
Inhoudsopgave
Eerste Deel

De toestand aan het einde van het tijdperk der Handelingen
Tweede Deel

Na de catastrofe van het jaar 70
1. De vorming van de zogenaamde « algemene » kerk
2. De tegenwoordige toestand
Aanhangsel

De ontwikkeling van het antisemitisme in de Christenheid
Een woord vooraf
Voor de tweede uitgave van de Franse bewerking van Het Onderwijs van de Apostel Paulus hebben we aan de oorspronkelijke tekst meerdere hoofdstukken bijgevoegd in verband met de toestanden vóór en na het jaar 70 en de ontwikkeling van de zogenaamde « algemene » Kerk.
Daar er voorlopig geen sprake is van een tweede druk der Nederlandse bewerking, hebben we gemeend, dat het nuttig kon zijn die bijgevoegde hoofdstukken afzonderlijk te publiceren onder bovenstaande titel.
We werden dan echter genoodzaakt nu en dan te verwijzen naar Het Onderwijs van de Apostel Paulus en we veronderstellen, dat de lezer goed vertrouwd is met dit werk of het misschien nog eens eerst wil doorstuderen. Een goede kennis van de inhoud van Het Goddelijk Voornemen is ook onontbeerlijk.
We zouden het betreuren indien sommige lezers zich zouden ergeren over enkele gedachten, die hier voorgesteld worden en die in strijd zijn met algemeen gangbare overleveringen. We menen echter, dat men de Schrift niet mag uitleggen, uitgaande van menselijke opvattingen die zich in de loop der eeuwen hebben ontwikkeld, doch dat we Gods geschreven Woord moeten nemen zoals het ons gegeven werd en dit Woord alleen als absolute norm aanvaarden.
Februari 1956.
De toestand aan het einde van het tijdperk der Handelingen.
Alvorens we nagaan welke indruk de verwoesting van Jeruzalem en van de Tempel, in het jaar 70, op de gelovigen heeft gemaakt, willen we de kenmerken nagaan van de voornaamste groepen, die men duidelijk moet onderscheiden, en ook een blik werpen op de algemene toestand aan het einde van het tijdperk der Handelingen.
De Joden kan men natuurlijk vooreerst indelen volgens hun houding t.o.v. Christus. De meesten geloofden niet dat Jezus de Christus was, en voor deze moest de Messias dus nog komen. Anderen zagen in de persoon van Jezus hun Messias, eerst gekomen in vernedering, doch zij hoopten op zijn spoedige wederkomst in heerlijkheid om Jeruzalem weder op te bouwen, de verstrooiden te verzamelen in hun land en zijn koninkrijk op aarde op te richten. Zij waren dus christenen.
En toch bleven ze Joden voor wat betreft hun nationaliteit en dus ook hun deel hebben aan de verbonden die de Heere met deze natie gesloten. Deze christenen bleven dus in dit opzicht afgescheiden van de christenen uit de volken. We noemen ze « Christen-Joden » en niet « Joden-Christenen », want deze laatste term moet men voorbehouden voor Joden die, na hun bekering tot Christus, hun nationale voorrechten prijs geven.
Een verdere indeling dringt zich hier op. Sommige Christen-Joden meenden dat gelijk welk mens noodzakelijkerwijze deel moest uitmaken van het uitverkoren volk (en alzo deel hebben aan de zegening van het Verbond) om behouden te worden. Bijgevolg beweerden ze, dat de christenen uit de volken in het volk Israël moesten opgenomen worden door de besnijdenis (en daarbij een reinigende waterdoop ondergaan en een offerande brengen), evenals de vroegere proselieten. We zullen deze « extremistische Christen-Joden » noemen.
Anderen, waarbij de Apostelen, waren zich welbewust, dat volgens de profeten en de Heere zelf het volk Israël niet voor zichzelf uitverkoren was, doch wel om de andere volken tot zegen te zijn. Hun natie moest dus, als zodanig, volkomen afgescheiden blijven van de andere natiën, en er was geen behoefte voor de niet-Joodse christenen zich te laten besnijden en de voorschriften der Wet te onderhouden. We noemen deze de « gematigde Christen-Joden ».
In geval Israël zich, als natie, had bekeerd en geloofd dat Jezus de Christus was, zou Gods voornemen zich op « normale » wijze hebben verwezenlijkt. De Heere zou wedergekomen zijn, de nieuwe aioon van het Koninkrijk op aarde aangebroken en het uitverkoren volk in zijn land verzameld. Dan had het zijn zendingsopdracht kunnen beginnen uit te voeren en dus alle volken tot de wedergeboorte en het deelhebben aan de aardse Abrahamietische zegeningen kunnen leiden.
Maar zo is het niet gegaan, en naar gelang de officiële vertegenwoordigers van het volk in de grote centra hun Messias verwierpen, heeft Paulus zijn bijzonder (universeel) Evangelie uitgeroepen, dat steunde op de hemelse Abrahamietische beloften.
Op deze wijze werd dus een nieuwe weg geopend voor alle mensen, individueel genomen (dus niet als volken). Zonder te hoeven te wachten op de bekering van Israël, konden ze — op individuele wijze — reeds deel hebben, in de geest, aan de zegeningen waartoe de massa eerst later zal komen, namelijk nadat Israël zijn wereldomvattende missie zal volbracht hebben, in de aioon van het Koninkrijk.
Uit bovenstaande volgt dan, dat we nu ook onderscheid moeten maken tussen de gematigde Christen-Joden die bleven bij het Evangelie der besnijdenis der 12 Apostelen, en de andere die Paulus navolgden en zijn Evangelie der voorhuid aanvaardden, betreffende de hogere Abrahamietische zegeningen, onafhankelijk van het Verbond met Israël.
De eerste groep bleef, op geestelijk gebied, in de sfeer der wedergeboorte, terwijl de tweede groep reeds deel had aan de sfeer der verzoening en der rechtvaardiging voor God door het geloof van, en in, Christus, en de dood van de oude mens met Christus. In de geest, « in Christus », waren ze geen Joden meer en in dit opzicht niet verplicht de Wet van Mozes te onderhouden; doch waar ze nog op aarde leefden, bleven ze in dit opzicht nog steeds Joden en uitgenodigd al de voorschriften der Wet waar te nemen.
Er waren dus wedergeborene gematigde Christen-Joden en gerechtvaardigde gematigde Christen-Joden.
Deze verschillende groepen kunnen we door het volgende schema voorstellen:
We hebben dus ten slotte vier groepen, die we van 1 tot 4 genummerd hebben. Natuurlijk was er ook nog in elke groep een zeker verschil van opinie. Zo spreekt de Schrift over de sekten der Farizeeën en der Saduceeën, en vermelden oude geschriften ook de Essenen. (1)
De algemene houding voor wat betreft het nationalisme, de christologie en de eschatologie kunnen we echter als volgt voorstellen:
Groep no. |
Nationalisme |
Christologie |
Eschatologie |
| 1 |
Geen behoudenis buiten Israël |
Jezus is slechts een mens |
Verwachten Messias en Koninkrijk op aarde |
| 2 |
Geen behoudenis buiten Israël |
Jezus is de Christus (?) |
Verwachten wederkomst in heerlijkheid en Koninkrijk |
| 3 |
Israël verkoren om alle volken tot zegen te zijn |
Jezus is de Christus |
Verwachten wederkomst in heerlijkheid en Koninkrijk |
| 4 |
Israël verkoren om alle volken tot zegen te zijn |
Jezus is de Christus |
Verwachten wederk. en verandering van lichaam |

In den beginne werden de Christen-Joden beschouwd als een nieuwe Joodse sekte en « Nazoreeërs » genoemd. Hand. 24:5. 14; 28:22. De naam « christen » werd toen meer in het bijzonder gebruikt voor de christenen uit de volken. Hand. 11:26.
Volgens Eusebius en andere schrijvers der eerste eeuwen was Jakobus, de broeder des Heeren, het hoofd (episkopos) van de gemeente der Nazoreeërs van Jeruzalem. (2) Daar hij de Wet zeer getrouw waarnam, noemde men hem « de rechtvaardige ». Ten tijde van zijn opzicht, schijnt er in deze gemeente eenheid van geloof te zijn geweest. Hij werd waarschijnlijk in het jaar 62, of kort daarna, gestenigd en vervangen door Simeon, oom van Jezus en van Jakobus. Volgens een legende werden de Christen-Joden verwittigd van de nabij zijnde verwoesting van Jeruzalem. Hoe ook, ze trokken naar Pella, ten Oosten van de Jordaan. Anderen schijnen zich ook gevestigd te hebben te Berea (Aleppo) en te Kochaba (ongeveer 40 km van Pella). (3)
Tot nu toe spraken we alleen over de Joden. Voor wat de Heidenen betreft, hadden sommigen zich al lang in het volk Israël laten opnemen als besneden proselieten. Doch vele onbesneden proselieten leefden in de kringen der synagogen, en het was vooral aan deze, dat Paulus zijn Evangelie predikte nadat de Joden de boodschap van het Koninkrijk verworpen hadden.
Men moet niet vergeten, dat de Heere, vóór zijn dood, aan de 12 Apostelen der besnijdenis uitdrukkelijk bevel had gegeven zich (nog) niet tot de volken te wenden, noch tot de Samaritanen, Mat. 10:5. Na de opstanding van Christus, moesten zij zijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der « aarde ». (4) We zien, inderdaad, dat deze Apostelen Israël tot bekering roepen te Jeruzalem, Hand. 1 tot 7 en naar Samaria gaan, Hand. 8 en 9, doch dat er een bijzondere opdracht nodig was vooraleer Petrus tot Cornelius ging, Hand. 10, en dat de Christen-Joden er erg verwonderd over waren. Hand. 11. Sommigen onder hen, die Jeruzalem hadden verlaten wegens de vervolging veroorzaakt door de marteldood van Stefanus, gingen wel naar Fenicië, Cyprus en Antiochië, doch ze spraken het woord alleen tot de Joden. Hand. 11:19. We lezen ook. dat « enige Cyprische en Cyreneïsche mannen », welke te Antiochië gekomen waren, tot de « Grieksen » spraken (5) en de Heere Jezus verkondigden. Later kwamen Barnabas en Paulus er ook, Hand. 11:20 — 22.
Het is dus duidelijk, dat de opdracht der Twaalf al de volken tot discipelen te maken en deze dan te dopen in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, Mat. 28:19, pas moest volbracht worden na de bekering van het volk Israël en de wederkomst des Heeren, als Hem niet slechts alle macht in hemel en op aarde zal gegeven zijn, v. 18, doch als Hij zijn grote kracht zal aangenomen hebben, en Hij als Koning zal heersen, Op. 6:16; 11:15, 17; 12:10; 19:1, 6. We hebben overigens in Het Onderwijs van de Apostel Paulus gezien, dat de brieven van Jakobus en Johannes in het bijzonder gericht waren tot Christen-Joden.
Het was dus, praktisch, alleen Paulus en enkele andere Apostelen, die door Christus gekozen werden na zijn opstanding, die het Woord Gods aan de volken hebben gebracht, en dan nog slechts nadat de Joden het niet hadden aanvaard. Zie b.v. 13:46 — 50; 18:6; 28:26-28 voor enkele centra der verstrooiing. Paulus herinnert hen dan aan het oordeel van Jes. 6:9, 10, wendt zich tot de volken en verwijst naar Jes. 49:6, waar gezegd wordt, dat de Knecht des Heeren tot een licht der volken en tot behoudenis tot aan het uiterste der aarde zou zijn. Gezien de verharding van Israël kwamen de hogere Abrahamietische zegeningen reeds tot de volken. Hetgeen overigens ook moest dienen om Israël tot jaloersheid te verwekken, Rom. 11:11.
Doch, zoals we in bovenvermeld werk nagegaan hebben, volgden weinige gelovigen op getrouwe wijze Paulus. Zijn boodschap betreffende de dood van de oude mens, Rom. 6, en vooral, na Hand. 28:28 in zijn gevangenschapsbrieven, van de volmaaktheid in Christus, konden slechts aanvaard en beleefd worden door een kleine minderheid. De meesten hielden zich aan de geestelijke beginselen van het Evangelie der Twaalf, betreffende de persoonlijke wedergeboorte en zagen nog niet de hogere sferen van zegeningen. We mogen veronderstellen, dat het Evangelie volgens Johannes (dat natuurlijk toen nog niet in de vorm van een document bestond) op de beste wijze de inhoud van hun geloof voorstelt.
Al de christenen van uit de periode der Handelingen leefden in de verwachting van de letterlijke vervulling der profetieën in verband met Israël, en meer in het bijzonder van de nabije wederkomst des Heeren en het oprichten van het Koninkrijk der hemelen op aarde.
Kort na het jaar 60 schreef Paulus, in de gevangenis, zijn laatste brieven, in welke hij de overhemelse sfeer van zegening deed kennen, en die een radicale verandering aankondigden in de « bedeling », veroorzaakt door het tijdelijk terzijde zetten van het volk Israël: geen uitverkoren volk meer, geen zichtbare Gemeente, geen door God ingestelde ceremoniën, geen tekenen meer van de nabijheid van het Koninkrijk, geen vervulling der profetieën. Doch, daar tegenover; toegang tot de bovenmatig overvloedige genade Gods.
Wat bestond er, gedurende het tijdperk der Handelingen, in zake organisatie? De gemeente, of « Joods-christelijke synagoge », van Jeruzalem kan beschouwd worden als de eerste kern van de Gemeente, die de Heere beloofd had te bouwen, Mat. 16:18. In Klein-Azië en aan de kustlanden der Middellandse Zee (die deel uitmaakten van het Romeinse rijk) werden er lokale gemeenten gesticht door Paulus en zijn vrienden. Sommige van deze gemeenten, waar de Christen-Joden de meerderheid vormden, werden waarschijnlijk ook als Joods-christelijke synagogen beschouwd, doch in het algemeen waren het gemengde vergaderingen, omvattende christenen uit Israël en uit de volken, en deze werden weldra met de naam « ekklèsia » bestempeld om ze duidelijk te onderscheiden van de Joodse synagogen in die plaatsen. Deze gemeenten stelden de Gemeente van Christus, Mat. 16:18, niet voor.
Op geestelijk standpunt, bestond de meerderheid zeer waarschijnlijk uit wedergeborenen (groep 3 voor de Joden), doch nog niet gerechtvaardigden. Vlak na de periode der Handelingen, toen Paulus gesproken had over zijn openbaringen betreffende de overhemelse sfeer van zegening, konden deze gemeenten ook enkele zeldzame « heiligen en getrouwen » bevatten, die Paulus gevolgd waren op de weg des heils. Deze waren, naar de geest, leden van de Gemeente der grote verborgenheid, waarvan Christus zelf het Hoofd was. Doch die gemengde gemeenten stelden natuurlijk die Gemeente niet voor.
Er bestond toe geen algemene organisatie. De lokale gemeenten waren zelfstandig, en het was door de bezoeken en de geschriften van Paulus, dat ze bevestigd werden in het geloof en dagelijks overvloediger in getal, Hand. 16:5.
De Joods-christelijke synagogen waren natuurlijk ingericht zoals de Joodse. Er was dus blijkbaar de overste (arkisunagôgos, Mark. 5:22), de man die de vergadering leidde (sjeliach tsjibboer) — soms geholpen door een vertaler (methurgeman) en een dienaar (chazzan, hupèretès), Luk. 4:20). Er waren ook « oudsten » (zâqên, presbutèros), sinds oude tijden reeds bekend. (Zie b.v. Ex. 3:16, 18).
Men begrijpt dus zeer goed dat er in het N.T. nooit sprake is van de instelling van deze « ambten ». We vinden er, inderdaad, alleen de instelling van één enkele nieuwe functie: die van het « dienen der tafelen », Hand. 6:2. Later hielden zich die personen meer algemeen bezig met de stoffelijke behoeften der gemeenschap, en werden « diakenen » genoemd, Fil. 1:1.
De gemeenten, die hoofdzakelijk bestonden uit christenen uit de volken, hebben waarschijnlijk de Joodse gebruiken niet slaafs gevolgd.
Doch uit het N.T. weten we dat er in elke lokale gemeente « oudsten » (presbutèros) waren, en een « overste » (episkopos) die van tussen de oudsten gekozen werd. De overste stemde overeen met de arkisunagôgos en de oudsten met de zaqên der gemeenten van Israël. Zie ook Ex. 3:16, 18; 12:21; Deut. 1:16; 1 Kron. 23:4 enz. Ook het « ouderlingschap » of « raad der ouderlingen » (presbuterion) van 1 Tim. 4:14 was een college, dat deel uitmaakte van de organisatie der synagoge, Luk. 22:66; Hand. 22:5.
Doch al deze leidende personen hadden niets te maken met een door God ingestelde « geestelijkheid », die enige autoriteit zou gehad hebben in zake geloof. Zij, die zich aan het hoofd der gemeenten bevonden, waren er om te helpen en te dienen. Men zal bemerken, dat de brieven die Paulus schreef vóór Hand. 28:28, niet gericht waren aan de oversten of de ouderlingen, doch in het algemeen aan de lokale gemeenten. Ook daarna waren er nog ouderlingen in elke stad, Tit. 1:5, evenals oversten en diakenen, 1 Tim. 3, want het terzijde zetten van Israël als uitverkoren volk moest niet tot gevolg hebben, dat elk spoor van organisatie der onbesneden christenen zou verdwijnen. Maar toch hadden de verandering van bedeling en het verlaten van Paulus een invloed op deze gemeenten en op de houding van de Apostel. Zo zien we, dat zijn gevangenschapsbrieven niet meer gericht zijn tot gemeenten, maar tot personen, Ef. 1:1; Fil. 1:1; Kol. 1:2. Slechts éénmaal vermeldt hij de opzieners en diakenen, Fi1. 1:1, en dan worden ze genoemd na de « heiligen in Christus-Jezus ». Voor wat Ef. 4:11 betreft, vormden de profeten en Apostelen het fundament, Ef. 2:20, en waren de evangelisten, herders en leraars eigenlijk geen ambten, doch gaven Gods, personen die door de Geest geleid werden om de « heiligen » in die kritieke overgangsperiode « opnieuw toe te bereiden » (katartizô).
In het kort, er bestond gedurende de Handelingentijd geen algemene organisatie, noch centrale autoriteit, door God ingesteld. De onontbeerlijke sporen van organisatie der lokale gemeenten, stemden overeen met hetgeen reeds lang bij de Joden bestond.
Nu we een kort overzicht hebben gegeven van de toestand in die tijd, kan men zich beter rekenschap geven van de indruk die verwekt werd door de gebeurtenissen van het noodlottige jaar 70. Maar laat ons vooral niet vergeten, dat Israël tot dan toe het volk was, door God uitverkoren om zijn zegeningen op al de volken uit te storten, en dat zelfs de — in zekere zin daarop vooruit lopende — komst der hogere Abrahamietische zegeningen tot die volken, moest medewerken om Israël tot bekering te leiden. Op deze wijze zou het zijn verkiezing bevestigd hebben en dan zou de Heere wedergekomen zijn om zijn Koninkrijk op te richten en zijn Gemeente te bouwen.
Sinds bijna 2000 jaren had God zijn geduld en zijn genade betoond in verband met Israël. Terwijl Hij al de volken had laten wandelen in hun wegen, Hand. 14:16, vormden deze natie de spil van de geschiedenis des heils.
Toen kwam het jaar 70, de verwoesting van Jeruzalem en van de Tempel, die het tijdelijke terzijde zetten van Israël, volgens de woorden van Paulus einde Handelingen, bevestigden. Zoals ten tijde van de profeet Hosea, kon men nu aan Israël de naam « Lo-Ammi » (Niet-mijn-volk) geven, Hos. 1:9. Het spreekt van zelf, dat we hier te doen hebben met een gebeurtenis van overwegend belang, en dat de jaren 60 tot 70 een der belangrijkste tijdvakken vormen in de menselijke geschiedenis des heils.
Zoals we het nog verder zullen onderstrepen, was het niet alleen een catastrofe voor de Joden, doch ook voor alle christenen, die Paulus niet hadden gevolgd. Want Gods Voornemen scheen ineen te storten.
En wat vooral verschrikkelijk moet geweest zijn voor velen, was de twijfel die bijna niet vermeden kon worden: hadden de profeten, de Heere en de Apostelen zich dan vergist toen ze spraken over Israëls toekomst als uitverkoren geslacht, koninklijk priesterdom, heilige natie, 1 Petr. 2:97 Slechts de weinigen, die getrouw gebleven waren aan Paulus, waren voorbereid en wisten dat er nu een nieuwe bedeling begon, een tijdperk waarover de profeten niet hadden gesproken en dat als het ware een onderbreking vormde in de « normale » verwezenlijking van Gods Voornemen door middel van Israël. Dank zij de laatste openbaring, die Paulus had ontvangen, en waarover hij gehandeld had in zijn brieven aan de Efezen, Filippensen en Kolossensen, en in zijn tweede brief aan Timotheus, wisten ze iets over de kenmerken van deze nieuwe wijze waarop God de wereld nu zou besturen, over de bedding die bij uitstek die van de genade en het geloof is.
