|
Begint de Gemeente met Pinksteren?
Door S.V.M.
Onder de vorm van een samenspraak word in het kort weergegeven waarom de gemeente der verborgenheid niet met pinksteren begint
| A — |
Het doet mij steeds genoegen U te ontmoeten, daar wij beiden op dezelfde rots steunen: de Schrift, Gods Woord, door Hem geheel ingegeven. Maar het spijt mij ook telkens weer, dat wij toch in menig opzicht van gedachte verschillen. Ik begrijp ook niet hoe U zo afgezonderd kunt blijven en niet eenvoudig aanvaarden, wat vrome en geleerde vaderen onderzocht hebben. |
| B — |
Wees verzekerd, dat ik veel liever het met U en anderen zou willen eens zijn dan van mening verschillen. Voor vrome en geleerde mensen heb ik allen eerbied, doch zij zullen zelf de laatsten zijn, om te beweren, dat hun blik op de Schriften in alle opzichten de juiste is. Hun gedachten zal ik dus wel in ernst overwegen, maar ik ben toch verplicht ze aan Gods Woord te toetsen. |
| A — |
Ik vrees, dat dit getuigt van hoogmoed. Wil U het dan beter weten dan Luther, dan Calvyn, om niet te spreken van zovele andere Godsmannen? |
| B — |
Zijn die mensen het met elkaar in alles eens? Zo niet, moet U toch ook kiezen? En op welken grond? Wat zou U aan een Rooms-Katholiek antwoorden, als deze U van hoogmoed beschuldigde, omdat U het beter wil weten dan de « Katholieke Kerk? » Op grond der Schriften vertrouw ik, dat elke gelovige, hoe eenvoudig ook, door Gods Geest zal geleid worden, als hij Gods Woord onderzoekt met het doel er Zijn wil en Zijn werken in te leren kennen. Het is waar, dat de waarheid moeilijk te dragen is en kennis licht opgeblazen maakt. Maar hij, die God wil verheerlijken, zal op Hem kunnen rekenen. Juist als alle hoogmoed of vleselijk doeleinde uitgesloten is, kan men tot de volle waarheid komen. |
| A — |
Maar om de Bijbel te onderzoeken, moet men toch voorbereid zijn, moet men allerlei dingen kennen. U zegt zelf, dat een vertaling niet geheel te vertrouwen is, dan moet U toch b. v. Grieks kennen om de manuscripten te lezen? |
| B — |
De kennis waarvan U nu spreekt is wel behulpzaam en nuttig, maar voor een groot deel niet onontbeerlijk. Gods Woord verklaart zichzelve. Andere kundigheden kunnen ook soms een beletsel zijn. En voor wat het Grieks betreft, geef ik toe, dat de kennis ervan zeer belangrijk is en dat gelovige ouders hun kinderen misschien beter Grieks zouden kunnen laten leren, dan andere talen, die dikwijls maar voor stoffelijke winst in aanmerking komen. Maar... zo heel veel Grieks is er ook weer niet nodig. Men kan grotendeels op een vertaling steunen en alleen dan tot het Grieks zijn toevlucht nemen, als de een of andere zaak, door het gebruik van een bepaald Grieks woord of een bepaalden woordvorm, beslist moet worden. Er zijn verder hulpmiddelen, zoals b. v. de kanttekening van de Staten-Bijbel of van andere vertalingen. |
| A — |
Ik moet U eerlijk bekennen, dat naar mijn mening, juist hier de oorzaak ligt, waarom U het met anderen niet eens is: als iets uwe opvatting in de weg ligt, dan tracht U het Grieks zo te verdraaien, dat het met uw gedachte overeenkomt. Zo is het ook met dat zonderlinge boek « Het Voornemen der Eeuwen ». |
| B — |
Wil U mij toelaten eerst nog een woord te zeggen over de kennis van het Grieks? Ik beweer, dat zelfs zonder de minste kennis dier taal, men toch in veel gevallen op de grondtekst kan steunen. U gelooft dat de Bijbel letterlijk ingegeven is; dan moet U ook aannemen, dat elk woord door de Heiligen Geest juist gekozen is. Een zin is samengesteld uit woorden en de betekenis ervan kan geheel door een enkel woord gewijzigd worden. De vertalers zijn meestendeels wel verplicht geweest de zin met voldoende juistheid te vertalen, maar in enkele woorden kunnen zij zich dikwijls vergissen. |
| A — |
Juist! U houdt ook niet van de Statenvertaling! |
| B — |
Verschoning. Ik meen ze even hoog te schatten als U, maar als ik mij wil vergewissen of de vertalers het juiste woord gekozen hebben, dan sla ik mijn Concordans op en zoek, zonder kennis van het Grieks, in welke plaatsen hetzelfde Griekse woord nog voorkomt. In de meeste gevallen zal een onderzoek dezer plaatsen mij een betere gedachte geven van de juiste betekenis van dat Griekse woord, dan alle geleerden bijeen.
Ik herhaal: de Schrift verklaart zichzelve. Ik wil hiervan een voorbeeld geven en U tevens antwoorden op uw beschuldiging, dat ik de teksten verdraai, om ze met mijn persoonlijke mening te doen overeenstemmen. |
| A — |
Sta mij toe vrijuit te spreken: ik vertrouw U niet, omdat uw zienswijze in zoveel opzichten verschilt van de algemeen aangenomen gedachten. Maar ik ben bereid mijn oordeel over U te wijzigen, als U mij kunt overtuigen. Voor wat het Grieks betreft, moet ik al dadelijk toegeven, dat ook hier weer de deskundigen het niet eens zijn. Als wij de Bijbel alleen zouden kunnen laten spreken, zou dit zeker van onschatbare waarde zijn. |
| B — |
Ik dank U omdat U zo verdraagzaam is en mijn verdediging wil aanhoren; onder Christenen is dit helaas dikwijls niet het geval. Zo wordt Aristarkos, de schrijver van « Het Voornemen der Eeuwen » ook meestal veroordeeld zonder onderzoek, alleen omdat dié uitlegger of dàt tijdschrift het anders menen. Zonder bitterheid zeg ik dat velen van « heiligmaking » en « liefde » spreken en « kennis » misprijzen; doch als men in iets hun mening niet deelt, zijn zij hun liefde vergeten en plaatsen zij hun kennis boven alles. Ik geloof dat er evenwicht moet bestaan tussen al onze gaven. Zij zijn niet in strijd met elkaar, doch vullen elkaar aan. Maar nu het voorbeeld.
Toen ik vroeger Heb. 11:3 las, was mijn mening, dat de zin « de wereld door het woord Gods is toebereid » betrekking had op de schepping en ik zag niet het minste verband met Ef. 4:12 « tot volmaking der heiligen ». Toen ik echter de Concordans opensloeg, bleek het, dat « wereld » letterlijk « eeuwen » (of beter « aionen ») is. Verder, dat « toebereid » en « volmaking » van hetzelfde werkwoord stammen. Mijn streven was nu niet een mening te doen zegevieren. Ik liet mijn mening voor wat ze waard was: niets, en trachtte mij uit Gods Woord een mening te vormen, die juister was. De Concordans toonde aan, dat in Mat. 4:21 ook het Griekse woord, door « toebereid » en « volmaking » vertaald, gebruikt is. Het betreft hier een zeer eenvoudige zaak, die volkomen binnen het begrip valt van elk mens: « hunne netten vermakende ». Zij « maakten » de netten niet, zij « bereidden ze niet toe », zij « volmaakten » ze niet. Neen, zij waren bezig ze « opnieuw toe te bereiden » en de Heilige Geest koos het woord, dat juist deze betekenis had. Voor « volmaken » en « toebereiden » kon de Heilige Geest een ander woord nemen. Het net was eens « toebebereid » geweest, doch versleten of gescheurd en het moest « opnieuw toebereid » worden. Neem ik nu « eeuwen » en « opnieuw toebereid » letterlijk, dan zie ik dat in Heb. 11:3 iets gezegd wordt, dat overeenstemt met vele andere plaatsen, die van een reeks « eeuwen »,spreken, elkander opvolgende, doch niet gelijkende; niet uit elkander voortvloeiende, maar steeds door God opnieuw toebereid. Een nieuw begin, een nieuwe kans, en het einde... een mislukking van de mens.
U begrijpt dus: 1. dat ik Gods Woord voor zichzelve laat spreken, 2. dat ik mijn voorlopige mening over iets wijzig volgens het licht dat ik ontvang, doch niet omgekeerd mijn mening, of die van anderen, als uitgangspunt neem. |
| A — |
U hebt mij niet overtuigd, maar ik begrijp nu toch enigszins beter uw houding. Als men werkelijk zo te werk gaat, moet men dichter bij de waarheid komen. Maar waarom nemen de meesten uw gevolgtrekkingen dan niet aan? |
| B — |
Omdat niemand onzer volmaakt is. Ik zomin als een ander ben altijd geneigd God te verheerlijken. Wij zijn zo dikwijls bereid een menselijke gedachte te verdedigen. Tot de waarheid komt men echter alleen dan als men God in zich wil laten werken. |
| A — |
En daarin komen wij allen te kort, dat is waar. Paulus wist hoe nodig het was niet op te houden « te bidden en te begeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand; opdat gij moogt wandelen waardiglijk de Heere. » (Kol. 1:9, 10). |
| B — |
Mag ik U doen opmerken dat « kennis » niet de gewone kennis is, zoals b. v. in Ef.3:19, maar letterlijk « boven-kennis ». Deze wordt ons, zoals zoveel andere dingen door God aangeboden, en wij moeten ze slechts ontvangen. Dat kan ieder kind van God zonder geleerdheid. En indien twee mensen al die boven-kennis zouden aanvaarden, zouden zij het in alles eens zijn. Verkiest U de kennis van vrome mensen? |
| A — |
Neen, ik zie nu nog beter in, hoe U de dingen opvat. U wil met Gods hulp onderzoeken of de kennis onzer leraars wel overeenkomt met Gods boven-kennis en als U dat in alle oprechtheid, zonder eigen verheerlijking doet, stem, ik toe, dat U dan ook de dingen soms anders kunt zien dan zij. Maar het zou mij toch zwaar vallen geen volkomen vertrouwen te hebben in de belijdenis mijner kerk. |
| B — |
Ik begrijp U. Het is inderdaad een ernstige zaak, als men door Gods Woord gedrongen, een punt van zijn vroegere belijdenis niet meer kan beamen. U moet dit voor Gods aangezicht brengen. Ik wil er U alleen aan herinneren, dat geen mens ooit beweerd heeft, dat een belijdenis nu juist de zuivere waarheid weergeeft. U weet dat b. v. de Gereformeerde kerk in het 7° artikel harer belijdenis schrijft: « Men mag ook gener mensenschriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods, (want de waarheid is boven alles,) noch de grote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten; want alle mensen zijn uit zichzelven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve. » Een belijdenis is nuttig voor zover ze overeenkomstig de Schrift is, maar mag niet als de volkomen uitdrukking der gehele waarheid beschouwd worden. |
| A — |
Zelfs als U sommige dingen juister zou inzien, zou ik toch nog voor de gevolgen vrezen. |
| B — |
Uwe bedoeling is, dat U vreest voor de gevolgen, die het verkondigen dezer dingen zou kunnen hebben voor zwakke gelovigen? Men moet zich door Gods Geest laten leiden. De waarheid kan, onhandig gebruikt inderdaad sommigen tot een hindernis zijn. Een hongerige moet men de spijzen voorzichtig toedienen. Maar niets laat ons toe hem onzuivere spijs te geven. Kan U overigens de gevolgen overzien van uw tegenwoordige handelwijze? Hier is Abraham mij tot voorbeeld, hij ging uit door het geloof, niet wetende waar hij komen zou (Heb. 11:8). U kunt de gevolgen gerust in Gods handen laten. Als U een Rooms-Katholiek over het Evangelie spreekt, vreest hij ook voor de gevolgen. Is het misschien beter hem maar bij zijn overlevering te laten? Neen, beste vriend, men spreekt aldus omdat men de dingen nog niet duidelijk inziet. Men denkt dan ook dikwijls iets te zullen verliezen, omdat men de rijkdommen niet bemerkt, die ons geworden als wij los laten wat wij vroeger beschouwden als het meest waardevolle. |
| A — |
Ik wil over dit alles nog eens rustig nadenken. Bij een volgende gelegenheid wil U het misschien met mij wel eens over de « Gemeente » hebben. Dat boek van Aristarkos zit mij nog dwars. Waar haalt die man toch vandaan, dat de Gemeente niet met Pinksteren zou beginnen? Had hij dan nog gezegd, dat de Gemeente eigenlijk altijd bestaan heeft! |
| B — |
Laat ons die zaak eens rustig onderzoeken. Aristarkos is een mens, die evengoed kan dwalen als een ander en U hebt gelijk heel voorzichtig te zijn, als hij met « iets nieuws » komt. Laat ons dit onderzoek biddend voorbereiden. |

| A — |
Wij zouden eigenlijk moeten beginnen bij het eerste vers van het O. T., daar ons onderzoek over de Gemeente echter zo kort mogelijk moet zijn, is het misschien voldoende met Adam te beginnen.
Nemen wij de Schriften letterlijk aan, dan moeten wij geloven dat God Adam als een koning over de aarde wou stellen: « Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de de aarde kruipt. » (Gen. 1:28). |
| B — |
Juist, maar dan zien wij ook dat Adam faalde. Gods doel was een koninkrijk op te richten op aarde en daartoe zal Hij komen, niettegenstaande allen onwil en tegenstand Zijner schepselen. Ziet U enig verband tussen de roeping van Adam en Mat. 25:34 « dat koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld »? |
| A — |
Neen, want het Nieuwe Testament spreekt over het koninkrijk der hemelen. De Heere Jezus zelf zei: « Mijn koninkrijk is niet van deze wereld » (Joh. 18:36). |
| B — |
Maar hij zegt ook « Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven » (Mat. 5:5), Wil U even in de Concordans nagaan welk Grieks woord gebruikt wordt voor « van » in Joh. 18:36? |
| A — |
Ik bemerk dat het hetzelfde woord is, dat b. v. gebruikt wordt in Mat. 1:3 enz. « Judas gewon Fares en Zara bij Thamar ». In Mat. 2:6 is het vertaald door « uit »: « Want uit U zal de Leidsman voortkomen ». Ook de andere teksten, waar dit Griekse woord gebruikt is, duiden aan dat het spreekt van de oorsprong of het uitgangspunt van iets. |
| B — |
Zegt Joh. 18:36 dan, dat het koninkrijk in de hemelen is? |
| A — |
Neen inderdaad, er is alleen sprake van de oorsprong. Dat koninkrijk zou niet door menselijke macht komen, maar zou een hemelse oorsprong hebben. Maar kan het daarom toch ook niet in de hemelen zijn? |
| B — |
Natuurlijk kan dit, maar het door U aangehaalde vers zegt het niet. Het kan ook op aarde zijn. Wij zullen verder vanzelve hierop terugkomen. Denk intussen eens aan Dan. 2 en 7. In het 27ste vers van dit laatste hoofdstuk zegt Daniël: « Maar het rijk en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel ». Denk er ook aan, dat de Heere Jezus de « tweede Adam » genoemd wordt. Wat de eerste door ongehoorzaamheid verloor, zou de tweede door Zijn getrouwheid ontvangen.
