles moet vergeestelijken en de kern der zaak moet behouden worden. Zo is nu voor hem Christus werkelijk Koning over een werkelijk koninkrijk, dat ook de aarde betreft.
Wij nemen vooreerst de letterlijke betekenis van alle profetie. Is ze nog niet letterlijk vervuld, dan zal dat in de toekomst geschieden. Daarna kunnen wij ook de geestelijke lessen, toepassingen, typen enz. onderzoeken, die zowel individuen, als groepen en volken kunnen betreffen.
De verschillende opvattingen aangaande de profetie en Israëls toekomst, kunnen wij in hoofdzaak als volgt opgeven.
1. Alleen letterlijk.
2. Alleen geestelijk.
3. Letterlijk EN geestelijk.
Er zijn natuurlijk allerlei schakeringen. In het algemeen genomen vat het Christendom de nog niet vervulde profetie geestelijk op en meent, dat de « Kerk » in de plaats van Israël gekomen is. Nu beweren wij niet, dat zij de profetieën niet mogen toepassen, maar wel dat ze Gods Woord niet tot zijn volle recht laten komen. Zo zegt Kuyper heel juist, dat Israël een zinnebeeldig volk is, zoals ook het grootste deel der profetie zinnebeeldig is. Hij gaat echter verder dan Gods Woord, als hij zegt, dat daarom het letterlijke er niet moet zijn en dus Israël nu reeds vervangen is door het ware Israël. Laat nu geheel Israëls historie zinnebeeldig zijn, daarom is die historie nog niet ten einde. Wij verwerpen de symboliek niet, maar houden integendeel aan een volledige symboliek vast. Wij nemen niet alleen het verleden van Israël letterlijk en geestelijk, zoals de meesten, maar ook de toekomst letterlijk en geestelijk. Wij geloven dus aan een letterlijk koninkrijk op aarde, dat nog latere hogere heerlijkheid zal afbeelden. Wat de gewone letterlijke opvatting der Joden in den weg staat, is het feit dat ze hierin te veel een eindtoestand zagen. De letterlijke opvatting is echter geheel gewettigd als men inziet dat er nog twee aionen moeten komen en men in elk dezer niet alleen de aardse roeping beschouwt maar ook de hemelse en overhemelse. Wij moeten met de Schrift onze blik verruimen en beter inzien wat God zegt over de aionen en bedelingen en de verschillende sferen van zegening. Zoo alleen krijgt men een volkomen beeld, waar zowel letterlijke als geestelijke betekenis in passen. Wij krijgen door het zoveel mogelijk letterlijk geloven der Schrift een vergezicht in de tijden en in de sferen, dat alle menselijke gedachte te boven gaat en veel geestelijker is dan alle « vergeestelijking ».
Als men dan inziet, dat het duizendjarig koninkrijk maar een deel is der toekomende aioon, en er daarop nog een andere aioon volgt, vóór God alles in allen is, dan begrijpt men, dat God ruimte heeft om Zijn Voornemen aangaande Israël en de volken geheel uit te werken. De aardse zegeningen, die wij dan letterlijk nemen, maar daarom niet grof-materialistisch, zijn dan maar een zinnebeeld van de latere en hogere dingen. Alle mensen leven dan niet op aarde. God geeft nu ook gelegenheid tot een andere sfeer te gaan behoren, hetzij dan de hemelse waar men « met » Abraham gezegend is, hetzij de overhemelse, waar men met Christus in geplaatst is. Het bestaan van een ding of een groep in tijd en sfeer doet daarom het andere niet te niet. Het is niet omdat er nu een groep bestaat, die « met » Abraham zal gezegend zijn en een groep die in Christus boven alles is, dat daarom Israël niet meer op aarde zijn taak als priester-volk zou kunnen vervullen. Ieder onderscheide slechts nauwkeurig waartoe God hem geroepen heeft en wandele in overeenstemming daarmee. Men begrijpt dan ook hoeveel goede tijdingen God in Zijn Woord brengt, hoeveel « Evangeliën » er zijn, al wijzen alle op één Behouder. Zij die een blik over het gehele Voornemen Gods hebben, zullen ook gebruikt kunnen worden om aan ieder het hem passende evangelie te verkondigen. Zij die slechts een heel begrensde blik hebben in Gods plan, lopen gevaar een verward evangelie te brengen, en al hebben ze veel succes, toch geen « beproefd » arbeider te zijn.
Wij twijfelen er niet aan dat de diepe oorzaak van de chaos van het Christendom moet gezocht worden in het niet alles geloven wat de profeten gezegd hebben. Wij bedoelen dus alles in alle opzichten, zowel letterlijk als geestelijk. Elk liep weg met een stukje waarheid en bouwde er een systeem op, dat dan ofwel verviel ofwel door anderen afgewerkt werd. Zo'n systeem voldoet natuurlijk nooit en zij, die er niet te zeer in vastzitten, zien de moeilijkheden en gaan wellicht over tot een ander systeem. De meesten echter geraken niet uit zo'n leer, maar trachten de moeilijkheden zo goed mogelijk te ontwijken of denken er eenvoudig niet aan. Het gaat niet zoals meestal in de gewone wetenschap, waar de ene van de andere bereid is te leren en men nog min of meer gemakkelijk iets opgeeft als men iets beters in de plaats krijgt. In de godsdienstige wereld werkt Satan meestal verblinden, zodat men niet uit een systeem kan loskomen. Een deel der waarheid te kennen hindert hem nog niet zozeer. Wat hij wil beletten, is een opwassen, een voortdurend onderzoek. De belijdenis of de bijzondere leer van de groep, waartoe men behoort, en die in zeker opzicht nuttig kan zijn, wordt dan een hindernis. Het onderzoek van Gods Woord wordt een gevaar voor die groep en men stelt zich vijandig tegenover elke ernstige poging tot verder onderzoek. De mensen worden gewoon gemaakt alleen te luisteren en zonder ernstig onderzoek aan te nemen wat « vertrouwbare autoriteiten » bun zeggen.
Bij de Hervorming zien wij dus een terugkeer naar de bron, naar Gods Woord, maar het was slechts ten dele. Men kon wijzen op de vele misbruiken der Roomse Kerk en op het verwaarlozen van wat Paulus in zijn eerste periode geleerd had. Bijzonder de rechtvaardiging uit het geloof alleen, die lang verduisterd was. Ook dat was een gevolg van de vergeestelijking van het O. T. Men paste zo goed mogelijk op de « Kerk » toe, wat tot Israël gezegd werd, ook in de Evangeliën en kwam zo noodzakelijk tot een wettische houding. Wij hebben gezien, hoe de geschriften der eerste eeuwen duidelijk die neiging tot rechtvaardiging uit de werken tonen. Bij de Hervorming kwam er dus een reactie: Gods Woord werd opnieuw onderzocht en een deel van Paulus' leer weer op de voorgrond gebracht. Men voelde verder wel, dat vele andere dingen niet in orde waren, maar de hoofdoorzaak daarvan werd niet helder ingezien. Men bleef zich nog steeds afwenden van wat Paulus gedurende zijn tweede periode (na Handelingen) had bekend gemaakt. Men bleef dus aan de 12 Apostelen van Israël vasthouden en was onmachtig tegenover het velerlei verkeerde dat hiervan het gevolg was. Met die Apostelen moest men ook, ten minste ten dele, de « Apostolische overlevering » vasthouden, en waar was nu de grens? Rome steunde op de Kerkvaders en hier lag de kracht van de door de Hervorming gezuiverde Kerk. Evenals in de eerste eeuw, zag men bij de Hervorming, dat men niet alle overlevering kon verwerpen en toch ook weer niet alles kon aannemen. Hieruit volgde natuurlijk allerlei twist en strijd. Men moet ook weer de geschriften uit die tijden lezen om een inzicht te krijgen in de warboel, die er toen heerste. In dit opzicht is het werk van Bossuet « Histoire des Variations du Protestantisme » heel leerrijk. Onze tegenstanders kunnen overdrijven, maar het is goed hun woorden na te gaan, om er eigen zwakheid uit te leren inzien.
Het ten dele terugkeren tot de Schriften was dus aanleiding tot strijd en verwarring en daarop wees en wijst Rome nu nog. Onderzoek der Schriften kan maar tot verdeeldheid voeren, zegt het, blijft daarom bij onze leer! Maar, zal men vragen, hoe was het mogelijk dat Gods Woord hier zoveel verdeeldheid bracht? Die Hervormers waren toch naarstige en oprechte onderzoekers? Voor ons is de reden heel eenvoudig. Daar men door het niet letterlijk aannemen van Gods Woord van het rechte spoor was gedwaald, kon men tot geen bevredigende oplossing komen. Er was sinds lang een nieuwe bedeling begonnen, en daarvoor was men blind. Men moest nu maar trachten allerlei dingen aan elkaar te passen, met ze min of meer geestelijk op te vatten en zo waren er allerlei subjectieve gedachten. Als men niet duidelijk de bedelingen inziet en de positie waarin God ons geplaatst heeft, dan wil men toepassen op de ene groep wat tot de andere gezegd is of voegt men samen wat God gescheiden heeft.
Hoe belangrijk de Hervorming dan ook geweest is, men moet niet denken, dat hier het einddoel bereikt is, dat nu de volle waarheid bekend is geworden. Men mag de Hervormers dankbaar zijn voor hun werk, maar men mag er niet bij blijven staan. Dan worden ook zij een hinderpaal. Steeds weer moet men terug tot het geschreven Woord zonder vooropgezette mening, zonder dat een bijzondere leer of belijdenis gezag mag hebben over het geweten. Zij moeten steeds wijken voor Gods Woord, (Zie de inleiding van Dr A. Kuyper bij de « Drie Formulieren van Eenigheid »).
Wij moeten de ogen niet sluiten voor de kracht van Rome. Als men niet zozeer let op de misbruiken, dan wel op de hoofdlijnen van zijn leer, moet men erkennen, dat dit stelsel goed en sterk in elkaar zit, zolang men aanneemt, dat de 12 Apostelen een roeping hadden in betrekking tot de Gemeente. Men kan zonder einde redetwisten over allerlei onderdelen. In ons geval echter treffen wij de basis zelf door de Schrift te geloven, als die zegt, dat die 12 Apostelen in de Wedergeboorte d. i. in de toekomende aioon op tronen zullen zitten, oordelende de 12 geslachten Israëls, en dat de Gemeente, die het lichaam van Christus is, en die dan met Hem in de overhemelse zal geplaatst zijn, niet in betrekking staat met die Apostelen.
In verband met het vorige, vestigen wij er de aandacht op, dat de meeste vertalingen der Schrift werden gemaakt door gelovigen, die de profetie vergeestelijkten en geen oog hadden voor de grote verborgenheid. Onwillekeurig drukken zij alles uit op een wijze, die min of meer getint is door hun opvatting. Als men nu een andere beschouwing heeft, spreekt het van zelf, dat men terug gaat naar de grondtekst. Als men Gods Woord letterlijk aanneemt, is men ook verplicht met meer nauwkeurigheid de woorden te onderzoeken door de Heilige Geest uitgekozen. Wij kunnen dus niet altijd genoegen nemen met vertalingen, die wel voldoende zijn, in het algemeen genomen als men zich tevreden stelt met de geestelijke betekenis, maar de ingegeven woorden niet altijd juist genoeg weergeven.
CEREMONIEN. Wij willen hier nog een woord bijvoegen over de ceremoniën. Ook hier ligt weer een grote moeilijkheid voor hen die Paulus verlaten.
Wij hebben reeds een en ander gezien in betrekking tot de strijd over het vieren van het Pascha. Dat was echter niet het einde. De Roomse Kerk hield vast aan de praktijken, die langzamerhand een vaste vorm gekregen hadden en op de overlevering der 12 Apostelen van Israël steunden. Het ritueel was dan ook tot in de kleinste onderdelen bepaald en zo kon Rome de wereld wijzen op een indrukwekkende eenheid.
De Hervormers wilden terecht terug tot Gods Woord, doch vonden hier geen uitvoerige aanwijzingen voor « Nieuw-Testamentische » vormen. Door die dingen af te scheiden van Israël en vorige dingen, was het niet mogelijk op grond van Gods
wij, mensen wel de aandacht vestigen, maar God moet het in hem werken. Als hij die winst ziet, dan noemt hij het geen verlies meer iets te laten dat niet aan ons gegeven was. Zo is het ook op ander terrein. De mens der wereld denkt ook soms veel te verliezen als hij geloven moet. Wat nu waarde voor hem schijnt te hebben, moet hij dan opgeven. Zullen wij beginnen, met hem te ontnemen wat voor hem nog waarde heeft? Dat gaat niet. Maar ziet hij in welke schatten hij in Christus heeft, dan volgt alles van zelve. Zo is het ook met de Roomse. Moeten wij eerst strijden tegen de Mis, tegen Maria als Middelares, tegen de heiligen als voorspraak, tegen de mirakelen als Gods tekens? Zij die in alle oprechtheid in hun Kerk geloven, hebben zoveel zegen van al die dingen. Hoe zouden zij niet terugdeinzen voor het gevaar zulke schatten te verliezen? Neen, eerst moeten wij opbouwen, eerst laten zien al wat God gegeven heeft.
Zo nu ook met de uitwendige dingen der andere gelovigen. Zolang zij waarde hebben voor iemand, moeten zij gevolgd worden. Als men dan over deze dingen spreekt met hen, die nog geen duidelijk inzicht hebben in de Gemeente, late men zich leiden door de Heilige Geest. Wat in elk geval moet vermeden worden, is anderen aan te vallen in wat hun het dierbaarst is, alleen om te tonen, dat wij het zoveel beter weten. Alles geschiede in liefde, niet uit strijdzucht; met zachtmoedigheid, niet met hoogmoed; in volle afhankelijkheid van God, niet in eigen kracht. Men denke aan 2 Tim,. 2:24-26. Laat ons de waarheid vasthouden ten koste van alles... maar in liefde (Ef. 4:15). Wij komen verder nog op dit onderwerp terug om er op te wijzen, dat men overigens niet naar zich zelve moet zien, en naar wat men te winnen heeft, maar wel naar wat God kan verheerlijken.
VIII. TERUG NAAR PAULUS Top
MARANATHA. Uit vele historische stukken blijkt, dat er sinds de Hervorming velen geweest zijn, die niet tevreden waren met de algemene opvatting betreffende de profetie, Israël en de Kerk. Zo zegt Ds. Bultema in zijn werk « Maranatha » een en ander over hen, die in het 1000jarig rijk geloofden.
In de 17e eeuw vindt men in Engeland J. Mede, Dr. W. Twisse, J. Ussher enz. In Nederland P. Jurieu P. Poiret, Jean de Labadie, R. Fleming enz. Later heeft men J. A. Bengel en zijn talrijke leerlingen, R. M. Mc: Cheyne, R. C. Trench, H. Alford, S. L. Tregelles. C. J. Ellicot, J. Cumming, J. C. Ryle, T. Chalmers en vele anderen. Urt Amerika vermeldt hij nog b. v. Dr. J. A. Seiss en vele anderen. In Nederland had men gedurende de laatste eeuw: W. Bilderdyk, I. Da Costa, A. Capadose, W. de Clercq, J. H. Koenen, J. F. Schimscheimer, G. G. Van Prinsterer, J. De Liefde, Ten Kate, Dr. D. Chantepie De La Saussaye Sr., N. Beets en vele anderen.
Men weet, hoe sinds een 100tal jaar de studie der profetie weer ter hand genomen is en hoe men meer en meer letterlijk begon te geloven wat de profeten zeiden. Men ging langzamerhand terug naar de letterlijke betekenis, wat niet wil zeggen, dat men geen rekening hield van de stijlfiguren. De overlevering van zoveel eeuwen is echter machtig en ALLES geloven, dat ging zo maar niet. Hoeveel onder hen, die wij hier als de Maranatha-groep betitelen, geloven letterlijk Jeremia, als hij zegt, dat het Nieuwe Verbond met Israël zal opgericht worden?
Ten opzichte van Paulus was er ook een merkbare verandering. Hoe meer men het O. T. letterlijk geloofde, des te meer ging men ook Paulus geloven. Men begon ook iets te zien van de bedelingen en zoo hielp het een het ander. De overlevering werd stuk voor stuk neergehaald. Maar toch bleef ze op plaatsen nog heel sterk, de hoofdvesting hield nog stand, al werd ze ondermijnd. Zo zag men nog niet in, dat het N. T. grotendeels handelt over een tijd waarin Israël nog op de voorgrond staat en de andere volken nog slechts ingeënt zijn in de tamme olijf. De Gemeente begon voor hen met Pinksteren en de gebruiken van die tijd paste men toe op de Gemeente. De Handelingen-periode en de openbaringen, waarvan Paulus in zijn laatste brieven sprak, werden dus nog niet begrepen. Men was zó gewoon hier reeds de Gemeente te zien, men dacht zo weinig aan Israël, dat men het bijzonder karakter dier bedeling niet bemerkte. En toch spreekt elke bladzijde van Handelingen ons over Israël, DE stad, HET land, de tempel, de wet, de vervulling der profetie, de nabijheid van het koninkrijk. Toen waren er reeds allerlei voortekenen van het koninkrijk, zoals: wonderen, krachten, tekenen, tussenkomst van engelen, gemeenschap van goederen, zegening der volken door middel van Israël, getuigenis tegenover de wereld opdat zij gelove enz. De 12 Apostelen, die gedurende het koninkrijk op hun 12 tronen zullen zitten, begonnen reeds hun opdrachten te vervullen. Overal werd het koninkrijk aangekondigd en er op gewezen, dat er slechts één ding meer nodig was opdat het zou beginnen: de bekering van Israël als volk.