De Schrift geeft ons geen inlichtingen aangaande de gebeurtenissen van die tijd, en we moeten dus de menselijke documenten nagaan om er iets over te weten. In ons werk Het Onderwijs van de Apostel Paulus hebben we enkele uittreksels gegeven van deze oude geschriften. We zullen nu verder nagaan hoe de verschillende groepen gelovigen getracht hebben die catastrofe te boven te komen en een oplossing te vinden voor de talrijke problemen die zich aan hen voordeden.
Voetnoten
[1] De oude documenten, inbegrepen degene die men de laatste jaren aan de Dode Zee heeft gevonden, leren ons dat er een tamelijk grote verscheidenheid bestond in de gedachten. Zo heeft men gesproken over Baptisten, Chiliasten, Apocalyptikers, Mystieken, enz. Deze neigingen hebben zich later uitgewerkt en soms aanleiding gegeven tot het vormen van afzonderlijke groepen of gemeenschappen.
[2] Het was dus niet een der Twaalf die het hoofd was van deze oorspronkelijke gemeente. Deze Apostelen hadden als opdracht Israël tot bekering uit te nodigen en vervolgens het volk in zijn geheel te leiden, onder het Koningschap van Christus, Mat. 19:28.
In verband met het opzienersambt van Jakobus, kunnen we op merken, dat er reeds in Hand. 11:30 (omstreeks het jaar 40) sprake is van presbuteroi (ouderlingen) te Jeruzalem, en dat Jakobus in het bijzonder genoemd wordt in Hand. 12:17; 15:13; 21:18. Gal. 1:19; 2:9. Hetgeen aantoont dat hij een belangrijke rol speelde.
[3] Volgens Eusebius (1, 7) waren er onder hen « desposyni » d.w.z. personen, die beweerden door documenten te kunnen bewijzen, dat ze tot de familie des Heeren behoorden.
[4] Hand. 1:8. De Griekse tekst gebruikt het woord « gè », dat zowel een zeer begrensd land, als de gehele aarde kan aanduiden. Zie b.v. Hand. 7:3. Tot op de bekering van Israël, moet men dit woord in zijn beperkte betekenis aanvaarden, want ze moesten nog niet tot de volken gaan.
[5] De term « Grieksen » (Gr. hellènistes, ook b.v. in Hand. 6:1) duidt Joden aan, die gewoond hadden in landen waar men Grieks sprak. Meerdere handschriften hebben echter « Grieken ». Indien deze laatste lezing de juiste is dan was het toch geheel bij uitzondering dat sommigen (niet Apostelen der besnijdenis) zich tot de heidenen gewend hadden.
Tweede Deel (Top)
Na de catastrofe van het jaar 70.
De documenten die geschreven werden door christenen die een leidende rol hebben gespeeld in de vorming van wat men de « Algemene Kerk » noemt, tonen duidelijk, dat de bijzondere boodschappen van Paulus vergeten, verwaarloosd of verworpen werden, dat er bij meerderen een neiging bestond het Evangelie te beschouwen als een nieuwe « wet » en te beweren dat men door werken kon gerechtvaardigd worden. Dus juist wat Paulus het meest had bestreden. Het was pas later, dat sommige personen en sommige groepen zich tegen de menselijke overlevering, het priesterlijk gezag, het moralisme, het sacramentalisme en andere menselijke afwijkingen verzettende, terugkeerden tot de Schrift en — in zekere mate — wederom rekening hielden met het onderwijs van de Apostel der volken.
Men is het er algemeen over eens, ten minste bij de protestantse theologen, dat Augustinus een der eerste is geweest, die Paulus opnieuw ontdekt heeft, ten minste voor wat betreft het persoonlijk geloof, het bewustzijn van zonde en de noodzakelijkheid van Gods genade. (1)
Doch, al is het waar dat na Augustinus, en vooral sinds de Reformatie, de theologen meer gelet hebben op de fundamentele gedachten van de brief aan de Romeinen, toch blijft het een feit, dat men niet voldoende gerekend heeft met het zeer bijzonder onderwijs van Paulus betreffende de hemelse en overhemelse sferen van zegening. En men schijnt ook niet te hebben ingezien, dat de Apostel nooit heeft geleerd dat de vormen der Wet afgeschaft zouden zijn voor alle christenen.
In het volgende hoofdstuk zullen we een kort overzicht geven van de ontwikkeling van het Christendom gedurende de eerste eeuwen.
Voetnoten
[1] Zo zegt Harnack: « Het is alleen door Augustinus dat het Evangelie van Paulus in het Westen op de voorgrond geplaatst werd; voor wat betreft de oosterse landen, is het steeds in de schaduw gebleven ». Die Mission und Ausbreitung des Christentums, blz. 210.
Van H. Bavinck halen we het volgende aan: « Zo is Augustinus van de grootste betekenis geworden voor de latere dogmatiek. Hij beheerst de volgende eeuwen. Elke reformatie keert tot hem en tot Paulus terug ». Gereformeerde Dogmatiek, Vol. I, blz. 115.
1. De vorming van de zogenaamde « algemene » Kerk (1) (Top)
De delen der oude geschriften, die we in Het Onderwijs van de Apostel Paulus citeerden, hebben ons reeds enige aanduidingen gegeven betreffende de evolutie van het christendom in het begin van zijn ontstaan. We stellen ons hier niet tot doel een min of meer volledige geschiedenis neer te schrijven van het ontstaan der « Kerk », doch het zal nuttig zijn van meer nabij te onderzoeken hoe zich de verschillende groepen verhielden, die we uit het tijdperk der Handelingen hebben leren kennen, en op welke wijze een zichtbare organisatie werd gevormd, die beweerde de Kerk van Christus te zijn.
Het tijdperk beginnende in het jaar 70 en zich uitstrekkende tot de derde eeuw is ons slechts bekend door een, in verhouding, zeer gering aantal documenten, van niet steeds betrouwbare inhoud, soms zelfs tegenstrijdig, en die de gebeurtenissen gewoonlijk niet op zeer objectieve wijze voorstellen. Bijgevolg, is het met enig voorbehoud, dat we de volgende aanduidingen doorgeven.
Alvorens we de groepen christenen nagaan, een woord over de Joden, die niet in Christus geloofden.
Voor Israël in het algemeen genomen, was voorzeker de verwoesting van Jeruzalem en van de Tempel een verschrikkelijke ramp. Daarbij, niettegenstaande de vruchteloze poging van Bar Kochba (in het jaar 132 ongeveer) hield dit volk op een staat te zijn. En de genadeslag werd door keizer Adrianus gegeven door het verbod der besnijdenis.
Toch moet men er ook acht op geven, dat de studie der Thora het nationale gevoel bij menigeen had verzwakt en de vreemde heerschappij meer dragelijker gemaakt. En het was dan ook deze Wet, die een steunpunt verschafte na het jaar 70 en vermeed dat de verwoesting van de Tempel en het ophouden van het nationale bestaan de ineenstorting zou betekenen van het Judaïsme. Waar de eredienst verdween, werden ze nog meer gedrongen zich te verdiepen in de morele dingen en de studie der Thora. Zo begon zich dan het talmudisme te ontwikkelen, vooral onder de leiding van Rabbi Jochanan, leerling van Hillel. Later nam de Wet zelfs een zo voorname plaats in, dat men van « nomocratie » (Heerschappij van de wet) heeft kunnen spreken.
Als de christenen beweerden dat Israël nu voor goed had opgehouden Gods volk te zijn en dat de gelovigen uit de volken nu het ware « geestelijke » Israël vormden, was het antwoord der Joden, dat de Sjekina, de heerlijkheid Gods, nog steeds met hen was, (2) zoals in Egypte en Babylon. Hun hoop was nu dat die heerlijkheid Gods hen allen zou terugvoeren tot Zion en de Messias de stad zou wederopbouwen.
Ook namen ze een stijvere houding aan t.o.v. de Christen-Joden, die niet meer beschouwd werden als een Joodse sekte. Hand. 24:5, doch tegen het einde der eerste eeuw « ketters » genoemd werden (minim). Tegen hen werd zelfs een decreet van vervloeking uitgevaardigd: het « Birchat ham-Minim ».
Wat werd er nu van de Christen-Joden? Het Romeinse bestuur had ze ook eerst beschouwd als Joden, en daarom konden ze vóór het jaar 64 nog dezelfde voorrechten genieten als de Joden. Doch later veranderde alles, en onder keizer Nero was men er ten volle bewust van, dat ze Christus, een « nieuwe god » aanbaden. Waar deze God echter niet als zodanig erkend was door de Senaat, werden ze nu als « goddelozen » behandeld. Noch Jood, noch Heiden, vormden ze (met christenen uit de volken) een « derde geslacht », dat zich niet onderwierp aan de godsdienstige gebruiken van de Romeinen. Men weet, dat ze, vooral na de brand van Rome, even vervolgd werden als de andere Christenen.
Daar er toen een méér besliste scheiding ontstond tussen de Christen-Joden en hun rasverwanten, mag men veronderstellen, dat er — vooral sinds de vervolgingen — een toenadering plaats greep tussen de Christenen van Joodse en Heidense oorsprong. Uit de geschriften van de « Kerkvaderen » blijkt dan ook, dat ze deze Christen-Joden (ten minste de groep die we met het woord « gematigden » bestempeld hebben) als goede Christenen beschouwden, hen slechts verwijtende nog Jood te blijven en de besnijdenis en de instellingen der Wet te behouden.
Laat ons nu meer van nabij de ontwikkeling nagaan der drie groepen Christen-Joden, die we in het eerste deel hebben leren onderscheiden: de extremisten, de wedergeborenen en de gerechtvaardigden.
Eigenlijk bestonden er, voor zover we weten, geen wel bepaalde groepen, behalve die van de Nazoreeërs van Jeruzalem, door Jakobus geleid. Na zijn dood ontstond er zelfs in deze gemeente onenigheid, en werd het nog moeilijker, na hun vlucht naar de andere zijde van de Jordaan, de verschillende richtingen duidelijk te onderscheiden. Het moet ons dan ook niet verwonderen, dat er enige verwarring heerst in de inlichtingen die we aangaande die tijd vinden. Des te meer, omdat de schrijvers, al gebruiken ze dezelfde naam (b.v. « Nazoreeërs » of « Ebonieten ») er niet steeds dezelfde groep mee aanduiden.
Uit een algemeen onderzoek der documenten, heeft men geconcludeerd dat er bij de Christen-Joden minstens drie voorname richtingen bestonden na het jaar 70.
Vooreerst waren er diegene, die voortkwamen uit de groep der wedergeboren gematigde Christen-Joden en die men beslist nog « Nazoreeërs » kan noemen. Deze bleven dus getrouw aan het onderwijs der 12 Apostelen der besnijdenis, hielden de voorschriften der Wet, voor zover dit nog mogelijk was, doch verlangden niet dat de andere Christenen zouden besneden worden. Sommige auteurs schijnen te zeggen, dat ze in Pella, Berea en Kochba gebleven zijn. Andere spreken echter over een gemeente te Jeruzalem, geleid door Simeon, broeder van Jozef en dus oom van de Heere Jezus en van Jakobus. Simeon zou reeds vóór het jaar 70 Jakobus opgevolgd hebben. Het is waarschijnlijk, dat een deel der Nazoreeërs ten oosten van de Jordaan bleef en een ander deel naar Jeruzalem terugkeerde. (3)
Zij geloofden dat Christus de Zoon Gods was en dus ook in zijn maagdelijke geboorte. Ze hadden veel eerbied voor Paulus als Apostel der volken, doch pasten zijn onderwijs niet toe op hen zelven. Ze begrepen dus niet dat de gebeurtenissen van die tijd de woorden van Paulus bevestigden, die we einde Hand. 28 vinden, en dat Israël nu tijdelijk opgehouden had Gods volk te zijn. Daaruit volgt, dat ze vasthielden aan hun nationale voorrechten en zich nog steeds beschouwden als de eerste kern van de Gemeente die Christus zou bouwen, Mat. 16:18. Deze gedachte was wel juist vóór het jaar 69, doch onjuist daarna, daar de vorming der nationale Gemeente van Israël nu tot een latere tijd werd uitgesteld, namelijk tot na de bekering van het volk, de wederkomst des Heeren en het oprichten van Zijn Koninkrijk.
Welke tragische toestand voor die kleine groep, die eens de vertegenwoordiger was van de apostolische « orthodoxie »! Eerst door de Joden verworpen als ketters, werden ze ook weldra uit de groepering gebannen, die men de « algemene Kerk » begon te noemen. Zo waren ze (waarschijnlijk) niet slechts gescheiden van hun centrum, Jeruzalem, doch stonden alleen met hun anachronische geloof. Het kon niet anders of ze moesten langzamerhand verdwijnen. Toch menen sommigen, dat er nog in de vierde eeuw te vinden waren.
Een tweede groep, die men zeer zorgvuldig van de vorige moet onderscheiden, is die der Ebionieten. (4) Het waren zeer waarschijnlijk de voortzetters van de « extremisten » uit de tijd der Handelingen, want zij beweerden ook dat de voorschriften der Wet door alle mensen moesten gehouden worden ter behoudenis. Hun opvatting was dus volkomen in strijd met het onderwijs van de Apostel Paulus. Men heeft verondersteld dat ze voortkwamen uit de sekte der Farizeeën, Hand. 15:5. Ze beschouwden de Heere als een mens door God verkoren en (door de doop) als Heere en Zoon Gods « aangenomen ». De eigenlijke Ebionieten geloofden dus niet in het voorbestaan van Christus, noch in zijn maagdelijke geboorte. Later gebruikten ze de Griekse vertaling van het O.T. door Symmakus (ongeveer in 170).
Waar ze beweerden dat er geen heil was buiten Israël, bleven ze gans gescheiden van de Christenen uit de volken. Omgekeerd werden de Ebionieten — terecht — door de ware Christenen ketters genoemd, daar ze niet geloofden in de godheid van Christus en Hem niet als Behouder beschouwden.
Ze bevonden zich vooral in Palestina en Syrië, doch sommigen verbleven waarschijnlijk ook in de omgevende landen. Natuurlijk bestonden er ook bij hen verschillende opvattingen, en deze hebben met de tijd ook een verdere ontwikkeling ondergaan. In het jaar 135 ongeveer werd een geschrift opgesteld, Kèrugmata Petrou (Predikingen van Petrus) genaamd, dat de opvattingen der meerderheid in die periode uitdrukte. Zij meenden dat de Heere Jezus de profeet was, die de Joden verwacht hebben, en waarvan Mozes het antitype was, Deut. 18:15. Deze « Zoon des mensen » was eerst gekomen om aan de Wet een meer geestelijke vorm te geven. Bij zijn wederkomst zou hij ze gans afschaffen, en dan zou zijn Koninkrijk op aarde beginnen. Intussen moesten de volken de voorschriften waarnemen, want anders konden zij niet behouden worden.
Ze behielden het O.T. doch beweerden dat de tekst vervalst was, en legden het overige op hun bijzondere wijze uit. Volgens hen zou de Tabernakel nooit door de Tempel moeten vervangen zijn geworden en was de Wet van Mozes met haar offers, strikt genomen, niet naar Gods wil doch slechts toegelaten met het oog op de geestelijke zwakheid van het volk. (5) Ze meenden dat de Tempel in het jaar 70 verwoest werd omdat God niet langer kon dulden dat offers gebracht werden, die door de « Zoon des mensen » waren afgeschaft.
Het was dus door een afbrekende kritiek van het O.T. dat ze de oplossing zochten van de problemen, die werden opgeworpen door de catastrofe van het jaar 70.
Voor wat nu de gerechtvaardigde Christen-Joden betreft, die gedurende de periode der Handelingen Paulus gevolgd waren in de dood t.o.v. de zonde, kent men geen document dat men hun zou kunnen toeschrijven. Hetzelfde kan gezegd van de « getrouwen », leden van de Gemeente der grote Verborgenheid. Deze christenen waren weinig talrijk en waarschijnlijk verspreid. Daar hun geestelijke positie zonder twijfel niet begrepen werd door de Heidenen, noch zelfs door de meeste andere Christenen, is het niet verwonderlijk, dat de ons bekende geschriften er niet over spreken.
Nog enkele woorden over een andere Joodse groep, vóór we over de Christenen uit de volken spreken. (6) Het betreft degenen, die Ritschl de « Esseense Joden-christenen » genoemd heeft. Zij stamden misschien af van aanhangers der sekte der Essenen, die in zekere mate het onderwijs der 12 Apostelen der besnijdenis hadden aanvaard. Men heeft er op gewezen, dat de Essenen kunnen voortgekomen zijn van de Rechabieten, (7) waarover Jer. 35 handelt, en die geen wijn dronken, niet zaaiden, geen wijngaard hadden, geen huis bouwden, doch in tenten woonden.
De Essenen leefden vooral ten oosten van de Jordaan en de Dode Zee. Ze vormden gesloten gemeenschappen, (8) namen op zèèr strikte wijze besnijdenis, sabbat en andere voorschriften der Wet waar, doch wilden niets weten van de bloedige slachtoffers in de Tempel. Zij dronken geen wijn, aten geen vlees en voerden allerlei wassingen uit.
De Ebionieten hadden vele dingen gemeen met de Essenen, en dit moet ons niet verwonderen, daar ze in dezelfde streken woonden. Mogelijk stamden sommige Ebionietische groepjes af van de Essenen.
Welke inlichtingen vinden we nu voor wat betreft de houding der Christenen uit de volken, na de verwoesting van Jeruzalem? Zoals allen die zich ingespannen hebben een « Kerkgeschiedenis » te schrijven het hebben doen opmerken — Eusebius vooraan — leveren de geschriften slechts weinige, en dikwijls onduidelijke inlichtingen over hetgeen in de eerste eeuwen geschiedde. Wat ons ten zeerste zou moeten verwonderen indien het in die tijd geweest ware dat de Gemeente van Christus zich begon te vormen.
Het valt niet te betwijfelen, dat de eerste eeuw eindigde in een algemene verwarring en in de ontwikkeling van een menigte verschillende strekkingen die reeds in kiem bestonden aan het einde van het tijdperk van Handelingen.
De verwachting van de spoedige wederkomst des Heeren en van het oprichten van zijn Koninkrijk was toen algemeen. Want niet alleen had Christus dit aangekondigd, doch ook Jakobus, Petrus en Johannes, zonder te spreken over Paulus, Jak. 5:7, 8; 1 Petr. 4:7; 2 Petr. 3:4, 12; 1 Joh. 2:28. Met het oog op hun vertrouwen in de Twaalf, hun afhankelijkheid van de nationale toekomst van Israël, hun verwaarlozing der woorden van Paulus betreffende het terzijzetten van dit volk en het begin ener nieuwe bedeling, was voorzeker ook voor hen het jaar 70 een zware beproeving.
Weliswaar hebben de woorden des Heeren, die we in Mat. 23:36 — 39 vinden, hen kunnen voorbereiden voor de verwoesting van Jeruzalem, doch niet voor de verwerping van Israël. Inderdaad, ze konden die voorspellingen min of meer toepassen op de gebeurtenissen van hun tijd, doch ze moesten zich dan ook rekenschap geven, dat de woorden van Mat. 24:9 — 36 alleen een tijdperk van verdrukking konden betreffen, dat onmiddellijk voorafgaat aan de wederkomst des Heeren, vs. 29. En gedurende dit tijdperk zou, volgens de Schrift, Israël nog steeds in zijn land moeten zijn en zouden de profetieën van Daniël betreffende het laatste der 70 zeventallen jaren die bestemd waren over Israël en over de heilige stad, Dan. 9:24 — 27, vervuld moeten worden, Mat. 24:15 en zie Dan. 11:31; 12:11. Hieruit volgt, dat — indien ze meenden dat de voorspellingen van Mat. 23 en 24 zich reeds in hun tijd begonnen te vervullen en de Heere dus weldra zou wederkomen — ze ook moesten geloven dat Israël als uitverkoren volk moest blijven bestaan tot op die wederkomst. Na het jaar 70 bleek het echter, dat Israël toch terzijde gezet was vóór de wederkomst. Alles moest hen dus onbegrijpelijk toeschijnen en die gans onvoorziene verwerping moest hen geheel in de war brengen.