Laat ons nu even over Satan spreken. Hij stelt zich steeds tegenover Christus en tracht Gods voornemen te doen mislukken. Eerst zien wij dat bij Adam en verder wordt ons in Gen. 3:15 een blijvende vijandschap geopenbaard tussen het zaad der vrouw en dat der slang. |
| A — |
U bedoelt dat Satan zich tegen het oprichten van Gods koninkrijk zal verzetten zoveel hij kan? Ja dat geloof ik ook. Hij werkt in Kaïn, die « uit den boze was » (1 Joh. 3:12), door de « zonen Gods » verdierf hij het gehele mensdom, uitgezonderd Noach (Gen. 6:9), gebruikt de Kanaänieten tegen Gods volk en na een voortdurende tegenstand op alle mogelijke wijzen, richt hij zich tegen Christus, als Deze in het vlees komt om Zijn koninkrijk op te richten. Eerst schijnt het, alsof Satan zegeviert, maar het kruis is juist zijn ondergang. Na vele andere dingen, die God steeds gebruikt om tot Zijn doel te komen, weten wij ook dat Satan tenslotte de Anti-Christus zal gebruiken om te trachten zijn koninkrijk in de plaats van dat van God op te richten. |
| B — |
Laat ons nu heel in het kort nagaan welke wegen God volgt om tot Zijn koninkrijk te komen. Na de mislukking met Adam, wordt de heerschappij aan Noach gegeven (Gen. 9:1-17). Dan zien wij hoe Sem in het bijzonder wordt aangeduid (Gen. 9:26), en daarna Abraham. God sluit met Abraham een reeks verbonden, die in het bijzonder een bepaald volk, het « zaad », betreffen. Dat volk zou het hele land Kanaän bezitten (Gen. 15:18; 17:6-10). Maar « in » dit zaad zouden alle volken der aarde gezegend worden (Gen. 12:1-3; 22:15-18). Welk volk wordt hier bedoeld? |
| A — |
Het volk Israël natuurlijk, omdat dat verbond « met Izak » zou opgericht worden (Gen. 17:21) en dan ook weer bevestigd wordt in betrekking met Jakob (Gen. 28:3, 4, 14). |
| B — |
U gelooft natuurlijk ook, dat Gods genadegiften en roepingen onberouwelijk zijn (Rom. 11:29). Dan heeft Israël dus nog een schitterende toekomst. |
| A — |
Neen, dat geloof ik nu juist niet. Ik geloof, dat de Gemeente in de plaats van Israël gekomen is en dat al die zegeningen nu op haar geestelijk moeten toegepast worden. Zegt Rom. 9:6 niet, dat niet allen Israël zijn, die uit Israël zijn? En wordt er geen geestelijk Israël geplaatst tegenover « Israël, dat naar het vlees is? » (1 Kor. 10:18). |
| B — |
Mag ik U vragen Rom. 9:6 nog eens te herlezen, wij zijn overeengekomen onze eigen gedachten te toetsen aan Gods Woord. Spreekt dit vers van de volken? |
| A — |
Neen inderdaad, het spreekt alleen over Israël en de vorige en volgende verzen ook. Het zegt alleen dat alle vleselijke nakomelingen van Jakob niet noodzakelijk als Israël moeten gerekend worden. |
| B — |
En wat laat U toe te veronderstellen, dat sommigen uit de volken « geestelijk Israël » zouden genoemd mogen worden? Wel kunnen wij twee soorten Israëlieten onderscheiden « Israël, dat naar het vlees is » en de Israëlieten, die « kinderen der beloftenis » genoemd worden (Rom. 9:8). Rom. 2:29 zegt ook niet méér, dan dat alle Joden geen ware Joden zijn. U moet onderscheid maken tussen: 1. Ongelovige Joden (Israël naar het vlees). 2. Gelovige Joden (geestelijk Israël). 3. Ongelovige Heidenen (Heidenen naar het vlees). 4. Gelovige Heidenen (geestelijk Heidendom). Wij zullen ook verder zien, al is er « in Christus » eenheid, er steeds « naar het vlees », d. i. voor wat betreft de natuurlijke toestanden, verschil bestaat tussen Israël en de Volken, ten minste zolang Israël als Gods Volk gerekend wordt. Maar laat ons verder gaan. Na Jakob hebben wij Juda en dan Mozes. Gaf God de wet aan de volken? |
| A — |
Neen aan Israël alleen, maar de volken kunnen ze daarom toch wel toepassen. |
| B — |
Ja de geest der wet, maar geen der bijzondere dingen, die het volk (Israël) betreft als het in het land (Palestina) is. Hebt U opgemerkt dat de hoofdzaak der wet het hart betreft? De uitwendige vormen maakten er een onafscheidbaar deel van uit, maar kwamen toch slechts in de tweede plaats. Laat ons b. v. Deut. 6:5; 10:12, 13 lezen. En dan Lev. 19:18 « Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelve », klinkt dat niet « nieuw-testamentisch »? |
| A — |
Inderdaad, ik dacht altijd meer uitsluitend aan offeranden, tempeldienst enz. als ik over de wet van Israël las. |
| B — |
De Israëlieten kenden Gods wil « zijnde onderwezen uit de wet » zegt Rom. 2:18. En die wet moesten zij « eeuwig » blijven vervullen. |
| A — |
Dit is een vergissing van U, de wet zou met Christus ophouden, dat weet toch iedereen. Ik dacht, dat U juist zoveel voelde voor het onderscheiden der « bedelingen » en in het bijzonder van deze drie: Wet-Genade-Koninkrijk. Als U nu aanneemt, dat de Joden nog een toekomst hebben gedurende het koninkrijk, dan hebben zij daar toch zeker de wet niet meer te volgen! |
| B — |
Het is zeer nodig te onderscheiden tussen de tijdperken, waarin God de mensen in andere toestanden plaatst, onder een ander rentmeesterschap, maar dergelijke verdelingen moeten niet oppervlakkig zijn en in alle opzichten aan Gods Woord kunnen getoetst worden. Dat de wet « eeuwig » is zie ik b. v. uit Ex. 27:21; 28:43 en zovele andere plaatsen. Hoe wij dit kunnen overeenbrengen met andere delen der Schriften, zullen wij afwachten. Ik kan U echter reeds dit zeggen: als het een moeilijkheid is aan te nemen, dat voor Israël de wet « eeuwig » is, dan is die moeilijkheid door de uitleggers zelf geschapen. Vooreerst betekent « eeuwig » niet « zonder eind » en ten tweede moeten wij onderscheiden tussen « wet » en « oud verbond ». Aangaande de uitdrukkingen « eeuwigheid » en dergelijke, stel ik U voor de Concordans te raadplegen en te onderzoeken of die uitdrukkingen noodzakelijk de betekenis hebben van « altijddurend ». |
| A — |
Ik zie dat het meestal de vertaling is van het Hebreeuwse « olam », dat inderdaad een beperkte tijdruimte aanduidt. Ik neem maar twee voorbeelden:
« en zijn heer zal hem met enen priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwiglijk dienen » (Ex. 21:5, 6). Verder zegt 1 Sam. 1:22 « Tot in eeuwigheid », terwijl vers 11 diezelfde tijdruimte aangeeft als « al de dagen zijns levens ». |
| B — |
Wij hebben reeds een woord over de eeuwen gezegd, hoe belangrijk deze zaak ook zij, wij kunnen er hier niet verder over uitweiden. De conclusie is, dat de wet niet altijd zal moeten gevolgd worden, maar wel zolang de « eeuwen » of sommige dier « eeuwen » zullen duren. |
| A — |
Wij hebben het daar later nog wel over. Ik ben echter benieuwd te horen welk verschil U wil maken tussen de wet en het oude verbond. |
| B — |
Wel, dit is zeer eenvoudig, en juist daarom niet opgemerkt. De wet is « eeuwig », het oude verbond is niet « eeuwig », d. i. zal niet de gehele eeuw, of eeuwen, door blijven duren, maar zou door Christus vervangen worden door een nieuw verbond. De wet gaf geheel Gods wil voor Zijn volk, het oude verbond bestond hierin dat Israël op zich nam die wet te volgen in eigen kracht (Ex.: 19:3-8 enz.); zij dachten gerechtvaardigd te kunnen worden op grond van de werken der wet (Rom. 10:5) en stelden zich aldus onder de vloek (Gal. 3:10) en waren in slavernij (Gal. 4:3), « onder » de wet. Wij zullen dit alles verder nauwkeurig onderzoeken. Laat ons die dingen intussen voor ogen houden en aan Gods Woord toetsen. |
| A — |
Ja voorlopig kan ik met U meegaan, maar ik wil zeer voorzichtig zijn. |
| B — |
Wees voorzichtig als een slang. Wij zijn overeengekomen geen stelsel te verdedigen of op te bouwen, maar te trachten tot de waarheid te komen. Wij kunnen elkaar wederkerig geen beteren dienst bewijzen, dan de gebrekkigheid van onze gevolgtrekkingen uit de Schiften aan te tonen. Als wij maar steeds een open gemoed hebben en niet vasthouden aan vooropgestelde meningen of aan voorlopige gevolgtrekkingen. Is U bereid Deut. 30:1-10 letterlijk te geloven? Ik lees hier: van de bekering van Israël, van hun vergadering uit al de volken, van het erfelijk bezitten van het land, van de besnijdenis hunner harten, hun zegeningen enz. |
| A — |
Ik geloof dat alles, maar het betreft zeker de terugkeer uit de ballingschap in het verleden? |
| B — |
Dat wil zeggen, dat bij dien terugkeer deze profetie misschien had moeten vervuld worden? De zaak is evenwel: Werd ze vervuld? Had Israël God lief met zijn ganse ziel? Is de Heere wedergekeerd? Hebben zij zich tot Hem bekeerd met geheel hun ziel en geheel hun hart? Was Israël toen « een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk »? (Ex. 19:6). |
| A — |
Neen inderdaad, dit schijnt te bevestigen, dat Israël nog een toekomst heeft, maar ik wil toch verder zien of dit kan volgehouden worden op grond van de gehele Bijbel. |
| B — |
En wat denkt U van 2 Sam. 7:10-16 en van de profeten, zoals b. v. Jes. 49:6 « Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob en om weder te brengen de bewaarden in Israël: Ik heb U ook gegeven tot een licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde ». Steeds wordt de aandacht geroepen op de zegeningen, die de volken deelachtig zullen zijn als Israël zich zal bekeren. Er zijn ook reeds aanduidingen, zoals in Deut. 32:21, die er op wijzen dat de volken ook om zo te zeggen vóór hun tijd zullen gezegend worden om Israël « tot ijver te verwekken ». God verkoos een volk uit om de andere volken tot zegen te zijn. Alle uitverkiezing Gods is ten bate, niet ten koste van het overige. Steeds eigenden zij zich echter alle zegeningen toe en keerden zich af van God. Maar tenslotte zullen zij toch Gods werktuig zijn onder de volken. Lees b.v. Jes. 66:19 « en zij zullen Mijne heerlijkheid onder de Heidenen verkondigen ». Dan zullen zij in werkelijkheid een koninklijk priesterdom zijn. Ook Jeremia spreekt zo duidelijk over hun toekomst en het koninkrijk (Jer. 23:3-8) en dan Ezechiël (11:16-20; 34:12-24; 37). Hij geeft ook de beschrijving van de toekomstige tempel, de offeranden, de sabbat, de besnijdenis enz. U ziet dat wij ook hier moeten aannemen, dat de vormen der wet gedurende het koninkrijk, door Israël moeten waargenomen worden. Laat mij tenslotte nog melden Hos. 3:4, 5; Amos 9:11-15; Micha 4:1-5; Zach. 6:12, 13; 14:16; en nog zoveel andere teksten. |
| A — |
Goed, laat ons verder zien of dit alles tenslotte toch niet geestelijk moet toegepast worden op de gelovigen in het algemeen. U zegt zelf, dat de volken gezegend worden in verband met Israël. Welnu, dan moet U bekennen dat dit nu niet het geval is. Israël is nu Gods volk niet en toch hebben wij de zegeningen. Wil U die teksten tot hun recht laten komen, dan moet U ze wel toepassen op de Gemeente en niet op Israël. |
| B — |
Laat ons die zaak kalm nagaan. Al wat ik voorlopig verlang, is dat U erkent dat het Oude Testament nergens leert, dat Israël zelf geen schitterende toekomst meer wacht, in betrekking met de van de vloek bevrijde aarde. Wij zullen later zien wat wij moeten denken over de tegenwoordige toestanden, die inderdaad volgens de profeten geheel abnormaal zijn.
Hebt U opgemerkt welke de voorwaarde is voor de komst van het koninkrijk? |
| A — |
Ja, als men het Oude Testament letterlijk opvat, moest Israël zich bekeren tot God (Deut. 30:1-10; Jes. 55:3; Jer. 4:1; 18:11; 25:5; Ezech. 14:6; 18:30-32; 33:11; Hos. 3:4, 5; Zach. 1:3; Mal. 3:7 enz.) Verder spreekt b. v. Jes. 53 ook van de komst van de Messias in vernedering, vóór de bekering van Israël. Dan hebben wij vele aanduidingen aangaande een grote verdrukking, die aan het koninkrijk zou voorafgaan (Jes. 13:10; 34:4; Joël 2:3-32). Verder lees ik over allerlei wonderen. Blinden zouden zien, kreupelen opspringen enz. (Jes. 35:3-6 enz.). De bekeerde Israëlieten zouden een nieuw hart krijgen en de gave des heiligen geestes. ontvangen (Jes. 32:15; Joël 2:12, 13, 28-31 enz.).
Als wij alles wat Israëls toekomst betreft letterlijk opnemen, is het wel prachtig, maar toch nog op aarde. Kan de bedoeling van Gods Woord zijn, dat Israël niets heerlijkers moest verwachten, niet moest uitzien naar de hemel? Dat alles is zo stoffelijk als men het niet geestelijk opvat. Mochten de Israëlieten er werkelijk aan denken dat God hen eeuwig op aarde zou zegenen? |
| B — |
Als U dit op ons wil toepassen, kunt U het natuurlijk niet letterlijk aannemen. Als U het als de finale toestand van Israël beschouwt, ook niet. Maar als U aan Israël laat, wat aan Israël behoort en U ermee rekening houdt, dat dit geen eeuwige toestand is, in de zin van « altijddurend », dan zie ik geen beletsel om alles aan te nemen zoals het er staat. Wij moeten overigens de dingen niet te bekrompen inzien. In de toekomst hebt U twee groepen Israëlieten: 1. Zij die zich bekeren en deel hebben aan de eerste opstanding, vóór het koninkrijk; 2. Zij die zich niet bekeren en blijven leven. De eerste groep heeft dus een verheerlijkt lichaam, en zal wel niet uitsluitend op aarde zijn, maar in een hemelse sfeer. Die van de tweede groep blijven op de verloste aarde leven met hun gewoon lichaam. Na het koninkrijk volgen andere tijden, met nieuwe toestanden. Dit slechts terloops, als resultaat van vroeger onderzoek.