Voor wat deze dingen betreft, wordt ook reeds een en ander ingezien door enkelingen. Vooral het Engels tijdschrift, « Things to Come » toont, hoe geleidelijk een juistere blik verkregen werd op de tijd der Handelingen. De meest vooraanstaande pionier was hier Dr. E. W. Bullinger. Voor zover wij weten zijn er heden slechts 4 tijdschriften, die duidelijk de positie der Gemeente onderscheiden.
Hoe verder men doordrong tot de waarheid, hoe sterker natuurlijk de tegenstand werd. Vooral de Maranatha-groep verzette zich. Deze was blijkbaar tevreden met de bekomen uitkomsten en keerde zich tegen nieuwe beschouwingen, die een deel van zijn opvattingen te niet deed. Hij verkoos te blijven bij wat zijn vaderen hem geleerd hadden.
Al is er dan een terugkeer tot wat Paulus gedurende zijn eerste periode (Handelingen) leerde, en zelfs ten dele tot wat hij later leerde, toch was dit maar het geval bij enkelen.
De meerderheid wendt zich nog steeds van Paulus af. Men deinst er zelfs niet voor terug hem van allerlei vergissingen te beschuldigen. Ja ook de andere Apostelen hebben het soms erg te verduren. En daartoe zijn die mensen wel verplicht, willen zij op hun standpunt blijven staan. Men schijnt er zelfs niet aan te denken, dat de leer in sommige opzichten misschien moet herzien worden, maar vindt het vanzelfsprekend, als er een moeilijkheid is, dat de fout bij de Apostelen ligt. Wij willen deze zaak wat nader beschouwen.
PAULUS OPGEOFFERD. In Hoofdstuk III hebben we gezien, dat de Christen-Israëlieten gedurende de tijd der Handelingen, de ceremoniën der wet nog moesten volgen. In Hoofdstuk V hebben wij nagegaan, hoe dit nog ten dele, maar ten onrechte, in de eerste eeuwen gedaan werd als navolging der 12 Apostelen Israëls. Wij kunnen nu nog overblijfselen dezer ceremoniën vinden, zelfs bij hen, die geloven aan Israëls toekomst en anderen oordelen wegens onzuivere leer.
Voor hen, die de Gemeente met Pinksteren laten beginnen, gaat het natuurlijk niet, aan te nemen, dat de. Joden-gelovigen toen nog de wet moesten volgen. Als dan uit Hand. 21 b. v. duidelijk blijkt, dat Paulus de wet onderhoudt, is dat een onoverkomelijke hindernis voor hen. Zullen ze nu hun opvatting herzien? Gewoonlijk spreekt men dan ook weinig over Hand. 21:26. Wordt men er echter toe gedwongen, dan zijn er twee wegen: 1. Men erkent de moeilijkheid en neemt daarbij onuitgesproken aan, dat er iets niet in orde is met de opvatting; of 2. men kan niet aannemen, dat zovelen zich zouden vergist hebben, en dat men zelf ook niet juist ziet, en beschuldigt dan maar liever Paulus verkeerd gehandeld te hebben. Men drukt dat dan zo zacht mogelijk uit en tracht hem zo goed mogelijk te verontschuldigen. Men strijdt dan niet met het zwaard des Geestes,maar met zijn eigen filosofische overleggingen en Satan heeft natuurlijk de overhand.
Vóór wij dit verder onderzoeken, willen wij een paar andere gevallen nagaan, waar de Apostelen ook beschuldigd worden niet naar Gods wil te handelen. Bijna heel het Christendom: meent dat de 11 zich in Hand. 1:6 vergist hebben. Hoe was het mogelijk, dat ze toen vroegen: « Heere! Zult Gij in dezen tijd aan Israël het koninkrijk wederoprichten? » Het was toch zeker verkeerd, nu nog steeds aan het koninkrijk voor Israël te denken? Zij, die zo spreken hadden zeker verwacht, dat de Heere de Apostelen zou berispen en zij meer naar iets hemels moesten uitzien en van de Gemeente moesten spreken. Maar dat doet Hij niet, Hij zegt alleen, dat het hun niet toekomt te weten in welke TIJD het koninkrijk zal opgericht worden. De Heere bevestigt aldus stilzwijgend hun verwachting. Daarbij denke men er aan, dat Luk. 24:45 luidt: « Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden ». En verder, dat zij zopas 40 dagen onderwijs over het Koninkrijk hadden ontvangen van de Heere Jezus zelf (Hand. 1:3). Hoe durven mensen, wier verstand niet. geopend werd voor de Schriften en die zulk onderwijs niet ontvingen, de Apostelen nu van iets verkeerds beschuldigen? Men ziet, hoe sterk de drang der overlevering moet zijn om zó te kunnen handelen.
Velen beschuldigen de 11 weer van vergissing als ze Matthias als 12 mede rekenen. Voor hen is Paulus eigenlijk de twaalfde Apostel. Dat die 11 reeds de Heilige Geest ontvangen hebben (Joh. 20:22) schijnt voor hen van weinig belang. Zij beweren het beter te weten. Eigenlijk beschuldigen ze de Heilige Geest ook van vergissing, want Hij bevestigt toch door middel van Lukas, dat Matthias tot de 12 behoorde, wijl Hij van de 12 spreekt in Hand. 2:14; 6:2, lang vóór de bekering van Paulus. Men vergeet ook, dat Paulus niet in aanmerking kon komen, omdat hij niet met hen omgegaan had « beginnende van den doop van Johannes » (Hand. 1:22). Men raadplege hierover ook « Het Voornemen der Eeuwen » en « Begint de Gemeente met Pinksteren? ».
In verband met Hand. 15 worden de Apostelen ook vaak berispt. Zij hadden hier meer radicaal moeten optreden. Men ziet niet in, dat zij feitelijk bevestigen, dat de Christen-Israëlieten nog moesten besneden worden (Zie blz. 20). Als men dat ingezien had, zouden zij natuurlijk helemaal veroordeeld worden.
Nu komen wij tot Hand. 21. Eigenlijk vindt men reeds dat het « in den geest » voornemen naar .Jeruzalem te reizen (Hand. 19:21) verkeerd was. Dat was Paulus' geest, een menselijk besluit, tegen Gods wil? Dat Moet dan vooral blijken uit Hand. 21:4: Dezen zeiden tot Paulus door den Geest, dat hij niet moest opgaan naar Jeruzalem ». Dat wil volgens veler opvatting zeggen, dat hier de Heilige Geest een absoluut verbod gaf betreffende het naar Jeruzalem gaan. Daarom kwam Paulus dan ook in allerlei moeilijkheden, zeggen ze. Hij was hier niet meer een uitverkoren vat, niet meer op de hoogte zijner roeping, hij handelde volgens zijn eigen gedachte enz.? Er komt dan ook geen zegen uit voort, maar beroering (21:27 e. v.). Waarom moest hij verder zo de nadruk er op leggen, dat hij een Joods man was? (Hand. 22:3): Waarom de geselingen ontweken, door er op te wijzen, dat hij Romein is (22:25)? Waarom zich als Farizeeër uitgeven en die raad in verdeeldheid brengen (Hand. 23:6)? Dat was alles zwakheid en menselijke wandel? Daarbij komt dan nog die zaak met. de Hogepriester (23:3). Het resultaat van dit alles is dat Paulus in de gevangenschap raakt? Zo spreken zij, die Paulus opofferen. Voor hen moet er een zichtbare zegen volgen op onze handelingen. Dit was niet het geval bij Paulus, dus handelde hij verkeerd, menen ze.
We willen aantonen hoezeer die uitlegging beïnvloed is door de leer. Vooreerst moet men de feiten inzien, zoals ze voorgesteld worden en de fouten van Paulus, als deze er zijn, niet trachten te verzachten. Er staat duidelijk, dat in Hand. 21:26 Paulus offeranden bracht om te bewijzen in het openbaar DAT HIJ ZELF IN DE ONDERHOUDING DER WET WANDELDE (vs. 24). Als hij dus eigenlijk niet zo wandelt, en het toch beweert te doen, dan is Paulus een bedrieger. Men mag daar niets van af doen, vooral daar hij er later nog op terug komt (Hand. 24:17; 25:8; 28:17), hij deed het met volle bewustheid en had er niet het minste berouw over.
Laat ons deze zaak nu zorgvuldig onderzoeken, alsof we er nog nooit iets over gehoord hadden.
Hand. 19:21 zegt alleen, dat Paulus een ernstig voornemen had om naar Jeruzalem. te gaan. Hand. 20:22 bevestigt dat. Het blijft hier onbeslist of Paulus naar Gods wil handelt of niet. In het volgende vers lezen wij echter, dat de Heilige Geest hem zei, dat. banden en verdrukking hem daar wachten. In vers 24 spreekt hij van het. volbrengen (d. i. het volmaken of voleindigen)van zijn loop en de dienst, die hij van de Heere Jezus ontvangen heeft om te betuigen het Evangelie der genade Gods. Kon hij dit doen als hij tegen Gods wil handelt? Ook ziet men niet genoeg in, dat het Evangelie der genade Gods een heel bijzondere « goede tijding » is, waarover wij later wel meer hopen te zeggen. Het betreft hier juist de « voleinding » van Gods Woord (Kol. 1:25) het kenbaar maken der Grote Verborgenheid in zijn gevangenschapsbrieven Ef. Fil. Kol. Het is dan ook opmerkelijk, dat men zich juist hier reeds van Paulus begint af te wenden. Is dat niet Satans werking, die zich verzet tegen al wat die Verborgenheid betreft?
Maar zegt Hand. 21:4 dan niet. « dat hij niet moest opgaan naar Jeruzalem »? De vertaling zegt het, doch laat ons de woorden onderzoeken, door de Heilige Geest ingegeven. Vooreerst is het woord, door « opgaan » vertaald, in vers 2 door « gingen wij er in » weergegeven. Het is letterlijk « opstappen ». In verband met, het verhaal, is het hier het aan boord van het schip stappen. Maar vooral moeten wij de betekenis onderzoeken van het woordje « niet ». Is dat absoluut, d. w. z. mocht Paulus onder geen voorwaarde en nooit meer naar Jeruzalem? Of is het relatief, en betreft dit verbod dan maar zekere omstandigheden of een zekere tijd? Laat ons die tekst nu niet aanpassen aan een vooropgestelde mening, maar door Gods Woord zelf leren verstaan. In de Griekse taal kan men heel nauwkeurig iets uitdrukken. Daar zij hier gebruikt is door de Heilige Geest, kunnen wij gerust vertrouwen dat de geringste schakeringen volkomen juist zijn uitgedrukt. Het Gr. heeft. 4 uitdrukkingen, die alle door « niet » vertaald worden: ou, ouchi, mè en oumè. Het eerste woord wordt gebruikt voor een absolute ontkenning (b. v. Mat. 4:4, 5:21). Het tweede is nog iets sterker (b. v. Luk. 4:26) en het laatste is de sterkste vorm, die dikwijls door
geenszins » weergegeven is (b. v. Joh. 11:26). Daarentegen is « mè » voorwaardelijk, tijdelijk. Om daarvan verzekerd te zijn, behoeft men niet « geleerd » te zijn. Men ga eenvoudig met een Concordantie na, waar de Heilige Geest datzelfde woord verder gebruikt. Zo vindt men het b. v. in Mat. 10:5 « gaat niet heen op den weg der volken ». Dat was voor een tijd. Zolang die bedeling duurde, moest eerst Israël zich bekeren, vóór de goede tijdingen aan de Volken konden gebracht worden. Dan hebben wij Joh. 20:17 « Raak mij niet aan ». Dat was ook maar voor een korte tijd, een weinig later vroeg de Heere zelf aan Thomas Hem aan te raken (vs. 27). Vervolgens hebben wij in Hand. 1:4 de volgende woorden: « Beval Hij hun, zich niet van Jeruzalem te verwijderen ». Dat was ook weer voor een korte tijd. Nu is ook in Hand. 21:4 het woordje « me » gebruikt en wij mogen daaruit veilig, zonder beïnvloed te zijn door eigen mening, besluiten, dat ook dit bevel maar voor een tijd was. Er wordt ons zelfs nauwkeurig opgegeven hoelang ze daar moesten blijven: « zeven dagen » (vs. 4). Vers 5 voegt er dan bij: « Toen het geschiedde, dat wij DIE DAGEN TEN EINDE gebracht hadden, gingen wij heen en reisden verder » (Vert. Voorhoeve). Is het niet duidelijk, dat de Heilige Geest gezegd heeft, dat zij daar 7 dagen moesten wachten voor zij aan boord van het schip mochten stappen? Ziet men het groot belang in, de « gezonde » woorden te behouden (2 Tim. 1:13)?
Maar nu lezen wij verder en bemerken in Hand. 21:11, dat de Heilige Geest zelf weer zegt, dat Paulus te Jeruzalem zal gebonden worden. De mensen baden Paulus niet op te gaan (vs. 12), maar hij zelf was bereid gebonden te worden en te sterven voor de naam van de Heere Jezus. Dat kon ook weer niet gezegd worden, als Paulus tegen Gods wil handelde. Vers 14 is ook zeer duidelijk: « De wil des Heeren geschiede ». Zij lieten nu hun gevoel en eigen wil varen en weerhielden Paulus niet langer Gods wil te doen met naar Jeruzalem te gaan.
Wij willen hier niet veel meer bijvoegen. De algemene houding van Paulus als Jood, Farizeeër en Romein was in die bedeling en omstandigheden volkomen juist. Dat hij geen verdeeldheid in die raad mocht brengen zien wij niet in. In Hand. 23:1 zegt hij nog: « Ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op dezen dag ». Wij herhalen het: óf zijn wandel was inderdaad onberispelijk, óf hij is een gewetenloze bedrieger. Als Paulus hier misstap op misstap begaat, kon de Heere Zelf hem dan zeggen: « Heb goeden moed, Paulus? want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt, alzo moet gij ook te Rome betuigen »? Men lere uit dit alles niets of niemand te oordelen volgens de zichtbare « zegen » die er aan verbonden schijnt te zijn.
Hand. 24:17 wil men soms ontzenuwen door te beweren, dat het hier geen werkelijke offeranden betreft. Men verwijst b. v. naar 2:17 en 4:18. In deze verzen wordt echter het woord « thusion » gebruikt, terwijl het in Hand. 24:17 « prosphora » is. Uit Heb. 10:8-10 zou moeten blijken, dat Paulus onmogelijk nog offers zou kunnen geofferd hebben. Nu is deze tekst een aanhaling van Ps. 40. Als die woorden dus willen zeggen dat er geen werkelijke offeranden meer zijn, dan was dat evengoed het geval in het O. T.? En omgekeerd, als er vroeger offeranden waren, dan konden zij er in de tijd van Hebreeën even goed zijn. Het verschil tussen die bedelingen ligt niet in de offeranden zelf, maar in de WIJZE van offeren: vroeger was het als « onder » de wet (zie bldz. 22), in Handelingen moet het zijn ter gedachtenis (Heb. 10:3).
Nu wij gezien hebben, hoe men zonder enige Schriftuurlijke reden, doch alleen ter wille van het in stand willen houden van een eigen opvatting, Paulus beschuldigt, willen wij verder nagaan, hoe men zich van hem afwendt, door niet ten volle te geloven wat hij in zijn laatste brieven over de Gemeente der verborgenheid schreef. Men wil daar niets meer in zien, dan enige toelichtingen betreffende de positie van hen, die reeds met Pinksteren tot een gemeente werden vergaderd. Dat er na Handelingen eerst, een nieuw organisme geschapen werd, kan men niet aannemen. Men komt er dan ook toe te geloven, dat er nu een « zichtbare » gemeente is of had moeten zijn. Wij willen in het kort iets onderzoeken over de eenheid in Handelingen en over de zichtbare gemeente.
OVER DE EENHEID EN GEMEENSCHAP IN HANDELINGEN. Wij kunnen drie eenheden onderscheiden. Vooreerst die van Israël, als Gods volk. Deze zal eerst een volle werkelijkheid worden onder het Koninkrijk, als de Heere in het midden van Zijn volk zal zijn als Jehovah-Sham-mah (de Heere is aldaar). Zie Ezech. 43:7, 48:35, Zef. 3:15-17. Die zichtbare eenheid zal al de Volken tot zegen zijn.
De Abrahamietische beloften bevatten echten meer. Er zou een groep zijn, die vergeleken wordt met de sterren des hemels (Gen. 15:5). Deze gelovigen worden niet gezegend in Abraham., zoals de Volken in het algemeen, maar met Abraham. Zij zijn Abrahams' geestelijk zaad (Gal. 3:9), behoren tot het Jeruzalem, dat boven is (Gal. 4:26), gaan de Heere tegemoet in de lucht (1 Thes. 4:13-17), worden erfgenamen der wereld, niet alleen der aarde (1 Kor. 1:2; Rom. 4:13). Zij zijn de Broeders des Heeren (Rom. 8:29).
Hier hebben wij dus een Hemelse groep, die reeds in de- Hebreeuwse Schriften bekend was, al was alles er nog niet over geopenbaard. Die groep vormt « in Christus » (Gal. 3:28) een eenheid en zijn gemeenschap met Christus omvat:
 |
Rom. 6:4 Met Hem begraven.
Rom. 6:5 Met Hem een plant in de gelijkenis Zijns doods.
Rom. 6:6 Met Hem, gekruisigd.