Maar toch konden de ware christenen hun godsdienst niet prijsgeven, en ze moesten dus hun vroegere opvattingen herzien en een oplossing vinden.
In het kort samengevat, deed het hoofdprobleem zich als volgt voor: aan de ene kant schenen de feiten er op te wijzen, dat het eigenlijk niet door Israël was, dat de behoudenis tot de volken zou komen, doch aan de andere kant hadden de profeten, de Heere en de Apostelen Israël duidelijk aangeduid als het uitverkoren volk. Er bleef dan voor hen slechts ééne mogelijkheid over een oplossing te vinden, namelijk door het voorbeeld te volgen van de Alexandrijnse Joden, die — in contact met de Griekse beschaving en gescheiden van Jeruzalem en de tempel-cultus — geleerd hadden vele delen der Schrift op zinnebeeldige wijze uit te leggen.
Door onze aanhalingen uit de oude geschriften, die we in Het Onderwijs van de Apostel Paulus gaven, zal de lezer reeds bemerkt hebben, dat het werkelijk in deze richting was, dat de christenen zich hebben begeven. Er waren wel sommigen, zoals Marcion, die zeer radicaal het gehele O.T. verwierpen, doch de grote meerderheid deed dit niet en ging er nu toe over alles op symbolische wijze uit te leggen, de Schrift te « vergeestelijken ». We hebben gezien dat Barnabas in dit opzicht een extremist was, want volgens hem hadden de Joden zelf nooit de letterlijke zin moeten aanvaarden: dus geen besnijdenis, geen sabbat, geen wettisch rituaal. Doch in het algemeen vergenoegde men zich met een meer gematigde vergeestelijking: Israël moest dit alles wel waarnemen, doch het had slechts een symbolische betekenis. In zekere zin was deze gedachte zeer redelijk, maar ongelukkiglijk meenden ze, evenals Barnabas, nu ook te moeten besluiten dat Israël niet waardig bevonden was het goddelijk Verbond te behouden en dat de Heere dit Verbond nu aan de christenen gegeven had. Deze laatsten waren nu het « volk zijner erfenis ». Zo schreef Justinus (begin der tweede eeuw) het volgende, dat de algemeen gangbare gedachte van zijn tijd weergaf: « Het ware geestelijke volk Israël, het volk van Juda, Jakob, Izaak en Abraham ... zijn wij ». (Dialog. 11:5) Israël was dus ook maar een symbool van de « Kerk ».
Ziedaar dus de hoofdgedachte, die niet alleen die onvoorziene gebeurtenissen, volgens hen, konden uitleggen, doch die ook een basis leverde voor de vorming van een nieuwe, ware eenheid.
Vroeger toch, vormde Israël een volk, een eenheid van theocratisch karakter, met een organisatie en een eredienst die door God was ingesteld. Nu echter begreep men, dat die nationale eenheid slechts een beeld was. Het christendom was nu in de plaats getreden van het Jodendom, ja vormde het ware Israël en er moest dus een nieuwe eenheid gevormd worden, niet meer van ras en natie, doch een internationale, algemene, die weldra de ganse aarde zou omvatten.
Men stond nu natuurlijk voor de vraag: wanneer werd Israël door God verworpen en wanneer begon dus de ware Kerk? Waar men meende dat deze laatste door de 12 Apostelen was opgericht, moest men teruggaan tot het begin van het tijdperk der Handelingen, en het Pinkstergebeuren scheen zeer geschikt te zijn om deze dag in het bijzonder te beschouwen voor het begin der Kerk. Men lette echter goed op de gevolgen van deze gedachte:
|
Indien Israël ophield Gods volk te zijn in het begin van de periode der Handelingen, dan moest men hieruit besluiten, dat de eigenlijke reden van die verwerping was, dat dit volk de Heere Jezus had verloochend en aan de Romeinen overgeleverd. De ganse schuld van het gebeurde werd dan ook op de Joden geworpen. In het Aanhangsel zullen we nagaan hoe deze gedachte het uitgangspunt werd van alle latere « christen » antisemitisme. Het kruis was steeds het hoofdargument om de Joden te verwensen en te vervolgen. |
|
|
Hetgeen de Heere zei, vlak vóór en nà het kruis, werd toegepast op de Kerk. Zo b.v. de handelingen bij de laatste Pascha-maaltijd en de opdrachten der Apostelen al de volken te onderwijzen. |
|
|
Ook hetgeen er gedurende het ganse tijdperk der Handelingen gebeurde werd als norm beschouwd, waarop men allerlei kerkelijke gebruiken kon doen steunen. |
|
Het is echter zeer belangrijk er op te letten, dat zelfs tot het midden der tweede eeuw men nog niet dacht aan een Kerk in de zin van een algemeen zichtbaar instituut. Men bleef nog steeds de wederkomst des Heeren verwachten.
Dit blijkt uit meerdere oude geschriften. Zo citeert b.v. Eusebius (III, 20) een deel uit een geschrift van Hegesippus, waar deze handelt over de vraag van keizer Domitianus (jaren 81 tot 96) aan de verwanten van de Heere, betreffende Christus en zijn Koninkrijk. Hun antwoord was « dat het geen werelds Koninkrijk, doch een hemels en engelachtig rijk zou zijn; dat het zou verschijnen bij het einde der wereld, als Hij in heerlijkheid de levende en de doden zou oordelen en allen toedelen naar hun werken ».
Hermas, die waarschijnlijk in het begin der tweede eeuw schreef, spreekt over de gezichten die hij beweerde gehad te hebben, waar de Gemeente (ekklèsia) voorgesteld werd, hetzij door een vrouw (die reeds geschapen was vóór alle dingen), hetzij door een toren, die gebouwd werd door engelen en waarvan de stenen de Apostelen, bisschoppen, leraars, oudsten en gelovigen in het algemeen voorstelden. Die gezichten van Hermas betreffen echter geen zichtbare organisatie, doch wel een geestelijke eenheid. En als hij vraagt of het einde der wereld gekomen is, dan krijgt hij tot antwoord, dat de bouw nog niet voltooid is, doch het weldra zal zijn en het einde dan ook zal gekomen zijn. (Gezicht 3:8).
In de brieven van Clement en van Ignatius worden de lokale gemeenten aangespoord eensgezind te zijn en zich aan de oudsten te onderwerpen zoals soldaten aan hun oversten, en begint de gedachte van de algemeenheid der Gemeente een vorm aan te nemen. Ignatius gebruikt zelfs (voor het eerst) de uitdrukking « Katholieke Kerk », doch nog niet in de zin van een zichtbare algemene organisatie met een wel bepaald centrum (al schijnt hij de gemeente van Rome zeer hoog te schatten).
Het was eerst tegen het einde der tweede eeuw, dat men « synoden » begon te vormen, vooreerst in Azië en Griekenland, en later in meerdere andere landen. En deze werden pas uitgebreid tot algemene « concilies » in de loop der derde eeuw.
Tertullianus, reeds vóór zijn bekering tot het Montanisme, schreef over de nabijheid der wederkomst (Epiph.haer. 48:2). En de Montanisten, die zo sterk de nadruk legden op die wederkomst, deden niets mèèr dan de hoop vasthouden, die nog algemeen heerste tot het midden der tweede eeuw, doch die begon te verflauwen.
Laat ons hier, in het voorbijgaan, de volle aandacht van de lezer vestigen op het feit dat niet alleen de Heere en de Apostelen nooit iets gezegd hebben over een wel georganiseerde zichtbare algemene Kerk, vóór de wederkomst des Heeren, doch dat tot dan toe — nota bene een honderdtal jaren na Pinksteren — nog niemand aan een dergelijk instituut gedacht had.
Edoch, de Heere vertoefde te komen en langzamerhand begon men in te zien, dat die wederkomst ook niet letterlijk moest opgevat worden, dat de Heere op geestelijke wijze was wedergekomen, en dat men dus nu moest beginnen te denken aan het inrichten van een goed georganiseerde en blijvende Kerk, door middel van welke het Koninkrijk Gods zou komen. Men begrijpt dat deze opvatting noodzakelijkerwijze moest leiden tot de vorming der Katholieke Kerk.
Laat ons deze ontwikkeling in het kort nagaan. De lokale gemeenten, die geleid werden door oversten en oudsten, waren nog steeds zelfstandig, doch misten nu de hulp der Apostelen (behalve misschien die van Johannes, Eusebius III, 23). Waarschijnlijk heerste er in het algemeen een goede verstandhouding, dank zij de invloed der wedergeborenen, en niettegenstaande het getwist in zake rituaal, zoals b.v. betreffende het vieren van het Paasfeest tegen het einde der tweede eeuw (Eusebius V, 24).
Om een zichtbare eenheid te vormen, moest er nu een algemeen aanvaarde geloofsregel komen en een episcopaal centrum van waaruit de ganse christenheid zou bestuurd worden. Want, zoals de Roomse Kerk steeds beweerd heeft en sommige protestantse theologen toegegeven hebben (b.v. Harnack) (9), kan een zichtbare eenheid slechts verkregen en in stand gehouden worden door een levende en gecentraliseerde autoriteit. Zo ontwikkelde zich dus de gedachte van een hiërarchie, die als opdracht zou hebben de wereld te onderwijzen, te behouden en te heiligen.
Een zichtbare algemene Kerk, moet ook een wel bepaald ceremonieel hebben, Waar men meende dat het O.T. op allegorische wijze moest uitgelegd worden, en het symbolische Israël nu vervangen was door het ware Israël, scheen het zeer logisch in het levietisch rituaal een type te zien voor de christelijke eredienst, want God had niets nieuws voorgeschreven voor het christendom. Men ontleende dus aan de Joden hun gebeden, hun gezangen, hun priesters, hun feesten, ten minste zo ver dit mogelijk was.
Het Pinksterfeest — dat men, zoals we in onze andere werken gezien hebben, tijdens zijn eerste viering kan beschouwen als het begin van de Gemeente, die de Heere beloofd had te bouwen, Mat. 16:18 — werd nu het herdenkingsfeest van het begin van het « ware Israël ».
Het Joodse Paasfeest werd veranderd in het christelijke Paasfeest en verschafte ook aan de Katholieke Kerk een van haar « sacramenten », waarvoor behoefte ontstaan was door de invloed der oosterse godsdiensten. Want het was algemeen bekend, dat alleen de « ingewijde », die deel nam aan die « mysteries » (10), kon behouden worden. Het rituaal van het laatste Pascha dat de Heere had gehouden met zijn discipelen, was geheel aangewezen om een « sacrament » te leveren van het grootste belang. Aan het einde van de tweede eeuw, meende Ignatius van Antiochië dan ook het brood, dat bij deze ceremonie gebroken werd, te mogen noemen: « een medicijn voor de onsterfelijkheid, een middel om niet te sterven, doch steeds in Jezus Christus te leven ». (11) In de geschriften van dit tijdperk kan men nagaan hoe het rituaal van het Joodse Pascha en dat van het sabbatmaal versmolten werden en alzo de « mis » deden ontstaan. (12) Hier ook dacht men méér te hebben dan het symbolisme van Israël, namelijk een waar goddelijk offer op een werkelijk « altaar ».
De oude proselietendoop en de nieuwere Joodse doop der bekering, leverden stof voor een ander « sacrament », een « christelijke » doop, door welke men van zonden gereinigd kon worden, en zelfs opnieuw geboren en alzo in de Kerk ingelijfd. In den beginne werden de bekeerlingen slechts gedoopt na een ernstig onderzoek en een oprechte belijdenis, doch later voerde men de kinderdoop in, zodat — op automatische wijze — het ganse mensdom weldra zou kunnen « gekerstend » zijn. Die kinderdoop werd ingevoerd omdat hij — naar hun mening — de besnijdenis moest vervangen, besnijdenis die ook, zonder meer, elk Joods kind liet deel hebben aan het goddelijk Verbond. Deze waterdoop had ook het voordeel, meenden ze, dat het kind van de duivelsmacht bevrijd werd. De gedachten van de dopeling — in zo verre hij die kon hebben — waren natuurlijk niet van het minste belang, alleen hoopte men dat hij zich later tot een waardig lid der Kerk zou ontwikkelen.
Iedereen wist ook, dat voor een echt « mysterie », voor een waar « sacrament », er priesters moesten zijn, zoals b.v. in dienst van Mithra. En, gelukkig, ook hier leverde het levietisch model allerlei gegevens om een « christelijk » priesterdom in te stellen. Men sprak zelfs, zoals Clement in zijn brieven, van « overpriesters », « priesters » en « levieten ». Er vormde zich dus een « geestelijkheid » die scherp onderscheiden was van de « leken ».
Maar van wie had die geestelijkheid haar gezag ontvangen? Natuurlijk van de Apostelen. (13) Deze hadden, beweerde men, meer dan honderd jaren na het ontslapen van de laatste Apostel, hun gezag overgedragen aan de « bisschoppen » (episkopos) en zo, door een « apostolische opvolging », ging dit gezag steeds over van bisschop tot bisschop. Voor Ignatius openbaarde zich God, de Bisschop bij uitnemendheid, in de zichtbare bisschoppen. (14)
Zoals reeds vermeld, moest de ééne, zichtbare en gezaghebbende Kerk een enig geloof hebben, dat men verplichtend kon maken voor alle mensen. Een hedendaagse theoloog heeft dan ook gezegd: « Het christendom is een onderwijs, dat zich in geloofsartikelen en gezagswoorden voorstelt ». (15) Hoe kwam men er toe een dergelijke officiële geloofsbelijdenis op te stellen? De hoofdlijnen werden geleverd door de beginselen der leer van Christus en van de 12 Apostelen. Meerdere belijdenissen waren reeds in gebruik voor de doopsceremoniën van uit de tijd waar de doop nog een persoonlijke verbintenis van de dopeling betekende. Doch de strijd tegen de ketterijen (zoals het Gnosticisme en het Montanisme) bespoedigde in zekere mate het opstellen van een eind-belijdenis. En het was waarschijnlijk de Kerk van Rome, die er zich mee belastte en praktische oplossingen voorstelde om de « algemene » Kerk te bevestigen, door er andersdenkenden uit te bannen. Zo stelde men dan, omstreeks het jaar 150, het « Symbool der Apostelen » op, dat door de andere lokale kerken aanvaard werd. Doch hier ging het nog slechts over enkele hoofdpunten. Later kwam de belijdenis van Nicea (325) en nog later de meer volledige belijdenis die naar Athanasius werd genoemd.
In het midden van de tweede eeuw, vooral met het doel het Gnosticisme en de leer van Marcion te bestrijden, moest men er ook toe overgaan een lijst op te stellen van de geïnspireerde Schriften, dus de zogenaamde « Canon » vast te stellen. Vooreerst waren er natuurlijk de boeken van het O.T. die vooral gelezen werden naar de Griekse vertaling der zeventig (Septuagint). Deze bevatte echter ook de apocriefe boeken welke de Griekse Joden van Alexandrië zeer op prijs stelden. Verder waren er reeds in de eerste eeuw vele geschriften in omloop, betreffende het leven van de Heere Jezus en de handelingen der Apostelen, alsook brieven die deze laatste aan de lokale gemeenten of aan bepaalde personen geschreven hadden. Zeer vroeg begonnen er zich dus kleine verzamelingen van geschriften te vormen in meerdere plaatsen. Omstreeks het jaar 60 vermeldde Petrus reeds brieven van Paulus, 2 Petr. 3:16. In de eerste helft der tweede eeuw sprak Justinus de Martelaar over « onze boeken », en duidde daarmee aan de christelijke geschriften die gezaghebbend waren, omdat men ze beschouwde als geïnspireerd door de Heilige Geest en geschreven door de Apostelen. Deze verzameling omvatte waarschijnlijk de vier Evangeliën, de Handelingen, enkele brieven van Paulus, de brief aan de Hebreeën en het boek Openbaring.
Doch, naast de geschriften die ons « Nieuw Testament » samenstellen, bestonden er meerdere andere « evangeliën » en brieven. Hoe is men er in geslaagd een definitieve lijst op te stellen van de door God geïnspireerde Schriften? De lokale gemeenten, door de Apostelen gevormd, kenden natuurlijk zeer goed de brieven van deze Godsgezanten en erkenden alleen deze als hebbende goddelijk gezag. Elke gemeente had zo haar privé verzameling, en door onderlinge omgang kon deze steeds meer vervolledigd worden, Men kan dus zeggen, dat reeds in de tweede eeuw de canon der Schriften feitelijk vaststond. En dit niet door een kerkelijke overheid, doch door de christenen in het algemeen, die aan de Apostelen getrouw gebleven waren, hetzij aan de Twaalf, hetzij aan Paulus. (16)
Gedrongen door de bewering van de Montanisten, dat zij nieuwe openbaringen hadden ontvangen, nam de « Kerk » een zeer belangrijk besluit, namelijk dat het tijdperk der inspiratie geëindigd was met de Apostelen. Geschriften die niet van hen voortkwamen konden dus niet aanvaard worden voor de canon. Natuurlijk was dit besluit op zich zelf niet voldoende om het vraagstuk volledig op te lossen, want er waren talrijke geschriften in omloop, die sommigen ten onrechte aan de Apostelen toeschreven ofwel waarvan ze beweerden dat ze de leer der Apostelen zuiver weergaven. Het was dan ook eerst in het jaar 380 ongeveer onder Paus Oamasius, dat de canon door de Katholieke Kerk aanvaard werd, en eerst in 1545. bij het Concilie van Trente, dat alles volledig geschikt werd. Van haar kant aanvaardde de Oosters-orthodoxe Kerk de eind-canon pas in 1672.
Het merkwaardige is, dat de brieven van Paulus zo'n grote plaats innemen, terwijl toch die Apostel door de meesten reeds gedurende zijn leven verlaten werd en zijn onderwijs ook daarna verwaarloosd of praktisch onbekend bleef. juist in de periode waar de « Kerk » er toe moest besluiten de canon te aanvaarden. Het schijnt duidelijk, dat we hier een werking van de Heilige Geest moeten erkennen, die de Kerk verplichtte op een wijze te handelen die geheel boven haar kracht lag. Men mag dus niet zeggen, dat die Kerk de canon heeft gevormd op eigen gezag, doch wel dat ze zich heeft moeten buigen voor het gezag van de Heilige Geest.
Het is ondenkbaar, dat het door God gegeven geschreven Woord zou hebben kunnen verdwijnen, zelfs ten dele, door de fout der mensen .En dit vooral gedurende de tegenwoordige bedeling waar God zich niet meer op zichtbare of hoorbare wijze openbaart. Hij had al de rijkdommen zijner genade bekend gemaakt en gelijk welke christen moest dus in staat zijn deze te leren kennen.
Men kan een dergelijke werking van Gods Geest ook in zekere mate bemerken in de samenstelling der oude geloofsbelijdenissen, die gewoonlijk op tamelijk juiste wijze schriftuurlijke waarheden omschrijven en nagenoeg niets bevatten aangaande de menselijke opvattingen, die er in die oude tijden heersten: b.v. het vervangen van Israël door de Kerk, het vormen van een zichtbare Kerk, het moralisme, het sacramentalisme en dergelijke.
Feitelijk stond het aanvaarden van een wel bepaalde verzameling van geïnspireerde Schriften in tegenstelling tot de algemene neiging der kerkoverheden, vooral in de derde eeuw. Waren de bisschoppen niet de opvolgers der Apostelen en bezaten zij niet de ganse waarheid? Was het niet de geestelijke overheid, die van God het leergezag had ontvangen en die het orgaan moest zijn van de Heilige Geest? Men weet inderdaad, dat er zich in die tijd een levend gezag vormde naast de Schrift, en zelfs weldra er boven verheven, daar de kerkelijke overheid beweerde over een mondelinge overlevering te beschikken en zij alleen de Schrift kon verstaan en uitleggen. Men moest dus geloven wat de bisschop leerde, en niet wat God persoonlijk kon spreken, door middel van zijn geschreven Woord, tot degene die bereid was te luisteren.
Zo had de Kerk dan niet slechts de plaats ingenomen van Israël, doch nu nam het menselijke gezag ook de plaats in van het goddelijk gezag. Het geloven — ten minste in principe — van hetgeen de Kerk leerde, verving het levend geloof in Christus. De Roomse theoloog Battifol zei dus terecht: « De zelfstandigheid van de gelovige t.o.v. het geloof is wel de gedachte die het meest vreemd is aan het christendom der eerste eeuwen ». (17)
Laat ons nu wat terug gaan in de tijd. De zichtbare Kerk met haar centraal gezag moest een geografisch centrum hebben. Het « symbolische » Israël had vroeger Jeruzalem gehad, het « ware Israël » moest nu een andere plaats kiezen. Waar de lokale gemeenten zich bijna uitsluitend bevonden in de landen die deel uitmaakten van het Romeinse rijk, kon alleen Rome in aanmerking komen om de zetel te worden van de Katholieke Kerk. En zo kon deze zich dan ontwikkelen, volgens het model van het keizerrijk, in een organisatie met een autocratisch karakter en een sterke centralisatie. De legende van Petrus werd toen uitgevonden om het prestige van dit centrum te vergroten.