Nu wij ons enigszins kunnen voorstellen, welke verwachtingen Israël mocht hebben, kunnen wij verder het Nieuwe Testament onderzoeken. |
| A — |
Ja en eerst de vier Evangeliën. Hier hebben wij de woorden van Jezus zelf. |
| A — |
Wel, dat ik meer vertrouwen stel in deze woorden, dan in die van de Profeten of van de Apostelen, dat is toch maar natuurlijk? De anderen konden iets gebrekkig voorstellen of hun eigen dogmas verkondigen, maar in de Evangeliën is het de Zoon des mensen zelf die spreekt. |
| B — |
U maakt dus verschil tussen de ingeving van het Oude Testament, van de Evangeliën en van de Brieven? Waarom meent U overigens dat Mattheus b. v. de woorden van de Heere Jezus juist heeft weergegeven? Eigenlijk hebt U ook hier niet de « woorden van Jezus » zelf. |
| A — |
Wel, Joh. 14:26 zegt dat de Heilige Geest hen zou indachtig maken « alles, wat ik U gezegd heb ». Mattheus kon dus die woorden letterlijk weergeven. |
| B — |
Goed geantwoord. Maar in Joh. 16:12-14 staat, dat er nog andere dingen te zeggen waren. De Heilige Geest zou hun later in al de waarheid leiden. U moet U dus niet met de Evangeliën tevreden stellen, daar hebt U nog maar het begin. Maar nu een andere vraag: Denkt U, dat de Heere Jezus Zijn eigen woorden sprak en Zijn eigen leer verkondigde? |
| B — |
Dan moet U toch Joh. 14:24 eens herlezen: « en het woord, dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, die Mij gezonden heeft ». En dan Joh. 7:16: « Mijne leer is Mijne niet, maar Desgenen, die Mij gezonden heeft ». |
| A — |
Ik moet bekennen, dat ik die dingen verkeerd inzag. Maar men hoort zo dikwijls spreken van « terug naar Jezus » en dat wij het niet bij Paulus moeten zoeken! |
| B — |
Als U verschil maakt tussen het belang, dat wij moeten hechten aan de « woorden van Jezus » en aan de andere delen der Schriften, dan verwerpt U de volledige ingeving dezer Schriften. Denk er aan, Paulus' woorden zijn ook niet de zijne, maar die van God. Zie b. v. 1 Thes. 2:13, en voor Petrus: 1 Pet. 1:25. |
| A — |
Ik dank U voor deze opmerkingen, ik zie hoe licht men tot Bijbelkritiek gebracht wordt. |
| B — |
Laat ons nu met Mattheus beginnen. In Mat. 3:1-3 lezen wij: « Bekeert U; want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen ». Als U in het oog houdt, wat wij uit het Oude Testament geleerd hebben, treffen die woorden U dan niet? Mat. 2:2 zegt, dat de Heere Jezus is « de geboren Koning der Joden ». In Mat. 4:23, 24 lezen wij van het Evangelie des koninkrijks en over vele genezingen, het beërven van het aardrijk vinden wij in Mat. 5:5, Is dat een nieuwe boodschap? |
| A — |
Neen, inderdaad spreekt b. v. Ps. 37 daarvan vier maal. Het, heeft mij ook steeds verwonderd, dat vers 29 van dien Psalm, zegt, dat zij in eeuwigheid op die aarde zouden wonen. Na hetgeen U echter over de: « eeuwen » gezegd heeft is dit duidelijk. |
| B — |
Verder zien wij dat Jeruzalem de stad is des groten Konings (Mat. 5:35). Verwondert het U ook niet, dat de discipelen alleen tot Israël moeten gaan? (Mat. 10:5, 6). Wij zien ook, dat de Heere Jezus als de Zone Davids erkend wordt (Mat. 21:1-9). Hij brengt nu de kern der wet geheel op de voorgrond (Mat. 22:36-40) met Deut. 6:5; 10:12; 30:6; Lev. 19:18 aan te halen. Hij wijst nog met meer nadruk dan de Profeten op hetgeen de inwendige mens betreft. Zonder innerlijke vernieuwing zijn alle vormen God een gruwel. Het zwaarste der wet moesten zij doen (Mat. 23:23), maar daarom de andere dingen (de vormen) niet nalaten. Geen jota noch tittel der wet zou voorbijgaan (Mat. 5:17-19). |
| A — |
Ik moet bekennen, dat deze wijze van de dingen te beschouwen wel kan verdedigd worden, maar ik geloof toch dat U ergens zal vastraken. U kan toch b. v. niet volhouden, dat het Evangelie volgens Mattheus alleen van Israël spreekt? U neemt enkele teksten, die Israël betreffen, maar de meeste zijn toch ook aan ons gericht. En dan lezen wij ook over het sluiten van het Nieuwe Verbond, waar Israël in het geheel niet meer bij te pas komt. U laat U te ver voeren door uwe eigen gedachten en ik vind het wel wat vermetel, zo tegen eeuwenoude opvattingen in te gaan. |
| B — |
Maar mijn lieve, vriend, hoe kan ik mij door mijn gedachten laten meevoeren, als ik zelf niet van die gedachten ben uitgegaan? Ik deelde vroeger meer uw opvatting, maar een eerlijk onderzoek dreef er mij toe mijn gedachten prijs te geven. Ik bedoel inderdaad, dat geheel Mattheus Israël betreft. De enige verwijzing naar een uit de volken, vind ik in Mat. 15:22-28 en U ziet hoe die vrouw nog zeer tevreden mag zijn, dat zij door haar groot geloof « brokskens » ontvangt zoals de « hondekens ». U ziet zelf de positie der volken in dien tijd. Voor wat het Nieuwe Verbond betreft, doe ik een beroep uw onbevangen oordeel. Ik weet, dat ik heel vermetel ben, maar U stemt toe, dat het beter is God te geloven dan de mensen, al waren zij nog zo vroom en geleerd. Het Nieuwe Verbond vervangt het Oude Verbond. Met wie werd het O. V. gesloten? |
| A — |
Met Israël en men spreekt dan ook van het « oude-verbondsvolk ». Maar daarom kan het N. V. wel met de Gemeente gesloten zijn? |
| B — |
Dat zou dan tenminste zeer uitdrukkelijk moeten gezegd worden. Maar nu hebben wij juist aanduidingen, die het tegenovergestelde zeggen; dat maakt elke veronderstelling van onzentwege overbodig. Laat ons b, v. Jes. 55:3 lezen: « Want ik zal met U een eeuwig verbond maken ». Van degenen tot wie dit gezegd wordt, spreekt Jes. 54:3: « en uw zaad zal de Heidenen erven ». Dan lezen wij in Jer. 31:31-34: « Ziet de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken... Ik zal Mijne wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven,., want Ik zal hunne ongerechtigheden vergeven, en hunner zonder niet meer gedenken ». Ook Ezechiël 37:24-28 spreekt over dat verbond in verband met het koninkrijk, het land, de inzettingen, het heiligdom, en de volken. Zeg mij nu wat U toelaat te veronderstellen dat het N. V. met de Gemeente gesloten is? Is Israël niet evengoed het « nieuwe-verbonds-volk » als het « oude-verbonds-volk »?
Wij zien dat de volken deel hebben aan de zegeningen, maar het N. V. is niet met hen, maar met Israël gesloten. |
| A — |
Maar mens, dat bedoelt U toch niet in ernst? Iedereen weet toch dat het N. V. ons betreft. Het gehele N. T. is er vol van, ja de naam zelf, N. T. of N. V., duidt aan, dat dit alles tot ons gericht is. Wat zou er anders voor ons overblijven? Denk toch aan de gevolgen van een dergelijke dwaalleer. |
| B — |
Ik moet U doen opmerken, dat dit alles geen weerlegging is, geen bewijs dat het N. V. met de volken gesloten is. U beroept U op iedereen, U is bang voor de gevolgen. Ik vraag U een duidelijke aanduiding in Gods Woord. Wat er voor ons zal overblijven buiten het N. V, zullen wij later onderzoeken, en ik kan U verzekeren dat het zal meevallen, dat U niets zal verliezen, maar de onbegrijpelijkste genadegiften zal leren kennen, die nu voor U in het duister zijn, omdat U maar altijd op dat N, V. ziet. |
| A — |
Nu, dat zullen wij afwachten, ik ben uiterst sceptisch. Als U overigens denkt, dat ik mij niet op de Schriften kan beroepen om aan te tonen dat het N. V, gesloten is met de gelovigen uit de volken en niet Israël betreft, heeft U het ook mis. Laat mij slechts spreken van Heb. 8 en 9. |
| B — |
In Hebreën zoek ik tevergeefs naar de volken. Heb. 8:8, 10 bevestigt integendeel, dat het N. V, met Israël en Juda opgericht is. De gehele Brief is overigens gericht aan de « Hebreën ». Dat waren toch geen gelovigen uit de volken? |
| A — |
Neen natuurlijk niet, maar daarom is de Brief toch ook voor ons. |
| B — |
Zeer zeker, de gehele Schrift is voor ons. Maar daarom richt zij zich niet noodzakelijk geheel tot ons, noch handelt zij geheel over ons. Wij komen terug op dit onderscheid. In Hebreën heeft U in elk geval geen bewijs dat het N. V. met de volken is gesloten. |
| A — |
Wel laat ons de zaken nu eens anders beschouwen. Als wij aannemen dat Israël voor goed verworpen is en de Gemeente zijn plaats inneemt dan ziet U, hoe alles terecht komt. Dan kunnen wij juist al die teksten op ons toepassen, al zijn ze tot Israël gericht. Zo deden ook de vaderen. |
| B — |
Ons verder onderzoek zal beslissen. Wij nemen voorlopig de dingen zoals God ze zegt. Ik moet overigens erkennen dat zij, die het O. T. vergeestelijken en de zegeningen van Israël op de Gemeente toepassen, in zekeren zin logischer zijn dan zij, die beweren dat het O. T. letterlijk te geloven en Israël nog een toekomst gunnen, maar die dan weer niet letterlijk aannemen, dat het N. V. met Israël gesloten is.
Denk er ook aan, dat ik niet beweer, dat de volken geen deel hebben aan de zegeningen in verband met het N. V. Dat zegt het O. T. zowel als het N. T. en was nooit een verborgenheid. Maar laat ons nu verder Mattheus onderzoeken. |
| A — |
Dan kan ik U al dadelijk doen opmerken, dat Mat. 28:1 en de vermelding van den « eersten dag der week » laat zien, dat Israël hier niets meer te maken heeft en dat de Sabbat nu vervangen werd door den Zondag. Wat heeft de Zondag met Israël uit te staan? |
| B — |
Uw opmerking zou enige waarde hebben, als Gods Woord werkelijk van den Zondag sprak. Wil U even de Concordans raadplegen en het woord « Zondag » opzoeken? |
| A — |
Nu ja, dat woord wordt niet gebruikt, maar « eerste dag der week » is de uitdrukking. |
| B — |
U bedoelt de uitdrukking der vertalers. Maar hoe luiden de woorden, die de Heilige Geest ingaf? |
| A — |
Behalve in Mat. 28:1 vindt men die uitdrukking in Mark, 16:2; Luk. 24:1; Joh. 20:1, 19; Hand. 20:7,
1 Kor. 16:2. In Mark. 16:9 is het Grieks enigszins verschillend, maar ik ken niet genoeg Griekse om kritiek uit te oefenen op de vertalers. |
| B — |
Nu goed, mijn bedoeling was te onderzoeken welk woord voor « week » gebruikt wordt. Laat ons het zonder de, minste kennis van het Grieks doen. De kanttekening der Statenvertaling kan ons hier helpen. |
| A — |
Er staat: « Gr. der sabbatten », dat wil dus zeggen, dat de Griekse tekst letterlijk is: « der sabbatten ». Maar er staat ook: « welk woord somtijds ook genomen wordt voor de gehele week ». |
| B — |
Dat is een menselijke opinie, die door geen enkel voor beeld uit de Schrift kan verdedigd worden. Wij zoeken Gods bedoeling. Laat ons verder opmerken dat « dag » cursief gedrukt is. Dat woord is er dus door de vertalers bijgevoegd. Hoe luidt nu de Griekse tekst letterlijk? |
| A — |
« Den eerste der sabbatten ». |
| B — |
Eigenlijk is « eerste » in het Grieks « een », maar daar zullen wij nu niet bij stil staan. Mag ik U vragen waar de Zondag is? |
| A — |
Wel dat zal zo het spraakgebruik geweest zijn om den Zondag te omschrijven; zo vatten de vertalers het op en zo meenden het toch alle Christenen van de eerste eeuw af. |
| B — |
Wees op uw hoede. Wij onderzoeken de woorden, die de Heilige Geest ingaf. De afval begon ook van de eerste eeuw en verkeerde begrippen konden toen juist het gemakkelijkst door de volken ingevoerd worden. Zij vierden den « dag des Heeren » of dag der Zon. Uit de laatste brief van Paulus onmiddellijk na de eerste helft der eerste eeuw geschreven, blijkt hoe allen zich van hem afwendden (2 Tim. 1:15). Hij kan niet genoeg op de noodzakelijkheid wijzen de gezonde leer vast te houden en steeds tot de Schriften te gaan. En dat was zo hoog nodig, omdat juist toen de grote massa Christenen zich van de gezonde leer afwendden, Wij mogen ons niet steunen op de geschriften der eerste eeuwen. Zie b. v. in Hand. 20:29-31 hoe Paulus gedurende drie jaar niet opgehouden heeft hen te vermanen voor de « zware wolven » en hen die verkeerde dingen zouden spreken. Ook het feit, dat sommige dingen door een groot aantal gelovigen aangenomen worden, is niet van overwegend belang. Alleen Gods woord is veilig en ik houd mij aan de ingegeven woorden « de eerste der sabbatten ». Voor « week » is er overigens een ander Grieks woord, in de vertaling der 70 dikwijls gebruikt. En het gebruik van de meervoudsvorm heeft in het geheel geen zin, als de Zondag bedoeld is. |
| A — |
Welnu laat ons eens veronderstellen dat U gelijk heeft, wat betekent dan « de eerste der sabbatten? » Het is toch duidelijk dat men dit niet letterlijk vertalen moet. |
| B — |
Als men van een bepaalde mening uitgaat, dan heeft U gelijk, maar laat ons zien of Gods Woord ook hier weer zichzelve niet verklaart. De discipelen houden de Joodse feestdagen. Zoo vinden wij in Mat. 26:17 « op de eersten (dag) der ongehevelde (broden) », dat was het begin van het feest der ongezuurde broden van Lev. 23:6. Wil U dit hoofdstuk doorlezen? |
| A — |
Verbazend! In de verzen 15 en 16 lees ik: « Daarna zult gij u tellen van de anderen dag na de sabbat, van de dag, dat gij de garf des beweegoffers zult gebracht hebben: het zullen zeven volkomen sabbatten zijn; tot de anderen dag, na de zevenden sabbat, zult gij vijftig dagen tellen; dan zult gij een nieuw spijsoffer de Heere offeren ». Hier is een reeks van zeven sabbatten, van 50 dagen, en de 50ste dag was wat wij nu « Pinksteren » noemen (d. i. vijftigste). |
| B — |
Ziet U het verband met Mat. 28:1 enz.? |
| A — |
Ja. Het was toen de eerste der zeven sabbatten die volgden op de jaarlijkse sabbat (de 15e Nisan), vermits 50 dagen na de opstanding juist het Pinksterfeest gevierd werd. Ik moet bekennen dat de Griekse tekst hier geheel letterlijk kan en moet opgevat worden. Ik moet ook bekennen dat U geen enkelen tekst verdraaid heeft om uw mening door te voeren en dat Gods Woord ons eenvoudig en duidelijk de dingen uitlegt. |
| B — |
Dat was dus een jaarlijkse feestdag van Israël en geen nieuwe wekelijkse feestdag voor de Gemeente. Ik herhaal dus, dat in Mattheus niets tot de Gemeente gericht is. |
| A — |
Maar... maar... ik kan dat alles zo maar niet in eens aannemen, dat gaat nu toch alle gedachte te boven! Zovele Christenen konden zich toch niet vergissen. |
| B — |
Denk er aan wie de god dezer eeuw is. U heeft gezegd voorzichtig te willen zijn, welnu wees voorzichtig. Maar dan even voorzichtig ten opzichte der dingen, die U van jongs af geleerd zijn, als tegenover de andere. In Gods Woord alleen hebben wij veilige grond. God heeft gesproken, daarvoor moet het ganse Christendom wijken. Maar wij hebben de andere teksten nog niet nagezien. B. v. Hand, 20:7 en 1 Kor. 16:2. Veronderstel, dat ook daar kort daarop van Pinksteren werd gesproken, zou dat U niet geheel overtuigen, dat onze conclusie uit Mat. 28:1 juist en er geen sprake van een wekelijkse feestdag is? |