Rom. 6:8 Met Hem gestorven.
|
In de tijd der Handelingen toen Israël nog Gods volk was en het koninkrijk « nabij » was, beschikten zij over bijzondere gaven, zoals in 1 Kor. vermeld. Als die gaven in een gemeente voorkwamen (1 Kor. 1:8), kon men zeggen dat zij « in één geest tot één lichaam gedoopt » waren (1 Kor. 12:13). Paulus stelde die gemeente dan voor door een menselijk lichaam, waarvan het hoofd gevormd was door de Apostelen (niet de 12 Apostelen Israëls, maar Paulus, Barnabas enz.). Dat lichaam is van Christus (1 Kor. 12:27), behoort Hem toe (Gal. 3:27-29). Het Grieks zegt niet dat ze « het » lichaam van Christus zijn, maar alleen dat ze lichaam van Christus zijn. Zo kon ook van de vrouw gezegd worden, dat ze lichaam des mans is, omdat ze hem toebehoort, maar men kan niet zeggen dat zij het lichaam des mans is, Die gemeente was « gezalfd » (2 Kor. 1:21) en kon dus « christus » d. i. « gezalfde » genoemd worden (1 Kor. 12:12). Het is hier een soortnaam voor de gemeente van Korinthe, niet een eigennaam voor de Zoon Gods.
Behalve de aardse en hemelse groepen, onderscheide men ook de overhemelse groep, die van vóór de nederwerping der wereld dateert, doch in geen enkel opzicht in de Hebreeuwse Schriften geopenbaard is. Deze eenheid was Verborgen in God (Ef. 3:9) en heeft niets te stellen met Abraham. Van deze eenheid is in onze aioon niets zichtbaar voor het stoffelijke oog. Die gemeente wordt slechts gezien als zij met Christus in heerlijkheid verschijnt (Kol. 3:4). Hier spreekt de Schrift niet van een volk, van priesters, van inzettingen, van onderscheid tussen de leden. Het is het lichaam van Christus (Ef. 1:23; 5:30). Christus is het Hoofd. De gemeenschap gaat dan ook veel verder dan die van Rom. 6, zoals men ziet uit Ef. 2:5, 6 en Kol. 2:12, 13:
Mede opgewekt.
Mede levend gemaakt.
Mede gezet in de overhemelse in Christus.
Hier is een volmaakte eenheid, door God Zelf gevormd. Er is één samen-lichaam- (Ef. 3:6), één nieuwe mens (Ef. 2:15), één geest, één hoop, één Heer, één geloof, één doop, één God (Ef. 2:4, 5). Haar positie is in de overhemelse (Ef. 1:3, 20; 2:6; 3:10; 6:12), boven alle schepselen (Ef. 1:21).
Kon er dus in de tijd der Handelingen gesproken worden van een zichtbare gemeente met goddelijke inzettingen, nu is dat niet het geval. Sinds het einde van Handelingen is Israël tijdelijk niet meer Gods volk en zijn ook alle zichtbare dingen verdwenen. De Schrift geeft nergens voldoende aanduidingen om. nu aan een zichtbare gemeente toe te laten in al haar gebruiken, vormen, instellingen, naar Gods wil te handelen. Rome gaat daarom terug naar de overlevering en de vormen van Israël. Het Protestantisme doet hetzelfde, maar slechts ten dele en is niet consequent, Allen miskennen de ware eenheid onzer bedeling, de gemeente der verborgenheid. Alle pogingen tot het vormen van een andere eenheid, kunnen alleen in de richting van iets anti-christelijks voeren.
Dat de Heere intussen toch nog allerlei ten goede laat medewerken, niettegenstaande wat er on- en antischriftuurlijk in is, moet men niet aanzien als een goedkeuring, maar als een bewijs van Zijn lankmoedigheid en genade.
IS DE GEMEENTE « ZICHTBAAR » OF « ONZICHTBAAR »? Dat het voor de « gemeente » mogelijk en
nodig is ook een zichtbare eenheid te tonen, wil men rechtvaardigen uit Joh. 17:21 (zie b. v. « Eenheid en Gemeenschap » door J. N. Voorhoeve, bl. 36). Men ziet niet in, dat Johannes zich niet tot de Gemeente der verborgenheid richt. Zoals altijd, voert een verkeerde indeling van Gods Woord tot moeilijkheden en deze dan (mogelijk voor anderen) tot Schriftkritiek. Het is toch een feit, dat thans die eenheid niet zichtbaar bestaat. Wat haar het meest nabij komt, is de Roomse Kerk. Later ook de eenheid gevormd door de Antichristus. Is dat soms de verhoring van Christus' gebeden? Het valt niet te loochenen, dat, moesten die woorden van de Gemeente spreken, men hier een volledige mislukking zou hebben en het gebed van de Heere niet Zou verhoord zijn. Men ziet, hoe men door een ijver tot God, doch zonder verstand, Zijn eer aanrandt en Zijn Woord kan te niet doen.
Men kan die zichtbare eenheid alleen tonen bij het « begin » der « gemeente » in Hand. 2. Maar dat is nu juist ons argument: toen vormde zich niet de Gemeente der Verborgenheid, maar de aardse eenheid (Israël) als een getuige. De Pinkstergemeente bevatte geen enkele onbesneden Heiden. (Hand. 2:5, 10, 14, 22, 36). Het zichtbare is juist een der dingen, die aantonen welk verschil er is tussen de Pinksterbedeling en de onze. Aangaande onze tijd moet men wel erkennen:
|
« de openbaring van het ene lichaam ging daardoor teloor, en werd VOOR DE WERELD EEN BESPOTTING »
|
(E. en G. bl. 39).
En verder:
|
« Het is toch duidelijk gebleken in den loop der eeuwen, dat nimmermeer teruggekomen is, wat in den eersten tijd der gemeente gevonden werd »
|
(bl. 41).
Is dit de verhoring der gebeden?
In de veronderstelling, dat er na Hand. geen nieuwe bedeling begon, is het dan nu nog niet méér noodzakelijk die eenheid te tonen dan in het begin?
In ditzelfde geschrift, wordt de « christelijke kerk » de « gemeente » genoemd (bl. 47). De gelovigen en ongelovigen zijn samen in het « koninkrijk der hemelen » d .i. het « christendom » (bl. 113). Dan wordt ook gezegd dat
« alle gelovigen, uit alle volkeren, één kring vormen, die « de Gemeente heet ».
|
(bl. 41).
Daar behoren die van vóór het kruis en die van het koninkrijk dan toch ook toe en dan heeft men wel gelovigen alle tijden door, maar geen Gemeente der verborgenheid, geen groep, die zich van andere gelovigen onderscheidt door haar bijzondere positie in de overhemelse. Het « koninkrijk der hemelen » is ook iets geheel anders dan het « christendom ».
Het is niet altijd gemakkelijk juist te begrijpen wat men nu eigenlijk « gemeente » noemt. Zo vinden wij in « Lectures on the Church of God » door W. Kelly volgende uitdrukkingen:
|
Bl.79 « Het tweede hoofdstuk der Handelingen, dat de tegenwoordigheid van de Heilige Geest toont, geeft ons voor het eerst de gemeente als een bestaand feit op aarde ».
|
(Er staat een noot bij aangaande Hand. 2:47 over de lezing: « En de Heere voegde dagelijks bij de gemeente, die behouden moesten worden ». Hij besluit hieruit dat die « gemeente » nu iets nieuws is, terwijl het « behouden worden » reeds vroeger bestond. Het is echter een feit, dat de woorden « de gemeente » in GEEN DER DRIE VOORNAAMSTE handschriften gevonden worden. Daarmee valt het onderscheid, dat hij wil maken tussen de gelovigen van het Oude Testament b. v. en de « gemeente » van toen).
|
Bl. 82 « De « onzichtbare » gemeente... bestond eigenlijk vóór de « gemeente », en feitelijk was het deze onzichtbare staat van zaken, die de Heere tot een einde bracht, toen Hij de gemeente vormde ».
|
Hij spreekt dan van de gelovigen in het Oude Testament.
|
« Van nu af waren de discipelen in Israël niet alleen bestemd tot behoudenis, maar zij werden bijeen vergaard, op aarde. Dat is de gemeente. »
|
Zich beroepend op Hand. 2:47, zegt hij:
|
Bl. 83 « Nu neemt de Heere en voegt dagelijks bijeen, een vergaderd lichaam vormende. Het is dus van zelf sprekend, dat « gemeente » een zaak is, en het behouden worden een andere ».
|
In « Het Voornemen der Eeuwen » wordt de volgende vertaling voorgesteld: « De Heere voegde dagelijks de geredden te zamen ». Het Griekse is letterlijk: « De — nu — meester (Heere) — voegde toe — de — zij die behouden werden — dagelijks — op — de — zelve — ». Nu is de vraag: wat betekent « op de zelve »? Deze Griekse woorden zijn gebruikt in Hand., 2:1 en 2:44 en kunnen het best vertaald worden door « bijeen » of « te zamen » Daar was dan ook de Heere Zelve (Mat. 18:20). Wij lezen ook in Hand. 5:14: « En er werden meer en meer gelovigen den Heere toegevoegd », en uit Hand. 11:24: « En er werd een grote schare den Heere toegevoegd ». Wij besluiten hieruit, dat, als men de drie voornaamste handschriften volgt en niets bij de tekst voegt, maar vertaalt in overeenstemming met andere plaatsen, heel de bewijsvoering van Kelly in duigen valt, want er wordt niet gezegd, dat zij tot « de Gemeente » gevoegd worden, maar wel tot de Heere. Dat zij toen ze bijeenkwamen, als in Hand. 5:11, een « vergadering » of « gemeente » vormden, wil niet zeggen dat men nu die « gemeente » als iets heel bijzonders moet aanzien, die nog bestaat als zij die « vergadering » verlaten.
|
Bl. 83. « De Heere laat hen « die behouden moesten worden » niet in hun oude betrekkingen, maar bouwt ze geleidelijk samen tot de gemeente ».
|
Dat doet de Heere dan nu niet meer, vermits erkend wordt, dat de meesten, die bij de « gemeente » behoren, nog in Protestantse, Roomse of Griekse kerken zijn. Waarom zou de Heere in den beginne anders gehandeld hebben?
Bl. 35. « Beide de behoudenen » van Israël en der Volken worden eerst bij Pinksteren « samen tot een op aarde bestaand lichaam gebracht. Dat lichaam is, en wordt genoemd « de gemeente » of vergadering van God ».
Bl. 114. « Te vormen de vergadering op aarde ».
Bl. 227. « De gemeente, nu ze verbroken en geruineerd is. »
|
Uit dit alles krijgen wij de indruk, dat deze schrijver in het bijzonder het op-aarde-vergaderd-zijn aanziet als de « gemeente ». Een eenheid, die, vóór alles, geestelijk is, kan het niet zijn, anders kon hij de Oud-Testamentische gelovigen niet uitsluiten. Hij zegt uitdrukkelijk (bl. 82), dat de gelovigen slechts op aarde bijeen kunnen gevoegd worden. De gemeente kan dan ook « gebroken » en « geruineerd » zijn. Van een geestelijke eenheid, die onaantastbaar is, staat er geen woord. Telkens zegt hij « op aarde ». Men ziet hoe Joh. 17:21 dan helemaal niet meer vervuld wordt:
|
« Opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader 1 in Mij, en Ik in U, opdat ook zij in. Ons één zijn; opdat DE WERELD gelove, dat Gij Mij gezonden hebt ».
|
Zoals hierboven gezegd, is er reeds onmiddellijk na het kruis een eenheid, maar in de eerste plaats een aardse eenheid van Israël en een geestelijke eenheid in Christus. Dat daarbij Israël (en de gelovigen van de volken) ook ten opzichte der wereld moesten getuigen, staat vast. Dit is nu in het geheel niet vervuld en zal slechts volledig vervuld worden in het Koninkrijk. Past men dus Joh. 17:21 op onze bedeling toe, dan is die bede niet verhoord.
Voor wat de Gemeente der Verborgenheid betreft, hierin zien wij niet een « vergadering » op aarde, maar een volmaakte geestelijke gemeenschap, met een geestelijke getuigenis tegenover geestelijke wezens in de eerste plaats. De wereld ziet ons niet ALS GEMEENTE. Die verborgenheid is voor hen nu nog volledig verborgen, door ongeloof in de openbaring. De wereld ziet ons eenvoudig als kinderen Adams. De natuurlijke mens neemt niet aan hetgeen van de Geest Gods is (1. Kor. 2:14). Als mensen zijn wij tegenover de mensen getuigen. Hier is onze wandel dus ook van het grootste belang. Andere gelovigen, die de verborgenheid niet zien, kennen ons ook slechts als gelovigen in Christus, niet als « Gemeente. ». Deze is volkomen onzichtbaar voor het lichamelijk oog. Die gemeenschap staat boven alle stoffelijke bestaanswijze. Hier kunnen geen « boze » binnen, kan geen afval zijn, noch verbrokkeling, noch verbreking of ruinering. Zij is een volmaakt geestelijk lichaam, met een volmaakt Hoofd.
De vers-indeling van Ef. 3:5, 6 is niet zeer gelukkig. Men kan lezen: « Apostelen en profeten — dat IN DEN GEEST de volken medeërfgenamen ». Dus niet zichtbaar, niet naar de uiterlijke bestaanswijze, maar IN DEN GEEST. Ef. 2:15 zegt: « Opdat Hij die twee in Zichzelve tot een nieuwe mens zou scheppen ». Dat is geen zichtbare schepping en eenheid. Later eerst worden zij MET HEM geopenbaard (Kol. 3:4). Dan zal ook de wereld ons als een eenheid kunnen zien en kunnen wij de toekomende aionen door, getuigen van de uitnemende rijkdom Zijner genade (Ef. 2:7). Onze eenheid is een « eenheid des Geestes » (Ef. 4:3). Moest de wereld ons nu als gemeente zien, als Lichaam, dan zou zij een lichaam ZONDER HOOFD zien.
Niemand toch zal zeggen, dat voor de wereld Christus nu zichtbaar is? Hoe kan dan het zichtbare, het OP AARDE een groep vormen, het kenmerk zijn der Gemeente? Alles laat zien, hoe die broeders wel 'n gemeente kennen, maar niet DE Gemeente. Zij snijden het Woord der waarheid niet recht.
Een zichtbare gemeente geeft ook onoverkomelijke moeilijkheden in betrekking tot de tekenen. Men zegt, dat deze nu niet meer bestaan, omdat de « eenheid » verbroken is, en God die afscheuring niet kan goedkeuren. Dat schijnt zeer logisch, maar waren er ook in Korinthe geen scheuringen? Als de gemeente nu slechts vertegenwoordigd is bij hen die als « vergadering des Heeren » bijeenkomen zou er een reden te meer zijn om die tekenen op die plaats te laten voortduren. Dat zou juist aan de anderen tonen, dat ze daar ook moeten zijn. Is dat nu soms minder nodig dan met Pinksteren?
De noodzakelijkheid van een « vergadering des Heeren » wil men onder meer bewijzen uit Heb. 10:25: « Laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten ». Nu is « onderlinge bijeenkomst » de vertaling (zoals de vert.Voorhoeve opmerkt) van het zelfde woord, dat door « toevergadering tot hem » in 2 Thes. 2:1 vertaald is. Het wijst hier duidelijk op de opname der gelovigen in de hemelse sfeer, niet op de leden der verborgen gemeente. Ook in Heb. 10:25 wordt gesproken van de dag, die nadert en in v. 37 van de komst van Christus. Waarom wil men hier nu een gewone vergadering van maken?
Wij verwerpen absoluut de gedachte, dat door een zichtbare eenheid, de wereld nu zou moeten geloven. Deze wereld zal juist niet geloven. Dat zal gebeuren in het Koninkrijk, als geheel Israël één zal zijn en alle volkeren naar Jeruzalem zullen komen tot hun heil, De Gemeente is een, voor het stoffelijk oog, onzichtbaar organisme, niet een zichtbare organisatie.
Laat ons nu enige moeilijkheden nagaan waarmee zij te kampen hebben, die niet geloven AL wat de profeten (zowel in de Gr. als in de Hebr. Schriften) gezegd hebben, die het voorbeeld der gezonde woorden van Paulus niet houden en het woord der waarheid niet recht snijden. Het zal daarbij soms nodig zijn iets te herhalen van wat wij reeds neerschreven.
MOEILIJKHEDEN. Wij komen nogmaals terug op het onderwerp der ceremoniën der wet. Deze werden door bemiddeling van Mozes aan Israël gegeven. Nooit was de bedoeling, dat het bij het uitwendige moest blijven. Die vormen waren de uitdrukking, het beeld, de schaduw van het ware. De hoofdzaak was ook toen: « Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelve » Lev. 19:18. Telkens en telkens weer waarschuwen de profeten, dat deze vormen op zichzelve niets zijn en geen kracht hebben, ja meer nog, dat zij God een gruwel zijn. als het daarbij blijft. Wij geven enkele delen als voorbeeld:
« En ik weet, mijn God, dat Gij het hart proeft, en dat Gij een welgevallen hebt aan oprechtheden » (1 Kron. 29:17).
« Want den Heere (aangaande), Zijn ogen doorloopen de gansche aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, welker hart volkomen is tot Hem » (2 Kron. 16:9).
« Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de Heere, Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken. Wanneer gijlieden voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geeischt, dat gij Mijn voorhoven betreden zoudt P Brengt niet meer vergeefsch offer; het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet: het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen. Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel; ze zijn Mij tot een last, Ik ben moede geworden die te dragen. En als gijlieden uw handen uitbreidt ver berg lk Mijn ogen voor u ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed. Was u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg; laat af van kwaad te doen; leert goed doen, zoekt het het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwen. Komt dan en laat ons samen rechten, zegt de Heere: al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen werden als witte wol. » J-es. 1:11-18.
« Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot kennis Gods, meer dan tot brandofferen » Hos 6:6.
« Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken, want ofschoon gij Mij brandofferen offert, mitsgaders uw spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien. Doe het getier uwer liederen van mij weg, ook mag Ik uwer luiten spel niet horen, maar laat het oordeel zich daarhenen wentelen als de wateren, en de gerechtigheid als een sterke beek. » Amos 5:21-24.
« Waarmede zal ik den Heere tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen met eenjarige kalveren? Zou de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen? Aan tienduizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding? De vracht mijns buiks voor de zonde mijner ziel? Hij heeft u bekend gemaakt o mens! Wat goed is; en wat eist de Heere van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uwen God? » Micha 6:6-8.
|
Wat zullen wij nu uit dergelijke uitspraken besluiten? Zullen wij met Barnabas en andere Kerkvaders zeggen, dat dit toont, dat de Heere eigenlijk nooit geen werkelijke offeranden, geen ceremoniën gevraagd heeft? Zullen wij dan ook slechts de geestelijke betekenis behouden, ook voor die tijden? Neen, wij moeten zowel de letterlijke ceremoniën als de geestelijke achtergrond beide aannemen.
En als wij dan komen tot de Griekse Schriften van de tijd der Handelingen, en er nog niet uitdrukkelijk gezegd is, dat die vormen nu te niet gedaan zijn, mogen wij dan zeggen, dat de Joden ze niet meer moesten waarnemen zodra zij in Christus geloofden? De Heere Zelf had nog gezegd, dat geen jota noch tittel der wet zou voorbijgaan, totdat de hemel en aarde voorbijgaan. Namen we nu ook al aan, dat het Gods wil was, dat de Christen-Israëlieten de wet niet moesten onderhouden gedurende de Handelingen-periode,dan kwamen wij daarmee in groter moeilijkheden t. o. v. toekomstige dingen. Want met betrekking tot het koninkrijk op aarde spreken de profeten weer van allerlei ceremoniën. Men weet hoe nauwkeurig Ez. 40-44 de tempel en de inzettingen van die tijd beschrijft. En dat is voor bekeerde Joden, voor mensen die in God geloven en opnieuw geboren zijn. Als deze nog offeranden moeten offeren, waarom dan die van Handelingen niet? Voor hen, die de Schrift niet wensen te vergeestelijken, ligt hier een onoverkomelijke moeilijkheid.
Er is maar één oplossing: inzien, dat Paulus na Hand. 28 van een nieuwe bedeling spreekt, waar de wet der geboden, in inzettingen bestaande, « teniet gemaakt » is (Ef. 2:15), Nu moet men niet zeggen, dat dit reeds begint te tellen van het kruis omdat er staat « in Zijn vlees », want het is duidelijk, dat al wat aan het kruis volbracht is, niet vlak na het kruis begint.
2. Een tweede moeilijkheid is, op eenvoudige doch afdoende wijze uit te leggen waarom er gedurende de periode der Handelingen allerlei was dat er nu niet meer is, als algemeen verschijnsel. Wij bedoelen de wonderen, de krachten, de talen, de tussenkomst van engelen, de gemeenschap van goederen, het onmiddellijk gericht enz.
Een der bekendste redenen om de afwezigheid van sommige dezer dingen uit te leggen is, dat de verbrokkeling van het Christendom in allerlei kerken en sekten de Heere belet nu nog te werken evenals in den beginne. Hij kan die scheuringen toch niet goedkeuren? Zij, die deze uitlegging geven, denken zelf naar Gods wil te handelen. Hun uitlegging schijnt steekhoudend, doch men vergeet één ding: deze werking des Heiligen Geestes zou er dan juist moeten zijn bij hen, die getrouw gebleven zijn. Waar het Christendom in hun oog zo ver is afgeweken, zou er nu des te meer reden zijn de gaven te geven aan de getrouw gebleven groep of het tot de getrouwheid teruggekeerde deel der gemeente. Zo zou dan ieder gelovige weten waar hij zijn moest om de eenheid te behouden.
Dat verdeeldheid en onwaardigheid geen beletselen zijn, leren wij uit 1 Kor. 12:11: « gelijkerwijs Hij wil ». Het woordje « wil » is in het Grieks het werkwoord boulomai, besluiten; in Hand. 5:38, 39 en Heb. 6:17 vinden we het daarbij behorende zelfst. naamw. raad, d. i. vast besluit. Het hangt dus niet af van de mensen, maar alleen van God. Ook in dit opzicht sluit Pinksteren zich aan bij het Koninkrijk en niet bij de Gemeente. Bovendien leert 1 Kor. 13:8-10 dat, als het volmaakte kwam, hetgeen ten dele was, op zou houden. Die gemeente van toen was « ten dele ». Het zelfde woord van 1 Kor. 13:10 staat in 1 Kor. 12:27: « leden ten dele », d. i. van elkaar afhankelijk, alleen in verbinding met het gehele lichaam werkend. Dit valt weg in Efeze. Dan komt het volmaakte, het volkomen man zijn. Verre dus dat de gaven ophielden vanwege het niet meer waardig zijn, hielden zij op omdat God (ondanks de onwaardigheid) nog iets hogers gaf.
Alles wordt duidelijk en op eenvoudige wijze uitgelegd, als men inziet, dat de bedeling van Pinksteren tot het einde der Handelingen geheel verschillend is van de tegenwoordige en meer een overgang tot het Koninkrijk dan tot de gemeente had moeten zijn.
3. Als men op onze bedeling toepast, wat in betrekking staat tot een andere bedeling, dan komt men er ook toe, dat er nu een zichtbare gemeente moet zijn, die naar Gods wil een zichtbare eenheid moet vormen. Men durft dan zelfs Joh. 17:21 aanhalen om de gelovigen te vermanen, die eenheid te bewaren of te maken, opdat de wereld gelove. Men is echter wel verplicht te erkennen, dat die zichtbare eenheid er niet is. En wat is dan de noodzakelijke konklusie? Dat de gebeden van onze Heere Jezus niet verhoord worden!
Als er een zichtbare gemeente is, dan mag er op elke plaats ook maar één vergadering zijn. Daar moet ieder oprecht Christen dan heengaan. Daar alleen heeft men de waarheid. Wijl ongelovigen, zij die een valse leer hebben en zij die onwaardig handelen niet aan de eredienst mogen deelnemen, moet men die mensen geheel kunnen kennen, moet men juist weten wat in alles de waarheid is. Beweren die broeders alle waarheid te hebben? Bezitten zij die bijzondere gaven om hun medegelovigen volkomen te doorzien, zoals b. v. Petrus met Ananias en Saffira?
Met een zichtbare gemeente en een zichtbare eenheid voor de tegenwoordige bedeling, komt men dus tot onoverkomelijke moeilijkheden omdat thans niet de daarbij behorende omstandigheden bestaan. Die zichtbare gemeente past, wel op het koninkrijk. Het is eerst na de opstanding, als de poorten van de Hades door de opstanding zullen overweldigd zijn, dat de Heere de gemeente zal bouwen, die, als gemeente, een aardse rol te vervullen heeft.
4. Een ander moeilijk geval is dat betreffende het Nieuwe Verbond. Zij die het O. T. vergeestelijken, kunnen hier consequent zijn. Jer. 31:31 zegt dat dit N. V. met Israël zal gemaakt worden. Als nu de « Kerk » de plaats heeft ingenomen van Israël, dan is dat N. V. van zelf met de « Kerk » gemaakt. Maar zij die aan Israël willen laten wat aan dat Volk gegeven of beloofd is, zitten hier vast of moeten erkennen, dat het N. V. niet met de gemeente gesloten is. Daar echter Israël nu niet als zodanig bestaat, is dat verbond dan ook nu niet van kracht.
Ook hier is weer de enige oplossing: het nemen zoals God het in Zijn Woord geeft. Het bloed des Nieuwen Verbonds met Israël werd vergoten {Mat. 26:28) doch dit Verbond moet nog opgericht worden (Heb. 8:8) in de toekomst als Israël zich, als Volk, bekeerd zal hebben. De Gemeente, door Paulus alleen bekend gemaakt na Handelingen, heeft als zodanig niets met dit verbond te maken. Haar gemeenschap met Christus, n. l. van het Lichaam tot het Hoofd, is zó innig, dat van geen verbond sprake kan zijn. Men « verliest » dan een verbond, en wat er bij behoort, maar wint een nauwere gemeenschap met Hem, Die boven alles geplaatst is.
5. Wil men de 12 Apostelen Israëls volgen, dan moet men dat consequent doorvoeren. Uit de Schrift en uit de getuigenis der eerste eeuwen weten wij, dat zij allerlei ceremoniën waarnamen. Men is dan ook verplicht hulp te zoeken bij de overlevering. Want alleen de Schrift gebruiken gaat niet meer. Het is toch duidelijk, dat allerlei, vooral in betrekking tot de uitwendige dingen, niet volledig beschreven is in Gods Woord. Zo komt men dan tot het Anglicanisme of zelfs tot Rome.
Weer is er maar één oplossing, en wel dezelfde als voor alle andere moeilijkheden: Te geloven, dat de Gemeente onzer bedeling geheel onafhankelijk staat van de 12 Apostelen van Israël. Voor die Gemeente zijn er geen vormen meer, en dan kan ook de Schrift alleen voldoende zijn, dan kan alle overlevering verworpen worden. Dan bedenkt men de dingen die boven zijn en heeft men geen schaduw, geen ding dat op aarde is, meer nodig.
6. Met de 12 Apostelen van Israël moet men ook een kerkorganisatie aannemen, zoals zij die instelden en in de eerste eeuw gezien werd. Ook hier is de Schrift niet voldoende om alles aan te geven.Neemt men met de 12 ook hun organisatie aan, dan moet men weer naar de overlevering. In Handelingen wist ieder juist wat er gedaan moest worden. Ook in het Koninkrijk zal men in alles Gods wil kennen en volgen. Maar hoe zouden wij nu een kerkorganisatie kunnen hebben, die geen mensenwerk is, als wij niet de nodige aanduidingen daarvoor vinden?
7. Als de Gemeente met Pinksteren zou begonnen zijn, zou men hier het kenmerkende dier gemeente moeten vinden en niet wat vroeger door Israël reeds verwacht werd. Hoe komt het dan, dat er toen alleen Israëlieten waren en Petrus weer hun bekering vraagt, opdat het koninkrijk moge beginnen? Hoe komt het, dat toen de profetieën aangaande Israël ten dele vervuld werden? Hoe komt het, dat toen nog niemand iets van de eigenlijke Gemeente afwist, en eerst Paulus die dingen,maar veel later, bekend maakte? Waarom worden de gelovigen uit de volken nog als « onrein gedierte » voorgesteld en wil Petrus niets te doen hebben met de « godzalige » Cornelius? Men zegt, dat Petrus toen de « sleutelen des koninkrijks » gebruikte. Passen die dan ook op het slot der Gemeente? Of wordt de Gemeente geopend door Paulus, die er eerst na Hand. 28 het rentmeesterschap van had?
8. In Handelingen geschiedt er niets buiten hetgeen waarvan de profeten gesproken hebben. Zowel de uitstorting des Heiligen Geestes als het begin der zegening der volken was door hen menigmaal voorspeld. De bekering, het vergeven der zonden, de doop, het nieuwe hart enz., dat alles was aan Israël beloofd. Wat spreekt Paulus dan van een verborgenheid, die van alle eeuwen verborgen was in God? Als de profetieën hier een begin van vervulling hebben en de rijkdommen dezer periode dus aan de profeten bekend waren, hoe spreekt Paulus dan van onnaspeurlijke rijkdommen »?
9. Als men de gemeente in de plaats van Israël stelt en men niet inziet, dat b. v. de brief aan de Romeinen niet handelt over de bijzondere positie der Gemeente waarvan Christus het Hoofd is, moet men dus aannemen, dat de volken, dus ook de gemeente, slechts een ingeënte tak is in de Israëlitische olijfboom. In plaats dat er nu geen verschil meer zou zijn tussen Jood en Heiden, is er juist Jood en Heiden, maar de laatste in een geheel afhankelijke positie. Hij moet zijn zegeningen dan ontvangen door Israël (zoals gedurende het koninkrijk). Hoe komt het toch, dat men niet inziet hoeveel men verliest, als men zich van Paulus afwendt? En neemt men de olijfboom als voorstelling van de geestelijke zegeningen uit het Abrahamietische verbond voortvloeiend, dan vergist men zich nog als men denkt dat de gemeente van Abraham afhangt. Dit toont dat men nog geen zuivere blik heeft op de positie der Gemeente als het Lichaam waarvan Christus het Hoofd is.
10. De toestanden van Handelingen zullen onder het koninkrijk tot volle ontplooiïng komen. Voor wat de aarde betreft, is Israël dan het priester-volk door middel waarvan de volle zegeningen komen tot de Volken, die op een verloste aarde wonen. Dat kennen wij nu nog niet. Reeds in het O. T. was er ook een hemelse positie in het zicht, deze wordt ook na de opstanding verwezenlijkt. Velen worden dan met Abraham gezegend. Als men de Gemeente met Pinksteren laat beginnen, komt men niet verder dan die aardse en hemelse roepingen. Waar blijft men dan met de overhemelse positie, waarvan Paulus spreekt? Die kent men niet en verliest al wat er aan verbonden is.
11. Dat sommigen bezwaar maken om een bijzondere groep gelovigen als de Gemeente die het Lichaam van Christus is, te aanvaarden, kan men in zekere zin begrijpen. Zij hebben nooit anders geleerd dan dat er een gemeente is van af de grondlegging der wereld. Maar zij die geloven in een opname der Gemeente, die zij dan « de Bruid » noemen, en deze dus onderscheiden van de andere gelovigen, moeten dit logisch doorzetten. Vooreerst moet er geen overwegend bezwaar zijn die groep niet van Pinksteren, maar eerst na Handelingen te laten beginnen. Verder moeten er ook bijzondere dingen van die groep gezegd worden, die de andere gelovigen niet betreffen. Welke zijn die, als men het gehele N. T. op de Gemeente toepast? Als alles tot hen gericht is, wat is er dan voor de andere gelovigen, b.v. vlak vóór en gedurende het koninkrijk? Als nu die Gemeente is weggenomen van de aarde,blijft dan alleen het O.T. toepasselijk op de gelovigen, die overblijven? Wij willen dus besluiten, dat als men een bijzondere groep gelovigen onderscheidt, men dan ook moet aannemen, dat een deel der Griekse Schriften alleen tot hen gericht is. In ons geval hebben wij geen moeite die delen te onderscheiden: het zijn de laatste geschriften van Paulus, toen hij voor het eerst de grote verborgenheid bekend maakte.
De lezer heeft mogelijk soms de indruk gekregen, dat wij de Hervormers, ja bijna alle Christenen misprijzen. Wij wensen hier met nadruk te zeggen, dat wij ze even hoog schatten als wie ook. Men poge ook in deze zaak ons standpunt te begrijpen. Wij bewonderen juist zeer velen om de waarheidsliefde, de moed en andere hoedanigheden, die zij getoond hebben door tegen gangbare gedachten en gebruiken in te gaan.
Wij willen nog eens met nadruk zeggen, dat vóór alles de vraag is: Wat heeft God gezegd? Wat is Zijn wil? Al zijn wij door iets gezegend, is het daarom schriftuurlijk? Houden wij meer aan onze zegeningen vast dan aan Gods Woord? Vrezen wij soms een verlies voor onze gevoelens, ten koste van de waarheid? Zij die een verlies vrezen, kan men er op wijzen, dat zulk standpunt gevaarlijk is. Want dan plaatst men zich op subjectief terrein, dan hangt alles af van wat wij menen een winst te zijn. Misschien is iets schijnbaar een winst voor ons, maar tot welke prijs? Kunnen wij schatten in hoe verre wij ook tegenover de schepping een misdaad plegen, als wij iets onschriftuurlijks vasthouden? Men ga dus voort in het geloof, niet wetende waar men zal komen, niet ziende op winst of verlies, maar op de dingen die boven zijn, door Hem geleid. Dan is het tenslotte toch winst voor ons, al gaat het door lijden.
Het moet eigenlijk niet over ons zelf gaan, of wij iets weten of beter weten, of wij iets verliezen of winnen. Het gaat over Christus, wat Hij is en doet. Het gaat over Zijn verheerlijking, over de rijkdom Zijner genade. Het gaat ook niet tegen vlees en bloed, maar tegen overheden, machten, wereldbeheersers dezer aioon, tegen geestelijke machten der boosheid. Laat ons elkaar helpen staande te blijven tegen de methoden des duivels en het zwaard des Geestes leren gebruiken. Niet dat wij Satan moeten vrezen. Hij is een overwonnen vijand, maar wij moeten in onze positie blijven, anders kan hij ons treffen, Daarom ook is het weer zo belangrijk die positie goed te kennen.
Eens zal God alles in allen zijn. Hoe kunnen wij het best door God gebruikt worden, om tot dit doel mede te werken? Waartoe zijn wij door Christus gegrepen? Laat ons elkander bijstaan, in welke positie wij ook geplaatst zijn en steeds voortvaren, strekkende naar hetgeen vóór is, naar de hogere openbaringen.
Als wij de aionen en bedelingen goed overzien, kunnen wij aan ieder de goede tijding brengen die overeenstemt met zijn bijzondere toestand. Anders mag men vrezen de dingen te verwarren en te spreken over positie en wandel van een bedeling of groep waartoe onze toehoorders niet behoren.