We hebben reeds aangestipt, dat, indien het waar is dat het christendom der tweede eeuw nog niet volledig alle hoop had opgegeven betreffende de wederkomst des Heeren, de opvattingen zich toch geleidelijk wijzigden. Daar de wederkomst op zich deed wachten, werd het steeds meer noodzakelijk de vroegere opvattingen te herzien. Deze waren misschien nog te veel Joods van aard. Waarom niet op volledige wijze deze « chiliastische » gedachten verwerpen? Regeerde Christus nu reeds niet door zijn Kerk? Zo kwam er de neiging de gedachte van « Koninkrijks Gods » min of meer te vereenzelvigen met die Katholieke Kerk, zoals men b.v. bij Augustinus en zijn « Stad Gods » ziet.
De Kerk had zich dus voor goed in deze wereld gevestigd en beweerde nu, dat het door haar was, dat Christus reeds, in de geest, was wedergekomen. Als dit koninkrijk zich tot alle volken zou uitgebreid hebben, door massa-dopen, zou Christus wederkomen in Persoon en dat zou het einde zijn van de aardse geschiedenis.
De Kerk werd min of meer vervolgd tot in de vierde eeuw, doch haar regering scheen voor goed te kunnen beginnen met de bekering van keizer Constantijn. Deze wilde, na zijn talrijke gevechten, een stabiel rijk vormen. Het christendom, dat zich nu reeds overal verspreid had, kon hem hierin helpen. Als « Pontifex Maximus » (het hoofd van het hoogste priestercollege in het oude Rome) eigende hij zich het rechttoe de christelijke instituten te besturen en vormde op definitieve wijze de Katholieke Kerk. Later verplichtte keizer Theodosius zijn onderdanen het « katholieke geloof » te aanvaarden.
Het christendom had zich dus verspreid in de « beschaafde » wereld van die tijd, was « katholiek » geworden in het Westen, doch slechts door af te wijken van de geopenbaarde waarheid. Die godsdienst was, in het algemeen, tamelijk oppervlakkig en de praktijk er van werd dikwijls meer een gewoonte dan de uitdrukking van een levend geloof in Christus.
We laten het aan de lezer over te oordelen in welke mate de menigvuldige tegenwoordige Kerken dergelijke menselijke opvattingen hebben behouden en ze beschouwen als grondwaarheden, die a priori onbestrijdbaar zijn.
Door het volgende schema hebben we de evolutie trachten voor te stellen van de bijzondere groepen behorende tot Israël en de volken, vanaf de kruisiging tot aan het Koninkrijk op aarde. We hebben de groepjes van hen, die getrouw gebleven waren aan het onderwijs van de Apostel Paulus, niet voorgesteld.
Men versta wèl, dat dit schema geen min of meer juiste getal verhouding der verschillende groepen wil aanduiden.

De volle lijnen betreffen de tijdperken gedurende welke Israël Gods volk is, de horizontale stippellijnen het tegenwoordige tijdperk, dat een onderbreking is in de « normale » verwezenlijking van Gods Voornemen door middel van Israël.
De groep der Nazoreeërs, dus van de Christen-Joden, die getrouw waren aan de 12 Apostelen der besnijdenis, zal weder verschijnen vóór de wederkomst des Heeren en zal zich dan ontwikkelen tot hij het ganse volk Israël zal omvatten en op deze wijze de Gemeente van Christus zal vormen gedurende de komende aioon.
Dit schema toont aan hoe de christenheid en de zogenaamde algemene Kerk vooral voortsproten uit de groep der christenen uit de volken van de Handelingenperiode. Want het aantal Joden, die hunne nationale voorrechten prijsgaven om zich tot die Kerk te voegen, was zeer gering. Het was daarom dat men in de eerste eeuwen meende dat Gods Verbond nu van de Joden tot de volken was overgegaan (en niet, dat dit Verbond beide omvatte).
Voetnoten
[1] Als kennisbronnen hebben we vooreerst de geschriften van Jozefus, van de « Kerkvader »s zoals Barnabas, Clement, Ignatius, Hermas, Polycarpus; de « Leer der twaalf Apostelen », de « Constitutiën der Apostelen »; de geschriften der « Vaderen Apologeten » en van de geschiedschrijver Eusebius.
 We zullen verder, gebruik maken van inlichtingen uit andere bronnen en van aanmerkingen die men kan vinden in moderne theologische werken, zoals:
- Das Christenturn und die christliche Kirche door F. C. Baur, 2de uitgave van 1860.
- Die Entstehung der altkatholischen Kirche door A. Ritschl, 2de uitgave van 1857.
- Jewish Christians and Judaism door W. R Sorley, 1881.
- Dissertations on the apostollic Age door J. B. Lightfoot, 1892.
- Die Mission und Ausbreitung des Christenturns door A. Harnack, 1902.
- Les religions d' autorité door A. Sabatier, 1904.
- L' Eglise naissante et le Catholicisme door P. Battifol, 6de uitg. 1913.
- Theologie und Geschichte des Judenchrist,entums door H. J. Schoeps, 1949.
- Aus Frühchristlicher Zeit door H. J. Schoeps, 1950.
- Urgemeinde, Judenchristentum, Gnosis door H.' J. Schoeps, 1956.
[2] Dankzij hun getrouwheid aan de Wet, zeiden ze, was Israël nog steeds Gods Volk. Hadden ze niet de Thora?
[3] Volgens Hieronymus, zou Simeon onder keizer Trajanus (misschien in het jaar 107) gekruisigd zijn. Na hem begon het tijdperk van twist en scheiding. De gemeente van Jeruzalem had als bisschop een Christen Jood tot op het einde van de 3½ jaren van de opstand van Bar Cochba in 135, het 18e jaar van keizer Hadrianus. Alhoewel de Christen-Joden geen deel genomen hadden aan de oorlog van Bar Cochba (want deze gaf zich uit voor Messias) werden ze even zo goed vervolgd als de andere Joden. De besnijdenis werd verboden en de Joden mochten niet meer in Jeruzalem en omgeving verblijven op straf van dood.
 Met Markus (die een christen uit de volken was) als nieuw hoofd, had deze gemeente opgehouden een « christene synagoge » te zijn, dus een groep Christen-Joden.
[4] Voor bijzonderheden betreffende het Ebionisme, kan men vooral de drie werken van H. J. Schoeps raadplegen, die we hierboven hebben vermeld.
[5] Volgens hen, verschafte de waterdoop de vergeving der zonden en de ingang in het Koninkrijk der hemelen, dus de behoudenis. « Jezus » zou de bloedige offers — die volgens hen een heidense oorsprong hadden — vervangen hebben door deze doop. Ze behielden dan ook de wijnbeker niet bij het gedachtenismaal en gebruikten zout bij het brood, volgens een oud Joods gebruik (dat ons, tussen haakjes gezegd, het woord « sunalizomenos » geleverd heeft in Hand. 1:4, waar het vertaald is door « met hen vergaderd was », doch dat letterlijk betekent « het zout samen etende »). Dit zout was het symbool van de onverderfelijkheid van het Verbond met Israël.
 In de loop der tijden vindt men dikwijls de gedachte, dat sommige delen der Wet van Mozes op een lager geestelijk peil liggen dan de leer der aartsvaders. Deze opvatting wordt ten dele bevestigd door Schriftdelen zoals Mat. 19:1 — 9; Mark. 10:1 — 12; Gal. 3:15 — 18. Evenwel wil dit niet zeggen, dat de ganse Wet niet door God gegeven werd. Het is waar, dat die Wet vele « eerste beginselen » bevatte, doch deze waren nodig om tot Christus te leiden.
 De Ebionieten, evenals de Essenen, maakten misbruik van deze gedachte om uit de Schrift te verwijderen al hetgeen niet overeenkwam met hun systeem. Het waren de afbrekende « critici » der oude tijden, die reeds een afkeer hadden voor hetgeen de moderne kritiek de « priestercodex » noemt!
[6] In het voorbijgaan, vermelden we slechts de Joden, die min of meer Ebionieten waren, doch onder invloed stonden van de heidense Gnosis en het boek van Elchazaï.
[7] Men lette er op, dat deze van Kaïnietische (kenietische) oorsprong waren, 1 Kron. 2:55.
[8] De « Regel » van de gemeenschap van Qoemrân (een der documenten, die men enige jaren geleden aan de Dode Zee heeft gevonden) en het Document van Damas (dat men te Caïro vond vóór de eerste wereldoorlog) tonen aan, dat deze gemeenschap in vele dingen overeenstemde met de gedachten en gebruiken der Essenen.
[9] Zie Dogmengeschichte, 1 — 4, blz. 416.
[10] Het Griekse woord « musterion », dat bij Paulus alleen de betekenis had van iets dat verborgen, onbekend, geheim was, doch dat niets « mysterieus » of geheimzinnigs in zich had, nadat het geopenbaard was, werd in het Latijns vertaald door « sacramentum », en men sprak sindsdien over « sacramenten », waarbij men dan min of meer dacht aan de oosterse mysteriën.
[11] Brief aan de Efezen (van Ignatius), 20:2. Men bemerkt het overgrote verschil tussen deze ceremoniën en degene die door God werden ingesteld. Deze laatste toch, hadden bij zichzelf niet de minste waarde noch kracht. De offers waren voorbeelden en schaduwen der hemelse dingen, Heb. 8:5; 9:23. Het brood dat gebroken werd bij het rituaal van het Pascha, dat de Heere vóór zijn dood vierde, was slechts een voorstelling van zijn lichaam, en de wijn van de « beker der dankzegging », namelijk de derde beker van dit rituaal, het symbool van zijn bloed. Doch de mysteriën der oosterse godsdiensten, die zich in het Romeinse rijk verspreid hadden, waren de oorzaak dat men behoefte had aan geheimzinnige ceremoniën die een magisch vermogen hadden. En de overlevering heeft dergelijke gedachten in stand gehouden in de christenheid, niet zonder allerlei strijd en scheuring te verwekken.
[12] Zie het Aanhangsel 7 van Het Onderwijs van de Apostel Paulus. Men bemerkt het syncretisme van Joodse, heidense en « christelijke » bestanddelen.
[13] Het onderscheid tussen de Apostelen der besnijdenis en Paulus werd toen helemaal uitgewist.
[14] Men vergete niet dat, volgens Hand. 14:23, de « ouderlingen » door de gemeente werden verkozen. Zie de st. Vert. en 2 Kor. 8:19.
[15] P. Battifol in L'Eglise naissante, bl. 80.
[16] In de goddelijkheid van de Schrift zelf bestaat haar (objectieve) autoriteit en ieder mens, die niet weerstaat aan de werking van de Heilige Geest en de Waarheid werkelijk lief heeft, zal haar als zodanig (subjectief) erkennen.
 De ganse Schrift is ons door God zelf gegeven, door middel van de Profeten en Apostelen (Profeten: die voor God spreken; Apostelen: die door Christus uitgezonden zijn en met volmacht optreden als zijn vertegenwoordigers om het heil dat in Hem is aan anderen mede te delen).
 De Schrift — het geschreven Woord Gods, de openbaring van Christus — is niet voortgebracht door een Gemeente of Kerk, doch heeft integendeel tot doel om zowel de algemene geestelijke « Gemeente Gods » als de zichtbare Gemeente op aarde (Israël in de toekomende aioon) te vormen.
 Men kan alleen zeggen dat de Gemeente (namelijk de onzichtbare algemene Gemeente Gods, samengesteld uit wedergeborenen) ons de Schrift « gegeven » heeft, in de zin dat God sommige leden heeft verkoren om ons door middel van hen het geschreven Woord Gods in handen te geven. Doch dit kan niet gezegd worden van een zichtbare organisatie waaraan men dikwijls de naam « Kerk » geeft. Deze Kerk heeft ook de canon niet gevormd, doch kon slechts (gedreven door de Heilige Geest) het geschreven Woord Gods, de concrete historische gestalte van de canon, aanvaarden.
 Naar de historische kant gezien, vormde zich de canon door het uitwisselen van geschriften die de gelovigen hadden ontvangen van Profeten en Apostelen, dus als het ware uit de hand van Christus zelf. Er was bij hen geen onzekerheid. Deze ontstond eerst in de Kerk veel later t.o.v. sommige geschriften, onder meer als gevolg van de gedachte dat die organisatie het « ware Israël » was.
[17] Zie bl. 192 van L'Eglise naissante.
2. De Tegenwoordige Toestand (Top)
Om de ontwikkeling van het christendom gedurende de eerste eeuwen, die we in het voorgaande hoofdstuk hebben trachten te schetsen, goed te begrijpen, en tegelijkertijd de tegenwoordige toestand, menen we dat het nuttig kan zijn nogmaals aan enkele voornaamste trekken te herinneren betreffende de periode der Handelingen. Want het is van de wijze waarop men de gebeurtenissen uit die dertigtal jaren beschouwt, dat hoofdzakelijk ons « theologisch systeem » afhangt, en ook — in zekere mate — ons geloof.
Zoals we in Het Onderwijs van de Apostel Paulus hebben uiteengezet, waren de boodschappen van Paulus steeds zeer goed aangepast aan de geestelijke positie der personen tot wie hij zich richtte. Betrof het heidenen, dan spoorde hij ze aan zich van de afgoden af te wenden tot de levende God, wat ze tot de wedergeboorte kon leiden. Aan Joden en mensen uit de volken, die reeds in God geloofden, kondigde hij aan, dat Jezus was de Christus, en in deze ging hij niet verder dan de Apostelen der besnijdenis. Doch hij handelde ook over de hemelse sfeer van zegeningen en, in zijn laatste brieven, over de sfeer der volmaaktheid in Christus-Jezus, die beide de sfeer der wedergeboorte overtroffen, waartoe zich de Apostelen der besnijdenis beperkten.
Deze Twaalf deden inderdaad niets meer dan uitvoeren hetgeen de Heere hen had opgedragen vóór zijn dood. Ze waren dus getuigen, dat « deze Jezus » van uit de doden was opgestaan en verhoogd tot in de rechter(hand) van God, dat Hij waarlijk de Christus was. Ze nodigden bijgevolg hun volk uit zich te bekeren en zich te laten dopen in water tot vergeving hunner zonden. Dan zou de Heere in heerlijkheid wederkomen en op aarde het Koninkrijk oprichten dat zowel door de profeten als door Hemzelf aangekondigd was.
Natuurlijk bleef de Wet van kracht, doch ze moest niet alleen beschouwd worden in haar — uitwendig aspect. Ze moest volbracht worden door de genade Gods. Dan zouden de Joden niet langer slaven der Wet zijn, dan zou zij een Wet der vrijheid zijn. Zelfs jakobus, de rechtvaardige, die zozeer bekend was om zijn getrouw waarnemen der ganse Wet, sprak tot de Christen-Joden over de « volmaakte Wet, die der vrijheid is » voor hen, die niet alleen een hoorder des Woords, doch ook een dader des werks waren, gebruik makende van de goede gaven en volmaakte giften die van boven komen. Hij had namelijk te doen met Joden, die naar Gods wil « gebaard » (letterlijk: « voortgebracht ») d.i. wedergeboren waren door het Woord der waarheid, Jak. 1:16 — 25. Jakobus legde de nadruk op de grondslag der Wet, namelijk de liefde, doch vroeg hun de gehele Wet waar te nemen, Jak. 2:8 — 12. Hij handelde niet, zoals Paulus, over de volstrekte gerechtigheid t.o.V. God, doch slechts over de relatieve gerechtigheid van hem, die de Wet getrouw onderhield.
Petrus, die zich ook tot de Christen-Joden richtte, sprak insgelijks over de wedergeboorte, 1 Petr. 1:3, 23, en de genade Gods, 1 Petr. 1:10, 13; 2:19,20; 3:7; 4:10, 12; 2 Petr. 3:18. Toch weet men, b.v. uit de geschiedenis van het « Concilie » van Hand. 15, dat hij zelf de Wet onderhield.
Johannes die, als apostel der besnijdenis, natuurlijk in het bijzonder tot Christen-Joden sprak, handelde veel over de genade en de liefde doch zei niets tegen de Wet. In verband met de strijd over het vieren van het Paasfeest, hebben we gezien, dat ook hij getrouw de Joodse gebruiken volgde. Hij sprak niet over de rechtvaardigheid voor God en de geestelijke gemeenschap met de verheerlijkte Christus-Jezus, doch beperkte zich Hem te beschouwen als het ware Zoenoffer, 1 Joh. 2:2; 4:10, dat de zonden (niet « de zonde ») werkelijk « bedekt », waarvan de ceremoniën der Wet weliswaar slechts een afbeeldsel waren, doch een schaduw die nog steeds nodig was voor velen.
Er was dus volkomen overeenstemming tussen de woorden des Heeren, zoals de Evangeliën ze ons doen kennen, en het onderwijs van de twaalf Apostelen der besnijdenis: de genade doet de Wet niet te niet, doch laat toe ze te volbrengen; de « letter » moet gehouden worden, doch in een geestelijke gesteldheid. Het Nieuwe Verbond, door Jeremia aangekondigd, met « het huis van Israël en met het huis van Juda », Jer. 31:31, dat in staat stelde te doen wat de Heere vroeg, verving het Oude Verbond (met hetzelfde volk gesloten), dat onderwees en voorschreef, doch niet de nodige kracht gaf.
Men ziet dus, dat Paulus niet moet gesteld worden tegenover de Twaalf voor wat betreft het kontrast tussen « letter » en « geest », alsof hij alleen daarop zou gewezen hebben. Men mag ook niet zeggen, dat het alleen dankzij Paulus is, dat het christendom; niet beperkt bleef tot een enkel volk, doch universeel kon worden. Want de Twaalf wisten ook dat hun volk slechts uitverkoren was om aan alle natiën tot zegen te zijn. Het verschil lag hierin, dat hun wereldwijde zending eerst moest beginnen na de bekering van Israël, terwijl die van Paulus — ter oorzake van de verharding van dit volk — het Evangelie reeds aan de volken kon verkondigen, om zo te zeggen vóór de normale tijd.
En het is vooral verkeerd, zoals we in andere werken (1) gezien hebben, te beweren dat Paulus heeft geleerd, dat de Wet van Mozes afgeschaft was door het offer van Christus.
Hoe kwam het, dat dergelijke fundamentele vergissingen zich meester gemaakt hebben van de geest zijner tijdgenoten en waarom werden ze tot heden toe gedeeld, zowel door de Joden als door de grote meerderheid der christenen? De uitleg is eenvoudig, als men ingezien heeft dat Paulus verder is gegaan dan de boodschap betreffende de wedergeboorte en de vergeving van zonden. Zoals we reeds deden opmerken, bevindt zich de gerechtvaardigde in Christus in een geestelijke, hemelse positie, waar de aardse verschillen niet meer in aanmerking komen: noch Jood, noch Griek; noch man, noch vrouw. De aardse instellingen, zoals die der Wet, betreffen deze geestelijke positie niet; de symbolische voorschriften moeten — in principe — niet meer gehouden worden door hen die met Christus der zonde dood zijn, die « in Christus » zijn. Want voor de Christen-Joden die door het geloof gerechtvaardigd werden, had de Wet haar functie van « pedagogos » volbracht; ze waren geen kleine kinderen meer, doch zonen van God en hadden Christus « aangedaan », Gal. 3:24 — 29. Evenwel, daar deze Christen-Joden nog steeds op aarde leefden, waren ze verplicht rekening te houden met de sociale toestanden van het aardse leven, van de geestelijke positie van hen, die nog niet voor God gerechtvaardigd waren. De Joden, christenen of niet, moesten dus de ganse Wet blijven onderhouden. Hier had men, inderdaad, een paradoxale toestand: in de geest waren deze gerechtvaardigden reeds geplaatst in de aioon de rechtvaardigheid — die volgt op de toekomende aioon van het Koninkrijk op aarde — waar alle schaduwen verdwenen zijn en er dan ook geen Tempel meer is, Op. 21, doch op stoffelijke wijze leefden ze in de tegenwoordige aioon en waren dus verplicht zich te voegen naar de bestaande instellingen.