| A — |
Ja zeker, het is interessant die teksten ook te onderzoeken; hier vinden wij misschien een andere oplossing. |
| B — |
Hand, 20:7 volgt op Hand. 20:6, waar sprake is van « de dagen der ongehevelde (broden) ». Verder hebben wij in Hand. 20:16: « want hij spoedde zich, om... op de Pinksterdag te Jeruzalem te zijn. » |
| A — |
Dat bevestigt volkomen, dat hier weer gesproken wordt van een jaarlijkse feestdag. Misschien geeft 1 kor. 16:2 nog een uitkomst? |
| B — |
Daar lezen wij: « op elke eersten (dag) der week (Grieks: « een der sabbatten ») en in vers 8 « maar ik zal te Efeze blijven tot de Pinksterdag ». Hier ook weer is de « een der sabbatten » gevolgd door Pinksteren. U ziet, dat de Heilige Geest alle mogelijke zorg genomen heeft om ons te beletten door de overlevering misleid te worden, nooit is er sprake van een nieuwe wekelijkse feestdag. Men heeft hier de keuze tussen hetgeen God gesproken heeft en hetgeen de mensen zeggen. |
| A — |
Het is waarlijk verbijsterend! Maar één ding is toch weer niet duidelijk, waarom staat er « elke » eerste der sabbatten in 1 Kor. 16:2? Is dat dan toch geen wekelijkse feestdag? |
| B — |
Zij moeten dit elk jaar doen. Overigens staat « elke » niet in de voornaamste handschriften, De Engelse vertalingen laten het weg. Maar waarom stelde Paulus hun voor zo te handelen? Laat ons Deut. 16:10 lezen: « Daarna zult gij de Heere, uwen God, het feest der weken houden; het zal een vrijwillige schatting uwer hand zijn, dat gij geven zult, naardat u de Heere, uw God, zal gezegend hebben ». Het vorige vers laat zien, dat het hier wel de 7 weken en de 7 sabbatten geldt. Paulus spreekt hier over de vervulling der wet. Om geen tijd te verliezen, stelt hij voor die gaven te verzamelen vóór zijn komst. Wij zullen deze zaak nu laten rusten en er steeds aan denken, dat gedurende de tijd der Handelingen de feestdagen en inzettingen stipt gevolgd werden, ook door Christen-Joden. Wij zullen dat later steeds bevestigd zien. Ik stel voor nog een blik te werpen op de andere Evangeliën. |
| A — |
Ja dat is nodig. Mattheus is juist het meest Israëhetisch getint, dat weet iedereen, maar de andere Evangeliën zullen ons wel van de Gemeente spreken. |
| B — |
Heeft U het Evangelie geloofd en is U gedoopt? |
| A — |
Ja natuurlijk, waarom die vreemde vraag? |
| B — |
Omdat ik U nooit tekenen heb zien doen, duivelen heb zien uitwerpen, met nieuwe tongen spreken, slangen opnemen, kranken gezond maken. Wil U Mark, 16:17, 18 eens lezen? |
| B — |
U zegt niets? Waarom past U dien tekst niet op U toe? |
| A — |
Ik wil oprecht zijn. Men heeft mij gezegd, dat die dingen nu niet meer bestonden, omdat die alleen bij de stichting der Gemeente te pas kwamen, en ook omdat wij ze onwaardig zijn. Ik moet bekennen, dat die verklaring mij nooit bevredigd heeft. De Heere Jezus spreekt niet in het bijzonder over het begin der Gemeente. En dan hadden de Korinthiërs deze gaven en waren ze zeker niet méér waardig dan wij. Maar hoe legt U dit uit? |
| B — |
Ik heb niets uit te leggen. Voor mij is er geen moeilijkheid, want Markus spreekt niet tot ons. Ook deze woorden zijn tot Israël gericht en zij zullen eenmaal weer letterlijk vervuld worden, als Israël weer Gods volk is. Ik wil zover gaan aan te nemen, dat in die tijden die gaven zich ook zullen uitstrekken tot de gelovigen uit de volken, die door Israël gezegend zijn. Maar dat, is maar een veronderstelling. Als U de gehele Schrift, doorloopt, zal U zien, dat dergelijke tekenen bestaan zolang Israël Gods volk is. U kan ze dan ook in het gehele boek der Handelingen vinden. Heb. 2:4 zegt « God bovendien medegetuigende door tekenen en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijn wil ». Het waren de « krachten der toekomende eeuw » (Heb. 6:5) d. i. van het koninkrijk. Zodra Israël niet meer Gods volk is (Hand. 28:28) houden die tekenen op, omdat het konikrijk niet meer nabij is. In de Brieven, geschreven na Hand. (Ef. Fil. Kol. 2 Tim.) vindt men geen enkel teken. Wil U b. v. Ef. 4:11, 12 vergelijken met 1 Kor. 12:28? |
| A — |
Inderdaad, de eerste brief aan de Korinthiërs spreekt, van krachten, gaven der gezondmaking, talen, terwijl deze in Efeze niet meer vermeld worden. Dit doet er mij ook aan denken, dat Paulus Epafroditus niet geneest (Fil. 2:27), noch Trofimus (2 Tim 4:20) en hij zelf langen tijd gevangen blijft, terwijl hij vroeger in zo'n geval in de regel op wonderbare wijze zou bevrijd geworden zijn. |
| B — |
En in Kol. 4 14 noemt hij Lukas nog de « medicijn meester ». Hadden zij stelselmatig kranken gezond gemaakt, als gedurende de tijd der Handelingen, dan was er geen « medicijnmeester » meer nodig. Ik bedoel niet dat er geen uitzonderingen zijn. Evenals vroeger niet allen verlost en genezen werden, zo zijn er ook nu nog wel « geloofs-genezingen ». Begint U te bemerken dat die tijd der Handelingen een heel bijzondere tijd was, in niets te vergelijken met de onze? Dit is een der hoofdsleutels tot het begrijpen van het zogenaamde « Nieuwe Testament » en tot het « recht snijden van het woord der waarheid ». |
| A — |
Sinds ons laatste onderhoud heb ik Lukas doorgelezen. Het treft mij nu dat er sprake is van « de troon van Zijn vader David » (Luk. 1:32); dat Zacharias het alleen over Israël heeft (Luk. 1:67-79); dat Simon en Anna « de vertroosting Israëls » verwachten (Luk. 2:25); dat de volken wel verlichting beloofd wordt, maar aan Israël heerlijkheid (Luk. 2:32); en zovele andere dingen meer, die mij vroeger niet opvielen. |
| B — |
Laat ons verder opmerken wat de Heere Jezus zei van het koninkrijk in Luk. 17:24-30: het komt plotselings bij de openbaring van de Zoon des mensen. Dit is dus wel een werkelijk koninkrijk op aarde. |
| A — |
Maar Hij zei ook: « het koninkrijk Gods is binnen ulieden », dat schijnt toch weer een geestelijk rijk te zijn? |
| B — |
« Binnen ulieden » kon niet gezegd worden van de vijandelijke Farizeën. De betekenis is: « in uw midden » d. w. z. de Heere Jezus, hun Koning, die het koninkrijk verpersoonlijkt, stond in hun midden, het koninkrijk was nabijgekomen (Mat, 12:28; Joh. 1:26). |
| A — |
En is Luk. 21:8-27 niet vervuld bij de verwoesting van Jeruzalem? |
| B — |
Neen het was een begin van vervulling. Van vers 12 tot 24 betreft het in het bijzonder de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70, maar U ziet, dat dit deel begint met de woorden « maar vóór dit alles ». Het overige had niet lang daarna moeten geschieden, omdat Israël zich intussen had moeten bekeren, maar nu ligt het nog in de toekomst. Onze tijd is als het ware een onderbreking, die door geen profeet voorzien werd. Zie b. v. Ps. 118:22; Jes. 9:5, 6; 53:10; 61:2; Dan. 9:26, 27, en zovele andere. In al die teksten is een onderbreking van ongeveer 2000 jaar. U weet ook, hoe de Heere Jezus in Luk. 4:18, 19 bij de aanhaling van Jes. 61:1, 2 midden in de zin ophield. Het laatste deel moet nu nog vervuld worden. Gedurende die onderbreking is Israël Gods volk niet en het koninkrijk niet nabij. Die onderbreking begint niet met Pinksteren, maar na de tijd der Handelingen. Zij wordt openbaar door de verwoesting van Jeruzalem en de verspreiding van Israël. Die onderbreking eindigt als de tempel weer herbouwd wordt. |
| A — |
Ik begin U nu beter te begrijpen. Laat ons nu Johannes nagaan. Iedereen zegt, dat ten minste dit Evangelie meer bijzonder tot de Gemeente gericht is. |
| B — |
Laat ons onderzoeken, zonder beïnvloed te worden door « iedereen ». |
| A — |
Wil U soms beweren dat Joh. 1:9 b. v. niet gericht is tot « een iegelijk mens »? |
| B — |
Ik beweer inderdaad, dat het niet TOT ons gericht is, maar daarom betreft het ons wel. |
| A — |
Maar wat verschil maakt U eigenlijk tussen iets dat TOT ons gericht is en iets dat VOOR ons is? |
| B — |
Het is inderdaad nodig mij hier wat duidelijker uit te drukken. Laat mij toe een eenvoudige vergelijking te gebruiken. Stel: iemand schrijft een brief aan een fabrieksbediende en spreekt er in over dingen, die zijn werkzaamheden en zijn plaats betreffen en ook over andere dingen, die hem als mens aanbelangen, b. v. zijn gezondheidstoestand. Die brief wordt U ter lezing gegeven omdat hij zulken goeden raad bevat. Nu beschouwt U dien brief niet als TOT U gericht, maar wel is hij VOOR U. Sommige delen zijn niet op U toepasselijk, want zij betreffen de speciale positie van dien bediende. Zelfs die delen kunnen ook voor U wel nuttig zijn, maar vooral de andere delen, die de mens betreffen, zijn ook op U letterlijk toepasselijk. Zo is het ook met Gods Woord en U maakt tenslotte hetzelfde onderscheid voor vele delen van het O. T. Of past U letterlijk op uzelve toe, wat aan Adam, Noach en zovele anderen wordt gezegd of voorgeschreven? Neen, maar toch is dit alles nuttig en nodig voor U. Sommige dingen, die niet speciaal hun positie betreffen, kan U zelfs geheel voor U nemen. |
| A — |
Als U de zaken zó beziet, kan ik met U akkoord gaan, maar waarom legt U zo de nadruk op dit onderscheid? |
| B — |
Om verwarring te voorkomen. Zolang wij niet duidelijk voor ogen hebben dat de vier Evangeliën en andere delen van het N. T. een tijd betreffen, waarin God zich in de eerste plaats of zelfs uitsluitend tot Israël richt, lopen wij gevaar op onszelve dingen toe te passen, die niet voor ons bestemd zijn. Als het gaat over de mens in het algemeen, over de zonde en de verlossing b. v. dan mogen wij alles op ons toepassen. Gaat het echter over een bijzonder volk in een bijzondere tijd, dan betreft het mij niet, al kan ik ook hier een les leren. « Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is » (2 T im. 3:16). Maar daarom is al de Schrift niet tot mij gericht. |
| A — |
Dat schijnt mij inderdaad een juiste zienswijze, maar ik dacht, dat voor U al de delen, die niet tot ons gericht zijn, geen waarde meer hadden, maar bijkomstig waren, dat er dus maar een paar Brieven van heel de Bijbel overbleven. |
| B — |
Voor mij blijft de Bijbel zijn onschatbare waarde behouden. De delen die tot ons gericht zijn hebben echter méér waarde dan voor hen, die geen Onderscheid maken en dan ook hun bijzondere voorrechten niet zo duidelijk inzien. Ik beweer, dat door alleen dat op mij toe te passen wat God voor mij bestemd heeft, ik beter de heerlijkheid van Gods genade kan prijzen. Ik hoop U dat in het vervolg te tonen en U tegelijkertijd te doen inzien, dat ons onderzoek niet alleen het hoofd bezig houdt, maar tenslotte het hart zó in beslag neemt als geen andere beschouwing dat doen kan. |
| A — |
Nu moeten wij nog verder nagaan of Johannes werkelijk tot Israël gericht is. Betreft « kinderen Gods » (Joh. 1:12) niet de gelovigen uit de volken? |
| B — |
Jawel, doch in de eerste plaats die uit Israël. Zie b. v. Hos. 1:10. De profeten hadden nooit gezegd, dat ook sommigen uit de volken dien naam zouden dragen, zij spraken alleen van Israël. |
| A — |
Inderdaad. Verder zie ik dat de Heere Jezus als de « Messias » en de « Koning Israëls » erkend wordt (Joh. 1:42, 50). Maar in het derde hoofdstuk lees ik van het « wederom geboren worden ». Dat is niet voor Israël, maar juist het voornaamste voor ons, Christenen. Nicodemus begrijpt er dan ook niets van. |
| B — |
Maar dat wil niet zeggen dat hij het niet had moeten begrijpen. De Heere Jezus zegt, dat hij die dingen had moeten weten als « leraar van Israël » (vers 10). Denk er verder aan, dat Israëlieten, die in Christus geloven ook Christenen zijn. Johannes plaatst het « vlees » (of oude hart) tegenover de « geest » (of nieuw hart). In Deut. 30:6 ;Ps. 51:12; Jer. 24:7; 31:33; 32:39; Ezech. 11:19; 18:31; 36:25-27 vinden wij daarover heel wat. Overigens ziet U uit Joh. 3:12, dat het een « aards ding » is en in verband met het koninkrijk (vers 5). Wij hebben veel meer dan een « wedergeboorte », dat zal U later zien. |
| A — |
Is Christus niet ONZE goede Herder? (Joh. 10:11). |
| B — |
De Herder behoort bij het Volk.De Herder weidt Zijn Volk Israël (Mat. 2:6). Zie ook Jes. 40:11; Ezech. 34:12-24; zonder te spreken van Psalm 23. Wij staan in een andere betrekking tot Hem. Men kan die teksten wel op ons toepassen, maar letterlijk betreffen zij Israël. |
| A — |
Maar Heb. 13:20 en 1 Pet. 5:4 spreken toch ook van dien Herder in betrekking met de Gemeente? |
| B — |
Ik vraag U verschoning, aan wie zijn deze Brieven gericht? |
| A — |
Nu ja de eerste is aan de « Hebreën » gericht, dat heeft U mij reeds doen opmerken, maar Petrus spreekt dan toch tot alle gelovigen? |
| B — |
Laat ons niets veronderstellen, maar Gods Woord horen. 1 Pet. 1:1 zegt dat de brief gericht is aan « de vreemdelingen, verstrooid in... » Het Grieks heeft « diaspora », de welbekende uitdrukking voor de verspreide Joden. Zo begint ook Jakobus: « aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn ». Ik druk er dus nogmaals op, dat, al is er nog zoveel op ons toepasselijk, alles niet TOT ons gericht is. Petrus, noch Jakobus spreken van de eigenlijke Gemeente. |
| A — |
Maar Joh. 10:16 zegt: « Ik heb nog andere schapen », dat zijn dan toch de gelovigen uit de volken? |
| B — |
Zelfs dat geloof ik niet. Als U de Concordans wil raadplegen, zal U vinden, dat het woord « andere » de vertaling is van « allos ». In andere gevallen is het de vertaling van « heteros ». U kan zelf de teksten nazien, waar die woorden gebruikt worden en zal dan zien, wat ook algemeen bekend is, dat « allos » wil zeggen andere van dezelfde soort » en « heteros » meer « andersoortige ». Als de volken bedoeld waren, zou de Heilige Geest zeker « heteros » gebruikt hebben. De gelovigen uit de volken waren « andersoortige » schapen. U ziet ook dat « stal » een plaatselijke aanwijzing is voor Jeruzalem. Buiten die stad waren de andere schapen, verstrooid. Zie ook Joh. 11:51, 52. |
| A — |
Ik zie verder, dat de Heere Jezus als « Koning Israëls » begroet wordt (Joh. 12:13) en dat het de vervulling was der profetie « Uw Koning komt ».
Met het voorbehoud, dat de Evangeliën ook VOOR ons zijn, kan ik er tenslotte met U over instemmen, dat zij gericht zijn tot en handelen over Israël. |
| B — |
U zal daar de volle verzekering van hebben, als U zal inzien, dat lang na het kruis er alleen van Israël sprake is en de volken zelfs dan nog geen deel hebben aan de zegeningen. Intussen blijkt het, hoe goed de Evangeliën zich aan het O. T. aanpassen, als men alles letterlijk opvat.