Sommigen hebben het woord « stokpaardje » uitgesproken met het oog op hen, die de aandacht vestigen op het bijzondere onzer bedeling, Men heeft het betreurt, dat men zijn krachten niet meer wijdde aan het « eenvoudig evangelie ». De lezer oordele of de kennis van Gods voornemen en het onderscheiden der bedelingen niet fundamenteel is. Mist men dit, dan kan men wel een systeem min of meer goed afwerken, vele onderdelen zullen juist zijn, maar de grote lijnen zijn verkeerd en de gevolgen zijn niet te overzien, zowel voor de gelovigen als voor Gods verheerlijking. Men richt dan de koers op een ander punt dan waarop we moeten aansturen, men ziet de loopbaan en zijn eindpunt niet. Men kan zo niet naar Gods wil wandelen.
Men heeft ook dikwijls gezegd, dat wij maar enkele Brieven overhouden van de gehele Bijbel en dat tenslotte niemand meer weet, wat wel en wat niet tot ons gericht is. Dat is niet juist. Wij behouden alles, maar door speciaal te onderscheiden wat speciaal tot ons gericht is, heeft dit deel voor ons meer waarde dan voor anderen, die het met het overige vermengen en zo het bijzondere verliezen. Zij verliezen Gods veelvuldige wijsheid uit het oog en komen tot een eenvormige beschouwing, die nog misvormd is daarbij, daar zij zich alles toeeigenen, ook wat voor anderen is.
Heel de Schrift hebben wij nodig « tot leering... », 2 Tim. 3:16, 17. Als zondaar, wedergeborene en gerechtvaardigde was verder veel tot ons gericht, dat nu, als lid der gemeente der Verborgenheid, niet langer meer over ons handelt.
Verder is niets gemakkelijker om, in ons geval, te onderscheiden wat tot ons gericht is: al wat door Paulus geschreven werd na de verwerping van Israël, dus Ef., Fil., Kol., 2 Tim. Heeft men er anderzijds al eens over gedacht, hoe moeilijk het is, met de tegenwoordige beschouwingen, om te weten wat tot de tegenwoordige gelovigen gericht is? Neem b. v. 1 Kor 10 tot 12. Als vers 1 spreekt van « onze vaderen », mogen wij dat als tot ons gericht nemen? Is vers 19 enz., waar van afgoden-offer gesproken wordt, tot ons gericht? Mogen onze vrouwen niet met ongedekt hoofd bidden? Is er nu een onmiddellijk oordeel als in 11:29, waarbij men door het onwaardig eten van 's Heeren maal zelfs kan sterven vs. 30? Hebben wij de gaven van hoofdstuk 12? Het is duidelijk, dat in geen geval alles tot ons gericht is en wie zal met zekerheid zeggen, wat ons nu wel en niet betreft? Terwijl men volgens de traditionele beschouwingen overal wat moet zoeken, is volgens ons standpunt alles geconcentreerd in enkele Brieven en blijven de andere als onderbouw altijd nog even nuttig tot leering en onmisbaar om de bedeling te leren zien en er toe te leiden. Blijft Israël dan onder de wet of komt het juist zó onder de genade? Zo wij. Door de andere bedelingen en groepen te onderscheiden, worden wij geleid tot het klare inzicht in welke bedeling we nu leven. Al wat te voren geschreven is, is dus voor ons nodig, maar gaat niet over ons.
De weg der behoudenis vindt men beschreven in de gehele Schrift en deze is dus als zodanig ook weer geheel voor ons. Maar als we aan het einde van de weg zijn, is dan hetgeen van het begin spreekt nog tot ons gericht? Wat God tot een « kind » zegt, gaat dat ook over de « volwassen man »?
Laat ons dan Paulus volgen als hij zegt: « één ding doe ik; vergetende hetgeen achter is, en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods die boven is (niet: « van boven ») in Christus Jezus » (Fil. 3:14). Kunnen wij Hem verheerlijken door naar andere bedelingen te zien en feitelijk onze plaats niet in te nemen? Wast men op in Christus, Die hoven alles is, als men leeft in bedelingen, die voor de aarde en de hemelen zijn? Komt men tot de plaats van Gods rechterhand en gaat men daarmee de hemelen door, als men ziet naar het geslacht der hemelen, waar wij een overhemelse plaats mogen verkrijgen?
Wij maken van deze gelegenheid gebruikt, om te wijzen op Gods overvloedige barmhartigheid jegens alle mensen.
Toen Hij Israël uit Egypte verloste en dit volk de gelegenheid gaf in het beloofde land te komen, ging het niet in door ongeloof. Liet de Heere hen nu aan hun lot over? Was het alles of niets? Neen Hij zorgde voor hen, zelfs in die toestanden die eigenlijk niet naar Zijn wil waren.
Zo zien wij ook Zijn erbarmen in het bestaan van alle huidige kerken, sekten en groepen, voor zo ver deze aan Zijn Woord vasthouden. Allen hebben dit Woord, de volle waarheid. Maar door ongeloof gaat niemand VOLLEDIG in in die waarheid. Naar gelang van zijn toestand, kan elk nu geholpen en zelfs gezegend worden door de een of andere kerk of groep. Wij mogen er dankbaar voor zijn, dat zij bestaan in de gegeven omstandigheden, nu Satan de God dezer eeuw is. Wij willen ze dan ook in deze zin niet bestrijden. Alleen als zij, die er deel van uitmaken, beweren DE waarheid te hebben en zich als DE kerk of groep aanzien, waar men MOET zijn, dan kunnen wij dat niet aannemen. Maar dit zal ons niet beletten ons te verblijden, dat Christus bij velen toch verkondigd wordt, al is het dan onder een deksel. (Fil. 1:15-18). Men mene niet dat wij zelf van iemand verlangen dat hij bij ons MOET zijn.
Is een oprecht ootmoedig gelovige ergens geholpen, dat hij er blijve zolang hij geen verder licht heeft. Vindt hij zegen in een vorm, dat hij die vorm behoude. Dat is waarschijnlijk in zijn toestand nog nodig voor hem en het zou verkeerd kunnen zijn, zo hij het naliet. Maar zijn plicht is intussen Gods woord naarstiglijk te onderzoeken en niet bij een stelsel, belijdenis enz. te blijven staan. Als bij hem een ware en zuivere zucht naar méér waarheid is, zal hij ook door God verder geleerd worden. Door Gods Geest zal de Schrift meer en meer tot hem spreken. Hij verwachte niet onmiddellijk een juist inzicht in alles te verkrijgen, hij onderzoeke echter geduldig, en wandelde in overeenstemming met het hem bekende. Dit alles alleen ter verheerlijking van 's Heeren Naam en niet tot eigen voldoening of zelfs zegen. Hij moet aldus zijn opvattingen voortdurend uitzuiveren in het levende water, voortvaren en opwassen.
Het is mogelijk dat hij dan ook van kerk tot kerk, of van sekte tot sekte zal overgaan naar gelang hij meer licht zal hebben. Men duide het hem niet ten kwade als dit werkelijk het gevolg is van een juister inzicht. In de tegenwoordige bedeling is het einde van die loopbaan: het komen « tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus, opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen, maar de WAARHEID BETRACHTENDE IN LIEFDE, alleszins zouden opwassen in Hem, die het Hoofd is, Christus ». Op menselijke wijze gesproken, staan zij dan nagenoeg alleen, maar kennen daarentegen de nauwste gemeenschap met Christus. Zij steunen dan ook niet meer op zichtbare dingen, op vormen, op menselijke leer, maar alleen op Hem en Zijn Woord.
Daarom kan het bestaan van zovele sekten in deze tegenwoordige boze wereld (aioon) ook zijn goede zijde hebben. Elk dezer kan iets te zeggen hebben aan een groep gelovigen en kan hun tot een tijdelijke hulp zijn op het pad naar de waarheid. Een te plotselinge overgang kan soms schadelijk zijn. Die hulp kan dus soms nuttig zijn en wij moeten ons in deze zin wachten die sekten te bestrijden; maar zij mogen niet als het EINDDOEL aangemerkt worden.
Als wij dan deze tegenwoordige boze aioon overzien, in betrekking tot de worsteling tegen de geestelijke wezens der boosheid, dan zien we, dat Satans actie zich het meest richt tegen de gezonde leer en niet tegen de moraal enz. In die worsteling kunnen wij overwinnen door de waarheid vast te houden in liefde en in alles tot Hem, die het Hoofd is, op te wassen. Onze strijd is niet tegen vlees en bloed.
Men behoeft Satan niet te vrezen, als men zich houdt aan de positie waarin God ons plaatst. De briesende leeuw van 1, Petr. 5:8 en de overste van de macht der lucht van Ef. 2:2 kan niets tegen hen die in de overhemelse zijn, aan Gods rechterhand. Wee onzer als wij onze positie niet innemen en dat gebeurt zo dikwijls.
In heel de geschiedenis van het Christendom, zien wij hoe velen niet staande gebleven zijn tegen de listen (methoden) des duivels en heen en weer bewogen en rond gevoerd werden door alle wind der leer. Telkens en telkens werden er overwinningen behaald door de overheden, machten, wereldbeheersers en geestelijke wezens der boosheid. Daar waar schijnbaar aan de meest verheven gedachten werd vastgehouden, waar de mens streefde naar het beste en edelste, vindt men dikwijls de grootste afwijking van de waarheid. De vraag is dus niet of men godsdienstig, vroom, ethisch, « geestelijk » is, maar of men in de waarheid staat, dus Schriftuurlijk is. Als Paulus zegt, dat Satan zelf de gedaante aanneemt van een engel des lichts, dan is het in verband met hen, die « een anderen Jezus » en « een anderssoortig evangelie » prediken. En God zwijgt intussen en laat schijnbaar alles zo maar gaan. Op bedekte wijze gebruikt Satan het Christendom om zijn plannen uit te voeren. Zal hij slagen? Wij kennen het antwoord uit het boek der Openbaring. Toch wordt Christus « onder een deksel » gepredikt en dringt ook langzamerhand Paulus' leer meer en meer door. Niettegenstaande alles, wordt zelfs de grote verborgenheid meer en meer bekend en geloofd. Daar heeft God Zelf voor gezorgd. Die « heiligen en getrouwen » (Ef. 1:1. Vert. Voorhoeve) behoeven niet talrijk te zijn, en kunnen maar een klein aantal vormen van schier op zich zelf staande gelovigen, te midden van hen, die in Christus geloven. Deze verborgenheid is niet bestemd om met veel omhaal en succes in het publiek verkondigd te worden. Zij moet veeleer toevertrouwd worden aan « getrouwe » mensen (2 Tim. 2:2), die niet in grote massa's te vinden zijn, want daarvoor is het nu Gods tijd niet. Die prediking belet natuurlijk niet het verkondigen van andere goede tijdingen betreffende de aardse en hemelse sferen, die dus meer algemeen voor zondaren en heiligen bestemd zijn.
Juist zoals men bij Paulus ziet dat er weinig zichtbare « zegen » rust op het bekend maken der grote verborgenheid, zal dit ook bij ons het geval zijn.
Na de laatste ons bekende aioon, als God alles in allen is; is ook de tijd gekomen, dat niet meer enkele uitverkorenen, maar alle mensen delen in de voorrechten der leden der tegenwoordige Gemeente der verborgenheid. Satan is dan al lang in de poel des vuurs geworpen geweest en is gedurende de aionen door God gebruikt geworden om Zijn voornemen uit te werken.
Het bestaan der Gemeente is nu en in de toekomende aionen een bewijs van de volledige overwinning van Christus en van Gods almacht, alwijsheid en alliefde. Daarom is het zo belangrijk voor alle leden der Gemeente bewust te zijn van hun positie en hunner roeping waardig te wandelen. Het gaat niet zozeer over henzelf, over wat zij te winnen of te verliezen hebben, maar over Gods eer en heerlijkheid. Zij zullen niet alleen door de wereld, maar ook door hun medegelovigen misprezen worden evenals Paulus. Maar de Heere zal hen verlossen van alle boos werk en ze bewaren tot Zijn overhemels koninkrijk (2 Tim. 4:18). Hem zij de heerlijkheid gedurende de aionen der aionen.
AANHANGSEL — Het Avondmaal Top
VOORWOORD. Dit aanhangsel verscheen niet in « Uit de Schriften » omdat het ons doel nooit geweest is iets te bestrijden, dat velen zeer dierbaar is en hun misschien, door Gods lankmoedigheid, tot zegen is. Door de resultaten van ons Schriftonderzoek, worden wij er echter toe gedwongen ook dit punt te behandelen. Men denke er aan, dat het hier meer over gevolgen gaat van onze beschouwingen, dan over die beschouwingen zelf en dat, als de basis Schriftuurlijk is, de gevolgen ons nooit mogen tegenhouden. Men moet de waarheid kopen. (Spreuken 23:23). Gaat men uit van de gedachte, dat het Avondmaal door ons moet gevierd werden, dan moet men trachten de Schrift naar die vooropgestelde mening te buigen. Dat gebeurt dan tot eigen schade, doch vooral tot die van anderen, en verheerlijkt God niet, al heeft het er misschien de schijn van.
Wij hebben verder ook, zo lang het kon, gewacht hierover te schrijven, tot wij misschien eens een ernstige poging van terechtwijzing van vroeger onderzoek zouden ontvangen van vooraanstaande Schriftonderzoekers. Niettegenstaande onze vele uitnodigingen, heeft men echter tot nu toe gezwegen, zelfs in private correspondentie.
Wij zijn door het onderzoek van anderen geholpen geworden, doch nemen daarom niet alles zonder meer aan, alsof nu de volle waarheid bereikt was. Wij beweren van onze kant ook niet er te zijn en menen dat voortdurend onderzoek steeds nodig blijft. Wij hebben zoveel mogelijk, al is het op gebrekkige wijze, gezegd waarom wij niet altijd met anderen overeenstemmen. Als zij nu werkelijk overtuigd zijn, dat hun opvatting de volle waarheid is en wij op een dwaalweg zijn en anderen tot « slachtoffers » maken, mogen wij dan van hen niet verwachten dat ze eens een poging aanwenden tot terechtwijzing? Natuurlijk na volledige kennisname van onze zienswijze. Of is men bevreesd voor de waarheid?
|
INLEIDING. Wij hebben dus gezien, dat de bedelingen van Handelingen, die der Twaalf en van Paulus, verschillen van de tegenwoordige; dat er nu een nieuwe groep, de overhemelse, is geopenbaard, die toen nog niet gekend was. Wij hebben gezien, dat het Nieuwe Verbond alleen met Israël gesloten wordt en hoogstens de hemelse groep als « bijwoners » kunnen beschouwd worden als zij die er deel van uitmaken zich in de kring der aardse dingen bewegen (zoals Paulus in Hand. 21). Wij hebben gezien, dat het Gods wil was, dat de vormen der Wet nog gevolgd werden door de Israëlieten gedurende de Handelingen-periode, zelfs als ze in Christus geloofden. Wij hebben gezien hoe, van af de eerste eeuw, Paulus verlaten werd en het « Christendom » zich aanzag als Israël vervangende en dan ook vele vormen van Israël overnam, inbegrepen het Pascha. De Roomse Kerk dreef dit alles logisch door en hield zich dus ook aan allerlei overlevering. De Hervorming ging ten dele terug tot de Schrift, maar door het niet begrijpen der bijzondere openbaring van Paulus, na Handelingen bekend gemaakt, kon zij zich niet van de overlevering losmaken. Zo vindt men nu nog bij de groepen, die het meest getrouw willen blijven aan de Schrift, allerlei verwarring.
In verband met ons vorig Schriftonderzoek, moeten wij nu ook een en ander nagaan betreffende het « Avondmaal ».
Wij hebben reeds gezien, dat de Roomse mis een copie is van een deel van het Joodse Pascha. Hierin is Rome ook consequent, omdat het de plaats innemen wil van Israël en de 12 Apostelen Israëls wil navolgen. De Hervorming staat echter voor een grote moeilijkheid. De Apostelen hielden de vormen der Wet en het Pascha met allerlei ceremonieën. In hoever moeten ze de 12 hierin volgen? Zij die evenals Rome, menen Israël te vervangen, kunnen een en ander nog trachten te schikken en komen zo in het spoor van Rome, maar zij die inzien, dat men aan Israël moet laten, wat aan Israël toebehoort, en dit volk nog een toekomst heeft, staan hier voor een muur. Juist ter oorzake van die moeilijkheid heeft men zo vele gedachten, stelsels en praktijken in het verbrokkelde Protestantisme.
Er is slechts één logische oplossing: men late de 12 Apostelen ook aan Israël en geve er zich rekenschap van, dat de tijd der Handelingen, in het bijzonder voor wat inzettingen betreft, niets te stellen heeft met onze tijd. Alle organisatie is nu evengoed uitgesteld als het Koninkrijk en Israëls ceremonieën dat zijn. In deze tussenbedeling heeft men geen Schrift die toelaat een zichtbare inzetting naar Gods wil uit te voeren.
HET BREKEN DES BROODS. In welke teksten wordt er gesproken van des Heeren maaltijd? De uitdrukking zelf wordt slechts eenmaal gebruikt, namelijk in 1. Kor. 11:20, doch er is geen twijfel aan, dat er ook van dit maal sprake is in Mat. 26:26; Mark. 14:22; Luk, 22:19; Joh. 13; 1 Kor. 10:16-21. Deze teksten zullen wij verder onderzoeken, maar wij wensen eerst na te gaan of ook de volgende teksten betrekking hebben op dit maal: Joh. 6:35-59; Luk, 24:30; Hand. 2:42, 46; 20:7, 11; 27:35.