De strijd van Paulus, waarover we vooral ingelicht worden door de brieven aan de Romeinen en aan de Galaten, had niets te stellen met het onderhouden der Wet, doch alleen met de gedachte, dat men voor God kon gerechtvaardigd worden door de werken der Wet. De Christen-Joden moesten alles naar de letter houden, niet om alzo voor God gerechtvaardigd te worden, doch uit liefde tot God, uit eerbied voor hetgeen God goed oordeelde te verlangen, uit liefde tot de evennaaste. Voor Paulus, noch voor de Heere of de Twaalf, hadden de vormen en offers enige waarde in zichzelf, want ze waren niets meer dan afbeeldsels en schaduwen van geestelijke werkelijkheden, doch deze symbolen waren onontbeerlijk om de massa tot Christus te leiden. En dit niet slechts gedurende het tijdperk der Handelingen, doch ook nog in de toekomst, gedurende de aioon van het Koninkrijk, d.w.z. zolang als Israël zijn zending tot de volken niet volkomen zal vervuld hebben, zolang er nog Joden of volken bestaan, die geen discipelen van Christus zijn.
Het is duidelijk, dat, als men het bijzonder onderwijs van Paulus niet begrijpt, men zich moet vergissen voor wat betreft zijn houding t.o.v. de Wet, en men er toe gebracht wordt te veronderstellen dat er een zonneklare tegenstelling bestaat tussen de woorden des Heeren (en die der Twaalf) en de zijne.
Doch, dan kan men zich verder afvragen waarom men dit bijzonder Evangelie van Paulus niet begrepen heeft. Welnu, het schijnt ons toe, dat het juist is omdat hij zich in dit Evangelie niet beperkte tot « het beginsel der leer van Christus », doch voortvoerde tot de volmaaktheid, Heb. 6:1. Hij ging verder dan de Wet en het vergeven der zonden, en sprak over een geestelijke positie, die te verheven was om door allen begrepen te kunnen worden, waarvoor allen nog geen genade hadden ontvangen om ze te leren kennen. Waar het reeds de « natuurlijke mens » niet gemakkelijk valt zich aan God te onderwerpen, zich bewust te worden van zijn toestand van zondaar, hoe veel moeilijker valt het een onderwijs te begrijpen en te aanvaarden, dat de volledige offerande vraagt van de « oude mens », de dood met Christus t.o.v. de zonde. Hoe sterk weerstaan we niet Gods genade, die ons — ten koste van onze zelfstandigheid — tot-in Christus wil dopen, d.w.z. ons in nauwe geestelijke gemeenschap met Hem wil brengen en van ons zonen Gods wil maken. En de boodschap der volmaaktheid in Christus, der gevangenschapsbrieven, wordt nog moeilijker geassimileerd en beleefd.
Als men er aan denkt, dat Petrus heeft moeten bekennen, dat er in de brieven van zijn geliefde broeder Paulus dingen stonden die zwaar waren om te verstaan en die door sommigen verdraaid werden, 2 Petr. 3:15, 16, is het niet te verwonderen dat de meeste Joden en christenen ze niet begrepen.
En hoe gemakkelijk viel het om verontschuldigingen te vinden en zich van hem af te wenden. Paulus maakte geen deel uit van de Twaalf. Hij trachtte wel zijn apostelschap te rechtvaardigen op grond van persoonlijke gezichten, doch was dat een bewijs dat hij werkelijk Apostel van Christus was? En dan, die Paulus sprak over allerlei nieuwe dingen, die nooit door het O.T., noch door de Heere, noch door de Twaalf werden verkondigd. Hier ook kon hij zich slechts beroepen op zogenaamde persoonlijke openbaringen. (2) Voor de Joden en meerdere Christen-Joden (de « extremisten ») was het overigens duidelijk, dat hij allerlei dingen voorstelde die men niet kon aanvaarden, want volgens hen was het een onbetwistbare grondwaarheid, dat de Wet een blijvende en absolute waarde had, en, verre van te kunnen aannemen, dat het onderscheid tussen Jood en Griek kon ophouden, stond het vast, dat geen mens kan behouden worden zonder in Israël opgenomen te worden door de besnijdenis.
Zo had Paulus dan nagenoeg iedereen tegen zich zodra men begon in te zien dat zijn Evangelie niet overeenstemde met dat van de Heere en van zijn 12 Apostelen. Men begreep hem niet en verliet hem, of bestreed hem.
In latere tijden, als reactie tegen tastbare afwijkingen en door toedoen van wedergeboren christenen die een levend geloof hadden. werden er bij herhaling pogingen gedaan om terug te keren tot de leer van Paulus, doch zijn onderwijs betreffende de hogere sferen van zegening werd nooit aanvaard dan door een kleine minderheid en de theologie bleef verlamd door de fundamentele vergissing dat Israël vervangen werd, (of opgenomen moet worden) door een zichtbare algemene Kerk, die door Christus zou gesticht zijn kort na zijn dood.
Als men dan rekening houdt met bovenstaande opmerkingen, kan men begrijpen, dat de meeste christenen een zeer eenvoudig onderwijs zochten, dat zich beperkte tot de eerste beginselen betreffende de weg der behoudenis, dus hoogstens tot de wedergeboorte, en dat ze Paulus niet navolgden in zijn loop naar het volmaakte. Hun ganse aandacht bleef dus gevestigd op de persoonlijke boodschap, die we in de vier Evangeliën en in de brieven van de Apostelen der besnijdenis vinden. Velen hadden daarbij de neiging op hun eigen kracht te rekenen, in plaats van op Gods genade, en het Evangelie te beschouwen als een nieuwe Wet, die men moest houden om behouden te worden. Anderen bleven onder de invloed der Griekse filosofie of der esoterische bespiegelingen die zich later gekristaliseerd hebben in het Gnosticisme.
Doch, met zich van Paulus af te wenden, beroofden ze zich niet slechts van meer overvloedige zegeningen, doch werden ze tot die rampzalige gedachte gevoerd dat een zichtbare Kerk, in overgrote meerderheid samengesteld uit christenen uit de volken, het ware Israël was en dat het de Joden slechts overbleef lid van deze Kerk te worden, en voor goed alle gedachte aan nationale voorrechten en letterlijke vervulling der profetie op te geven.
Indien onze visie op die gebeurtenissen en die neigingen min of meer juist is, indien het christendom gedurende de eerste eeuwen niet door God geleid werd in zijn algemene strekking, indien de vorming van een nieuwe algemene organisatie, namelijk van een Katholieke Kerk, die zich min of meer vereenzelvigde met Gods Koninkrijk, niet naar Gods wil was, kan men zich afvragen hoe het dan komt, dat het christendom zich zo snel uitbreidde, waar het Judaïsme, het Hellénisme en de heidense filosofieën zo weinig succes hadden. We kunnen minstens drie oorzaken voor die bijval van het christendom onderscheiden.
De vorming van het Romeinse rijk had diep ingegrepen in het leven der heidense bevolking. Vroeger volgden ze hun voorvaderlijke gewoonten en leefden ze in een kleine wereld, onder de beschutting van hun nationale goden. Doch toen de grenzen doorbroken werden, als die mensen in aanraking kwamen met andere volken, veranderde alles en werden ze verplicht hun religieuze en sociale begrippen te herzien.
De geschiedenis toont ons, dat de Griekse en Romeinse godenleren niet veel bijval vonden. De oosterse godsdiensten schijnen wat meer invloed te hebben uitgeoefend, want weldra aanbad men overal de Egyptische goden (Isis en Osiris), de Syrische Baal, de Perzische Mithra en andere goden, terwijl de meer geëvolueerde mensen aanhangers werden van het moralisme van Seneca, Epictetus en keizer Marc Aurelius.
Niettegenstaande dit relatief succes der verschillende godsdiensten, was het Romeinse rijk bereid om een boodschap te ontvangen, die hoger stond dan al hetgeen tot dan toe bekend was, een godsdienst die aan alle mensen hun waardigheid en zedelijke vrijheid verzekerde, die beroep deed op geweten en liefde, en ook voldoening kon schenken aan hen die naar een mysterie trachten.
Overigens kon zich het Evangelie snel verspreiden in dit rijk, dank zij de nieuwe middelen van verkeer en de Romeinse vrede.
Een tweede, menselijke, oorzaak kan men zoeken in de gedachte van een algemene godsdienstige organisatie. De oorspronkelijke bijval van het christendom dreef er weldra de hoofden van het rijk toe, van die gedachte gebruik te maken om hun macht steviger te maken en uit te breiden, zodat ze er zelfs toe overgingen hun onderdanen te verplichten « christenen » te worden.
Doch deze beide oorzaken zijn niet voldoende om alles uit te leggen. Er was ook een geestelijke reden.
Voorzeker, sinds de terzijde stelling van het uitverkoren volk, bestuurde God de wereld op een verschillende wijze en liet — zoals in vroegere tijden — de volken wandelen in hun wegen, Hand. 14:16. Voorzeker, al de tekenen, wonderen en krachten hielden op de verkondiging van het Evangelie te vergezellen, zoals ten tijde der Handelingen, Rom. 15:9; 1 Thes. 1:5 enz. Doch, indien dan de zichtbare en openbare werking van Gods Geest ophield, toch wil dit niet zeggen, dat Hij gans onwerkzaam bleef. De verandering in Gods bestuur was aangepast aan de verandering in de wijze waarop God zijn Voornemen uitvoerde, als gevolg van Israëls verharding. De werking op de massa door een zichtbare en openbare uitwerking van geestelijke krachten, werd vervangen door een onzichtbare werking op de geest van de mensen van goede wil.
Natuurlijk bleef er een zekere organisatie bestaan van de lokale gemeenten, doch deze was niet van overwegend belang. Zoals we in het eerste deel reeds deden opmerken, waren de brieven die Paulus schreef na de zo belangrijke tijdsgrens van Hand. 28 niet meer gericht aan gemeenten, doch aan individuele gelovigen. In Hand. 20:17, 28 richt de Apostel zich nog tot de ouderlingen (presbutèros) van de gemeente van Efeze en vermaande hen de gemeente Gods goed te weiden, maar in Pil. 1:1 worden de opzieners (episkopos) en diakenen (diakonos) slechts als individuen vermeld, en dan nog slechts na de « heiligen in Christus Jezus ». Er is geen sprake van een kerkelijke autoriteit, die een goddelijk gezag zou hebben, doch over afzonderlijke personen, « getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren », 2 Tim. 2:2. Het is niet een menselijke overheid, gecentraliseerd of niet, die de Waarheid bezit, doch het zijn de Schriften, die wijs kunnen maken tot zaligheid, 2 Tim. 3:15.
Paulus had nooit gesproken over een zichtbare algemene Kerk, die door God zou ingesteld worden vóór de wederkomst des Heeren en had, niet meer dan de andere Apostelen, iets gedaan om ze voor te bereiden. Hij wist zeer goed, dat zijn onderwijs zou verwaarloosd of verworpen worden, dat er mensen zouden komen, die verkeerde dingen zouden spreken, om de discipelen af te trekken achter zich, Hand. 20:29 — 31, dat er een tijd zou komen waar de mensen de gezonde leer niet meer zouden verdragen. 2 Tim. 4:3, 4. Zijn vrienden moesten zich tevreden stellen met te hopen dat God aan de tegenstanders bekering zou geven tot erkentenis der waarheid, 2 Tim. 2:25, 26. Hij wist ook, dat zijn bijzonder onderwijs betreffende de hogere Abrahamietische zegeningen vóór de normale tijd gekomen was, diende om de zonen Israëls tot jaloersheid te bewegen en het nog niet door de grote massa kon aanvaard worden. Want deze moest eerst tot de wedergeboorte komen, dank zij de wereldzending van Israël, die eerst in de toekomende aioon zou volbracht worden.
Paulus was er dus verre van te denken aan een algemene Kerk, die reeds in de tegenwoordige boze aioon Gods Koninkrijk op aarde op machtige en zichtbare wijze zou beginnen in te leiden.
En toch was het diezelfde Paulus, die zeide dat, niettegenstaande de tijdelijke verwerping van Israël, de zaligheid Gods den volken gezonden was, en dat deze zouden horen, Hand. 28:28. (Men lette er wel op, dat hij hier niet zegt, dat een Kerk, samengesteld uit onbesneden christenen, het uitverkoren volk zou vervangen of in zich opnemen). Zoals we aangetoond hebben uit de brieven, die hij daarna schreef, zou het door een individuele inwerking van de Heilige Geest zijn dat velen uit de volken zouden horen. En, terwijl het waar is dat de ganse Schrift wijst op een dergelijke persoonlijke inwerking in alle tijden, toch staat het ook vast, dat in de tegenwoordige bedeling, Gods genade overvloedig is, want alle sferen van zegening zijn nu toegankelijk voor hen die niet weerstaan aan de inwerking van de Geest. We lezen dan ook in de laatste brieven van Paulus, dat de Heilige Geest verzegelt, Ef. 1:13, de geest der wijsheid en der openbaring geeft, Ef 1:17, toegang geeft beide aan Jood en Griek tot God, Ef. 2:18, bouwt tot een woonstede Gods, Ef. 2:22, de verborgenheid (d.i. het verzwegene) van Christus ten volle openbaart, Ef 3:5, met kracht de inwendige mens versterkt, Ef 3:16, een geestelijke eenheid vormt, Ef 4:3, 4, de mens vervolledigt (3), Ef 5:18, een geestelijke gemeenschap bewerkt, Fil. 2:1, toelaat God te dienen, Fil. 3:3, enz.
We kunnen dus besluiten, dat het door deze individuele inwerking van Gods Geest was, dat, niettegenstaande de misbruiken en de vergissingen, al bleven de meesten in de sfeer der wedergeboorte er toch vele gelovigen waren. En we menen ook, dat het deze levende gelovigen waren die vele gemeenten belet hebben in een vaag gechristianiseerd heidendom te verzinken of zelfs in een volledig antichristianisme. (4)
Zo kan men ook verklaren waarom de oude belijdenisschriften in het algemeen overeenstemden met de zuivere leer der Schrift, en bovenal waarom de Kerk verplicht werd de brieven van Paulus in de canon op te nemen, niettegenstaande zijn onderwijs verwaarloosd werd, en hem — in principe — als Apostel van Christus te erkennen.
De eeuwen door hebben zich ook daarom bewegingen voorgedaan die niet uitgingen van kerkelijke overheden, doch van individuele christenen, die weder tot een Schriftuurlijke leer hebben trachten te komen en zich verzet hebben tegen autoritaire en verwereldste kerken.
Ziedaar dus een drietal oorzaken die de verspreiding van het christendom in de hand gewerkt hebben. Maar waarom hebben de pogingen waarover we het juist hadden, in het algemeen slechts zeer betrekkelijke resultaten geleverd en zijn ze meestal ontaard? Hoe komt het, dat ze er slechts in geslaagd zijn ontelbare Kerken, kerkjes en groepjes te vormen, ofwel slechts meer geestelijke groeperingen in de Roomse en in de Grieks-orthodoxe Kerken? Hoe komt het dat zovele bekwame en ernstige christenen slechts theologische stelsels hebben kunnen samenstellen, die elkander min of meer tegenspraken en er niet in geslaagd zijn een enige Schriftwetenschap te vormen, die in de loop der eeuwen had kunnen voeren tot een enige synthese die op steeds betere en meer volmaakte wijze al onze kennis der geopenbaarde waarheid had kunnen samenvatten? Waarom heeft zich de afbrekende kritiek van zo vele theologen meester gemaakt? Waarom die eeuwen-lange strijd, die scheidingen, die moeilijkheden om een oecumenische hergroepering te bewerken?
We menen dat, behalve de natuurlijke neiging van de zondige mens aan God en zijn Woord te weerstaan, en de verblindende werking van de geest des kwaads, de fundamentele reden van dit alles moet gezocht worden in de gedachte dat Israël slechts een symbolisch volk was en dat een zichtbare algemene Kerk, alle christenen van Joodse of heidense afkomst omvattende, zich moest vormen gedurende het tijdperk der Handelingen of daarna. Alle geestelijke bewegingen werden verlamd omdat ze nog steeds bleven steunen op overgeleverde opvattingen die het gevolg waren van die gedachte, en alle theologische stelsels berusten er op. Bij gevolg konden alle gedeeltelijke herzieningen slechts nieuwe lappen zijn op een oud kleed.
Men begrijpt dan ook beter de betrekkelijke onmacht van het protestantisme tegenover de Roomse Kerk. Want deze heeft op consequente wijze de gedachte uitgewerkt dat zij het ware Israël is, dat ze dus een hiërarchie vormt, door God ingesteld om de wereld te leren, te redden en te heiligen. Zou deze fundamentele opvatting juist zijn, dan zou die Kerk werkelijk mogen spreken over een apostolische opvolging, zich op Petrus en de andere Apostelen der besnijdenis steunen, beweren dat er een levende en gecentraliseerde overheid en een kerkelijke overlevering moet zijn, zich het monopolie van het onderricht toeëigenen, dogma’s vaststellen, soms op machtige wijze optreden enz.
Daarentegen hebben de protestantse Kerken een houding die niet volledig consequent is, want ze houden aan de ene kant vast aan die ten gronde liggende gedachte, en meerdere kerkelijke en dogmatische stellingen die er uit volgen, en aan de andere kant trachten ze terug te gaan tot het onderwijs van Paulus.
Wij zijn dus overtuigd dat het volstrekt noodzakelijk is, voor hen die willen ontkomen uit de tegenwoordige chaos, een radicaal en moedig besluit te nemen. Vóór alles zouden ze alle gedachte moeten gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus, 2 Kor. 10:5, en de ganse geïnspireerde Schrift als absolute norm aanvaarden. Vervolgens zouden ze het geschreven Woord opnieuw moeten onderzoeken, ditmaal zonder de minste vooropgestelde gedachte, hetzij wetenschappelijke, filosofische of kerkelijke, dus zonder zich te laten beïnvloeden door menselijke tradities, hoe oud ze ook mogen zijn, en zonder van te voren reeds terug te deinzen voor de mogelijke gevolgen van hun nieuw onderzoek. Het is slechts tot deze prijs, dat men vooruit kan komen in de Waarheid.
We denken hier vooral aan degenen, die reeds een zeer belangrijke stap hebben gedaan door het herzien van hun houding t.o.v. Israël. Het is niet voldoende in principe te aanvaarden, dat de beloften die aan dit volk gedaan werden min of meer letterlijk zullen vervuld worden, dat Israël als natie nog een toekomst heeft, indien men er toch wederom toe komt te geloven, dat dit volk — door een algemene bekering tot Christus — moet opgeslorpt worden door een zichtbare Kerk, die vooral bestaat uit onbesneden christenen en die reeds in de Handelingenperiode zou begonnen hebben zich te vormen. Men doet er zeer goed aan zich sterk te verzetten tegen alle antisemitisme, doch ziet men niet in dat men gevaar loopt zichzelf in deze richting te begeven — op onbewuste en bedekte wijze — wanneer men voortgaat een schriftuurlijk chiliasme te verwerpen, als men aan Israël geen nationaal en godsdienstig herstel toekent in de zin dat deze heilige natie in de toekomende aioon de zichtbare Gemeente van Christus zal vormen? (5) Want men gaat nog steeds voort zich ten dele dingen toe te eigenen, die aan dit volk behoren: de verbonden, de wetgeving, de dienst, de beloftenissen, de vaderen, Rom. 9:4.
Verder, als zich weldra gemeenten van Christen-Joden zullen vormen, naar het model van de christelijke synagogen uit de apostolische tijden, die hun nationale voorrechten zullen verdedigen, zal men dan niet de neiging hebben ze uit de « Kerk » te bannen?
Men moet overigens niet denken dat men iets anders kan verliezen dan menselijke overleveringen, als men aan Israël laat al hetgeen aan dit volk toebehoort, want degene die een radicale oplossing zoekt, bemerkt weldra dat hij toegang heeft tot geestelijke zegeningen, die hij misschien nog niet ten volle waardeerde, en hij kan er zo toe komen God te danken voor deze meer dan overvloedige genade.
Laat ons de dingen ook van uit een ander standpunt bezien. Indien het Gods wil ware geweest een zichtbare algemene Kerk te vormen, de Gemeente van Christus, dan had de ontrouw der mensen dit toch niet kunnen beletten al die 1900 jaren! Indien het een der Kerken van onze tijd ware, dan zouden de andere het niet zijn, want God zou het bestaan van meerdere Kerken niet willen (6) en door zijn Geest de menselijke groepen ondersteunen, die ten onrechte beweren zijn Gemeente te zijn. Hier ook neemt de Roomse Kerk een consequente houding aan als ze beweert dat er buiten haar geen heil is.