Wij komen nu tot de Handelingen. Als men inziet hoe de gelovige Israëlieten nog steeds in afwachting waren van het koninkrijk op aarde, dan mag men verwachten, dat zij er de Heere Jezus zullen over spreken. Na de vernedering en het kruis, kon de tijd der heerlijkheid weldra aanbreken. Wij lezen dan ook in Hand. 1:6
« Heere! Zult Gij in dezen tijd aan Israël het koninkrijk wederoprichten? » Dat is zo duidelijk mogelijk: aan Israël. |
| A — |
Ik moet bekennen, dat dit vers mij steeds gehinderd heeft. Ik durf de apostelen niet te beschuldigen een valse verwachting te hebben. De Heere zelf zegt hun overigens niet, dat zij meer naar iets hemels moeten uitzien of over de kerk spreken; Hij zeg alleen, dat het hen niet toekomt te weten in welken tijd het koninkrijk zal opgericht worden. |
| B — |
Het doet mij genoegen dat U de apostelen niet van vergissing beschuldigt. Hoe durft men zo te spreken als men denkt aan Luk. 24:45: « Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden » en er ook op let, dat zij zo pas 40 dagen onderwijs over het koninkrijk ontvangen van de Heere Jezus zelf. (Hand 1:3). Weet U waarom Hij hun niets kon zeggen over de tijd waarop het zou beginnen? |
| A — |
Neen, ik zie daar geen bepaalde reden voor. |
| B — |
Het koninkrijk was weder « nabij », Israël zou weer uitgenodigd worden zich tot de Messias te bekeren. Maar de Heere wist dat zij Hem nogmaals zouden verwerpen. Natuurlijk kon Hij dit niet aan de apostelen zeggen, want zij moesten hun boodschap brengen alsof werkelijk het koninkrijk ging beginnen. Zij moesten vertrouwen hebben in de goeden uitslag, om hun boodschap goed te kunnen brengen en de gehele verantwoordelijkheid aan het Volk over te laten. |
| A — |
Ik zie, dat dit heel wat andere zaken uitlegt, maar hier is nu weer een andere moeilijkheid voor mij. Na het kruis was Israël toch verworpen, hoe kan er dan sprake zijn van het koninkrijk? En dan nog wel zo spoedig? |
| B — |
Gelooft U dat Christus' gebeden verhoord worden? |
| A — |
Zeer zeker, daar is niet de minsten twijfel aan. |
| B — |
Goed. In Luk. 23:34 bad Hij: « Vader! vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen ». En dat die bede Israël betreft, zien wij uit Hand. 3:15-19. |
| A — |
Dus kon het koninkrijk inderdaad weer verkondigd worden. Wat een genade! Zij konden wederom uitgenodigd worden zich te bekeren. Welk een lankmoedigheid! Ik begin dit alles nu beter in te zien en vrees, dat ik mij aangaande deze dingen wat haastig heb uitgesproken. Ik betreur in liefde jegens U te kort gekomen te zijn en U dikwijls zonder onderzoek veroordeeld te hebben. |
| B — |
Laat ons nu over de apostelen spreken. Gelooft U, dat Paulus een der 12 Apostelen is? |
| A — |
Ja dat geloof ik vast. Maar om U de waarheid te zeggen, zou ik verkiezen dergelijke zaken te laten rusten, dat maakt maar warme hoofden en koude harten. Daar hebben wij toch niets aan. |
| B — |
Hoe weet U, dat die zaak alleen het hoofd betreft? Denkt U, dat God iets geschreven heeft, dat onnuttig zou zijn en ook ons hart niet zou raken? Ik vrees, dat zij, die in dergelijke gevallen van warme hoofden en koude harten spreken, zich een systeem hebben opgebouwd waarmede ze gans tevreden zijn en nu maar liever niet meer spreken over dingen, die niet in hun systeem passen. Ik geloof, dat men niet bevreesd moet zijn welk deel der Schrift ook te onderzoeken. De vraag, die ik stelde, zal later blijken van veel belang te zijn. Ik dring dus aan en vraag U nu, waarom Paulus deel uitmaakt van de 12, als de 11 apostelen toch Matthias « mederekenden »? |
| A — |
Wel, U weet. eigenlijk wel waarom men dit denkt. Van Matthias horen wij verder niets meer en Paulus is daarentegen de bijzonderste der apostelen. Verder konden de 11 hier wel wat te voortvarend gehandeld hebben, want zij hadden de Heiligen Geest nog niet ontvangen. En dan dat werpen van het lot! Hoe konden zij zó iets doen? |
| B — |
Wees toch voorzichtig. U beschuldigt de 11 apostelen en tenslotte God zelf. Ik wil die argumenten één voor één onderzoeken. Dat van Matthias niets meer vernomen wordt, betekent niets; dat is ook het geval met de meeste andere apostelen. Dat Paulus een der voornaamste apostelen is, stem ik toe, maar... daarom behoort hij niet tot de 12.
|
| A — |
Wat is dat nu? Als Paulus een apostel is, behoort hij vanzelf tot de 12. |
| B — |
Dat spreekt niet van zelf. Er zijn 12 apostelen, die door Christus uitgekozen zijn gedurende zijn dienst in vernedering. Zij vormen een bijzondere groep, met een bijzondere roeping. Ik kan begrijpen, dat U dit alles vroeger niet heeft opgemerkt, omdat U Israël voor goed als door God verstoten beschouwde. Maar nu moet U Mat. 19:28 eens overdenken. Deze 12 apostelen zullen zitten op 12 tronen, oordelende de 12 geslachten Israëls. En dat zal geschieden als de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon Zijner heerlijkheid, dus in het koninkrijk. Maar verder hebben wij andere apostelen, ook door de Heere Jezus gegeven, maar nà Zijn hemelvaart. U kunt dit uit Ef. 4:10 en 11 leren. Tot die apostelen behoren Paulus en Barnabas (Hand. 14:14); Silvanus en Timotheus (1 Thes. 1:1 en 2:6); Andronicus en Junias (Rom. 16:7). Dus ten minste 6 apostelen. Al was Paulus dus een der voornaamste apostelen, toch behoorde hij daarom niet tot de 12. |
| A — |
Zo heb ik dit nooit ingezien. Maar waarom vindt U het zo erg dat de 11 zich vergist zouden hebben, als ze toch de Heiligen Geest nog niet ontvangen hadden? |
| B — |
Ik vind dat erg, omdat ze de Heiligen Geest juist wel ontvangen hadden. Joh. 20:22 zegt dat, lang voor Pinksteren, de Heere op hen blies en zeide: « Ontvangt de Heiligen Geest ». Daarbij weet U dat hun verstand geopend was en dat zij 40 dagen door Christus onderwezen waren. Als U in deze omstandigheden kan aannemen, dat zij zich vergisten, kan U beter aan moderne kritiek gaan doen. |
| A — |
Petrus handelde later toch ook verkeerd? |
| B — |
Zeker, hij was een mens; maar U ziet, dat de Heilige Geest ons op die fout wijst en ze herstelt. Hier echter is niet de minste aanduiding, dat zij allen zich vergisten. Integendeel, bevestigt de Heilige Geest zelf, dat Matthias tot de 12 behoorde, vermits hij van de 12 spreekt in Hand. 2:14; 6:2 lang vóór de bekering van Paulus. Paulus kon overigens niet in aanmerking komen, omdat hij niet met hen omgegaan had « beginnende van de doop van Johannes » (Hand. 1:22). Die voorwaarde werd ook door de Heere Jezus aangegeven in Joh. 15:26,27. |
| A — |
Ik moet mij wel laten overtuigen door dergelijke argumenten. U laat de Bijbel spreken, terwijl ik maar op veronderstellingen en redeneringen steunde. Maar nu zou ik toch willen weten waarom zij er dan zelf twee uitkozen en het lot wierpen? |
| B — |
Dat is heel eenvoudig. Niets laat ons toe te veronderstellen, dat er meer dan twee waren, die aan de voorwaarde van de verzen 21 en 22 voldeden. Zij « verkozen » ze overigens niet, maar « stelden » ze. Zij hebben zich wel gewacht zelf te kiezen en juist daarom werpen zij het lot. Dat was hun in dergelijke omstandigheden opgelegd door de Heere, zoals U uit Lev. 16:8-10; Num. 26:55; Neh. 10:34; Jona 1:7 enz. kunt zien. Vers 26 zegt in het Grieks « medegerekend » niet « gekozen ». |
| A — |
Ik beken dat er geen reden is zich het hoofd warm te maken, als men bereid is Gods Woord in zijn geheel eenvoudig aan te nemen. Intussen zie ik hoe deze zaak duidelijk Rome's dwaling aan het licht brengt. Als de 12 apostelen een heel bepaalden groep vormen, dan kan Petrus geen opvolgers hebben. |
| B — |
Nu komen wij tot Pinksteren, d. i. de 50ste dag van af de garf des beweegoffers (Lev. 23:15,16). U ziet dat de Christen-Israëlieten heel getrouw Gods hoogtijden waarnemen. Hier lezen wij over het begin der vervulling van Joël 2:28-31; Jes. 32:15 enz. |
| A — |
Dat schijnt mij niet geheel juist. In Hand. 2 waren er zowel gelovigen uit de volken als Christen Joden, terwijl de profeten volgens U alleen van Israël spreken. Tenzij U ook wil aannemen, dat de volken nu Israëls plaats innemen? |
| B — |
Ik vind geen volken in Hand. 2, ja zelfs niet in de zeven eerste hoofdstukken. Hand. 2:5 spreekt van Joden. De volgende verzen spreken van « Parthers, en Meders... », maar vers 10 zegt dat het toch ook Joden of Jodengenoten waren. De Joden, die in de genoemde landen verspreid waren, hadden zich te Jeruzalem verenigd (zie vers 14). Vers 22 kent dan ook maar alleen « Israëhetische mannen ». Uit de geschiedenis van Cornelius, in het 10e hoofdstuk, ziet U hoe toen allen uit de volken, al waren zij « godzalig en vrezende God... en doende vele aalmoezen... en God geduriglijk biddende » door Petrus nog vergeleken werden met het onrein gedierte (Hand. 10:14). Dit is reeds voldoende om in te zien dat er in de eerste hoofdstukken van de volken geen sprake is en ook dat Petrus niets schijnt te weten over een Gemeente,' die met Pinksteren begint en waar geen onderscheid gemaakt wordt tussen Jood en Heiden. Tenzij hij zich weer vergist. Hij zegt zelf, dat hetgeen bij Pinksteren gebeurde het begin is der vervulling van Joël (Hand. 2:16). Ik zeg « begin » omdat de Heilige Geest toen nog niet op « alle vlees » uitgestort werd. Wil U Joël 2:18 eens lezen? |
| A — |
« Zo zal de Heere ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk verschonen ». Dat betreft Palestina en Israël. |
| B — |
Dus is het zeker geen kenmerk der Gemeente. Alleen als men het O. T. vergeestelijkt kan men hier van de Gemeente spreken. |
| A — |
Maar de Gemeente wordt toch in Hand. 2:47 b. v. vermeld? |
| B — |
Ja in de vertaling, maar de bijzonderste handschriften spreken er niet van. Overigens weet U, dat de Hebreeuwse en Griekse uitdrukkingen voor « gemeente » eenvoudig een groep uitgekozen personen aanduiden.. Er was reeds een « gemeente » in de- woestijn volgens Hand. 7:38, waar « vergadering » de vertaling is van het Griekse woord, dat gewoonlijk door « gemeente » weergegeven is. Als U dus het woord « gemeente » ergens vindt, dan is dit nog geen bewijs, dat het aanduidt wat wij in het bijzonder « Gemeente » noemen. U ziet ook dat Petrus spreekt over de « troon .» (Hand. 2:30) en Israël tot bekering maant. |
| A — |
Is dat geen bekering, zoals degene waarover wij spreken? |
| B — |
Neen het is de herhaling van wat de profeten vroegen (Jer. 3:7, 14, 22; 4:1; 18:11; 25:5; Ezech. 14:6; Hos. 14:2; Joël 2:12, 13) en wat door Johannes de Doper en Christus zelve herhaald werd. Het betreft in het bijzonder Israël als volk en is de voorwaarde voor het oprichten van het koninkrijk. |
| A — |
Ik lees inderdaad in Hand. 3:19, 20: « Betert u dan, en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren, en Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, die u tevoren gepredikt is... » |
| B — |
En let er op, dat deze vertaling niet getrouw is en de woorden van de Heilige Geest grotendeels van hun betekenis berooft worden. In plaats van « wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn », moeten wij lezen:.« opdat tijden van verkwikking mogen komen ». In plaats van « en Hij gezonden zal hebben », leze men « en Hij zenden moge ». Nieuwere vertalingen verbeteren dit dan ook en daar ik weet, dat U veel vertrouwen hebt in Bavinck, kunt U b. v. deel IV van zijn « Gereformeerde Dogmatiek » bl. 74 hierover raadplegen. U ziet dat wij hier geen « uitleg » moeten zoeken. Aan Israël wordt zeer duidelijk de voorwaarde van de komst van het lang verwachte koninkrijk voorgehouden. |
| A — |
Daar valt mij juist te binnen, dat aan Petrus de sleutelen van het KONINKRIJK toevertrouwd waren (Mat. 16:19). Hij had dus een bijzonder rentmeesterschap ontvangen (Jes. 22:15 en 22) in betrekking met het koninkrijk. Hier in Handelingen bedient hij zich van die « sleutelen ». En dan is dit ook weer een aanduiding, dat het hier het koninkrijk betreft en niet de Gemeente. |
| B — |
Ik bemerk, dat U begint in te zien hoe de zaken staan en ik geloof, dat wij ons onderzoek nu enigszins kunnen inkorten. U kan toch voor de meeste zaken « Het Voornemen der Eeuwen » raadplegen. Ik wil echter nog uw aandacht vragen voor enkele toestanden, die de tijd der Handelingen kenmerken. Vooreerst heeft men de wonderen en krachten als teken van het komende rijk, zie b. v. Hand. 2:16-22; 5:19; 8:5-12; 19:12 tot zelfs in het laatste hoofdstuk 28:5, 8, 9. |
| A — |
Ja, en zoals U reeds zei, in de Brieven nà, de tijd der Handelingen geschreven, is geen sprake meer van die tekenen, Als de mensen der « Pinkstergemeente » dit inzagen, zouden zij niet langer in hun dwaling blijven. |
| B — |
Ten tweede heeft men andere kenmerken van de koninkrijks-toestand: onmiddellijk gericht en gemeenschap in alles. Zie b. v. Hand. 2:42-46; 5:5, 10; 12:23; 13:11; 1 Kor. 5:5. |
| A — |
Ik begrijp nu waarom die toestanden nu niet bestaan. Vele dingen worden mij duidelijk. Christen « Communisten » zouden hier iets te leren hebben. |
| B — |
De profetiën werden vervuld, inbegrepen de zegeningen der Volken in verband met Israël als Gods Volk. (Zie ook bl. 13 en 19. Dit laatste was geen verborgenheid. Er is een zichtbare, tastbare, hoorbare tussenkomst der engelen. Maar vooral: Israël bekleedt de eerste plaats, de tempel bestaat, de wet wordt gevolgd. |
| A — |
Al hebben zij ook wel deel aan Israëls zegeningen, toch staan de Volken op de tweede plaats, zij zijn « Gods volk » niet, ten minste voor wat de stoffelijke dingen betreft. Laat ons dit wat nader onderzoeken. |
| B — |
Ja, want als de Schrift zegt, dat de Christen-Joden toen in het bijzonder Gods volk zijn en zij de vormen der wet nog moeten onderhouden, dan is het duidelijk, dat die tijd volkomen verschilt van de onze; dat bij het einde der Handelingen, en niet met Pinksteren, een nieuwe bedeling begint, die der Gemeente. Wij zullen natuurlijk ook rekening houden met de brieven geschreven gedurende dien tijd.