De woorden van Joh. 6 staan slechts in los verband met de maaltijd, die eerst later zou gehouden worden door de Heere Jezus. Men kent de overeenkomst tussen verzen 47 « die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven » en 54: « die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven ». Eten en drinken drukken uit het ware geloven, hetgeen een daad is, iets actiefs. De uitdrukkingen « eten » en « drinken » schijnen ons vreemd. Als men er echter aan denkt dat geloven een daad is en de Heere zich tot Israëlieten richt, wordt de betekenis duidelijk. Als voorbeeld van een dergelijk Hebreeuws spraakgebruik, kunnen wij vermelden:
Jer. 15:16 « Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten ».
Ezech. 2:8 « Hoor hetgeen Ik tot u spreek... open uw mond, en eet wat Ik u geef. »
|
Eten staat hier voor zich toeeigenen en verlustigen. Het geloof wordt voorgesteld door « eten » en « drinken » d. i. een zich toeeigenen.
Nu het « breken des broods » in de andere teksten. Het brood had bij Israël de vorm van dunne koeken, die gebroken werden om ze te eten. Mat. 14:19 is een eerste voorbeeld van het gebruik dezer uitdrukking. De Arabieren spreken van « zout eten », de Engelsen van « taking tea », wij van « koffie drinken » en drukken op deze wijze ook het nemen van een gewoon maal uit. Het « breken des broods » staat hier voor « eten » en er is geen reden om in Hand. 2:42, 46; 20:7, 11 en 27:35 iets méér te zien. Telkens wordt er in de naburige teksten gesproken van eten in de gewone zin.
Lukas 24:30 zegt, dat de Heere Jezus het brood nam, het zegende en brak, vs. 35, dat Hij hun bekend werd in het breken des broods. Dat wil toch niet zeggen, dat zij toen het Maal des Heeren gehouden hebben? Zij geloofden immers niet eens, dat Hij opgestaan was en konden het niet doen totdat Hij kwam. Brood breken betekent eenvoudig: een maal gebruiken.
Als Hand. 20:7 het « avondmaal » betreft, dan wordt het hier niet gevierd op een Zondag, maar op « een der sabbatten » (1). Zo zit men ook hier vast. Waarom zou dit maal voorts op een Zondag gevierd worden? Het is toch in de eerste plaats tot verkondiging van de DOOD des Heeren, ten minste in die tijd, tot dat Hij komt. Is het dan gepast dat te vieren op de dag waarop men meent dat Hij OPSTOND? Waarom niet op dag waarop Hij het zelf vierde?
Men heeft gezegd, dat « breken des broods » in Hand. 2:42 geen gewoon maal kan zijn, omdat hier staat: « Volhardende ». Wij zien hierin geen moeilijkheid. Die gemene maaltijden waren een uitdrukking van hun eenheid en gemeenschap in alles. En was er geen volharding nodig om, als het ware vóór de tijd, in die tot het nabij zijnde koninkrijk
behorende toestand te blijven? Vers 46 zegt dan ook zeer duidelijk « brood brekende aten zij tezamen ». En dat gebeurde dagelijks. Leest men in enig ander deel der Schrift, dat het maal des Heeren dagelijks gevierd werd? Verder zegt dit vers dat hun verenigingsplaats de tempel was. Alleen het eten geschiedde « van huis tot huis ».
Telkens als er sprake is van het Pascha, zoals de Heere dat vierde, is er ook sprake van de drinkbeker (Mat. 26:26, 27; Mark. 14:22, 23; Luk. 22:19, 20; 1 Kor. 10:16; 11:24, 25). Telkens wanneer er slechts over een gewone maaltijd gesproken wordt, wordt de drinkbeker niet vermeld.
DES HEEREN AVONDMAAL. Zoals wij reeds eerder opmerkten, komt die uitdrukking slechts éénmaal voor. (1 Kor. 11:20). In de andere teksten staat er eenvoudig « maaltijd ». Er wordt ook gesproken van de drinkbeker NA de maaltijd (1 Kor. 11:25 b. v.) en het is dus nodig eens zorgvuldig na te gaan wat er toen gebeurde. Wij drukken daarom de voornaamste teksten af, die op het avondmaal betrekking hebben en gebruiken hiervoor de vertaling uitgegeven door J. N. Voorhoeve. Voor ons onderzoek geeft ze het Grieks getrouw genoeg weer. (Wij schrijven echter de voornaamwoorden, die Christus aanwijzen, met een hoofdletter).
Mat, 26:26-29 « En terwijl zij aten, nam Jezus het brood, en, gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet ! dit is Mijn lichaam. En Hij nam den drinkbeker, en, gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit. Want dit is Mijn bloed, het (bloed) des nieuwen verbonds, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. En Ik zeg u,dat Ik van nu aan niet meer zal drinken van deze vrucht des wijnstoks tot op dien dag, wanneer Ik die met u nieuw- zal drinken in het koninkrijk Mijns Vaders. »
|
Zie in v. 19 de vermelding van het Pascha en in v. 23 het indopen in de schotel.
Mark. 14:22-25 « En terwijl zij aten, nam Jezus brood; en toen Hij gezegend had, brak 'Hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt 1 dit is Mijn lichaam. En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, en zij dronken allen daaruit. En Hij zeide tot hen: Dit is Mijn bloed, het (bloed) des nieuwen verbonds, dat voor velen vergoten wordt. Voorwaar,Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks tot op dien dag, wanneer Ik die nieuw zal drinken in het koninkrijk Gods. »
|
Zie in v. 16 de vermelding van het Pascha en in v. 20 het indopen in de schotel.
Luk. 22:15-20 « En Hij zeide tot hen: lk heb grotelijks begeerd dit Pascha met u te. eten, voordat Ik lijde. Want lk zeg u, dat Ik geenszins meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in liet koninkrijk Gods. En als Hij een drinkbeker genomen, en gedankt had, zeide Hij: Neemt dezen, en deelt hein onder elkander? Want Ik zeg u, dat Ik geenszins drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het koninkrijk Gods zal gekomen zijn. Hij nam brood, en toen Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het hun zeggende: Dit is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt, doet dit tot Mijne gedachtenis. Desgelijks ook den drinkbeker, na den maaltijd, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt. »
|
Als het hier gaat over de « instelling » van iets nieuws, is het merkwaardig, dat er niet gezegd wordt, dat ze die nieuwe ceremonie van nu af moeten houden en wanneer ze die moeten houden. Zoals het er staat, vormt het deel van het Pascha.
Joh. 13 spreekt ook van de viering van het Pascha, maar geeft geen bijzonderheden over het brood en de drinkbekers. Daar dit Evangelie heel in het bijzonder voor de gelovigen uit de volken geschreven is, en velen geen ander in handen hadden in de eerste eeuw, hebben wij hier reeds een duidelijke aanwijzing, dat die ceremonie nooit voor de volken bedoeld was. De eerste Brief aan de Korinthiërs werd eerst omstreeks het jaar 56 geschreven. Evenals wij nu, hadden de niet-Joden niet veel begrepen van al dat eten en die drinkbekers, De Joden tot wie de andere Evangeliën meer bijzonder gericht waren, begrepen van zelf heel de zaak en hadden niet veel aanduidingen nodig om dit feest te vieren juist zoals de Heere dat wilde.
1 Kor. 10:16 « De drinkbeker der dankzegging, dien wij zegenen,. is die niet de gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet de gemeenschap des lichaam van Christus? »
1 Kor. 11:20-26 Wanneer gij nu aan ene plaats samenkomt, zo is dat niet des Heeren avondmaal eten, want bij het eten neemt ieder vooruit zijn eigen avondmaal, en de een is hongerig, en de ander is dronken. Hebt gij. dan geen huizen om te eten en te drinken? Of veracht gij de gemeente Gods, en beschaamt gij hen, die niets hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik (u) niet, Want ik heb van den Heer ontvangen, hetgeen ik u ook overgegeven heb, dat de Heer Jezus in den nacht, waarin Hij overgeleverd werd, brood nam; en nadat Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: « Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijne gedachtenis ». Desgelijks ook den drinkbeker, na den maaltijd, en zeide: « Deze drinkbeker is het nieuwe verhond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls gij (dien) drinkt, tot Mijn gedachtenis ». Want zo dikwijls gij dit brood eet, en den drinkbeker drinkt, verkondigt gij den dood des Heeren, tot dat Hij komt. »
|
Men lette er op, dat de Heere Jezus hier zegt: « doet dit ». Is het een nieuwe ceremonie? Of vierde Hij het Pascha? (Luk. 22:15). Paulus voegt er bij: « Zo dikwijls als... » en geeft dus ook geen nieuwe aanwijzing aangaande de tijd van het vieren. Het « totdat Hij komt » betreft niet het zolang vieren totdat Hij komt (en daarna niet meer), maar het karakter van het vieren: Zo dikwijls het gevierd zou worden tot op Zijn komst, zou het in het bijzonder het karakter hebben van een verkondigen van de dood des Heeren. Dus men kan lezen: Want zo dikwijls... verkondigt gij, totdat Hij komt, den dood des Hee-ren. Men lette er ook op, dat er niet staat, zoals de St. V. heeft « verkondigt den dood des Heeren », alsof dit een gebód is. Het is een feit dat Paulus vermeldt: gij verkondigt, totdat Hij komt, de dood des Heeren.
Behalve wat wij reeds vroeger gezegd hebben over het ritueel van het Joodse Pascha (bldz. 42 v. en 49 v.) voegen wij hierbij nog een beknopt overzicht volgens de gegevens van de reeds vermelde studie van Dr. G. Bickwell en van andere bronnen, zoals « Beknopt leerboek der Bijbelse Oudheidkunde » van K. Wielemaker en « Beknopt Handboek der Bijbelsche Archeologie » van Gras en de Visser.
Beknopt overzicht van het ritueel van het Joodse Pascha.
Inschenken van de eerste beker.
Feestwijding (Kiddusch).
Zegening.
Drinken van eerste beker.
Breken, dankzeggen en eten van een stuk hard, plat brood, in saus gedoopt.
Inschenken van tweede beker.
Paas verhaal (Haggada).
Zegening.
Drinken van tweede beker.
Breken, dankzeggen en eten van stuk brood in saus gedoopt.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Maaltijd buiten het ritueel. Eten van Paaslam, dankoffer, brood en drinken van wijn.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Inschenken van derde beker, Dankzegging.
Dankzegging.
Zegening.
Drinken van derde beker.
Inschenken van vierde beker.
Lofzang (Hallel). Ps. 115-118.
Zegening en dankzegging.
Drinken van vierde beker.
|
Wij behoeven hier niet veel bij te voegen. Al kan er twijfel zijn aangaande de onderdelen van het ritueel van het Joodse Pascha, zoals wij die beschreven vinden, het staat vast, dat er tussen de tweede en derde drinkbeker een niet rituele maaltijd was, waar men at zoveel als men wilde. Als dus Luk. 22:20 en 1 Kor. 11:25 spreken van een drinkbeker « na den maaltijd », dan kan dit niets anders dan de derde drinkbeker van het ritueel zijn. Dit wordt dan ook uitdrukkelijk bevestigd door 1 Kor. 10:16, waar die « drinkbeker der dankzegging » met zijn naam genoemd wordt. (1)
In Luk. 22:17 is nog sprake van « een drinkbeker ». Dat was er een die gedurende de eigenlijke maaltijd, het niet ritueel gedeelte, gedronken werd. Daarna spreekt Luk. 22:20 van de drinkbeker « na de maaltijd ». Alleen de derde drinkbeker van het rituele gedeelte stelde het bloed des nieuwen verbonds voor. 1 Kor. 11:25 zegt dan ook « deze drinkbeker ». Er kan dus met de minste twijfel overblijven, dat de Heere Jezus niets bij het Pascha gevoegd heeft, dat de Christenen dan in de plaats van het Joodse feest moesten vieren. Alles wat vermeld wordt in de opgegeven teksten, is deel van het ritueel der Joden of van de niet-rituele maaltijd. De Heere kon hun nu verder inlichten over de betekenis van die ceremonie.
Iets van dit ritueel afnemen en op de « gemeente » toepassen is iets geheel willekeurigs. Meer nog, het Pascha mocht door geen onbesnedene naar het vlees gevierd worden. (Ex. 12:43-48). Dat Christenen van de volken aan het niet-rituele maal deelnamen kan men desnoods aannemen.
DE TAFEL DES HEEREN. Ook een woord over deze uitdrukking. Slechts eenmaal komt ze voor in de Griekse Schriften, namelijk in 1 Kor. 10:21. In de Hebreeuwse Schriften wordt er meermalen over gesproken. Soms is het de tafel der toonbroden, van de tabernakel. Deze tafel stelt het « brood des levens » voor, en dan ook de volle aardse en hemelse zegeningen, voortvloeiende uit de gemeenschap van Israël met de Messias. De 12 toonbroden wezen op de 12 geslachten. Die tafel was een symbool. De uitdrukking zelf « tafel des Heeren », bedoelt die gemeenschap en de daaruit vloeiende volheid van zegening in de eerste plaats voor Israël. Zo vinden wij in Ps. 23:5, 6:
|
« Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; gij maakt mijn hoofd vet met olie; mijn beker is overvloeiende. Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens. »
|
Ook in Ezechiëls tempel komt de « tafel des Heeren » voor (Ezech. 41:22; 44:16). Aan die tafel zullen ook de 12 Apostelen Israëls eten en drinken. (Luk. 22:30). Wij nemen dit letterlijk en geestelijk.
Daar tegenover staan andere tafelen, waaraan men ook deel kan hebben. Zo vinden wij in Kon. 8:19:
|
« De vierhonderd vijftig profeten van Baal, en de vierhonderd profeten van het bosch, die van de tafel van Izebel eten. »
|
Dat drukt méér uit dan eenvoudig « eten ». Die profeten hadden deel aan de ongerechtigheden van Izebel en stonden in gemeenschap met Satan.
Als wij nu tot 1 Kor. 10:21 komen, bijzonder gericht tot hen aan wie « de vaderen » zijn (zie vers 1), betekent dan « tafel des Heeren » niet méér dan de tafel waarop die Korintische Joden de maaltijd des Heeren vierden? Wij nemen deze uitdrukking op als omvattende de zegeningen voortvloeiende uit de gemeenschap van Israël met de Heere, waarover heel het hoofdstuk handelt.
Gedurende Handelingen is er van die gemeenschap maar één symbool: de tafel der toonbroden in de tempel. Van geen andere tafel mag beweerd worden, dat zij DE tafel des Heeren is. Dat is de ware tafel miskennen. En dan komt men natuurlijk tot allerlei moeilijkheden. Men moet b. v. aannemen dat er in elke plaats waar gelovigen zijn, zo'n tafel is, en ook maar één. Al die tafels moeten dan « met elkander in gemeenschap » staan. Men is natuurlijk verplicht aan te nemen, dat zij, die niet aan deze tafel aanzitten, eigenlijk niet aan de tafel des Heeren zitten. De gelovigen moeten dan absoluut aan een bepaalde vergadering deelnemen, en men noemt dat dan « Vergadering des Heeren ».
Nu zegt men wel (zie b. v. « Eenheid en Gemeenschap » door J. N. Voorhoeve; bl. 125) dat die tafel der toonbroden een beeld is van de « Tafel des Heeren ». Maar waar de tafel des Heeren voor hen toch ook een beeld is, zou men dan een beeld van een beeld hebben. Zoals de tafel der toonbroden de eenheid van het volk van God (Israël) voorstelt, zou dan de « Tafel des Heeren » de eenheid der gemeente voorstellen. Zo krijgt men voor de gemeente stoffelijke voorstellingen en ceremonieën die overeen komen met die van Israël. Voor ons is het duidelijk, dat dit alles nog de invloed bewijst der eerste eeuwen, toen de grote meerderheid van het « Christendom » bijna alles van Israël op de gemeente of kerk overbracht. Men late aan Israël, aan wie de Vaderen zijn (1 Kor. 10:1) ook de « Tafel des Heeren ».
De toonbroden moesten op elke sabbat voor het aangezicht des Heeren toegericht worden, (Lev. 24:8). Nu wil men ook wat men van de « tafel des Heeren » maakt, elke (christelijke) sabbat of « eerste dag der week » toerichten. Men wijze niet op de geschriften der eerste eeuwen, omdat men denkt hier een argument méér te hebben, want juist die verwijzing veroordeelt heel het stelsel. Wij hebben dit vroeger aangetoond. De gelovigen der eerste eeuwen volgden de ceremonieën van Israël en pasten die zo goed mogelijk aan de omstandigheden aan. Zó vormde zich ook de Roomse mis.
De zeer grote verwarring, die er alle eeuwen door was, op het gebied der viering van het « avondmaal », al de strijd tussen Christenen, zowel Protestanten als niet-Protestanten, laat zien, dat er geen duidelijke schriftuurlijke basis bestaat voer deze « instelling », In de toekomst zal Israël weten hoe ze het avondmaal, d.i. het Pascha, te vieren hebben.
Na de Hervorming wilde men meer schriftuurlijk zijn. Daar men echter nog geheel of ten dele vasthield aan het begrip dat Israël overgin; in de « gemeente », bleef men een jaarlijks « Pascha » en een wekelijkse « dag des Heeren » met een e tafel des Heeren » vieren. Ook in onze tijd is dit nog het geval, zelfs met hen die het best inzien,dat Israël in het Koninkrijk nog een toekomst heeft. Dit komt, omdat zij de eigenlijke Gemeente niet onderscheiden, niets weten van de « overhemelse », en Paulus' bijzondere openbaringen verwateren door ze te vermengen met hetgeen thuis behoort in andere bedelingen.