En indien men beweert, dat Christus reeds sinds 1900 jaren heerst door het christendom of de « Kerk » en dat, in de plaats van een « chiliastisch » Koninkrijk, God reeds nu zijn Koninkrijk op aarde verwezenlijkt, welk schandaal voor een redelijk mens, die niet alleen de verdeeldheid der Kerken en de twisten tussen christenen ziet, doch ook de rampzalige algemene toestand der wereld en de steeds toenemende ontkerstening. (7) Welk schandaal ook voor de Joden, vooral ook omdat het dikwijls zogenaamde christenen waren die hielpen ze te vervolgen.
Indien de Heere zijn Gemeente had willen vormen gedurende of na de periode der Handelingen, dan had ze reeds van het begin af moeten bestaan en zouden alle bijzonderheden betreffende haar inrichting en haar ceremonieel volkomen bepaald geweest zijn, zoals dit het geval was met Israël. Inderdaad, men kan er wel in toestemmen, dat er een tijdperk van formatie moest zijn, omdat alle mensen zich niet tegelijkertijd bekeren en ook omdat er een zekere ontwikkeling kan plaats grijpen in de persoonlijke gedachten en in het geloof, doch het is geheel uitgesloten dat de zichtbare dingen door God gewild voor een zichtbaar instituut, zouden kunnen evolueren. (8) Men weet overigens zeer goed dat, verre van enig detail te hebben gegeven betreffende een dergelijke zichtbare organisatie, noch de Heere, noch de Apostelen ooit gezinspeeld hebben op een andere zichtbare eenheid dan die van het bekeerde Israël gedurende de toekomende aioon. We hebben hierboven gezien, dat zelfs niemand er aan gedacht heeft 100 jaren na Pinksteren.
Indien men deze moeilijkheid zou trachten te ontwijken door de veronderstelling dat de christenen door Gods Geest zouden geleid worden om een zichtbare organisatie en een ceremonieel naar Gods wil te verwezenlijken, dan zal het voldoende zijn er aan te herinneren dat de Kerk zelf verplicht werd te erkennen, dat het tijdperk der openbaringen geëindigd was met de Apostelen. De tegenwoordige werking van de Heilige Geest beperkt er zich toe het verstand te verlichten, wat toelaat goed te begrijpen, hetgeen reeds werd geopenbaard en ons door middel van het geschreven Woord werd doorgegeven, Ps. 119: 18; Luk. 24:45.
Maar, zal iemand vragen, gij wilt dus niets weten van een Gemeente, een organisatie, een eredienst? Alhoewel we in dit opstel reeds hebben laten verstaan, dat dit niet het geval is, kan het wenselijk zijn hier iets meer over te zeggen.
Voor wat betreft het begrip « gemeente », (9) menen we dat de Schrift slechts van een enkele Gemeente spreekt, die als zodanig zichtbaar is, namelijk de Gemeente van Christus. Mat. 16:18, die gevormd zal worden door het bekeerde volk Israël gedurende de toekomende aioon. Zij zal bestuurd worden door de 12 Apostelen der besnijdenis, na hun opstanding aan het einde onzer tegenwoordige aioon. Het is deze Gemeente die als opdracht zal hebben alle volken tot discipelen te maken. Mat. 28:19.
Verder handelt de Schrift over meerdere gemeenten, die voor ons onzichtbaar zijn. Alle wedergeborenen, van alle tijden, vormen een fundamentele eenheid, de algemene Gemeente, die naar de geest onafhankelijk is van tijd en plaats. In deze door God gevormde eenheid onderscheidt de Schrift — doch zonder ze te scheiden — drie groepen:
|
1. |
De gezamenlijke wedergeborenen, die echter nog niet der zonde dood zijn, nog niet met Christus gestorven en dus nog niet voor God gerechtvaardigd zijn. Die christenen worden (kleine) kinderen (nèpios) genoemd. |
|
2. |
De gezamenlijke mensen die voor God gerechtvaardigd werden, die dus tot de hemelse sfeer van zegening behoren en zonen (huios) Gods genoemd worden. Het is de Gemeente der eerstgeborenen, Heb. 12:23. (10) |
|
3. |
De gezamenlijke christenen die God geplaatst heeft in de over hemelse sfeer van zegening en die gekomen zijn « tot een volkomen man », Ef. 4:13. Ze zijn leden van de Gemeente die het Lichaam van Christus is, en waarvan Hij zelf het Hoofd is. (Zie hierover Het Onderwijs van de Apostel Paulus). |
Zowel de algemene Eenheid als die drie onderdelen zijn natuurlijk als zodanig voor ons onzichtbaar.
Gedurende de tegenwoordige bedeling kunnen zich — zoals gedurende het tijdperk der Handelingen — lokale gemeenten vormen, die dus een zichtbaar karakter hebben. Doch ze zullen meestal samengesteld zijn uit personen die behoren tot de drie groepen hierboven aangeduid en ook uit onbekeerden. Deze gemeenten stellen dus niet op zichtbare wijze voor: noch de Gemeente van Christus van de toekomende aioon, noch de algemene Gemeente, noch een der drie onderdelen. En vooral niet de Gemeente der Grote verborgenheid, het Lichaam waarvan Christus-Jezus, in Gods rechter(hand) geplaatst, zelf het Hoofd is.
We hebben dus geen bezwaar tegen het vormen van een gemeente of een organisatie, mits men niet bewere dat ze door God is ingesteld en de (toekomende) Gemeente van Christus vertegenwoordigt ofwel de Gemeente waarvan Paulus sprak in zijn laatste brieven.
Daar de meerderheid der gelovigen steeds behoefte gehad heeft, en zelfs nog gedurende de toekomende aioon zal hebben, aan zichtbare voorstellingen van geestelijke werkelijkheden, kan het aangewezen zijn voor de leden dezer gemeenten, niet slechts te vergaderen om gemeenschap met elkaar te hebben, om elkander in de Waarheid te onderwijzen, om elkander in alles te helpen, doch ook bij verschillende gelegenheden een eredienst met ceremoniën te houden. Dit rituaal kan dan min of meer gelijken op dat van Israël en andere eerbiedwaardige overleveringen volgen, mits men ook hier niet bewere, dat die ceremoniën door God zouden ingesteld zijn, dat het « sacramenten » zijn, of ten minste dat men noodzakelijk op die of die wijze moet handelen. Elke gemeente kan haar eredienst dan aanpassen aan nationale of lokale oude gebruiken en ook toelaten dat andere gemeenten hun rituaal op andere wijze houden.
We voegen hier echter bij, dat de christen des te minder behoefte zal hebben aan dergelijke vormen, hoe verder hij zal voortgeschreden zijn op de weg der behoudenis en de gemeenschap met Christus, hoe meer « geestelijk » hij zal zijn naar de uitdrukking van Paulus.
Deze gemeenten kunnen nog « evangelisten, herders en leraars » hebben in de geest van Ef. 4:11, d.w.z. naar de individuele gaven die op vrije wijze door de leden erkend worden, en niet door een zogezegd goddelijk of kerkelijk instituut ingesteld zijn.
Het blijkt dus, dat onze wijze van zien geen volledige revolutie zou betekenen in de kerkelijke gebruiken, doch wel een omwenteling bij de theologen en de kerkelijke overheden.
Het schijnt ons zeer duidelijk toe, dat op deze wijze talrijke oorzaken van geschil en scheiding zouden ophouden te bestaan. Inderdaad, zodra men het een of ander beschouwt als door God ingesteld, dan moet men er zich streng aan houden en zal men er toe geleid worden zich af te scheiden van anderen die een andere visie hebben. Doch als alle organisatie en ceremonieel in onze tegenwoordige bedeling slechts beschouwd wordt als een menselijke gewoonte, dan belet niets een goede verstandhouding, dus een oecumenisme dat toch alle geestelijke waarheden volledig vasthoudt. En dan zal het ook blijken dat een dergelijke verscheidenheid in de lokale gemeenten geheel normaal is in ons tijdperk, waarvoor God geen enige, algemene organisatie, geen zichtbare eenheid heeft ingesteld. Die verscheidenheid in de uitwendige dingen, zal dan ook geen schandaal meer zijn voor velen.
Natuurlijk zou er wel verschil blijven voor wat betreft het begrijpen der geestelijke dingen, doch hier gaat het over een persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover God, die niemand mag oordelen. Men zou de Waarheid betrachten in liefde, Ef. 4:15.
Voetnoten
[1] Zie Het Onderwijs van de Apostel Paulus en Moeten de Christen-Joden de Wet nog onderbouden?
[2] In de loop der tweede eeuw beschouwden de Ebionieten zelfs die gezichten en die openbaringen van Paulus als manifestaties van een demoon.
[3] Zie het Aanhangsel No. 2 van Het Onderwijs van de Apostel Paulus.
[4] 4) In de tegenwoordige boze aioon, Gal. 1:4, waar Christus nog geen gebruik maakt van zijn macht, waar God « zwijgt » en het mensdom — schijnbaar — aan zich zelf overlaat, wordt er een geestelijke strijd gevoerd tussen de goede en de boze machten, Ef. 6:10-17. Satan is de god dezer aioon, 2 Kor. 4:4, en de ganse kosmos ligt onder zijn macht, 1 Joh. 5:19. Hij is de leugenaar bij uitnemendheid, wiens arbeidsgebied men niet in de eerste plaats moet zoeken in het morele domein of in het atheïsme, doch vooral in de religie, 2 Kor. 11:18 — 15. Al zijn pogingen hebben tot doel het werk van Christus tegen te staan, zich te doen aanbidden, 2 Thes. 2:3, 4; Op. 13:8 en zijn eigen « koninkrijk » op aarde op te richten, in de plaats van dat van Christus. Na de belofte van Gen. 3:15 spande Satan zich in, de komst van het Zaad, dat hem de kop zou verbrijzelen, te verhinderen. Zijn aanvallen waren steeds gericht op de lijn die tot Christus moest voeren, en daarna op de Heere zelf. Later op het geschreven Woord en het volk Israël. Zie verder, over het antisemitisme, het Aanhangsel.
[5] In verband hiermee, verwijzen we naar het boek van F. Lovsky Antisémitisme et Mystère d' Israël, dat zeer goed laat uitkomen welke de bedekte beweegredenen zijn van het antisémitisme. Zie verder ons commentaar over dit boek in het Aanhangsel.
[6] Wij spreken hier natuurlijk niet over lokale gemeenten, doch over groepen.
[7] We kunnen hier misschien een duivels middel erkennen om het verstand der massa te verblinden, « opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus », 2 Kor. 4:4.
[8] In verband met bovenstaande, geven we hier enkele citaten uit het boek De Apostolische Kerk (1954) dat bijdragen bevat aangeboden door hoogleraren aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland.
In verband met de organisatie. Dr. H. N. Ridderbos schrijft: « De wijze, waarop de Kerk in dit opzicht haar apostolisch merk moet vertonen, is in bijzonderheden niet zo eenvoudig met een beroep op het Nieuwe Testament aan te wijzen. Wij staan hier voor de ingewikkelde problematiek van de instrumentering en organisering van de oer-christelijke gemeente, vragen die in onze tijd weer bijzonder de aandacht hebben en in de desbetreffende litteratuur ook op een geheel andere wijze beantwoord worden dan een halve eeuw geleden, maar waarover nog in het minst geen overeenstemmigheid bestaat », bl. 86.
« Hoe dit onderlinge verband tussen de plaatselijke Kerken, en opzicht in de Kerk, als geheel, in bijzonderheden moet worden uitgeoefend, valt buiten de perken van een Nieuwtestamentische verhandeling. » bl. 97. Het volgende citaat uit een opstel van Dr. J. H. Bavink:
« Men begon zich (dat is in de 19de eeuw), nu in oecumenisch verband, af te vragen wat de Kerk is, en hoe zij behoort te zijn ingericht. » bl. 223.
Het « apostolaat » der Kerk. Dr. G. Brillenburg Wurth geeft een overzicht van de tegenstrijdige opvattingen van H. Kraemer, A. A. van Ruler en J. C. Hoekendijk. Vervolgens zijn eigen zienswijze, bl. 125, schrijft hij: « Een moeilijk probleem is nu vervolgens dat van de omvang van het apostolaat ».
Zoals bij de andere schrijvers, komen al de moeilijkheden natuurlijk voort uit het feit dat de Schrift geen wel bepaalde aanduidingen geeft voor een door God georganiseerde algemene Kerk, die het Koninkrijk Gods « naderbij moet brengen » of « doen komen tot zijn volmaaktheid ».
Het « diakonaat » der Kerk. Ook in dit opzicht geeft de Schrift geen besliste aanduidingen voor onze tijd. Dr. K. Dijk schrijft: « Dit alles leert ons, dat, zoals reeds is opgemerkt, het volle accent moet vallen op de diakonia en niet op de diakonoi; in de ontwikkeling der tijden valt er steeds mutatie op te merken, en het is best mogelijk, dat bij de ontwikkeling van het diakonaat wij ook nog staan voor veranderingen, die we nu nog niet bevroed hebben », bl. 169.
Wat ook wederom laat zien dat voor een zichtbare algemene organisatie, die naar Gods wil is, een geïnspireerd centraal bestuur nodig is, zodat steeds rekening kan gehouden worden met de veranderlijke toestanden. Ook deze schrijver moet zijn toevlucht nemen tot het getuigenis der historie van de « oude christelijke kerk ».
Bewaring van de apostoliciteit. Dr. A.D.R. Polman schrijft: « In de loop der eeuwen is de juiste verbinding tussen de uitoefening van de leertucht binnen het pastoraat en het toepassen van de uiterste remedie in de uitbanning, voor de kerk door haar eigen schuld menigmaal tot een van haar zwaarste problemen geworden », bl. 193.
Waarom? Omdat God in onze tegenwoordige bedeling niet krachtiglijk ingrijpt zoals gedurende het tijdperk der Handelingen (Hand. 5:5, 10; 12:23; 13:11) en de christenen nu geen bijzondere gaven (charismata) hebben, die hen toelaten de mensen te kennen naar hun wezen.
[9] We behouden hier voor de term « gemeente » de Schriftuurlijke zin van het Hebreeuwse q« âhâl » en het Griekse « ekklèsia », namelijk een groep mensen gekozen of geroepen van tussen een menigte. Doch we denken hier natuurlijk aan verzamelingen van christenen.
[10] Men lette er op, dat in de Schrift de uitdrukking « eerstgeborene » een betekenis heeft die dikwijls verder gaat dan een voorrang in de tijd. In het O.T. is het de « eerstgeborene » die erft, die het « recht der eerstgeboorte » heeft, Deut. 21:17, en hij stemt dus overeen met de « zoon » (huios) van Gal. 4:7. Het Griekse woord « prôtotokos » wordt 5 maal gebruikt voor de Heere, Rom. 8:29; Kol. 1:15, 18; Heb. 1:6; Op. 1:5, en duidt zijn meerdere voortreffelijkheid aan boven alle schepselen.
Aanhangsel (Top)
De ontwikkeling van het antisemitisme in de Christenheid.
In hoofdstuk 11 van ons werk Koninkrijk en Kerk hebben we gehandeld over de antichristelijke actie de eeuwen door, en er op gewezen dat de werkzaamheid van de aarts-tegenstander Satan vooral moet gezocht worden in de godsdienstige wereld. Vooreerst keerde Satan zich tegen Adam, door wie Gods Koninkrijk op aarde had kunnen beginnen, dan in het bijzonder tegen de lijn waaruit het Zaad der vrouw moest komen, vervolgens tegen de Zoon des mensen, en daarna tegen het bestaan en de bekering van Israël ten einde de vervulling der profetie en de komst van het lang beloofde Koninkrijk onmogelijk te maken. Natuurlijk is er daarbuiten ook de algemene werking van de « god dezer aioon », die de zinnen verblindt, opdat de mensen niet zouden verlicht worden door het evangelie der heerlijkheid van Christus, 2 Kor. 4:4.
Het antisemitisme is dus in zekere zin een onderdeel van het satanische antichristianisme. Doch, het is een tragisch feit, dat in vele gevallen de christenheid een instrument geweest is voor het uitwerken van het antisemitisme.
De geschiedenis van het christendom gedurende de eerste eeuwen toont ons de grondoorzaak van dit « christelijk » antisemitisme: de meerderheid der christenen heeft het onderwijs van Paulus, de Apostel der volken, miskend. (1) Daarom kon men niet begrijpen dat Israël slechts voor een tijd terzijde gezet werd als Gods volk en zo kwam men er toe vóór de wederkomst van Christus een zichtbare algemene Kerk te willen stichten die, naar men beweerde, het « ware Israël » zou zijn. De verwoesting van Jeruzalem en de Tempel in het jaar 70 werd inderdaad beschouwd als Gods eindoordeel over Israël, veroorzaakt door de schuld die dit volk had aan de kruisiging van zijn Messias. Toen Constantijn de Kerk gesticht had, kon deze haar bestaan ook slechts rechtvaardigen door vol te houden dat ze, naar Gods wil, in de plaats getreden was van Israël en dat dit volk vervloekt was. Van toen af begon men de Joden dan ook van allerlei te beschuldigen. Men zie slechts de geschriften tegen de Joden van Johannes Chrysostomus en van Augustinus. Sinds die tijd is het hoofdverwijt van de meerderheid der Christenen steeds geweest dat vooral de Joden verantwoordelijk zijn voor het lijden en de dood van de Heere Jezus, doordat ze Hem niet als de Christus erkend hebben. Men heeft ze zelfs « godsmoordenaars » genoemd.
Dergelijke beschuldigingen kunnen echter niet door de Schrift gestaafd worden. Laat ons, om duidelijk in te zien waar de juiste verantwoordelijkheid van Israël lag, eerst in het kort nagaan welke de algemene heilsleer der oude Synagoge was. (2)
Men meende dat, krachtens Gods liefde voor Israël, alle Joden van geboorte Gods kinderen zijn en daarom ook de Torah ontvangen hebben. Van de Torah werd gezegd dat ze, in zekere zin, de wereld had geschapen en aan alles leven geeft, in het bijzonder aan Israël. Daarom moest ze dan ook gelezen en bestudeerd worden. En dan kon de Jood niet slechts Gods wil leren kennen, doch ook, zonder meer, naar die wil denken en handelen. Ze geloofden namelijk niet aan erfzonde in de zin dat de natuurlijke mens uit zichzelf het goede niet kan doen. Natuurlijk waren ze wel verplicht het bestaan van een boze neiging te erkennen, doch deze is, volgens hen, in den beginne zeer zwak en kan door de aangeboren goede neiging overwonnen worden. Daartoe heeft de Israëliet overigens de Torah. Elke gebodsvervulling is dan ook voor hem een verdienste, elke overtreding een schuld. Allen hebben ze een rekening bij God, en de verhouding tussen verdienste en schuld geeft de maat aan van hun « gerechtigheid ». Als er een overschot van verdienste is, dan beschouwt God hen als « rechtvaardigen ». Anders zijn ze « goddelozen ». Waar niemand de juiste staat van zijn rekening kent, is het steeds nodig zijn « krediet » te vergroten. Bij de dood wordt de eindrekening opgemaakt en gaat de mens ofwel naar de « tuin van Eden », ofwel naar de « gehinnom ».
De balans kan dus gedurende het leven steeds verbeterd worden, zowel door « goede werken » als door een vermindering van schuld. Deze vermindering wordt, uit het oogpunt van de mens, verkregen door boetedoening, vasten en gebed. Van Gods kant is er « verzoening » door de offers, de grote verzoendag, het lijden en de dood.
Door de voortdurende vervolgingen werden de Joden — vooral in latere tijden — er toe gebracht een groot belang toe te schrijven aan hun lijden. Ze stemmen er in toe, dat het vooreerst veroorzaakt wordt door het niet leven naar de voorschriften der Torah. Dan kan het lijden beschouwd worden als een straf, doch door de straf worden de zonden uitgewist. Ze beweren echter dat veel lijden niet kan toegeschreven worden aan hun zondige daden. De « rechtvaardige » lijdt ook. Dan is het een tuchtiging vanwege God, uit liefde, en heeft tot gevolg een grote verdienste. Dit lijden kan ten bate van anderen zijn, van het ganse volk, ja van de ganse wereld. De dood van « rechtvaardigen » en martelaren heeft, in het bijzonder, een grote verzoeningskracht.
Uit dit alles blijkt dus dat de gedachte van zelfverlossing overheersend was. En men begrijpt dat Paulus steeds de strijd moest opnemen tegen die grondgedachte van behoudenis en rechtvaardiging door de werken der Wet.