Vooreerst lezen wij telkens van het gaan der apostelen en Christen-Joden naar de tempel en de synagoge (Hand. 5:20; 13:14). Een dertigtal jaren na Pinksteren, gaat Paulus nog naar de tempel om te offeren. U weet wat Hand. 21:21-26 daarover zegt. |
| A — |
Was dat geen toepassing van 1 Kor. 9:20? |
| B — |
Neen want Paulus is hier de Joden niet « als een Jood » en die onder de wet zijn niet « als onder de wet » geworden. Het was niet de zaak alles te vermijden, wat de Joden kon afstoten, maar hij wou openbaar bewijzen dat hetgeen men van hem zei, namelijk, dat de Joden niet meer moesten besneden worden en niet meer naar de wijze der wet moesten handelen, een leugen was. Hij wilde duidelijk tonen, dat hij de wet zelf volgde. Jakobus en de ouderlingen nodigden hem hiertoe uit. Als Paulus de vormen der wet niet meer onderhield, kon hij dan de mensen met volle bewustzijn in de waan brengen, dat hij het wel deed? Veronderstel dat U tegenover een Rooms-katholiek staat. U zal hem vooreerst niet spreken over allerlei, dat maar een gevolg is zijner dwaling. U zal beginnen met iets waarover U het met hem eens is en in den beginne neemt hij U misschien zelfs voor een lid zijner « kerk ». Als U het bijzonderste heeft gezegd, komt U misschien tot de mis. U is dien Roomse als een Roomse geworden om. hem te winnen, maar U zal er niet aan denken in het openbaar naar de mis te gaan, om te bewijzen, dat U in alle opzichten de Roomse voorschriften volgt! Zo is er ook een hemelsbreed verschil tussen 1 Kor. 9:20 en Hand. 21:26. Vele ernstige onderzoekers erkennen dan ook, dat hier een grote moeilijkheid ligt. Sommigen nemen aan, dat Paulus verkeerd handelde; anderen durven dit niet zeggen en laten de zaak zonder verklaring. U ziet, dat er voor ons geen moeilijkheid bestaat. Paulus, zoals alle Christen-Joden, volgde de wet en hij kon dus zeer goed naar de tempel gaan en een offerande offeren. Hij komt hier later nog op terug (Hand. 24:17-19) en zegt ook in Hand. 25:8:« Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de Keizer iets gezondigd ». |
| A — |
Ik geloof dat wij dan heel wat moeilijkheden zullen hebben met Gal. en Heb., maar U zal daar wel over spreken en ook nog iets zeggen van het Nieuwe Verbond. |
| B — |
Ja wij zullen alle plaatsen nagaan, die hiermede betrekking hebben. Ik wil geen stelsel verdedigen, maar geheel Gods Woord raadplegen en ben steeds bereid voorlopige gevolgtrekkingen op te geven voor andere, die meer overeenstemmen met de Schriften, Als U mij lief heeft, help mij hierin. Laat ons nu Heb. 9:8-10 lezen. |
| A — |
Ik zie niet, dat deze verzen iets zeggen over het nog waarnemen der wet? |
| B — |
De statenvertaling spreekt hier als van het verleden, maar andere vertalingen en de Griekse tekst zelf, spreken van de tijd, waarop de brief geschreven is. Men moet lezen:« een gelijkenis voor de tegenwoordige tijd, waarin zowel gaven als slachtoffers geofferd worden, welke hen, die de dienst pleegt » enz.
Maar laat ons nu Petrus nagaan. Wij hebben reeds gezien hoe hij een 10tal jaren na Pinksteren Cornelius beschouwt. Hand. 10 toont ons hoe het nodig was hem een gezicht te zenden, driemaal herhaald en daarbij nog een bevel door tussenkomst van een engel, om hem er toe te bewegen naar Cornelius te gaan. Hij zei:« Gij weet, hoe het enen Joodse man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot enen vreemde; doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten ». |
| A — |
Daarentegen is het duidelijk dat, als de Gemeente met Pinksteren begonnen was, Petrus de eerste zou geweest zijn om de armen te openen voor een « godzalig » man als Cornelius. Laat ons terloops opmerken, dat de zegening der volken in verband met en door Israël geen « verborgenheid » was. Wij hebben. dat vroeger reeds besproken (zie bl. 35). Is echter Hand. 15 geen aanduiding, dat de besnijdenis niet meer moest toegepast worden? |
| B — |
Laat ons dit hoofdstuk kalm lezen. Over welke gelovigen gaat het hier? |
| A — |
Vers 3 spreekt van de bekering der Heidenen (volken), dit werd door Paulus en Barnabas te Jeruzalem- bekend gemaakt (vers 4). Sommige gelovige (d. i. Christen) Farizeeën beweerden echter, dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. Ik zie nu dat het de volken betreft, niet de Joden. |
| B — |
De vraag was:moeten die gelovigen als « vreemdelingen » bij Israël ingelijfd worden door de besnijdenis? Dat was natuurlijk niet nodig. Jakobus haalt Amos 9:11, 12 aan, een tekst, die spreekt van de herstelling van Israël en van de zegeningen, die dan tot de volken komen. Deze zouden als VOLKEN gezegend worden, niet als tot Israël gevoegden. Deze tekst zegt dus niets over het volgen der wet door de Christen-Joden. Of liever hij bevestigt dat zij nog steeds de besnijdenis toepasten, want zou dit voorstel zoveel twisting en beroering gebracht hebben, als de Joden zelf niet meer moesten besneden worden? Neen nietwaar, dan was de zaak zeer eenvoudig. |
| A — |
Het wordt mij steeds duidelijker, maar toch is het moeilijk vroegere opvattingen zo maar te laten varen. |
| B — |
Beste vriend, ik ben met mijn onderzoek jaren geleden begonnen, om voor mijzelf tot klaarheid te komen en heb heel wat gedachten moeten opgeven, al kwamen zij van hooggeschatte, vrome, ernstige onderzoekers. Nu overzien wij vele zaken in een korten tijd. Denk over dit alles rustig na, onderzoek steeds weer, en vraag vooral Gods hulp bij uw onderzoek. Ik vraag geen bijval, geen eer, maar ik vraag U om Gods wil, Zijn woord tot zijn volle recht te laten komen, niettegenstaande, al de tegenstand van onze oude natuur en van Satan.
U sprak over moeilijkheden, die wij in de Brieven van Paulus zouden hebben, als wij aannemen dat de wet nog moest gevolgd worden na het kruis. Ik moet bekennen dat bij het oppervlakkig lezen van een vertaling, in de vaste gedachte, dat, de wet toen te niet gedaan was, men kan denken dat Paulus dit ook zegt. Laat ons eerst Rom. 3:21, 28 nazien. « Zonder de wet ». Daar wij beweren licht te krijgen uit de Griekse tekst, zonder kennis van het Grieks, willen wij dat hier weer eens aantonen. Wil U « zonder » in de Concordans opzoeken? |
| A — |
Ja ik zie, dat dit een eenvoudig middel is, toegankelijk voor ieder, die zich een weinig moeite wil geven. «. Zonder » is hier de vertaling van « chooris » en uit andere teksten, waar dit woord voorkomt, zien wij, dat de betekenis is:« afgescheiden van », « behalve », « apart ». Sommige Concordanties geven alle teksten niet op, maar in de « Englishman's Concordance » vind ik b. v. Mat. 14:21 opgegeven. Deze tekst toont zeer duidelijk deze betekenis, « zonder de vrouwen en
kinderen », dat wit niet zeggen, dat deze er niet zijn, maar dat zij afzonderlijk gerekend worden. |
| B — |
U ziet ook dat « zonder » ook soms de vertaling is van « aneu », dat b. v. in 1 Pet. 4:9 voorkomt en werkelijk « zonder » wil zeggen. Dus... |
| A — |
Dus besluiten wij, dat Rom. 3:21,28 niet zegt, dat de wet niet meer moet gevolgd worden, maar alleen dat de rechtvaardigheid Gods geopenbaard is apart van de wet en verder, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, apart van de werken der wet, buiten die werken om. |
| B — |
En juist dit moest aangetoond worden, omdat nu het Nieuw Verbond gesloten was. U weet, dat het O .V. zijn oorsprong had in het feit, dat Israël beloofde alles te zullen doen wat de Heere gezegd had en zij dus dachten gerechtvaardigd te kunnen worden uit de werken der wet. Steeds moest er op gewezen worden, dat dit niet kon. In hetzelfde hoofdstuk lezen wij dat Paulus zegt, dat zij daarom de wet niet te niet doen (Rom. 3:31), maar haar bevestigen of « vaststellen », zoals Rom. 14:4 het Grieks weergeeft. Ziet U het groot verschil met Ef. 2:15, waar de wet wel « te niet » gemaakt is? |
| A — |
Maar nu Rom. 6:14. Hier zie ik geen uitweg, tenzij de vertaling verkeerd is. |
| B — |
Tegen de vertaling kan men niets zeggen. Er staat:« wij zijn niet ONDER de wet ». Rom. 7:4 voegt er aan toe dat wij der wet gedood zijn. De betekenis van Rom,. 6:14 hangt af van het woordje « onder ». Het drukt volledige slavernij uit. Zie b. v. Mat. 8:9 « onder de macht »; Rom 7:14 « onder de zonde »; 1 Tim. 6:1 « onder het juk ». Dat zegt ons ook Gal. 3:10, zij stelden zich « onder de vloek » en Gal. 4:3 in slavernij « onder eerste beginselen ». In dien toestand is men als men door de werken der wet wil gerechtvaardigd zijn, dan is men van de genade vervallen. Het is echter zeer goed mogelijk aan het « recht der wet » d. i. aan de rechtmatige eisen der wet te voldoen, zonder daarom de rechtvaardigmaking daaruit te verwachten. Zij die zich voor de rechtvaardigmaking op het geloof steunden waren van de vloek en de slavernij verlost (Gal. 3:13), niet meer ONDER de wet, maar onder de genade en hadden nu een vermaak in de wet (Rom. 7:22), zij dienden in nieuwigheid des geestes. Zij waren geen slaven meer, maar kregen het zoonschap (Gal. 4:3-5). |
| A — |
Maar als dat de betekenis is van « onder » en de wet dus ook spreekt tot hen, die niet « onder » haar zijn, dan zou Rom. 3:19 toch een andere uitdrukking moeten gebruiken? |
| B — |
Daar heb ik niet aan gedacht. Laat ons dit vers onderzoeken. |
| A — |
Ik vind Rom. 3:19 niet vermeld in de Concordans bij het Griekse woord, gewoonlijk door « onder » vertaald, dat is merkwaardig. En alle vertalingen, zowel Franse als Engelse gebruiken toch « onder ». Laat ons de « Englishman's Concordance » eens raadplegen. |
| B — |
Hier zie ik dat het Grieks « in » heeft en niet « onder ». Dan is de zaak in orde, de Heilige Geest spreekt van alle kinderen Israëls, die « in » de wet zijn, daarom zijn zij niet noodzakelijk « onder » de wet. |
| A — |
Nu een andere « moeilijkheid ». Rom. 10:4 « Want het einde der wet is Christus ». Voor sommigen is deze tekst alleen, voldoende om vast te geloven dat de wet toen te niet gedaan was. |
| B — |
Wij zullen hier weer zien, hoe gevaarlijk het is op een enkelen tekst te steunen om een belangrijke zaak te beslissen. Laat ons de Concordans raadplegen. |
| A — |
Twee Griekse woorden worden door « einde » vertaald. Gewoonlijk is het « telos ». Als wij teksten als Mat. 26:58 en Rom. 6:21 lezen, zien wij dat de betekenis meer is het bereiken van een doel of het wijzen op een gevolg, dan het ophouden van iets. Als Rom. 10:4 wil zeggen, dat de wet niet meer bestaat, dan zegt Jak. 5:11 dat de Heere niet meer bestaat. |
| B — |
En het andere Griekse woord? |
| A — |
Dat is « peras », zoals in Heb. 6:16 « een einde van alle tegenspreking ». Dat is dus het ophouden van de tegenspreking. Het is heel duidelijk dat door het gebruik van « telos » in Rom. .10:4 bedoeld wordt, dat in Christus de wet een doel bereikt had en niet, dat zij opgehouden had. |
| B — |
Zij voerde inderdaad tot Christus. Gedurende een tijd was de wet « om der overtredingen wil daarbij gesteld » (Gal. 3:19). Dit doel werd bereikt bij de komst van Christus en nu zou de wet verder eenvoudig Gods wil voor Israël uitdrukken (Rom. 2:18) en bestaan om gevolgd te worden, niet in eigen kracht ter rechtvaardigmaking, maar in Gods kracht, na de rechtvaardigmaking door het geloof. |
| A — |
Nu Gal. 4:9, 10. Paulus verwijt hen de « zwakke en arme beginselen » te dienen en « dagen en maanden, en tijden en jaren » te onderhouden. Ik heb reeds geleerd de woorden van de Heilige Geest op prijs te stellen en wil zelf nagaan, wat door « dienen » en « onderhouden » moet verstaan worden. Ik zie dat de Concordans minstens 9 Griekse woorden opgeeft voor « dienen ». Het woord gebruikt in Gal. 4:9 staat voor dienen als een slaaf. Ik herinner mij nu ook, een dergelijke opmerking gezien te hebben in sommige vertalingen. Paulus zegt dus, dat zij de uitwendige vormen, die op zichzelf « zwakke of arme beginselen » zijn, niet moesten dienen als een slaaf, als « onder » de wet zijnde. Hij zegt niet dat zij die vormen niet meer mogen uitvoeren in een nieuwe geest. |
| B — |
Dat stemt overeen met hetgeen wij reeds over het volgen der wet onder het N. V. gezien hebben. Maar nu het woord « onderhouden ». |
| A — |
Ik bemerk, dat het Griekse woord, hier door « onderhouden » vertaald, altijd in een ongunstige zin gebruikt is. Zo b. v. Mark. 3:2 (waarnemen); Hand. 9:24 (bewaarden). De betekenis is: alle aandacht op iets vestigen. Zó moeten ze de feestdagen natuurlijk niet vieren. Het uitwendige, was niet het bijzonderste, wel het inwendige, dat zeiden alle profeten reeds in het O. T.
Nu komen mij ook die woorden van de Heere Jezus uit Mat. 23:23 voor de geest:« gij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten ». Hij zegt ook in Mat. 5:17-19 dat geen jota noch tittel der wet zou voorbijgaan, totdat het alles zou geschied zijn (en niet tot het kruis). Als men uit de teksten die wij in het N. T. nagegaan hebben, wil besluiten, dat de vormen der wet niet meer gevolgd moesten worden, dan kan men dit evengoed besluiten uit hetgeen de profeten gezegd hebben. (Zie bl. 11). |
| B — |
Wij moeten dan ook over deze zaak niet veel meer zeggen. In Gal. 5:1-11 spreekt Paulus over de dienstbaarheid. Zij die zich laten besnijden met de gedachte, dat zij door de wet kunnen gerechtvaardigd worden (vers 4) waren van de genade vervallen. Die besnijdenis heeft op zichzelve geen kracht (vers 6); hij predikt hun dus niet de besnijdenis. |
| A — |
In Gal. 6:13 zie ik geen moeilijkheid. Zij die besneden werden hielden zelf niet de gehele wet, al moesten zij ze houden. |
| B — |
Verder zou men Heb. 10:18 kunnen aanhalen « Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde ». Een werkelijke offerande, die van Christus, is er niet meer. Die is voor altijd geschied. Maar daarom kan er nog wel een ceremonie zijn als gedachtenis aan die offerande. Evenals de offeranden vóór Christus, naar het kruis wezen, kunnen de offeranden na Christus, ook naar dit kruis terugwijzen. Zoo hebben wij ook in Ezech. 40-45 een nauwkeurige beschrijving van al de vormen, inbegrepen de offeranden, die gedurende het koninkrijk zullen gevolgd worden. Hierbij behoort ook de besnijdenis des vleses (Ezech. 44:9), want het was het teken van een « eeuwig » verbond (Gen. 17:13). |
| A — |
Ik stem toe, dat er geen moeilijkheden zijn om aan te nemen, dat gedurende de tijd der Handelingen de Christen-Joden de vormen der wet moesten volgen. |
| B — |
Laat ons nu verder de positie der volken nader beschouwen en daarna onderzoeken wat de Schrift over ons zegt.