Bij dit alles kunnen wij nog opmerken, dat de uitdrukkingen « Tafel des Heeren » en « Maal des Heeren » al heel weinig geschikt zijn om een eenheid én gemeenschap uit te drukken van alle gelovigen zonder onderscheid. Het is de regel, dat een uitdrukking, waarin « Heere » voorkomt, op een' aardse toestand wijst. Zo wordt b. v. van hen, die « licht in de Heere » zijn, een overeenstemmende wandel verwacht (Ef. 5:9). Naar hun wandel op aarde, ontvangen ze van de Heere (Ef. 6:8). Zelfs voor de Gemeente der verborgenheid, die een eenheid bij uitmuntendheid vormt, voor wat betreft haar positie in de overhemelse, is nog onderscheid in betrekking tot de toestanden op aarde. Die toestanden staan in verband met « de Heere ».
Ef. 5:22 « Gij vrouwen ! wees aan uw mannen onderdanig, gelijk aan den Heere
Ef. 6:1 « Gij kinderen ! zijt uwen ouderen gehoorzaam in den Heere ».
Ef. 6:4 « En gij Vaders ! Verwekt uw' kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren. »
Ef 6:7 « Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen ».
|
Zie ook andere plaatsen: Kol. 3:17, 18, 20, 23, 24.
Daarentegen wordt alle geestelijke eenheid, zowel voor de hemelse, als voor de overhemelse sfeer, gezien « in Christus »:
Gal. 3:28 « Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus ».
Kol. 3:11 « Waarin niet ie Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, Barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is allen en in allen ».
Ef. 1:3. « Alle geestelijke zegening in de overhemelse in Christus ».
|
Evenals de Dag des HEEREN, vestigen de Tafel des HEEREN en het Maal des HEEREN de aandacht op aardse toestanden, dus op scheiding tussen Jood en Heiden. Het maal des HEEREN kon alleen een symbool zijn van de eenheid van een aardse groep: Israël. Het verband tussen het avondmaal en het Nieuwe Verbond met Israël maakt dit verder ook duidelijk.
DE HOOGTIJDEN DES HEEREN. Willen wij begrijpen, wat geschreven wordt in de Evangeliën en de Handelingen, dan moeten wij ons in de gedachte naar die tijd verplaatsen en rekening houden met de omstandigheden, die er bij behoren.
In de eerste plaats vergete men niet, dat ook nog gedurende Handelingen de Christen-Israëlieten getrouw de Hoogtijden des Heeren vierden. Wij lezen over de sabbat (b. v. Hand. 18:4) het Pascha en het feest der ongezuurde (Mat. 26:17; Hand.20:6), de zeven Sabbatten (Hand. 20:7 enz.), Pinksteren (Hand. 20:16 enz.). Dat was naar de wil des Heeren in die tijd, al moesten ze er geen « ijveraars » van zijn.
Hadden de Christenen der volken er deel aan? Zeker niet rechtstreeks, want de wet, waarvan deze hoogtijden deel uitmaken, was niet aan hen gegeven. Meer dan dat, het was hen uitdrukkelijk verboden het Pasch te eten, tenzij na door de besnijdenis bij Israël ingelijfd te zijn (Ex. 12:43-48). Maar de gelovigen van de Volken zijn toch geestelijk besneden? Dat dit niet voldoende is, leert men uit Ezech. 44:9: gedurende het Koninkrijk zal er in het Heiligdom des Heeren « geen vreemde, onbesneden van hart en onbesneden VAN VLEES » ingaan. Er wordt dus nog wel degelijk gelet op de uitwendige besnijdenis.
Tegen het einde der eerste eeuw, nadat Israël voor een tijd opgehouden had Gods volk te zijn en onder de Volken verstrooid was, kwam meer en meer de gedachte op de voorgrond, dat Israël als zodanig, eens voor al afgedaan had en de « gemeente » nu die plaats ingenomen had (1).
Men paste al vast op die « gemeente » alle aan Israël beloofde zegeningen toe, en liet hun de gerichten. Maar hoever men in deze moest gaan, zag men niet goed in. Voor God had, met Israël, alle vorm, alle geopenbaarde « godsdienst » opgehouden.
Door de verwoesting van de tempel, belette Hij dan ook elk misbruik van Zijn Heiligdom. Maar sommige inzettingen en hoogtijden konden toch nog door die « Gemeente » vastgehouden worden tegen Gods wil. Dat er in betrekking tot deze dingen heel wat verwarring was gedurende de eerste eeuwen, blijkt uit de geschriften van die tijd. Daar de grote massa zich van Paulus had afgewend (wat reeds gedurende zijn leven begon, zie 2 Tim. 1:15; 4:16) en dus geen oog had voor de werkelijke Gemeente, die niets van het volk Israël te erven had, ontstond er een volledige chaos. Men trachtte ook de Hoogtijden des Heeren te verchristelijken en bij de « Gemeente » aan te passen. De sabbat ging langzamerhand over in de « eerste dag der week », de heidense « dag der zon » of dag des Heeren (zon). In de geschriften der Roomse Kerk wordt openlijk bekend, dat de « Kerk » de sabbat verving door de « dag des Heeren ». Het Joodse Pascha vierde men ook, niet zoals de Christenen het Paasfeest nu vieren, maar ongeveer zoals Israël het vierde, inbegrepen het slachten en eten van een lam. Maar ook hier was geen eenheid. De Christenen uit Azië vierden het Pascha de 14 Nisan, zoals Israël. De opstanding werd afzonderlijk herdacht, drie dagen later, dus gewoonlijk NIET OP EEN ZONDAG. In al de kerken, buiten Azië hield men de Pascha maaltijd op Zaterdagavond, en verbondt men er het opstandingsfeest mee, dat dan 's Zondags gevierd werd.
Wij hebben dit alles reeds vroeger nagegaan en hebben daartoe uittreksels gegeven van de geschriften der eerste eeuw, zodat de lezer zelf oordelen kan.
Wij hebben gezien, dat de Christenen der eerste eeuwen het Pascha op een dergelijke wijze vierden. Het maal des Heeren maakte dus deel uit van het Pascha. Het was geen nieuwe instelling. De Christenen der eerste eeuw deden verkeerd zich een feest toe te eigenen dat voor Israël alleen was, maar zij vergisten zich niet in de wijze van het vieren van het feest. Zij volgden hierin de Apostelen, die ook op Joodse wijze het Pascha vierden. In elk geval werd het « avondmaal » niet afgescheiden van het « Pascha ». Beiden vormden een geheel.
Men heeft er soms op gewezen, dat er staat (b. v. in Luk. 22:20 en 1 Kor. 11:25): « na den maaltijd » en heeft daarmee willen beweren, dat die beker dus geen deel uitmaakte van het Pascha. Maar wat doet men dan met het breken des broods, dat vóór de beker kwam en waarvan niet gezegd wordt « na den maaltijd », maar wel, « terwijl zij aten »? De beker volgde op het eten van het niet-rituele maal, maar maakte niet te min deel van het Pascha als een geheel genomen. Wij hebben dat reeds behandeld.
WAT HEBT GIJ DAAR VOOR EEN DIENST? Des Heeren Pascha moest gevierd worden « onder UWE GESLACHTEN tot een EEUWIGE inzetting » (Ex. 12:14). Als men de Schrift niet vergeestelijkt, leert men hieruit dus twee dingen: het Pascha is voor Israël en dit volk moet het « eeuwig » vieren. Eeuwig is niet « zonder einde ». Israël zal des Heeren Pascha vieren, zolang het als Gods volk bestaat d. i. dus ook in de « eeuw » bij uitnemendheid, die van het Koninkrijk (zie Ezech. 45:21). En als hun kinderen tot hen zullen zeggen: Wat hebt gij daar voor een dienst? dan zullen zij zeggen: « Dit is den Heere een Paasoffer. Die voor de Huizen der kinderen Israëls voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg en onze huizen bevrijdde ». (Zie Ex. 12:27).
Maar hadden zij, die naar Gods wil dit Pascha gedurende Handelingen vierden, geen vollediger kijk op de zaken? « Al deze dingen nu zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing » zegt 1 Kor. 10:11 en « Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis » volgens Gal. 4:21i. Mogen wij die woorden ook niet toepassen op het Pascha en de uittocht uit Egypte? Wat stelde het lam voor, dat geslacht werd? Wat stelde de uittocht voor?
DE BETEKENIS VAN HET PASCHA VOOR DE CHRISTEN-ISRAELIETEN. Laat het Lam zelf spreken: « Dit is
Mijn lichaam », « dit is Mijn bloed » (Mat. 26:26-28). Gezegd zij dat « dit » in het Grieks onzijdig is en « brood » en « wijn » mannelijk. « Dit » kan dus volgens de taalregels niet voor brood en wijn staan. Wat is dan dit « dit »? Vooreerst zij opgemerkt, dat het gebruik van « is » de betekenis heeft van « stelt voor ». « Dit » moet dus iets onzijdigs zijn, voorstellende maar niet letterlijk zijnde: het lichaam en het bloed van het Lam. De oplossing schijnt eenvoudig genoeg: « dit » is het eten en drinken, de maaltijd, het Pascha, het Paaslam.
Vers 26 begint dan ook met « terwijl zij aten ». De Heere zelf was het ware Lam. De Griekse Schriften gebruiken in de meeste gevallen « lammetje », (dat onzijdig is) en niet « lam ». Het eten en drinken was een voorstelling van het zich toeeigenen van Christus door het geloof, zoals in Joh. 6. Het ware Lammetje was dus gereed geslacht te worden en wat zou daarvan de draagwijdte zijn? Wij zullen hier niet trachten die volheid van genade uit te drukken, maar stippen maar een en ander aan. Vooreerst kan men onderscheiden tussen dood, bloed en kruis.
Wij willen slechts enkele teksten opgeven, betreffende de waarde van het bloed. Hierbij kunnen wij dan wederom: onderscheiden in welk opzicht er van dit kostbare bloed gesproken wordt. Gewoonlijk letten wij er niet veel op met welke naam de Heere vermeld wordt. Dat heeft toch zijn betekenis, zoals wij reeds gezien hebben met betrekking tot « Heere ». Terwijl b. v. « Jezus » Zijn staat van vernedering aanduidt, drukt « Christus Jezus » Zijn verheerlijkte positie uit. Ook « Zoon zijner liefde » is een uitdrukking, die Zijn tegenwoordige heerlijkheid doet uitkomen. Wij classificeren dan ook de teksten volgens de naam, die gebruikt is.
De kracht van het bloed.
| Van « Jezus » |
|
Het bloed des nieuwen verbonds, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden (1 Kor. 11:28; Mat. 26:28).
De gemeente Gods... die Hij Zich verworven heeft door zijn eigen bloed. Hand. 20:28.
Gaan in het heiligdom, door het bloed van Jezus Heb. 10:19.
Door zijn eigen bloed, het volk zou heiligen Heb. 13:12.
|
| (Zijn Zoon) |
|
Het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden (Christus staat niet in de meeste teksten) 1 Joh. 1:7.
|
| (Jezus Chr.) |
|
Ons van onze zonden gewassen heeft door Zijn bloed Op. 1:5.
|
| Van « Christus » |
|
Gerechtvaardigd in Zijn bloed Rom. 5:9.
Uw geweten reinigen van dode werken Heb. 9:14
Door het kostbare bloed van Christus verlost van ijdele, door de vaderen overgeleverden wandel 1 Petr. 1:18-19.
Nabij geworden door het bloed van Christus Ef. 2:13.
|
| Van het Lam |
|
Gode gekocht met uw bloed uit alle geslacht en taal en volk en natie Op. 5:9.
|
| Van « Christus Jezus » |
|
Verzoening door het geloof in Zijn bloed Rom. 3:25.
|
| Van de « Zoon » |
|
Vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns zijner liefde kruises — alle dingen verzoend Kol. 1:20.
|
| Van de « Geliefde » |
|
In Wien wij de verlossing (APOlutrosis) hebben door Zijn bloed Ef. 1:7.
|
Het is hetzelfde bloed, maar het heeft menigerlei kracht, en betreft verschillende trappen van geloof, bedelingen, schepselen. Van de vergeving van zonden, tot de volledige verlossing (APOlutrosis) en de verzoening van alle dingen heeft men allerlei schakeringen.
Vergeving en behoudenis van zondEN, vrijmaking en reiniging van de zondE, redding uit de handen van de boze, verlossing uit ijdele wandel, wetteloosheid en slavernij, en daarbij heiliging, rechtvaardiging en verzoening. Wie kan die waarde en kracht van het bloed overzien?
Het Paaslam en de Exodus uit Egypte, weg van Farao en de Egyptenaren waren een zwak beeld van het ware Lam, en de geestelijke Exodus in betrekking tot Satan, de wereld en de zonde. En die rijkdom van genade was voor allen, die het Lammetje aannamen door het geloof. Paulus kon dan ook terecht zeggen in de naam van alle gelovigen: « Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht ». (1 Kor. 5:7). Men ziet, dat de kracht van het bloed veel verder reikt dan het « Nieuwe Verbond ».
Maar buiten de geestelijke betekenis, was er nog iets anders, dat niet alle gelovigen betrof. Israël is nog nog niet IN HET LAND, het koninkrijk is er nog niet. In dit opzicht, betreffende de aardse dingen, moet er nog een Exodus komen. Israël als volk, is nu nog in « Egypte », de landen der Heidenen. De uittocht uit Egypte en het Pascha wezen vooral op de ware uittocht van Israël in de toekomst.
Het Lam is wel geslacht, maar het Pascha is nog niet vervuld. Wanneer die vervulling plaats hebben zal? Luk.22:15-16 geeft het antwoord: in het Koninkrijk. Dan heeft Israël van het Lammetje « gegeten » (door zijn geloof in de Gekruisigde) en wordt het uit alle natiën getrokken en in het LAND gebracht. Dan is het Pascha niet meer een beeld of een geestelijk feit, maar is het Pascha werkelijk genuttigd en « vervuld ». Een schaduw van deze vervulling vinden wij in Joz. 5:10.
Het woord Pascha zelf, betekent « voorbijgaan ». De Engel ging voorbij de Israëlieten, die in het bloed geloofden. Over de anderen kwam het oordeel. Ook dit wordt letterlijk vervuld bij de komst van het koninkrijk. Des Heeren Pascha kreeg alzo een vollere betekenis toen de Heere het voor de laatste maal met Zijn discipelen vierde. De drinkbeker der dankzegging vooral wordt nader toegelicht.
Mat. 26:28 « Het bloed des Nieuwen Verbonds, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden ».
Het bloed des Nieuwen Verbonds. Hier vinden wij het Verbond met Israël en Juda, door Jer. 31:31-34 aangekondigd. Geen verbond wordt gesloten zonder bloed. Zolang het verbondsoffer of verbondsmaker leeft, is het verbond van geen kracht (Heb. 9:16-22). Christus' bloed zal nooit meer vergoten worden en als dit het verbond van Jeremia niet is, dan zal het nooit gesloten worden. Het Oude Verbond stond in betrekking tot de « gelofte » van Israël, dat uit eigen kracht zou doen « aI wat de Heere zegt » (Ex. 19:3-8 enz.). Volgens de wet kan een vrouw alleen door haar man van een gelofte ontheven worden (Numh. 30). Israël, die Jehovah's vrouw was, kon alzo alleen door Christus uit de slavernij der gelofte (Gal. 4:3) bevrijd worden. Daartoe dan het Nieuwe Verbond. Toen werd het verbond gesloten, maar in de toekomst zal het eerst « opgericht » worden (Heb. 8:8, waar het Gr. « volmaken » gebruikt). Dat zal gebeuren als Israël zal « toegaan met een waarachtig hart... gereinigd van het kwade geweten » (Heb. 10:22). Zie ook 1 Petr. 1:2.
Voor velen vergoten tot vergeving van zonden. Maar slechts enkelen uit Israël zouden na het kruis die vergeving aanvaarden en al steunden de 12 Apostelen en Paulus gedurende Handelingen op het sluiten van dat Nieuwe Verbond, Israël als zodanig verstond niet en bemerkte niet. Zij bekeerden zich niet tot vergeving van zonden (Hand. 28:26-27). De tijden der verkwikking konden dus nog niet komen, de Heere Jezus kon nog niet gezonden worden, om hen in het koninkrijk te brengen (Hand. 3:19-21). Het Paaslam was geslacht, maar Israël wilde niet uit « Egypte »? Wat moesten de Joodse discipelen in die omstandigheden doen?
Doet dit tot Mijne gedachtenis. « Doet dit, zo dikwijls gij, (dien) drinkt, tot Mijn gedachtenis... zo verkondigt gij (niet « zo verkondigt » 't is geen gebiedende wijs) den dood des Heeren, totdat Hij komt ». Zij moesten getuigen zijn van de dood des Heeren, er steeds de aandacht op roepen en alzo het ongelovige deel van Israël uitnodigen de verlossing aan te nemen, het Lam werkelijk te eten en te drinken door het geloof en alzo Zijn Komst mogelijk te maken en het Pascha te vervullen. Ook ten opzichte van de Volken was het een getuigenis, om. hen tot het geloof in Christus te brengen.