Laat ons nog een stap verder gaan. In het algemeen genomen was men overtuigd dat het voldoende was de voorschriften der Torah naar de letter te vervullen om aan Gods wil te voldoen. Doch, om juist te weten waar de schuld begon en eindigde, moesten die voorschriften nader toegelicht worden. Dit was het werk der « Schriftgeleerden », en zo ontstond later de Midrasj. Sommigen hebben het gevaar bemerkt dat ze zo kwamen tot een « mechanische » volksgodsdienst, en er daarom op gewezen dat de voorschriften der Wet moesten vervuld worden met de bedoeling God te gehoorzamen, met de gedachte van het vervullen van een plicht. Ze verlangden ook meer ware vroomheid en niet slechts het verwerven van verdienste of loon. Dergelijke min of meer geestelijke strekkingen schijnen echter niet diep te zijn doorgedrongen en de leer van de zelfverlossing bleef steeds de algemene regel.
Als we goed letten op deze geestesgesteldheid, kunnen we beter de houding begrijpen van de Heere Jezus. Hij richtte zich nooit tegen de Wet en hare voorschriften en drong zelfs aan op het waarnemen van het minste gebod, doch Hij wees er op dat het naar de letter waarnemen niet voldoende was, dat de Wet veel méér eist dan de schriftgeleerden beweerden, en wel in de eerste plaats liefde tot God en de evennaaste. Hij gebruikte geen theologische argumenten, doch richtte zich tot het geweten van de Israëliet en maakte het duidelijk dat de mens, al kent hij Gods wil, dat de Jood, al heeft hij de Torah daarom nog niet in staat is het goede te doen. God vraagt het (menselijk-) onmogelijke.
Men weet hoe zeer, zelfs de discipelen dit onderwijs nodig hadden. Ze waren zo verslagen door deze nieuwe wijze van zien, dat ze vroegen: « Wie kan dan behouden worden? », Mat. 19:25. En op die vraag was het duidelijke en de kern der zaak treffende antwoord: « Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk ». Op deze wijze trachtte de Heere vooreerst zijn discipelen, doch ook het volk, te doen hongeren en dorsten naar de ware gerechtigheid, Mat. 5:6.
Na ze aan het verstand te hebben gebracht, dat de mens zich zelf niet kan redden en dat een dergelijke gedachte eigenlijk een min of meer onbewuste hoogmoed aan het licht brengt, verlangde Hij vooreerst niets dan een bekering van deze, in de grond, vijandige houding. Ze moesten er zich van bewust worden dat zij, al behoorden ze tot het uitverkoren volk, van nature zondaren waren voor God. Men herinnert zich dat de Heere zich toen uitsluitend tot zijn volk richtte en Hij er de nadruk op legde, dat Hij gekomen was om zondaren, verloren schapen te redden. Indien ze deze boodschap zouden horen, met het hart verstaan en zich bekeren, dan zou Hij ze kunnen genezen, Mat. 13:15.
Op een dergelijke wijze toonde de Heere hun het begin van de weg der behoudenis. Van nature is de mens geestelijk dood, d.w.z. niet in gemeenschap met God. Hij kan dan de dingen die des Geestes Gods zijn niet begrijpen noch aanvaarden, 1 Kor. 2:14. Het is eerst na geloof in God als Schepper en bekering tot God, dat de mens uit de Geest geboren wordt en zo een (klein) kind van God kan worden, Joh. 1:12, 13. Dan kan hij de woorden Gods werkelijk horen, Joh. 8:47, en geloven dat Jezus de Christus is, 1 Joh. 5:1. De mens, zelfs de Jood, is van geboorte geen kind van God.
Die boodschap van bekering en omkering tot God, hetzij weg van de afgoden (vooral voor de ballingschap) hetzij weg van de gedachte van zelfverlossing, was reeds vroeger verkondigd door Mozes en de profeten. Doch nu was de Heiland zelf gekomen en deed door allerlei machtige tekenen kennen, aan hen die bereid waren te zien en te horen, dat het lang beloofde Koninkrijk op aarde nabij was, maar dat de daadwerkelijke komst afhing van Israëls bekering.
Waarom hebben zo weinig en geloofd dat Jezus de Christus was? Vooreerst, zoals we gezien hebben, omdat ze tot dit geloof niet konden komen zonder bekering van hun menselijk-hoogmoedige houding. Doch ook door hun simplistische opvatting van het Monotheïsme. Wel was er de verwachting van een messias, doch daarom nog niet van een God. De oud-joodse geschriften tonen ons, dat, naar hun opvatting, de Messias wel zondeloos en vol wijsheid zou zijn, maar toch een schepsel zonder voorbestaan. Deze super-Israëliet zou zijn volk verlossen uit de macht der andere volken en aan Israël de oppermacht geven. En waar ze niet dachten aan een Heiland die zou komen om zondaren te redden, kon er ook geen sprake zijn dat die Messias in nederigheid zou komen, lijden en sterven. (3) Hoe algemeen verspreid dergelijke gedachten toen waren, blijkt uit Mat. 16:21, 22 waar we lezen dat zelfs Petrus, en zonder twijfel de andere Apostelen, die toch reeds de Heere hadden « aangenomen » als Christus, niet kon begrijpen dat de Heere Jezus zou moeten lijden en gedood worden. Het spreekt dus van zelf dat het volk in het algemeen niet kon geloven in Christus en er lange jaren van onderwijs zouden nodig zijn om hun gedachtegang te wijzigen.
We menen dat het dus duidelijk moet zijn dat aan het volk Israël toen, in de eerste plaats, niet gevraagd werd te geloven dat « Jezus » de Zoon van God was, doch vooreerst alleen dat wat ze door Gods genade konden doen: hun eigen onmacht inzien door een beter begrip van hetgeen God verlangt in de Wet, en zich tot God keren om hulp.
Als men dit alles goed inziet, kan het ons ook niet verwonderen dat de Heere zich niet in de eerste plaats en voor allen als de Messias heeft voorgesteld en kunnen we begrijpen waarom Hij zelfs met nadruk zijn discipelen verbood aan iemand te zeggen: « Hij is de Christus », Mat. 16:20; Mark. 8:30; Luk. 9:21.
Inderdaad hebben we reeds opgemerkt dat de woorden, die op die schriftdelen volgen, er op wijzen dat de discipelen nooit gedacht hadden aan lijden en kruis. Ze meenden, zoals iedereen, dat Jezus zich weldra als hun machtige Koning zou openbaren en, zonder lijden en dood, het messiaanse rijk op aarde — dat inderdaad nabij was — zou aanvangen. Waren ze nu gaan verkondigen dat Hij de Christus was, dan zou de schare hieruit begrepen hebben dat hun hoop zou vervuld worden, namelijk dat Hij nu reeds zijn grote koninklijke macht ging aanvaarden. (4) Het verbod van de Heere had dus tot doel te beletten, dat, door een onhandige boodschap van de discipelen, de verkeerde opvatting van het volk zou bevestigd worden. Doch dit belette niet dat de Heere zelf, in de vereiste termen, zich als Christus kon openbaren in gevallen waar Hij dit gewenst achtte. (5) De tijd was dus nog niet gekomen voor de Apostelen om, zonder verwarring te veroorzaken, te verkondigen dat Jezus de Christus was. Natuurlijk konden enkelen reeds vóór het kruis in Christus geloven, want ook toen waren er die zich reeds tot God gekeerd hadden en wedergeboren waren. Dit was b.v. het geval met Petrus. Maar dan was dit geloof er niet door de getuigenis van een mens, doch door een openbaring van de Vader, Mat. 16:17.
Uit het vorige besluiten we dat, waar de Schrift ons leert dat, vóór het kruis, alleen bekering tot God verlangd werd en nog geen geloof dat Jezus de Zoon Gods is, men de Joden niet mag verwijten hun God te hebben gedood. Ze kenden Hem slechts als mens, « Jezus » genaamd. Daarom kon Petrus, enige tijd later, dan ook zeggen, dat zij Gods knecht « Jezus » hadden overgeleverd en verloochend. Hand. 3:13; al voegde hij erbij dat Hij eigenlijk de « Heilige en Rechtvaardige » was en ze dus feitelijk de Leidsman ten leven hadden gedood. Doch dit hadden ze uit onkunde gedaan, gelijk hun oversten, vs. 17. De Joden werden dus, onwillekeurig, het middel om in vervulling te doen gaan wat de profeten hadden geboodschapt aangaande het lijden van Christus. vs. 18.
Laat ons nu nagaan wat er na de kruisiging en de opstanding gebeurde. Niet alleen hadden de discipelen nu de noodzakelijkheid van het offer van Christus ingezien, doch ze waren door de Heere zelf, en dat gedurende veertig dagen, onderwezen in de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan, Hand. 1:3. We mogen bijgevolg niet veronderstellen dat ze zich grotelijks vergist hebben toen ze vroegen of Hij in die tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten zou. Verre er van hen te berispen over een radicaal verkeerde opvatting van het Koninkrijk van Israël, zei de Heere hun alleen dat het hun niet toekwam de tijden of gelegenheden te weten. Zoals vóór het kruis, was het Koninkrijk nog steeds nabij (6) en moest aangekondigd worden in de verzekering dat die komst werkelijk spoedig kon plaats hebben. De enige vereiste daarvoor was de bekering van Israël. Daarom kon Petrus zeggen:
|
« Komt dan tot berouwen bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heeren, en Hij de Christus. die voor u te voren bestemd was, Jezus, zende; die de hemel moest opnemen tot de tijden van de wederoprichting van alle dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher. » Hand. 3:19-21. |
|
Verder herinnert Petrus er aan, dat in hen, het natuurlijke nageslacht van Abraham, dan alle stammen der aarde zouden gezegend worden. Doch. vóór alles moesten ze zelf van hun boosheden afgebracht worden. Zo zouden ze dan vereenzelvigd kunnen worden met het ware Zaad, de Messias, Hand. 3:25 — 26. Die vraag van bekering werd nog gedurende het ganse tijdperk der Handelingen tot de verstrooide Joden gericht, bewijs dat Israël toen nog steeds Gods volk was. Had de Heere zelf, aan het kruis, niet gebeden:
|
« Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen »? Luk. 23:34. |
|
Deze zonde van Israël was, hetgeen de Wet een « zonde door afdwaling » noemde, niet een zonde « met opgeheven hand », in vol bewustzijn volbracht. En deze zonde kon, vooral door de voorbede van het Slachtoffer, vergeving ontvangen.
Gedurende de periode der Handelingen was de verantwoordelijkheid van Israël echter zeer toegenomen. Het ware zondoffer was nu gebracht en door de opstanding en de 30 jaren lange getuigenis der Apostelen was de Heere in het openbaar als de Zoon van God geopenbaard en verkondigd. Waar evenwel Israël, als volk, evenmin in het land als er buiten, zich niet bekeerde en dan ook niet in Christus geloofde, kon Paulus aan het einde van dit tijdperk de gedenkwaardige woorden van Jes. 6:9, 10 aanhalen betreffende hun verharding en verklaren dat het heil Gods van dan af tot de volken gezonden werd, Hand. 28:28. De gebeurtenissen van het jaar 70 bezegelden dit oordeel en toonden dat, van af dat ogenblik, Israël tijdelijk terzijde gezet werd. Zoals reeds het geval was geweest bij de ballingschap, Hos. 1:9; 2:22.
Volgens de Schrift is het dus duidelijk:
|
1. |
dat het joodse volk een zeer beperkte verantwoordelijkheid had vóór het kruis en dat het niet verworpen werd ten gevolge van de kruisiging, |
|
2. |
dat, na het kruis, zijn verantwoordelijkheid zeer groot was geworden en het, aan het einde van het tijdperk der Handelingen, voor een tijd terzijde werd gezet als middel om Gods voornemen op aarde uit te werken. |
Door de Schrift weten we ook, dat niemand er aan gedacht heeft, vóór het jaar 70, dat een algemene, zichtbare Kerk Israël zou vervangen of opslorpen. Noch de Heere, noch de Apostelen hebben er de minste toespeling op gemaakt of enige aanwijziging gegeven voor haar organisatie. De geschriften der eerste eeuwen tonen ons verder aan, dat deze gedachte zich eerst tegen het einde der eerste eeuw begon te ontwikkelen. Voor zo ver we weten, wordt de opvatting volgens welke de christenen het « ware geestelijke volk Israël » zouden vormen, voor het eerst gevonden in een geschrift van Justinus (Dialog. 11:5) dat dagtekent van het begin der tweede eeuw.
Waar verder alle christenen in die tijd nog steeds in de verwachting waren van de wederkomst des Heeren en het aanbreken van zijn Koninkrijk op aarde, bij welke gelegenheid Hijzelf zijn Gemeente zou bouwen, dacht niemand er aan — tot op het midden der tweede eeuw — een zichtbare algemeen Instituut te vormen vóór deze wederkomst. Het was eerst later, daar de Heere toefde te komen, dat men met de organisatie van een dergelijke Kerk begon.
Van lieverlee begon men toen ook meer over het wezen der Kerk na te denken en de logische conclusies te trekken uit de grondgedachte, dat de Kerk in de plaats van Israël was getreden. We hebben reeds nagegaan hoe de Kerk allerlei overnam van Israël. b.v. voor wat betreft de eredienst. Ook al de beloften, die aan dit volk gedaan werden, annexeerde de Kerk. Hiertoe behoorde de uitstorting van Gods Geest, waarvan de profeten hadden gesproken. Waar nu Petrus zelf — op wie z.g. de Kerk gebouwd was — had verklaard dat hetgeen op de Pinksterdag van Hand. 2 geschied was, de profetie van Joël 2:28 vervulde, werd het hun duidelijk dat de Kerk reeds op die dag begonnen was.
En nu lette men er wel op, dat hieruit ook volgde, dat Israël reeds toen, vlak na het kruis, werd verworpen. Waaruit bleek dat die verwerping tot oorzaak had de zware schuld van Israël aan de dood van de Heere Jezus.
Men bemerkt dus, dat de Kerk, door zich alle goede dingen die aan Israël behoren, Rom. 9:4, toe te eigenen, er van zelf ook toe kwam alle schuld op dit volk te laden. Zo werd dan ook de grondslag gelegd van het « christelijk » antisemitisme, dat zich in de latere eeuwen zou ontwikkelen.
We herinneren er aan, dat de eerste oorzaak van deze tragische dwalingen moet gezocht worden in het feit, dat het onderwijs van de Apostel Paulus door de grote meerderheid der christenen niet aanvaard werd. Zo ontstond een verkeerde opvatting betreffende de kenmerken van het tijdperk der Handelingen en van de tegenwoordige tussenperiode, waar Israël niet Gods volk is. (7)
Vooral sinds een honderdtal jaren hebben meerdere individuele christenen beginnen in te zien, dat de eeuwenoude kerktheologie betreffende Israël onschriftuurlijk is, dat de profetie mèèr letterlijk zal vervuld worden dan men algemeen meent, dat Israël als natie dus nog zijn voornaamste rol te spelen heeft op aarde. Deze gedachtenwending begon zich ook voor te doen in kerkelijke kringen gedurende en na de laatste wereldoorlog. Het nationaal herstel in het land bevestigde feitelijk dat de genadegiften en de roeping Gods betreffende deze natie onberouwelijk zijn.
Na de gruwelijke vervolgingen die gedurende deze oorlog plaats hadden, kwam er daarbij ook allerhande protest tegen het antisemitisme en legde men er zich op toe de eigenlijke reden van die haat op te zoeken.
Laat ons in verband hiermee, vooreerst de werken vermelden van de joodse historicus Jules Isaac. Hij had vreselijk te lijden onder de bezetting en schreef toen zijn werk Jésus et Israël, een hartstochtelijk boek, trillende van verontwaardiging t.o.v. de christenheid. Hij vroeg zich af hoe het mogelijk was, dat na zovele eeuwen « christelijke » beschaving en humanisme, in het land der Hervorming zelf, zich een menselijk satanisme had kunnen ontwikkelen. Hij onderzocht, onder mèèr de Schrift, om door te dringen tot de geschiedkundige waarheid van hetgeen er gedurende en na het leven op aarde van de Heere Jezus gebeurd is. Zijn conclusie is, dat de algemene houding der Kerk t.o.V. Israël voortvloeit uit een tendentieuze en willekeurige exegese. Hij bemerkte, dat de Schrift niet beweert dat Israël verworpen werd ter oorzake van het kruis en dat deze gedachte zich eerst veel later ontwikkeld heeft door het gevaar dat het Judaïsme opleverde voor de verspreiding van het christendom.
In zijn laatste werk Genèse de l’ Antisémitisme, dat in 1956 verscheen, onderzoekt hij de christelijke literatuur, om na te gaan hoe die misprijzing van Israël der eerste eeuwen een algemeen gevoel van afkeer en haat heeft voortgebracht. Dit « christelijk » antisemitisme is dan ook, volgens hem, de stronk waarop al de andere soorten antisemitismen geënt werden.
Door zijn onderzoek der Schrift heeft de Heer Isaac meerdere belangrijke gevallen kunnen aanwijzen, waar de algemeen gangbare overlevering der christenheid, in verband met Israël, foutief is. Zo heeft hij b.v. begrepen:
|
1. |
dat de Heere Jezus de Wet niet heeft afgeschaft, |
|
2. |
dat het Christendom een verdere ontwikkeling is van het Jodendom, |
|
3. |
dat men van het Joodse volk niet mag zeggen, dat het zijn God heeft vermoord, |
|
4. |
dat de Heere Jezus Israël niet verworpen heeft, al veroordeelde Hij de leer van sommige Farizeën en Wetgeleerden. |
Zijn opvatting van hetqeen er feitelijk gebeurde, steunt vooral op de drie eerste Evangeliën. Onder meer denkt hij dat de Heere zichzelf niet voor Christus heeft uitgegeven. Hij moet echter erkennen dat er toch schriftplaatsen zijn, die in die richting wijzen, en dat vooral Johannes zeer duidelijk Christus als Zoon van God voorstelt en daarbij ook meer veroordelend staat t.o.v. het joodse volk. Om deze vermeende tegenstelling uit te leggen, veronderstelt hij, dat de schrijver van het vierde Evangelie — en, in zekere mate ook die van de drie andere — beïnvloed werd door de anti-Joodse neiging van de Christenheid der eerste eeuwen. (8) Op deze wijze legt hij uit hoe ze er b.v. toe kwamen Jes. 6:9, 10 aan te halen. Natuurlijk vindt hij in het boek der Handelingen en in de brieven talrijke delen die zich ongunstig uitspreken tegenover Israël. De algemene gedachte van de auteur is dat « de theologische waarde van een tekst ondergeschikt blijft aan zijn historische waarde » en dat de schriftplaatsen « door de kritische analyse moeten gezift worden » (blz. 355). Aangaande de gedeelten der Evangeliën die de nadruk leggen op de verantwoordelijkheid van het volk, schrijft hij: « Waar echter hun getuigenis een getuigenis ten laste is, een baatzuchtige, hartstochtelijke, onrechtsreekse en latere, is het onmogelijk — om eerlijk te spreken — ze zonder voorbehoud te aanvaarden » (blz. 479). Voor hem zijn het boek der Handelingen en de brieven « getuigen ten laste, en daardoor juist niet te vertrouwen, en — in het bijzonder voor wat de joodse verantwoordelijkheid betreft — verdacht » (blz. 509). Hij meent ook dat vele delen elkander tegenspreken en ingegeven werden door voorop gevatte meningen in verband met leerstelsels, onderwijs en polemiek.
Hier hebben we te doen met een zaak die van het grootste belang is, namelijk onze algemene houding t.o.v. de Schrift. Kunnen we ons inbeelden dat de Schrift handelt over historische gebeurtenissen, waarmee we niets te maken hebben? Zijn we niet verwikkeld in hetgeen er gebeurd is? De schrijver bepaalt zijn houding in Genèse de l'Antisémitisme, waar hij zegt dat hij zich gehouden heeft aan het naïef lezen van de tekst in alle gevallen waar de kritiek niet beschikt over geldbare gegevens om ze met vrucht te kunnen bespreken (bl. 348). Op de volgende bladzijde voegt hij er bij, in verband met het rechtsgeding van de Heere Jezus:
|
« Dit is eigenlijk het enige geval waar de geschiedkundige over andere gegevens dan die der Schrift beschikt, en zelfs over specifiek historische gegevens ». |
|
Men kan inderdaad toegeven, dat men door middel van menselijke geschriften sommige foutieve interpretaties kan verbeteren, b.v. aangaande de gedachte die men zich, veel later, gevormd heeft van Pontius Pilatus en de hogepriesters Annas en Kajafas, of aangaande de neiging der christenen de volle verantwoordelijkheid van de kruisdood op de Joden te werpen. Doch, zoals men b.v. bemerkt uit het citaat van bl. 509, schijnt het ons toe dat de Heer Isaac het domein waarop hij beweert de waarachtigheid der Schrift te mogen kritiseren, volkomen te buiten is gegaan.