Tot op het einde der Handelingen was Israël Gods volk. De Jood nam, naar het vlees, de eerste plaats in. Zij worden steeds éérst vermeld (Rom. 1:16; 2:9, 10). Zij hadden vele voordelen ( Rom. 3:1, 2; 9:3-5). Jezus Christus is geworden een dienaar der BESNIJDENIS, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der VADEREN (Rom. 15:8). Van de zegeningen, die de volken bekomen, wordt maar in de tweede plaats gesproken en de profeten aangehaald (Rom. 15:9-12). De positie der volkeren wordt misschien het best gezien uit Rom. 11. Israël is de olijfboom:, de volken worden als takken ingeënt. Zij hebben deel aan de vettigheid van de olijfboom (zie ook Rom. 15:27), maar zijn zelf dien boom niet. In Rom. 11:11 is « vallen » het werkelijke vallen. Als dit gebeurt, verdwijnt de olijfboom. In dien tijd waren zij nog niet gevallen. « Maar door hunnen val » duidt iets geheel anders uit. De Concordans toont ons, dat « val » een andere betekenis heeft, namelijk: misdaad. Zij namen als volk de Messias niet aan, dit was hun misdaad en nu waren zij in gevaar te vallen. Intussen worden zij nog geprikkeld door de komst der zegeningen tot de volken. Dat was toen vooral om ze ijverzuchtig te maken (Rom. 10:19, 20; zie ook Deut. 32:21. Dit alles was geen verborgenheid. Deze toestanden bestaan nu niet meer. Er is geen olijfboom en er zijn geen ingeënte takken. Israël heeft door het volharden in zijn misdaad, zijn positie als Gods Volk voor een tijd verloren. Na zijn laatste poging met de vertegenwoordigers van het volk, zegt Paulus in Hand. 28:28:« Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods de Heidenen gezonden is, en deze zullen horen. » Zoals vroeger reeds geschied was, is er nu een onderbreking in Israëls geschiedenis en in al wat er mee in verband staat, b. v. het Nieuw Verbond. Die woorden van Paulus werden spoedig daarop bekrachtigd door de verwoesting van de tempel. Het volk werd uit het land verdreven en tussen de volken verstrooid, zoals vroeger toen God Zijn volk ook « Lo-ammi » (d. i. niet mijn volk noemde. (Hos. 1:9, 10). |
| A — |
Ik vrees toch nog, dat uw ijver U te ver doet gaan. Wat zegt U van de woorden « er is geen onderscheid, noch van Jood, noch van Griek » (Rom. 10:12)? Die werden toch uitgesproken gedurende de tijd der Handelingen? |
| B — |
U gelooft dat de man het hoofd der vrouw is? (Ef. 5:23 enz.) En toch zegt Paulus ook, dat in Christus is geen man en vrouw (Gal. 3:28) evenmin als Jood noch Griek. Hoe verklaart U dat? |
| A — |
De eerste tekst betreft de stoffelijke dingen, de tweede de geestelijke dingen. Voor wat betreft de maatschappelijke verhoudingen, is de man het hoofd der vrouw. In de geestelijke sfeer is geen verschil. |
| B — |
Zo is het ook met Israël en de volken tot het einde der Handelingen en zo zal het ook in de toekomst zijn b. v. onder het koninkrijk. Israël is dan Gods Volk en door hem komen de zegeningen tot de volken. Deze zijn slechts ingeënte takken, voor wat de aardse zaken betreft. Maar Rom. 10:12 spreekt over de rechtvaardigheid uit het geloof. Voor wat dit betreft is er geen onderscheid, hier gaat het overigens over iets individueels, niet nationaals. |
| A — |
Ik bemerk weer, dat ik U te haastig beschuldigde te ver te gaan. Toen ik « Het Voornemen der Eeuwen » las meende ik ook steeds, dat Aristarkos te ver ging. Zolang men echter bij Gods Woord blijft, kan men veel verder gaan dan de overlevering. Voor mij, die niet los kon worden van onschriftuurlijke beschouwingen scheen dit natuurlijk « te ver ». Nu zie ik ook waarom Aristarkos er, zo op drukt, dat onze bedeling niet voortvloeit uit die der Handelingen, niet het produkt is ener ontwikkeling, maar ener schepping. |
| B — |
Als men een juiste blik heeft op de tijd der Handelingen, kan men ook de andere Griekse Schriften tot hun recht laten komen. |
| A — |
Mag ik U echter nog een opheldering vragen? Als ik U goed begrepen heb, zou dus het koninkrijk niet meer verkondigd worden na Hand. 28. Hoe legt U dan uit, dat in Hand. 28:31 nog gezegd wordt, dat Paulus daarna het koninkrijk nog predikte? |
| B — |
Mag ik U doen opmerken, dat Paulus het « koninkrijk Gods » predikte? Dit koninkrijk omvat alles, zowel het koninkrijk der hemelen als het « bovenhemelse koninkrijk » van 2 Tim. 4:18 (Griekse tekst). Aan Paulus was méér geopenbaard dan aan anderen. Hij kon spreken van het 1000-jarig rijk en ook van andere plaatsen en tijden. Er staat in uw tekst niet, dat hij verkondigde dat het « koninkrijk der hemelen » nabij was, al heeft hij waarschijnlijk wel over dit koninkrijk gesproken. Zij die de bijzondere positie der Gemeente onderscheiden, kunnen nu ook over alles spreken, wat geopenbaard is en in dezen zin het « koninkrijk Gods » verkondigen. |
| A — |
Ja ik zie, dat wij ook onderscheid moeten maken tussen de verschillende koninkrijken. |
| B — |
Het is eigenlijk onbegrijpelijk, hoe zij, die een open oog hebben 'voor het koninkrijk en de toekomst van Israël, zo dikwijls blind zijn voor de positie der Gemeente der verborgenheid. Vlak vóór en gedurende het koninkrijk, is Israël weer Gods Volk. Zij zijn natuurlijk ook « Christenen », evenals velen uit de volken en geheel het N. T. is tot hen gericht (behalve dan de delen tot de leden der Gemeente). Veronderstel dat het gehele N. T. tot de Gemeente gericht was, wat zou er dan voor deze Christenen overblijven? Tussen Israël en de volken is er dan weer onderscheid. Alle profeten spreken over de rol, dien Israël dan te vervullen heeft:zij zullen een instrument zijn in Gods handen om Zijn zegeningen over de volken uit te storten. De Christen-Joden hebben hun tempel, hun vormen, de Heere zal medegetuigen door tekenen, wonderen en krachten. De Heilige Geest zal uitgestort zijn over alle vlees. Welnu als men de kenmerken van dezen tijd reeds in de Handelingen vindt, welke moeilijkheid is er dan om, aan te nemen, dat de gelovigen uit de volken dan in dezelfde verhouding tot Israël staan, als gedurende het koninkrijk? En als hetgeen de leden der Gemeente betreft, niet toepasselijk is op de Christenen, die gedurende het koninkrijk op de aarde zijn, dan is dat ook niet toepasselijk op de Christenen gedurende de tijd der Handelingen. En dan ziet men omgekeerd, dat alleen Ef. Fil. Kol. 2 Tim. tot de Gemeente gericht zijn, al is ook al het andere voor hen. Zoo er reeds leden der Gemeente waren gedurende Handelingen, dan kenden deze hun positie nog niet, vermits Paulus die later slechts zou openbaren.
Door het onderzoek der profetie komt men ook tot hetzelfde resultaat:de toestanden in Handelingen en in het koninkrijk stemmen overeen met wat de profeten schreven. Zij wisten, dat de volken door of in verband met Israël zouden gezegend worden. De dingen waarover zij geen woord zegden beginnen slechts na de Handelingen. Van een gemeente, die geheel onafhankelijk van Israël en meer dan Israël zou gezegend worden wisten zij niets.
U ziet, dat zowel door een onderzoek der « gezonde woorden », als door een algemeen onderzoek, wij tot dezelfde conclusie moeten komen:de Gemeente begint niet met Pinksteren en heeft een positie verre boven alles, ook boven die der gelovigen der Handelingen en van het koninkrijk. |
| A — |
Alle pogingen tot tegenwerping, gewoonlijk gedaan zonder welwillendheid, verdraagzaamheid en zachtmoedigheid (2 Tim. 2:24,25), steunen op het feit, dat de volken reeds in Handelingen gezegend zijn. Ik zie nu duidelijk in, dat daarom de Gemeente nog niet begint, vermits de volken gedurende het koninkrijk nog veel meer zullen gezegend zijn, al behoren zij niet tot de Gemeente. Dit alles was nooit verborgen, maar integendeel door alle profeten verkondigd. De tegenstanders zien niets van de bijzondere positie der Gemeente. Zij komen ook steeds terug met de bewering, dat U en anderen maar een paar brieven overhouden uit de Bijbel en geven daardoor blijk niets begrepen te hebben. U behoudt juist alles, maar ziet beter de waarde in van hetgeen tot de leden der Gemeente gericht is. Zij spreken ook steeds van de onmogelijkheid, dat zo velen zich zouden vergist hebben. Als dit als argument kan gelden, deden zij beter zich tot Rome te richten.
Hoe mag ik God danken nu een open oog te hebben voor wat Hij in Zijn Woord heeft neergeschreven. |
| B — |
Nog een woord over de tijd na de Gemeente. De toestanden van Handelingen sluiten zich volkomen aan bij die welke zullen bestaan na de eigenlijke Gemeente. Handelingen had moeten gevolgd worden door het koninkrijk en was niet een voorbereiding onzer bedeling. Had Israël zich bekeerd, dan had, menselijker wijze gesproken, onze bedeling niet bestaan. Men heeft menig voorbeeld van een dergelijke toestand. Denk b. v. aan de woestijn reis. De uittocht uit Egypte was geen voorbereiding van de 40jarige omzwerving. Gods uitnodiging Kanaän in te gaan was gemeend.
De algemene wereld toestanden na de Gemeente zullen dezelfde zijn als gedurende de Handelingen. Het Romeinse rijk, of iets dat er op gelijkt, zal weer bestaan, Israël zal ten dele in het land (Palestina) zijn, de Christen-Joden zullen in de tempel de wet volgen, de Christenen uit de volken zullen van hen (als volk) gescheiden zijn. U weet hoe alles nu reeds naar die toestanden heen wijst. Ook de vorming van afzonderlijke Christen-Joodse Gemeenten is in verband hiermee zeer merkwaardig. ¹ |
| A — |
Hoe kon ik toch zo verblind zijn die dingen vroeger in het geheel niet in te zien? |
| B — |
Misschien is er iemand, die belang had bij uw blindheid? |
| A — |
Hoezo? Wie zou daar nu belang bij hebben? |
| B — |
Denk eens na. Is er geen schepsel, dat er belang bij heeft dat men Gods Woord niet tot zijn recht laat komen; de |
| |
dingen verwart, die God gescheiden heeft; aanneemt dat de apostelen zich vergisten; dat er tegenspraak is tussen Christus en Paulus en wat dies meer zij? Wie hindert het bovenal als men de Schriften letterlijk aanneemt? |
| A — |
Ik ben er. U bedoelt Satan. Ja, dat is zo. Hoe vreselijk! Wij rekenen nooit genoeg met dien tegenstander, wij gebruiken het zwaard niet in onze strijd (Ef. 6:17). |
| B — |
Wij komen nu tot de kenmerken onzer bedeling, tenzij U nog vreest voor warme hoofden en koude harten? |
| A — |
U wil mij plagen. Neen, broeder, laat ons God verheerlijken en de volheid Zijner genade prijzen. Dit kan alleen als men kennis neemt van Zijn Woord buiten allen sektarische geest. Ik zie nu ook in, dat ik mij nooit juist bewust was van de positie, waarin God mij geplaatst heeft en dat ik Hem daarmee in de eerste plaats te kort deed, en Satan in de hand werkte. |
| B — |
Welnu het overige van ons onderzoek, zal U de gelegenheid geven dit alles goed te maken. De woorden zullen ons hier te kort schieten om de heerlijkheden uit te drukken. Wij willen echter ons gevoel doen zwijgen en nuchter de zaken onderzoeken, al is dit niet naar de wens van sommigen. Ik heb geleerd zeer voorzichtig te zijn met het gevoel en het alleen de vrijen teugel te laten, na een zeer « koud » onderzoek.
Na de laatste kans, die God, door middel van Paulus, aan Israël gaf OM zich te bekeren, verlaat Hij hen. Nu veranderen alle omstandigheden. Er wordt geen koninkrijk meer verkondigd en wonderen, tekenen en krachten zijn dan ook geheel afwezig. Deze nieuwe toestanden waren van alle eeuwen verborgen en de vervulling der profetie is dan ook opgeschorst. Alle vormen verdwijnen, het geloof alleen moet heersen. Een Gemeente wordt geschapen, een « samengevoegd lichaam », waarvan Christus het hoofd is. De leden dier Gemeente behoren niet tot de aarde, noch zelfs tot de hemelen, waarvan vroeger gesproken werd, maar tot de « bovenhemel », aan de rechterhand Gods, verre boven alles. Zij zijn gezegend met alle geestelijke zegeningen en zijn in Hem volmaakt. |
| A — |
Ik was enigszins voorbereid door het lezen van het boek « Het Voornemen der Eeuwen », maar misschien wil U toch enkele zaken wat uitvoeriger aantonen? In welke delen van het N. T. vindt men die dingen en hoe kan een eenvoudig gelovige weten, wat bijzonder tot die « Gemeente der Verborgenheid » gericht is? |
| B — |
Na Handelingen schrijft Paulus in de gevangenis:Ef. Fil. Kol. 2 Tint. Deze Brieven zijn dus geschreven na de verwerping van Israël en betreffen de-nieuwe toestanden. Natuurlijk had Paulus vele dingen mondeling behandeld; de Brieven geven maar weer, wat wij er van weten moeten. Nu gaat U het belang inzien van de vraag of Paulus tot de 12 apostelen behoort. Behoort hij er niet bij, dan is er geen moeilijkheid te begrijpen, dat aan hem alleen het rentmeesterschap (bedeling) gegeven was betreffende dezen tijd. Aan hem was de grote verborgenheid eerst geopenbaard (Ef. 3:2, 3, 6-9). Laat ons nu ook Kol. 1:25, 26 lezen:« Welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeling van God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het woord Gods; namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijne heiligen ». En let er op, dat het woord « geopenbaard » niet hetzelfde is in het Grieks als in Ef. 3:3 « openbaring », dit laatste is uitsluitend gebruikt van iets dat van God zelf komt. Het woord van Kol. 1:26 wordt gebruikt voor iets dat ook door middel van mensen kan komen (zie b. v. Kol. 4:4). Ik spreek niet van Ef. 3:4, 5, dat zou ons hier te ver voeren en is in « Het Voornemen der Eeuwen » behandeld. U ziet dat in deze tijden de 12 apostelen geen rol meer te vervullen hebben. Hun werk begint weer na de Gemeente en vooral onder het koninkrijk (Mat. 19:28). Wat denkt U nu over het Rooms stelsel, dat op Petrus rust? |
| A — |
Het enige waarop het kan steunen is de overlevering. Gods Woord is echter in strijd met die traditie. In de protestantse kringen heerst echter ook nog heel wat overlevering. Het verwondert mij nu ook niet, dat Paulus een groten strijd had voor de vertroosting en samenvoeging in de liefde en ten allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot de kennis der verborgenheid (Kol. 2:1, 2). Hij werd dan ook verlaten door « allen, die in Azië zijn » (2 Tim. 1:15; zie ook 2 Tim. 4:16). |
| B — |
Dit zal ook het geval met ons zijn, als wij geheel Gods Woord geloven. Daar tegenover staat God « die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus » (Ef. 1:3). Zo iets was nooit gezegd voor vroegere bedelingen. Te meer daar « in de hemel » een uitdrukking is, die vroeger nooit gebruikt was. Letterlijk is het « in de opperhemelse » (of bovenhemelse) en men vindt die woorden alleen in Ef. 1:3, 20; 2:6; 3:10; 6:12. U ziet uit Ef. 1:20 dat die « opperhemelse » de sfeer is waar God woont. Daar zijn wij in Christus gezet (Ef. 2:6); daar is onze taak (Ef. 3:10), onze strijd (Ef. 6:12), onze wandel of burgerschap (Fil. 3:20). Mag ik U nu vragen welk belang het heeft in te zien, dat wij niets te maken hebben met het Nieuwe Verbond? |
| A — |
Ik zie nu duidelijk, dat dit verbond alleen met Israël gesloten is, en al worden in die bedeling de volken ook in verband met Israël als uitvloeiing van dit N. V. gezegend, die zegeningen zijn niets vergeleken met de onze. Deze zijn geheel onafhankelijk van Israël en geven om meer dan ooit aan Abraham, Izak en Jakob beloofd werd, Als wij het N. V. op ons toepassen, moeten wij ons beschouwen als « ingeënte takken », wij kennen dan onze positie niet, of op zijn best heel onduidelijk. |
| B — |
Is het U opgevallen, dat onze positie niet alleen van Israël onafhankelijk is, maar van de gehele wereld? Ef. 1:4 zegt:« uitverkoren... vóór de grondlegging der wereld ». Het koninkrijk, de verbonden en alle dingen in betrekking met Israël, waren « van de grondlegging der wereld » (Mat. 25:34). |
| A — |
Maar U bedoelt toch niet, dat Christus niet voor ons gestorven is? |
| B — |
Wel neen. Ef. 1:7 zegt juist:« in welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed ». Als kinderen van Adam zijn wij zondaren van geboorte en al wat van de zonde gezegd wordt, is op ons toepasselijk. Daarom heeft juist de GEHEELE Bijbel zo'n groot belang voor ons. Al zien wij in Ef. Fil. Kol. Brieven, die speciaal en alleen tot de Gemeente gericht zijn, daarom kunnen wij Rom. enz. niet ontberen. Maar alle kinderen van Adam zijn door God niet in dezelfde omstandigheden geplaatst, niet onder hetzelfde rentmeesterschap, niet tot hetzelfde doel uitverkoren, en daarom kan ik niet op mij toepassen, wat tot anderen gezegd werd in betrekking met hun bedeling.