Had Israël, als volk, toen de Messias aangenomen, dan had, naar de mens gesproken, de tegenwoordige bedeling niet bestaan en zouden zij werkelijk des Heeren Pascha gevierd hebben « totdat Hij komt ». De tijd van De Openbaring zou zich dan aangesloten hebben aan die der Handelingen. Nu echter is er een onderbreking en met Israël zijn de verwachtingen en vormen van dit Volk tijdelijk opgeheven. Er is dan ook een onderbreking in het vieren van het Pascha. De « komst », de parousia, « de hoop Israëls », staat in verband met de Anti-christus, de grote verdrukking, de dag des Heeren en de vervulling van het Pascha.
De Gemeente der Verborgenheid verwacht ook de Heere Jezus Christus (Fil. 3:20), maar vóór de « parousia ». Die komst kenden de Korinthiërs nog niet, want dat maakte deel uit van wat aan Paulus eerst later zou geopenbaard worden en hij bekend zou maken. Nadat het lichaam der Leden der Gemeente veranderd is tot gelijkvormigheid aan het lichaam Zijner heerlijkheid, zal Israël weer Pascha vieren en de dood des Heeren verkondigen « totdat Hij komt ». De verwachting van 3:20, 21 wordt verborgen verwerkelijkt. Het is een nederdalen om de leden van het Lichaam: persoonlijk op te wekken. De parousia is 's Heeren openbare komst voor de aarde. Een deel er van is de opname der gelovigen van de Thessalonicenzen groep (1 Thess. 4).
Sommigen blijven weifelend de maaltijd des Heeren vieren omdat ze geen weg weten met die woorden: « Totdat Hij Komt ». Men lette er op, dat er niet staat wat men er gewoonlijk van maakt: « Doet dit, totdat Hij komt », maar wel: « Doet dit... tot Mijn gedachtenis ». Telkenmale ze « dit » zouden doen, zouden zij den dood des Heeren verkondigen. Voor wat het Pascha betreft, zou het steeds, ook in het Koninkrijk, tot Zijn gedachtenis zijn, maar het zou slechts het KARAKTER van verkondiging van des Heeren dood behouden, « totdat Hij komt ». Daarna blijven zij het dus nog vieren (Ezech. 45:21), ter gedachtenis, terugziend op Zijn offer en de « vervulling » van het Pascha. Dan echter is het niet meer zo zeer een verkondiging van Zijn dood, maar ligt de nadruk op hetgeen uit die dood voortvloeit. Het Pascha gaat door, maar het is niet meer de verkondiging van des Heeren dood, wel nog tot Zijn gedachtenis. De Heere zegt dan ook dat Hij « nieuw » dat is: op nieuwe wijze, met hen zou drinken in het koninkrijk (Mat. 26:29). Men leze dus: verkondigt gij, totdat Hij komt, de dood des Heeren. Nadat Hij gekomen is, moet de dood niet meer verkondigd worden, maar de gedachtenis blijft.
« Totdat Hij komt » staat dus in betrekking tot de betekenis die het Pascha had tot op het ogenblik Zijner Komst, niet op het vieren zelf en de duur er van. Paulus zegt ook niet: « Zo verkondigt de dood des Heeren, totdat Hij komt », in de gebiedende wijze, maar zegt alleen dat, zo dikwijls zij « dit » brood eten en de drinkbeker drinken, zij des Heeren dood verkondigen.
Het Pascha heeft dus een diepere betekenis gekregen door hetgeen de Heere Jezus zei en deed. Die maaltijd was niet de vervanging van het Pascha, niet een nieuwe instelling voor de Christenen, maar maakte deel uit van het Pascha en de woorden des Heeren, wierpen een helder licht op de betekenis van het Pascha. De oude vorm werd vervolledigd, niet vervangen door een nieuwe vorm. Die vorm zal later vervuld worden. Ook is het maal des Heeren geen vervulling van de oude vorm zoals de Roomse kerk beweert. Zoals wij hierboven gezien hebben, zegt ons ook de oudste overlevering, dat de maaltijd des Heeren niets anders is dan het Pascha des Heeren. De eerste Christenen zijn hier onze getuigen.
De Geestelijke betekenis was voor alle gelovigen, de stoffelijke betekenis alleen voor Israël. De volken hadden geen vormen, ook niet het Pascha. Israël alleen mocht des Heeren hoogtijden vieren.
Voor hen die. « verlichte ogen » hebben voor de bedelingen en dan ook inzien, dat het Evangelie volgens Mattheus alleen Israël betreft, spreekt het ook van zelf, dat Mat. 26:26-28 dan niet plotseling een « instelling » voor de Gemeente geeft. De Heere Jezus richtte Zich hier tot de 12 Apostelen Israëls. Later ontving ook Paulus een aanwijzing van de Heere, betreffende het vieren van het « avondmaal » maar dat was vóór hij iets wist ,van de Gemeente, toen deze nog verborgen was en zelfs niet zou bestaan hebben (naar de mens gesproken) als Israël zich bekeerd had, Toen vierde hij nog, evenals de andere Christen-Israëlieten het Pascha. De Heere gaf hem ook de diepere betekenis van dit feest te kennen, en het belang het op ernstige wijze te vieren, zodat het des te meer een verkondigen van de dood van het Lam zou zijn, niet alleen een herinnering aan de uittocht uit Egypte, maar vooral een heenwijzen naar de komende bekering van Israël en de komst van het Koninkrijk.
EEN TEGENWERPING. Maar, zal men zeggen, zelfs als wij toegeven dat de eerste brief aan de Korinthiërs tot de gelovigen van een andere bedeling gericht is, en dus niet tot de Gemeente der Verborgenheid, betreft hij dan toch niet AL de gelovigen der vorige bedeling, zowel die van de Volken als die van Israël? Namen dus alle gelovigen niet deel aan des Heeren maal? Dit is een ernstige tegenwerping en wij vermoeden, dat velen niet zouden tevreden zijn, indien men hen ongeveer als volgt antwoordde: Die brief is gericht aan de « Gemeente Gods, die te Korinthe is ». In die gemeente waren gelovige Israëlieten en gelovigen van de Volken en als men het eens is, dat er naar het vlees tussen beide een scheiding was, dan is het niet moeilijk aan te nemen. dat zodra er van een Joodse inzetting sprake is, dit alleen de Christen-Israëlieten betreft. Voor hun sprak dit van zelf. Voor hen nu, die door dit antwoord niet overtuigd zijn, willen wij er nog dit bijvoegen: Over de maaltijd des Heeren wordt gesproken in 1 Kor. 10 en 11 en hoe begint dit deel van de brief? « Want ik wil niet, dat gij onkundig zijt, broeders dat ONZE VADERS ALLEN ONDER DE WOLK WAREN EN ALLEN DE ZEE DOORGEGAAN ZIJN, EN ALLEN TOT MOZES GEDOOPT ZIJN... » Hadden die van de volken ook dergelijke Vaders? Duidt Paulus hier niet heel zorgvuldig door het « ONZE vaders » aan, dat hij in het bijzonder tot gelovigen van Israël spreekt? Als hij tot hoofdstuk 12 komt, waar het geestelijke gaven betreft, waaraan alle gelovigen deel hadden, vermeldt hij speciaal de volken (1 Kor. 12:2). De « vaderen » vindt men terug in Heb. 1:1, want hun zijn die « vaderen » (Rom. 9:3-5) evenals de verbonden.
Maar als des Heeren maaltijd niets anders is dan het Pascha, waarom spreekt Paulus dan niet over de andere bijzonderheden van dit feest? Natuurlijk omdat het niet nodig is, juist omdat hij tot Israëlieten spreekt. Hij wil hier ook niet de nadruk leggen op de ceremonie, maar wel nogmaals de aandacht vestigen op de volle betekenis, die er door de Heere aan gehecht was. Toch spreekt hij ook over het eten (b. v. in vers 21). Wil men Schriftuurlijk zijn, dan vraagt men hier: « Wat is dat eten? » En dan moet men wel terug gaan naar Mat. 26 en hier vinden, dat het Pascha gegeten werd. Zij aten niet in ware gemeenschap, maar er waren scheuringen (v. 18). Sommigen wachtten niet (v. 33), aten en dronken veel, anderen hadden niets. Alzo was het niet meer des Heeren maal vieren, maar wel hun eigen maal. Als het alleen om te eten en te drinken op zichzelf was, konden ze beter te huis blijven (v. 22). Juist wat de Heere gedaan had (v. 23-27) wees op gemeenschap en eenheid van allen die er deel aan hadden: Gods volk Israël door het bloed van het Lam verlost, één Lichaam, dat de Heere toebehoorde (Zie ook 1 Kor. 10:17). Dat lichaam onderscheidden zij niet (1 Kor. 11:29) en in die bedeling volgde dan ook onmiddellijk het oordeel op zo'n zonde (v. 30-32). « Daarom zijn onder u veel zwakken en kranken en velen zijn ontslapen », dus zwak, ziek of gestorven. (Niet « slapen », zoals de Staten vertaling).
Hoofdstuk 12 spreekt niet meer van een aards lichaam, Israël, maar van een lichaam door de Geest gevormd (v. 13 en 27). Zoals wij reeds zeiden, wijst het gebruik van de titel « Christus » (v. 12 en 27) daar mede op.
Wij hebben reeds opgemerkt dat de gelovigen der volken misschien wel deel konden hebben aan het maal dat tussen de 2 en 3 drinkbeker viel en dat geen deel uitmaakte van het ritueel. Dit is dan misschien ook de oorsprong der liefdemalen ». Eerst eenmaal per jaar gevierd, konden ze later dikwijls, b. v. elke week gehouden worden en door de Heidense invloed koos men daarvoor de dag der zon, de dag des « Heeren » (zij waren gewoon de zon alzo te aanbidden).
Letterlijk was dus 1 Kor. 11 niet gericht tot de volken. De vorm moesten, ja mochten zij volgens de wet niet onderhouden. Maar ook dit deel was VOOR hun, zowel als voor hen, die deel maken van de Gemeente der verborgenheid, in zo verre het de geestelijke strekking betreft, de verlossing door het bloed en de eenheid in Christus. Als wij Gods woord recht snijden, behoeven wij nooit bang te zijn iets anders te verliezen dan de overlevering en de dingen betreffende andere bedelingen. Een dergelijk verlies is winst.
WAAROP STEUNEN WIJ? Zij, die des Heeren maal willen vieren, moeten eerst onderzoeke, waarop zij tenslotte steunen. Waar vinden wij een duidelijk schriftuurlijk antwoord op de volgende vragen:
 |
Hoe dikwijls moet des Heeren maal gevierd? (1) Op welke dag?
Welke wijn moet gedronken worden?
Moet één beker gebruikt worden of meerdere? Welk soort brood en hoe verdeeld?
Wie mag er deel aan bebben?
In welke omstandigheden moet het gevierd warden?
Welke woorden moeten gesproken worden en door wie?
|
Nergens is een bepaalde schriftuurlijke aanwijzing voor een maaltijd, die speciaal aan de gemeente zou gegeven zijn!
Wij hebben reeds vroeger gezien, dat het velen getroffen heeft dat de Schrift geen meer bepaalde aanduidingen geeft over die ceremonie.
EXODUS EN OPENBARING. Openbaring zegt ons een en ander over de tijden, die het Koninkrijk vooraf gaan. Als de vervulling van het Pascha in die tijden plaats grijpt, zullen wij hier dan geen overeenkomst vinden met de verlossing uit Egypte in het verleden? Laat ons eens zien.
Op. 5:9 « En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.
En gij maakt hen uit alle geslacht en taal en volk en natie, tot koningen en tot priesters voor onzen God; en zij zullen over de aarde heersen. » (2)
Op. 5:12 « Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging ».
|
Wij lezen hier van het Lam, het bloed, de verlossing van Israël en de verheerlijking van het Lam. Er wordt ook gesproken van een « nieuw lied ». Waar vinden wij het overeenstemmende « oude lied »? Wel juist in Ex. 15 bij de verlossing uit Egypte. En van het nieuw lied spraken ook b.v. de Psalmen, in verband met de komst des Heeren.
Zie b. v.:
Ps. 96 die in verband staat met de komst des Heeren en het gericht (v. 13).
In Ps. 97 regeert de Heere.
Ps. 98 ook weer in verband met de komst en het gericht (v. 9).
In Ps. 99 regeert de Heere.
Ps. 149 in verband met de Koning, het Volk en het gericht. Jes. 42:10 in verband met de Knecht des Heeren en het gericht.
Jes. 44:23 volgt dan met de verlossing van Jakob. Men leze in dit verband ook Jes. 11. Eerst een blik op de verloste aarde en dan in verzen 11, 12:
|
« Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten ANDEREN MALE Zijn hand aanleggen zal ons WEDER te verwerven het overblijfsel Zijns Volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros,en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee: en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden des aardrijks ».
|
En vers 16:
|
« En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel Zijns volks, dat overgebleven zal zijn, van Assur, gelijk als Israël geschiedde ten dage, toen het UIT EGYPTELAND op toog ».
|
Verder lette men op de algemene overeenkomst tussen de plagen van Egypte en die van Openbaring.
 |
Water-bloed |
Ex. 7 |
Op. 8:8; 10:3, 4 |
 |
Vorschen |
Ex. 8 |
Op. 16:13 |
 |
Zweren |
Ex. 9 |
Op. 16:2, 11 |
 |
Hagel |
Ex. 9 |
Op. 8:7 |
 |
Sprinkhanen |
Ex. 10 |
Op. 9:3 |
 |
Duisternis |
Ex. 10 |
Op. 6:12; 8:12 |
De oordelen van Openbaring zijn de vervulling der profetie van Ex. 34:10.
In Op. 18:4 vinden wij dan de roep « Gaat uit van haar, Mijn Volk ». Dan zal Israël gevolg geven aan die uitnodiging, zij zullen in het doorstoken Lam geloven.
Terwijl in Jes. 2:2 Israël als « ondertrouwd » voorgesteld wordt bij de uittocht uit Egypte, is bet in Op. 19:7 de bruiloft des Lams en Zijn Vrouw (het overblijfsel van Israël) heeft zich bereid.
EXODUS EN HANDELINGEN. Terwijl wij dus in Openbaring de vervulling vinden van Israëls Exodus en het gaan in het koninkrijk, zien wij dat die Exodus reeds in Handelingen voorbereid was. Stefanus wijst op de overeenkomst met de Egyptische toestand en in Hand. 7:17 zegt hij:
|
« Toen nu de tijd der belofte, die God aan Abraham beloofd had naderde, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte. »
|
De Israëlieten die Hij toesprak, waren slaven van Rome, van de wet en van Satan. Zoals het volk in Egypte vermenigvuldigde, was het ook met de Christen Israëlieten in Hand. 2:41, 47; 4:4; 5:14; 6:1-7.
De uittocht voorzegd in Gen. 15:16, wordt vertraagd omdat « de ongerechtigheid der Amorieten » nog niet volkomen was .
Zo was het ook in de Handelingen met het « adderengebroedsel ».
Vervolgens hebben wij de « kwalijke behandeling van het volk », doch des te meer vermenigvuldigden zij juist zoals de gelovigen in Handelingen.
Dan spreekt Hij van Mozes, die hun de verlossing zou geven, doch zij hebben hem: niet verstaan (Hand. 7:25), zoals zij het Lam niet verstonden. Mozes wordt een tweede maal verloochend (Hand. 7:35), zoals de Christus gedurende Handelingen een tweede maal door Israël verloochend wordt. Beide Christus en Mozes doen machtige werken.
Vroeger had Stefanus ook reeds Jozef als een type van Christus afgeschilderd. Nadat Jozef TOT OVERSTE gesteld is, herkennen zijn broeders hem; de eerste maal echter niet. Zo herkende Israël de verheerlijkte Christus niet gedurende Handelingen. Maar de tweede maal herkenden de broeders Jozef wel (Hand. 7:13), zoals ook Israël zal zien Wie ze doorstoken hebben. Hem dus de tweede maal zal herkennen.
Maar Israël luisterde niet naar Stefanus, noch naar de andere getuigen, zij bekeerden zich niet, zij namen het Paasoffer niet aan en de tijden der verkwikking bleven uit. Israël bleef in « Egypte ». Daar Israël in zijn misdaad (zie « val » in Rom. 11:11, 12) volhardde, werd het terzijde gesteld (Hand. 28:28). De tamme olijf was gevallen en met de boom ook de ingeënte takken. Een heel nieuwe bedeling begon. Daartoe was nodig de herordening der heiligen (Ef. 4:13, grondtekst, St. V.: volmaking). Doch in de toekomst, na de Gemeente der verborgenheid, zal de Heere hen met kracht uit « Egypte » voeren.
BESLUIT. Des Heeren maaltijd is niet een nieuwe instelling, maar eenvoudig des Heeren Pascha, meer en beter toegelicht door de Heere zelf. Het mocht alleen gevierd worden door Israëlieten en door besnedenen van de volken. Het werd natuurlijk maar éénmaal per jaar gevierd, op de 14 Nisan. Het staat in betrekking tot het geslachte Lam en de toekomende verlossing van Israël bij de komst van de Heere Jezus Christus. Die verlossing was reeds in het zicht in Handelingen, doch door Israëls verharding is er een onderbreking, die door de Gemeente ingevuld wordt.
De letterlijke vervulling van het Pascha is nog toekomstig.
Het Pascha was ook een beeld van de geestelijke verlossing van allen, die geloven in het bloed van Christus, maar de vorm moest daarom niet door de volken, en vooral niet door de Gemeente, waargenomen worden.
Zij, die vrezen iets te verliezen als ze geen « avondmaal » meer zouden hebben, waar de Heere zo gezegd « in hun midden » is, moeten er aan denken dat de Heere ook in het hart kan wonen (Ef. 3:17) en steeds nabij kan zijn (H. 4:5)
EINDE.
|