Indien men de Schrift niet als een zuiver menselijk document beschouwt, dan ontmoet men er God, en — waar we voorzeker persoonlijk betrokken zijn in het werk van Christus — kunnen we niet op zuiver objectieve wijze oordelen en kritiseren. Dan hangt alles af van de houding die we (min of meer onbewust) aannemen t.o.v. Christus. Is Hij de Zoon van God, de enige Heiland en Middelaar, die voor alle mensen geleden heeft en gestorven is? Of is Hij slechts een grote Jood wiens onverdiend lijden heeft bijgedragen — zoals dat van vele andere Joden — om de wereld te redden? Anders gezegd, erkent de mens dat hij zich onmogelijk kan redden door eigen kracht, of meent hij dat te kunnen door goede werken en lijden? Wie voor dit laatste beslist, zal natuurlijk alles beoordelen van uit zijn standpunt, zal Gods Woord niet kunnen « horen », zal overal tegenspraken en onwaarschijnlijkheden tegen komen, en zal bijgevolg geneigd zijn alles te verwijderen wat niet goed overeenstemt met zijn vooropgestelde mening, en het toeschrijven aan een corruptie van de tekst.
Op zuiver historisch gebied, menen we overigens dat de Heer Isaac zich niet mag beroepen op hetgeen er in de 4de eeuw gebeurd is (aanval tegen de Joden, kloof tussen twee belijdenissen) om te beweren dat de Evangeliën en andere delen van het N.T. — die van de 1ste eeuw dagtekenen — vervalst werden. (9) Wat het joodse volk in de eerste eeuw verworpen heeft is wel degelijk hetgeen de Apostelen, d.w.z. de Christen-Joden, hebben verkondigd aangaande Christus, en niet het geloof en de regel der christenen, zoals de « Nieuwe Kerk » ze enkele eeuwen later bepaald heeft. Men kan zeer goed toegeven, dat latere kerkelijke leerstellingen, steunende op de dwaling dat die Kerk Israël vervangt, mochten verworpen worden door de Joden, want deze waren in tegenspraak met de Schrift. Doch, wat vóór alles telde was hun houding tegenover de getuigenis der Apostelen.
We zien dus, dat de Heer Isaac zeer goed sommige fundamentele dwalingen van de christenheid heeft bemerkt, doch niet schijnt in te zien dat de verantwoordelijkheid van Israël was — en nog is — te aanvaarden dat de Jood, niettegenstaande de uitverkiezing en de Wet, zichzelf niet kan redden. Evenmin als andere mensen. Dat ze allen behoefte hebben aan een goddelijke Heiland, een Christus die voor allen gestorven is. De auteur heeft groot gelijk er de nadruk op te leggen dat Israël niet verworpen werd ten gevolge van het kruis, maar zou hij niet moeten aanvaarden dat dit volk tijdelijk terzijde gezet werd aan het einde van het tijdperk der Handelingen? En dat het eerst na zijn bekering en de wederkomst van Christus zal zijn, dat de profetieën betreffende de wereldzending van dit volk zullen verwezenlijkt worden?
Een ander belangrijk boek is Antisémitisme et Mystère d' Israël door de christen historicus F. Lovsky. De auteur stelt zich tegen de leer volgens welke Israël verworpen is en de Kerk de plaats van dit volk inneemt. Ook wijst hij op het verkeerde der neiging de heerschappij der Kerk te beschouwen als de heerschappij van Christus.
Na het antisemitisme de tijden door en in allerlei milieus te hebben onderzocht, komt hij tot de conclusie dat men steeds schijnbaar waardevolle argumenten had om de Joden te vervolgen. « De Grieken hadden geen ongelijk in de Joden vijanden te zien van hun cultuur en van de vooruitgang zoals zij die verstonden; — de Christenen der eerste eeuwen, als dragers van geestelijk schandaal, en later, als weerspannigen t.o.v. de sociale orde; — de christelijke en mohammedaanse overheden als verdacht in politiek opzicht; — de Poolse boeren als tussenpersonen van de uitbuiting door de adel; — de volken aan het einde der vorige eeuw als de kweekschool der Rothschild's. De Joden waren dat, opvolgend, ook, hetgeen dan als schijnbare, tijdelijke, gedeeltelijke rechtvaardiging kon dienen van het antisémitisme » (bl. 402). Maar de auteur meent dat de fundamentele oorzaak moet gezocht in het weerspannig hart van de mens, die het « mysterie van Israël » niet wil aanvaarden: « Indien het lot van Israël een der mysteries van het Evangelie is, dan is het antisémitisme iets gans anders dan een vooroordeel; de antisémitische hartstocht, door zich te verzetten tegen het tot zijn doel komen van dit mysterie, vertraagt de komst van de algemene deelname van het mensdom aan de volle openbaring van Gods wil, die het ontvangen heeft door middel van Israël: Het heil is door de Joden. Het antisémitisme heeft geheel andere afmetingen dan een van die boze gevoelens die voortkomen uit het egoïsme, de hoogmoed of de wreedheid van de menselijke groepen » (bl. 406). Het is, bij gevolg, de uitverkiezing van Israël die de volken tegen hetzelve stelt. Het antisemitisme spant zich in de getuigen van Gods trouw te verwijderen of te vernietigen.
In het algemeen is dit boek zeer leerrijk voor wat betreft de geschiedenis van het antisemitisme, en men kan er zich ook in verheugen dat de schrijver zich scherp stelt tegen de grondoorzaak van het « christelijk » antisemitisme, namelijk dat, volgens Gods wil, de Kerk de plaats moest innemen van Israël. Doch, ongelukkiglijk schijnt de Heer Lovsky niet te aanvaarden dat de profetieën nog ten dele letterlijk moeten vervuld worden en soms een allegorische uitleg te verkiezen. Ziehier enkele citaten uit zijn boek, die licht werpen op de visie van de auteur voor wat betreft de verhouding tussen Kerk en Israël.
Op bl. 488 haalt hij de volgende woorden van Karl Barth aan: « Er bestaat geen twijfel dat de Joden nog heden het door God uitverkoren volk zijn, in de zin waarin het Oude en het Nieuwe Testament ons leren dat ze het van het begin af waren », en hij voegt er bij: « Om een rank van de wijnstok te worden, moet de Christen in het uitverkoren volk treden ». Op bl. 513 leest men: « Al neemt de Kerk werkelijk voor zich de beloften aan Israël gedaan — daar zij het getrouwe « overblijfsel » is — toch blijft het waar, dat volgens Gods wil « het ganse Israël in de Kerk zou treden ». En op bl. 514: « Was het werk van Christus niet de boodschap, aan de volken verkondigd, van hun intrede in het verbond Gods? » Verder, bl. 515: « Het Nieuwe Verbond was de vernieuwing van het Verbond dat God gesloten had met het uitverkoren volk, het was de ingang van de natiën in het Israël Gods ».
De Heer Lovsky loochent dus wel dat de Kerk in de plaats werd gezet van Israël, doch meent dat « de Kerk op Israël geënt is », « dat ze Israël wordt » (blz. 489).
De vraag der Apostelen: « Heere, zult Gij in deze tijd aan Israël het koninkrijk wederoprichten? » betreft, volgens de schrijver een « millenianistische droom der Joden-Christenen » (bl. 519). Hij schijnt dus weinig belang te hechten aan het veertiq dagen lange onderwijs over de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan, dat de opgestane Heere hen zelf gaf. Evenmin als aan het feit, dat de Heere hun verstand geopend had, « opdat ze de Schriften verstonden », Luk. 24:25. Zoals enkele anderen, denkt hij aan Israël te laten wat Israël toekomt met te zeggen: de Kerk vervangt niet Israël, doch omvat Israël; en: Israël is niet door God verworpen en zal een deel uitmaken van het « nieuwe volk Gods ». Maar bemerkt men dan niet, dat men slechts schijnbaar de beloften Gods aan dit volk laat? Vooreerst kan men dan eigenlijk niet spreken over Israëls uitverkiezing en herstel als volk en natie, maar alleen over de uitverkiezing en het herstel van individuele Israëlieten. Natuurlijk zullen de Joden, na bekering en geloof, eenmaal deel uitmaken van de algemene Gemeente der wedergeborenen. Doch, daarbuiten, blijven nog talrijke beloften voor Israël als volk en natie, afgezonderd van de andere volken. Zo b.v. de belofte van de Heere aan Abram:
|
« Want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven », Gen. 13:15; 15:18. |
|
En werd dit land niet zeer duidelijk bepaald als liggende tussen de rivier van Egypte en de Eufraat? (Gen. 15:18 en zie Deut. 30:1 5; Ezech. 11:17; 48:1 — 35). Zal Israël, duidelijk onderscheiden van de andere volken, deze niet beheersen om ze beter geestelijk te kunnen dienen? (Zie b.v. Jes. 14:1,2; 49:22, 23; 55:3 — 5). Zullen vele volken de Heere niet te Jeruzalem zoeken en de slip van een Judeesche man vastgrijpen, en zeggen « wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is »? (Zach. 8:22, 23). Vele profetieën werden reeds ten dele vervuld, doch de volle vervulling moet nog komen. (10)
De Heer Lovsky kritiseert de « voorzichtige » houding van de oecumenische vergadering van Evanston in 1954, die weigerde melding te maken van Israël in haar besluiten. Doch waarom zou men in het bijzonder het volk van Israël vermelden bij voorkeur t.o.v. andere volken, indien de uitverkiezing en de beloften slechts zullen bevestigd worden door de bekering van individuele Israëlieten?
De Heer Lovsky zal er voorzeker de Heere niet van beschuldigen dat Hij instemde met een « millenianistische droom », toen Hij aan zijn joodse discipelen beloofde dat de zachtmoedigen het aardrijk zouden beërven, namelijk in het Koninkrijk op aarde, van hemelse oorsprong; dat ze de twaalf stammen Israëls zouden richten als Hij op zijn heerlijke troon zou zitten, Mat. 19: 28; dat er, kort vóór zijn wederkomst een « heilige plaats » zou bestaan waar de profetie van Daniël zich zou vervullen, Mat. 24:15, en dat zelfs het kleinste gebod der Wet niet zou vergaan, Mat. 5:19.
Anderen dan de Heer Lovsky hebben een stap verder gedaan, en erkend dat de « Kerk » niet het « geestelijk Israël » is (11). Doch deze menen toch dat de Kerk een voortzetting is van Israël. Naar onze mening kunnen dergelijke pogingen om aan dit volk een plaats te gunnen in de toekomst, doch daarbij niet te geloven in de letterlijke vervulling der profetie, niet aanvaard worden. Inderdaad, in de thesis van de vervanging van Israël door de Kerk, alhoewel deze volkomen onschriftuurlijk is, was er nog iets consequents: het joodse volk als geheel was slechts een beeld van het christelijke volk als geheel. Doch, indien men op godsdienstig gebied Israël wil laten bestaan als volk en men tegelijkertijd beweert dat Israël deel zal uitmaken van de Kerk, dan zou deze laatste bestaan uit een wel bepaald joods volk (en natie) en uit individuën gekozen uit de andere volken en natiën. (12) Zodra men van Israël zijn toekomstige universele opdracht die het, volgens de Schrift. op aarde nog te vervullen heeft, wegneemt, moet men ook toegeven, wil men consequent zijn, dat dit volk geen toekomst heeft als afgezonderd volk.
We besluiten dus, dat men geen vergelijk kan aanvaarden: ofwel, volgens de kerkelijke overlevering, vervangt de Kerk Israël — maar dan vormt de Kerk een verzameling van individuele gelovigen en heeft Israël geen godsdienstige rol meer te vervullen als volk en natie — ofwel zullen al de beloften, zowel de aardse als de geestelijke, in de toekomst vervuld worden — en dan moet Israël hersteld worden als uitverkoren volk en natie, juist door die uitverkiezing zelf van de andere volken en natiën afgescheiden, daar ze deze tot Christus moet leiden.
Indien men inziet dat de eerste opvatting volkomen onschriftuurlijk is, dan blijkt het absoluut noodzakelijk op radicale wijze alle leerstellingen te herzien betreffende het wezen der Kerk, de verbonden, de eschatologie, enz. die ontwikkeld werden in de overtuiging dat de Kerk Israël vervangt. Bij een dergelijk onderzoek zal men dus niet de kerkelijke overlevering, doch de Schrift als absolute norm moeten aanvaarden. We zijn overtuigd, dat de gevolgtrekkingen van een dergelijk onderzoek op radicale wijze alle aanleiding tot bewust of onbewust antisemitisme zullen te niet doen.
Voetnoten
[1] Zie hierover onze werken Het Goddelijk Voornemen en Het Onderwijs van de Apostel Paulus.
[2] In zijn eerste Exkurs geeft de Kommentar zum neuen Testament van H. L. Strack en P. Billerbeck hiervan een overzicht, met aanhaling van vele delen uit de Oud-joodse literatuur.
[3] Na de verwoesting van Jeruzalem waren de Rabbijnen verplicht, om te pogen hun ongeloof te rechtvaardigen en om de argumenten te beantwoorden, die de christenen uit het O.T. ontleenden, de schriftplaatsen nader uit te leggen, die over een lijdende Dienstknecht handelen. Men vindt dan ook in de Targums van Onkelos en van Jonathan (van het einde der eerste of het begin der tweede eeuw) dat al hetgeen Jesaja schreef over de « Dienstknecht van JHVH » op het joodse volk wordt toegepast. Wel is waar kon de term « Messias », d.w.z. « Gezalfde », op schepselen toegepast worden, want de zalving was de ritus van de inwijding b.v. van een koning of een profeet. Kores wordt zelfs in Jes. 45:1 de « gezalfde des Heeren » genoemd, en verloste het volk van de dienstbaarheid. In zekere zin kon het getrouwe overblijfsel van Israël als een « Messias » of een « dienstknecht des Heeren » beschouwd worden, want het bekeerde volk had als opdracht God te doen kennen aan de volken. Doch in die tijd bleef deze Israëlietische dienstknecht blind en doof, Jes. 42:19, 20. En, waar Israël niet getrouw bleef aan de Wet, heeft de Heere over hen de « grimmigheid zijns toorns » uitgestort, Jes. 42:25.
Natuurlijk heeft men verwezen naar Jes. 49:3 « Gij zijt mijn knecht Israël, door welken Ik verheerlijkt zal worden ». Doch vers 6 maakt een onderscheid tussen deze Dienstknecht en de stammen van Jakob en de bewaarden in Israël. De persoonlijke Messias en Dienstknecht kon zeer goed « Israël » (d.i. goddelijke prins) genoemd worden, evenals Hij « Jakob » genoemd wordt in Ps. 24:6. De vereenzelving van de persoonlijke Messias met zijn volk zal eerst kunnen plaats hebben als Israël zijn opdracht van « dienstknecht » zal kunnen vervullen, na zijn verlossing door de Heilige Israëls, Jes. 43:14, en zijn herstel, Jes. 43:1; 44:1, 2.
Ook dit volk had een volmaakte, goddelijke Dienstknecht nodig, op Welke de Heere zijn Geest zou geven, Jes. 42:1. De uitdrukking « de Heere heeft mij gezalfd » van Jes. 61:1 werd door Christus op Zichzelf toegepast, Luk. 4 ; 21 (Zie ook wat Petrus zei in Hand. 10:38). Alle bijzonderheden betreffende die goddelijke Dienstknecht, b.v. in Jes. 53 en Ps. 22 vermeld, werden letterlijk vervuld bij zijn komst in nederigheid.
De Christen, die de ganse Schrift als Gods geschreven Woord aanvaardt, kan bij gevolg de opvatting der oud-joodse uitleggers (en van vele hedendaagse Joden) niet aanvaarden, als ze het lijden van hun volk in de plaats stellen van het lijden van Christus, en menen dat Israël, door zijn lijden, niet alleen zijn eigen herstel als Gods volk zal verdienen, doch ook de redding der wereld. « Jezus » is voor hen slechts een grote Jood (zoals Abraham, sommige Farizeeën, de Apostelen, en zelfs sommige hedendaagse mensen) en heeft — evenals die andere Joden — niet méér gedaan dan een stap ten voordele van de vooruitgang van het mensdom tot het licht, de vrede, de liefde, de universele eenheid.
En toch kon reeds het O.T. hen doen verstaan dat het lijden van Israël moest dienen om het volk er toe te leiden niet langer God te weerstaan, Lev. 26:27, 40, en hun « onbesneden hart » te buigen, Lev. 26:41; Deut. 8:16. Ook, dat ze alleen door Gods genade konden verlost worden en niet door hun eigen werken: « Zeg dan niet bij uzelf: mijn kracht en de sterkte mijner hand heeft mij vermogen verworven. Maar gij zult aan de Heere, uw God, denken, want Hij is het, die u kracht geeft om vermogen te verwerven, ten einde het verbond gestand te doen... » Deut. 8:17, 18.
[4] Dit zal eerst in de toekomst gebeuren, bij zijn wederkomst, Op. 11:15, 17; 12:10; 19:1, 6.
[5] Laat ons er de nadruk op leggen, dat het niet de verwachting van een werkelijk Koninkrijk op aarde was, die verkeerd was want alle profeten hadden er over gesproken en de Heere zelf had de nabijheid er van aangekondigd. De fout lag in de gedachte dat dit Koninkrijk kon beginnen zonder voorafgegaan te zijn door het lijden en het kruis. Eerst na zijn volbrachte werk en de bekering van Israël zou Hij wederkomen om zijn Koninkrijk op aarde op te richten. Zie ons werk Het goddelijk Voornemen.
[6] Die nabijheid werd gedurende de ganse periode der Handelingen bevestigd door dezelfde zichtbare tekenen als gedurende het tijdperk der Evangeliën.
[7] Zie ons werk Het Onderwijs van de Apostel Paulus.
[8] 8) In plaats van aan tegenstellingen te denken, kan men sommige verschillen tussen de Evangeliën natuurlijk op geheel andere wijze uitleggen. Elke evangelieschrijver beschouwt de Heere van uit een bijzonder standpunt, en legt de nadruk op een bijzonder aspekt van « Jezus ». Johannes denkt vooral aan Hem als de Zone Gods, die in vernedering kwam tot heil van Jood en Griek, waarschijnlijk omdat dit het meest aangewezen was in de tijd waarin hij schreef. De aanduidingen der vier Evangeliën vervolledigen elkaar, zonder de bedoeling te hebben een « biografie » te leveren van de Heere.
[9] In Genèse de I' Antisémitisme schrijft de Heer Isaac: « Tussen het heidens antisemitisme, zoals hier bepaald en afgebakend, en het christen antisemitisme dat het gaat aflossen van af de vierde eeuw, zijn er méér verschillen dan overeenkomsten », blz. 129. De auteur schijnt dus zelf te aanvaarden, dat er een min of meer neutrale periode was, en haalt in elk geval geen tekst aan, die ons zou kunnen doen veronderstellen dat er reeds in de eerste eeuw een antisemitisme bestond, voldoende uitgesproken, om zijn (zeer ernstige) beschuldiging te rechtvaardigen, dat de Evangeliën, het boek der Handelingen en de brieven vervalst werden.
[10] De Joden, die in Christus geloven, zullen dus in nationaal opzicht Joden blijven, evenals de Apostelen en Nazoreeërs. Men werpt gewoonlijk hierop tegen, dat in Christus er noch Jood noch Griek is, Gal. 3:28. Doch men vergeet dan dat dezelfde tekst ook zegt dat er noch man noch vrouw is, wat zeer duidelijk doet uitkomen, dat het hier gaat over de geestelijke eenheid « in Christus » en niet over aardse, nationale, menselijke verhoudingen.
[11] Zie b.v. de moedige getuigenis van Ds. J. H. Grolle in Kerk en Israël van Jan. 1957.
[12] Karl Barth heeft, in zijn Kirchliche Dogmatik III, 2, 710 — 712, er in het bijzonder op gewezen, dat het onmogelijk is Israël en de Kerk op hetzelfdé plan te plaatsen. Hij zegt dat de Kerk het « nieuwe Israël » is, doch dat ze zich van het oude Israël onderscheidt door het feit dat ze geen natie is, geen « natuurlijk » volk. Het oude Israël, samengesteld uit de natuurlijke nakomelingen van Abraham, heeft — volgens hem — zijn opdracht volbracht, en er blijft aan zijn leden slechts over zich te voegen bij de Kerk. Zijn opdracht als natuurlijk volk is geëindigd, wordt niet voortgezet of herhaald onder een andere vorm.
Later schijnt K. B. enigszins deze opvatting te hebben gewijzigd, want hij stemt er dan in toe, dat Israël moet blijven bestaan, als volk, om als getuige te dienen voor Gods toorn en erbarmen. Zie b.v. de delen III, 3 en IV, 1. Natuurlijk zegt de Schrift iets geheel anders.
|