Waar wij van Ef. 1:7 spreken, kan ik hier ook uw aandacht vestigen op het feit, dat « verlossing » in dit vers, de vertaling is van een ander woord dan in de vroegere Brieven, en deze verlossing verder gaat, dan de gewone verlossing.. Zo hebben de leden der Gemeente ook een « verzoening » (zie b. v. Ef. 2:16) die meer omvat dan de gewone verzoening. |
| A — |
O! dat de God van onzen Heere Jezus Christus ons geve de geest der wijsheid en der openbaring, in Zijn kennis; namelijk verlichte ogen onzes verstands, opdat wij mogen weten, welke zij de hoop Zijner roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen (Ef. 1.:17, 18). |
| B — |
Amen. Nu verder Christus is het hoofd (niet de Koning) der Gemeente, welke Zijn lichaam is. (Ef. 1:22, 23). In Rom. hebt U wel gelezen over een gemeenschap, die ging tot de dood en sprak over de opstanding; maar een gemeenschap zoals deze, die ons met Christus aan de rechterhand Gods plaatst, komt men nergens tegen. Die gemeenschap tussen Hoofd en lichaam is er niet zolang er sprake is van een hogepriester, van een koning, van inzettingen, verbonden enz.. Tussen bruidegom en bruid kan er een verbond gesloten worden, tussen Hoofd en lichaam niet. U ziet steeds hoeveel men verliest en hoe men ten opzichte van God moet te kort komen, als men zich aan dit alles vastklemt. « Vergetende hetgeen achter is » zegt Paulus in Fil. 3:14. En welke verantwoordelijkheid voor hen, die anderen onderwijzen, en voor allen, die, gewoonlijk zonder onderzoek, die dingen verwerpen!
In het tweede hoofdstuk van Efeze zien wij hoe dit lichaam gevormd is. Vroeger was er Israël EN de volken. Zelfs de Christen-Israëlieten waren voor wat de stoffelijke dingen betreft, van de gelovigen uit de volken gescheiden door de wet (Ef. 2:11-15). Nu Israël tijdelijk van God verlaten is, is de wet « te niet gemaakt ». U ziet, dat dit iets geheel anders is dan in Rom. en Gal. Ook Kol. 2:14 spreekt van het « uitwissen » en « wegnemen ». Terwijl de toestanden gedurende Handelingen de leer der Sabbatisten gedeeltelijk steunen, wordt zeker nu hun dwaling in verband met onze bedeling duidelijk. Nu werden die twee, de volken en Het Volk, in Christus tot een « nieuwe mens » geschapen. Het is een schepping, geen evolutie uit de tijd der Handelingen. Zij zijn tezamen erfgenamen, een samengevoegd lichaam, tezamen deelgenoten Zijner belofte in Christus naar de blijde boodschap waarvan Paulus een dienaar is (Ef. 3:6, 7 naar het Grieks). Vroeger waren er reeds andere « blijde boodschappen » geweest. Paulus moest de « onnaspeurlijke rijkdom van Christus » verkondigen. Het is dan ook dwaas dien rijkdom in vroegere geschriften te trachten na te speuren. Zij die hier niet verder zien dan Romeinen verliezen dien rijkdom. |
| A — |
Wil U mij een opmerking veroorloven? Ef. 3:6 spreekt van een belofte. Wat is dat dan, als het geen belofte is, die God vroeger aan Abraham, Izak of Jakob gedaan heeft? |
| B — |
Ef. 2:12 zegt, dat zij « vreemdelingen van de verbonden der belofte » waren. De verbonden hadden niets te stellen met de Gemeente. De belofte, die ons betreft wordt in 2 Tim. 1:1 vermeld:« de belofte des levens, dat in Christus Jezus is ». Wij kunnen hier niet veel zeggen over het « eeuwige leven ». Alleen dit:die uitdrukking betreft in de eerste plaats het karakter van dat leven, niet de duur. « Eeuwig » is letterlijk « aioonisch » d. i. in betrekking met DE aioon of de aionen. Zij die het eeuwige leven hebben, leven wel voort na de aionen, maar dat is hier niet aangegeven. Zich tevreden stellen met het eeuwige leven, is, hoe schoon het ook is, niet aannemen AL wat God ons te geven heeft. Kol. 3:4 spreekt echter over iets anders: Christus is ons leven en dat leven is volgens vers 3 met Christus verborgen in God. Hier hebt U de belofte voor ons. De breedte, en lengte, en diepte, en hoogte hiervan kan ik niet begrijpen. Maar... ik geloof het. Onze gedachten en woorden, kunnen die dingen alleen naar een lagere sfeer trekken. |
| A — |
U had wel gelijk te zeggen, dat het hart niet koud zou blijven. Toen wij spraken over de gaven aan de Gemeente; hebben wij reeds gezien, dat er geen talen, gaven der gezondmaking enz. waren. Nu ik Ef 4:11, 12 hierover lees, herinner ik mij ook wat U zei over het « opnieuw toebereiden » (bl. 5). Ik zie nu het belang in, de juiste betekenis van « volmaking » te begrijpen. Gewoonlijk zegt men dat de heiligen van af Pinksteren nu verder onderwezen worden. 'Wij weten echter, dat er geen evolutie der Gemeente is. Het woord « volmaking », dat de betekenis heeft van « opnieuw toebereiden » drukt dit ook weer uit. |
| B — |
U ziet ook hoe nodig het is kennis te hebben van de Schriften. Ik bedoel hier het woord « kennis », dat Paulus in Ef. 4:13; Fil. 1:9 (erkentenis); Kol. 1:9, 10; 2:2 gebruikt. Het is letterlijk « bovenkennis » (zo men wil:volle kennis), namelijk geloven wat God kent. Ook Rom. 10:2 gebruikt dat woord: « dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand ». Van hoe vele onzer, broeders kan dit laatste gezegd worden. Het is waar, dat « in veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart » (Pred. 1:18), maar verdriet is nu juist ons deel in deze « boze eeuw ». Er is een gemeenschap, ook in het lijden( Kol. 1:24; Fil. 1:29; 3:10).
Ik wil nog een ander voorrecht der gemeenteleden aanhalen:hun lichaam zal gelijkvormig zijn aan Zijn heerlijk lichaam, (Fil. 3:21). Dat is méér dan Rom. 8:29, zoals U in « Het voornemen der Eeuwen » hebt kunnen lezen. Verder zijn deze gelovigen in Christus nu reeds « volmaakt » (Kol. 2:10). |
| A — |
Ik zie nu de grote voorrechten der Gemeente, haar buitengewone positie en het verwondert mij niet, dat Paulus dan ook zo aandringt dat de wandel er mee zou overeenstemmen (b. v. Ef. 4:1). Hoe groot is onze verantwoordelijkheid tegenover de mensen en de geestelijke wezens! (Ef. 3:10). Hoe licht zijn wij ons Hoofd tot schande! Hoe nodig is het Gods Woord steeds weer te onderzoeken, de dingen te beproeven, die verschillen (Fil. 1:10) en dat Woord recht te snijden (2 Tim. 2:15)!
Uw tegenstanders moeten geen uitvluchten zoeken, maar eens duidelijk antwoorden op de volgende vragen:
| 1. |
Moesten de Christen-Joden de vormen der wet niet volgen gedurende de Handelingen? Moeten zij dergelijke vormen niet volgen gedurende het koninkrijk? Zo ja, waarom, moeten de leden der Gemeente, die uit Israël zijn, de wet nu niet volgen? |
| 2. |
Waarom is de gehele tijd der Handelingen door allerlei gekenmerkt, dat nu niet bestaat, maar wel gedurende het koninkrijk zal bestaan? |
| 3. |
Is het Nieuw Verbond niet met Israël gesloten? Zijn er soms twee nieuwe verbonden? |
| 4. |
Welke delen der Schrift zijn voor de Christenen, die op aarde zullen zijn, na de Gemeente?
Zijn de gevangenisbrieven ook gericht tot de gelovigen vlak vóór en gedurende het koninkrijk?
|
| 5. |
Waarom zegt Paulus, dat de gelovige Thessalonicensen UIT de toekomstige toorn zullen gered worden, als de Gemeente er niet in komt? (1 Thes. 1:10 Gr. tekst).
Hoe kan Paulus verwachten, levend te worden opgenomen, als hij weet te zullen sterven? (2 Tim. 4:6).
|
| 6. |
Is de positie der Gemeente in de « opperhemelse » of in betrekking met aardse dingen? Is die positie dezelfde als die der Christenen van Handelingen en van het koninkrijk?
Zijn de zegeningen en de positie der volken onder het koninkrijk groter dan die der Gemeente?
|
| 7. |
Is de Gemeente slechts een ingeënte tak op de Israëhetische olijfboom? |
| 8. |
Waarom waren er geen gelovigen uit de volken bij het begin der Gemeente, in de veronderstelling namelijk, dat zij met Pinksteren begon? |
| 9. |
Ontsluit Petrus de Gemeente met de sleutelen des koninkrijks? Waarom stelt hij als voorwaarde de bekering van Israël, terwijl hij eigenlijk van de Gemeente had moeten spreken? (Hand. 3:19-22). |
| 10. |
Waren de toestanden van de Handelingen « verborgen in God »? Waarom spreken de profeten wel over die toestanden, zowel als die van het koninkrijk, maar niet over de zegeningen der Gemeente geheel onafhankelijk van Israël (zoals na de Handelingen)? |
Dit alles, en nog veel meer, wordt uitgelegd door aan te nemen, dat de Gemeente slechts na Handelingen begon. De enige reden, die men tegen deze uiterst eenvoudige oplossing kan inbrengen, is dat zij niet met de overlevering strookt.
|
| B — |
Laat mij hier nog iets zeer ernstigs bijvoegen. U ziet, dat bij ons onderzoek de Schriften in al hun onderdelen als door God ingegeven aanvaard worden. U ziet dat elk woord tot zijn recht komt zonder ingewikkelde uitlegging. Alles is eenvoudig, maakt een geheel en legt zich zelve uit, als men het maar neemt zoals het er staat. Wij moeten niet veronderstellen, dat de Heere Jezus of de apostelen zich vergisten. Wij begrijpen waarom, er tussen hun woord dikwijls zo'n groot verschil is. Al zien wij nu geen wonderen, toch hindert het ons niet te geloven, dat er vroeger waren, en er in de toekomst zullen zijn. Zelfs het O. T. kunnen wij in alles letterlijk aannemen zonder moeilijkheid, al zegt het, dat het N. V. met Israël gesloten zal worden.
Daartegenover weet U wat het gevolg geweest is van de algemeen verspreide gedachten in de christen wereld. In het kort gezegd:afval en Schriftkritiek. Men kan nu wel te weer gaan tegen de Moderne Kritiek; dit is alles te vergeefs als men de diepe oorzaken niet aantast. Zij die bevreesd zijn de volle waarheid aan te nemen en te verkondigen, werken er onbewust aan mede die kritiek en hare gevolgen te bevorderen. Denk aan de strijd uit Ef. 6; wij hebben slechts één wapen: Gods Woord. Daarentegen is het hoofdmiddel van de vijand: de overlevering.
De Schriftkritiek begon eigenlijk in Paulus' dagen, daarom wees hij Timotheus steeds op de Schrift en de ingeving der Schrift (b. v. 2 Tim. 3:16) en waarschuwde hij voor hen, die het oor van de waarheid afwendden. De hoofdoorzaak van dien afval was: 1° Dat zij het voorbeeld (model) der gezonde woorden niet hielden (2 Tim. 1.:13) en 2° Dat zij het Woord der waarheid niet recht sneden (2 Tim. 2:15). Het gevolg was, dat zij zich van de waarheid afwendden, zich keerden tot fabelen, niet wettig streden (2 Tim. 2:5), d. i. niet volgens Gods wil, wandelden. En tenslotte waren zij vaten tot oneer (2 Tim. 2:20). Paulus was niet bang voor de gevolgen van zijn evangelie (2 Tim. 2:8), van zijn leer (2 Tim. 3:10), zelfs al zag hij, dat allen in Azië zich van hem afwendden (2 Tim. 1:15; 4:16) en al werd hij vervolgd, zoals « allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus » (2 Tim. 3:12. De grote meerderheid, die zich van Paulus afwendde, heeft zich ontwikkeld tot het hedendaagse « christendom » met al zijn overlevering.
Als men dus bang is voor de gevolgen ener nieuwe beschouwing, dan lette men ook op de gevolgen der tegenwoordige opvatting. Gevolgen zijn echter voor ons slecht te overzien, en de hoofdzaak is onderzoeken of de beschouwingen schriftuurlijk zijn. Dan kunnen wij de gevolgen in Gods handen laten.
En laat mij nu eindigen met de opmerking, dat de ware rechtzinnigheid niet bestaat in te geloven wat de vaderen zegden, maar in het letterlijk geloven van wat God gezegd heeft door middel der Schriften.
Wij moeten komen tot volle verzekerdheid des verstands, tot boven- of volle kennis der verborgenheid van de God en Vader van Christus, in Denwelke al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. Niet dus in traditie of belijdenis, in Hem zijn zij verborgen en uit Zijn volheid ontvangen wij door de Schriften genade voor genade. |
|
|